Bijlagen toelichting_Bijlage 3 Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
25 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Ooievaar Het leefgebied bestaat uit extensief beheerde weilanden in veenweidegebieden en uiterwaarden met een hoge waterstand. Voor een broedplek maakt de ooievaar gebruik van kunstmatige nestgelegenheden op daken en wagenwielen, maar hij broedt ook in zelfgemaakte nesten in bomen. Ransuil De ransuil bewoont een groot scala aan leefgebieden, variërend van agrarische gebieden tot open bos, bosranden, parken, duinen, heiden, hoogvenen en moerasgebieden. In groot, aaneengesloten bos ontbreekt hij veelal. De ransuil broedt en roest bij voorkeur in naaldbomen, die hem de beste dekking bieden. Daarnaast ook in houtwallen, boomgroepen, hagen en zelfs solitaire bomen [lit. 9]. Roek Roekenkolonies bevinden zich vaak in vrijstaande, hoge groepen bomen (vaak populieren) langs snelwegen, treinsporen of kanalen; ook wel in dorpen. In de buurt liggen graslanden waar ze hun voedsel zoeken. Broedt grofweg ten oosten van de lijn Breda - Gouda - Arnhem - Harlingen, in de winter verspreidt hij zich onder meer via snelwegen westelijker [lit. 9]. Slechtvalk Broedt op kliffen en op bergwanden, in nissen en op richels; ook in oude nesten van roofvogels en kraaien. Steeds vaker in nestkasten. In Nederland in steden (kantoorgebouwen, torens) en in open boerenland in hoogspanningsmasten. Soms op de grond (Waddeneilanden). Jaagt vaak ver van het nest, in open landschappen met veel vogels.
Buiten de broedtijd meestal in open landschappen, in boerenland, uiterwaarden op kwelders e.d. Zit vaak op de grond of op een paaltje, maar ook op een hoog uitkijkpunt (masten). Groot aanbod aan prooien cruciaal. Sperwer Broedt in bossen, soms tuinen en parken, meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in halfopen landschappen. Soms ook in de stad of in tuinen, in open boerenland in windsingels, bosjes en op erven [lit.9]. Steenuil Veelal kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. In grootschalige landbouwgebieden is de steenuil afhankelijk van gevarieerde erven bij boerderijen of vrijstaande huizen. Jachtgebied bestaat uit open terrein met het hele jaar door lage vegetatie (beweiding). Voorts zijn er voldoende zitplaatsen van één tot anderhalve meter hoogte (paaltjes bijvoorbeeld) om vanuit te jagen. Er zijn schuilplaatsen en broedholen in oude bomen, schuren, gebouwen en dergelijke. Wespendief Loofbossen en gemengde bossen, met open plekken, heide, hoogvenen en graslandjes. Ook moerasbos en kleinschalig cultuurland met bos. Op trek overal waar te nemen. Overwintert in bossen en bossavannen in tropisch Afrika. Bouwt jaarlijks een nest, maar knapt ook oude nesten op. Nestelt in kruin van hoge loof - en naaldbomen.
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied slechts enkele algemene broedvogels waargenomen: merel, koolmees, pimpelmees, winterkoning en kauw. Het plangebied is daarbij ook potentieel broedgebied voor kleinere struweel broedende vogelsoorten zoals roodborst en winterkoning. Er werden geen waarnemingen gedaan van vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Tevens werden geen jaarrond beschermde nesten waargenomen. De grotere bomen aan de rand van het plangebied met de dichte ondergroei vormen geschikt broedgebied voor verschillende soorten vogels. Hier is ruimte voor grotere vogels om te broeden, zoals zwarte kraai, gaai en houtduif. Er werd wel een nest waargenomen in één van de grote eiken aan de noordkant van het plangebied, maar deze was zichtbaar uiteen aan het vallen en dus vermoedelijk niet meer in gebruik (zie afbeelding 5.4). Daarbij ligt het ook niet voor de hand dat bijvoorbeeld sperwer, boomvalk of ransuil het nest zullen gaan gebruiken. Het nest is ongeschikt om de volgende redenen:
26 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Boomvalk: nest bevindt zich te dicht bij bebouwing en er zijn ruim voldoende geschiktere locaties in de omgeving; - Sperwer: deze soort is sterk gebonden aan dicht naaldbos. Daarnaast bevindt het nest zich te dicht bij bebouwing en zijn er ruim voldoende geschiktere locaties in de omgeving; - Ransuil: het nest is te klein en bevindt zich te hoog in de boom. Daarnaast zijn er ruim voldoende geschiktere locaties in de omgeving. Om te kunnen bepalen of het nest nog wordt gebruikt dient het nest gedurende de broedperiode van de soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is (maart - augustus), nader te worden onderzocht.
-
Afbeelding 5.4 Uiteenvallend nest in een grote eik aan de noordzijde van het plangebied
Tijdens het veldbezoek zijn meerdere huismussen waargenomen bij de bebouwing (zie afbeelding 5. 5) rond het plangebied, maar niet binnen het plangebied. Gierzwaluw of steenuil zijn niet waargenomen. De aanwezigheid van nesten van zeker de huismus, maar ook van gierzwaluwzijn in de bebouwing rond het plangebied niet uit te sluiten. Nestkasten voor steenuil zijn niet waargenomen rond het plangebied. Daarnaast zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen waarnemingen van steenuil bekend. Steenuil is een soort waarvan over het algemeen veel waarnemingen worden doorgegeven aan de gegevens beherende instanties (zoals waarneming.nl). Op basis van de afwezigheid van waarnemingen in de NDFF gecombineerd met de afwezigheid van een steenuilenkast in of rond het plangebied en het feit dat de soort niet is aangetroffen tijdens het veldbezoek (onder gunstige omstandigheden), wordt geconcludeerd dat het plangebied geen onderdeel is van het leefgebied van steenuil. Aan de zuidoostelijke kant van het plangebied bevinden zich enkele naaldbomen die mogelijk een functie kunnen hebben als roestboom. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen sporen die duiden op een roestboom (braakballen / vogelpoep) aangetroffen.
27 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Afbeelding 5.5 Huismus bij mogelijk nestingang op het dak van bebouwing nabij het plangebied
Effecten en conclusie Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zijn beschermd onder artikel 3.1 van de Wnb. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (artikel 3.1 Wnb). Vogels met jaarrond beschermde nesten Van het nest dat werd aangetroffen in de eik ten noorden van het voornemen is niet zeker of het nog in gebruik is en of het nest jaarrond beschermd is. Nader onderzoek is nodig om vast te stellen wat de status van dit nest is. Indien wordt vastgesteld dat het nest een jaarrond beschermde status heeft, dan zal het nest als gevolg van de werkzaamheden in de uitvoeringsfase en de verwachte verstoring in de gebruiksfase zijn huidige functie niet meer kunnen vervullen. In dat geval is een ontheffing nodig voor het verstoren van een jaarrond beschermd nest. De aanwezigheid van nesten van huismus en gierzwaluw in de daken in de rond het plangebied liggende bebouwing is niet op voorhand uit te sluiten. Deze nesten kunnen verstoord worden bij de werkzaamheden. Op grotere afstand van het plangebied kunnen daarnaast ook andere jaarrond beschermde nesten voorkomen. Deze nesten zullen bij gebruikelijke bouwwerkzaamheden niet verstoord raken, maar bij werkzaamheden met veel geluid en trillingen mogelijk wel. De geluidscontour is dan namelijk veel ruimer.
