Bijlagen toelichting_Bijlage 3 Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Keppelseweg tussen 384 en 404 Langerak Quickscan flora & fauna - effecten van geplande woningbouw op beschermde natuurwaarden
VOF Claus & van den Boom 22 juni 2021
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Keppelseweg tussen 384 en 404 Langerak VOF Claus & van den Boom
Quickscan flora & fauna - effecten van geplande woningbouw op beschermde natuurwaarden Definitief 03 22 juni 2021 111603/21-009.822
111603 mw. drs. T. Klumper ing. R.W.M. Jansen
H. Kamperman MSc ir. W.B. Roosen drs. T. Klumper
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel
5
1.3
Leeswijzer
5
2
PLANGEBIED
6
2.1
Beschrijving
6
3
TOETSINGSKADER
8
3.1
Wet natuurbescherming
8
3.1.1 3.1.2
8 8
Gebiedsbescherming Soortenbescherming
3.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
10
4
GEBIEDSBESCHERMING
13
4.1
Natura 2000 (Wet natuurbescherming)
13
4.1.1 4.1.2
13 14
4.2
Gegevens Effecten en conclusie
Natuurnetwerk Nederland (Omgevingsverordening Gelderland)
15
4.2.1 4.2.2
15 16
Gegevens Effecten & conclusie
5
SOORTENBESCHERMING
17
5.1
Methode
17
5.2
Beschrijving per soortgroep
17
5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels
17 18 22 25
5.2.5 5.2.6 5.2.7
Amfibieën Reptielen Vis
29 31 32
5.2.8
Vlinders, libellen en andere ongewervelden
32
6
SAMENVATTING EN CONCLUSIE
34
6.1
Gebiedsbescherming
34
6.2
Soortenbescherming
34
7
LITERATUUR
39
Laatste pagina
39
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Instandhoudingsdoelen (IHD’s) Natura 2000
3
II
Voortoets stikstofdepositie
59
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
VOF Claus & van den Boom heeft in 2005 het plangebied aan de Keppelseweg in Langerak gekocht. Voor de locatie had VOF Claus & van den Boom een bouwplan voor 15 woningen. Het destijds voorziene bouwplan is echter door veranderende marktomstandigheden financieel niet meer haalbaar. Er is daarom een nieuw bouwplan ontwikkeld, waarin 33 woningen zijn voorzien. Voor het mogelijk maken van het bouwplan dient een planologische procedure doorlopen te worden. De gemeente Doetinchem heeft de initiatiefnemer gevraagd hiervoor een ruimtelijke onderbouwing aan te leveren. Onderdeel van deze onderbouwing is een quickscan flora en fauna, waarin de effecten van de bouwplannen op aanwezige beschermde natuurwaarden worden onderzocht. De geplande werkzaamheden voor de realisatie van de 33 woningen kunnen effecten hebben op beschermde natuurwaarden in en rondom het plangebied voor deze woningen. In deze quickscan worden mogelijke effecten op aanwezige beschermde natuurwaarden door de geplande werkzaamheden beoordeeld en getoetst. Naast het bepalen van de effecten van het voornemen op beschermde soorten, worden ook de juridische consequenties en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen, zoals een ontheffingsaanvraag en eventuele mitigerende en/of compenserende maatregelen, inzichtelijk gemaakt.
1.2
Doel
Het doel van deze quickscan is om te toetsen: - welke effecten de werkzaamheden voor de realisatie en de gebruiksfase van de 33 woningen hebben op: · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb); · beschermde soorten in het kader van de Wnb; · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen).
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied en de geplande werkzaamheden. Hoofdstuk 3 gaat in op het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving. In hoofdstuk 4 wordt verkend of er effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden die vallen binnen de Wet natuurbescherming (Wnb). Hoofdstuk 5 beschrijft per soortgroep of er in of nabij het plangebied beschermde soorten aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen op deze beschermde soorten Wnb zijn. In hoofdstuk 6 wordt verkend of er effecten zijn te verwachten op beschermde NNN-gebieden. In hoofdstuk 7 zijn de belangrijkste conclusies samengevat en in hoofdstuk 8 staat is de geraadpleegde literatuur weergegeven.
5 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
2 PLANGEBIED 2.1
Beschrijving
Het plangebied betreft een circa 1 ha groot braakliggend perceel in het dorp Langerak (gemeente Doetinchem). Het bouwplan betreft de realisatie van 33 woningen (afbeelding 2.1). De geplande werkzaamheden betreffen dan ook een breed spectrum aan bouwactiviteiten waarbij wordt gewerkt met zwaar materieel.
Afbeelding 2.1 Locatie plangebied en het bouwplan
In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een open braakliggend terrein waar een aantal jaar geleden alle opslag en struweel is verwijderd. In de afgelopen jaren is er weinig gebeurd, waardoor delen van het gebied weer begroeid zijn geraakt. Vooral in het noordwestelijk deel van het plangebied is dit het geval. In dit deel van het gebied zijn ook houtstapels die hier jaren geleden zijn achtergelaten aanwezig. In het overige deel van het gebied is de bodem plaatselijk kaal of zeer kort afgegraasd. Er is een grote hoeveelheid konijnenburchten aanwezig. Direct rondom het plangebied bevinden zich een aantal woningen met pannendaken en tuinen, en aan de noordkant staat een rij zomereiken. Op korte afstand (300 m) ten noorden van het plangebied bevindt zich het bosgebied Kruisbergsche bosschen, waarin gemengd bos wordt afgewisseld met vennen en heideveldjes.
