CConstaterende datDongen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-001318 Bijlage 1- Zuid-West 380 kV Oost concept inpassingsplan

Opiniërende raadsvergadering 15 april 2021, gemeente DongenBij agendapunt: Raadsvoorstel 2021-001318 Zienswijze raad-college voorontwerp Rijks inpassingsplan Hoogspanningsverbinding 380kV zuid-westoost34.201 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Samenhang van elementen (mastniveau) Landschapselementen zijn bijvoorbeeld dorps- en stadssilhouetten, verte-kenmerken, bebouwingslinten of bijzondere bosjes of lanen. Wanneer de samenhang tussen deze elementen en het landschap door de verbinding wordt verstoord of landschapselementen worden aangetast is sprake van een negatief effect. Er ontstaat dan als het ware een ruis in het landschappelijke verhaal van de plek. Bij dit criterium kunnen ook positieve effecten optreden, bijvoorbeeld als door het slopen van een bestaande verbinding een verbroken samenhang wordt hersteld en ruis wordt weggehaald. Voor de beoordeling van de effecten op elementen in hun landschappelijke context is in alle gevallen de lokale situatie (waar, welke elementen, welke samenhang) maatgevend voor de beoordeling. In deelgebied 1 heeft het Voorkeursalternatief een positief effect bij de zichtas op de Brabantse Wal door het verwijderen van de bestaande 150 kV-verbinding. Ook bij Woensdrecht treedt een licht positief effect op, omdat het Voorkeursalternatief hier ondergronds komt te liggen. Het Voorkeursalternatief heeft hierdoor een licht positief effect In deelgebied 2 heeft het Voorgenomen tracé geen effecten op de samenhang van elementen. In deelgebied 3 worden door het verwijderen van de bestaande 150 kV-verbinding de interne samenhangen in het bebouwingslint Oosteind hersteld.

Het verwijderen van de bestaande 150 kVverbinding ter hoogte van Hooge Zwaluwe heeft een licht positieve invloed op de samenhangen tussen het silhouet van Hooge Zwaluwe en het omliggende landschap. Ook ontstaat er een licht positieve effect bij bebouwingslint de Moer. Landschapsplan Nog concept wordt ingevuld bij ontwerp IP, zie ook paragraaf 3.11

6.4

Natuur

6.4.1 Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Voor de beoogde ontwikkeling zijn met name de onderwerpen soortbescherming en gebiedsbescherming van belang.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

51

Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natura 2000-gebieden;  Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. Provinciale verordening In het provinciaal beleid is de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland vastgelegd.

Daarnaast is in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant een regeling opgenomen voor de rust- en foerageergebieden voor ganzen en smienten in de provincie. 6.4.2 Huidige situatie Natura 2000 De toepasselijke Natura 2000-gebieden (zie figuur 5.1) zijn nader beschouwd in de Passende Beoordeling:  Brabantse Wal  Zoommeer  Markiezaat  Krammer-Volkerak  Hollands Diep  Biesbosch Beoordeling habitattypen Voor habitattypen is kwantitatief bepaald welk ruimtebeslag is voorzien. Vervolgens wordt de afname gerelateerd aan de huidige staat van instandhouding en wat de afname betekent voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling. Wanneer de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar dreigen te komen, is mogelijk sprake van een significant negatief effect. Beoordeling Habitatrichtlijnsoorten Voor Habitatrichtlijnsoorten is bepaald of de populatie afneemt door directe effecten als doden of verstoren maar ook indirect door afname van leefgebied. Deze beoordeling is kwalitatief en waar mogelijk ook kwantitatief en aan de hand van de beoordeling is gekeken of de

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

52

instandhoudingsdoelstelling in gevaar komt. Wanneer de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar dreigen te komen, is mogelijk sprake van een significant negatief effect. Beoordeling Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels Voor broedvogels is bepaald of de populatie afneemt door directe effecten als doden of verstoren maar ook indirect door afname van leefgebied. Deze beoordeling is kwalitatief en waar mogelijk ook kwantitatief en aan de hand van de beoordeling is gekeken of de instandhoudingsdoelstelling in gevaar komt. Wanneer de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar komen, is er sprake van een significant negatief effect. Beoordeling Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels Het beoordelen van effecten op niet-broedvogels uit Natura 2000-gebieden gebeurt door te kijken naar: welke kwalificerende vogels mogelijk een effect ondervinden van de nieuwe hoogspanningsverbinding. Dit is bepaald door van populaties te onderzoeken of deze de oude en de nieuwe verbinding passeren. Natuurnetwerk Nederland In het plangebied zijn verschillende gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming In het het MER is de huidige verspreiding en de autonome ontwikkeling van alle relevante beschermde soorten volgens de Wet natuurbescherming gegeven en daarnaast de gebieden met bedreigde soorten volgens de Rode Lijst.

Onderstaand wordt van de belangrijkste gevoelige beschermde soorten een korte samenvatting gegeven. Vleermuizen In het plangebied komen de volgende vleermuizen verspreid voor: gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de rosse vleermuis, de laatvlieger, de watervleermuis, grijze grootoorvleermuis en de meervleermuis Zoogdieren In het plangebied komen de volgende zoogdieren voor: eekhoorn, steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn, boommarter en das Amfibieën In het plangebied kunnen de volgende amfibieën voorkomen: alpenwatersalamander, vinpootsalamander, kamsalamander, poelkikker, heikikker, rugstreeppad en poelkikker. 6.4.3 Effecten voorkeurstracé Natura 2000 Uit de passende beoordeling blijkt dat de werkzaamheden voor de aanleg van het tracé en de realisatie van het tracé kunnen leiden tot de volgende effecten:  De werkzaamheden binnen het Natura 2000-gebied Brabantse Wal leiden mogelijk tot verstoring van broedgebied van de wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw.  De werkzaamheden nabij het Natura 2000-gebied Biesbosch leiden mogelijk tot verstoring van leefgebied van meervleermuis.  Uit de ecologische beoordeling stikstofdepositie blijkt dat de depositie dusdanig laag is, dat deze niet kan leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden.

 Door met name een toename in lengte van enkele van de deelverbindingen, kan het aantal draadslachtoffers voor verschillende soorten mogelijk toenemen. De nieuwe hoogspanningsverbinding kan leiden tot een afname van de omvang van de vogelpopulatie in de

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

53

verschillende Natura 2000-gebieden. Het gaat om het Natura 2000-gebied de Biesbosch, en om de volgende soorten: Vogelrichtlijnsoorten: grote zilverreiger, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans en brandgans.

Mitigerende maatregelen Brabantse Wal Voor de Brabantse Wal is het alleen noodzakelijk om gedurende de duur van de werkzaamheden maatregelen te nemen voor de wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en de nachtzwaluw. De werkzaamheden ten aanzien van het amoveren van de verbinding in het Natura 2000-gebied dienen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Tussen zonsondergang en zonsopkomst kan geen gebruik gemaakt worden van verlichting. Biesbosch Het is noodzakelijk om maatregelen te nemen tijdens de gebruiksfase voor de kolgans en voor de duur van de werkzaamheden voor de meervleermuis. Voor de kolgans dient in deelverbinding 10 en 12 varkenskrullen te worden toegepast in de bliksemdraad. Tijdens de aanlegfase mag geen verlichting worden gebruik tussen zonsondergang en zonsopkomst ter plaatse van watergangen en in de actieve periode van de meervleermuis, circa tussen maart en november. Natuurnetwerk Nederland In het kader van het Natuurnetwerk Nederland en het mogelijk areaalverlies dat optreedt als gevolg van de nieuwe verbinding wordt een natuur- en landschapscompensatieplan opgesteld. Dit wordt gelijktijdig met het vooroverleg van het voorontwerpinpassingsplan opgesteld en zal in het ontwerpinpassingsplan worden opgenomen. Soortenbescherming Draadslachtoffers Als gevolg van de nieuwe verbinding kan het aantal draadslachtoffers mogelijk toenemen.