De gierzwaluw maakt enkel in de broedperiode gebruik van de nestplek of nestplek. Door de trilling veroorzakende werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen (zie ook advies ten aanzien van broedvogels in het algemeen hieronder) kan worden uitgesloten dat op het nest aanwezige individuen van deze soort wordt verstoord. De huismus kan echter jaarrond gebruik maken van het nest en het nest kan dan ook jaarrond worden aangetast bij het optreden van verstoring (de meest kwetsbare periode hierbinnen is echter ook de broedperiode, globaal maart tot augustus). Het plangebied zelf betreft geen essentieel leefgebied voor de huismus. De huismussen kunnen zandbadderen en dekking vinden binnen het
28 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
plangebied, maar deze mogelijkheden zijn ook rond het plangebied in ruime mate aanwezig. Daarbij wordt na de realisatie van het plan het gebied niet ongeschikt voor de huismus. Sterker nog, het grootste deel van de Nederlandse populatie huismussen bevindt zich in stedelijk gebied, waarbij woningen en tuinen het leefgebied vormen voor deze soort. Wanneer er trilling veroorzakende werkzaamheden worden uitgevoerd zal er dus aanvullend onderzoek gedaan moeten worden naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden. Het gaat dan in ieder geval om onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van huismus en in het geval er in het broedseizoen getrild wordt ook naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw. Ook de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van andere soorten dient hierbij echter onderzocht te w orden. Als er geheid wordt is aanvullend soortgericht onderzoek nodig naar nestlocaties in een straal van maximaal 1.500 meter (worst case benadering). Indien een andere methode gebruikt wordt (bijvoorbeeld intrillen van heipalen), dan is de verstoringscontour kleiner en is onderzoek naar deze soorten binnen een beperkter onderzoeksgebied nodig.
Hoe groot de verstoringscontour (en dus het onderzoeksgebied voor jaarrond beschermde nesten) is, is sterk afhankelijk van de gebruikte methode en de bodemgesteldh eid. Hoe ver het geluid reikt moet blijken uit een geluidsberekening. Wanneer op basis van het onderzoek wordt vastgesteld dat binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden één of meerdere jaarrond beschermde nesten aanwezig is en deze als gevolg van de werkzaamheden wordt aangetast, is voor het voornemen een ontheffing Wnb nodig. Overige broedvogels Het onderzoeksgebied biedt leefgebied aan verschillende algemeen voorkomende broedvogels. Het voorkomen van algemeen voorkomende broedvogels gedurende het broedseizoen is dan ook aannemelijk. Voor aanwezige broedvogels geldt dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk.
De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe drie mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Als werkzaamheden plaats gaan vinden in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied. Wanneer kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, v indt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden mag er pas worden gestart met de werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden.
5.2.5 Amfibieën Bureaustudie Op basis van de ligging en kenmerken van de omgeving van het plangebied (halfopen landschap met meerdere vennen in de wijdere omgeving) kan de aanwezigheid van algemeen voorkomende soorten als bruine kikker en gewone pad in de omgeving van het plangebied niet worden uitgesloten. Voor deze soorten geldt binnen de provincie Gelderland een algemene vrijstelling. Op basis van de NDFF databank [lit. 4] zijn in de afgelopen tien jaar in de omgeving van het plangebied verschillende waarnemingen bekend van de Habitatrichtlijnsoorten heikikker, kamsalamander, poelkikker en
29 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
rugstreeppad. De waarnemingen van deze soort concentreren zich voornamelijk rond de vennen in het bosgebied Kruisbergsche Bosschen. Daarnaast zijn uit het verdere verleden ook waarnemingen van knoflookpad in de Kruisbergse bossen gedaan. In het NDFF zijn hier in de laatste 10 jaar echter geen waarnemingen meer van bekend. De habitateisen van deze soort worden in onderstaand kader beschreven. Boomkikker De boomkikker is te vinden in kleinschalige landschappen met poelen en andere kleine wateren, omgeven door struikgewas, hoge overblijvende kruiden en rietkragen. Ze zijn warmteminnend en verkiezen door de zon beschenen plaatsen. Men vindt ze vaak zonnend in braamstruiken, maar ze zijn vooral ’s nachts actief. De voortplanting vindt plaats in het water op een diepte van minder dan 10 cm. ‘s Zomers verblijven alle dieren op het land. Een klein aantal dieren is opvallend mobiel en trekt over afstanden van vele kilometers. Ze overwinteren op het land tussen boomwortels, in een strooisel laag of tussen houtstapels [bron: minez.nederlandsesoorten.nl/soorten]. Heikikker De heikikker is uit alle Nederlandse provincies (behalve Flevoland) bekend, maar kent zijn grootste verspreiding in de hoger gelegen delen van het land. Hij komt vooral voor in vochtige heidegebieden, waar sprake is van veenvorming en in hoog- en laagveengebieden.
Ook in de rest van zijn verspreidingsgebied is vocht en veenvorming een belangrijk element van zijn biotoop. Maar hij wordt ook wel aangetroffen in vochtige schraalgraslanden, duinvalleien, bosranden, langs meren en rivieren en in komkleigebieden. De aanwezigheid van laag struweel en hoge kruidige gewassen is hier van belang. Het voortplantingsbiotoop bestaat uit ondiepe stilstaande wateren met oevervegetatie. Het water zelf is vaak enigszins zuur (pH 4 - 5.5) en voedselarm. Kamsalamander De kamsalamander komt verspreid over het gehele zuiden, midden en oosten van ons land voor. Hij is v rij zeldzaam en wordt landelijk gezien als een kwetsbare soort, die in zijn verspreiding achteruit gaat. Zijn voorkeur gaat uit naar kleinschalige landschappen met bospercelen, heggen en struwelen. Het voortplantingsbiotoop bestaat voornamelijk uit matig voedselrijke tot voedselrijke, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Veel vindplaatsen zijn beek- of rivierbegeleidend. De poel mag niet geheel beschaduwd zijn en moet permanent water bevatten. Dat een poel visvrij is, wordt als belangrijk beschouwd. Buiten de voorplantingsperiode (eind maart tot half juli) bevindt de kamsalamander zich op het land.
Het landschap waarin ze zich dan bevinden is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de omgeving (bron reptielen & amfibieën atlas). Poelkikker De poelkikker komt in Nederland vooral in het Oosten en Zuiden voor. Het is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. En het water is vaak vrij omvangrijk of maakt deel uit van een groter complex van wateren. De Poelkikker is een kritische soort, die houdt van voedselarm, schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden, en in uiterwaarden. Poelkikkers overwinteren meestal op het land en niet in het water. Rugstreeppad De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een betrekkelijk hoge dynamiek, zoals de duinen, de uiterwaarden van de grote rivieren, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Maar hij wordt ook op klei- en veengronden aangetroffen. Voor de voortplanting is de rugstreeppad afhankelijk van ondiepe wateren, die vrij snel opwarmen. Vaak wordt gebruik gemaakt van tijdelijke poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt zijn. Een voorwaarde is wel dat het water niet zuurder is dan pH 5. Brak water wordt getolereerd [lit.
