CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Landelijk gebied - 2020 Regels.pdf

beeldvormende raad 1 juli 2021, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Beheersverordening landelijk gebied32.970 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Bouwregels

17.2.1 Algemeen Op de in lid 17.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Sport' worden gebouwd. 17.2.2 Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken gelden de navolgende regels: a. bij aanwezigheid van een bouwvlak is realisatie alleen toegestaan binnen het bouwvlak; b. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan het bestaande bebouwde oppervlakte, vermeerderd met 10 %; c. de goot- en bouwhoogte mag niet meer mag bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte, tenzij anders bepaald. 17.2.3 Bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de navolgende regels: a. per hoofdfunctievlak mag maximaal 1 bedrijfswoning worden gebouwd met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan; 2. als de bedrijfswoning specifiek is aangeduid op een deel van het hoofdfunctievlak, deze alleen op dat deel van het hoofdfunctievlak mag worden gebouwd; b. de inhoud van een bedrijfswoning maximaal 750 m3 mag bedragen; c. de goothoogte maximaal 4,5 m mag bedragen; d. in afwijking van het bepaalde onder d mag, ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' de goothoogte niet meer bedragen dan de aangegeven hoogte; e. de bouwhoogte maximaal 10 m mag bedragen.

17.2.4 Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de regels in artikel 21.2.3 van de hoofdfunctie 'Wonen'.

82 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

17.2.5 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de navolgende regels: a. de bouwhoogte mag maximaal 2 m bedragen; b. in afwijking van het bepaalde in sub b mag de bouwhoogte van: 1. erf- en terreinafscheidingen maximaal 2,5 m bedragen; 2. reclamemasten maximaal 10 m bedragen, met dien verstande dat er maximaal één reclamemast per bedrijf is toegelaten; 3. antennedragers inclusief antennes, verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 12 m bedragen. 17.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 17.1, op gronden met de hoofdfunctie 'Sport' nadere eisen stellen met betrekking tot: a. b. c. d. e.

dakvormen, dakhellingen en nokrichtingen van bouwwerken; de goot- en bouwhoogte van bouwwerken; de afmetingen van bouwwerken; het aantal en de situering van bouwwerken; het aantal en de situering van parkeerplaatsen op eigen terrein;

onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan. 17.4

Afwijken van de bouwregels

De afwijkingen in artikel 46.2.3 en 46.2.4 zijn van toepassing. 17.5

Specifieke gebruiksregels

17.5.1 Aan huis gebonden bedrijven en/of beroepen Een bedrijfswoning, inclusief eventueel aanwezige (bij de bedrijfswoning behorende), bijbehorende bouwwerken mag ook worden gebruikt voor een aan huis gebonden bedrijf of beroep, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in lid 21.5.1, van de hoofdfunctie 'Wonen'. 17.5.2 Parkeren In geval van bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 17.5.3 Paardensport Locaties aangeduid met 'paardenhouderij' zijn voor paardensport, die zich richt op gebruiksgerichte paardenhouderij, waarbij ook pensionstalling van paarden is toestaan. 17.6

Afwijken van de gebruiksregels

Naast de hieronder opgenomen afwijkingsmogelijkheden van de gebruiksregels, zijn ook de afwijkingsmogelijkheden in artikel 46.3 van toepassing, voor zover vant toepassing voor de hoofdfunctie 'Sport'.

83 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

17.6.1 Paarden-/ponykampen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 17.5.3 voor het organiseren van meerdaagse paarden-/ponykampen, ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij', onder de volgende voorwaarden: a. de gronden die in gebruik genomen worden voor het kamp binnen het hoofdfunctievlak 'Sport' liggen, dan wel daar direct op aansluiten; b. de paarden-/ponykampen alleen plaats vinden in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; c. er niet meer dan 25 kampeerplaatsen/overnachtingsplaatsen zijn toegestaan. 17.6.2 Zelfstandige horeca als nevenactiviteit Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning in afwijking van het bepaalde in artikel 17.1 onder c zelfstandige horeca-activiteiten als nevenactiviteit bij de hoofdfunctie toestaan, onder de voorwaarden dat: a. de activiteit voldoet aan de uitgangspunten van de nota 'Notitie (Para)commercie in de horeca Doetinchem', versie 18-06-2013 (Bijlage 12 Notitie (Para-)commercie in de horeca Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; c. de ruimtelijke uitwerking van de wijziging aanvaardbaar is. 17.7

