CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-019770 Bijlage 10- Bureauonderzoek-Archeologie-Zuid-West-380-kV-Oost

Opiniërende raadsvergadering 27 januari 2022, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 2021-019770 Ontwerp Inpassingsplan 380 kV24.408 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV Arcadis Archeologische Rapporten 312 Kenmerk Meridian 002.678.00 0901050 (VKA 1.1) TenneT TSO B.V.

28 OCTOBER 2021

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

Contact EIMERT GOOSSENS Adviseur Archeologie & Cultuurhistorie

T 0031 627062042

Arcadis Nederland B.V. P.O. Box 220 3800 AE Amersfoort The Netherlands

2

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING

5

1

INLEIDING

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Doel rapportage

6

PROJECTOMSCHRIJVING

8

2.1

Aanpassingen aan hoogspanningsverbindingen

8

2.2

Werkzaamheden

9

2

3

4

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS

11

3.1

Plangebied en onderzoeksgebied

11

3.2

Administratieve gegevens

11

3.3

Doel van het bureauonderzoek

12

3.4

Werkwijze

12

JURIDISCH- EN BELEIDSKADER

13

4.1

Verdrag van Malta (1992)

13

4.2

Erfgoedwet (2016) en Monumentenwet (1988)

13

4.3

Provinciaal beleid

14

4.3.1

Provincie Zeeland

14

4.3.2

Provincie Noord-Brabant

14

4.4

Gemeentelijk beleid

14

4.4.1

Gemeente Bergen op Zoom

14

4.4.2

Gemeente Dongen

15

4.4.3

Gemeente Drimmelen

15

4.4.4

Gemeente Geertruidenberg

16

4.4.5

Gemeente Halderberge

16

4.4.6

Gemeente Loon op Zand

17

4.4.7

Gemeente Moerdijk

18

4.4.8

Gemeente Oosterhout

18

4.4.9

Gemeente Reimerswaal

20 3

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

5

6

7

4.4.10

Gemeente Roosendaal

20

4.4.11

Gemeente Steenbergen

21

4.4.12

Gemeente Tilburg

21

4.4.13

Gemeente Waalwijk

21

4.4.14

Gemeente Woensdrecht

23

LANDSCHAP

24

5.1

Inleiding

24

5.2

Hoogte (AHN; Actueel Hoogtebestand Nederland)

24

5.3

Geomorfologie en bodem

24

5.3.1

Het zuidwestelijk zeekleigebied

24

5.3.2

Het Brabants zandgebied

26

5.3.3

Geomorfologie per gemeente

27

ARCHEOLOGISCHE INFORMATIE

34

6.1

Inleiding

34

6.2

Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart

34

6.3

Archeologische informatie

34

6.3.1

AMK-terreinen

34

6.3.2

Vondstlocaties

35

6.3.3

Eerder uitgevoerd onderzoek

36

6.4

Historische informatie

36

6.4.1

Historische erflocaties

36

6.4.2

De Zuiderfrontier

37

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

39

7.1

Conclusie: gespecificeerd verwachtingsmodel

39

7.2

Advies

53

BRONNEN

54

BIJLAGEN

56

BIJLAGE 1. UITGEVOERDE ONDERZOEKEN

57

4

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

SAMENVATTING In opdracht van Tennet TSO heeft Arcadis in 2018 een bureauonderzoek uitgevoerd in het kader van nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen het (in aanbouw zijnde) 380 kV-station Rilland en een nieuw te bouwen 380 kV-station bij Tilburg. In 2019 is het VKA (1.0) verder uitgewerkt en is het plangebied uitgebreid en is het bureauonderzoek uitgebreid (Figuur 1). In 2020 is het VKA (1.0.2) verder uitgewerkt en in januari 2021 opnieuw (VKA 1.0.3). In juni 2021 is het bureauonderzoek aangepast naar het VKA 1.1 en in oktober van 2021 zijn de laatste wijzigingen van vka 1.1 doorgevoerd. In feite is het rapport een aanpassing van de eerder uitgevoerde bureauonderzoeken. Voor de detailuitwerking van het VKA zijn nog aanvullende, meer gedetailleerde gegevens nodig om afwegingen en keuzes te kunnen maken voor de ligging van de nieuwe hoogspanningslijn. De eerste stap hierin is het uitvoeren van bureauonderzoeken, waarin van het onderzoeksgebied rond het VKA bepaald wordt wat de bekende archeologische waarden en verwachtingen zijn. Hiertoe is gebruik gemaakt van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaarten. Deze zijn aangevuld met vindplaatsgegevens uit Archis en historische erflocaties. Alhoewel voor grote delen een lage archeologische verwachting geldt, zijn er binnen het plangebied meerdere hoge tot zeer hoge verwachtingszones.

Binnen het plangebied ligt één AMK-terrein, 19 in Archis geregistreerde vindplaatsen en 86 historische erflocaties. Als advies voor vervolgonderzoek is verkennend booronderzoek voor middel tot zeer hoge verwachtingszones geadviseerd. Voor bekende vindplaatsen is maatwerk geadviseerd. Dit bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een archeologische begeleiding. Afhankelijk van de reeds bekende data mogelijk met een aanvullend verkennend booronderzoek. Voor lage archeologische verwachtingszones, verstoorde zones en water is geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.

5

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

TenneT TSO B.V., de beheerder van het landelijke hoogspanningsnet, heeft het voornemen een nieuwe 380 kilovolt (kV) hoogspanningsverbinding in Zuidwest-Nederland aan te leggen. Het betreft de realisatie van een nieuwe 380 kV-verbinding tussen Borssele en de landelijke ring bij Tilburg; Zuid-West 380 kV (ZW380). Deze verbinding transporteert elektriciteit van productielocaties in Zeeland naar Tilburg, waar verder transport via de landelijke 380 kV-ring plaatsvindt. De aanleg van de nieuwe hoogspanningsverbinding is nodig om nu en in de toekomst te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen voor leveringszekerheid van elektriciteit. TenneT heeft dit voornemen in 2009 bekend gemaakt. De besluitvorming over het project en realisatie ervan vindt in verschillende onderdelen plaats: • • • •

De besluitvorming over het 380 kV-hoogspanningsstation bij Rilland is achter de rug; dit station is inmiddels gebouwd. Over het deel van de verbinding tussen Borssele en Rilland heeft besluitvorming plaatsgevonden; de aanleg van dit gedeelte van de verbinding is momenteel in voorbereiding. Momenteel vindt besluitvorming plaats over het nieuwe 380kV-hoogspanningsstation ten noorden van Tilburg; de realisatie hiervan wordt momenteel voorbereid. De planvorming van de verbinding tussen Rilland en Tilburg is nu zo ver gevorderd, dat hierover besluitvorming kan plaatsvinden.

Om de hoogspanningsverbinding tussen Rilland en Tilburg mogelijk te maken wordt een Rijksinpassingsplan voorbereid door de ministers van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie (BZK). In de aanloop naar dit Rijksinpassingsplan en voor het MER zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. In de voorbereiding van het opstellen van dit inpassingsplan vindt overleg plaats met onder andere gemeenten en andere belanghebbenden. Dit document betreft het bureauonderzoek archeologie.

1.2

Doel rapportage

De planprocedures voor het westelijk deel zijn inmiddels geheel afgrond en de aanleg van de verbinding is in de zomer van 2018 gestart. Het oostelijke deel bevindt zich nog in de planprocedure. Begin 2018 is hiervoor een MER opgesteld, waarin een zogenaamd voorkeursalternatief (VKA) is vastgesteld. Dit alternatief moet nu verder in detail uitgewerkt worden waar de verbinding exact komt te liggen en wat de mastposities worden. Voor de detailuitwerking zijn nog aanvullende, meer gedetailleerde gegevens nodig om afwegingen en keuzes te kunnen maken voor de ligging van de nieuwe hoogspanningslijn. De eerste stap hierin is het uitvoeren van bureauonderzoeken, waarin van het onderzoeksgebied rond het VKA bepaald wordt wat de waarden zijn.