9].
30 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Knoflookpad De knoflookpad is gebonden aan de stroomdalen van beken er rivieren in het oosten en zuidoosten van Nederland. Hier gaat het om de pleistocene zandgronden in Limburg, Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel en Drenthe. De knoflookpad wordt voornamelijk aangetroffen in ruderale terreinen, agrarisch gebied en halfnatuurlijke graslanden. Ook kan de knoflookpad gevonden worden op en rondom infrastructuur (dijken, wegen en spoorlijnen). Sporadisch is de knoflookpad ook te vinden in randen van heideterreinen en in bos en struweel. Absoluut noodzakelijk voor het voorkomen van de knoflookpad is de aanwezigheid van open zandplekken omringd door vegetatie. Het zand moet goed vergraafbaar zijn (extensief bewerkte akkers bijvoorbeeld asperge- en aardappel akkers voldoen ook hieraan), knoflookpadden zijn hier namelijk ’s avonds actief en graven zich overdag in. De voortplantingswateren bestaan vaak uit vrij grote en diepe poelen met een weelderige onderwater- en oevervegetatie en een voedselrijk karakter. Hier zijn ze te vinden vanaf de tweede helft van maart tot juni, en de gemetamorfoseerde larven zijn vanaf juli ’s avonds actief in en rondom de voorplantingswateren op open zandplekken (lit. 9). Veldbezoek Het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor gewone pad en bruine kikker.
Beide soorten zijn echter tijdens het veldbezoek niet waargenomen, maar dit was gezien de tijd van het jaar (februari) ook nog niet te verwachten. Bij een in september 2017 uitgevoerd veldbezoek is de aanwezigheid van deze soorten echter wel geconstateerd. Voor beide soorten geldt een algemene vrijstelling. Andere vrijgestelde nationaal beschermde soorten zoals bastaard kikker en kleine watersalamander worden door afwezigheid van oppervlaktewater niet verwacht. Tijdens het veldbezoek werden geen, niet vrijgestelde, amfibieën zoals knoflookpad aangetroffen. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen niet overeen met de biotoopeisen van beschermde amfibieën. In het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn geen poelen aanwezig, die als voortplantingswater kunnen dienen. De poelen in de Kruisbergsche Bosschen liggen op ruime afstand van het plangebied, waardoor het niet aannemelijk is dat de knoflookpad het plangebied gebruikt als landhabitat. Effecten en conclusie Het plangebied vormt mogelijk foerageergebied voor gewone pad en bruine kikker. Voor deze soorten geldt binnen de provincie Gelderland een algemene vrijstelling. Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor niet vrijgestelde amfibiesoorten, kan worden uitgesloten dat deze binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn.
Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Wel geldt de algemene zorgplicht van de Wnb (zie paragraaf 3.1.2).
5.2.6 Reptielen Bureaustudie Op basis van de NDFF databank [lit. 4] zijn in de afgelopen tien jaar in de wijdere omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van enkele nationaal beschermde (‘Andere soorten’, bijlage A van de Wnb) reptielsoorten zoals hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang. De waarnemingen van deze soort concentreren zich voornamelijk in bosgebied Kruisbergsche Bosschen, circa 1 tot 1,5 km van het plangebied. De ringslang is ver (circa 4 km) ten westen van het plangebied waargenomen. De habitateisen van deze soorten worden in onderstaand kader beschreven. Hazelworm De voorkeurshabitat van de hazelworm bestaat uit enigszins vochtige met dichte vegetatie bedekte gebieden. De soort komt voor in bossen, bosranden heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen. De verspreiding van de hazelworm in Nederland valt grotendeels samen met de aanwezigheid van pleistocene zandgronden, maar de soort
31 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
wordt ook aangetroffen op andere bodemsoorten. Met uitzondering van de provincie zeeland komt de soort in alle provincies voor. Levendbarende hagedis Heide en hoogveen komen naar voren als voorkeurshabitat. De soort komt ook voor langs infrastructuur (spoorlijnen en wegbermen), bij bos en struweel en in een beperkt deel van de duinen. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op venoevers en ook wel langs lijnvormige wateren. Er zijn ook enkele waarnemingen bekend uit laagveen. De levendbarende hagedis komt voor in vrijwel alle zandige (en löss-)districten in Nederland. De soort is aanwezig op de Zeeuwse eilanden en vervangt daar in de duinen de zandhagedis. Het Veluws-Drents en Kempens district vormen, vooral door hun grote oppervlakte aan bos en heideterreinen, de belangrijkste bolwerken. Ringslang De ringslang is in vooral gebonden aan het water in veen- en riviergebieden. De ringslang houdt zich bij voorkeur op in overgangssituaties, waar naast gelegenheid om te zonnen ook voldoende schuilplaatsen aanwezig zijn. De ringslang komt in de loop van maart bij de eerste warme dagen uit zijn winterslaap. In het najaar gaan de dieren op zoek naar geschikte overwinteringsplaatsen.
De ringslang overwintert op droge vorstvrije plaatsen, zoals gaten tussen boomwortels en holen en gangenstelsels van konijnen en mui zen [lit. 9]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen reptielsoorten aangetroffen. De ringslang komt niet voor in en rond het plangebied. Het plangebied biedt geen geschikt habitat aan ringslang. De levendbarende hagedis is een soort die doorgaans in vochtiger leefgebied voorkomt, zoals rondom de vennen in de Kruisbergsche Bosschen. Het plangebied is te droog voor de levendbarende hagedis en ligt bovendien op flinke afstand van de aangetroffen dieren in de Kruisbergsche Bosschen. Aanwezigheid van deze soort in het plangebied is daarmee zeer onwaarschijnlijk. Het voorkomen van hazelworm is niet geheel uit te sluiten. De soort vind geschikt foerageergebied langs de randen van het plangebied, en kan hier ook ondergronds overwinteren. Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor reptielsoorten ringslang en levendbarende hagedis, kan worden uitgesloten dat deze reptielsoorten binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Voor hazelworm is het voorkomen binnen het plangebied niet geheel uit te sluiten. Het betreft echter, net als levendbarende hagedis, een soort uit de categorie van de niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’, waarvoor geldt dat het doden ervan verboden is, maar verstoring niet.
Zodoende adviseren we om het plangebied gefaseerd, in één richting en in rustig tempo kaal te maken gedurende de actieve, minst kwetsbare periode van de hazelworm(april - eind september), zodat de soort het plangebied kan ontvluchten richting het ruimschoots aanwezige leefgebied in de aangrenzende Kruisbergsche Bosschen. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Wel geldt de algemene zorgplicht van de Wnb (zie paragraaf 3.1.2).
5.2.7 Vis In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid en de verstoring van beschermde vissoorten is daarmee uit te sluiten. Nader onderzoek en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig.