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

17.7.1 Verbod Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' of 'cultuurhistorie', voortvloeiend uit bijlage 14 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - onderzoeksrapport en 15 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Doetinchem, 16 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Gaanderen of 17 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Wehl , zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen. 17.7.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 17.7.1 is niet van toepassing op: a. werkzaamheden die: 1. al in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van de verordening; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning of aanschrijving van bevoegd gezag; b. gebouwen die als gevolg van een calamiteit verloren zijn gegaan; c. gebouwen voorzien van de aanduiding 'cultuurhistorie' waarbij uit het onderzoek, dat aanleiding was voor het opnemen van de aanduiding, blijkt dat het betreffende bouwwerk geen cultuurhistorische waarde heeft; d. bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist (vergunningvrije bouwwerken). 17.7.3 Beoordelingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in 17.7.1 wordt slechts verleend als: a.

de bestaande architectonische, cultuurhistorische en beeldbepalende kwaliteit niet worden 84 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

aangetast; b. op basis van technische en economische overwegingen de instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd; c. als het bevoegd gezag voornemens is om de omgevingsvergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a, wordt een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige om advies gevraagd. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 17.7.1 wordt, als sprake is van de aanduiding 'cultuurhistorie', slechts verleend als ook: d. de karakteristieke aard en het beeldbepalende aanzicht van het hoofdgebouw of bijgebouw in relatie tot het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft; e. het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht van het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft.

85 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

Artikel18 18.1

Verkeer

Hoofdfunctieomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h.

verkeer, verblijf en mogelijkheden voor ontmoeting; waterlopen, waterberging en waterinfiltratievoorzieningen; geluidswerende voorzieningen; kunstobjecten; straatmeubilair, speeltoestellen; parkeervoorzieningen, ook voor fietsen; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen;

en bij de hoofdfunctie behorende bouwwerken en voorzieningen. 18.2

Bouwregels

18.2.1 Algemeen Op de in lid 18.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Verkeer' worden gebouwd. 18.2.2 Gebouwen en bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken op gronden met de hoofdfunctie 'Verkeer' gelden de navolgende regels: a. de gebouwen en bijbehorende bouwwerken dienen zodanig gesitueerd te worden dat zij niet onevenredig afbreuk doen aan de stroomfunctie en de ontsluitingsfunctie van de gronden met de hoofdfunctie 'Verkeer'; b. de bouwhoogte van de gebouwen en bijbehorende bouwwerken mag maximaal 4 m bedragen; c. de oppervlakte van een gebouw of bijbehorend bouwwerk mag maximaal 20 m2 bedragen. 18.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde op gronden met de hoofdfunctie 'Verkeer' gelden de navolgende regels: a. de bouwhoogte mag maximaal 4 m bedragen; b. in afwijking van het bepaalde onder sub a mag de bouwhoogte van 1. viaducten, bruggen en soortgelijke kunstwerken en speeltoestellen, straatmeubilair, kunstobjecten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 m bedragen; 2. antennedragers inclusief antennes, verlichting, verkeerstekens, palen en masten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 20 m bedragen. 18.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 18.2, op gronden met de hoofdfunctie 'Verkeer' nadere eisen stellen met betrekking tot: a. b. c. d.

dakvormen, dakhellingen en nokrichtingen van bouwwerken; de goot- en bouwhoogte van bouwwerken; de afmetingen van bouwwerken; het aantal en de situering van bouwwerken;

onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan. 86 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

18.4

Afwijken van de bouwregels

18.4.1 Gebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 18.2.2 sub b voor de bouwhoogte van gebouwen tot maximaal 5 m, onder voorwaarden dat: a. niet onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de stroom- of ontsluitingsfunctie van gronden met de hoofdfunctie 'Verkeer'; b. vooraf advies wordt ingewonnen bij een deskundige op het gebied van verkeer; c. de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is. 18.5

Specifieke gebruiksregels

Activiteiten in het kader van de in lid 18.1, sub a genoemde 'mogelijkheden voor ontmoeting' moeten voldoen aan de ruimtelijk relevante voorwaarden in het gemeentelijk terrassen-, standplaatsen- of evenementenbeleid, met dien verstande dat evenementen maximaal vijftien dagen mogen duren (inclusief het opbouwen en afbreken van voorzieningen voor het evenement). 18.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.6.1 Algemeen Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op gronden met de hoofdfunctie 'Verkeer' wegen en paden te verharden. 18.6.2 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning is vereist als: a. de werken c.q. werkzaamheden het normale onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoudswerkzaamheden en vervangingswerkzaamheden van verhardingen. b. het werken en werkzaamheden betreft die: 1. al in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening; 2. mogen worden uitgevoerd op basis van een vergunning, waarin de te beschermen belangen al zijn afgewogen. 18.6.3 Voorwaarden Alvorens te beslissen op een verzoek om een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij een deskundige op het gebied van landschap. 18.7