6

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

Figuur 1. Het plangebied en de gemeentelijke grenzen.

7

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

2

PROJECTOMSCHRIJVING

2.1

Aanpassingen aan hoogspanningsverbindingen

TenneT voorziet in een nieuwe 380 kV-verbinding. Het realiseren van de nieuwe verbinding gaat gepaard met het combineren, aanpassen en amoveren van bestaande verbindingen. Hierin is echter niet over de volledige lengte van het tracé eenzelfde aanpassing gemaakt, maar leiden verschillende bestaande situaties tot verschillende inrichtingen. In Figuur 2 is een overzicht van 15 onderscheidende situaties weergegeven. De onderscheidde deelverbindingen zijn gekozen op basis van landschapsmorfologie. Hieronder volgt een samenvatting van deze 15 onderscheidende situaties: 1. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen. Oude verbinding wordt geamoveerd. 2. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen door een kabelverbinding. Oude verbinding wordt geamoveerd; 150 kV komt gedeeltelijk in ander kabelbed. 3. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen. Oude verbinding wordt geamoveerd. 4. Tracé waar de huidige hoogspanningsverbinding (150 kV) wordt vervangen door een kabelverbinding. Oude verbinding wordt geamoveerd. Daarnaast wordt een nieuwe verbinding 380kV gerealiseerd. 5. Huidige hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd en een nieuwe verbinding wordt gerealiseerd. 6. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd met nieuwe 380kV en de oude verbinding wordt geamoveerd. 7.

Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Hier komt een tijdelijke 380kV-verbinding ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met de helft aan aantal draden van de bestaande verbinding. 8. Huidige 380 kV hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. De aansluiting met het station Moerdijk gebeurt met een korte kabelverbinding. 9. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. De aansluiting met het station Moerdijk en Zevenbergschenhoek gebeurt met een korte kabelverbinding. 10. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Hier komt een tijdelijke 380kV-verbinding ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met een gelijk aantal draden als de bestaande verbinding. 11. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd.

Hier komt een tijdelijke 380kV-verbinding ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met de helft aan aantal draden van de bestaande verbinding. 12. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding naar Roosendaal en Tilburg West wordt gecombineerd en de oude verbindingen worden geamoveerd. De verbinding naar Breda (haakse kruising) wordt gedeeltelijk verkabeld. 13. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. 14. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Er worden kabels aangelegd richting Oosteind en Tilburg-West en amoveren verbinding tot aan Tilburg-West. 15. Huidige 380 kV hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150 kV-verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd.

8

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

Figuur 2: Overzicht nieuwe hoogspanningsverbinding ZuidWest 380kv-Oost tussen Rilland en Tilburg.

2.2

Werkzaamheden

Deze werkzaamheden vinden niet tegelijkertijd over de gehele lengte van het tracé plaats. Op één of meerdere locaties wordt gewerkt en de werkzaamheden schuiven langs het tracé op. De werkzaamheden, niet noodzakelijkerwijs in deze volgorde, zijn hieronder aangegeven. Indien bekend is de hiermee gepaard gaande verstoringsdiepte aangegeven. De werkzaamheden zijn weergegeven op kaartbijlage 1. Naast de werkzaamheden die hieronder worden genoemd, is op de kaartbijlage ook te zien waar tijdelijke voorzieningen zoals werkwegen, werkterreinen en uitloogstroken zijn voorzien. • Vrijmaken ruimte voor tijdelijke wegen en bouwterrein (eventueel verwijdering van de A-horizont (circa 50 cm)); • Bouw nieuw 150 kV hoogspanningsstation (verstoring maximaal 3 m -Mv. Indien er heipalen nodig zijn reiken deze tot aan 40 m -Mv); • Aanpassingen aan bestaande 150 kV hoogspanningsstation. • Uitvoeren ondergrondse kabelverbinding in open ontgraving. De kabels komen op een diepte te liggen die varieert van 1,8 meter tot 2,4 meter onder maaiveld. De ontgraving hiertoe is maximaal 3 m -Mv; • Uitvoeren boring (verstoring maximaal 3 m -Mv): • • • •

Bouw nieuwe gecombineerde verbinding (verstoring maximaal 3 m -Mv): • • • • • • • • • •

•

Aanleg van intrede- en uittredepunt. Uitleggen buis. Bij het afpompen bij het in- en uittredepunt wordt water meteen teruggebracht in het gebied waardoor de grondwaterstand niet daalt. Aanleggen werkwegen en werkterrein (geotextiel / tijdelijke verharding) per mast; Aanbrengen funderingspalen (mogelijk door heien tot aan 40 m -Mv); Ontgraven bouwput per mast; Aanbrengen fundering; Aanvoer mast in delen; Plaatsen masten met een kraan; Aanbrengen isolatoren; Indien nodig bouwen van jukken; Aanbrengen trekdraad; Intrekken geleiders.

Indien van toepassing: sloop verbinding: • • • • •

Verwijderen geleiders; Demonteren masten; Afvoeren masten; Vrijleggen mastvoeten (graven); Verwijderen bovenste deel fundering (tot 2 m diepte); 9

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

• •

Aanvullen gaten rond mastvoeten/herstel bouwvoor.

Opruimen: • • •

Verwijderen tijdelijke verharding en geotextiel; Herstel oude maaiveld, watergangen en dergelijke; Eventueel inzaaien.

10

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

3 3.1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Plangebied en onderzoeksgebied

Voor het bureauonderzoek is uitgegaan van verschillende ingrepen. Deze informatie is aangeleverd door TenneT. Deze en de voorgenomen werkzaamheden worden in hoofdstuk 1 en 2 beschreven. Het plangebied bestaat uit de zones waar bodemingrepen worden uitgevoerd. Voor het onderzoeksgebied is uitgegaan van een buffer van 100 m daaromheen.

3.2

Administratieve gegevens

Objectgegevens onderzoek

Projectnaam

Arcadis Projectnummer

C05062.000381

ISSN-nummer

2666-8718

Projectnaam

ZW380 Oost VKA 1.1

Plaats

Rilland tot Tilburg

Gemeente

Bergen op Zoom, Dongen, Drimmelen, Geertruidenberg, Halderberge, Loon op Zand, Moerdijk, Oosterhout, Reimerswaal, Roosendaal, Steenbergen, Tilburg, Waalwijk, Woensdrecht

Provincie

Zeeland en Noord-Brabant

Coördinaten (X,Y) Startpunt gemeente Reimerswaal Eindpunt gemeente Tilburg

Startpunt: 73.683 / 382.312 Eindpunt: 135.014 / 400.758

Oppervlakte onderzoeksgebied

3085 hectares

Onderzoeksmelding Archis3

5083466100

Uitvoerder

Arcadis Nederland BV

Contactpersoon

Eimert Goossens Arcadis Nederland B.V. Eimert.goossens@arcadis.com

Auteur

Eimert Goossens (Senior KNA Archeoloog) en Koos Mol

Opdrachtgever

TenneT TSO B.V.

Deskundige namens de bevoegde overheid

Bergen op Zoom, Roosendaal, Steenbergen, Woensdrecht: Marco Vermunt (M.J.A.Vermunt@bergenopzoom.nl) Drimmelen, Halderberge, Moerdijk en Oosterhout: regioarcheologen programmabureau RWB (leonie.weterings@west-brabant.eu) Geertruidenberg en Dongen: Monumentenhuis Brabant (mailto:k.kersten@monumentenhuisbrabant.nl) Loon op Zand: Gemeente (info@loonopzand.nl) Reimerswaal: Arjen de Visser (a.de.visser@reimerswaal.nl) Tilburg: Monica Dutting (mailto:monica.dutting@tilburg.nl) Waalwijk: Saskia de Kock (s.dekock@waalwijk.nl)

Uitvoeringsperiode onderzoek

Juni – oktober 2021.