6 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Afbeelding 2.2 Impressie van het plangebied
7 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
3 TOETSINGSKADER 3.1
Wet natuurbescherming
3.1.1 Gebiedsbescherming In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000 -gebieden. Projecten of andere handelingen, die gelet op de instandhoudingdoelen (IHD), verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000 -gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming vergunningsplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een ‘passende beoordeling’ te worden uitgevoerd. Kunnen dergelijke significante effecten wel worden uitgesloten, maar kan er wel enige verslechtering plaatsvinden, dan kan dit middels een voortoets worden aangetoond.
In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000 -gebied, moet de vergunning, c.q. de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de ‘ADC-criteria’ voldaan wordt. Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000 -netwerk gewaarborgd blijft (C). Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de IHD die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. IHD betreffen zowel habitattypen als (leefgebieden van) habitat- en vogelsoorten. In het kader van de alternatievenafweging wordt beoordeeld of er onderscheid is in de mate waarin de verschillende alternatieven effect hebben op de IHD en of er voor de verschillende alternatieven de kans bestaat dat significant negatieve effecten optreden.
3.1.2 Soortenbescherming Onder de Wet natuurbescherming bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en ‘andere soorten’ (artikel 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, toegelicht.
8 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen.
Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen. Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.
Jaarrond beschermde nesten zijn: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil); 2 nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw en huismus); 3 nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil en slechtvalk); 4 vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil). Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor planten heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern.
Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd.
9 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
‘Andere soorten’ Het beschermingsregime voor de ‘andere soorten’ heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden. Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of - te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Zowel het Ministerie van LNV als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht beschreven: ’Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving.
Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd.
3.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het provinciaal beleid met betrekking tot het NNN binnen Gelderland is in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland1 opgenomen. Hierin is het NNN binnen Gelderland opnieuw gedefinieerd als het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De gebieden die nog niet als natuur zijn ingericht in de voormalige Ecologische Hoofdstructuur heten nu de Groene Ontwikkelingszone (GO). De juridisch e uitwerking van het beleid in het kader van het GNN/GO is opgenomen in de Omgevingsverordening 2. Het GNN bestaat uit de voormalige gronden binnen de EHS en zoekgebieden voor nog te realiseren natuur. In het GNN is uitsluitend sprake van een natuurbestemming. De GO bestaat daarentegen uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het GNN. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. De Ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden. Enkele weidevogelreservaten maken deel uit van het GNN. Door de samenhang met de aangrenzende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. De wezenlijke kenmerken en waarden binnen het GNN en GO worden in de provincie Gelderland gevormd door kernkwaliteiten. Voor 185 deelgebieden binnen Gelderland zijn gebiedsspecifieke kernkwaliteiten geformuleerd.
Deze zijn opgenomen in de bijlage ‘Kernkwaliteiten Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone’ bij de Omgevingsverordening. Naast de gebiedsspecifieke kernkwaliteiten zijn er in de bijlage bij de Omgevingsverordening de volgende algemene kernkwaliteiten vastgelegd: ‘Tot de kernkwaliteiten behoren ook de milieucondities, die de voorwaarde vormen voor het voortbestaan van de natuur: de ecologische samenhang, de stilte, duisternis, de openheid en de rust. Het benoemen van de
1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, vastgesteld door PS op 19 december 2018. 2 Geconsolideerde Omgevingsverordening provincie Gelderland, vastgesteld door PS op 31 maart 2021.
10 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
milieucondities als kernkwaliteit betekent dat nieuwe plannen en projecten geen verslechtering van de milieucondities mogen veroorzaken.’ De ecologische beoordeling van effecten op de kernkwaliteiten is voor GNN en GO hetzelfde. Per deelgebied gelden voor het GNN en GO dan ook dezelfde kernkwaliteiten. De plaats die de ecologische beoordeling van de kernkwaliteiten inneemt binnen de bepaling of mitigerende en compenserende maatregelen aan de orde zijn, is voor het GNN echter anders dan voor het GO. Dit wordt door middel van onderstaande paragrafen toegelicht. Beschermingsregime GNN Het beschermingsregime voor het GNN is een directe doorvertaling van het ‘Nee, tenzij-regime’ uit de Spelregels EHS. Voor het GNN geldt dat bestemmingswijzigingen in bestaande natuur niet zijn toegestaan, tenzij: - er geen reële alternatieven aanwezig zijn; - er sprake is van redenen van groot openbaar belang; - de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; - en de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd. Omdat in principe geen nieuwe functies in het GNN zijn toegestaan, geldt ruimtebeslag binnen het GNN op grond van de verordening altijd als een significante aantasting.
Deze aantasting moet worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Om te bepalen hoe deze compensatieopgave er uit moet zien, wordt beoordeeld welke natuurwaarden in het licht van de kernkwaliteiten ter plaatse van het ruimtebeslag verdwijnen . Hierbij geldt steeds dat de oppervlakte aan natuurwaarden die ter plaatse van het onderzoeksgebied verdwijnt, gelijkwaardig gecompenseerd moet worden. In het kader van de beoordeling van het GNN is geen sprake van externe werking. Dit betekent dat (naast aantasting door oppervlakteverlies) alleen verstorende effecten op het GNN worden bepaald als direct gevolg van dat gedeelte van de activiteit dat binnen het GNN gelegen is. Als bijvoorbeeld het gedeelte van de activiteit dat binnen het GNN gelegen is aanvullend ook geluidsverstoring veroorzaakt en de aanwezige kernkwaliteiten hier gevoelig voor zijn, wordt deze aantasting, indien significant, eveneens gemitigeerd/gelijkwaardig gecompenseerd. Vanuit een zorgvuldige planvoorbereiding en goede ruimtelijke ordening dient er echter wel aandacht te zijn voor de gevolgen van het plan op de kernkwaliteiten van nabijgelegen GNN. Beschermingsregime GO De GO heeft een dubbeldoelstelling: er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang met aangrenzende natuurgebieden.
