CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-019770 Bijlage 17- MER-Hoofdrapport-deelrapport-1-2-en-3-Zuid-West-380-kV-Oost

Opiniërende raadsvergadering 27 januari 2022, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 2021-019770 Ontwerp Inpassingsplan 380 kV29.704 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Milieueffectrapport

Zuid-West 380 kV Oost

Inhoudsopgave Hoofdrapport

3

Deelrapport 1

83

Deelrapport 2

268

Deelrapport 3

359

2

Milieueffectrapport

Hoofdrapport

Inhoudsopgave 1. Inleiding

7

1.1 Een nieuwe hoogspanningsverbinding 1.2 Het Milieueffectrapport 1.3 Leeswijzer Hoofdrapport

7 8 10

2. N  ut en noodzaak van een nieuwe hoogspanningsverbinding

11

2.5.1. Borssele, Rilland en Zuid-West West

13

2.5.2. ZuidWest Oost

13

2.5.3. Station Tilburg

14

3. Voorgenomen activiteit

16

3.2.1. Gecombineerde verbinding

16

3.2.2. Vakwerkmasten

17

3.2.3. Ondergrondse ligging van kabels

17

3.2.4. Opstijgpunten

18

3.2.5. Aansluiting op hoogspanningsstations

19

4. T  otstandkoming van het Voorkeursalternatief

20

5. Voorkeursalternatief

27

2.1 Ontwikkelingen in de energiesector 2.2 Landelijke 380 kV-ring in Nederland 2.3 Energieproductie in Zeeland 2.4 Knelpunten in het transport naar het achterland 2.5 Oplossing

3.1 Doelstelling 3.2 Voorgenomen activiteit

11 11 12 13 13

16 16

4.1 Ontwerpproces 4.2 Voorkeursalternatief 2011 4.3 Discussie over de alternatieven 4.4 Aanpassing van de te onderzoeken alternatieven 4.5 Alternatieven, varianten en meest milieuvriendelijk alternatief 4.6 Tussenadvies van de Commissie voor de Milieueffectrapportage 4.7 Voorgenomen tracé 2017 4.8 Uitwerking naar Voorkeursalternatief

5.1 Ontwerpproces 5.2 Rilland-Markiezaat 5.3 Brabantse Wal 5.4 Bergen op Zoom 5.5 Roosendaal Halderberge 5.6 Oud Gastel 5.7 Standdaarbuiten 5.8 Moerdijk 5.9 Hooge Zwaluwe 5.10 Geertruidenberg 5.11 ’s Gravenmoer 5.12 Bosroute

20 21 21 22 23 24 25 26

27 27 28 29 30 31 32 33 34 36 37 38

4

6. Milieueffecten

39

6.2.1. Gevoelige bestemmingen

41

6.2.2. Vrijgespeelde gevoelige bestemmingen

42

6.2.3. Hinder

45

6.3 Landschap en cultuurhistorie

50

6.3.1. Landschappelijk hoofdpatroon (tracéniveau)

50

6.3.2. Kwaliteit van het tracé (tracéniveau)

51

6.3.3. Gebiedskarakteristiek (lijnniveau)

51

6.1 Inleiding 6.2 Leefomgevingskwaliteit

39 41

6.3.4. Samenhang elementen (mastniveau)

52

6.4. Natuur

52

6.4.1. Draadslachtoffers

52

6.4.2. Leefgebieden

53

6.4.3. Tijdelijke effecten

54

6.5. Bodem en water

55

6.5.1. Aardkundige waarden

55

6.5.2. Bodemkwaliteit

55

6.6 Archeologie

56

6.6.1. Archeologische monumenten

56

6.6.2. AMK-terreinen

56

6.6.3. Verwachtingsgebieden

56

6.7 Ruimtegebruik 6.8 Overzicht van de effecten 6.9 Mitigerende maatregelen

57 58 58

6.9.1. Gevoelige bestemmingen

58

6.9.2. Landschap

58

6.9.3. Natuur

59

6.9.4. Bodem en Water en Archeologie

60

7. Tijdelijke verbindingen

61

7.2.1. Leefomgevingskwaliteit

63

7.2.2. Landschap

63

7.2.3. Natuur

63

7.2.4. Bodem en Water

64

7.2.5. Archeologie

64

8. P  assende Beoordeling

65

8.3.1. Brabantse Wal

68

8.3.2. Biesbosch

68

8.4 Effecten door toename van stikstofdepositie 8.5 Effecten door verandering draadslachtoffers

68 69

7.1 Ontwerpproces 7.2 Effecten van tijdelijke verbindingen

61 63

8.1 Inleiding 8.2 Werkwijze 8.3 Effecten door toename van verstoring

65 65 68

5

8.5.1. Brabantse Wal

69

8.5.2. Zoommeer

69

8.5.3. Markiezaat

69

8.6 Toetsing

70

8.6.1. Brabantse Wal

70

8.6.2. Biesbosch

71

8.7 Cumulatie

72

9. M  itigerende maatregelen

73

10. Leemten in kennis en informatie

76

11. Monitoring en evaluatie

78

12. Procedure en besluitvorming

79

9.1 Gevoelige bestemmingen 9.2 Landschap 9.3 Natuur 9.4 Bodem en Water en Archeologie

73 73 73 75

10.1 Algemeen 10.2 Leefomgevingskwaliteit 10.3 Landschap en cultuurhistorie en natuur 10.4 Bodem en water 10.5 Archeologie 10.6 Conclusie

12.1 Besluitvormingsprocedure 12.2 Inspraak en advies 12.3 Definitieve besluitvorming 12.4 Aan- en uitkoop van gevoelige bestemmingen 12.5 Vervolg 12.6 Nadere informatie

6

76 76 76 77 77 77

79 80 80 80 81 81

1. Inleiding 1.1 Een nieuwe hoogspanningsverbinding TenneT TSO B.V., de beheerder van het landelijke hoogspanningsnet, heeft het voornemen een nieuwe 380 kilovolt (kV) hoogspanningsverbinding in Zuidwest-Nederland aan te leggen. Deze verbinding transporteert elektriciteit van de productielocaties in Zeeland en op zee naar Tilburg, vanwaar verder transport via de landelijke 380kV-ring plaatsvindt. De aanleg van deze 380kV-hoogspanningsverbinding is nodig om nu en in de toekomst te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen voor de leveringszekerheid van elektriciteit. Het voornemen om een nieuwe hoogspanningsverbinding tussen Borssele en Tilburg aan te leggen is al meer dan 10 jaar geleden aangekondigd: in 2009 is de Startnotitie over dit project uitgebracht. Aanvankelijk was dit één groot project. De bouw van het 380 kV-hoogspanningsstation bij Rilland bracht hier verandering in. De besluitvorming en bouw van de verbinding aan weerszijden van dit station is vervolgens afzonderlijk opgepakt. Over het westelijke deel van de verbinding, tussen Borssele en Rilland, heeft besluitvorming plaatsgevonden. De aanleg van dit gedeelte van de verbinding is inmiddels gestart. Momenteel vindt besluitvorming over het nieuwe 380kV-hoogspanningsstation ten noorden van Tilburg plaats, de realisatie hiervan wordt momenteel voorbereid.

Dit station is namelijk zo snel mogelijk nodig om de ontwikkeling van de belasting en de duurzame productie in Brabant op te kunnen vangen. De planvorming van de 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Rilland en Tilburg is nu zo ver gevorderd, dat hierover besluitvorming kan plaatsvinden. De ministers van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) bepalen waar de nieuwe verbinding komt te liggen en hoe deze eruit komt te zien. De ministers leggen hun keuze vast in een Rijksinpassingsplan. Hiermee wordt de hoogspanningsverbinding planologisch mogelijk gemaakt. Omdat het Rijksinpassingsplan een besluit is over de aanleg van een nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbinding in Nederland met een spanning van meer dan 220kV én een lengte van meer dan 15 km, is het verplicht een m.e.r.-procedure te doorlopen en een Milieueffectrapport (MER) op te stellen. Dit volgt uit bijlage C, categorie 24 van het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast is ook sprake van een plan in de zin van de Wet Natuurbescherming, waarvoor een Passende Beoordeling nodig is. Ook dit leidt tot de plicht een MER op te stellen. Dit volgt uit art. 7.2a lid 1 van de Wet Milieubeheer. Het MER kent dus twee grondslagen en is hierdoor een combinatie van een plan-MER en een project-MER.

Met de informatie die is opgenomen in het MER kan het milieubelang volwaardig meegewogen worden in de besluitvorming.