Hiervoor is een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming nodig. Speciale aandacht is vereist voor die soorten waarbij niet is uit te sluiten dat de toename van het aantal draadslachtoffers de 1%-mortaliteitsnorm passeert. Door het nemen van mitigerende maatregelen in de vorm van varkenskrullen is voor deze soorten het aantal draadslachtoffers te beperken. Na het nemen van mitigerende maatregelen in de vorm van draadmarkeringen wordt voor een aantal soorten nog additionele draadslachtoffers verwacht. Dit zijn deels ook kwalificerende Natura 2000-soorten. Door de voorziene maatregelen wordt de 1%-mortaliteitsnorm voor deze soorten niet overschreden. De nieuwe hoogspanningsverbinding leidt niet tot een afname van de populaties met vogels in Natura 2000gebieden. Significant negatieve effecten zijn uitgesloten. Vleermuizen Alle voorkomende vleermuizen in Nederland zijn strikt beschermd, ongeacht de soort. Ook groenstructuren die worden gebruikt als vliegroute en foerageergebied zijn beschermd en mogen niet worden aangetast. Afhankelijk van het gebruikspatroon (soorten en aantallen vleermuizen) kan het verlies van bomenrijen of bosgebieden ter plaatse worden gemitigeerd. Indien dit ter plaatse niet mogelijk is, kan worden gecompenseerd, zodat de functionaliteit van de vliegroute en/of het foerageergebied wordt gewaarborgd.

Als zowel mitigatie en compensatie niet mogelijk is, moet een ontheffing in het kader van de Wnb worden aangevraagd voor een belang uit de Habitatrichtlijn. Bij het doorsnijden van bomenrijen is de verwachting dat voornamelijk vliegroutes (en foerageergebieden) worden aangetast. Door het plaatsen van (lagere) bosschages ter plaatse van de te kappen bomen, kan het lijnvormige element, en daarmee de vliegroute, in stand worden gehouden. De Wnb vormt hierdoor geen belemmering voor het realiseren van de hoogspanningsverbinding.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

54

Door het grote aantal (potentiële) vliegroutes dat wordt doorsneden, bestaat de kans dat de mitigatieopgave wel groot is. Bij het doorsnijden van bosgebieden kunnen ook verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen worden aangetast. Voorafgaand moeten de te kappen bomen met geschikte holten worden gecontroleerd op de aanwezigheid van vleermuizen. Indien vleermuizen aanwezig zijn, moet worden gekeken of de boom kan worden behouden, of dat op een andere locatie een verblijfplaats kan worden gecreëerd. Amfibiën Voor de amfibiën geldt dat er bij de aanleg van de verbinding voldoende ander leefgebied is. Zoogdieren In het plangebied bevinden zich geen zoogdieren waarbij een permanent verlies aan leefgebied optreedt.

6.5

Water

6.5.1 Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met een ruimtelijke ontwikkeling die in een inpassingsplan mogelijk wordt gemaakt. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht een watertoets uit te voeren. De watertoets is een procedure waarin de waterbeheerder en initiatiefnemer gezamenlijk de effecten van het plan op het water en mogelijke maatregelen om deze effecten te verkleinen vroegtijdig in beeld brengen en daarmee verankeren in het plan. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. 6.5.2 Watertoets In het kader van de ontwikkeling is een watertoets opgesteld. Deze watertoets is opgenomen in de bijlagen. Deze watertoets is ter beoordeling voorgelegd bij de verschillende waterschappen waar het tracé door heen loopt en zal na reactie en instemming van de waterschappen worden afgerond en verwerkt in dit inpassingsplan. 6.5.3 Conclusie Het is niet noodzakelijk om compenserende of mitigerende maatregelen te nemen op basis van de beschikbare informatie. De aangenomen toename in verharding vraagt niet om compensatiemaatregelen.

Echter als in de uitwerking blijkt dat dit toeneemt kunnen toch maatregelen nodig zijn, deze maatregelen zijn opgenomen in paragraaf 4.4 van de watertoets. Wel dient er rekening mee gehouden te worden dat voor enkele activiteiten mogelijk een watervergunning aangevraagd dient te worden, of een melding gemaakt moet worden. Dit geldt op locaties waar eventueel bemaling vereist is voor de werkzaamheden. Daarnaast geldt dit voor locaties waar het tracé of de masten raken aan oppervlaktewater of waterkeringen. Voor de werkzaamheden in de grondwaterbeschermingszone dient voorafgaand afgestemd te worden met het bevoegd gezag. Ten aanzien van de waterhuishouding is het aannemelijk dat de benodigde watervergunningen verleend kunnen worden. Het aspect water levert geen belemmeringen voor het inpassingsplan.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

55

6.6

Bodem, archeologie en aardkundige waarden

6.6.1 Toetsingskader Bodem(kwaliteit) In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in het inpassingsplan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit. Als er sprake is van bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Aardkundige waarden Ten aanzien van de aardkundige waarden, zijn in de provinciale verordeningen specifieke regels opgenomen. Archeologie Ten aanzien van archeologie is het onderstaande toetsingskader van toepassing.  Erfgoedwet: De Erfgoedwet betreft het wettelijk kader voor de omgang met erfgoed. Het is op basis van deze wet verplicht een vergunning aan te vragen voor de wijziging, sloop of verwijdering van archeologische rijksmonumenten.  Omgevingsplan Zeeland en Interimstructuurvisie Noord-Brabant: In het omgevingsplan/structuurvisie hebben de provincies als doel om de cultuurhistorische waarden te behouden en te versterken  Gemeentelijk archeologiebeleid. De verschillende gemeenten beschikken over eigen archeologiebeleid, dit volgt uit het provinciaal en rijksbeleid. 6.6.2 Referentiesituatie Bodemkwaliteit Binnen het plangebied is sprake van diverse bodemverontreinigingen en verdachte locaties. De grootste concentratie (potentiële) verontreinigingslocaties binnen deelgebied 1 wordt aangetroffen in de directe omgeving van Bergen op Zoom. Onder de verdachte locaties vallen ook de voormalige stortplaatsen.