5.2.8 Vlinders, libellen en andere ongewervelden Bureaustudie Op basis van de NDFF database [lit. 4] zijn over de afgelopen tien jaar in de wijdere omgeving van het plangebied drie waarnemingen bekend van onder de Wnb beschermde vlinders, het betreft grote vos, grote
32 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder. Deze soorten werden vrijwel uitsluitend waargenomen in het Kruisbergse bos. Onder de Wnb beschermde dagvlinders, libellen of andere ongewervelde komen vooral in leefgebieden voor waar hun biotoop nog grotendeels intact is. Dit betreffen veelal zeer specifieke soorten habitats waar de betreffende soort zijn levenscyclus volledig kan doorlopen. De leefgebieden van onder de Wnb beschermde ongewervelden liggen dan ook vooral binnen en rondom natuurgebieden. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde ongewervelden lokaal kunnen voorkomen zijn droge en schrale kalkgraslanden, vochtige bossen in het oosten van het land en Zuid-Limburg, in blauwgraslanden, kruidenrijke heidevelden, vochtige duinvalleien en duingraslanden, kapvlakten in droog en oud eikenbos, wilgenbroekbos in beekdalen, voedselarme tot matig voedselrijke verlandende wateren met een dichte krabbenscheervegetatie (petgaten), hoogveentjes omgeven door bos en gebufferde vennen, langs zuurstofrijke bovenlopen van beken, en langs stromingsluwe oevers langs rivieren waar fijn sediment en organisch materiaal voorhanden is. Een belangrijke voorwaarde voor het voorkomen van dagvlinders is het voorkomen van waardplanten. In het onderstaande kader zijn de habitateisen van deze soorten beschreven.
Grote vos De grote vos vliegt op warme, zonnige plekken in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Waardplanten zijn vooral de iepen maar ook wilgen en soms ook fruitbomen (zoete kers) of meidoorn [lit. 11]. Grote weerschijnvlinder De grote weerschijnvlinder komt voor in vochtige oudere loofbossen of wilgenbroekbos met open plekken erin. Vaak zijn het structuurrijke bossen of groepen samenhangende bosjes bestaande uit verschillende boomsoorten met beekdalen en paden met brede bermen in beekdalen. Waardplanten zijn de boswilg en soms grauwe wilg [lit. 11]. Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder is een echte bosbewoner. Hij komt voor in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. De eitjes worden afgezet op jonge bladeren van jonge (wilde, rode of gecultiveerde) kamperfoelie die bij voorkeur in de halfschaduw staan [lit. 11]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen vlinders, libellen en ongewervelden aangetroffen die onder de Wnb beschermd zijn. Hierbij wordt opgemerkt dat het veldbezoek, met betrekking tot vlinders, libellen en ongewervelden, niet in de meest geschikte periode van het jaar heeft plaatsgevonden. Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig voor grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder.
Deze vlinders komen voor in vochtige bossen met open plekken, dit is in het plangebied niet aanwezig. In het nabijgelegen bosgebied ‘Kruisbergsche Bosschen’ is dit biotoop wel aanwezig, vandaar dat hier deze vlindersoorten zijn waargenomen. Het plangebied en de directe omgeving voldoen daarnaast ook niet aan de (over het algemeen hoge) eisen van andere beschermde vlinders, libellen en ongewervelden zoals heide, plantenrijke vennen, zuurstofrijke beken, verlandingsvegetaties met krabbescheer, zandstrandjes langs de grote rivieren, bloem- en/of kruidenrijke graslanden, blauwgraslanden, moerassen, bos, stromend water. Daarnaast komen de waardplanten van de soorten niet in de plangebied voor [lit. 11]. Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop en waardplanten voor beschermde vlinder- of libelsoorten, kan worden uitgesloten dat beschermde dagvlinders, libellen of andere ongewervelde binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
33 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
6 SAMENVATTING EN CONCLUSIE 6.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000 Het plangebied ligt op relatief grote afstand (tenminste acht kilometer) van omliggende Natura 2000-gebieden. Het optreden van directe effecten, zoals verstoring door oppervlakteverlies, geluid, licht, trilling of optische verstoring kan als gevolg van de afstand tussen het plangebied en omliggende Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Vervolgestappen zijn niet nodig. Daarentegen kan niet worden uitgesloten dat de geplande werkzaamheden leiden tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Uit een uitgevoerde voortoets stikstofdepositie blijkt echter dat de gewenste ontwikkeling zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er treden geen significant nadelige effecten op met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000-gebieden. Het optreden van andere indirecte effecten is als gevolg van de afstand tevens niet aan de orde. Vervolgstappen zijn niet nodig. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het NNN (GNN en OG). Voor gronden die grenzen aan het NNN, maar daar zelf buiten liggen, gelden volgens het provinciale NNN-beleid geen beperkingen. Het NNN heeft geen ‘externe werking’ die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt.
Omdat het plangebied geheel buiten het NNN valt, is er geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. In het kader van een zorgvuldige planvoorbereiding en een goede ruimtelijke ordening is wel beoordeeld of het plan de kernkwaliteiten van nabijgelegen GNN/GO nadelig kan beïnvloeden. Er is geconcludeerd dat dit niet het geval is.
6.2
Soortenbescherming
In tabel 6.1 zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat.
34 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Tabel 6.1 Samenvattende tabel soortenbescherming Soortgroep
Kans op overtreding Wnb?
Vervolgstappen nodig? Mitigerende maatregelen
Vervolgonderzoek (indien mitigatie niet mogelijk of niet voldoende)
Ontheffing aanvragen?
flora
ja, indien beschermde vaatplanten binnen het plangebied aanwezig zijn.
geen, wel zorgplicht
ja, vervolgonderzoek in de vorm van nader soortgericht onderzoek tijdens de bloeiperiode van de betreffende soorten
mogelijk, afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek
grondgebonden zoogdieren
ja, indien er kleine marterachtigen binnen het plangebied aanwezig zijn
geen, wel zorgplicht
ja, vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van kleine marters
mogelijk, afhankelijk van de uitkomsten van het vervolgonderzoek
nee
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
Vernielen van konijnenburchten mag alleen plaatsvinden indien is uitgesloten dat in de burchten nog konijnen aanwezig zijn. Daarbij mag het vernielen van burchten van konijnen niet plaatsvinden in de voortplantingsperiode van konijn (globaal januari t/m juli). Buiten deze periode dient het vernielen van de burchten gefaseerd en rustig in één richting plaats te vinden, zodat dieren voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten
vleermuizen 1
1
ja, indien foeragerende/overvliegende vleermuizen worden verstoord
ja, door: werkzaamheden overdag uitvoeren en gebruik maken van vleermuisvriendelijk lichtbeheer
Het onderzoeksgebied van het nader soortgericht onderzoek is afhankelijk van de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. Wanneer wordt geheid moet rekening worden gehouden met een onderzoeksgebied met een straal van maximaal 1500 m rondom de werkzaamheden. Wanneer funderingspalen worden getrild in plaats van geheid, dient rekening gehouden te worden met een onderzoeksgebied met een straal van 300 m rondom de werkzaamheden.