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO worden geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, tenzij: - geen reële alternatieven aanwezig zijn; - sprake is van redenen van groot openbaar belang; - de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt, en; - de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd. In tegenstelling tot het GNN staat ruimtebeslag binnen het GO dus niet direct gelijk aan een significante aantasting, maar zijn ruimtelijke ontwikkelingen wel mogelijk. Of er sprake is van een significante aantasting van het GO wordt bepaald aan de hand van de kernkwaliteiten van het deelgebied waarbinnen de ontwikkeling plaatsvindt. Indien er sprake is van een significante aantasting van deze kernkwaliteiten of de samenhang van natuurwaarden binnen het GNN/GO, dienen de effecten op deze kernkwaliteiten
11 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
gemitigeerd of gelijkwaardig gecompenseerd te worden. Dit geldt niet alleen voor effecten als gevolg van oppervlakteverlies, maar ook andere verstorende effecten. Andere verstorende effecten die als direct gevolg van de activiteit binnen het GO optreden, dienen beoordeeld te worden.
12 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
4 GEBIEDSBESCHERMING 4.1
Natura 2000 (Wet natuurbescherming)
4.1.1 Gegevens Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de ‘Rijntakken’, op circa 8 kilometer ten noordwesten van het plangebied (afbeelding 4.1). Dit gebied heeft de status van Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn gebied [lit. 1].
Afbeelding 4.1 Dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bij het plangebied
Hieronder wordt voor het Natura 2000-gebied een korte beschrijving gegeven en worden de relevante aandachtspunten voor het gebied beschreven.
13 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Rijntakken Het Natura 2000-gebied Rijntakken omvat 4 deelgebieden [lit. 1]: 1. Uiterwaarden IJssel; 2. Uiterwaarden Neder-Rijn; 3. Gelderse Poort; 4. Waal. Het in afbeelding 4.1 weergegeven deel van het gebied Rijntakken betreft ‘Uiterwaarden IJssel’. Hieronder worden daarom de aandachtspunten voor dit deelgebied beschreven. De andere deelgebieden worden niet nader beschreven omdat deze op nog grotere afstand liggen en effecten (afgezien van stikstofdepositie) daardoor helemaal uit te sluiten zijn. Uiterwaarden IJssel Het deelgebied Uiterwaarden IJssel omvat het systeem van de rivier de IJssel, de aanliggende oeverwallen en de uiterwaarden. De IJssel is een zijtak van de Rijn en loopt van Arnhem tot aan het IJsselmeer. Het landschap is ontstaan in een periode dat de rivier een veel groter deel van de waterafvoer verzorgde en de monding nog een echte delta was. De IJssel neemt in perioden van hoge afvoer 1/6 deel van de Rijnafvoer voor haar rekening. In perioden met lage afvoer wordt het water op peil gehouden door de stuw in de Neder- Rijn. Gedurende het winterhalfjaar zijn grote delen van de uiterwaarden geïnundeerd raken. De overstromingsduur en -frequentie variëren sterk van jaar tot jaar. Er zijn grote verschillen in het buitendijkse gebied, verschillen in hoogteligging, afwisseling tussen smalle en brede delen en tussen dichte kleinschalige en grote open delen.
Plaatselijk treedt grondwater uit en monden beken uit in het IJsseldal. Zandige kalkrijke oeverwallen en rivierduinen worden afgewisseld met kleiige, vlakke stroomdalen. Bij Arnhem en Dieren snijdt de rivier de stuwwal van de Veluwe aan. Tot aan Olst zijn in het verleden brede meanders (kronk elwaarden) gevormd. In het middendeel stroomt de rivier tussen relatief smalle, hoog gelegen uiterwaarden. Bij Zalk, in het benedendeel, krijgt de rivier een breder bed dat bij Kampen overgaat in een kleine delta. Dit jong gebied is gevormd na de Romeinse tijd en voor de afsluiting van het IJsselmeer. Tussen Dieren en Wijhe liggen veel landgoederen met daarbij behorende oude verkavelingspatronen, heggen en bossen. Het landschap van het noordelijkste deel is open en wordt gekenmerkt door grasland. Een aantal vrijwel onvergraven en reliëfrijke uiterwaarden zoals Cortenoever, Rammelwaard, Ravenswaard en Scherenwelle, vormt een kleinschalig oud cultuurlandschap met daarin stroomdalgraslanden, kievitsbloemhooilanden en glanshaverhooilanden. In reliëfrijke delen komt plaatselijk hardhoutooibos voor.
De IJssel verbindt een aantal natuurgebieden met elkaar: - de natuurgebieden langs de rivieren, in de Gelderse Poort en bovenstrooms langs de Rijn in het zuiden; - de laagveenmoerassen van Noordwest Overijssel in het noorden; - de Randmeren en het Ketelmeer met aansluiting op het IJsselmeer in het westen. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en nietbroedvogels [lit. 1]. Een overzicht van deze habitattypen en soorten, en hun landelijke staat van instandhouding en doelstelling staat in bijlage I.
4.1.2 Effecten en conclusie Fysieke effecten Het plangebied ligt op relatief grote afstand (tenminste 8 kilometer) van omliggende Natura 2000-gebieden. Als gevolg van deze afstand tussen het plangebied en de Natura 2000 -gebieden kan worden uitgesloten dat effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring optreden binnen de betreffende Natura 2000-gebieden als gevolg van het voornemen. Stikstofdepositie Door de aard en omvang van de werkzaamheden, in combinatie met de afstand ( circa 8 kilometer) tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied (Rijntakken) zijn effecten van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. De omvang en reikwijdte van de stikstofdepositie door de werkzaamheden en/of
14 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
het gebruik is in een voortoets stikstofdepositie (bijlage II) inzichtelijk gemaakt. Geconcludeerd wordt dat uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. In beide situaties bedraagt de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling namelijk 0,00 mol/ha/jr. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase, geen significant nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Overige indirecte effecten Indirecte effecten kunnen een zeer grote reikwijdte hebben. Voorbeelden van mogelijke indirecte effecten zijn ‘verzuring’, ‘verzoeting’, ‘verzilting’, ‘verontreiniging’, ‘verdroging’ of ‘vernatting’. De realisatie van de 33 woningen zorgt niet voor één van deze effecten binnen de omliggende Natura 2000-gebieden omdat de werkzaamheden geen effect hebben op de waterhuishouding of verontreiniging veroorzaken.