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

18.7.1 Verbod Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden', voortvloeiend uit bijlage 14 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - onderzoeksrapport en 15 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Doetinchem, 16 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Gaanderen of 17 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Wehl, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen. 18.7.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 18.7.1 is niet van toepassing op: a. werkzaamheden die: 87 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

1. al in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van de verordening; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning of aanschrijving van bevoegd gezag; b. gebouwen die als gevolg van een calamiteit verloren zijn gegaan; c. bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist (vergunningvrije bouwwerken). 18.7.3 Beoordelingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in 18.7.1 wordt slechts verleend als: a. de bestaande architectonische, cultuurhistorische en beeldbepalende kwaliteit niet worden aangetast; b. op basis van technische en economische overwegingen de instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd; c. als het bevoegd gezag voornemens is om de omgevingsvergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a, wordt een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige om advies gevraagd.

88 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

Artikel19 19.1

Verkeer - Railverkeer

Hoofdfunctieomschrijving

De voor 'Verkeer - Railverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.

spoorwegen; kruisend wegverkeer; waterlopen, waterberging en waterinfiltratievoorzieningen; geluidswerende voorzieningen; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen;

en bij de hoofdfunctie behorende bouwwerken en voorzieningen. 19.2

Bouwregels

19.2.1 Algemeen Op de in lid 19.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Verkeer - Railverkeer' worden gebouwd. 19.2.2 Gebouwen en bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken op gronden met de hoofdfunctie 'Verkeer - Railverkeer' gelden de navolgende regels: a. de gebouwen en bijbehorende bouwwerken dienen zodanig gesitueerd te worden dat zij de spoorwegfunctie niet onevenredig benadelen; b. de bouwhoogte van de gebouwen en bijbehorende bouwwerken mag maximaal 4 m bedragen; c. de oppervlakte van een gebouw of een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 20 m2 bedragen. 19.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde op gronden met de hoofdfunctie 'Verkeer - Railverkeer' gelden de navolgende regels: a. de bouwhoogte mag maximaal 4 m bedragen; b. in afwijking van het bepaalde onder sub a mag de bouwhoogte van verlichting, dragers voor bovenleidingen, seinpalen en vergelijkbare bouwwerken maximaal 20 m bedragen; c. de oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' niet meer bedragen dan de aangegeven aangeven oppervlakte. 19.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, voor: a. b. c. d.

dakvormen, dakhellingen en nokrichtingen van bouwwerken; de goot- en bouwhoogte van bouwwerken; de afmetingen van bouwwerken; het aantal en de situering van bouwwerken;

onder voorwaarde dat de nadere eisen nog op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van de gronden en bouwwerken in de weg staan.

89 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

19.4

Afwijken van de bouwregels

19.4.1 Gebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 19.2.2 sub b voor de bouwhoogte van gebouwen tot maximaal 5 m, onder voorwaarden dat: a. niet onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de stroom- of ontsluitingsfunctie van de gronden met de hoofdfunctie 'Verkeer - Railverkeer'; b. vooraf advies wordt ingewonnen bij een deskundige op het gebied van railverkeer.

90 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

Artikel20 20.1

Water

Hoofdfunctieomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ontvangen, bergen en/of afvoeren van water zoals waterpartijen, waterlopen en andere watergangen met de daarbij behorende oeverstroken; b. instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel daar aan eigen natuuren landschapswaarden; c. beroeps- en pleziervaart, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'vaarweg'; d. infrastructurele voorzieningen; e. extensieve dagrecreatie, voor zover het bepaalde onder b niet wordt aangetast; f. groen- en nutsvoorzieningen; en bij de hoofdfunctie behorende bouwwerken en voorzieningen. 20.2

Bouwregels

20.2.1 Algemeen Op de in lid 20.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Water' worden gebouwd. 20.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde op gronden met de hoofdfunctie 'Water' gelden de navolgende regels: a. de bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen; b. in afwijking van het bepaalde in sub a mag de bouwhoogte van: 1. dammen, duikers en vergelijkbare bouwwerken maximaal 4 m bedragen; 2. verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 m bedragen; 3. antennedragers inclusief antennes maximaal 15 m bedragen; 4. bruggen en vergelijkbare bouwwerken maximaal 20 m bedragen. 20.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 20.2, op gronden met de hoofdfunctie 'Water' nadere eisen stellen met betrekking tot: a. de bouwhoogte van bouwwerken; b. de afmetingen van bouwwerken; c. het aantal en de situering van bouwwerken; onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan.