35 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
ja, indien verblijfplaatsen van vleermuizen worden verstoord
ja, door: werkzaamheden overdag uitvoeren en gebruik maken van vleermuisvriendelijk lichtbeheer Trillingvrij werken
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen. Indien dit niet mogelijk is, dan dient conform
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
het vleermuisprotocol 2021 de aanwezigheid van verblijfplaatsen in de aangrenzende bebouwing te worden onderzocht
vogels (algemene broedvogels)
ja, indien broedparen worden verstoord
ja drie mogelijkheden: buiten het broedseizoen werken werkzaamheden voor het broedseizoen inzetten en continu doorwerken of plangebied ongeschikt maken voor broedvogels
nee
vogels (jaarrond beschermde nesten)
ja, -
-
ja, -
-
indien jaarrond beschermde nesten van huismus in de omgeving van het plangebied (indirect) worden aangetast door geluid en trillingen indien het nest langs de noordrand van het voornemen een jaarrond beschermd nest betreft
-
ja, pulsgeluid en trilling veroorzakende werkzaamheden buiten de broedperiode van huismus nee, indien het nest langs de noordzijde van het plangebied een jaarrond beschermde status heeft, dan zal als gevolg van de werkzaamheden dit nest zijn huidige functie niet meer kunnen vervullen als gevolg van de toegenomen verstoring in zowel de uitvoeringsals de gebruiksfase. Voor het voornemen is in dat geval een ontheffing nodig
-
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
ja indien pulsgeluid of trilling veroorzakende werkzaamheden (heien of trillen) plaatsvinden is nader soortgericht onderzoek nodig naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen de verstoringscontour 1. Dit in ieder geval voor huismus en als in broedperiode wordt getrild ook voor de overige soorten de status van het nest langs de noordzijde van het plangebied dient te worden onderzocht
-
indien pulsgeluid of trilling veroorzakende werkzaamheden worden uitgevoerd in de periode maart augustus en uit soortgericht onderzoek volgt dat hierdoor nesten (indirect) worden aangetast
-
indien het nest langs de noordzijde van het
1
Het onderzoeksgebied van het nader soortenonderzoek is afhankelijk van de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. Wanneer wordt geheid moet rekening worden gehouden met een onderzoeksgebied met een straal van maximaal 1.500 m rondom de werkzaamheden. Wanneer funderingspalen worden getrild in plaats van geheid, dient rekening gehouden te worden met een onderzoeksgebied met een straal van maximaal 300 m rondom de werkzaamheden. De exacte verstoringscontour van de werkzaamheden kan vastgelegd worden via een geluidberekening.
36 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
plangebied een jaarrond beschermde status heeft amfibieën
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
reptielen
nee, mits mitigerende maatregel wordt uitgevoerd.
Plangebied kaal maken wanneer hazelworm actief is.
nee
nee
vissen
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vlinder, libellen & ongewervelden
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
37 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
7 LITERATUUR 1 2
www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/, geraadpleegd op 24 februari 2021. European Environment Agency (2018). Natura 2000 End 2018 - shapefile, https://www.eea.europa.eu/data-and-maps/data/natura-10/natura-2000-spatial-data/natura-2000shapefile-1, geraadpleegd op 22 februari 2022. 3 https://data.overheid.nl/dataset/7076-omgevingsverordening--Gelders-Natuurnetwerk (GNN) provincie Gelderland, geraadpleegd op 22 februari 2021. 4 NDFF-ecogrid database, geraadpleegd op 17 februari 2021. 5 www.wilde-planten.nl, geraadpleegd op 25 februari 2021. 6 www.verspreidingsatlas.nl, geraadpleegd op 25 februari 2021. 7 www.Zoogdiervereniging.nl, geraadpleegd op 26 februari 2021. 8 www.Vleermuis.net, geraadpleegd op 26 februari 2021. 9 www.vogelbescherming.nl, geraadpleegd op 26 februari 2021. 10 www.ravon.nl, geraadpleegd op 26 februari 2021. 11 www.vlinderstichting.nl, geraadpleegd op 26 februari 2021.
39 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Bijlage(n)
I BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELEN (IHD’S) NATURA 2000
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Bijlage I | Definitief 03
Rijntakken
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Bijlage I | Definitief 03
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Bijlage I | Definitief 03
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Bijlage I | Definitief 03
II BIJLAGE: VOORTOETS STIKSTOFDEPOSITIE
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Bijlage II | Definitief 03
Rapportage M – QUO-16184-X2F0D4 – Voortoets Stikstofdepositie 33 Nieuwbouwwoningen Kruisbergsche bossen Doetinchem 4 november 2020
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
Inhoudsopgave 1 Inleiding ..................................................................................................................................................... 2 2
Algemene gegevens................................................................................................................................... 3
3
Rekenmodel ............................................................................................................................................... 4
4
Literatuurgegevens .................................................................................................................................... 4
5
Emissies ..................................................................................................................................................... 5 5.1
Beschrijving project ........................................................................................................................... 5
5.2
Emissiebronnen in de aanlegfase ...................................................................................................... 6
5.3
Emissiebronnen in de gebruiksfase ................................................................................................... 8
6
Rekenresultaten ...................................................................................................................................... 12
7
Conclusie.................................................................................................................................................. 13
8
Bijlagen .................................................................................................................................................... 14
Pagina 1 van 14
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
1
Inleiding
Woningbouwplannen (ook kleinschalige woningbouwplannen) kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000- gebied. Het gebruik van woningen (in de gebruiksfase) kan leiden tot een emissie van stikstofoxide (NOx). Deze emissie kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het gebruik van gas en het autoverkeer van bewoners en bezoekers van de woning(en). Ook kan sprake zijn van een emissie van de stikstofoxide als gevolg van de bouwwerkzaamheden in de aanlegfase, bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen en grondverzet op de bouwplaats. In dit rapport worden de stikstofemissies en stikstofdeposities inzichtelijk gemaakt voor het woningbouwplan voor 33 nieuwbouwwoningen aan de Keppelseweg bij de Kruisbergsche Bossen te Doetinchem, en wordt getoetst of sprake is van (een toename) stikstofdepositie op de omliggende Natura-2000 gebieden. Factsheet “Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden” Het ministerie van BZK heeft n.a.v. de uitspraak van Raad van State van 29 mei 2019 (zie verdere toelichting in Hoofdstuk 3) een factsheet samengesteld welke als tool gebruikt kan worden voor projecten met woningbouw. De factsheet “Woningbouwplannen” is opgesteld om inzicht te geven in de gevolgen van de uitspraak.
In de factsheet is relevante informatie opgenomen voor de afweging van de eventuele gevolgen van stikstofdepositie bij woningbouwprojecten. In deze voortoets is rekening gehouden met de werkwijze zoals opgenomen in de factsheet (zie bijlage 2).