Wat betreft de verontreinigingslocaties is er sprake van een indicatie, voor mastlocaties waar sprake is van een indicatie, zal in het kader van de uitvoering nader bodemonderzoek worden uitgevoerd. Aardkundige waarden De aardkundige waarden langs het tracé voorkomen zijn:  Markiezaat / Duintjes  Brabantse Wal / Meersche Duinen bij Bergen op Zoom  Smalle Beek tussen Bergen op Zoom en Roosendaal  Polder Cruijsland ten noordwesten van Roosendaal  Dintel ten noordoosten van Roosendaal Archeologie Binnen het plangebied is één locatie aangemerkt als een AMK-locatie. Op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) zijn bekende en waardevolle archeologische vindplaatsen weergegeven. Het betreffende AMK-terrein betreft een locatie nabij 's-Gravenmoer. Dit terrein betreft een terrein met sporen van bewoning uit de Late Middeleeuwen. Daarnaast zijn er verschillende locaties langs het tracé aangemerkt als archeologische vindplaatsen. Op basis van het bureauonderzoek kan per historische landschappelijke eenheid de gespecificeerde archeologische verwachting bepaald worden: Pleistoceen dekzand

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

56

Archeologische verwachting: dekzanden kennen afhankelijk van het voorkomen een lage tot hoge archeologische verwachting voor de periode Steentijd tot en met de Nieuwe tijd. Bewoning wordt met name verwacht op de hoger gelegen dekzandruggen Complextypen met kernmerken: Indien de dekzanden zijn afgedekt met mariene afzettingen dan alleen Steentijd. Het betreffen voornamelijk kleine nederzettingsterreinen en extractiekampen die periodiek bewoond/bezocht werden. De vondsten bestaan met name uit bewerkt vuursteen. Diepteligging: Ter hoogte van het zeekleigebied komen de dekzanden diep voor en worden ze niet geraakt door de werkzaamheden. Meer oostelijk komen de dekzanden aan het oppervlakte voor.

Laagpakket van Wormer  Archeologische verwachting: in de top van het pakket kunnen vindplaatsen uit het Neolithicum voorkomen  Complextypen met kernmerken: kleine nederzettingsterreinen bestaande uit woonhuizen en bijgebouwen, met een vondststrooiing van onder meer aardewerk, botmateriaal en (vuur)steen.  Diepteligging: De top ligt op circa 4 m -NAP, dat wil zeggen circa 3 tot 4 m beneden maaiveld. Hollandveen  Archeologische verwachting: in het Hollandveen pakket worden geen archeologische resten verwacht uit de Bronstijd. Het land was veelal te zompig om goed bewoonbaar te zijn. Uit de periode Late IJzertijd en Romeinse Tijd worden wel resten verwacht.  Complextypen met kernmerken: In principe kunnen er nederzettingsresten uit de Late IJzertijd tot en met de Romeinse Tijd voorkomen. Het vondstmateriaal bestaat onder meer uit aardewerk, metalen objecten en slakken, botmateriaal en (vuur)steen.  Diepteligging: Onder het Laagpakket van Walcheren; tot enkele meters onder het maaiveld. Laagpakket van Walcheren  Archeologische verwachting: in de top van dit pakket kunnen vindplaatsen uit de Vroege Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd voorkomen.  Complextypen met kernmerken: Nederzettingsresten bestaande uit resten van woongebouwen, bijgebouwen en (percellering s)greppels.

Het vondstmateriaal bestaat onder meer uit aardewerk, bouwmateriaal, metalen objecten en slakken, botmateriaal en natuursteen.  Diepteligging: direct vanaf het maaiveld.

6.6.3 Effecten voorkeurstracé Bodemkwaliteit De bodemkwaliteit wordt beschermd op basis van de Wet Bodembescherming. In het studiegebied zijn potentiële en/of bestaande bodemverontreinigingen aanwezig. Bestaande verontreinigingen zijn door onderzoek aangetoond. Bij potentiële verontreinigingen bestaat er op basis van historische activiteiten een vermoeden dat er een verontreiniging is, dit vermoeden is echter nog niet geverifieerd. Bij het funderen van de masten worden aanwezige lokale verontreinigingen indien nodig gesaneerd. Het saneren van bodemverontreinigingen wordt in principe aangemerkt als een positief milieueffect, negatieve effecten doen zich niet voor. In deelgebied 1 en deelgebied 2 doorsnijdt het voorkeurstracé geen (potentiële) verontreinigingslocaties en heeft hierdoor in deze deelgebieden geen effect. In deelgebied 3 doorsnijdt het voorkeurstracé nabij Loon op Zand een (potentiële) verontreinigingslocatie. Het totale oppervlak is beperkt. Bij de ontwikkeling van het voorkeurstracé is er naar gestreefd geen mastvoeten in de voormalige vuilstortplaats te plaatsen.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

57

Aardkundige waarden Bij de aanleg van de lijn kunnen aardkundige waarden blijvend worden aangetast. In het Omgevingsplan van de provincie Zeeland en de Structuurvisie ruimtelijke ordening van de provincie Noord-Brabant is opgenomen dat aantasting van aardkundige waarden moet worden voorkomen. Het vergraven van gebieden met aardkundige waarden wordt in principe aangemerkt als een negatief milieueffect. Door de toepassing bij het Voorkeursalternatief van vakwerkmasten leidt dit bij de fundering tot aanzienlijk minder beroering van grondoppervlak, dan bij de toepassing van Windtrackmasten. In deelgebied 1 loopt het Voorgenomen tracé uit 2017 door de aardkundig waardevolle gebieden Brabantse Wal / Meersche Duinen en Smalle Beek. In de optimalisaties is de ondergrondse verbinding zo veel mogelijk in de buisleidingenstraat gelegd, waardoor een negatief effect op de aardkundige waarden ter plaatse zo veel mogelijk wordt beperkt. In deelgebied 2 ligt het aardkundig waardevolle gebied Dintel. Het Voorgenomen tracé leidt tot plaatsing van 5 mastvoeten in dit gebied, waardoor dit mogelijk een licht negatief effect heeft op de aardkundige waarden ter plaatse. In deelgebied 3 doorsnijdt het voorkeurstracé geen aardkundig waardevolle gebieden. Archeologie In het kader van het archeologisch bureauonderzoek is een advieskaart opgesteld.

Voor de verschillende kaarteenheden zijn onderzoeksadviezen geformuleerd. Deze adviezen gelden alleen voor nieuwe bodemingrepen, dus bij de aanleg van de nieuwe 150 kV verbinding, de nieuwe 380 kV verbinding en de stationslocaties. Voor het amoveren van bestaande kabels en masten is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. De bodem is hier immers al verstoord.  AMK-terreinen: maatwerk; verkennend booronderzoek en/of proefsleuvenonderzoek;  Bekende waarden: maatwerk; verkennend booronderzoek en/of proefsleuvenonderzoek;  Zeer hoge verwachting: verkennend booronderzoek;  Hoge verwachting: verkennend booronderzoek;  Middelhoge verwachting: verkennend booronderzoek;  Lage verwachting: geen vervolgonderzoek. Wel geldt bij het aantreffen van toevalsvondsten te allen tijde een meldplicht zoals bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016;  Water: geen vervolgonderzoek. Wel geldt bij het aantreffen van toevalsvondsten te allen tijde een meldplicht zoals bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016;  Ontgrond/verstoord: geen vervolgonderzoek. Wel geldt bij het aantreffen van toevalsvondsten te allen tijde een meldplicht zoals bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016;  Onbekend: verkennend booronderzoek. Voor deze locaties wordt voorafgaand aan de werkzaamheden het bovenstaande onderzoek uitgevoerd om de archeologische waarden ter plaatse in beeld te brengen.