91 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

Artikel21 21.1

Wonen

Hoofdfunctieomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bestaande woningen in de vorm van vrijstaande, twee-onder-een-kap of aaneengebouwde woningen, zoals bestaand; b. ingeval van een aanduiding 'aaneengebouwd', 'twee-aaneen' of 'vrijstaand', mag uitsluitend sprake zijn van een aaneengebouwde, twee-aaneen, respectievelijk vrijstaande woning; c. een gesplitste woning, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gesplitst'; d. een recreatiewoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning'; e. een bed & breakfast-accommodatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast' voor zover niet vallend onder de bepaling in 21.5.1 als aan huis gebonden bedrijf; f. het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen; g. aan huis gebonden beroepen en bedrijven in of bij de woning; h. tuinen, erven en (verplichte) erfontsluitingswegen voor woningen; i. waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen; en bij de hoofdfunctie behorende bouwwerken en voorzieningen. 21.2

Bouwregels

21.2.1 Algemeen Op de in lid 21.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Wonen' worden gebouwd, met dien verstande dat: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – bebouwing uitgesloten' geen bouwwerken zijn toegestaan. De als zodanig aangeduide grond dient niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II, behorende bij het Besluit omgevingsrecht; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - woning uitgesloten' geen woning is toegestaan. 21.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de navolgende regels: a. bij aanwezigheid van een bouwvlak is realisatie van een woning alleen toegestaan binnen dit bouwvlak; b. per hoofdfunctievlak is maximaal 1 woning toegestaan, tenzij anders is bepaald of aangeduid; c. als de figuur 'gevellijn' is opgenomen, moet de voorgevel van de woning in die gevellijn, of tot op maximaal 1 m achter de gevellijn, gesitueerd worden; d. de inhoud van een woning mag maximaal 750 m3 bedragen; e. in afwijking van het bepaalde onder d mag, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gesplitst', de inhoud van een woning maximaal 375 m3 bedragen; f.

in afwijking van het bepaalde onder d mag, ter plaatse van de aanduiding 'maximum volume (m3)', de inhoud van de woning of in voorkomende gevallen de inhoud van de aaneengebouwde woningen gezamenlijk niet meer bedragen dan de aangegeven inhoud; g. in afwijking van het bepaalde onder d mag, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - inhoud als bestaande woning' de inhoud van het hoofdgebouw niet meer bedragen dan de bestaande inhoud; h. de goothoogte mag maximaal 4,5 m bedragen; i. de bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen; j. in afwijking van het bepaalde onder i en j mag, ter plaatse van de aanduiding 'maximum 92 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan de aangegeven hoogte; k. ter plaatse van de aanduiding 'minimum goothoogte (m), maximum goothoogte (m)' mag de minimum goothoogte niet minder bedragen dan de aangegeven hoogte en mag in afwijking van het bepaalde onder i de maximum goothoogte niet meer bedragen dan de aangegeven hoogte; l. herbouw van een bestaande woning is slechts toegestaan op dezelfde plaats. 21.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning gelden de navolgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 100 m² per woning bedragen, met dien verstande dat niet meer dan 50 % van het hoofdfunctievlak mag worden bebouwd; b. in afwijking van het bepaalde onder a. mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouwen' de oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dat de aangegeven oppervlakte; c. in afwijking van het bepaalde onder a. mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - inpandige bijgebouwen' bijbehorende bouwwerken alleen in het hoofdgebouw gerealiseerd worden, waarbij: 1. de oppervlakte per bouwlaag gemeten moet worden voor het bepalen van de gezamenlijke oppervlakte als bedoeld onder a of b; 2.

de inhoud van bijbehorende bouwwerken niet meetelt bij de maximale toegestane inhoud van de woning zoals opgenomen in lid 21.2.2 sub d, e, f en g; d. in afwijking van het bepaalde onder a. mag, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gesplitst ', de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 50 m2 per woning bedragen; e. in afwijking van het bepaalde onder a. mag de gezamenlijke oppervlakte maximaal 150 m2 per woning bedragen, als de grondoppervlakte bij een woning meer dan 1 hectare is; voor woningen met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gesplitst ' geldt in dat geval een oppervlaktenorm van 75 m2; f. bijbehorende bouwwerken, niet zijnde inpandige bijbehorende bouwwerken, mogen alleen vanaf 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning worden gebouwd; g. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen; als wordt aangebouwd aan een woning, geldt als maximum de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van die woning, vermeerderd met 30 cm en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding inpandige bijgebouwen mag de maximale goothoogte gelijk zijn aan de goothoogte van de woning; h. de bouwhoogte mag maximaal 6 m bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - inpandige bijgebouwen de maximale bouwhoogte gelijk mag zijn aan de bouwhoogte van de woning; i.

voor zover sprake is van de aanduiding 'bijgebouwen' binnen het hoofdfunctievlak, mogen de bijbehorende bouwwerken alleen binnen het vlak met deze aanduiding worden gerealiseerd. 21.2.4 Recreatiewoning en bed & breakfast-accommodatie Voor het bouwen van een recreatiewoning en een bed & breakfast-accommodatie gelden de navolgende regels: a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan het bestaande bebouwde oppervlakte; b. de oppervlakte van een recreatiewoning telt mee met de berekening van de in 21.2.3 genoemde oppervlakten; c. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande hoogten.