Beheerder en plaats documentatie

Arcadis Nederland BV, locatie Arnhem

11

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

3.3

Doel van het bureauonderzoek

1. Het bureauonderzoek heeft als doel inzicht te verschaffen in de archeologische waarden die zich in het plangebied bevinden of verwacht worden. 2. Aan de hand van het bureauonderzoek wordt een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld voor het aantreffen van archeologische resten en de risico’s op het verstoren van deze resten binnen de planvorming. 3. Aan de hand van het bureauonderzoek wordt uitspraak gedaan over de noodzaak van archeologisch vervolgonderzoek en indien nodig, uit welke onderzoeksmethode het vervolgonderzoek zou moeten bestaan. Het uitgangspunt voor de omgang met archeologie is echter altijd behoud in situ.

3.4

Werkwijze

Door Tauw is in 2014 ten behoeve van de MER een achtergrond rapport archeologie opgesteld. Voor de advieskaart is gebruik gemaakt van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden. Als advies voor vervolgonderzoek werd geadviseerd een bureauonderzoek uit te voeren en hierin gebruik te maken van provinciale en gemeentelijke beleidskaders en archeologische verwachtingen- en waardenkaarten. Hiervan is in onderhavige studie gebruik gemaakt. De landschappelijke en archeologische situatie wordt beschreven op basis van een aantal bronnen. Vanwege de lengte (circa 77 km) en omvang (circa 3100 hectare) van het tracé worden de landschappelijke, archeologische en historische achtergronden globaal beschreven. Op basis van de geïnventariseerde gegevens wordt een verwachting opgesteld voor de kans op het aantreffen van archeologische resten. Het onderzoek resulteert in een vlakdekkende verwachtingskaart en advieskaart (kaartbijlagen 6 en 7). Voor de detailuitwerking van de ligging van de nieuwe hoogspanningslijn kunnen op basis van dit kaartmateriaal afwegingen en keuzes gemaakt worden. De vlakdekkende advieskaart zal tevens als shape-file worden aangeleverd.

Voor het bureauonderzoek archeologie worden de volgende bronnen geraadpleegd: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK); • Erfgoedmonitor (RCE) voor archeologische rijksmonumenten; • Gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart; • Relevante publicaties van reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek; • Bodemkaart, geomorfologische kaart, het AHN; • Informatie uit Archis 3.

12

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

4

JURIDISCH- EN BELEIDSKADER

4.1

Verdrag van Malta (1992)

Op 16 januari 1992 is door de Raad van Europa het Europese verdrag van Malta - ook wel bekend als de Conventie van Malta of het Verdrag van Valletta - gesloten. Aanleiding was de toenemende druk op het archeologisch erfgoed in Europa, onder meer door ruimtelijke ontwikkelingen, waardoor bodemarchief ongezien verloren dreigde te gaan. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Grondslag van het verdrag is dat dit archeologische erfgoed integrale bescherming nodig heeft en krijgt. In het verdrag zijn drie uitgangspunten ten aanzien van de omgang met archeologie geïntroduceerd: •

•

•

Het streven naar het behouden van archeologie in de bodem, het zogenaamde "behoud in situ" (artikel 4, tweede lid). Opgraven is het (gedocumenteerd) vernietigen van het bodemarchief en is in principe niet het eerste streven. De gedachte daarachter is dat er bodemarchief voor toekomstige generaties bewaard moet blijven. Tijdig rekening houden in de ruimtelijke ordening met de mogelijkheid of aanwezigheid van archeologische waarden, zodat er nog ruimte is voor archeologievriendelijke alternatieven (artikel 5). Zo wordt voorgesteld om steeds vooraf onderzoek te laten doen naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden om het bodemarchief beter te beschermen en om onzekerheden tijdens de bouw van bijvoorbeeld nieuwe wijken te beperken. Op deze manier kan daar bij de ontwikkeling van de plannen zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden. Door er vooraf rekening mee te houden, wordt vertraging in bouwprocessen voorkomen. Elke lidstaat die het Verdrag van Malta ondertekent is verplicht maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat bij particuliere of openbare ontwikkelingsprojecten de kosten van de noodzakelijke archeologische maatregelen worden gedekt (artikel 6). In de Nederlandse wetgeving is dit vertaald in het ‘de verstoorder betaalt’-principe (Wet op de archeologische monumentenzorg 2008).

De ontwikkelaar is verantwoordelijk voor de kosten van het archeologisch onderzoek en de uitwerking van de resultaten Dit principe is geïntroduceerd als een stimulans om locaties voor ruimtelijke ontwikkeling te zoeken waarbij de archeologische verwachtingswaarden minder hoog zijn.

4.2

Erfgoedwet (2016) en Monumentenwet (1988)

Sinds 1 juli 2016 geldt de nieuwe Erfgoedwet. Deze wet harmoniseert de bestaande wet- en regelgeving omtrent roerend en onroerend erfgoed en vormt één integrale Erfgoedwet voor het beheer en behoud van cultureel erfgoed. Een belangrijke wijziging voor archeologie is dat in de Erfgoedwet de regels voor de archeologische monumentenzorg aan de orde komen. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving wordt onderdeel van de Omgevingswet die naar verwachting in januari 2019 in werking zal treden. Tot dat de Omgevingswet ingaat blijven de artikelen uit de Monumentenwet 1988 die niet terugkomen in de Erfgoedwet van kracht, waaronder regelingen omtrent omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen. •

•

Op grond van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 en op grond van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening), zijn gemeenten verplicht de belangen van de archeologische monumentenzorg in hun bestemmingsplannen te verankeren. De verankering vindt plaats door het toekennen van de bestemming of dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. In een gemeentelijke verordening en in het bestemmingsplan worden regels opgenomen met betrekking tot het gebruik van de grond. Aan deze regels kan een omgevingsvergunningstelsel voor onder meer het gebruik van de grond en bodemwerkzaamheden worden gekoppeld. Op grond van artikel 2.22, derde lid onder d, van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg, voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden. Deze voorschriften kunnen inhouden dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde wordt vastgesteld van het terrein dat volgens de aanvraag wordt verstoord.

13

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

4.3

Provinciaal beleid

Provinciale overheden zijn bevoegd gezag bij ontgrondingsvergunningen. Daarnaast spelen ze een rol als depothouder voor archeologische vondsten. De meeste provincies kennen aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek.

4.3.1

Provincie Zeeland

De Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland is het overheidsorgaan voor archeologisch beleid in de provincie. In mei 2009 hebben Gedeputeerde Staten van Zeeland een provinciale Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland vastgesteld. GS stellen hierin bovenop de landelijke regeling extra eisen aan archeologisch onderzoek in Zeeland. Bij deze vaststelling is besloten dat de werking van deze richtlijnen telkens na vier jaar geëvalueerd zou worden. In 2017 zijn de richtlijnen voor archeologisch onderzoek bijgesteld 1.

4.3.2

Provincie Noord-Brabant

Erfgoed Brabant is het kennis- en expertisecentrum voor erfgoed in Brabant en werkt samen met het Provinciaal Depot Bodemvondsten. De hoofddoelen van het provinciaal beleid zijn: • • •

Duurzaam behoud en beheer van het archeologisch erfgoed in situ (ter plekke) door gebiedsbescherming; Duurzaam behoud en beheer van het archeologisch erfgoed ex situ (het depot), als behoud in situ onmogelijk blijkt; Vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor archeologie in Brabant.