4.2
Natuurnetwerk Nederland (Omgevingsverordening Gelderland)
4.2.1 Gegevens In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende gebieden behorende tot het NNN -netwerk van de provincie Gelderland. In Gelderland wordt Gelders Natuurnetwerk (GNN) genoemd waarbij ook Groene Ontwikkelingszones (GO) zijn aangeduid. Het dichtstbijzijnde perceel GO is gelegen op een afstand van circa 100 meter en het dichtstbijzijnde perceel GNN op een afstand van circa 120 meter ten oosten van het plangebied. Het GNN en GO nabij het plangebied maakt onderdeel uit van het deelgebied ‘Landgoederen Hummelo - Keppel en Oude IJssel’. De kernkwaliteiten voor dit deelgebied zijn weergegeven onder de onderstaande afbeelding met de ligging van het GNN en GO.
Afbeelding 4.2 Gelders Natuurnetwerk inclusief Groene ontwikkelingszones nabij het plangebied1
1
Kaart gemaakt in QGIS. GNN en GO gebieden afkomstig uit dataset: https://data.overheid.nl/dataset/8765-omgevingsvisie-ecologische-verbindingszones--provincie-gelderland.
15 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Kernkwaliteiten natuur en landschap Voor het deelgebied ‘Landgoederen Hummelo - Keppel en Oude IJssel’ gelden de volgende kernkwaliteiten: - kleinschalig kampen- en rivierenlandschap met vroegere heide, boslandschap en broekontginning; landgoederen met deels oud bos, restanten schraalland en heide; veel gradiënten tussen rivier en zandlandschap van de rivierduinen; - parel/A-locatie bos: Heekenbroek: gevarieerd bosgebied op oude rivierleem met stroomruggen en geulen; op de stroomruggen staat vochtig wintereiken-beukenbos, op nattere delen staat kamperfoelierijk eikenhaagbeukenbos en elzenrijk essen-iepenbos; voor een deel bestaat het bos uit hakhout op rabatten; veel karakteristieke bossoorten; - parel Ven op Hagen: door grondwater gebufferd ven in de Kruisbergsche Bosschen met zeldzame planten; ook voor amfibieën, w.o. de knoflookpad van belang; - de evz Oude IJssel-west verbindt dit gebied met het IJsseldal en naar het oosten met Duitsland - leefgebied das; - leefgebied otter ; - leefgebied steenuil; - leefgebied kamsalamander; - cultuurhistorische waarden van de landgoederen, oude ontginningen en kavelpatronen, hakhout, houtwallen, singels, heide en ven en boerderijen; - abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, grondwaterreservoir; - ecosysteemdiensten: recreatie, drinkwater.
4.2.2 Effecten & conclusie Het plangebied grenst niet aan en is geen onderdeel van een GNN- of GO-gebied. Het dichtstbijzijnde perceel waarop de verschillende kernkwaliteiten aanwezig zijn ligt op circa 100 m ten oosten van het plangebied. Aangezien het plangebied buiten de grenzen van het GNN ligt, en de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland geen bepalingen ten aanzien van externe werking bevat, is er geen sprake van directe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. Vervolgstappen zijn daardoor niet nodig. In het kader van een zorgvuldige planvoorbereiding en een goede ruimtelijke ordening is wel beoordeeld of het plan de kernkwaliteiten van nabijgelegen GNN/GO nadelig kan beïnvloeden. Geoordeeld wordt dat het plan geen negatieve effecten heeft op de kwaliteiten, samenhang en de oppervlakte van het GNN/GO. De invloed van het plan op GNN/GO zal minimaal zijn. Er is reeds bebouwing rondom het plangebied aanwezig en ten oosten van het plangebied vindt al nieuwbouw plaats. Daarnaast loopt direct ten zuiden van de planlocatie de provinciale weg N317 met aan de andere kan t van de weg de ijzergieterij Vulcanus. Circa 175 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich een motorcrossbaan.
16 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
5 SOORTENBESCHERMING 5.1
Methode
Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestaat uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 4]. Aanvullend hierop zijn, als daar aanleiding voor is, verspreidingsatlassen, internetbronnen en de op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Ter verificatie van- en als aanvulling op de bureaustudie is een veldbezoek uitgevoerd op 25 februari 2021. Soortgerichte inventarisaties en tellingen van afzonderlijke dier- en plantensoorten waren geen onderdeel van het veldbezoek; wel zijn toevallige waarnemingen van soorten of verblijfplaatsen genoteerd. Daarnaast is een habitatscan uitgevoerd. De inventarisatie is niet vlakdekkend en slechts indicatief, maar is voor deze fase voldoende gedetailleerd. Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek naar nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb.