6.7

Geluid

6.7.1 Toetsingskader Hoogspanningsverbinding Hoogspanningsverbindingen kunnen geluidseffecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van windfluiten en vooral bij vochtige weersomstandigheden kan een knetterend geluid optreden door elektrische ontladingen (coronageluid). Dit gebeurt rondom geleiders die vervuild zijn of om andere redenen oneffenheden vertonen. Er is voor coronageluid en windfluiten, anders dan voor bijvoorbeeld industrie-, spoor- of wegverkeerslawaai, in Nederland en ook internationaal geen (wettelijk) toetsingskader

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

58

voorhanden. De mogelijke geluidseffecten van de verbinding en de aanvaardbaarheid daarvan zijn daarom beoordeeld op basis van berekeningen en (belevings)onderzoek naar geluid vanwege hoogspanningsverbindingen. Hoogspanningsstations Als uitbreidingen worden enkel geluidsbronnen gewijzigd, die een effect zouden kunnen hebben op de maximale (piek) geluidniveaus. Voor toetsing van de maximale (piek) geluidniveaus kan uitgegaan worden van standaardvoorschriften uit het Activiteitenbesluit: 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) voor respectievelijk de dagperiode (07.00–19.00 uur), avondperiode (19.00–23.00 uur) en nachtperiode (23.00–07.00 uur). 6.7.2 Effecten voorkeurstracé In het kader van de nieuwe verbinding en de uitbreiding van het station bij Oosteind is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Hoogspanningsverbinding Bij het ontwerp van een nieuwe hoogspanningsverbinding hanteert Tennet specificaties voor de geluidniveaus als gevolg van het coronageluid. Onder droge omstandigheden is de ontwerpnorm 33 dB(A) op een afstand van 37 meter van de as van de lijn, ongeacht de optredende windsnelheid. Onder natte omstandigheden is maximaal 45 dB(A) de ontwerpnorm op 37 meter van de as van de lijn. Deze natte weersomstandigheden doen zich in Nederland op jaarbasis gedurende 7-8 % van de tijd voor.

Voor Corona geluid zijn limietwaarden gegeven die op 37 meter uit het hart van de hoogspanningsleiding mogen optreden. Omdat coronageluid ontstaat ter plaatse van de geleiders, die tussen de draagconstructie (de masten) en de kabels aanwezig zijn, is voor de analyse rondom de masten van de nieuwe verbinding een contour van 37 m getrokken en is bepaald welke objecten binnen deze contouren liggen. Uit het onderzoek blijkt dat langs het tracé vier objecten binnen een afstand van 37 m van een mast aanwezig zijn, waarbij een overschrijding van de gestelde limietwaarde voor Coronageluid kan optreden. Het gaat hierbij om de onderstaande locaties:  Westelijke Spuikanaalweg 12, Rilland;  Westelijke Spuikanaalweg 14, Rilland;  Plantagebaan 80, Wouwse Plantage;  Langeweg-Noord 2a, Standdaarbuiten. Deze vier objecten zijn allen overige gebruiksfuncties of een industriefunctie (Plantagebaan 80). Er zijn geen woonfuncties of andere geluidsgevoelige objecten gelegen binnen de zone van 37 meter van een hoogspanningsmast. Hoogspanningsstation Oosteind Er vinden geen wijzigingen plaats op het hoogspanningsstation die relevant zijn voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. De aanpassingen aan het hoogspanningsstation heeft geen gevolgen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Er worden wel wijzigingen doorgevoerd bij de vermogensschakelaars.

Deze zijn wel van belang voor de piekbelastingen op de omgeving. Uit het onderzoek blijkt dat het maximale geluidniveau (LAmax) vanwege de geringe afstand ter plaatse van woningen aan de Hoge Dijk 40 en 42 in Oosteind maximaal 68 dB(A) in de dagperiode bedragen. Hiermee wordt voldaan aan grenswaarden voor het maximale geluidsniveau.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

59

In een incidentele bedrijfssituatie zullen de vermogensschakelaars ook in de avond- en nachtperiode gebruikt worden, hierdoor wordt de maximale geluidsniveaus in de avond- en nachtperiode wel overschreden. Omdat het hierbij gaat om incidentele effecten, minder dan 12 keer per jaar, is dit niet representatief voor de bedrijfssituatie en kan dit buiten beschouwing worden gelaten. De aanpassingen aan het hoogspanningsstation leidt niet tot onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen.

6.8

Externe veiligheid, kabels en leidingen

6.8.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. 6.8.2 Effecten voorkeurstracé en conclusie Voor de nieuwe hoogspanningsverbinding geldt dat dit geen gevoelige functie is, noch een leiding in het kader van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Echter in het kader van de ondergrondse verbinding kan mogelijk wel sprake zijn van beïnvloeding van de hoogspanningsverbinding om naastgelegen buisleidingen. In het kader van de ligging van de ondergrondse hoogspanningsverbinding op een nabije afstand van de buisleidingenstraat wordt een beïnvloedingsonderzoek uitgevoerd. De ondergrondse hoogspanningsverbinding levert geen significante beperkingen op ten aanzien van het gebruik van de bestaande buisleidingenstraat.

6.9

Tijdelijke verbindingen

Op een aantal locaties worden in de aanlegfase tijdelijke verbindingen gerealiseerd. Ten behoeve van de tijdelijke 380 kV-verbindingen worden tijdelijke masten geplaatst. Deze worden op tijdelijk verharde ondergrond geplaatst, zoals bijvoorbeeld betonplaten, en afgespannen met tuien. In een aantal gevallen wordt er spanning op de tijdelijke verbinding gezet, in andere gevallen niet. Ten behoeve van tijdelijke 150 kV-verbindingen worden tijdelijke opstijgpunten geplaatst. Ook deze worden op tijdelijk verharde ondergrond geplaatst, zoals bijvoorbeeld betonplaten, en afgespannen met tuien. Tussen de tijdelijke opstijgpunten worden de draden als kabels op of in de grond gelegd. In het kader van de tijdelijke verbindingen is onderzoek gedaan in het kader van het MER. In onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de effecten van de tijdelijke verbindingen.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

60

6.9.1 Magneetveldzone De tijdelijke verbindingen waar spanning op staat, kunnen mogelijk langer dan 1 jaar in bedrijf zijn. Dat betekent dat deze tijdelijke verbindingen in principe tot extra of nieuwe (zij het tijdelijke) gevoelige bestemmingen kunnen leiden. Bij de tijdelijke verbindingen die nodig zijn voor de aanleg van de nieuwe verbinding is dit echter niet het geval. De gevoelige bestemmingen bij de tijdelijke verbindingen liggen:  Of in de huidige situatie al in de magneetveldzone van de huidige te reconstrureren 380 kVverbindingen,  Of komen in de magneetveldzone van de nieuwe 380 kV-verbinding. Er vindt geen 'dubbeltelling' van de gevoelige bestemmingen plaats, indien deze gevoelige bestemmingen al vallen onder één van de twee hiervoor benoemde situaties. Vandaar dat de tijdelijke verbindingen in geen geval tot extra of nieuwe gevoelige bestemmingen leiden. 6.9.2 Landschap De tijdelijke verbindingen hebben uitsluitend tijdens de aanleg van de nieuwe verbinding tijdelijke effecten op het landschap. Zij zijn weliswaar duidelijk zichtbaar, maar ook is duidelijk zichtbaar dat tijdelijke, slankere masten zijn toegepast, die bovendien lager zijn dan de permanente masten. Nadat de tijdelijke masten en verbindingen zijn verwijderd, zijn er geen effecten meer zichtbaar op het landschap.