4.4

Gemeentelijk beleid

Het plangebied ligt in 14 verschillende gemeenten. Van deze gemeenten ligt alleen Reimerswaal in de provincie Zeeland, de overige gemeente bevinden zich in de provincie Noord-Brabant. De gemeenten waarin het plangebied zich bevindt zijn (op alfabetische volgorde): Bergen op Zoom, Dongen, Drimmelen, Geertruidenberg, Halderberge, Loon op Zand, Moerdijk, Oosterhout, Reimerswaal, Roosendaal, Steenbergen, Tilburg, Waalwijk en Woensdrecht.

4.4.1

Gemeente Bergen op Zoom

Het beleid van de gemeente Bergen op Zoom is vastgelegd in bestemmingsplannen (Uitvoeringsplan Materieel Erfgoed 2014). Daarnaast is er een online beleidskaart (http://www.monumentenboz.nl/main/kadaster). Toelichting bij de archeologische beleidskaart Bergen op Zoom. Deze kaart is een onderdeel van de gemeentelijke erfgoedverordening, door de Raad vastgesteld in 2011. De kaart is een vertaling van de archeologische verwachtingswaarden binnen de gemeentegrens. Deze waarden zijn opgenomen in de verschillende bestemmingsplannen van de gemeente. In de uitzonderlijke gevallen waar nog geen archeologie in de bestemmingsplannen is verwerkt, voorziet de erfgoedverordening. Voor een initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling kan dit betekenen dat hij onderzoek moet verrichten naar de aanwezigheid van archeologische waarden in de ondergrond. Daarnaast kan de gemeente ter bescherming van archeologische waarden aanvullende voorwaarden stellen aan de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

1

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2017-3112.html 14

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

Tabel 1. Archeologiebeleid gemeente Bergen op Zoom.

Categorie

Beleid

Gebieden met een hoge archeologische verwachting

Bij bodemingrepen dieper dan 50 cm en groter dan 50 m² is een aanlegvergunning vereist.

Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting

Bij bodemingrepen dieper dan 50 cm en groter dan 100 m² is een aanlegvergunning vereist.

Gebieden met een lage archeologische verwachting

Hier gelden geen archeologische beperkingen.

4.4.2

Gemeente Dongen

Het archeologiebeleid van de gemeente Dongen is vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed Dongen (2016), waarin onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende beleidszones (Tabel 2).

Tabel 2. Archeologiebeleid gemeente Dongen.

Categorie

Beleid

Terrein van hoge archeologische waarde

Deze gebieden zijn altijd onderzoeksplichtig.

Hoge archeologische verwachtingszone

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.

Middelhoge archeologische verwachtingszone

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.

Lage archeologische verwachtingszone

Archeologisch onderzoek alleen verplicht bij MER-plichtige projecten of een planoppervlak hebben van 50.000 m2 of meer.

Verstoord door ontgrondingen

Bodemingrepen zijn toegestaan.

4.4.3

Gemeente Drimmelen

Het beleid omtrent archeologie in de gemeente Drimmelen is weergeven op de Erfgoedkaart uit 2011 (Koopmanschap et al. 2011). Op de erfgoedkaart zijn 5 verschillende categorieën ondergrond weergegeven (Tabel 3).

Tabel 3 Archeologiebeleid gemeente Drimmelen.

Categorie

Beleid

Terrein van hoge archeologische waarde

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.

Hoge archeologische verwachtingszone

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.

Middelhoge archeologische verwachtingszone

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 1000 m2.

Lage archeologische verwachtingszone

Bodemingrepen zijn in principe toegestaan. Archeologisch onderzoek is uitsluitend noodzakelijk bij ontgrondingen en/of MER-plichtige projecten of projecten met een planoppervlak van 5 hectare of meer.

15

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

Terrein vestoord door ontgrondingen

4.4.4

Hier geldt het beleid van de onderliggende verwachtingszone met de daarbij behorende onderzoeksplicht.

Gemeente Geertruidenberg

Het archeologiebeleid van de gemeente Geertruidenberg is vastgelegd in de Nota Archeologie (2017) waar onderscheid wordt gemaakt in verschillende beleidszones (Tabel 4).

Tabel 4. Archeologiebeleid gemeente Geertruidenberg.

Categorie

Beleid

Archeologisch waardevolle gebieden: wettelijk beschermde monumenten

Deze gebieden zijn altijd onderzoeksplichtig.

Archeologisch waardevolle gebieden: terrein van hoge archeologische waarde

Deze gebieden zijn altijd onderzoeksplichtig.

Archeologische verwachtingszone: zeer hoog

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,3 m -Mv en met een oppervlak groter dan 50 m2. Historische bebouwing: archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,4 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.

Archeologische verwachtingszone: Hoog Overige hoge verwachtingszones: archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2. Archeologische verwachtingszone: Middelhoog

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 1.000 m2.

Archeologische verwachtingszone: Laag

Archeologisch onderzoek alleen verplicht bij MER-plichtige projecten of een planoppervlak hebben van 50.000 m2 of meer.

Verstoringen: ophogingen, afgravingen en ontgrondingen

Bij verhogingen moet rekening worden gehouden met de, onder de ophoging gelegen, verwachtingswaarde.

4.4.5

Gemeente Halderberge

De gemeente Halderberge heeft een archeologische verwachtingskaart. Op basis van deze verwachtingskaart is een advieskaart gemaakt waarop de verwachting gekoppeld is aan een advies. Het archeologiebeleid van de gemeente is vastgesteld in 2011, waarin onder andere de regie wordt beargumenteerd (Moonen 2011, 41). Zo worden er drie ondergrenzen gehanteerd: voor de diepte, de omvang van het plangebied en de omvang van de bodemingreep (Tabel 5). Alle bodemingrepen die niet dieper rijken dan 40 cm zijn in principe dus vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Ingrepen dieper dan 40 cm hoeven overigens niet per se te leiden tot verstoring van archeologische waarden. De archeologische resten kunnen erg diep liggen en daardoor niet verstoord worden, (bureau- of veld-) onderzoek dient eerst vast te stellen op welke diepte de resten zich bevinden.

Tabel 5 Archeologiebeleid gemeente Halderberge.

Categorie

Legenda-eenheid archeologische advieskaart

1

-

Ondergrens ‘diepte ingreep’

Hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit één of meer van de onderscheiden perioden. 40 cm Hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van jagers-verzamelaars. Onbekende verwachting

Ondergrens Ondergrens ‘plan‘bodemgebied’ ingreep’

1000 m²

500 m²

16

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

voor vindplaatsen uit de late landbouwperiode. Geen archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de vroege landbouwperiode. 2

3

4.4.6

-

Middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van late landbouwers. Middelhoge tot lage archeologische verwachting voor vindplaatsen van vroege landbouwers. Lage archeologische verwachting voor vindplaatsen van jagerverzamelaars.

40 cm

2500 m²

500 m²

Historische bebouwing. Terrein van archeologische waarde. Bekende archeologische vindplaatsen (zone van 50 m rondom een vindplaats).

40 cm

50 m²

30 m²

Gemeente Loon op Zand

Het archeologiebeleid van de gemeente Loon op zand is gebaseerd op de archeologische verwachtingskaart (Heeringen en Schrijvers 2017) waarop onderscheid is gemaakt in verschillende beleidszones (Tabel 6).

Tabel 6. Archeologiebeleid gemeente Loon op Zand.

Categorie

Omschrijving

Beleid

AMK-terrein, wettelijk beschermd

Wettelijk beschermde archeologische monumenten

Altijd vergunningsplichtig

Archeologische waarde

Gebied/ terrein van archeologische waarde (AMK-terreinen, waaronder ook de historische dorpskernen)

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,3 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.