93 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

21.2.5 Erkers en toegangspartijen In afwijking van het bepaalde in lid 21.2.3 sub f mogen aan het hoofdgebouw bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers en toegangspartijen worden gebouwd, onder voorwaarden dat: a. de bouwhoogte maximaal 3 m mag bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte niet hoger mag worden dan de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van de woning, vermeerderd met 30 cm; b. de breedte maximaal 50 % van de breedte van de voorgevel van de woning mag bedragen; c. de diepte maximaal 1,50 m mag bedragen. 21.2.6 Overkappingen In afwijking van het bepaalde in lid 21.2.3 sub f mogen bijbehorende bouwwerken in de vorm van overkappingen worden gebouwd, onder voorwaarden dat: a. de goothoogte maximaal 3 m mag bedragen, uitgezonderd: 1. als wordt aangebouwd aan een woning, geldt als maximum de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van die woning, vermeerderd met 30 cm; 2. als wordt aangebouwd aan een bijbehorend bouwwerk, geldt als maximum de goothoogte van dat bouwwerk; b. de bouwhoogte maximaal 3,5 m mag bedragen, als wordt aangebouwd aan een bijbehorend bouwwerk, geldt een bouwhoogte die maximaal 50 cm hoger is dan de goothoogte van dat bijbehorend bouwwerk; c. de overkapping maximaal aan drie zijden gesloten is met wanden van een bestaand gebouw of een bestaand ander bouwwerk, zoals een erfafscheiding; d.

in lid 21.2.3 opgenomen oppervlaktenorm en bebouwingspercentage onverminderd van kracht blijven. 21.2.7 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de navolgende regels: a. de bouwhoogte mag maximaal 1 m bedragen; b. in afwijking van het bepaalde in sub a, mag de bouwhoogte van 1. erf- en terreinafscheidingen op ten minste 1 m achter de voorgevel, maximaal 2 m bedragen; 2. in afwijking van het bepaalde onder 1 mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen, indien bij een woning de figuur 'gevellijn' is opgenomen, 2 m bedragen op ten minste 1 m achter (het verlengde van) de in de gevellijn gesitueerde gevel van de woning; 3. speeltoestellen en tuinmeubilair maximaal 3,5 m bedragen; 4. verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 6 m bedragen; 5. antennedragers inclusief antennes maximaal 15 m bedragen. 21.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 21.2, op gronden met de hoofdfunctie 'Wonen' nadere eisen stellen met betrekking tot: a. b. c. d. e.

dakvormen, dakhellingen en nokrichtingen van bouwwerken; de goot- en bouwhoogte van bouwwerken; de afmetingen van bouwwerken; het aantal en de situering van bouwwerken; het aantal en de situering van parkeerplaatsen op eigen terrein;

onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan en met dien verstande dat, bij de aanduiding 'cultuurhistorie' uitdrukkelijk rekening moet worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorisch 94 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

waardevolle bebouwing en een advies moeten worden ingewonnen bij een stedenbouwkundig cultuurhistorisch deskundige. 21.4

Afwijken van de bouwregels

Naast de hieronder opgenomen afwijkingen, zijn ook de afwijkingen in artikel 46.2.2, 46.2.3 en 46.2.4 van toepassing. 21.4.1 Bouwhoogte overkapping Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.2.6 sub b tot een bouwhoogte van maximaal 6 m, als de stedenbouwkundige situatie ter plaatste zich er voor leent. 21.4.2 Bouwen voor de voorgevel Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.2.3 sub f voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken vóór de voorgevel of op minder dan 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel. Dit onder de voorwaarde dat dit noodzakelijk is ten behoeve van de bescherming van het aanwezige monument of de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, aangeduid als 'cultuurhistorische waarden' of 'cultuurhistorie' en gebaseerd is op het advies van de stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige. 21.4.3 Bijbehorende bouwwerken bij 'VAB-woningen' Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.2.3 sub b voor het uitbreiden van bestaande of bouwen van bijbehorende bouwwerken tot maximaal 100 m2. Dit onder de voorwaarde dat voor elke m2 te realiseren bijbehorend bouwwerk 2 m2 (voormalig) agrarische bebouwing gesloopt wordt.