6.9.3 Natuur Tijdelijke verbindingen zouden eventueel kunnen leiden tot draadslachtoffers. De tijdelijke verbindingen worden echter juist in de dichte nabijheid van de bestaande of de nieuw te bouwen verbindingen. De tijdelijke verbindingen worden daarom niet als een nieuwe verbinding beschouwd, zij staan in de schaduw van de reeds aanwezige verbinding. Daarom leiden zij niet tot een toename van het aantal draadslachtoffers. De tijdelijke masten en tijdelijke opstijgpunten worden op kleine betonnen platen of een andere tijdelijk verharde ondergrond geplaatst. De vegetatie onder deze platen wordt verwijderd. Mogelijk dient kap van bomen en struiken onder de tijdelijke verbinding plaats te vinden. Na de verwijdering van de tijdelijke verbinding zal er herplant in het gebied plaatsvinden. Na enige tijd zullen de effecten van de tijdelijke verbinding niet meer zichtbaar zijn. 6.9.4 Bodem en Water Onder de betonplaten waar de tijdelijke masten op geplaatst worden en ter plaatse van de verankering van de tuien vindt tijdelijke verdichting van de bodem plaats. Het gaat hierbij om zeer beperkte oppervlaktes. Na verwijdering van de masten zal deze bodem weer cultuurtechnisch worden verbeterd, zodat de beplanting weer kan plaatsvinden.

Ook op de locaties waar de draden als tijdelijke kabels op of in de grond worden gelegd, vinden na het verwijderen cultuurtechnische herstelwerkzaamheden plaats om eventuele effecten van de tijdelijke verbinding op de bodem teniet te doen. Het gaat hierbij om beperkte, tijdelijke effecten.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

61

6.9.5 Archeologie De plaatsing van de masten leidt tot enige verdichting van de bodem onder de betonplaten. Een deel van de tijdelijke kabels wordt op de grond gelegd. Dit brengt echter geen schade aan eventueel aanwezige archeologische bodemarchief. De verankering van de tuien vindt plaats door middel van betonblokken of door klapankers. Een deel van de tijdelijke kabels wordt in de grond gelegd. Dit kan wel enige schade aan het archeologische bodemarchief teweeg brengen. Bij verwijdering van de tuien blijven de klapankers over het algemeen in de bodem achter. Het betreft echter een dusdanig beperkt aantal tijdelijke masten, dat dit effect als neutraal is beoordeeld.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

62

Hoofdstuk 7

7.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de rijkscoördinatieregeling en de coördinatie van het inpassingsplan met de uitvoeringsbesluiten. Daarna wordt de opzet van het inpassingsplan toegelicht. Ten slotte komen de bestemmingen aan de orde.

7.2

Toepassing rijkscoördinatieregeling

Het inpassingsplan is het besluit waarin het tracé van ZW380 Oost planologisch wordt vastgelegd. Dat het besluit over de ruimtelijke inpassing van de 380 kV-verbinding ZW380 Oost wordt genomen in een inpassingsplan, volgt uit artikel 20a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998. Een inpassingsplan is vergelijkbaar met een bestemmingsplan. Het inpassingsplan maakt na vaststelling deel uit van het onderliggende bestemmingsplan. In het inpassingsplan worden in elk geval het tracé en de boven-of ondergrondse uitvoeringswijze van de verbinding bepaald. Daarnaast kunnen er randvoorwaarden voor de uitvoering worden opgenomen. Zowel voor de aanleg, als voor de instandhouding van de hoogspanningsverbinding, zijn allerlei uitvoeringsbesluiten (vergunningen, ontheffingen en dergelijke) vereist, die worden verleend door provincies, gemeenten en andere overheden. Voor het verlenen van deze uitvoeringsbesluiten wordt niet de gewone procedure gevolgd. In artikel 20a, eerste lid van de Elektriciteitswet 1998 is bepaald dat voor de besluitvorming over uitbreidingen van het landelijke hoogspanningsnet, niet alleen een inpassingsplan wordt vastgesteld (de planologische module) maar ook de uitvoeringsmodule van de rijkscoördinatieregeling wordt gebruikt.

Dat betekent dat de minister van Economische Zaken en Klimaat het inpassingsplan vaststelt en als coördinerend minister, de besluitvorming coördineert en onder meer de beslistermijn bepaalt. Het coördinatiebesluit ziet toe op zowel de 380 kV-verbinding als de aanpassingen op het 150 kV-net, de Minister heeft hierover op 14 januari 2021 een besluit over genomen (kenmerk 20301249 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2021-6894.html)

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

63

7.3

Coördinatie uitvoeringsbesluiten

De rijkscoördinatieregeling maakt een parallelle en een gecoördineerde voorbereiding van de voor de verwezenlijking van het project benodigde uitvoeringsbesluiten mogelijk samen met het inpassingsplan (artikel 3.35, eerste lid, Wro). Hierbij kan onder andere gedacht worden aan omgevingsvergunningen voor bouwen, kappen en ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet. De besluiten worden voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in Afdeling 3.4 Awb en de bijzondere procedurele regels in artikel 3.31, derde lid, Wro. De regeling voorziet in een gezamenlijke kennisgeving en terinzagelegging van de ontwerpbesluiten (artikel 3.31, derde lid, onder b, in samenhang met artikel 3.35, vierde lid, Wro) en gelijktijdige bekendmaking van de besluiten (artikel 3.32 in samenhang met artikel 3.35, vierde lid, Wro). De bevoegdheid de uitvoeringsbesluiten te nemen blijft in beginsel bij de wettelijk bevoegde bestuursorganen berusten, zo blijft de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van de masten liggen bij het college van B&W. De bestuursorganen zijn verplicht medewerking te verlenen (artikel 3.35, derde lid, Wro).

Indien een betrokken bestuursorgaan niet of niet tijdig overeenkomstig de aanvraag beslist dan wel een besluit neemt dat wijziging behoeft, kan de minister van EZ tezamen met de minister tot wiens beleidsterrein het desbetreffende uitvoeringsbesluit behoort een beslissing nemen die in de plaats treedt van het besluit van dat bestuursorgaan. Dit is de zogenoemde interventiebevoegdheid (artikel 3.36, eerste lid, Wro). Zie ook paragraaf 1.6. De wet kent ook de mogelijkheid dat de minister van EZ en de minister tot wiens beleidsterrein een besluit hoort, de bevoegdheid dat besluit te nemen bij voorbaat aan zich trekken (artikel 3.35, derde lid, Wro), maar van deze mogelijkheid is bij dit project geen gebruikgemaakt. Toepassing van de coördinatieregeling laat de materiële toetsingskaders voor de uitvoeringsbesluiten in beginsel onverlet. Deze besluiten moeten dus aan dezelfde inhoudelijke eisen voldoen als wanneer de coördinatieregeling niet zou zijn toegepast. Een uitzondering betreft de aanlegvergunningenstelsels die zijn opgenomen in de onderliggende bestemmingsplannen. Deze aanlegvergunningenstelsels worden buiten werking gesteld en zijn niet van toepassing op het inpassingsplan (artikel 3.35, achtste lid, Wro).