Archeologische waarde, bewoningscluster

Gebied/ terrein van archeologische waarde (verdichting historische bebouwing)

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,3 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.

Hoge verwachting

Gebied/ terrein met een hoge archeologische verwachting

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 500 m2.

Middelhoge verwachting

Gebied/ terrein met een middelhoge archeologische verwachting

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 5.000 m2.

Lage verwachting

Gebied/ terrein met een lage archeologische verwachting

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 10.000 m2.

Gebied/ terrein waar geen bodemarchief Geen verwachting/ (meer) aanwezig is (verstoord, afgerond Verstoring door bebouwing AMZ-proces t/m 2011)

Geen onderzoeksverplchting.

Water

Water

Geen onderzoeksverplchting.

4.4.7

Gemeente Moerdijk

Het archeologiebeleid van de gemeente Moerdijk staat weergegeven op de advies archeologische beleidskaart 2013 van de gemeente Moerdijk. In het bijbehorende rapport ‘Tussen water en land: Archeologische Waarden- en verwachtingskaart en advies archeologische beleidskaart van de gemeente Moerdijk’ staan de omschrijvingen van deze archeologische beleidsgebieden (Groot et al. 2013). 17

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

Tabel 7. Archeologiebeleid gemeente Moerdijk.

Categorie

Omschrijving

Beleid

Archeologisch beleidsgebied 1+2

Archeologische monumenten en Archeologische terreinen

Altijd een archeologische onderzoeksplicht vanaf een minimum diepte van 30 cm.

Archeologisch beleidsgebied 3

Stadskernen

Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 50 m2 en een verstoringsdiepte van 30 cm.

Archeologisch beleidsgebied 4

Dorpskernen

Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 80 m2 en een verstoringsdiepte van 30 cm.

Archeologisch beleidsgebied 5

Gebieden met een hoge archeologische verwachting

Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 100 m2 en een verstoringsdiepte van 50 cm.

Archeologisch beleidsgebied 6

Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (Ondiep)

Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 250 m2 en een verstoringsdiepte van 50 cm.

Archeologisch beleidsgebied 7

Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (Dekzand)

Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 250 m2 en een verstoringsdiepte van 200 cm.

Archeologisch beleidsgebied 8

Gebieden met een lage archeologische verwachting

Een archeologisch onderzoek zal alleen worden vereist in projecten die MER-plichtig zijn.

Archeologisch beleidsgebied 9

Gebieden waar geen archeologische verwachting (meer) voor geldt.

Geen archeologische onderzoeksplicht.

4.4.8

Gemeente Oosterhout

Het archeologiebeleid van de gemeente Oosterhout is vastgelegd in de Erfgoedverordening Oosterhout (2015) waarop onderscheid is gemaakt in verschillende beleidszones (Tabel 8).

Tabel 8. Archeologiebeleid gemeente Oosterhout.

Categorie

Beleid

Vastgestelde archeologische waarde binnen de contouren van de binnenstad

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 50 m2.

Gebieden met een vastgestelde archeologische waarde (AMK- terreinen) en hoge en middelhoge archeologische verwachting buiten de contouren van de binnenstad

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.

Lage archeologische verwachtingszone

Bodemingrepen zijn in principe toegestaan. Archeologisch onderzoek is uitsluitend noodzakelijk bij ontgrondingen en/of MER-plichtige projecten of projecten met een planoppervlak van 5 hectare of meer.

4.4.9

Gemeente Reimerswaal

Het archeologiebeleid (Alkemade et al. 2011). Is vastgelegd in bestemmingsplannen, in dit geval bestemmingsplan Buitengebied (derde herziening 2015). Voor het opstellen van de archeologische 18

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

informatie is op 30 juni 2021 bij diverse instanties navraag gedaan voor aanvullende archeologische informatie voor het deel binnen de gemeente Reimerswaal. Het betreft de Walcherse Archeologische dienst (Bernard H.F.M. Meijlink), Erfgoed Zeeland (Karel-Jan Kerckhaert en Hans Jongepier), het Zeeuws Archief (Toon Franken), het archief van Noord-Beveland (Gerard de Fouw en Miranda van Hoorn) en het AWN Zeeland (Alex Groosman). Er is hierbij geen nieuwe informatie naar voren gekomen die relevant is voor dit bureauonderzoek archeologie.

Tabel 9. Archeologiebeleid gemeente Reimerswaal.

Categorie

Waarde (op bestemmingsplan)

Zone

Beleid

1

-

Wettelijke beschermd monument

Altijd onderzoeksplichtig

2

1

Terrein van archeologische waarde

50 m2, 40 cm diepte

3

1

Gewaardeerde stads-/dorpskern

50 m2, 40 cm diepte

4

2

Hoge verwachting

250 m2, 40 cm diepte

5

3

Gematigde verwachting

500 m2, 40 cm diepte

6

4

Lage verwachting

2.500 m2, 40 cm diepte

7

-

Waterbodem

Altijd overleg met RCE

8

-

Geen verwachting

Geen onderzoeksplicht

4.4.10

Gemeente Roosendaal

Het archeologiebeleid van de gemeente Roosendaal is vastgelegd in de Erfgoedverordening Roosendaal (2017), waarin in onderscheid is gemaakt in verschillende beleidszones (Tabel 10).

Tabel 10. Archeologiebeleid gemeente Roosendaal.

Categorie

Beleid

Waardevolle archeologische gebieden

Altijd vergunningplichtig.

Hoge archeologische verwachtingszone

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 50 m2.

Middelhoge archeologische verwachtingszone

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.

Lage archeologische verwachtingszone

Bodemingrepen zijn in principe toegestaan. Archeologisch onderzoek is uitsluitend noodzakelijk bij ontgrondingen en/of MER-plichtige projecten of projecten met een planoppervlak van 10.000 m2 of meer.

Verstoring

De verstoringscontour gaat boven de archeologische verwachtingszone, bodemingrepen zijn in principe toegestaan.

19

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

4.4.11

Gemeente Steenbergen

Het archeologie beleid van de gemeente Steenbergen staat vermeld in de Erfgoedverordening gemeente Steenbergen (2015).

Tabel 11. Archeologiebeleid gemeente Steenbergen.

Categorie

Archeologische verwachting

Beleid

1

Hoge archeologische verwachting

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en bij een oppervlak groter dan 100 m2.

2

Middelhoge archeologische verwachting

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en bij een oppervlak groter dan 250 m2.

3

Lage archeologische verwachting

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en bij een oppervlak groter dan 1 ha.

4.4.12

Gemeente Tilburg

De gemeente Tilburg heeft een gemeentelijke archeologische verwachtingskaart (de ArWaTi). Het archeologiebeleid is echter vastgelegd in bestemmingsplannen met daarin dubbelbestemmingen. Een groot deel van het plangebied bevindt zich in bestemmingsplan Lobelia-Spinder-Rugdijk, waarvan delen een dubbelbestemming met de Waarde – Archeologie hebben. In deze gebieden is de ondergrens voor archeologische onderzoek 100 m2 en 60 cm onder peil. Ten zuiden van de N260 bevindt zich een klein deel van het plangebied in het bestemmingsplan Bedrijventerrein Vossenberg (2008). In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen voor de omgang met archeologie, waarbij onderscheid is gemaakt tussen gebieden met een middelhoge tot hoge verwachting en gebieden met geen tot lage verwachting op archeologische resten. Het plangebied is gelegen in een geen met ‘geen tot lage verwachting’ 2.

4.4.13

Gemeente Waalwijk

Het archeologiebeleid van de gemeente Waalwijk is vastgelegd in bestemmingsplannen en gebaseerd op de erfgoedkaart van de gemeente Waalwijk (Hessing et al. 2011). Op deze kaart is onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën (Tabel 12).

Tabel 12. Archeologiebeleid gemeente Waalwijk.