21.4.4 Saneringsregeling bijbehorende bouwwerken Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.2.3 voor het bouwen van een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken in ruil voor de sloop van bestaande bijbehorende bouwwerken. Dit onder de voorwaarde, dat de gezamenlijke oppervlakte van de nieuw te bouwen bijbehorende bouwwerken niet meer is dan 50% van de oppervlakte van de te saneren bouwwerken, met een maximum van 200 m2. 21.4.5 Bouwwerk op erf monument Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.2.1 sub a voor het realiseren van één vergunningplichtig bouwwerk, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - één bouwwerk toegestaan' en onder voorwaarden dat: de oppervlakte maximaal 30 m2 bedraagt; de goothoogte maximaal 3 m bedraagt; de bouwhoogte maximaal 6 m bedraagt; de oppervlakte van dit bouwwerk in mindering wordt gebracht op de toegestane gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken van 100 m2 per woning (lid 21.2.3 onder a); e. vooraf een advies van een monumentendeskundige van de commissie welstand en monumenten wordt ingewonnen; f. het bouwwerk als volgt wordt gerealiseerd: 1. het bouwwerk moet een traditionele vormgeving hebben (zadeldak of kapschuurmodel); 2.

het bouwwerk moet in traditionele materiaal worden uitgevoerd, bijvoorbeeld oranje keramische pannen en houten gevelbekleding (donker hout, potdekselwerk); 3. het erfgedeelte van het woonperceel Gaanderenseweg 381, voorzien van de aanduiding a. b. c. d.

95 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

'specifieke bouwaanduiding - bebouwing uitgesloten', mag na de realisatie van het bouwwerk maximaal 10% verhard zijn, bij voorkeur met grasbeton tegels of vergelijkbare halfverharding, een en ander zoals beschreven in het als bijlage bij de gebiedsregels gevoegd advies van het Gelders Genootschap van 5 april 2019, referentie 2019-022-ww, (bijlage Bijlage 41 Advies GELDERS genootschap Gaanderenseweg 381 - 2019 van de regels). 21.4.6 Aangebouwde of vrijstaande bijbehorende bouwwerken Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.2.3 sub c voor de realisatie van één of meer aangebouwde of vrijstaande bijbehorend bouwwerken onder de voorwaarden dat: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken (in- en uitpandig) maximaal 100 m2 per woning mag bedragen, met dien verstande dat niet meer dan 50% van het hoofdfunctievlak mag worden bebouwd; b. de bijbehorende bouwwerken uitsluitend vanaf 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning mogen worden gebouwd; c. de goothoogte van de bouwwerken maximaal 3 m mag bedragen; als wordt aangebouwd aan een woning, geldt als maximum de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van die woning, vermeerderd met 30 cm; d. de bouwhoogte maximaal 6 m mag bedragen; e.

er wordt voldaan aan het 'boerenerfprincipe', zoals beschreven in en overeenkomstig bijlage 5 Ruimtelijke richtlijnen VAB; f. vooraf advies wordt ingewonnen bij een stedenbouwkundige. 21.4.7 Herbouw woning op een andere plek Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.2.2 onder l en toestaan dat een woning op een andere dan de bestaande plek binnen het hoofdfunctievlak wordt gebouwd, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de herbouw moet plaatsvinden binnen het hoofdfunctievlak; b. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden en waarden van aangrenzende gronden, alsmede de belangen van derden mogen niet onevenredig worden aangetast; c. de geluidbelasting van het industrielawaai, wegverkeer en/of railverkeer op de gevels van de nieuwe woning is niet hoger dan de voorkeurswaarde in het kader van de Wet geluidhinder; d. de ruimtelijke uitwerking van het plan moet aanvaardbaar zijn; e. de overige bouwregels blijven onverminderd gelden. 21.5