7

1.2 Het Milieueffectrapport Voorliggend MER beschrijft de milieueffecten van het tracé van de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen het 380 kV-hoogspanningsstation Rilland en het nieuw te bouwen 380 kV-hoogspanningsstation Tilburg. Uitgevoerde milieuonderzoeken Er is ten behoeve van de besluitvorming in de loop der jaren uitvoerig milieuonderzoek verricht, de resultaten hiervan zijn op verschillende momenten gepubliceerd. In 2017 heeft TenneT alternatieve tracés en varianten voor de nieuwe verbinding ontwikkeld en zijn de effecten hiervan onderzocht. De resultaten van het onderzoek zijn in 2017 samengebracht in een aantal documenten. Het betreft: •

de Notitie MER-beoordelingskader, die het beoordelingskader en de in het onderzoek gevolgde werkwijze van het milieuonderzoek beschrijft.

•

de achtergronddocumenten die het milieuonderzoek over respectievelijk Leefomgevingskwaliteit; Landschap en Cultuurhistorie; Natuur; Bodem en Water; Archeologie en Ruimtebeslag beschrijven.

•

de Samenvatting Milieueffecten, waarin de kern van het milieuonderzoek uit de achtergronddocumenten is samengevat.

•

technische notities over Nut en Noodzaak; Tracéontwikkeling; Aansluiting Deelgebieden; Nettechniek en Kosten.

•

de Integrale Effectanalyse waarin alle informatie uit de onderzoeken is samengevat.

In 2017 heeft de minister van Economische Zaken - mede op basis van deze informatie - het Voorgenomen tracé bepaald. In de periode tussen 2017 en 2021 is het Voorgenomen tracé geoptimaliseerd. Er zijn hiervoor gedetailleerde, lokale varianten op het tracé ontwikkeld, die met elkaar zijn vergeleken. In 2019 zijn de resultaten hiervan gepubliceerd in Projectboek 3. Mede op basis van deze optimalisaties is het Voorkeursalternatief bepaald. Passende Beoordeling In de omgeving van de nieuwe verbinding liggen diverse Natura 2000-gebieden. Deze gebieden genieten extra bescherming op grond van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Omdat op voorhand significant negatieve effecten door de realisatie of het gebruik van de nieuwe verbinding, op de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet uitgesloten konden worden, is een Passende beoordeling uitgevoerd. Hierin is specifiek bezien of er sprake is van significant negatieve effecten op deze gebieden als gevolg van de aanleg en aanwezigheid van de nieuwe 390 kV-verbinding. Wijzigingen in het Voornemen In de onderzoeken die in 2017 zijn opgesteld is niet alleen ingegaan op de effecten van de verschillende tracés, maar ook op alternatieve locaties voor het hoogspanningsstation bij Tilburg en de effecten daarvan.

In 2020 is echter besloten om de besluitvorming over dit hoogspanningsstation los te knippen van de besluitvorming over de hoogspanningsverbinding tussen Station Rilland en Station Tilburg. Het MER bevat daarom uitsluitend informatie over het tracé van de nieuwe verbinding. Lange tijd was het voornemen dat de verbinding zou worden gerealiseerd met Wintrackmasten. In 2020 is onderzocht of de verbinding ook gerealiseerd kon worden met Moldaumasten, de speciaal voor het project ontwikkelde vakwerkmasten. Dit onderzoek is in 2020 gepubliceerd. Mede op basis van dit onderzoek is in 2020 besloten het project uit te voeren met de vakwerkmasten.

8

Actualiteit van het milieuonderzoek Bij het opstellen van het MER is gebruik gemaakt van alle milieu-informatie die sinds 2017 is verzameld. Er is onderzocht of het in dit MER opgenomen milieuonderzoek nog voldoende actueel is. Hierbij is aandacht besteed aan wijzigingen in het voornemen, de referentiesituatie en het wettelijk kader. Ook is de werkwijze in beeld gebracht. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het memo Actualiteit en navolgbaarheid van MER ZWO. Uit het onderzoek blijkt dat de in het MER opgenomen milieueffecten voldoende actueel zijn. Het beoordelingskader en werkwijze in de diverse onderzoeken, op de diverse momenten zijn consistent toegepast. Met de informatie die is opgenomen in het MER kan het milieubelang volwaardig meegewogen worden in de besluitvorming over de nieuwe verbinding. Opbouw van het Milieueffectrapport Het MER bestaat uit een aantal rapporten die verschillende aspecten van het MER in verschillende diepgang behandelen. Het Hoofdrapport van het MER beschrijft de hoofdlijnen van het project en geeft de (milieu)informatie die essentieel is voor de besluitvorming. Er zijn vier deelrapporten opgesteld waarin informatie die in het Hoofdrapport is opgenomen in meer detailniveau wordt beschreven: 1.

Deelrapport 1 beschrijft de verschillende tracés die voor de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Rilland en Tilburg in 2017 zijn ontwikkeld, inclusief hun milieueffecten. In dit deelrapport wordt ook ingegaan op de meest milieuvriendelijke tracés die zijn ontwikkeld. 2. In 2017 is het Voorgenomen tracé voor de nieuwe verbinding bepaald. In Deelrapport 2 staat dit tracé centraal, inclusief de milieueffecten hiervan. Dit deelrapport gaat ook in op mogelijke optimalisaties van het tracé. 3. In Deelrapport 3 staat het Voorkeursalternatief met de milieueffecten hiervan centraal. 4. Deelrapport 4 betreft de Passende Beoordeling die is uitgevoerd. Het Hoofdrapport en de Deelrapporten omvatten veel informatie. Daarom is een Samenvatting opgesteld die het Voorkeursalternatief en de milieueffecten hiervan kernachtig beschrijft.

9

Onderstaand schema geeft de opbouw van het MER weer met de onderwerpen die in de verschillende deelrapporten aan de orde komen. Samenvatting Hoofdrapport

Deelrapport 1

Deelrapport 2

Deelrapport 3

Deelrapport 4

De Essentie van het MER

Tracéalternatieven

Het voorgenomen Tracé

Het voorkeursalternatief

Passende beoordeling

• Inleiding

• Inleiding

• Inleiding

• Inleiding

• Inleiding

• Nut en Noodzaak

• Ontwerpproces

• Voorgenomen Tracé

• Voorkeursalternatief

Deel A: Passende

• Voorgenomen activiteit

• Alternatieven en varianten

- Totstandkoming

- Totstandkoming

beoordeling Wet

- Tracé

- Mastkeuze

natuurbescherming

- Milieueffecten

- Tracé

• Aanwezigheid kwalificerende natuurwaarden

• Voorkeursalternatief - Totstandkoming - Tracé • Milieueffecten - Leefomgevingskwaliteit - Landschap en cultuurhistorie - Natuur - Bodem en water - Archeologie - Ruimtegebruik • Tijdelijke verbindingen • Passende Beoordeling • Mitigerende maatregelen

- Blauw - Geel - Paars

• Optimalisatie

- Rood • Milieueffecten - Leefomgevingskwaliteit - Landschap en cultuurhistorie - Natuur - Bodem en water - Archeologie - Ruimtegebruik • Aansluiting deelgebieden • Meest milieuvriendelijk Alternatief

• Milieueffecten, inclusief

- Rilland Markiezaat

vergelijking met het

- Brabantse Wal

Voorgenomen tracé

• Effecten

- Bergen op Zoom

- Leefomgevingskwaliteit

• Toetsing

- Roosendaal Halderberge

- Landschap en cultuurhistorie

• Conclusie

- Oud Gastel Standdaarbuiten

- Natuur

- Moerdijk Zevenbergschen Hoek

- Bodem en water

Deel B: Ecologische beoordeling stikstofdepositie

- Hooge Zwaluwe

- Archeologie - Ruimtegebruik

• Effectbeoordeling stikstofdepositie

- Geertruidenberg - ‘s Gravenmoer - Bosroute

• Effectbeoordeling habitattypen • Beoordeling cumulatie

• Leemten in kennis

• Conclusie

• Monitoring en evaluatie • Procedure en besluitvorming

1.3 Leeswijzer Hoofdrapport Voorliggend rapport is het Hoofdrapport van het MER Zuid-West 380 kV Oost. Hierin komen de hoofdlijnen van het MER en de informatie die essentieel is voor de besluitvorming aan de orde. Dit Hoofdrapport is als volgt opgebouwd: •

Hoofdstuk 2 beschrijft de problematiek en onderbouwt nut en noodzaak van het project.

•

In hoofdstuk 3 komt het voornemen aan de orde. Hierin wordt beschreven uit welke onderdelen de nieuwe hoogspanningsverbinding bestaat en hoe deze er uit komen te zien.

•

Het project kent een lange voorgeschiedenis. Deze staat centraal in hoofdstuk 4.