5.2
Beschrijving per soortgroep
5.2.1 Planten Bureaustudie Uit de database van de NDFF [lit. 4] blijkt dat de afgelopen tien jaar binnen drie kilometer van het plangebied de volgende beschermde plantsoorten zijn waargenomen: glad biggenkruid en grote leeuwenklauw. De biotoopeisen van deze soorten staan beschreven in het kader hieronder. Glad biggenkruid Glad biggenkruid komt voor op zonnige, warme, open plaatsen (pioniervegetatie) op droge, voedselarme, met name stikstofarme, zwak zure, kalkarme grond (leemarm en lemig zand). De planten groeien op akkers (graanakkers en akkerranden), zeeduinen (laag blijvend duingrasland), bermen (open plekken en pas ingezaaide bermen) en grasland (gazons). Deze soort, is in Nederland nu zeer zeldzaam. Het voorkomen van de soort kent sinds 1950 een sterk dalende trend. Hij staat dan ook op de rode lijst vermeld als bedreigde soort [lit. 5]. Grote leeuwenklauw De grote leeuwenklauw groeit voornamelijk in bermen langs onverharde wegen en spoorwegen, op dijken, graanakkers, langs waterkanten en op braakliggende grond. Deze soort heeft dan ook een voorkeur voor zonnige, open plaatsen die goed gedraineerd en matig voedselrijk en kalkhoudend zijn (lemig zand, löss, leem, zavel en klei) [lit. 5]. Voorkomend in Zuid-Limburg, het Deltagebied en het rivierengebied (bron verspreidingsatlas.nl).
17 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Deze plantensoorten zijn echter alleen op één locatie op ruim een kilometer afstand van het plangebied waargenomen. De locatie betreft een open gebied in het bos, bestaande uit grasland. De soorten zijn aan de oostkant van het grasland waargenomen, waarbij glad biggenkruid alleen tegen de bosrand is waargenomen. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantsoorten waargenomen. De vegetatie binnen het plangebied bestaat uit opslag van wilgen, populieren en eiken, daarnaast zijn in de restanten van de kruidlaag van vorig jaar nog soorten als middelste teunisbloem, gewone brandnetel, pitrus, wilgenroosjes en akkerdistel herkenbaar. In onderstaande afbeelding is een impressie van de vegetatie binnen het plangebied weergegeven.
Afbeelding 5.1 Impressie vegetatie binnen het plangebied
Het plangebied en de directe omgeving bieden mogelijk geschikt biotoop aan de beschermde (vaat)planten. De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems. Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauw graslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren. Op basis van de ligging en de aard van het plangebied (braakliggend perceel op de grens van dorp en kleinschalig landschap en landbouwgebied op een voormalige rivierduin) kan niet uitgesloten worden dat beschermde plantensoorten glad biggenkruid en grote leeuwenklauw binnen het plangebied voorkomen. Effecten en conclusie Uit de database van de NDFF [lit.
4] blijkt dat er in de wijdere omgeving (drie km) van het plangebied gedurende de afgelopen tien jaar enkele waarnemingen zijn gedaan van de onder de Wnb beschermde vaatplantsoorten (glad biggenkruid en grote leeuwenklauw). Op basis van de locatie en de aanwezigheid van (deels) geschikt biotoop is het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied niet op helemaal uit te sluiten. Uit nader onderzoek naar vaatplanten, bestaande uit enkele veldbezoeken tijdens de bloeiperiode van de betreffende soorten, zal moeten blijken of het plan negatieve effecten heeft voor deze soortgroep. Indien de aanwezigheid van deze of andere beschermde soorten wordt vastgesteld, en de groeiplaatsen van deze soorten als gevolg van het voornemen worden vernietigd, dan is het voornemen ontheffingsplichtig
5.2.2 Grondgebonden zoogdieren Bureaustudie Op basis van de NDFF databank [lit. 4] zijn in de afgelopen tien jaar in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van enkele nationaal beschermde (bijlage A van de Wnb) zoogdiersoorten zoals veldmuis, konijn, haas en egel. Voor het verstoren van deze ‘Andere soorten’ van de Wnb geldt binnen de provincie Gelderland een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen.
18 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Voor niet-vrijgestelde soorten zijn in de afgelopen tien jaar in de omgeving van het onderzoeksgebied waarnemingen bekend van de zoogdiersoorten boommarter, das, eekhoorn en steenmarter van het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb. Deze soorten zijn voornamelijk waargenomen in het bosgebied Kruisbergsche Bosschen. De eekhoorn wordt daarnaast ook regelmatig in het bebouwde gebied van Langerak waargenomen. Hoewel er geen waarnemingen bekend zijn, biedt het plangebied en de directe omgeving ook geschikt biotoop aan kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel. Ook zijn er waarnemingen van de bever bekend. Deze soort valt onder het beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Er zijn geen waarnemingen binnen het plangebied. De bever is voornamelijk waargenomen in de omgeving van de Oude IJssel De habitateisen van deze soorten worden in onderstaand kader beschreven. Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en els. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste; (open of rotsige oevers worden gemeden). Boommarter De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Als behendige klimmer en springer kan hij zijn leefgebied vanaf de grond tot in de boomtoppen benutten.
Bij de boommarter wordt al gauw gedacht aan oud (loof)bos. In Nederland klopt dat beeld in ieder geval niet; de boommarter komt hier in allerlei typen en leeftijden bos voor. Boommarters leven bijvoorbeeld ook in de jonge bossen van de Flevopolders en in Moerasbossen in Overijssel en Utrecht [lit. 6]. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte gebieden. Zelfs in afgravingen, oude ertsmijnen, op kliffen en on der gebouwen wordt de das soms aangetroffen. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld. Eekhoorn Het verspreidingsgebied van de eekhoorn strekt zich uit over heel Europa en Noord-Azië. Ze leven tot op een hoogte van 2000 meter. De eekhoorn komt in grote delen van Nederland voor, vooral in Drenthe, Overijssel, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Ook in de duinen van Noord- en Zuid-Holland komen eekhoorns voor. Tussen 1960 en 1970 brak een virusziekte uit waardoor de eekhoorn in het hele land zeldzaam werd. Na 1970 heeft herstel plaatsgevonden.
Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar) omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is [lit. 7]. Steenmarter De steenmarter dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een ‘cultuurvolger’). Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt [lit. 7].