Specifieke gebruiksregels

21.5.1 Aan huis gebonden bedrijven en/of beroepen Een als zodanig bestemde woning, inclusief eventueel aanwezige bijbehorende bouwwerken, mag mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf of beroep of een escortbedrijf, onder de voorwaarden dat: a. het medegebruik van ondergeschikte betekenis is en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft; b. voor het aan huis gebonden bedrijf of beroep mag niet meer dan 40 % van de som van de vloeroppervlakte van de woning én de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken, worden gebruikt, waarbij de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 100 m2 mag zijn in deze som; c. het medegebruik van aangebouwde bijbehorende bouwwerken zodanig beperkt blijft dat de afstand tussen de als zodanig gebruikte ruimte en de achterste bouwperceelsgrens ter 96 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - aangebouwd en inpandig' minimaal 8 m bedraagt; d. de woning moet blijven voldoen aan het bepaalde in het Bouwbesluit en de bouwverordening van de gemeente Doetinchem; e. degene die het aan huis gebonden bedrijf of beroep uitoefent ook de bewoner van de woning moet zijn; f. alleen bedrijven of beroepen aan huis toelaatbaar zijn, die behoren tot de Lijst van aan huis gebonden beroepen en bedrijven zoals deze is opgenomen in Bijlage 7 Lijst van aan huis gebonden beroepen en bedrijven; g. geen onevenredige verstoring van de voorzieningenstructuur mag plaatsvinden; h. geen detailhandel mag plaatsvinden, behoudens: 1. internetverkoop (internetwinkels); 2. een beperkte verkoop (als ondergeschikte nevenactiviteit) van producten die ter plaatse zijn vervaardigd, dan wel direct verband houden met het bedrijf of beroep aan huis; i. een bedrijf geen winkeluitstraling mag hebben; j. geen uitstalling van te verkopen artikelen mag plaatsvinden; geen showroom binnen of buiten; k. het medegebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling, casu quo niet onevenredig veel extra verkeer mag worden aangetrokken; l. het medegebruik geen nadelige invloed mag hebben op de parkeerbalans, casu quo primair op eigen terrein moet worden geparkeerd door gebruiker en bezoekers; m.

alleen onverlichte reclame-uitingen met een oppervlakte kleiner dan 0,5 m2 zijn toegestaan, waarvan de langste zijde minder dan 1 m moet bedragen; n. geen sprake mag zijn van werkzaamheden, activiteiten en/of opslag in de open lucht voor de uitoefening van het aan huis gebonden bedrijf of beroep. 21.5.2 Parkeren In geval van bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 21.5.3 Wonen in aangebouwde en inpandige bijbehorende bouwwerken a. Aangebouwde bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - aangebouwd en inpandig' mogen worden gebruikt voor de uitbreiding van de woonfunctie, onder voorwaarden dat: 1. de afstand tussen dat bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens minimaal 8 m bedraagt. De laatstgenoemde afstandsnorm geldt niet als een bouwvlak aanwezig is en de bouwwerken binnen dat bouwvlak liggen; 2. uitsluitend leden van het huishouden mogen wonen in aangebouwde bijbehorende bouwwerken; b.

De begane grond van inpandige bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - aangebouwd en inpandig' mogen worden gebruikt voor de uitbreiding van de woonfunctie, onder voorwaarden dat: 1. de afstand tussen dat bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens minimaal 8 m bedraagt. De laatstgenoemde afstandsnorm geldt niet als een bouwvlak aanwezig is en de bouwwerken binnen dat bouwvlak liggen; 2. uitsluitend leden van het huishouden mogen wonen in aangebouwde bijbehorende bouwwerken.

97 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

21.5.4 Voorwaardelijke verplichting Gaanderenseweg 381 Doetinchem De nieuwe woning ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 1' mag slechts worden gerealiseerd onder de volgende voorwaarden: a. een eenheid vormen met het bestaande cultuurhistorisch waardevolle ensemble (voormalige boerderij en schuur); b. verwant zijn aan de bestaande monumentale schuur, zadeldak en eenvoudige kap; c. aansluiten bij het gebouwtype agrarische schuur; d. een kleinschalig karakter hebben en een eenvoudige uitstraling; e. in of nabij de nieuwe woning moeten op twee verschillende windrichtingen minimaal twee verblijfplaatsen voor vleermuizen worden gerealiseerd en in stand gehouden in de vorm van: 1. ruimten achter betimmering of in de spouwmuur van de nieuwe woning of, 2. vleermuiskasten aan bomen of op palen in de groenvoorziening op het erf van de nieuwe woning. een en ander zoals weergegeven in bijlage 53 Ruimtelijke onderbouwing Gaanderenseweg 381 van de regels (ruimtelijke onderbouwing Gaanderenseweg 381 van 17 januari 2018) en bijlage 54 Notitie Verblijfsplaats Vleermuizen Gaanderenseweg 381 (de notitie Verblijfplaatsen Vleermuizen Gaanderenseweg 381 van 24 april 2019) is weergegeven. 21.5.5 Gebruik twee chalets voor recreatieve bewoning (uitsterfregeling) a.