•

Het Voorkeursalternatief dat is opgenomen in het (Ontwerp)Inpassingsplan wordt beschreven in hoofdstuk 5.

•

In hoofdstuk 6 komen de verschillende effecten die het Voorkeursalternatief met zich mee brengt aan de orde.

•

Tijdens de realisatie van de verbinding worden enkele tijdelijke verbindingen aangelegd. De effecten daarvan staat centraal in hoofdstuk 7.

•

Hoofdstuk 8 beschrijft op hoofdlijnen de resultaten van de Passende Beoordeling.

•

De mitigerende maatregelen komen aan de orde in hoofdstuk 9

•

De leemten in kennis en informatie komen aan de orde in hoofdstuk 10.

•

De monitoring en evaluatie wordt beschreven in hoofdstuk 11.

•

Hoofdstuk 12 beschrijft de besluitvormingsprocedure en de manier waarop gereageerd kan worden op het ontwerp-Inpassingsplan, het definitieve MER en de Passende Beoordeling.

10

2. N  ut en noodzaak van een nieuwe hoogspanningsverbinding 2.1 Ontwikkelingen in de energiesector De energiesector is sterk in beweging. De vraag naar elektriciteit neemt toe. De Europese elektriciteitsmarkt raakt steeds meer geïntegreerd en er vindt meer grensoverschrijdend elektriciteitstransport plaats. De transitie van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen zoals wind- en zonne-energie is in volle gang. Lokaal opgewekte energie vervangt een deel van de vraag naar centraal opgewekte energie. Steeds meer consumenten worden ook producent. Omdat het aanbod van elektriciteit uit wind en zon niet constant is, moet altijd een bepaalde hoeveelheid conventioneel opgewekte elektriciteit beschikbaar zijn om de gewenste leveringszekerheid te kunnen garanderen. Traditionele spelers in de energiemarkt passen zich op deze ontwikkelingen aan en krijgen in toenemende mate een centrale 'achtervang-functie'. Zij leveren elektriciteit voor het geval onvoldoende elektriciteit kan worden geleverd via hernieuwbare bronnen. Om de gewenste leveringszekerheid te realiseren moet er niet alleen voldoende elektriciteit worden geproduceerd. Er moeten ook betrouwbare transportnetten met voldoende capaciteit aanwezig zijn, die de fluctuaties kunnen opvangen die optreden door variabele elektriciteitsopwekking.

De landelijke infrastructuur van elektriciteitsnetten faciliteert hiermee de energietransitie en waarborgt de leveringszekerheid.

2.2 Landelijke 380 kV-ring in Nederland Nederland beschikt over één van de meest betrouwbare landelijke elektriciteitsnetten ter wereld met een zeer hoge leveringszekerheid. TenneT is op grond van de Elektriciteitswet 1998 beheerder van het landelijke hoogspanningsnet. TenneT heeft de wettelijke taak om het landelijk hoogspanningsnetwerk in werking te hebben, te beheren, te onderhouden en de veiligheid en betrouwbaarheid te waarborgen. Ook is TenneT verantwoordelijk voor het herstellen, vernieuwen of uitbreiden van het netwerk. Grootschalige energieopwekking op basis van fossiele brandstoffen vindt in Nederland vooral langs de kust plaats. Hier kunnen brandstoffen makkelijker worden aangevoerd en is voldoende koelwater beschikbaar. De locaties in Nederland waar elektriciteit feitelijk wordt opgewekt liggen relatief ver van de verbruikerscentra af. Daarom heeft TenneT een netconcept ontwikkeld met een landelijke ring van 380 kV-verbindingen in de nabijheid van de verbruikers in het midden en westen van Nederland en directe verbindingen van locaties van de elektriciteitsproductie naar de verbruikers of de landelijke 380 kV-ring. De ringstructuur maakt het mogelijk dat bij een storing bijna heel Nederland stroom kan blijven ontvangen. In figuur 2.1 is de ligging van de landelijke ring weergegeven.

11

Figuur 2.1 Ligging van de landelijke ring

Figuur4.1 2.1 Ligging van landelijke kV-ring Figuur Alternatieven en de varianten Blauw,380 Geel, Paars en Rood Dit netconcept kan flexibel inspelen op de belasting van het net, de decentrale opwekking van energie, de ontwikkelingen van windenergie op zee en internationale uitwisseling over land en over zee.

2.3 Energieproductie in Zeeland In Zeeland wordt meer energie geproduceerd dan wordt verbruikt. Er zijn twee nieuwe offshore windparken (Borssele Alpha en Beta) in gebruik genomen. Ook op land wordt windenergie geproduceerd. Daarnaast zullen de warmtekrachtcentrale in Terneuzen, de gascentrale SLOE en de kerncentrale Borssele nog voor langere tijd in Zeeland aanwezig zijn. Tabel 2.1 laat zien dat er in Zeeland aanmerkelijk veel meer elektriciteit wordt geproduceerd dan er lokaal wordt afgenomen.

2020

2030

Wind op zee

1400

1400

Duurzaam opwekking op land

790

2360

Warmtekrachtcentrale Terneuzen

440

440

SLOE-centrale

860

860

Kerncentrale Maximale verbruik Zeeland

490

490

-820

-1200

3160

4350

MER Zuid-West 380 kV Oost, Appendix, p 7

Totaal te transporteren

Tabel 2.1 Hoeveelheid te transporteren elektriciteit in 2020 en 2030 in megawatt Het overschot moet via het 380kV-net naar het achterland worden afgevoerd. De transportbehoefte neemt nog verder met 2000 megawatt toe wanneer rond 2028 de helft van de in het Offshore windpark IJmuiden Ver opgewekte energie op het 380 kV-net in Zeeland wordt aangesloten.

12

2.4 Knelpunten in het transport naar het achterland Het hoogspanningsnetwerk vanuit Borssele wordt benut voor transport van de in Zeeland geproduceerde energie naar het achterland. Berekeningen laten zien dat er vanaf 2020 een knelpunt ontstaat en dat de bestaande 380 kV-verbinding tussen Rilland en Geertruidenberg overbelast kan raken. Dit knelpunt ontstaat sinds het moment dat Wind op zee in 2020 in bedrijf is gekomen. Het knelpunt wordt versterkt door duurzame opwekking op land, omdat de transportcapaciteit in het 150kV-net Zeeland naar Brabant ontoereikend is en de energie daarom naar het 380kV-net wordt geleid. Met de realisatie van ZuidWest380kV-West is het knelpunt in het deel van het hoogspanningsnet tussen Borssele en Rilland opgelost. Het knelpunt op de 380kV-verbinding tussen Rilland en Geertruidenberg blijft echter bestaan. Op dit traject moet bij het uitvoeren van onderhoud aan één van de 380kV-circuits van de bestaande 380 kV-verbinding Rilland-Geertruidenberg - conform de wet - rekening worden gehouden met uitval van het andere circuit. Wanneer dit gebeurt, is het 150kV-net tussen Zeeland en Brabant niet in staat de opgewekte elektriciteit af te voeren: het raakt overbelast. Op dat moment komt de gewenste leveringszekerheid in gevaar.

De mate van overbelasting is afhankelijk van de totale hoeveelheid energie die wordt opgewekt in Zeeland, het lokale verbruik in Zeeland en de import /export met België. De omvang van het knelpunt neemt de komende jaren nog toe als gevolg van de voorziene groei van duurzame opwekking in Zeeland. Internationale afspraken staan niet toe dat het knelpunt op het buitenland mag worden afgewend. Er ontstaat ook ernstige overbelasting in geval er sprake is van import vanuit België. Onderhoud kan dan alleen worden uitgevoerd met omvangrijke beperking van de productie in Zeeland. Het stilleggen van energieproductie in Zeeland brengt echter hoge maatschappelijke kosten met zich mee. Op dat moment komt de gewenste leveringszekerheid in gevaar.

2.5 Oplossing Het knelpunt kan worden opgelost door de transportcapaciteit in het 380 kV-hoogspanningsnetwerk uit te breiden.

2.5.1. Borssele, Rilland en Zuid-West West In de provincie Zeeland is gewerkt aan: •

aanpassingen van het 380 kV-station Borssele;

•

de kabelaansluiting van de offshore windlocaties naar het 380 kV-station Borssele;

•

een nieuw 380 kV-station Rilland.

Deze projecten zijn al gerealiseerd. Inmiddels is ook gestart met de aanleg van een nieuwe 380 kVverbinding van Borssele naar Rilland (ZW380 West).