Categorie

Beleid

1

Wettelijk beschermd archeologisch monument.

Altijd vergunningplichtig.

2

Gebied van archeologische waarde.

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,3 m -Mv en met een oppervlak groter dan 1 m2.

3

Gebied met een hoge archeologische verwachting.

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.

4

Gebied met een gematigde archeologische verwachting

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5m -Mv en bij een oppervlak groter dan 5.000m2.

5

Gebied met een lage archeologische verwachting.

Archeologisch onderzoek is uitsluitend noodzakelijk bij ontgrondingen en MER-plichtige projecten.

6

Gebied zonder archeologische verwachting.

Geen onderzoeksplicht

2 https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0855.BSP2008013-f001/t_NL.IMRO.0855.BSP2008013-f001_6.4.html

20

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

4.4.14

Gemeente Woensdrecht

De gemeente Woensdrecht heeft in 2018 een gemeentelijk archeologisch beleid vastgesteld. Het beleid omtrent archeologie van de gemeente Woensdrecht is vastgelegd in de Erfgoedverordening uit 2018 (Tabel 13). De archeologische waarden zijn daarnaast vastgelegd in de bestemmingsplannen. Binnen het plangebied gaat het om het bestemmingsplan Buitengebied (herziening 2019).

Tabel 13. Archeologiebeleid gemeente Woensdrecht.

Categorie

Beleid

Lage archeologische verwachtingswaarde

Geen onderzoek noodzakelijk

Middelhoge archeologische verwachtingswaarde

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.

Hoge archeologische verwachtingswaarde

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 50 m2.

Hoge archeologische verwachtingswaarde in het oude stroomdal van de Schelde

Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 1,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.

AMK-terrein

Onderzoeksplichtig

21

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

5

LANDSCHAP

5.1

Inleiding

Het menselijke doen en laten werd in het verleden in grote mate bepaald door de landschappelijke omgeving en de mogelijkheden die daardoor geboden worden; de keuze van mensen om zich op een bepaalde locatie te vestigen was afhankelijk van de landschappelijke omstandigheden, zoals de aanwezigheid van vruchtbare gronden voor akkerbouw, beschikbaarheid van zoet water, bouwmaterialen en natuurlijke voedselbronnen. De geologische, geomorfologische en bodemkundige situaties zijn daarom van belang voor een archeologisch onderzoek.

5.2

Hoogte (AHN; Actueel Hoogtebestand Nederland)

Het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) geeft de precieze en gedetailleerde maaiveldhoogtes van Nederland in meters ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP). De maaiveldhoogtes worden in een kleurenschaal weergegeven. De beschrijving van het hoogtemodel volgt de kaarten in bijlage 4, vanuit Rilland naar Tilburg. In Zeeland is het zeekleigebied zichtbaar in het hoogtemodel. Buitendijks is het kweldergebied goed leesbaar maar binnendijks zijn, binnen het onderzoeksgebied, de opgevulde kreekgeulen eveneens nog goed zichtbaar. Het zichtbare geulensysteem komt overeen met de verwachtingskaarten van de gemeente Reimerswaal. Ter hoogte van Woensdrecht, ten westen van het knooppunt Markiezaat, is de buisleidingstraat zichtbaar op het hoogtemodel. De buisleidingstraat loopt voor een groot deel door het plangebied en is zichtbaar als een brede baan van circa 80 meter. Bij Standaardbuiten in de gemeente Moerdijk verdwijnt de buisleidingstraat uit het plangebied. Ten noorden van Woensdrecht bevindt het plangebied zich geleidelijk in het Brabants zandgebied, met de kenmerkende hoogtes en oude beekdalen. Ten aanzien van de archeologische verwachtingskaarten zijn in het dekzandgebied geen aanvullende dekzandruggen en/of -kopjes in het AHN waargenomen. Ten zuiden van Nieuw Borgvliet loopt het plangebied door het oude beekdal van de Molenbeek.

Ten zuiden van Wouw bevindt het plangebied zich in de Smalle Beek en ten westen daarvan in de Spuitendonksche beek. Ten noorden van Zeveneer is de Dikkendijk gelegen, die is aangegeven als bekende waarde (zie 6.4.1). Binnen het onderzoeksgebied zijn een aantal verstoringen waar te nemen in de vorm van depressies. Daarnaast is ook opgehoogd terrein waargenomen, die niet als verstoring zijn aangegeven. Het betreft enkele transformatorstations en buitendijkse (industrie)gebieden.

5.3

Geomorfologie en bodem

Het plangebied ligt op de overgang tussen het Zeeuws of zuidwestelijk zeekleigebied en het Brabants zandgebied. Deze gebieden worden hieronder afzonderlijk, maar in samenhang beschreven (zie kaartbijlagen 2, 3 en 4).

5.3.1

Het zuidwestelijk zeekleigebied

Dit is een geologisch deelgebied dat ook Noordwest Brabant, Zeeland, de Zuid-Hollandse eilanden, de Biesbosch en het Westland omvat (Berendsen 2005). De geologische ontwikkeling van dit gebied is in hoge mate bepaald door de invloed van de getijden, in combinatie met de relatieve zeespiegelstijging. De getijdewerking van de zeearmen in het zuidwestelijk zeekleigebied is groot, als gevolg van stuwing van de vloedstroom. Daarnaast hebben de mondingen van de Schelde, Rijn, Maas en Waal grote invloed gehad op de vorming van het landschap. De Pleistocene afzettingen in het zuidwestelijk zeekleigebied, in de vorm van dekzandafzettingen uit de laatste ijstijd, behoren tot de Boxtel Formatie. Deze afzettingen liggen in Zeeuws-Vlaanderen nog aan het oppervlak en deze dekzandruggen zorgen voor hoogteverschillen met het omringend landschap van circa 12 m. De Holocene afzettingen in het zuidwestelijk zeekleigebied behoren tot de Naaldwijk Formatie en worden volgens de huidige lithostratigrafische indeling van Mulder e.a. (2003) verdeeld in het Wormer Laagpakket (de onderste mariene afzettingen) en het Walcheren Laagpakket (de bovenste mariene afzettingen). Deze laagpakketten zijn gevormd door de afzetting van zeeklei door de eeuwen heen. Vertand met de Naaldwijk Formatie komen ook veenafzettingen van de Nieuwkoop Formatie voor in het zuidwestelijk zeekleigebied.

Het veen dat op de Pleistocene afzettingen wordt aangetroffen wordt gerekend tot de 22

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

Basisveen Laag. De veenlagen tussen de Holocene mariene afzettingen behoren tot het Hollandveen Laagpakket. De oudste mariene afzettingen, die van het Wormer Laagpakket, zijn tot in het begin van het Subboreaal (circa 7500 – 4500 jaar voor Chr.) gevormd, bij een min of meer open kust: het zuidwestelijk zeekleigebied had in deze periode het uiterlijk van een wadden‐ en kwelderlandschap, een getijdengebied dat werd doorsneden door getijdengeulen. Omdat de zeespiegel sneller steeg dan het land vonden er continu overstromingen plaats. Volgens Berendsen (2005) ligt de top van het Wormer Laagpakket nu in de 21ste eeuw op circa 4 m –NAP, wat betekent dat deze afzettingen niet voorkomen daar waar de Pleistocene afzettingen hoger liggen dan dat. De overstromingen vanuit zee gingen in Zeeland door tot circa 4400 voor Chr., toen de ophoging van het land door afzetting van zand en klei ongeveer gelijk op begon te lopen met de stijging van de zeespiegel. De kustlijn begon zich in het westen te sluiten door het ontstaan van strandwallen, wat een sterke uitbreiding van het veen achter deze barrière tot gevolg had. Tussen 3500 en 2500 voor Chr. nam de zeespiegelstijging af, maar de zee bleef zand en klei afzetten en nu meer dan nodig was om te compenseren voor de stijging van de zeespiegel.