Pagina 2 van 14
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
2
Algemene gegevens
Opdrachtgever Naam:
Claus Aannemingsmaatschappij B.V. t.a.v. Dhr. H. van den Boom
Adres:
Didamseweg 6
Postcode en plaats:
6983 BB Doesburg
Email:
h.vd.boom@hlvandenboom.nl
Adviseur/ contactpersoon Bedrijf:
Van Empel Inspecties en Advisering
Afdeling
Van Empel Milieu Advies
Contactpersoon
Huub Wilborts
Adres:
Elskensakker 44 Bergeijk
Postadres
Postbus 31, 5570 AA Bergeijk
Telefoonnummer:
+31 (0)88 17 00 100/ +31 (0)6 12 63 46 58
Email:
milieu@vanempelinspecties.com
Gegevens het object Adres:
Keppelseweg ongenummerd (naast nummer 404)
Plaats:
Doetinchem
Rapport Rapportnummer:
QUO-16184-X2F0D4
Datum:
4 november 2020
Rapporteur:
Ferd van de Ven
Pagina 3 van 14
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
3
Rekenmodel
Met de inwerkingtreding van het PAS is het gebruik van het rekenmodel AERIUS Calculator voorgeschreven voor de berekening van de stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State het PAS onverbindend verklaard. Ondanks deze uitspraak blijft AERIUS-Calculator een geschikt rekeninstrument voor het bepalen van de stikstofdepositie van activiteiten. Voor het gebruik van de AERIUS Calculator is een praktische instructie voor vergunningverlening opgesteld. Dit betreft de “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator”. Alle typen emissiebronnen (punten, lijnen en vlakken) van stikstof (NOx en NH3) kunnen in AERIUS Calculator ingevoerd worden. AERIUS Calculator heeft ten behoeve van het gebruikersgemak veel voorkomende typen bronnen van diverse sectoren (bijvoorbeeld industrie, landbouw, verkeer en vervoer) gedefinieerd. Daarbij zijn voor diverse bronkenmerken default waarden ingevuld die gebruikt worden als de gebruiker zelf geen aangepaste waarde invoert.
4
Literatuurgegevens
Voor deze rapportage is gebruik gemaakt van literatuurgegevens uit de volgende rapporten: - Handleiding AERIUS Calculator (beschikbaar via www.aerius.nl/nl/manuals/calculator); - Factsheet “Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden”emissiefactoren’ RIVM, 22 november 2019; - Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2019A; - Rapport “Addendum default brongegevens Mobiele werktuigen- afwijkende categorieën”, RIVM, 2 februari 2015; - CROW-publicatie 317.
Pagina 4 van 14
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
5
Emissies
De relevante emissie, met effect op de vermestende stikstofdepositie zijn NOx en NH3. NOx emissie ontstaat bij het verbranden van fossiele brandstoffen. Dit vindt plaats in de aanwezige verbrandingsinstallaties en mobiele voertuigen. Deze emissies worden o.a. veroorzaakt bij het in werking zijn van machines, werktuigen, en door transport ten behoeve van de aanvoer van bouwmaterialen end. In dit onderzoek is de stikstofemissie en -depositie van de volgende situaties inzichtelijk gemaakt: - Aanlegfase; - Gebruiksfase. 5.1 Beschrijving project Men is voornemens om aan de Keppelseweg (ter hoogte van nummer 404) 33 nieuwbouwwoningen te realiseren op een voormalig bedrijfsterrein, voorheen bekend als de locatie Piek & Snor. Het plan voorziet in 33 eengezinswoningen. Het plan, de woningen zullen een positieve bijdrage leveren aan de leefbaarheid van Langerak. De volgende woningen zijn in het plan opgenomen: • 1 vrijstaande woning (aan de Parallelweg) • 14 geschakelde/ 2 onder-een-kap woningen • 18 rijwoningen Ten behoeve van de Bestemmingsplan herzieningsprocedure voor bouwen dient aangetoond te worden dat er geen sprake is van significante negatieve gevolgen m.b.t. stikstof. In onderstaande afbeeldingen is het plan verder verduidelijkt.
Afbeelding 1: situatieoverzicht projectlocatie
Pagina 5 van 14
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
Afbeelding 2: plattegrond beoogd
De complete plattegrond- en detailtekeningen van de woningen volgen in een later stadium. 5.2
Emissiebronnen in de aanlegfase
Bij de realisatie van de 33 nieuwbouwwoningen vinden in de aanlegfase bouwactiviteiten plaats. In deze fase zijn met enige regelmaat machines en werktuigen nodig. In deze paragraaf wordt de inzet van werktuigen en machines van onderhavig plan verder toegelicht. De tijdelijke bijdrage van de emissies bij aanleg zijn afzonderlijk berekend, aan de hand van een royale inschatting (worst-case-scenario). Als eerste zal het terrein moeten worden opgeschoond, bouwrijp worden gemaakt en ingericht voor het bouwen van de verschillende woningtypen. Voor de aanlegfase van de woningen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Totale bouwtijd: 1,0 jaar; • Werkbare dagen: 200 dagen. Over het algemeen worden de grotere partijen bouwmaterialen aangeleverd m.b.v. vrachtwagens. Dagelijks vinden er ook verkeersbewegingen plaats m.b.v. bestelbussen (al dan niet gecombineerd met aanhanger). Deze bestelbussen worden naast het vervoer van werklui en de benodigde gereedschappen/ machines ook gebruikt voor de aan- en afvoer van materialen (waaronder steigermateriaal, stroomvoorzieningen, graafmachine etc.) Pagina 6 van 14
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
Verkeersbewegingen door bouwverkeer in aanlegfase Voor het project is een realistische inschatting gemaakt van het aantal voertuigen voor de aanvoer van bouwmaterialen en afvoer van bouwafval end. Tijdens opschonen en bouwrijp maken bouwterrein Zwaar verkeer: Tijdens het opschonen zijn de volgende zware voertuigen benodigd: - 1 Graafmachine 200 kW t.b.v. afgraven en opruimen terrein; - 170 Vrachtwagens t.b.v. afvoer puin, afval, bovenlaag grond; - 150 Vrachtwagens t.b.v. aanvoer schone gele grond; Tijdens bouwen van de woningen Zwaar verkeer: Tijdens het bouwen zijn de volgende zware voertuigen benodigd: - 3 Graafmachines 200 kW t.b.v. inrichten bouwterrein en overige hand- en spandiensten; - 3 Heimachines t.b.v. aanbrengen funderingspalen; - 80 Betonstorters/pompen t.b.v. aanvoer beton en verpompen beton; - 6 Hijskranen t.b.v. leggen verdiepingsvloeren en dakplaten; - 3 Graafmachines 60 kW t.b.v. ingraven van leidingen en kabels; - 3 Laadschoppen 50 kW t.b.v. van allerlei hand – en spandiensten; - 3 Trilplaten t.b.v. aandrukken ondergrond; - 290 Vrachtwagens t.b.v. aan- afvoer materialen, machines en afvoer bouwafval. Het aantal voertuigen dat gemiddeld per etmaal en per voertuigcategorie van en naar de projectlocatie rijdt: - 3,5 zware voertuigen (vrachtwagens/betonstorters etc.); - 6 middelzware voertuigen (bestelbussen); - 6 lichte voertuigen (personenauto’s).