2.5.2. ZuidWest Oost Vanaf het nieuwe 380 kV-station Rilland moet de energie naar de landelijke ring getransporteerd worden. Er is bezien of de toepassing van een ander type geleider in de bestaande masten de transportcapaciteit van de bestaande verbinding Rilland-Geertruidenberg kan verhogen. Dit is het geval zolang er sprake is van export naar België, maar niet als er sprake is van import uit België. Ook het combineren van onderhoudswerkzaamheden aan het net met onderhoud aan een productie-eenheid biedt geen oplossing voor het knelpunt. De productie zou in zo'n geval tot circa een derde van de capaciteit beperkt moeten worden om de werkzaamheden aan de bestaande 380 kV-verbinding RillandGeertruidenberg uit te kunnen voeren. Dit is economisch niet verantwoord.

13

Ook is onderzocht of de verhoging van de transportcapaciteit in het 150 kV-net van Zeeland en Brabant een oplossing kan bieden voor de tijdelijke transport- en onderhoudsknelpunten op de bestaande 380 kV-verbinding Rilland-Geertruidenberg. Het bestaande 150 kV-net in Brabant is echter 'vol' als gevolg van de productie in Borssele, Moerdijk en Geertruidenberg. De in dit gebied gelegen 150 kV-verbindingen bieden geen mogelijkheden meer voor verhoging van de transportcapaciteit. Uitbreiding van het 150 kV-net in Zeeland en Brabant is geen toekomst-vaste oplossing, omdat de transportcapaciteit van een 380 kV-verbinding tot 8 keer hoger is dan die van een 150 kV-verbinding, waarmee in één keer op een efficiënte wijze de transportcapaciteit toekomst-vast wordt verhoogd. Het is daarom noodzakelijk een nieuwe verbinding te realiseren om het overschot van de in Zeeland geproduceerde elektriciteit naar de landelijke 380 kV-ring te kunnen transporteren. Onderzocht is of aansluiting op de landelijke ring kan plaatsvinden bij het bestaande 380 kV-station in Geertruidenberg dat onderdeel is van de landelijke 380 kV-ring. Dit brengt echter een aantal nadelen met zich mee. Er ontstaat een overschrijding van de kortsluitvastheid van de installatie op het station.

Ook ontstaat met deze oplossing een té grote afhankelijkheid van het 380 kV-station Geertruidenberg voor de Zeeuwse elektriciteitsvoorziening. Aansluiten op de landelijke ring bij het 380 kV-station Geertruidenberg is daarom geen realistische optie. Daarom wordt de elektriciteit getransporteerd naar het nieuw te bouwen 380 kV-station bij Tilburg dat onderdeel is van de landelijke 380 kV-ring. Hiermee wordt een betere geografische spreiding gerealiseerd van de twee 380 kV-verbindingen naar Borssele en er treedt geen overschrijding van de kortsluitvastheid van het 380 kV-station in Geertruidenberg op. Hiervoor wordt een nieuwe 380 kV-verbinding gerealiseerd tussen het 380 kV-station Rilland en het nieuw te bouwen 380 kV-station bij Tilburg. Dit biedt een toekomst-vaste oplossing voor de transport- en onderhoudsknelpunten op de bestaande 380 kV-verbinding Rilland-Geertruidenberg. Met de aansluiting op de landelijke ring bij Tilburg worden de geconstateerde knelpunten in het Brabantse 150 kV-net opgelost en worden investeringen in extra verbindingen in het 150 kV-net voorkomen.

2.5.3. Station Tilburg In Noord-Brabant lopen elektriciteitstransporten vanuit het westen - vanuit Zeeland en de productielocaties rond Moerdijk en Geertruidenberg - naar het oosten, waar een grote elektriciteitsvraag is, zoals bij Tilburg en Eindhoven. Het elektriciteitsnetwerk in Noord-Brabant, waarover deze transporten plaatsvinden, bestaat uit een 150 kV-net, waarin de 150 kV-stations met meerdere verbindingen aan elkaar gekoppeld zijn. Het 150 kV-net is op twee locaties in Noord-Brabant gekoppeld aan het 380 kV-net, namelijk op de 380 kV-hoogspanningsstations in Geertruidenberg en Eindhoven. Het 380 kV-net tussen Geertruidenberg en Eindhoven heeft in principe ruimte om deze transporten te faciliteren. Op het 380 kV-net is echter sprake van hoge weerstand, veroorzaakt door de 380/150 kV-transformatoren op de stations. Aangezien elektriciteit de weg van de minste weerstand volgt, volgt de elektriciteit daarom het 150 kV-net en niet het 380 kV-net. Als gevolg hiervan wordt het 150 kV-net te zwaar belast. Om dit knelpunt op te lossen en de levering van elektriciteit in Noord-Brabant te kunnen blijven garanderen, is uitbreiding van het elektriciteitsnet noodzakelijk.

Het versterken van het 150 kV-net in Noord-Brabant door extra 150 kV-verbindingen aan te leggen vergt niet alleen veel nieuwe verbindingen, maar leidt ook tot problemen voor de kortsluitvastheid op de bestaande 150 kV-hoogspanningsstations: zij zijn onvoldoende bestand tegen mogelijke beschadiging van het hoogspanningsnet in geval van kortsluiting. Dit is daarom geen robuuste en toekomstvaste

14

oplossing. Het realiseren van een nieuw 380 kV-hoogspanningsstation bij Tilburg, inclusief een koppeling met het 150 kV-net, biedt de mogelijkheid om een netsplitsing te creëren tussen Geertruidenberg en Eindhoven. De elektriciteit loopt dan direct naar het 380 kV-net en niet langer via de 150 kV-verbinding voor doorgaande transporten van Geertruidenberg naar Eindhoven. Dit is een robuuste en toekomstvaste oplossing. Tilburg is een geschikte locatie voor dit nieuwe 380 kV-hoogspanningsstation, vanwege de centrale ligging tussen Eindhoven en Geertruidenberg en omdat het 150 kV-net en het 380 kV-net hier dicht bij elkaar liggen. De locatiekeuze is ook ingegeven door de toekomstige aansluiting van de verbinding Zuid West 380 kV oost (Rilland-Tilburg) op dit nieuwe 380 kV-hoogspanningsstation. Aanvankelijk maakte het 380 kV-station bij Tilburg projectmatig deel uit van de verbinding Zuid West 380 kV Oost. De verbinding kan naar verwachting in 2030 in gebruik worden genomen. Omdat de knelpunten in het Brabantse 150 kV-net al eerder kunnen optreden, is in januari 2020 besloten om de besluitvorming over het 380 kV-station bij Tilburg onder te brengen in een aparte procedure onder de Rijkscoördinatieregeling, met een zelfstandig inpassingsplan en een eigen besluitvormingstraject. Hierdoor kan dit station naar verwachting in 2025 gereed zijn.

15

3. Voorgenomen activiteit 3.1 Doelstelling Op basis van de analyse van nut en noodzaak voor een nieuwe verbinding die in hoofdstuk 2 is beschreven, heeft TenneT het voornemen een nieuwe 380 kV-verbinding te realiseren tussen het nieuwe 380 kV-station Rilland en het nieuwe 380 kV-station bij Tilburg. Om dit voornemen te realiseren is het project Zuid West 380 kV Oost (ZW380 Oost) gestart. Dit project heeft als doelstellingen: •

het oplossen van het bestaande 380 kV-transportcapaciteitsknelpunt in het tracédeel Rilland Geertruidenberg, en het voorzien in voldoende toekomst-vaste transportcapaciteit om elektriciteit die in of voor de kust van Zeeland of op zee wordt opgewekt af te voeren naar de landelijke ring bij Tilburg;

•

het oplossen van het onderhoudsknelpunt in het tracédeel Rilland - Geertruidenberg, zodat geen grootschalige productiebeperkingen moeten worden opgelegd om onderhoud aan de bestaande 380 kV-verbinding uit te kunnen voeren;

•

het leveren van een bijdrage aan het ontlasten van het bestaande 150 kV-hoogspanningsnetwerk in Brabant. De realisatie van ZW380 Oost biedt de mogelijkheid om ter hoogte van Woensdrecht een elektrische splitsing aan te brengen tussen het 150kV-net in Zeeland en in Noord-Brabant. Overbelasting van het 150 kV-net in Zeeland en Brabant als gevolg van doorgaande transporten worden zo verhinderd. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor de aansluiting van kleine tot middelgrootte initiatieven op het gebied van duurzame opwekking in zo wel Zeeland als Brabant.

•

het verruimen van de aansluitcapaciteit voor productie in Zeeland en de mogelijkheid voor het aansluiten van een deel van het windpark IJmuiden Ver.

•

het vergroten van de leveringszekerheid ingeval van grootschalige calamiteiten in verbindingen of hoogspanningsstations, waarmee de kwetsbaarheid van het landelijke hoogspanningsnetwerk vermindert.