19 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Bunzing De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten [bron: zoogdierenvereniging.nl]. Hermelijn De hermelijn komt in alle habitats voor, van open plekken, in bossen, houtwallen, duinen, akkers tot vochtig terrein, De enige voorwaarde is dat er voldoende dekking aanwezig is [bron: zoogdierenvereniging.nl]. De hermelijn leeft in een hol, meestal een oud mollennest of konijnenhol en verplaats zich meestal langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes, oeverlijnen, etc. Ook maakt hij hierbij geregeld gebruik van holen van andere dieren. Een hol of gang moet een doorsnede hebben van vijf centimeter. Wezel Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap, maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland). Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen.
Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt [bron: zoogdierenvereniging.nl]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen grondgebonden zoogdieren waargenomen. Het plangebied vormt door het halfopen landschap en rommeligheid in het terrein geschikt leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten zoals verschillende muizen en spitsmuizen (bosmuis, veldmuis, veldspitsmuis, huisspitsmuis), konijn, egel en mol. Vooral de aanwezigheid van konijn werd bevestigd door de grote hoeveelheid konijnenburchten met uitgebreide gangenstelsels (afbeelding 5.2). Naast burchten werden keutels en verse sporen van konijnen aangetroffen. De burchten zijn zodoende nog in gebruik.
Afbeelding 5.2 De burchten met verse sporen wijzen duidelijk op de aanwezigheid van een grote hoeveelheid konijnen binnen het plangebied
Het plangebied vormt met zijn vele potentiële schuilplaatsen (in de vorm van konijnenholen, houtstapels en rommelige randen) en de aanwezigheid van prooi (muizen, spitsmuizen en konijnen) geschikt foerageergebied voor steenmarter en kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel. Tijdens het veldbezoek is ook een pootafdruk waargenomen die mogelijk afkomstig is van een marterachtige (afbeelding 5.3). Voor boommarter, een echte bosbewoner, vormt het plangebied geen geschikt biotoop.
20 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Voor eekhoorn vormen de grote eiken aan de noordkant van het terrein geschikt foerageergebied. Verblijfplaatsen van eekhoorn (bolvormige nesten van takken) zijn niet aanwezig.
Afbeelding 5.3 Pootafdruk mogelijk afkomstig van een marterachtige
Tijdens het veldbezoek is het plangebied gecontroleerd op de aanwezigheid van dassenburchten. Er is geen dassenburcht binnen of in de direct omgeving van het plangebied waargenomen. Tevens werden geen andere sporen van de das (wissels, pootafdrukken, mestputjes) aangetroffen tijdens het veldbezoek. Desondanks valt valt echter niet geheel uit te sluiten dat het plangebied en het halfopen landschap richting het bosgebied deel uitmaakt van het foerageergebied van de das. De aanwezigheid van bevers kan uitgesloten worden vanwege de afwezigheid van oppervlaktewater en geschikte voedselbronnen in en nabij het plangebied. Effecten en conclusie Het voorkomen van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten (bijlage A Wnb) binnen het plangebied is op basis van aanwezige biotopen en ligging van het plangebied ten opzichte van de bekende verspreiding van deze soorten niet uit te sluiten. Voor het verstoren van deze algemeen voorkomende soorten geldt binnen de provincie Gelderland een algemene vrijstelling. Wel geldt de algemene zorgplicht (zie paragraaf 3.1.2). Rondom het plangebied zijn voldoende alternatieve leefgebieden en uitwijkmogelijkheden. Door één kant op te werken tijdens de uitvoering van de eerste werkzaamheden krijgen konijnen (en ander mogelijk aanwezige soorten) de kans om het werkgebied te verlaten.
21 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Bij het vernielen van konijnenburchten dienen maatregelen genomen te worden. Met name de aanwezigheid van jonge konijnen in de burchten is een aandachtspunt. Jonge konijnen kunnen de burcht nog niet zelfstandig ontvluchten. Het vernielen van burchten waarin jonge konijnen aanwezig zijn is verboden, het vernielen van konijnenburchten mag zodoende niet plaatsvinden in de voortplantingsperiode van konijn (globaal van januari tot in juli). Buiten deze periode dient het vernielen van de burchten gefaseerd en rustig in één richting plaats te vinden, zodat dieren voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten. Het plangebied biedt potentieel geschikt foerageergebied aan eekhoorn en das. Vaste verblijfplaatsen voor deze soorten zijn echter niet aanwezig en worden zodoende niet geschaad en in geval van verstoring zijn er in de directe omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden. Hierdoor zijn negatieve effecten op deze soorten uitgesloten. Vanwege de afwezigheid van oppervlaktewater in en nabij het plangebied kan de aanwezigheid van bevers uitgesloten worden. Hierdoor zijn negatieve effecten op deze soort uitgesloten. Het plangebied biedt potentieel geschikt foerageergebied en leefgebied aan kleine marterachtigen. Negatieve effecten op deze soortgroep kunnen op voorhand niet uitgesloten worden.
Ten aanzien van deze soortgroep is overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb als gevolg van geplande werkzaamheden niet uit te sluiten. Er dient nader onderzoek naar het voorkomen van kleine marterachtigen in het plangebied uitgevoerd te worden. Dit onderzoek bestaat uit het plaatsen van enkele wildcamera’s in daarvoor bestemde Mostela’s en Struikrovers, waarmee door middel van foto’s en video’s de aanwezigheid van kleine marterachtigen wordt onderzocht. Voor de overige soorten binnen deze soortgroep is overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb als gevolg van de geplande werkzaamheden wel uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Wel geldt de algemene zorgplicht van de Wnb (zie paragraaf 3.1.2).