Uitsluitend ter plaatste van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – chalets uitsterfregeling' kunnen de twee bestaande en als zodanig aangeduide chalets worden gebruikt voor recreatieve bewoning. b. Het recht als bedoeld in lid a vervalt indien en zodra de chalets (gezamenlijk of afzonderlijk) een jaar lang onafgebroken niet zijn gebruikt voor recreatieve bewoning. 21.5.6 Gebruik twee chalets voor permanente bewoning (persoonsgebonden overgangsrecht) a. Uitsluitend ter plaatste van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – chalets overgangsrecht' kunnen de twee bestaande, aaneengebouwde en als zodanig aangeduide chalets worden gebruikt voor permanente bewoning. b. Het recht als bedoeld in lid a is persoonsgebonden en uitsluitend toegekend aan de persoon, die staat vermeld in bijlage 35 Persoonsgebonden overgangsrecht. Het recht vervalt zodra deze persoon verhuist of overlijdt, dan wel de permanente bewoning voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken. 21.6

Afwijken van de gebruiksregels

Naast de hieronder genoemde afwijkingsmogelijkheid, zijn ook de afwijkingsmogelijkheden in artikel 46.3 zijn van toepassing. 21.6.1 Wonen en aan huis gebonden beroep en/of bedrijf in aangebouwde bijbehorende bouwwerken Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 21.5.1 onder c en lid 21.5.3 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - aangebouwd en inpandig' voor de het gebruik van een aangebouwd bijbehorende bouwwerk voor een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf dan wel de uitbreiding van de woonfunctie tot een afstand tot minimaal 3 m tussen het bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens, onder de voorwaarden dat: a. het bouwperceel aan de achterzijde en ter hoogte van het (geplande) bijbehorend bouwwerk grenst aan (openbaar) gebied waarop een groen-, natuur-, water-, verkeers- of daarmee vergelijkbare hoofdfunctie rust; b. de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is; 98 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

c. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en eventuele bouwwerken niet onevenredig worden aangetast. 21.7

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

21.7.1 Verbod Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' of 'cultuurhistorie', voortvloeiend uit bijlage 14 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - onderzoeksrapport en 15 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Doetinchem, 16 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Gaanderen of 17 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Wehl , zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen. 21.7.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 21.7.1 is niet van toepassing op: a. werkzaamheden die: 1. al in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van de verordening; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning of aanschrijving van bevoegd gezag; b. gebouwen die als gevolg van een calamiteit verloren zijn gegaan; c. gebouwen voorzien van de aanduiding 'cultuurhistorie' waarbij uit het onderzoek, dat aanleiding was voor het opnemen van de aanduiding, blijkt dat het betreffende bouwwerk geen cultuurhistorische waarde heeft; d. bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist (vergunningvrije bouwwerken). 21.7.3 Beoordelingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in 21.7.1 wordt slechts verleend als: a.

de bestaande architectonische, cultuurhistorische en beeldbepalende kwaliteit niet worden aangetast; b. op basis van technische en economische overwegingen de instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd; c. als het bevoegd gezag voornemens is om de omgevingsvergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a, wordt een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige om advies gevraagd. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 21.7.1 wordt, als sprake is van de aanduiding 'cultuurhistorie', slechts verleend als ook: d. de karakteristieke aard en het beeldbepalende aanzicht van het hoofdgebouw of bijgebouw in relatie tot het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft; e. het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht van het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft.

99 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

Artikel22 22.1

Wonen - 1

Hoofdfunctieomschrijving

De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.

woningen in de vorm van één vrijstaande woning, met een bijbehorende praktijkruimte; het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen; aan huis gebonden beroepen en bedrijven in of bij de woning; tuinen en erven; waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen;

en bij de hoofdfunctie behorende bouwwerken en voorzieningen. 22.2

Bouwregels

22.2.1 Algemeen Op de in lid 22.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Wonen - 1' worden gebouwd. 22.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de navolgende regels: a. realisatie van de woning met praktijkruimte is alleen toegestaan binnen het bouwvlak; b. de woning en de praktijkruimte moeten in één gebouw gerealiseerd worden; c. de inhoud van de woning mag maximaal 750 m3 zijn, waarbij het deel van het hoofdgebouw waarin de praktijkruimte zit niet meegerekend moet worden; d. de oppervlakte van de praktijkruimte mag maximaal 144 m2 zijn , waarbij het deel van het hoofdgebouw waarin de woning zit niet meegerekend moet worden; e. de goot- en bouwhoogte alsmede de dakhelling mag niet meer bedragen dan de maten aangegeven met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum dakhelling (graden)'. 22.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning gelden de navolgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 100 m² per woning bedragen; b. bijbehorende bouwwerken mogen alleen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' worden gebouwd; c. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen; d. de bouwhoogte mag maximaal 6 m bedragen.

22.2.4 Erkers en toegangspartijen In afwijking van het bepaalde in lid 22.2.3 sub b mogen aan het hoofdgebouw bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers en toegangspartijen worden gebouwd, onder voorwaarden dat: a. de bouwhoogte maximaal 3 m mag bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte niet hoger mag worden dan de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van de woning, vermeerderd met 30 cm; b. de breedte maximaal 50 % van de breedte van de voorgevel van de woning mag bedragen; c. de diepte maximaal 1,50 m mag bedragen.

100 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7464/documents/37327