3.2 Voorgenomen activiteit Het project ZW380 Oost betreft de aanleg van een nieuwe 380 kV-verbinding tussen Rilland en Tilburg. De nieuwe verbinding tussen Rilland en Tilburg bestaat uit twee circuits 380 kV-verbinding.

3.2.1. Gecombineerde verbinding De nieuwe 380 kV-verbinding wordt waar mogelijk en zinvol gecombineerd met bestaande 150 kV-verbindingen. De bestaande 150 kV-verbindingen kunnen hierdoor (deels) worden afgebroken. De tracering van de verbinding, inclusief de bundeling van het tracé met andere infrastructuur, komt in hoofdstuk 4 aan de orde.

Combineren en bundelen: wat is wat? Over een groot deel van de verbinding hebben de 380 kV-verbinding en de 150 kV-verbinding het zelfde tracé. Deze verbindingen worden dan gecombineerd. Dat betekent dat de geleiders van de nieuwe 380 kV- en de bestaande 150 kV-verbindingen in één mast worden gehangen. Waar mogelijk wordt het tracé van de nieuwe, grotendeels gecombineerde verbinding gebundeld met andere bestaande hoogspanningsverbindingen en bovenregionale hoofdinfrastructuur, zoals wegen en spoorwegen.

16

3.2.2. Vakwerkmasten De verbinding wordt in beginsel bovengronds uitgevoerd met vakwerkmasten. Voor de verbinding tussen Rilland en Tilburg is een specifiek ontwerp voor de masten gemaakt, de zogeheten Moldau-masten. Er zijn zowel trekmasten als steunmasten ontworpen: de trekmasten staan op de knikken van het tracé, de steunmasten staan op de rechte delen van het tracé. Het grootste deel van de verbinding wordt als een gecombineerde verbinding uitgevoerd. Aan deze masten worden aan elke arm drie bundels van 380 kV-geleiders en 150 kV-geleiders gehangen. In de top van de mast wordt een bliksemdraad aangebracht. De masten zijn in principe 57 m hoog. Indien nodig wordt de mast hoger uitgevoerd, zodat bijvoorbeeld waterwegen op grotere hoogte kunnen worden gekruist. In de buurt van een vliegbasis worden juist lagere masten toegepast. De oppervlakte van de steunmasten is circa 144 m2, de oppervlakte van de trekmasten is circa 225 m2. Figuur 3.1 geeft een beeld van de vakwerk steunmast en de vakwerk trekmast.

Figuur 3.1 Vakwerk steunmast (links) en trekmast (rechts)

3.2.3. Ondergrondse ligging van kabels Over een deel van het tracé wordt de nieuwe 380 kV-verbinding ondergronds aangelegd. Aangezien de nieuwe verbinding niet altijd op hetzelfde tracé ligt als de bestaande 150 kV-verbindingen moeten er nieuwe aansluitingen van de 150 kV-verbindingen uit de gecombineerde 380/150kV-verbinding naar de bestaande 150 kV-hoogspanningsstations worden aangelegd. Dit gebeurt met ondergrondse 150 kV-kabelverbindingen.

17

3.2.4. Opstijgpunten Op de locaties waar bovengrondse en ondergrondse verbindingen op elkaar aansluiten worden opstijgpunten aangelegd. In een opstijgpunt worden de geleiders afgespannen en naar beneden gebracht. Er zijn verschillende typen opstijgpunten: •

voor gecombineerde verbindingen, met een oppervlakte van circa 3510 m2, weergegeven in figuur 3.3

•

voor 380 kV-verbindingen, met een oppervlakte van circa 1965 m2, weergegeven in figuur 3.4

•

voor 150 kV-verbindingen, met een oppervlakte van 1380 m2, weergegeven in figuur 3.5

Figuur 3.3 Opstijgpunt van de gecombineerde verbinding

Figuur 3.4 Opstijgpunt van de 380 kV-verbinding

Figuur 3.5 Opstijgpunt van de 150 kV-verbinding

18

3.2.5. Aansluiting op hoogspanningsstations In Rilland sluit de nieuwe 380kV-verbinding aan op het 380 kV-hoogspanningsstation. In Tilburg wordt een nieuw 380 kV-hoogspanningsstation gebouwd, de nieuwe 380kV-verbinding wordt op dit station aangesloten op de landelijke ring. De 150 kV-verbindingen die gecombineerd worden met de 380 kV-verbinding worden via ondergrondse kabels aangesloten op de 150 kV-stations.

19

4. T  otstandkoming van het Voorkeursalternatief Het project ZW380 Oost kent een lange geschiedenis. Het project is gestart in 2009. In mei 2009 hebben de toenmalige ministers van Economische Zaken en Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer het voornemen om een nieuwe 380 kV-verbinding van Borssele naar Tilburg aan te leggen bekend gemaakt door een Startnotitie te publiceren waarin dit voornemen is beschreven. De ministers hebben op basis van de Startnotitie richtlijnen voor het MER opgesteld. Deze geven aan welke milieuinformatie het MER dient te bevatten om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen in de besluitvorming. De ministers hebben voor het opstellen van de richtlijnen advies gevraagd aan de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage. De ministers hebben het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage integraal overgenomen in de Richtlijnen.

4.1 Ontwerpproces In de Startnotitie is een corridor afgebakend waarbinnen alle te onderzoeken tracés voor de nieuwe verbinding moeten liggen. Het oostelijk deel van het tracé ligt tussen Rilland en Tilburg. De corridor is bepaald door: •

bestaande en toekomstige belemmeringen voor de nieuwe hoogspanningsverbinding,

•

kansen voor het combineren van de nieuwe 380 kV-verbinding met de aanwezige 150 kV-verbindingen, en

•

mogelijkheden voor bundeling met bestaande hoogspanningsverbindingen en hoofdinfrastructuur (wegen en spoorwegen).

Combineren en bundelen: wat is wat? Over een groot deel van de verbinding hebben de 380 kV-verbinding en de 150 kV-verbinding het zelfde tracé. Deze verbindingen worden dan gecombineerd. Dat betekent dat de geleiders van de nieuwe 380 kV- en de bestaande 150 kV-verbindingen in één mast worden gehangen. Waar mogelijk wordt het tracé van de nieuwe, grotendeels gecombineerde verbinding gebundeld met andere bestaande hoogspanningsverbindingen en bovenregionale hoofdinfrastructuur, zoals wegen en spoorwegen.

Met behulp van deze informatie is het gebied bepaald waarin de nieuwe hoogspanningsverbinding met zo min mogelijk complicaties en milieugevolgen kan worden gerealiseerd. Dit heeft geleid tot een gebied ten noorden van de Brabantse stedenrij. In dit gebied liggen relatief weinig knelpunten en zijn kansen aanwezig om tracés te bundelen. Binnen de corridor zijn onderscheidende tracés ontwikkeld. Hierbij is rekening gehouden met de richtlijnen die voor de tracering zijn opgenomen in de Startnotitie en Richtlijnen, het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III), het ruimtelijk beleid en technische vereisten. Op basis hiervan van zijn de volgende ontwerpprincipes geformuleerd:

20

•

Het beginpunt van de hoogspanningsverbinding ZW380 Oost ligt bij het 380 kV-station Rilland en het eindpunt ligt bij het 380 kV-station Tilburg, waar de verbinding aan de landelijke ring gekoppeld wordt.

•

De verbinding ligt in principe bovengronds, in bijzondere gevallen wordt ondergrondse aanleg overwogen.

•

Nieuwe doorsnijdingen van het landschap moeten zoveel mogelijk worden voorkomen, daarom wordt de nieuwe hoogspanningsverbinding - waar mogelijk en zinvol gecombineerd met bestaande hoogspanningsverbindingen in één mast, waarbij de bestaande hoogspanningsverbinding wordt afgebroken; - waar mogelijk en zinvol gebundeld getraceerd met bestaande hoogspanningsverbindingen of bovenregionale infrastructuur.

•

Geldende wet- en regelgeving en het rijksbeleid op het gebied van ruimtelijke ordening, elektriciteitsvoorziening, natuur- en waterbeheer en het geldende voorzorgbeleid voor gezondheidsaspecten van magnetische velden worden in acht genomen.

•

Er wordt rekening gehouden met bestaande functies, zoals bedrijven, windturbines, glastuinbouw, buisleidingen e.d. en een goede landschappelijke inpassing.

•

Er wordt rekening gehouden met de technische vereisten van een hoogspanningsverbinding.