De invoer in AERIUS is gericht is op het aantal vervoersbewegingen. Dit betekent dat als een weg met heen- en teruggaand verkeer wordt gemodelleerd, het aantal bezoeken verdubbeld moet worden om het aantal vervoersbewegingen te verkrijgen. In AERIUS is voor de aanlegfase derhalve het volgende ingevoerd: - 7 zware voertuigbewegingen (vrachtwagens/betonstorters etc.); 12 middelzware voertuigbewegingen (bestelbussen); - 12 lichte voertuigbewegingen (personenauto’s). Aantal voertuigbewegingen totaal
Lichte Middelzware Zware motorvoertuig- motorvoertuig- motorvoertuigbewegingen bewegingen bewegingen 31 12 12 7 Tabel 1: verdeling voertuigbewegingen op basis van weekdaggemiddelde (worst-case)
Pagina 7 van 14
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
Emissie mobiele werktuigen in aanlegfase AERIUS Calculator heeft ten behoeve van het gebruikersgemak veel voorkomende typen bronnen van diverse sectoren (bijvoorbeeld industrie, landbouw, verkeer en vervoer) gedefinieerd. Voor de emissie vanuit de mobiele werktuigen wordt gebruik gemaakt van het RIVM-rapport “Addendum default brongegevens Mobiele werktuigen- afwijkende categorieën”. In onderstaande tabel is de minimaal vereiste inzet van machines en werktuigen1 voor de realisatie van onderhavig plan weergegeven. Type werktuig
Bouwjaar Brandstof Vermogen Belasting NOxAantal Emissie (kW) (%) emissiefactor draaiuren NOx in (gram/kWh) kg/jaar Graafmachine slopen 2011 Diesel 200 69 2,30 80 25,39 Vrachtwagens puin 2011 Diesel 200 69 3,00 50 20,70 Vrachtwagens 2011 Diesel 200 69 3,00 30 12,42 schoon zand Graafmachine 2011 Diesel 200 69 2,30 130 41,26 bouwen Heimachine 2012 Diesel 80 55 5,2 100 22,88 Betonstorter 2011 Diesel 200 69 3,00 60 24,84 Vrachtwagens 2011 Diesel 200 69 3,00 100 41,40 machines/materialen Graafmachine 2012 Diesel 60 69 2,90 180 21,61 Laadschop 2013 Diesel 50 55 4,00 160 17,60 Hijskraan 2011 Diesel 200 69 3,00 120 49,68 Trilplaat 2008 Benzine 10 40 1,10 120 0,53 Wals 2008 Diesel 50 55 4,20 40 4,62 Tabel 2: defaultwaarden RIVM (opgenomen in AERIUS) 5.3
Emissiebronnen in de gebruiksfase
Voor bronnen in de sector wonen en werken is er vaak geen specifieke informatie beschikbaar over de uitstoothoogte en de warmte-emissie, waardoor het nodig is gebruik te maken van de default kengetallen. Aangezien bij dit project de emissies voor wonen niet bekend zijn wordt gebruik gemaakt van de kengetallen uit de factsheet ‘Ruimtelijke plannen – emissiefactoren’ op de AERIUSwebsite (www.aerius.nl/nl/factsheets/ruimtelijke-plannen-emissiefactoren) 2. Deze kengetallen zijn afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het College Bescherming persoonsgegevens (CBP). Emissie vanuit de nieuwe woning 1 Van een aantal werktuigen zijn in AERIUS geen default brongegevens opgenomen. In onderhavige AERIUS-berekening is voor de volgende werktuigen aansluiting gezocht bij vergelijkbare type werktuigen (qua vermogen en emissie) zoals opgenomen in Addendum default brongegevens Mobiele werktuigen. Vrachtwagens (aangesloten bij default brongegevens betonstorters). Heimachine (aangesloten bij default brongegevens graaf-laadcombinatie 80 kW) 2 In de toelichting van de factsheet wordt vermeld dat de groene waarden gebruikt kunnen worden voor de AERIUS-
berekening. Derhalve zijn de groene waarden m.b.t. NOx/kg/jaar aangehouden in deze toetsing Pagina 8 van 14
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
Ter plaatse van het projectgebied worden 33 nieuwe woningen gerealiseerd. Deze woningen worden aardgasloos gebouwd. Ondanks de verwachting dat de woningen geen emissie NOx veroorzaken wordt in dit onderzoek rekening gehouden met de kengetallen die zijn opgenomen in de factsheet. In dit geval wordt aangesloten bij de emissiekengetallen voor type “Nieuwbouwwoningen”3. NOx in kg/jaar Consumenten Nieuwbouw
Appartement
1,11
Tussenwoning
1,55
Hoekwoning
1,83
2-onder-één-kap
2,17
3,03 Vrijstaande woning Tabel 3: emissiekengetallen factsheet “Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden”
De totale emissie vanuit de 33 woningen is als volgt: NOx in kg/jaar Consumenten 18 geschakelde/2-onder-1 kap
39,06
14 rijwoningen/tussenwoningen
21,70
1 vrijstaande woning
3,03
Totaal Tabel 4: emissie beoogde situatie
63,79
Emissie vanuit de verkeer aantrekkende werking in de gebruiksfase: Projecten kunnen leiden tot extra verkeer en vervoer (wegverkeer) van en naar het projectgebied. Wanneer verkeer- en vervoersbewegingen van en naar het projectgebied worden meegenomen als emissiebron, dan moet vervolgens bepaald worden tot welke afstand deze moeten worden meegenomen in het onderzoek. Hier zijn in de praktijk geen harde criteria voor.
3 De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) en bouwbesluit stuurt erop aan dat nieuwbouwwoningen per 1 juli 2018
aardgasloos gerealiseerd moeten worden. De wetgeving biedt wel ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien (het “Nee, tenzij”principe). Naast aardgas zou t.b.v. de verwarming van nieuwbouwwoningen ook andere brandstoffen toegepast kunnen worden zoals bijvoorbeeld houtpellet- of biomassakachel. Volledigheidshalve wordt derhalve rekening gehouden met de standaard emissiegetallen uit de factsheet (worst-case). Pagina 9 van 14
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
Er dient in alle gevallen een onderbouwde afweging gemaakt te worden tot waar het verkeer meegenomen wordt. Een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt.4 De opgenomen rijlijn vanuit het projectgebied is rechtsaf de parallelweg op, dan linksaf naar de Keppelseweg de N317. Het extra verkeer is berekend op basis van de landelijke CROW-richtlijnen. In de kerncijfers wordt een uitsplitsing gemaakt tussen diverse woningtypen. Elk woningtype genereert namelijk een ander aantal voertuigen per weekdagetmaal. In tabel 5 zijn de verschillende kengetallen voor verkeersgeneratie weergegeven. Woningtype
Minimaal CROWkengetal 6,9
Tussen/hoekwoning (koop) Twee-onder-één-kap 7,3 (koop) Etage duur (huur) 5,5 Vrijstaande woning 7,7 (koop) Sociale woning (huur) 5,0 Tabel 5: CROW-kengetallen per woningtype
Maximaal CROWkengetal 7,7
Gemiddeld CROWkengetal 7,3
8.1
7,7
6,3 8,5
5,9 8,1
5,8
5,4
De CROW geeft twee mogelijke kengetallen, een minimaal en een maximaal kengetal. Voor de berekening van het extra verkeer is, zoals gebruikelijk, het gemiddelde van deze twee gehanteerd. Voor de 33 woningen wordt aangesloten bij het gemiddeld kengetal van woningtype vrijstaande woning, tussen/hoekwoning en twee-onder-één kapwoning. In AERIUS-calculator kunnen voertuigbewegingen enkel als gehele getallen worden ingevoerd en worden daarom afgerond (zonder decimalen).