Dit houdt in dat voor de aanlegwerkzaamheden van de hoogspanningsverbinding binnen het plangebied van het inpassingsplan geen omgevingsvergunningen voor de aanleg van werken hoeven te worden aangevraagd op grond van de onderliggende bestemmingsplannen. Zoals hiervoor reeds is aangegeven wordt bij toepassing van de rijkscoördinatieregeling de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht gevolgd. Dat betekent dat eerst (voor de te coördineren besluiten) een ontwerp wordt opgesteld en ter inzage wordt gelegd. Het ontwerp inpassingsplan wordt gelijktijdig met de ontwerpbesluiten ter inzage gelegd. Eenieder kan hierop zienswijzen indienen. De betrokken bestuursorganen geven vervolgens gezamenlijk een reactie op de ingediende zienswijzen. Daarna worden het inpassingsplan en de meegecoördineerde uitvoeringsbesluiten vastgesteld. Hiertegen kunnen belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend tegen één of meer van de ontwerpbesluiten beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De beroepsmomenten voor de verschillende besluiten worden zo tot één moment gebundeld.

7.4

Toelichting opzet rijksinpassingsplan

Een inpassingsplan is qua vorm, inhoud, procedure en juridische binding gelijk aan een bestemmingsplan. Enig verschil is dat een inpassingsplan zich automatisch inpast in de onderliggende vigerende bestemmingsplannen en beheersverordeningen van de betrokken gemeenten. Standaarden Dit inpassingsplan is opgezet conform de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de RO Standaarden 2012 waarvan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) deel uitmaakt. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

64

vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe inpassings- en bestemmingsplannen moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het inpassingsof bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit inpassingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Bestemmingen voor de verbindingen Aan de gronden die benodigd zijn voor de 380 kV en 150 kV-hoogspanningsverbinding wordt een zogeheten dubbelbestemming toegevoegd. De onderliggende bestemmingen in de vigerende bestemmingsplannen blijven hierdoor in stand. Op de betreffende gronden gelden straks dus twee bestemmingen: een bestemming vanuit de vigerende gemeentelijke bestemmingsplannen en de dubbelbestemming van het inpassingsplan. Dit houdt in dat ontwikkelingen die mogelijk zijn op basis van het gemeentelijke vigerende bestemmingsplan ook moeten worden getoetst aan de nieuwe regels uit dit inpassingsplan. Het tracé is zo gekozen dat door het leggen van de dubbelbestemmingen geen strijdigheid ontstaat met de bestemmingen in de vigerende bestemmingsplannen. Deze kunnen in stand blijven en worden uitgevoerd, zij het dat dan wel rekening moet worden gehouden met de eisen die voortvloeien uit de dubbelbestemmingen.

Daar waar strijdigheid ontstaat tussen de mogelijkheden uit het vigerende bestemmingsplan en de regels uit het inpassingsplan, gaan de regels uit het inpassingsplan voor op de regels in het bestemmingsplan. Bij het hoogspanningsstation Borssele en de verschillende 150 kV opstijgpunten wordt in het inpassingsplan een enkelbestemming opgenomen. Deze bestemming vervangt de huidige bestemming. Te amoveren verbindingen Het inpassingsplan bevat niet alleen nieuwe (dubbel)bestemmingen. Het plan regelt ook dat de dubbelbestemmingen van (delen van) de bestaande tracés van de 150 kV- en 380 kV-verbindingen worden wegbestemd. Deze bestaande hoogspanningsverbindingen en de zakelijk rechtstroken die hierbij horen zijn op de verbeelding weergegeven met een aanduiding. Bij de begrenzing hiervan is aangesloten op de afstanden (grenzen dubbelbestemmingen) die in de onderliggende bestemmingsplannen zijn opgenomen. In de regels van het inpassingsplan is aangegeven dat ter plaatse van deze gedeelten de bestaande bestemming zal komen te vervallen.

7.5

Plangebied van het inpassingsplan

Zakelijk rechtstrook De gronden die gebruikt worden voor de hoogspanningsverbinding en de strook grond aan weerszijden daarvan die nodig is voor beheer en onderhoud (zogeheten zakelijke rechtstrook) bepalen het plangebied en worden in het plan als zodanig voor de hoogspanningsverbinding bestemd. Daarnaast is de (bredere) magneetveldzone van belang. De gronden die in deze zone liggen, worden niet als zodanig voor de verbinding of een daaruit voortvloeiende functie bestemd. Echter, waar gevoelige bestemmingen binnen de specifieke magneetveldzone liggen, die redelijkerwijs niet kunnen worden gehandhaafd – hetgeen in dit inpassingsplan niet het geval is dan – zou het plangebied ruimer worden. Dit geldt wel voor de in het plangebied voorkomende niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen; wegbestemde niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen zijn onderdeel van het plangebied. Het plangebied omvat tevens het tracé van de bestaande 380- en 150 kV-verbindingen die worden verwijderd. Hier wordt de dubbelbestemming ten behoeve van deze bestaande verbindingen wegbestemd. Op de verbeelding is dit gedeelte niet voorzien van een dubbelbestemming, maar van een aanduiding. Het feitelijk verwijderen vindt plaats nadat de nieuwe verbinding in gebruik is genomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

65

Tijdelijke werkterreinen Ten behoeve van de aanleg van de verbinding zijn voorts tijdelijk werkterreinen en bouwwegen nodig. Deze terreinen en bouwwegen zijn ruimtelijk relevant en bepalend voor de uitvoerbaarheid van het plan. Gemeenten zijn bevoegd gezag voor de verlening van de noodzakelijke omgevingsvergunningen. Voor zover nodig worden voor tijdelijke wegen en werkterreinen buiten het plangebied vergunningen aangevraagd. Tijdelijke verbindingen Op enkele plaatsen in het plangebied zullen gedurende de aanleg van de hoogspanningsverbinding tijdelijke verbindingen aanwezig zijn. In het inpassingsplan worden hiervoor een specifieke bestemming opgenomen. In deze bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het college van Burgemeester en wethouders. Zij kunnen na de in bedrijfstelling van de nieuwe verbinding, op het moment dat de tijdelijke verbinding niet langer noodzakelijk is voor het functioneren van de nieuwe hoogspanningsverbinding het bestemmingsplan wijzigen en de dubbelbestemming voor de tijdelijke verbinding verwijderen.

7.6

Toelichting op de bestemmingen

Het inpassingsplan wordt na vaststelling, door de ministers, geacht onderdeel uit te gaan maken van de vigerende bestemmingsplannen en beheersverordeningen van de verschillende gemeenten. Het inpassingsplan voorziet in de toevoeging van een bestemming en/of dubbelbestemming. Het betreft de bestemmingen 'Bedrijf - Nutsbedrijf' en 'Bedrijf - Opstijgpunt' en de dubbelbestemmingen 'Leiding Hoogspanning 150 kV-ondergronds', 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 150/380 kV en 380 kV' en 'Leiding - Hoogspanningsverbinding voorlopig'. Er is sprake van een rangorde tussen de dubbelbestemmingen voor de hoogspanningsleiding en de onderliggende bestemmingen. Het karakter van de dubbelbestemming brengt in dit geval mee dat de dubbelbestemming voorrang heeft boven de onderliggende bestemming. Het waarborgen van belangen met behulp van een dubbelbestemming leidt tot bijzondere of extra regels of noodzaakt tot een nadere afweging van belangen. Het ruimtebeslag van de bestemmingen kan iets ruimer zijn dan het netto ruimtebeslag van de onderdelen van de verbinding dat genoemd is in hoofdstuk 2. Dit komt omdat in het inpassingsplan ook de gronden worden bestemd die bijvoorbeeld nodig zijn voor het plaatsen van hekwerken of de aanleg van sloten. Bedrijf - Opstijgpunt Voor de verschillende opstijgpunten langs het tracé is de dubbelbestemming Bedrijf - Opstijgpunt opgenomen .