5.2.3 Vleermuizen Bureaustudie Alle soorten vleermuizen zijn in Nederland beschermd onder de Wnb en vallen onder bijlage IV van de habitat richtlijn (HR). Volgens de NDFF database [lit.4] komen er tenminste zes soorten vleermuizen voor in de wijdere omgeving van het plangebied. Het betreft waarnemingen van overvliegende en/of foeragerende individuen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. De habitateisen van de soorten staan in onderstaand kader beschreven. Gewone dwergvleermuis (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden. Overwinterende gewone dwergvleermuizen worden vooral bij toeval gevonden in spouwmuren, onder dakpannen, achter betimmering en daklijsten. Daarnaast zijn ze ook in spleten in de muur van kerktorens, en in spleten in grotten, groeves, betonnen bruggen en parkeergarages en dergelijke gevonden. Ze kiezen temperatuurgevoelige winterslaapplaatsen. Bij vorst zoeken ze vaak verwarmde huizen op [lit. 7].
Gewone grootoorvleermuis De gewone grootoorvleermuis komt verspreid over heel Nederland voor, maar nergens in grote aantallen. De soort is sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden en is in de open polderlandschappen in West- en Noord-Nederland een zeldzaamheid. De gewone grootoorvleermuis gebruikt zeer uiteenlopende soorten verblijfplaatsen. Ze worden in de zomer aangetroffen op zolders, achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in
22 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
bomen en in nest- en vleermuiskasten. Ze verhuizen vaak. Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders (lit.7). Laatvlieger Kraamkolonies komen voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. Laatvliegers bewonen een netwerk van verschillende huizen die op een afstand van hooguit enkele honderden meters van elkaar liggen. Ze verhuizen soms wel, maar zijn in principe erg plaats- en gebiedstrouw. In de winter zoeken laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen op zoals spouwmuren, spleten en scheuren in zolders, oude kelders en soms ook kieren dicht bij de ingang van grotten [lit. 7]. Rosse vleermuis Kraamkolonies zijn hoofdzakelijk bekend uit laaggelegen gebieden in Noord-Duitsland en Nederland. De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. In Midden Europa staat de rosse vleermuis bekend als een trekkende soort. Met behulp van ringonderzoek zijn in het verleden ook in Nederland waarnemingen gedaan die wijzen op trek.
Anderzijds zijn er gebieden waar tijdens alle seizoenen rosse vleermuizen gevonden kunnen worden [lit. 7]. Ruige dwergvleermuis Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Twee Nederlandse kolonies bewoonden spouwmuren. Vele solitaire mannetjes of kleine groepen zijn gevonden in spleten en gaten in bomen, achter loshangend schors en in kasten. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend [bron: lit. 7]. Watervleermuis De watervleermuis is een boombewonende soort van half open tot gesloten, waterrijk en bosrijk landschap. Grotere dichtheden worden vooral daar gevonden waar zowel beschut water als ouder bos of oudere bomen aanwezig zijn. De verspreiding toont een duidelijke binding met de oudere bossen in de duinen in het westen van Nederland, en de bossen op de hogere zandgronden en het krijtlandschap in het oosten en zuiden van Nederland. Desondanks komt de soort ook voor in het laagland op plaatsen waar oudere bossen of parken aanwezig zijn. In het noordwestelijke laagland worden in bosarme omgeving soms kleine groepen op zolders gevonden [lit. 7].
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen waarnemingen gedaan van (sporen van) vleermuizen. Het plangebied betreft half begroeid terrein (met jonge opslag) en open plekken. Rondom het terrein zijn zowel gebouwen als grote bomen te vinden en oppervlaktewater is alleen op grotere afstand aanwezig. Door de bebouwing en het opgaande groen zijn luwe omstandigheden aanwezig binnen het plangebied. Het is dan ook niet uit te sluiten dat het plangebied een geschikt foerageergebied vormt voor in de omgeving aanwezige vleermuizen. De hogere zomereiken aan de noordwestkant van het plangebied vormen door hun omvang potentiële verblijfplaatsen voor boom bewonende vleermuissoorten (bijvoorbeeld ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis). Geschikte holen en spleten (verblijfplaatsen) waren echter niet zichtbaar. De bebouwing aan de rand van het terrein kan ook geschikte verblijfplaatsen bieden aan gebouwbewonende vleermuizen (laatvlieger en gewone dwergvleermuis). Binnen het plangebied zijn geen objecten aanwezig waarin geschikte verblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn. Effecten en conclusie In de wijde omgeving van het plangebied zijn verschillende waarnemingen bekend van vleermuizen. Het betreft waarnemingen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis.
23 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
Foerageergebied en vliegroutes Tijdens de werkzaamheden kunnen n de omgeving foeragerende en overvliegende vleermuizen worden verstoord wanneer de werkzaamheden zorgen voor geluid, licht of trillingen in het gebied. Het verstoren (en daarmee tevens indirect aantasten van verblijfplaatsen) van vleermuizen is onder de Wnb verboden. Deze vorm van verstoring is echter te voorkomen door werkzaamheden die veel geluid en trillingen veroorzaken (bijvoorbeeld het heien of intrillen van palen of damwanden) uit te voeren buiten de actieve periode voor vleermuizen, bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december tot februari). Waar verlichting nodig is dient gebruik te worden gemaakt van efficiënt lichtbeheer.
Dit dient gedaan te worden door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting; - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht); - gebruikt te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel één bepaalde kant (en weg van het foerageergebied/ de vliegroute) richten; - gebruik te maken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; - voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties. Verblijfplaatsen Het terrein is omgeven door zowel gebouwen als hoge bomen waarin geschikte verblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn voor vleermuizen. De bomen en de gebouwen rondom het plangebied blijven echter ongemoeid waardoor er geen sprake is van mogelijke vernietiging van verblijfplaatsen. Er zijn tijdens het veldbezoek geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen binnen het plangebied en van het vernietigen van verblijfplaatsen bij de werkzaamheden is daarom geen sprake. Ook zijn er geen verblijfplaatsen geconstateerd in de bomen aan de rand van het plangebied.