4.2 Voorkeursalternatief 2011 Op basis van deze ontwerpprincipes zijn onderscheidende tracés voor een nieuwe 380 kV-verbinding tussen Borssele en Tilburg ontworpen en zijn de milieueffecten onderzocht. In 2010 is op basis hiervan een meest milieuvriendelijk alternatief (MMA) bepaald. Tussen Rilland en Tilburg liep dit tracé over de Brabantse wal naar Roosendaal-Borchwerf en via Geertruidenberg naar Tilburg. De toenmalige minister van Economische Zaken heeft in 2011 dit MMA gekozen als voorkeursalternatief (VKA).

4.3 Discussie over de alternatieven Het VKA is in de periode 2012 - 2014 ruimtelijk en technisch uitgewerkt. In het voorkeursalternatief uit 2011 werd de nieuwe 380 kV-verbinding op een aantal locaties gecombineerd met een bestaande 380 kV-verbinding. Op die locaties zouden twee 380 kV-verbindingen in één mast hangen. In 2013 heeft KEMA onderzoek naar de stabiliteit van het hoogspanningsnet uitgevoerd. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat voor het tracédeel tussen Rilland en Tilburg een combinatie van twee 380 kV-verbindingen in één mast niet voldoet. Het toepassen van vier circuits 380kV in één mast zou in dit geval leiden tot te grote (net)technische risico's. Hierdoor voldeed het voorkeursalternatief van 2011 tussen Rilland en Tilburg niet aan de normen van leveringszekerheid. De ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu stelden daarom in 2014 vast dat het voorkeursalternatief niet kon worden gehandhaafd. Zij kozen daarom tussen Roosendaal en Tilburg - waar de combinatie van twee 380 kV-verbindingen was voorzien - voor een zuidelijker tracé. Dit tracé liep over de Brabantse Wal naar Roosendaal-Borchwerf en via Breda naar Tilburg. In 2014 werd ook duidelijk dat in verband met de gewenste vergroting van de interconnectiecapaciteit tussen België en Nederland de noodzaak ontstond om bij Rilland een nieuw 380 kV hoogspanningsstation te realiseren.

Dit hoogspanningsstation leidt tot een net-technische knip in de nieuwe 380 kV-verbinding van Borssele naar de landelijke ring bij Tilburg, met twee zelfstandig functionerende netdelen.

21

Hierdoor kunnen het Zeeuwse tracédeel tussen Borssele en Rilland en het Brabantse tracédeel tussen Rilland en Tilburg los van elkaar worden aangelegd. Dit heeft er toe geleid dat de ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu in 2014 hebben besloten het project ZW 380 op te splitsen in ZW380 West (het Zeeuwse gedeelte) en ZW380 Oost (het Brabantse gedeelte). De Startnotitie en Richtlijnen uit 2009 zijn gehandhaafd.

4.4 Aanpassing van de te onderzoeken alternatieven De keuze van de ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu in 2014 om niet langer uit te gaan van een noordelijk tracé, maar van een zuidelijk tracé, leidde tot de nodige onduidelijkheid en zorgen bij de overheden en de omgeving in West- en Midden-Brabant. De minister van Economische Zaken heeft de regio daarom uitgenodigd om met alternatieven te komen voor het tracé van ZW380 Oost tussen Roosendaal en Tilburg. Van verschillende zijden is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De Samenwerkende Overheden, bestaand uit de gemeenten Bergen op Zoom, Breda, Dongen, Drimmelen, Etten-Leur, Geertruidenberg, Gilze Rijen, Halderberge, Loon op Zand, Moerdijk, Oosterhout, Reimerswaal, Roosendaal, Steenbergen, Tholen, Tilburg, Waalwijk en Woensdrecht, de provincies Noord-Brabant en Zeeland en de waterschappen Brabantse Delta en De Dommel en ook groepen uit de omgeving hebben diverse voorstellen ingediend. In opdracht van de minister heeft onderzoeksinstituut Deltares in de zomer van 2015 de door de regio aangedragen alternatieven globaal beoordeeld op verschillende milieuaspecten om te kunnen beslissen of er één of meerdere alternatieven toegevoegd konden worden aan het MER voor ZW380 Oost. Deltares adviseerde om twee alternatieven en twee varianten en enkele tracéoptimalisaties mee te nemen in het MER.

De minister heeft het advies van Deltares overgenomen. Deze zijn vervolgens in de periode 2015 en 2016 in een intensief samenwerkingstraject met de samenwerkende overheden, organisaties en de betrokkenen in de omgeving, waaronder de initiatiefnemers van de ingediende voorstellen, verder uitgewerkt. Dit heeft geleid tot vier hoofdalternatieven met een groot aantal varianten. In vervolg hierop zijn in de periode 2015 en 2016 alle alternatieven uit 2011 opnieuw bezien. Bij de uitwerking van de alternatieven zijn relevante inzichten ten aanzien van ondergrondse aanleg, de risicozonering rond windturbines, afstandsnormeringen bij buisleidingen en de toen actuele inzichten in de autonome ontwikkelingen meegenomen. Ook zijn de alternatieven voorzien van ondergrondse 150 kV-kabelverbindingen naar de 150 kV-stations. Dit leidde er toe dat enkele alternatieven vervielen, een aantal alternatieven en varianten werd aangepast en enkele alternatieven en varianten zijn toegevoegd. Ten aanzien van de ondergrondse aanleg was het uitgangspunt dat er in de verschillende 380kV-verbindingen binnen het totale hoogspanningsnet in Nederland maximaal 20 km ondergronds mocht liggen. In de Zuidring van Randstad 380 was ervaring opgedaan met de aanleg van 10 kilometer ondergrondse 380 kV-kabel.

Op basis hiervan kwam TenneT tot de conclusie dat het technisch mogelijk zou zijn om behoedzaam meer 380 kV te verkabelen dan de 20 km die op dat moment als voorlopig landelijk maximum gold. Per geval zou bekeken moeten worden wat er in de betreffende hoogspanningsverbinding mogelijk zou zijn, zonder dat de leveringszekerheid in het geding zou komen. Voor Zuid-West 380 kV-Oost heeft de minister van Economische Zaken heeft in april 2015 aan TenneT gevraagd om te onderzoeken of het technisch mogelijk zou zijn om delen van de verbinding ondergronds aan te leggen en of dit verantwoord zou zijn voor de leveringszekerheid. Het onderzoek liet zien dat het toepassen van

22

ondergrondse 380kV-kabel in de 380kV-verbinding tussen Rilland en Tilburg acceptabel werd geacht. Het toepassen van 380 kV-kabel over een lengte van 10 kilometer om knelpunten op te lossen bleek mogelijk. Het was wenselijk om dit zoveel mogelijk in grotere stukken toe te passen: korte stukken kabel zijn nettechnisch minder gunstig en duurder. Er zouden bovendien meer opstijgpunten noodzakelijk zijn, die tot de nodige effecten op het landschap leiden. Voor alle alternatieven is ook bezien of er sprake is van aandachtspunten of knelpunten, bijvoorbeeld vanuit milieuoptiek, vergunbaarheid of technische maakbaarheid. De aandachtspunten en knelpunten zijn in de regio besproken. Er is een werkwijze ontwikkeld om hier mee om te gaan, namelijk de toolbox. De toolbox bestaat uit een redenering die gevolgd om knelpunten op te lossen: 1. Uitgangspunt is 'Bovengronds, tenzij'. In de eerste stap wordt bekeken of de ligging van het bovengrondse tracé geoptimaliseerd kan worden. 2. Vervolgens wordt bezien of technische maatregelen kunnen worden toegepast, zoals het toepassen van hogere masten bij waterkruisingen. 3. Bestaande elementen kunnen worden aangepast of uitgekocht, zoals het verleggen van buisleidingen, of het uitkopen van een windturbine. 4. Als dit geen resultaat oplevert, kan ondergrondse aanleg worden overwogen.

4.5 Alternatieven, varianten en meest milieuvriendelijk alternatief De aanpassing van de alternatieven heeft tot vier alternatieven geleid: Blauw, Geel, Paars en Rood. Elk alternatief heeft een aantal varianten om knelpunten of ongewenste effecten te voorkomen. Figuur 4.1 geeft de ligging van de alternatieven en varianten weer.