Binnen deze bestemming is een installatie toegestaan ten behoeve van de overgang tussen een ondergrondse en bovengrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV en 380 kV. Daarnaast zijn binnen deze bestemming bijbehorende voorzieningen toegestaan zoals parkeer-, groen en nutsvoorzieningen. De bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 3 m, en binnen het bestemmingsvlak mag niet meer dan 15 m² worden bebouwd. Erf- en terreinafscheidingen bedragen ten hoogste 3 m, de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 20 m. Leiding - Hoogspanning 150 kV-ondergronds Ten behoeve van de nieuwe ondergrondse hoogspanningskabels van 150 kV ten behoeve van het aangesloten houden van de 150 kV stations is de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning 150 kVondergronds' opgenomen. Binnen deze bestemming is de aanleg van een ondergrondse 150 kVhoogspanningsverbinding toegestaan. Daarnaast heeft de dubbelbestemming tevens een beschermende werking. Ter bescherming is opgenomen dat voor bepaalde grondroerende werkzaamheden een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden noodzakelijk is. De zone die is

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

66

opgenomen in het inpassingsplan staat zowel de aanleg door middel van open ontgraving als door middel van boring toe. Leiding - Hoogspanningsverbinding 150 kV/380 kV en 380 kV Ten behoeve van de nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbinding is de dubbelbestemming 'Leiding Hoogspanningsverbinding 150/380 kV en 380 kV'. Binnen deze bestemming zijn zowel dubbele 380 kVverbindingen als gecombineerde 150/380 kV-hoogspanningsverbindingen toegestaan. De hoogspanningsverbinding moet voldoen aan de volgende criteria:  de bouwhoogte van de hoogspanningsmasten mag niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven; De bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m. Voor andere bestemmingen dan de dubbelbestemming, mag uitsluitend worden gebouwd indien sprake is van vervanging, vernieuwing of verandering van een bestaand bouwwerk, waarbij de oppervlakte en hoogte niet wordt vergroot en gebruikgemaakt wordt van de bestaande fundering. De nieuwe hoogspanningsverbinding wordt tevens beschermd door middel van een omgevingsvergunningstelsel. Het realiseren van bovengrondse constructies of het aanbrengen van hoog opgaande beplantingen is niet zonder meer toegestaan binnen deze bestemming. Dergelijke werkzaamheden zijn uitsluitend na verlening van een omgevingsvergunning toegestaan.

Leiding - Hoogspanningsverbinding tijdelijk De bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding tijdelijk' is gelegd op de gronden waar de tijdelijke lijnen zullen worden aangelegd op de delen van het tracé waar in het kader van de werkzaamheden aan de bestaande en nieuwe verbinding een tijdelijke verbinding noodzakelijk is om de stroomvoorziening te kunnen garanderen. In deze bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders, die de mogelijkheid biedt om na in gebruikname van de nieuwe verbinding en op het moment dat de tijdelijke hoogspanningsverbinding ter plaatse niet langer noodzakelijk is voor een stabiele stroomvoorziening de dubbelbestemming voor de tijdelijke verbinding te verwijderen.

7.7

Toelichting op algemene regels

Antidubbeltelregel Een antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een inpassingsplan of bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelregel wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro). Algemene bouwregels Ter bescherming van de archeologische waarden in de ondergrond, geldt voor de realisatie van bouwwerken de voorwaardelijke verplichting dat moet worden voldaan aan het stappenplan van het KNA (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie) en de provinciale Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2014; dit voor zover de locaties nog niet zijn onderzocht. Algemene gebruiksregels Hierin zijn algemene regels gesteld aan het gebruik van de gronden van het inpassingsplan. Hierin wordt expliciet aangegeven wat wordt verstaan onder gebruik in strijd met het inpassingsplan. Hieronder valt onder meer het niet in oorspronkelijke staat terugbrengen van de gronden waarover de

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

67

hoogspanningsverbinding loopt, het niet tijdig uitvoeren van maatregelen die in het landschapsplan zijn genoemd, en het niet amoveren van de met de aanduiding aangegeven te amoveren bestaande hoogspanningsverbindingen binnen 5 jaar na realisatie van de nieuwe verbinding. Algemene afwijkingsregels Voor bestaande gevoelige bestemmingen is het mogelijk om af te wijken van deze regeling en kan het bevoegd gezag voor ten hoogste 10% van de genoemde maten afwijken, mits geen andere gevoelige bestemmingen ontstaan dan zijn opgenomen in bijlage 1 bij de regels. Overige regels Werking wettelijke regels In de regels van een inpassingsplan wordt in een (toenemend) aantal gevallen met verwijzing naar een (andere) wettelijke regeling een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. De van toepassing verklaarde wettelijke regeling geldt zoals deze luidt op het moment van de vaststelling van het inpassingsplan. Wijziging van de wettelijke regeling na de vaststelling van het inpassingsplan zou anders zonder Wro-procedure een wijziging van het inpassingsplan met zich mee kunnen brengen.

7.8

Procedure voor provinciale inpassingsplannen en bestemmingsplannen

Met toepassing van het bepaalde in artikel 3.28, vijfde lid, Wro, is in artikel 13.2, sub a van de planregels een termijn opgenomen waarna de gemeenteraden, respectievelijk Provinciale Staten weer bevoegd zijn om een bestemmingsplan of een provinciaal inpassingsplan vast te stellen voor de gronden van dit inpassingsplan. Die termijn is op tien jaar na het nemen van dit besluit gesteld. In artikel 13.2, sub b van de planregels is een uitzondering gemaakt op deze regel. De gemeenteraden, respectievelijk Provinciale Staten, zijn bevoegd een bestemmingsplan of een provinciaal inpassingsplan vast te stellen, mits dit plan op dezelfde wijze voorziet in een regeling voor de in dit inpassingsplan mogelijk gemaakte hoogspanningsverbindingen, hoogspanningsstations en opstijgpunten. Dit houdt in dat de juridisch bindende onderdelen van het inpassingsplan – de verbeelding en planregels – onverkort dienen te worden overgenomen in het ruimtelijke plan van de gemeenten of de provincie.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

68

Hoofdstuk 8

8.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De kosten van de aanleg en de instandhouding van de nieuwe hoogspanningsverbinding worden gedragen door TenneT. De leveringszekerheid is een wettelijke taak van TenneT op grond van de Elektriciteitswet 1998. TenneT kan de investeringskosten doorberekenen. Voor onderhavig project zijn nut en noodzaak bij de vaststelling van dit inpassingsplan aangetoond. Om die reden staat de financiële uitvoerbaarheid van het project niet ter discussie. Dit betekent dat ook de kosten van bijvoorbeeld mitigerende maatregelen, en de kosten van tijdelijke bouwplaatsen, herstelwerkzaamheden en eventuele (plan)schadevergoeding gedekt zijn. In een exploitatie- en planschadeovereenkomst tussen de Staat en TenneT wordt voorzien in de vergoeding van planschade en kostenverhaal.