Wel kunnen er in de bebouwing grenzend aan het plangebied verblijfplaatsen aanwezig zijn. Deze kunnen wel als gevolg van de werkzaamheden worden verstoord. Het verstoren van verblijfplaatsen van vleermuizen is onder de Wnb verboden. Deze vorm van verstoring is echter te voorkomen door de werkzaamheden die veel geluid en trillingen veroorzaken (bijvoorbeeld het heien of intrillen van palen of damwanden) uit te voeren buiten de actieve periode voor vleermuizen, bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december tot februari). Indien dit niet mogelijk is, dan dient conform het vleermuisprotocol 2021 de aanwezigheid van verblijfplaatsen in de aangrenzende bebouwing te worden onderzocht. In de gebruiksfase van het plan zijn er meer huizen en tuinen beschikbaar voor de vleermuizen die momenteel in de omgeving verblijven. Een dergelijk ‘kleinschalig landschap’ biedt mogelijkheden aan vleermuizen om te foerageren en te verblijven. Uiteraard gaan nieuwe woningen gepaard met meer licht dan in de huidige situatie van een braakliggend terrein. De soorten die reeds in de huidige woningen verblijven zijn echter gewend aan enige mate van lichtverstoring en zijn hiervoor weinig gevoelig. Sterker nog, enkele soorten profiteren juist van verlichting door de door het licht aangetrokken insecten te vangen.
Daarmee kan met de realisatie van het plan het gebied juist geschikter worden voor vleermuizen. Met name wanneer in de nieuwbouw rekening wordt gehouden met het inbouwen van verblijfplaatsen of de spouwmuren toegankelijk te houden. Hierdoor zijn negatieve effecten van het voornemen op de lokale instandhouding van vleermuizen in de gebruiksfase bij voorbaat uit te sluiten. Kortom, zolang gedurende de werkzaamheden rekening wordt gehouden met in de omgeving van het plangebied verblijvende vleermuizen door werkzaamheden op een aangepaste werkwijze en met een aangepaste planning uit te voeren, is een overtreding van de Wnb te voorkomen. In dat geval is nader (jaarrond) onderzoek en een ontheffingsaanvraag zijn in dat geval niet nodig.
24 | 39
Witteveen+Bos | 111603/21-009.822 | Definitief 03
5.2.4 Vogels Bureaustudie Alle in Nederland inheemse broedvogels zijn beschermd door de Wnb. Op basis van de ligging en de kenmerken van het halfopen landschap met bos, struweel, gras- en akkerland rondom het plangebied wordt verwacht dat er een groot aantal algemeen voorkomende broedvogels voorkomen in de omgeving van het plangebied. Hierbij valt te denken aan soorten zoals houtduif, ekster, zwarte kraai, kauw, gaai, merel, zanglijster, winterkoning, roodborst en zwartkop. Daarnaast werden de afgelopen tien jaar in de ruimere omgeving van het plangebied ook verschillende soorten waargenomen waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn [lit. 4]. Het betreft boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief. De bebouwing rondom het plangebied is mogelijk geschikt voor gebouw bewonende vogelsoorten zoals huismus, gierzwaluw of steenuil. De habitateisen van de soorten staan in onderstaand kader beschreven. Boomvalk Broedt in allerlei typen bos, liefst in halfopen bos of aan de randen ervan, ook wel in solitaire bomen; bijna overal waar kraaien en eksters broeden. Dus ook regelmatig in populierensingels, op erven en in hoogspanningsmasten en in stadsparken. Concentraties boomvalken vaak waar veel libellen zijn [lit.
9] Buizerd Is te vinden in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Combinatie van geschikte nestgelegenheid (bos of een bosje) met open land met veel voedsel is ideaal [lit. 9]. Gierzwaluw Voor hun nestgelegenheid zijn gierzwaluwen afhankelijk van beschikbaarheid van gebouwen met geschikte holtes. Ze jagen boven uiteenlopende habitats in dorpen en steden. Al het voedsel wordt gevangen in de lucht, ze zijn gespecialiseerd in het vangen van insecten in volle vlucht. Daarvoor zoeken ze meestal de luchtlagen op die op dat moment de meeste insecten bevatten, en dat kan best een flinke hoogte zijn [lit. 9]. Havik Combinatie van bos met geschikte nestbomen met open land om te jagen. Broedt in naald- en loofbossen, ook in moerasbos, soms in parken Jaagt in het bos, maar ook in tussenliggende weilanden en akkers, in aangrenzende open gebieden (heide en hoogveen, moerassen, boerenland) en steeds vaker ook in de stad. Belangrijk is de aanwezigheid van geschikte prooien. In de winter ook in nog opener terrein te vinden, zoals kwelders [lit. 9]. Huismus Huismussen stellen prijs op een rommelige menselijke omgeving, met struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan en zo verder. Talrijkst in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen.
Als er veel hoge bomen staan, verdwijnt de huismus. De huismus heeft 2 tot 3 legsels per broedseizoen met elk 4 -6 eieren. Broedduur: 11-12 dagen. Huismussen broeden in een los kolonieverband. Het nest wordt vooral gemaakt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten, Het slordige nest bestaat uit takjes, stro, veertjes en hondenharen [lit. 9]. Kerkuil Het voorkeursbiotoop van kerkuil betreft halfopen tot open cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. In bossen of zeer bosrijke gebieden kom je de kerkuil zelden tegen. De kerkuil gaat vanuit z’n roest- of nestplaats jagen in het open veld, het liefst daar waar grasen bouwland worden afgewisseld met kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes. Ook ruig begroeide, slecht onderhouden graslandgebieden, braakliggende akkers, ruige grasstroken en wegbermen worden als jachtterrein benut. Broedt in ons land veelal in speciale nestkasten, heel incidenteel in boomholten.