Figuur 4.1 Alternatieven en varianten Blauw, Geel, Paars en Rood

23

Vervolgens zijn de effecten van alle alternatieven en varianten in beeld gebracht door de effecten te vergelijken met de autonome ontwikkeling. Hierbij is rekening gehouden met de uitvoering van de verbinding met wintrackmasten en als autonome ontwikkeling de situatie in 2030 waarbij vastgesteld overheidsbeleid is uitgevoerd, inclusief autonome ontwikkelingen waarvoor op 1 december 2016 een voorontwerp, ontwerp of vastgesteld ruimtelijk besluit op ruimtelijkeplannen.nl is gepubliceerd. In 2009 - bij de start van het project - schreef de m.e.r.-regelgeving voor dat in een MER een Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA) opgenomen moest worden. Dit is een realistisch uitvoerbaar alternatief, dat voldoet aan de doelstellingen en technisch en financieel haalbaar is, waarbij de nadelige gevolgen voor het milieu zoveel als redelijkerwijs mogelijk worden voorkomen of beperkt. In de Richtlijnen voor ZW380 is aangegeven dat het MMA zo min mogelijk storende effecten op het landschap en zo min mogelijk gevoelige bestemmingen moet hebben, bestaande knelpunten van hoogspanningsverbindingen (380 kV en 150 kV) moet verbeteren en schade aan natuurwaarden (zoals draadslachtoffers) en lokale landschappelijke kwaliteiten moet voorkomen of beperken.

Omdat het niet mogelijk is gebleken om één realistisch en integraal MMA voor het hele tracé te bepalen, is voor elk van de drie onderscheidende milieuthema’s een integraal MMA ontwikkeld. Dit heeft geleid tot een MMA Leefomgevingskwaliteit, een MMA Landschap & Cultuurhistorie en een MMA Natuur. Deelrapport 1 van dit MER gaat in op de alternatieven en varianten, hun milieueffecten en de verschillende MMA’s.

4.6 Tussenadvies van de Commissie voor de Milieueffectrapportage De milieu-informatie is in 2017 gepubliceerd in de Integrale Effectanalyse en in meer detail beschreven in de Samenvatting Milieueffecten. Deze informatie is ook aan de Commissie voor de Milieueffectrapportage voorgelegd, met het verzoek hier een tussenadvies over uit te brengen. De Commissie heeft aangegeven dat de rapporten al veel milieu-informatie bevatten en gaf een aantal aandachtspunten mee voor het definitieve MER. Deze aandachtspunten worden hieronder opgesomd, aangevuld met de manier waarop hiermee in het MER is omgegaan. •

Geef inzicht in de mogelijke effecten van de magneetveldzone van de ondergrondse kabels, opstijgpunten en hoogspanningsstations op het aantal gevoelige bestemmingen. - Er is geen voorzorgbeleid voor magneetvelden van ondergrondse kabeltracés, hoogspanningsstations en opstijgpunten. Desondanks houdt TenneT bij de tracering van een ondergrondse kabel zoveel mogelijk afstand tot bebouwing om te voorkomen dat woningen binnen de magneetveldzone van de nieuwe infrastructuur komen te liggen. Dit gebeurt door rekening te houden met de breedte van de aanlegstrook om het werk uit te kunnen voeren. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de kabels door een open ontgraving worden gerealiseerd. Wanneer hier onvoldoende ruimte voor aanwezig is, worden hier binnen het project Zuid-West 380kV-Oost passende oplossingen onderzocht. Dit kunnen bijvoorbeeld boringen zijn, waarbij de kabel diep onder de grond wordt geboord. Door deze werkwijze wordt beoogd dat er binnen het project Zuid-West 380kV-Oost geen woningen te liggen in de magneetveldzone van ondergrondse kabels, opstijgpunten en hoogspanningsstations.

24

•

Beschrijf de uitkoopregeling die TenneT hanteert bij de aanleg van nieuwe hoogspanningsverbindingen. - De uitkoopregeling komt aan de orde in paragraaf 10.4 van voorliggend Hoofdrapport.

•

Geef inzicht in het aantal draadslachtoffers voor vogels en vleermuizen met de hoogste beschermingsstatus. - Dit onderwerp komt in paragraaf 6.4.1 van voorliggend Hoofdrapport aan de orde.

•

Neem visualisaties op waarmee de landschappelijke effecten beoordeeld kunnen worden. - Er is een website met een atlas van het project. Deze site is bereikbaar op https://tennet.projectatlas.zuid-west-380kv-oost Op deze site is het hele tracé van de nieuwe verbinding zichtbaar. Dit vormt de visuele onderbouwing van de landschappelijke effecten.

•

Geef inzicht in de gevolgen van autonome ontwikkelingen voor het voornemen en vice versa. - Dit onderwerp staat centraal in het memo Actualiteit en navolgbaarheid van MER ZWO.

4.7 Voorgenomen tracé 2017 In maart 2017 heeft de minister van Economische Zaken de Samenwerkende overheden gevraagd om een integraal advies te geven over het tracé. In mei 2017 hebben de Samenwerkende Overheden hun integrale advies uitgebracht aan de minister van Economische Zaken. Op basis van alle beschikbare informatie, waaronder de integrale effectenanalyse is een meest gedragen tracé geadviseerd. De minister heeft het advies overgenomen en het meest gedragen tracé tot voorgenomen tracé benoemd. Dit tracé bestaat uit drie varianten van alternatief Paars: Paars 1 - variant Woensdrecht, Paars 2 - variant Westzijde A17 en Paars 3 - variant Biesbosch-Bosroute. In paragraaf 2.1.1. van Deelrapport 2 van dit MER is de argumentatie voor deze keuze uitgebreid beschreven. In figuur 4.2 is het voorgenomen tracé weergegeven. Figuur 4.2 Voorgenomen tracé uit 2017

Figuur Voorkeursalternatief 2020 uit 2017 Figuur5.14.2 Voorgenomen tracé

25

Op basis van dit tracé is er in september 2017 een Voorbereidingsbesluit Zuid-West 380kV Oost (Rilland-Tilburg) genomen door de ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu. Hiermee wordt voorkomen dat er in de periode totdat het definitieve besluit wordt genomen ontwikkelingen die strijdig zijn met de realisatie van het project toch worden toegestaan.

4.8 Uitwerking naar Voorkeursalternatief Het Voorgenomen tracé uit 2017 was nog niet zo gedetailleerd dat het in het Rijksinpassingsplan opgenomen kon worden. Daarom is het tracé, in samenspraak met belanghebbenden zoals provincie, gemeenten, Rijkswaterstaat, waterschappen, buisleidingeigenaren, grondeigenaren en omwonenden verder uitgewerkt en onderzocht. Hiervoor is in eerste instantie met de Samenwerkende Overheden bekeken op welke tracédelen het tracé nog nader uitgewerkt dienden te worden. Deze tracédelen zijn aangevuld naar aanleiding van gesprekken en bijeenkomsten met bewoners, organisaties en bedrijven. Langs het tracé zijn 10 uitwerkingsgebieden benoemd. Per uitwerkingsgebied is een opgave omschreven voor de nadere uitwerking. Vervolgens is het tracé voor elk uitwerkingsgebied in werkateliers met de betrokken partijen besproken en zijn gezamenlijk varianten ontwikkeld en uitgewerkt. Dit is uitgebreid beschreven in hoofdstuk 3 van Deelrapport 2 van dit MER. Op basis van deze uitwerking is de minister van Economische Zaken en Klimaat in 2019 gevraagd een besluit te nemen over de varianten om zo het tracé van het Voorkeursalternatief te bepalen. Ten behoeve hiervan heeft de minister de samenwerkende overheden in West Brabant opnieuw om advies gevraagd.

De samenwerkende overheden hebben gehoor gegeven aan dit verzoek en een advies uitgebracht waarin zij voor alle uitwerkingsgebieden hun voorkeur uitspreken over de te kiezen variant. Op basis hiervan heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat het Voorkeursalternatief bepaald. Het VKA is, samen met de milieueffecten is beschreven in Deelrapport 3 van dit MER. Bij de keuze van het voorkeursalternatief in 2019, heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat TenneT gevraagd op een aantal punten nader onderzoek te doen. Dit heeft tot de volgende resultaten geleid: 1. bij Bergen op Zoom is het mogelijk gebleken om de verkabeling van de 380 kV-combiverbinding in de buisleidingenstraat te verlengen met 2,5 km om effecten op het N2000 gebied Brabantse Wal te voorkomen. In februari 2020 heeft de minister hier mee ingestemd. 2. onderzoek laat zien dat vakwerkmasten de best passende mast vormen voor de verbinding tussen Rilland en Tilburg. In februari 2020 heeft de minister hiermee ingestemd. 3. De gemeente Moerdijk, de provincie Noord-Brabant en TenneT werken samen aan een gebiedsvisie om extra aandacht te geven aan de leefbaarheid en landschappelijke inpassing bij Zevenbergschen Hoek. De voorgestelde landschappelijke maatregelen worden genomen in het Landschapsplan.