Door deze toename van sedimentatie bouwden de strandwallen aan de kust zich westwaarts uit en begon de verlanding en vervening van het achterland (Vos e.a., 2011). De getijdengeulen verlandden door de sterke afname van de getijdenstroming. De weerstand tegen het tij in Zeeland werd hoger en als gevolg verminderde de getijslag – en dus de overstromingen. Lagere hoogwaterstanden waren het gevolg, net als een verslechtering van de afwatering in het achterland door het verlandden van de geulen. Hierdoor veranderde het getijdengebied langzamerhand in een kustmoeras.

De veenvorming ging van circa 3100 tot 750 voor Chr. onverminderd door. Hoewel er artefacten zijn gevonden in het veen die er op wijzen dat de mens tot het veenmoeras was doorgedrongen, was het land veelal te zompig om goed bewoonbaar te zijn. Vanaf 500 voor Chr. kreeg de zee wel weer beperkte invloed, toen tijdens een storm de strandwal bij Walcheren doorbrak en kleine getijdengebieden vlak achter de barrière ontstonden. De strandwallen en resterende hoger opgeslibde delen van het getijdengebied waren het beste geschikt voor bewoning; in het strandwallen‐ en duingebied van Walcheren zijn bewoningssporen uit de Brons‐ en IJzertijd aangetroffen, indicatie voor eeuwenlange bewoning in dit deel van het gebied. In het veengebied van Walcheren en langs de Schelde op Tholen zijn sporen van menselijke aanwezigheid aangetroffen van rond 200 voor Chr., wat een indicatie is dat het veen hier ontwaterd moet zijn om vestiging mogelijk te maken. In de vier eeuwen daarna nam de bevolking af, iets wat niet door landschappelijke veranderingen verklaard kan worden (Brugman e.a., 2011a; Vos & Van Heeringen, 1997). Rond 200 na Chr., in de Midden‐Romeinse Tijd, keerde de mens in groten getale terug in het Zeeuwse kustgebied en wel in het veengebied.

Grote delen van het veen werden door middel van sloten ontwaterd in deze periode en mensen vestigden zich op Walcheren, Zuid‐Beveland, westelijk Zeeuws‐Vlaanderen en langs de Schelde op Tholen en Schouwen. De sloten bevorderden het natuurlijke ontwateringsproces, dat plaatsvond via kreekjes en geulen. Dit menselijk ingrijpen had grote gevolgen voor het landschap: het maaiveld daalde door ontwatering, oxidatie en het afgraven van het veen, waardoor de zee de lager liggende delen weer kon overstromen. Nieuwe geulen sneden zich in, ruimden het veen verder op en verbeterden op hun beurt de ontwatering van het veen verder. Hierdoor begon een zichzelf versterkend proces van bodemdaling, erosie en overstroming. Als gevolg hiervan veranderde het kustmoeras tussen circa 300 en 400 na Chr. wederom in een getijdengebied. De nieuwe geulen namen het debiet van de oude geulen over, waardoor deze laatste verzandden. De nieuwe situatie van klei op veen (Walcheren Laagpakket op Hollandveen Laagpakket) en het deels eroderen van het veen door zowel natuurlijke als menselijke oorzaken, leidde tot een tweedeling in de Zeeuwse bodem: Oudland en Nieuwland (Brugman e.a., 2011a; Vos & Van Heeringen, 1997). Het Oudland behelst die delen van het zuidwestelijk zeekleigebied waar niet al het veen is verdwenen.

Hier zijn de veen‐ en klei‐ op‐veengebieden sterk ingeklonken na ontwatering, waardoor de zandige geul‐ en kreekopvullingen hoger kwamen te liggen dan het omringende landschap. Deze differentiële klink heeft in gebieden waar oligotroof (voedselarm) veen voorkwam zelfs een reliëfinversie teweeggebracht. Differentiële klink had tot gevolg dat de verlande geulen en kreken als kreekruggen hoog in het landschap kwamen te liggen. De zandige en kalkrijke kreekruggen, hoog en droog, waren geschikt voor bewoning, om op te akkeren en om wegen te dragen. De kalkarme ingeklonken veen‐ en klei‐op‐veengebieden, laag en nat, waren alleen geschikt als weiland (Berendsen 2005). Het Nieuwland draagt de stempel van menselijke ingrepen in de Middeleeuwen. Vanaf circa 1250 na Chr. werden nieuwe landaanwassen langs de kust en getijdengeulen ingedijkt, om bescherming te bieden tegen 23

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

stormvloeden. Dit nieuwe land bestaat uit zandig, kalkrijk sediment. Al het veen in de ondergrond is verdwenen door erosie, zodat de voor het Oudland zo kenmerkende differentiële klink niet kon plaatsvinden – laat staan reliëfinversie. Het Nieuwland is dan ook zeer vlak en kent nauwelijks reliëf, in tegenstelling tot het Oudland. De bedijking had onbedoeld grote invloed op het getijdenproces: het stormvloedniveau tegen de dijken steeg, terwijl het land achter de dijken door ontwatering en ontginning van het veen steeds verder daalde. Ook de voor o.a. Zeeland kenmerkende selnering of moernering - zoutwinning door afgraven en verbranden van door zeewater overspoeld veen ‐ hielp deze invloed in de hand door grote gaten in het veen achter te laten. Uiteindelijk leidde dit alles ertoe dat extreme stormvloeden tot dijkdoorbraken konden leiden, die vervolgens catastrofale overstromingen tot gevolg hadden. Vele dorpen, zoals Valkenisse, Tholseinde, Nieuwlande en het oorspronkelijke Rilland op Zuid‐ Beveland zijn zo verdronken. De tweede St. Elisabethsvloed in 1421 is het bekendste voorbeeld van een dergelijke ramp in het verleden, maar ook de Watersnoodramp van 1953 was het gevolg van een stormvloed. Zo had de mens in de laatste eeuwen een grote invloed op de landschapsgenese van het zuidwestelijk zeekleigebied.

Voor wat betreft het oostelijke Scheldedelta in de gemeenten Woensdrecht en Bergen op Zoom geldt echter dat deze pas in de 16de eeuw geleidelijk zijn overstroomd en verloren gegaan. Het landschap bestaat binnen het plangebied thans uit vlakten van getij-afzettingen en getij-oeverwallen. Bodemkundig komen met name kalkrijke poldervaaggronden voor.

5.3.2

Het Brabants zandgebied

Dit gebied wordt ook wel het zuidelijk zandgebied genoemd. Het is een relatief vlak gebied dat nooit door het landijs bedekt is geweest en wordt gekenmerkt door het voorkomen van dekzand uit de Boxtel Formatie. Dit uit zich in het voorkomen van dekzandvlakten, -welvingen en -ruggen. Bodemkundig komen met name veldpodzolen, laarpodzolen en enkeerdgronden voor. Het dekzandgebied wordt doorsneden door enkele beken. Hier komen met name beekeerdgronden voor. Deze dekzanden zijn tijdens de laatste ijstijden, het Saalien en Weichselien, afgezet door de wind. De pakketten uit beide ijstijden worden soms gescheiden door een veenlaag uit het Eemien interglaciaal, maar er zijn ook veenlagen uit glaciale perioden bekend. Door dit verschil in datering van de veenlagen zijn de dekzandpakketten moeilijk van elkaar te scheiden en worden ze samen tot de Boxtel Formatie gerekend (Berendsen, 2005; De Mulder e.a., 2003). Deze zanden dekken rivierafzettingen van Rijn, Maas en Schelde uit het Vroeg- en Midden-Pleistoceen af. In het geval van het gebied tussen Bergen op Zoom en Breda, waar ze dicht onder het oppervlak voorkomen, behoren deze afzettingen tot de Waalre Formatie (De Mulder e.a., 2003). Het landschap werd en wordt door allerlei beken doorsneden. De beekdalen zijn over het algemeen ingesneden tot in de kleilagen onder het dekzand.