8.2

Aankoopbeleid

Gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone TenneT biedt eigenaren en overige zakelijke gerechtigden van woningen binnen de specifieke magneetveldzone die deze woning ook zelf gebruiken, de gelegenheid om op vrijwillige basis hun object aan TenneT te verkopen tegen een schadeloosstellingsbedrag dat wordt bepaald conform het onteigeningsrecht. Ook huurders van woningen worden desgewenst in de gelegenheid gesteld om op vrijwillige basis te verhuizen. Voor bedrijfs- en/of dienstwoningen die binnen de specifieke magneetveldzone liggen zal, afhankelijk van de specifieke omstandigheden, een oplossing worden gezocht. Uitgangspunten daarbij zijn voortzetting van de gevoelige activiteit buiten de specifieke magneetveldzone en volledige vergoeding van de eventuele schade.

8.3

Schadebeleid

TenneT heeft haar schadebeleid in een schadegids vastgelegd. In deze gids wordt uitgebreid aangegeven hoe TenneT met schade en vergoedingen omgaat bij de aanleg en instandhouding van de nieuwe hoogspanningsverbinding. De brochure onderscheidt de volgende mogelijke schadeoorzaken: de vestiging van een zakelijk recht ten behoeve van de aanleg en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding, de verwerving van een object, de uitvoeringswerkzaamheden en de planschade. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in het beroep tegen het inpassingsplan voor de Randstad 380 kV al eerder geoordeeld dat het schadebeleid in zijn algemeenheid niet onredelijk is. Dat beleid is sindsdien niet gewijzigd. Vestiging zakelijk recht door TenneT Voor de aanleg, de instandhouding en het beheer en onderhoud van de nieuwe hoogspanningsverbinding moet TenneT gebruik kunnen maken van een strook grond ter plaatse van de hoogspanningsverbinding. Deze strook (de zakelijk rechtstrook) is vastgesteld op basis van het Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

69

benodigde ruimtebeslag voor de instandhouding, beheer, onderhoud en goed functioneren. Daarbij is rekening gehouden met veiligheidseisen. De strook komt overeen met het plangebied zoals vastgelegd op de verbeelding bij dit plan. Om gebruik te kunnen maken van de grond in deze strook sluit TenneT een zakelijk rechtovereenkomst (inclusief gebruiksovereenkomst) af met de eigenaar, de eventuele overige zakelijk gerechtigden (erfpachters, opstalhouders, etc.) en de eventuele persoonlijk gerechtigden (huurder, pachters, etc.). In deze overeenkomsten worden de afspraken vastgelegd over het gebruik van de grond en welke vergoeding en welke rechten op toekomstige vergoedingen de rechthebbende van TenneT zal ontvangen. Het zakelijk recht betreft een opstalrecht en is een zelfstandig recht dat een inbreuk vormt op het exclusieve gebruiksrecht van de eigenaar en de overige zakelijk gerechtigden. TenneT hanteert bij de vestiging van een zakelijk recht het principe van schadeloosstelling (volledige schadevergoeding) zoals de Belemmeringenwet Privaatrecht die kent. Schadeloosstelling betekent dat de rechthebbenden vóór en ná de vestiging van het zakelijk recht in een gelijkwaardige vermogens- en inkomenspositie dienen te verkeren. Schadeloosstelling geschiedt in beginsel op ieder moment wanneer schade zich voordoet.

De schade dient wel een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg te zijn van de vestiging van het zakelijk recht. De schade wordt onderscheiden in vier hoofdcomponenten: vermogensschade op het moment van afsluiten van de zakelijk rechtovereenkomst; jaarlijkse inkomensschade; bijkomende schade op het moment van afsluiten van de zakelijk rechtovereenkomst en schade die op het moment van afsluiten van de zakelijk rechtovereenkomst onvoorzienbaar of onbepaalbaar is en derhalve niet is uitgekeerd (toekomstschade). Verwerving object Indien het noodzakelijke gebruik van de grond voor de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding leidt tot een inbreuk op het exclusieve gebruiksrecht die de functionaliteit van het object voor het actuele gebruik wezenlijk aantast, kan niet worden volstaan met de vestiging van een zakelijk recht zoals hiervoor vermeld. De belangen van een rechthebbende vorderen in zo'n situatie redelijkerwijs ontneming van het betreffende object. In dergelijke gevallen wenst TenneT het betreffende object dan ook te verwerven. Uitvoeringswerkzaamheden De aanleg (inclusief voorbereidende onderzoeken en werkzaamheden) en instandhouding van de hoogspanningsverbinding kunnen in een incidenteel geval feitelijke schade veroorzaken, ondanks dat voorzorgmaatregelen worden genomen om deze schade zoveel mogelijk te voorkomen. Deze schade wordt werkschade genoemd.

Werkschade bestaat uit bouwwerkschade of gewassenschade. Te denken valt bijvoorbeeld aan het niet kunnen gebruiken van perceelsgedeelten voor langere tijd en schade aan de bodemstructuur in verband met de aanwezigheid van werkterreinen, verwijdering van afrasteringen en zeer incidenteel aan scheurvorming in gebouwen of andere bouwwerken ten gevolge van heiwerkzaamheden of verdroging van gewassen door verlaging van de grondwaterstand. Deze schade is niet beperkt tot de zakelijk rechtstrook, maar kan ook betrekking hebben op zich in de nabije omgeving van de werkzaamheden bevindende objecten. De schade wordt vergoed aan degene die schade lijdt op het moment dat de schadeveroorzakende gebeurtenis zich voordoet. Voor de bepaling van werkschade wordt eerst gekeken naar het bestaan van een causaal verband tussen de schade en de uitvoeringswerkzaamheden. Indien sprake is van een causaal verband wordt bij bouwwerkschade vervolgens de omvang van de schade bepaald aan de hand van een deskundigenbegroting van de benodigde kosten om het beschadigde object weer terug te brengen in een gelijkwaardige staat als voor de uitvoeringswerkzaamheden. Bij gewassenschade wordt de omvang van de schade bepaald aan de hand van de algemeen bekende en aanvaarde 'Gasunietarieven' voor gewassenschade.

Planschade Door wijzigingen van de planologische bestemming en de bijbehorende voorschriften van de grond kan er voor belanghebbenden (eigenaren, overige zakelijk gerechtigden en persoonlijk gerechtigden) in de nabijheid van de hoogspanningsverbinding schade ontstaan. Deze schade wordt planschade genoemd. De grondslag voor een tegemoetkoming in planschade wordt gevormd door afdeling 6.1 van de Wro.

Rho adviseurs voor leefruimte

300810.20171598

70

Een tegemoetkoming in planschade is alleen aan de orde als schade ontstaat in de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak door een wijziging van het planologisch regime die voor een belanghebbende planologisch nadeel met zich meebrengt. Overigens leidt niet ieder planologisch nadeel tot schade. Een tegemoetkoming wordt alleen toegekend voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins verzekerd is. Dit laatste is bijvoorbeeld aan de orde bij de vestiging van zakelijke rechten, de verwerving van objecten of eventuele vergoedingen van waardevermindering wanneer men besluit niet van het aanbod van TenneT om de woning te verkopen aan te nemen. In deze gevallen is sprake van een volledige schadevergoeding, dus inclusief een tegemoetkoming in planschade. Indien een tegemoetkoming wordt toegekend, worden tevens de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand vergoed evenals de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9902114/1