26

5. Voorkeursalternatief 5.1 Ontwerpproces Het tracé van het Voorkeursalternatief is in detail te vinden in de Projectatlas, die te vinden is via de volgende link: https://tennet.projectatlas.zuid-west-380kv-oost. Een totaal overzicht is weergegeven in figuur 5.1.

Figuur 5.1 Voorkeursalternatief Onderstaande paragrafen beschrijven het tracé.

5.2 Rilland-Markiezaat Het startpunt van het tracé is het 380 kV-hoogspanningsstation Rilland. Vanaf dit hoogspanningsstation loopt het tracé naar het oosten. Het tracé kruist het Schelde-Rijnkanaal en westelijk Spuikanaal. Om de scheepvaart niet te hinderen worden aan weerszijden van het Schelde-Rijnkanaal hogere masten geplaatst. Het kanaal wordt met een flauwe hoek gekruist. Door de flauwe hoek passeert het tracé Völckerdorp zo noordelijk mogelijk. Het tracé komt ook op afstand van de aanwezige windturbines te staan. Aan de oostzijde van het kanaal loopt het tracé ten zuiden van de A58 in de richting van parkeerplaats Het Rak. Vlak voor de parkeerplaats knikt het tracé in oostelijke richting. Vanaf dit punt loopt de verbinding langs de parkeerplaats naar de zuidoostzijde van het knooppunt Markiezaat. Vanwege hoogtebeperkingen bij vliegbasis Woensdrecht wordt het tracé bij knooppunt Markiezaat uitgevoerd met verlaagde masten van 54 meter hoog. De bestaande 150 kV-verbinding tussen het 150 kV-station Rilland en het 150 kV-station Woensdrecht wordt ondergronds aangelegd. Na de realisatie hiervan wordt de huidige bovengrondse 150 kV-verbinding van Rilland tot Woensdrecht afgebroken.

27

5.3 Brabantse Wal Ten noordoosten van het Knooppunt Markiezaat leidt een bovengrondse verbinding tot substantiële effecten op natuur en landschap in het natuurgebied Brabantse Wal en het landgoed Mattenburgh. Daarnaast gelden ter plaatse van de vliegbasis Woensdrecht hoogtebeperkingen in verband met de obstakelvrije ruimte ten behoeve van de vliegveiligheid. Verder wordt de tracering van een bovengronds tracé bemoeilijkt door de aanwezigheid van de buisleidingenstraat, de bestaande 150kV-verbinding en diverse woningen. Daarom ligt de verbinding vanaf het knooppunt Markiezaat ondergronds. Het opstijgpunt ligt ten zuidoosten van het knooppunt. Het ondergrondse tracé loopt vanaf dit punt naar het noordoosten, kruist de A4/A58 en ligt vanaf daar in de buisleidingenstraat. Ook de bestaande bovengrondse 150 kV-verbinding komt ondergronds in buisleidingenstraat te liggen.

Het opstijgpunt bij knooppunt Markiezaat bezien vanaf de Grintweg

28

5.4 Bergen op Zoom De verbinding passeert het natuurgebied Brabantse Wal en landgoed Mattenburgh ondergronds en loopt naar Heimolen, ten zuidoosten van Bergen op Zoom. Ten oosten van Bergen op Zoom komt de verbinding nabij buurtschap Zoomvliet weer bovengronds. De locatie van het opstijgpunt is zó gekozen, dat het natuurgebied de Brabantse Wal bovengronds wordt vermeden. Tijdens de aanleg komt het opstijgpunt dichtbij de bestaande 150 kV-verbinding te staan. Om het opstijgpunt veilig te kunnen realiseren wordt een tijdelijke 150 kV-verbinding gerealiseerd.

Het opstijgpunt bezien vanaf Heijnoort

29

5.5 Roosendaal Halderberge Vanaf het opstijgpunt loopt het tracé als gecombineerde 380/150kV-verbinding bovengronds naar het noordoosten in de richting van Roosendaal. Het tracé van de nieuwe 380 kV-verbinding ligt ten noordwesten van de buisleidingenstraat en volgt het tracé van de 150kV-verbinding die tussen de 150 kV-stations Roosendaal-Borchwerf en Woensdrecht wordt afgebroken. Ten zuiden van Wouw kruist het tracé de A58 bij de afrit Wouwse Plantage. Vanaf dit punt knikt het tracé naar het noordoosten en loopt het evenwijdig aan de buisleidingenstraat naar de Nieuwe Roosendaalsche Vliet. Het tracé loopt - in tegenstelling tot de bestaande 150 kV-verbinding - vanwege ruimtelijke belemmeringen aan de oostkant van de buisleidingenstraat verder aan de westzijde van de buisleidingenstraat tot aan Roosendaal. Ter hoogte van het 150-kV station Roosendaal-Borchwerf takt de 150-kV verbinding af en gaat het tracé van de nieuwe 380 kV-verbinding in noordelijke richting verder als solo 380 kV-verbinding. Ten noorden van het 150kV-station Roosendaal-Borchwerf en ten zuiden van het glastuinbouwbedrijf maakt het tracé een knik naar het oosten en kruist het de buisleidingenstraat en het kanaal en ligt het tracé tot aan Standdaarbuiten gebundeld aan de westzijde van de A17. Bij het bedrijventerrein Borchwerf II ligt het tracé tussen het bedrijventerrein en de snelweg in.

De bestaande 150kV-verbinding komt tussen het 150kVstation Roosendaal-Borchwerf en de eerste mast aan de oostzijde van de A17 ondergronds te liggen.

Bundeling met de A17 bij Borchwerf II

30

5.6 Oud Gastel Tot aan de Slotstraat in Oud Gastel is het nieuwe tracé een solo 380kV-hoogspanningsverbinding. De bestaande 150kV-verbinding tussen 150kV-station Roosendaal-Borchwerf en de eerste mast aan de oostzijde van de A17 wordt verkabeld. Vanaf de Slotstraat wordt de nieuwe 380 kV-verbinding (bovengronds) weer gecombineerd met de 150 kV-verbinding richting Moerdijk. De bestaande bovengrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding tussen 150 kV-station Roosendaal en het Kromstraatje in Oud Gastel blijft gehandhaafd. Vanaf dit punt wordt er een ondergrondse 150kV-kabel aangelegd naar een opstijgpunt aan de westzijde van de A17. Tijdens de uitvoering kruist de nieuwe verbinding de bestaande 150kV-verbinding bij Kralen. Om dit veilig te kunnen doen wordt de bestaande 150kV-verbinding tijdelijk verplaatst, waarbij de draden als kabels op of in de grond worden gelegd. De bestaande bovengrondse 150 kV-verbinding vanaf buurtschap Kuivezand tot aan Moerdijk wordt afgebroken nadat de nieuwe verbinding gereed is.

Bundeling met de A17 bij Oud Gastel

31

5.7 Standdaarbuiten Tussen Roosendaal en Standdaarbuiten ligt de nieuwe 380 kV-verbinding aan de westzijde van de A17 en bundelt zoveel mogelijk met deze weg. De nieuwe verbinding ligt ten oosten van de buisleidingenstraat. Ten noorden van de Pietseweg in Oud Gastel staat de bestaande 380kV-verbinding Geertruidenberg-Borssele tussen de buisleidingenstraat en de A17. Om ruimte te maken voor het nieuwe tracé wordt de bestaande verbinding tussen de Pietseweg en de Sluissedijk in Standdaarbuiten verplaatst naar de westzijde van de buisleidingenstraat. De nieuwe verbinding bundelt ter hoogte van de betoncentrale met de bestaande verbinding om zoveel mogelijk rechtstanden te creëren. Hierdoor loopt de verbinding over het terrein van de betoncentrale. Om de scheepvaart niet te hinderen, worden er bij de Mark/Dintel hogere masten geplaatst, zowel bij de nieuwe 380/150 kV-verbinding als bij de te verplaatsen 380 kV-verbinding Geertruidenberg-Borssele.

Bundeling vanaf de Sint Antoinedijk kijkend in zuidelijke richting Ten behoeve van de verplaatsing van de bestaande verbinding tussen de Pietseweg en de Sluissedijk naar de westzijde van de buisleidingenstraat zijn wordt er bij de aanleg gebruik gemaakt van tijdelijke masten. Bij de Pietseweg en bij de Sluissedijk aan de westzijde van de bestaande 380kV-verbinding komt er geen spanning op de tijdelijke verbinding te staan. Aan de oostzijde van de bestaande verbinding komt er wel spanning op de tijdelijke verbinding. Bij de Pietseweg en de Sluissedijk zijn ook tijdelijke verplaatsingen van de bestaande 150kV-verbinding voorzien. Hierbij worden de draden als kabels op of in de grond gelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11012012/1