Een kenmerkend fenomeen in dit gebied is het klif dat de westelijke begrenzing vormt: de Steilrand bij Bergen op Zoom (in de volksmond ook wel bekend als de Brabantse Wal). Deze waarschijnlijk ontstaan door een combinatie van een geologische breuk en erosie door de oer-Schelde (Kasse 2009).. Op een aantal plaatsen ging de duinvorming gepaard met uitblazingslaagten. In deze laagten en in door dekzandruggen afgedamde oude erosiedalen vormde zich tijdens het Holoceen veen. De betrekkelijk lage ligging, de vaak dikke, slecht doorlatende en slecht wateropnemende lagen dicht onder de oppervlakte, en de dekzandruggen die bijna haaks op de natuurlijke afwatering liggen, zijn er de oorzaak van geweest dat na het Pleistoceen de afwatering in het gebied volkomen ontregeld raakte. De veengroei begon circa 8000 v. Chr. en bereikte haar maximale uitbreiding tussen 3000 en 900 v. Chr. Grote delen van West-Brabant waren bedekt met veenmoerassen en waren in de latere fases van de prehistorie, de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen niet of nauwelijks bewoonbaar. Het aldus ontstane hoogveen is in de periode 1250-1750 bijna volledig afgegraven en tot turf verwerkt. De invloed van de mens op de genese van het Brabants zandgebied laat zich naast turfwinning onder andere kennen door de aanwezigheid van plaggendekken en essen.

Door vanaf de Middeleeuwen de zandgronden op te hogen door middel van plaggenbemesting, ontstonden vruchtbaardere gronden. Onder de plaggendekken bevindt zich het oorspronkelijke, natuurlijke bodemprofiel. Plaggendekken kunnen vindplaatsen uit het verleden afgedekt hebben, waardoor deze intact zijn gebleven. In de bodemkundige classificatie worden plaggenbodems enkeerdgronden genoemd wanneer de cultuurgrond dikker is dan 50 cm. De termen plaggendek en es worden vaak door elkaar gebruikt, maar kennen elk een eigen genese en ouderdom. Er is zeker overlap, maar niet in alle gevallen (De Bakker, 1966; Berendsen, 2005).

24

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

5.3.3

Geologie en bodemopbouw per gemeente

Per gemeente wordt de geologie en bodemopbouw kort beschreven aan de hand van enkele boringen uit het Dinoloket. Reimerswaal Zeeland Het tracé loopt voor circa 3,7 km door de gemeente Reimerswaal. De bodemopbouw bestaat uit een dik pakket afzettingen van het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen op Basisveen op de formatie van Koewacht of dekzand. Niet overal zullen deze pakketten aanwezig zijn. Tot 4 m -Mv zal er met name sprake zijn van het Laagpakket van Walcheren.

25

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

Woensdrecht De leiding komt in de gemeente Woensdrecht grotendeels in de leidingstraat te liggen. Hier geldt conform het bestemmingsplan geen archeologische onderzoeksverplichting. Aan de noordkant van Woensdrecht komt het dekzand sterk omhoog en ligt het aan het maaiveld. Op basis van informatie verstrekt door gemeentelijk archeoloog Marco Vermunt bestaat voor deze zone, grofweg vanaf de Beukendreef tot het noordelijkste deel van de gemeente Woensdrecht, nog een verwachting en is vervolgonderzoek geadviseerd. Aan de zuidzijde van de leidingstraat komt tot circa 4 m -Mv het Laagpakket van Walcheren voor met daaronder Hollandveen en Wormer of dekzand.

Bergen op Zoom De leiding komt grotendeels in de leidingstraat te liggen. In de leidingstraat zelf zijn aan weerzijden van het beoogde tracé, gelegen in het midden van deze zone, al meerdere kabels en leidingen aanwezig. Daarom wordt geadviseerd op ter hoogte van de leidingstraat geen vervolgonderzoek uit te voeren. Uitzondering hierop is het deel van de buisleidingstraat binnen de gemeente Bergen op Zoom westelijk van Antwerpsestraatweg. Op basis van informatie verstrekt door gemeentelijk archeoloog Marco Vermunt bestaat voor deze zone nog een verwachting en is vervolgonderzoek geadviseerd. Voor de zone buiten de leidingstraat geldt dat het landschap uit dekzand bestaat.

Roosendaal •

In het noorden van Roosendaal wordt het dekzand afgedekt voor Hollandveen en Walcheren. De gemeentelijke verwachtingskaart geeft daar een lage verwachting aan. Het pakket is echter zo dun dat het dekzand geraakt wordt. In de aangrenzende gemeente Steenbergen geldt een middelhoge verwachting.

26

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

Steenbergen Het tracé loopt voor circa 750 m door de gemeente Steenbergen. Ter plekke komt de volgende bodemopbouw voor: • • •

Laagpakket van Walcheren op; Hollandveen op; Dekzand.

27

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

Halderberge Binnen de gemeente Halderberge komt aan het maaiveld met name dekzand voor. Nabij het beekdal van de Mark/ Dintel bestaat de bodemopbouw uit een Laagpakket van Walcheren op Hollandveen. Onder het veen zal in de restgeul beddingzand/grind voorkomen en ter hoogte van de beekdalvlakte verspoeld dekzand. Het veen is gelegen op zand van de Formatie van Waalre. Deze overgang is gelegen op 4.70 m onder maaiveld oftewel 2.60 -NAP (B43H1384). Bij een ander boorpunt (B43H1383) is op deze diepte (2.60 -NAP) hier nog een pakket van 1 m zand uit de Formatie van Boxtel (dekzand) aanwezig. Andere boorpunten gaan direct van het klei (of veen) over op de Formatie van Waalre. Deze opbouw kan geïnterpreteerd worden dat het rivierdal het dekzand op locaties heeft geërodeerd. Deze hypothese wordt gesteund door boorpunten buiten het dal waar vaker een pakket dekzand is gelegen. Het beekdal bevindt zich precies op de grens tussen de gemeente Halderberge en Moerdijk. Moerdijk In de gemeente Moerdijk duikt het dekzand weg naar circa 3 m -Mv. Het is afgedekt door het Laagpakket van Walcheren en Hollandveen. In enkele boringen zijn afzettingen van Kreftenheye aangetroffen. De boringen uit het Dinoloket tonen aan dat het tracé een zeer variërend landschap doorkruist.

•

28

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

29

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

Drimmelen In de gemeente Drimmelen komt globaal dezelfde gevarieerde landschappelijke opbouw voor als in de gemeente Moerdijk. Geertruidenberg In de gemeente Geertruidenberg wordt het dekzand afgedekt door het Laagpakket van Walcheren en Hollandveen.

30

BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV

Oosterhout In de gemeente Oosterhout stijgt het dekzand tot aan het maaiveld. Ten noordwesten van de Willems Polder wordt het dekzand nog afgedekt door het Laagpakket van Walcheren en Hollandveen.

Dongen Binnen de gemeente Dongen komt aan het maaiveld dekzand voor. Loon op Zand Binnen de gemeente Loon op zand komt aan het maaiveld dekzand voor. Waalwijk Binnen de gemeente Waalwijk komt aan het maaiveld dekzand voor. Tilburg Binnen de gemeente Tilburg komt aan het maaiveld dekzand voor. Relevant voor deze gemeente is de studie naar de paleogeografie van Heunks (2013). Er wordt geadviseerd om de studie mee te nemen bij het interpreteren van de resultaten uit het booronderzoek, op die locaties waar een booronderzoek is geadviseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11011993/1