4
Hierbij wordt aangesloten bij de huidige jurisprudentie: -
Uitspraak Raad van State E03.99.0110, 20 juni 2001; Uitspraak Raad van State 200803554/1, 14 januari 2009; Uitspraak Raad van State 201506346/1/A1 van 6 juli 2016.
Pagina 10 van 14
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
Woningtype Vrijstaande woning (koop) Tussen/hoekwoning (koop) Twee-onder-één-kap (koop)
Gemiddeld CROWkengetal 8,1
Aantal woningen 1
Aantal extra bewegingen 8,1
7,3
18
131,4
7,7
14
107,8
Totaal
247,3
Tabel 6: berekening aantal voertuigbewegingen
Het totaal aantal vervoerbewegingen is 247. In AERIUS-calculator kunnen enkel gehele getallen worden ingevuld.
Pagina 11 van 14
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
6
Rekenresultaten
Voor onderhavige berekeningen is gebruik gemaakt van de meest recente versie van AERIUSCalculator (beschikbaar via https://www.aerius.nl/nl). Via de module is het mogelijk om pdf-bestanden te genereren vanuit AERIUS-Calculator. Deze Pdf-bestanden zijn onderdeel van deze rapportage en worden gelijktijdig met dit rapport aangeboden. Tegelijktijdig bij het aanbieden van deze rapportage worden derhalve de Pdf-bestanden digitaal aangeboden. De Pdf-bestanden van de volgende berekeningen zijn digitaal toegevoegd (bijlage 1): - Aanlegfase: AERIUS_bijlage_20201104083718_RxRT9ytCUJGi; - Gebruiksfase: AERIUS_bijlage_20201104102134_S4GJ35YDeJb6.
Afbeelding 3: rekenresultaten AERIUS-Calculator aanlegfase
Afbeelding 4: rekenresultaten AERIUS-Calculator gebruiksfase Pagina 12 van 14
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
7
Conclusie
Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in zowel de aanlegfase en de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. In beide situaties bedraagt de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jr. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura-2000 gebieden veroorzaakt. Conform de factsheet “Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000gebieden” is er geen passende beoordeling noodzakelijk.
Pagina 13 van 14
Rapportnummer: QUO-16184-X2F0D4 © van Empel Inspecties en Advisering
8
Bijlagen
De volgende bijlagen zijn toegevoegd: Bijlage
Naam
1
Pdf-bestanden (digitaal per e-mail)
2
Factsheet “Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden”
Pagina 14 van 14
Rapportnummer: © van Empel Inspecties en Advisering
Bijlage 1: PDF-bestanden uitvoer AERIUS-Calculator (digitaal aangeleverd)
Rapportnummer: © van Empel Inspecties en Advisering
Bijlage 2: Factsheet “Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden”
Versie 22 november 2019 Deze Factsheet wordt regelmatig ge-update. We vinden het belangrijk de informatie die nu beschikbaar is snel te delen. Wij streven naar correcte en actuele informatie op deze site, maar kunnen niet garanderen dat de informatie juist is op het moment waarop zij wordt ontvangen, of dat de informatie na verloop van tijd nog steeds juist is. Daarom kunt u aan de informatie op deze pagina's geen rechten ontlenen De meest up-to-date versie is steeds te vinden op www.woningmarktbeleid.nl.
Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden Inleiding De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Raad van State) heeft op 29 mei 2019 (zie: ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604) beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna: ‘PAS’) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van (dier)soorten (hierna gemakshalve gezamenlijk aangeduid als: ‘beschermde habitats’) in Natura 2000-gebieden. Deze beslissing heeft consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, de aanleg van vaar-, spoor-, en rijwegen, de bouw van nieuwe bedrijven en agrarische activiteiten die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Doordat het PAS niet meer gebruikt mag worden als basis voor toestemmingverlening voor activiteiten die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie, is het een stuk ingewikkelder geworden om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en te realiseren die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden.
Complicerende factor hierbij is dat stikstof tot op grote(re) afstand van de bron neerslaat en er 118 Natura 2000-gebieden met (overbelaste) stikstofgevoelige habitats verspreid over Nederland liggen. Nu het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen, ook op grote afstand van Natura 2000-gebieden, sinds 29 mei 2019 weer toestemming op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) vereist. Dit kan via het ‘aanhaken’, dat wil zeggen als onderdeel van een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht (hierna: Wabo) of via een aparte vergunning op grond van de Wnb (hierna: natuurvergunning). Gedeputeerde Staten (en in een aantal gevallen het ministerie van LNV) zijn het bevoegde gezag voor deze natuurvergunning. Zij dienen te beoordelen of voor een project een natuurvergunning is vereist. Voor bestemmingsplannen geldt weliswaar geen natuurvergunningsplicht, maar er geldt wel dat zij net zoals projecten aan de eisen van de Wnb moeten voldoen. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet daarom beoordeeld worden of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder omstandigheden (als er sprake is van Pagina 1 van 17
Datum 22 november 2019
een kans op significant negatieve effecten ter plaatse van een Natura 2000-gebied) moet er een passende beoordeling (en als gevolg daarvan voor plannen ook een milieueffectrapportage) worden gemaakt. Sinds 29 mei 2019 mag de generieke passende beoordeling die ten grondslag lag aan het PAS, niet meer gebruikt worden. In deze factsheet wordt ingezoomd op de gevolgen van de uitspraken van 29 mei 2019 voor woningbouwontwikkelingen. Via onderstaande links kan de lezer direct doorklikken naar de voor hem of haar relevante informatie.
Wat hield het PAS ook alweer in? Voor welke activiteiten bood het PAS een kader voor toestemmingverlening? Essentie van de uitspraken van de Raad van State van 29 mei 2019 Wat zijn de eerste concrete gevolgen van de uitspraken van 29 mei 2019? Kunnen woningbouwplannen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van een Natura 2000-gebied? Wij zijn bezig met de voorbereiding van een bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt. Hoe moeten wij rekening houden met de stikstofgevolgen van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen? Uit de voortoets blijkt dat significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Hebben wij daarmee voldaan aan onze onderzoeksverplichtingen en kunnen wij overgaan tot vaststelling van het bestemmingsplan? Uit de voortoets blijkt dat de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningbouw significant negatieve effecten kan hebben op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Wat zijn daarvan de consequenties? Uit de passende beoordeling blijkt dat significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden niet kunnen worden voorkomen. Wat moeten wij doen? Er ligt een onherroepelijk bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt. Moeten wij c.q.