Bijlage 4 Landelijk gebied - 2020 Regels.pdf
Tekst van het document
in een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorie' mits het gebouw in kwestie een cultuurhistorische waarde heeft. 3.5.6
Aan huis gebonden bedrijven en/of beroepen
Een bedrijfswoning of een plattelandswoning, inclusief eventueel aanwezige, bijbehorende bouwwerken mag ook worden gebruikt voor een aan huis gebonden bedrijf of beroep, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in lid 21.5.1, van de hoofdfunctie 'Wonen'. 3.5.7
Parkeren
In geval van bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 3.5.8
Keerlus voor vrachtverkeer
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - handel in pluimvee en transport' mogen vrachtwagens van en voor het aangrenzende pluimveehandel- en transportbedrijf rijden; parkeren van vrachtwagens is niet toegestaan. 3.5.9
Groepsaccommodatie
Daar waar de aanwezige recreatieverblijven (aangeduid met 'recreatiewoning' of 'bed & breakfast') ook voorzien zijn van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie' mogen de recreatieverblijven ook gebruikt worden als groepsaccommodatie.
32 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
3.5.10 Verbod op het hobbymatig houden van varkens en het telen van gewassen In afwijking van het bepaalde in lid 3.1 mogen op de gronden die zijn aangeduid als 'specifieke vorm van agrarisch - niet-grondgebonden veehouderij voor kippen' geen varkens gehouden worden. 3.5.11 Gebruik schuur voor houtopslag (uitsterfregeling) a. Uitsluitend ter plaatste van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – houtopslag uitsterfregeling' kan de bestaande en als zodanig aangeduide schuur worden gebruikt voor de opslag van hout. b. Het recht als bedoeld in lid a vervalt indien en zodra schuur een jaar lang onafgebroken niet is gebruikt voor de opslag van hout. 3.6
Afwijken van de gebruiksregels
Naast de hieronder opgenomen afwijkingsmogelijkheden, zijn ook de afwijkingsmogelijkheden in artikel 46.3 van toepassing, voor zover van toepassing op de hoofdfunctie 'Agrarisch'. 3.6.1
Nevenactiviteiten
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5.5 voor het bij een agrarisch bedrijf toestaan van nevenactiviteiten die behoren tot de Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten zoals deze is opgenomen in bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten en die in deze lijst als nevenactiviteiten of mede als nevenactiviteiten zijn aangeduid voor: 1. een oppervlakte groter dan 350 m2, en/of; 2. het uitoefenen van nevenactiviteiten in de open lucht, en/of; 3. verblijfsrecreatie in een ander gebouw dan de bestaande bedrijfswoning, een monument of een gebouw aangeduid met 'cultuurhistorische waarden', of in een gebouw binnen de aanduiding 'cultuurhistorie' mits het gebouw een cultuurhistorische waarde heeft; onder voorwaarden dat: a. de oppervlakte van de nevenactiviteit(en) maximaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande gebouwen mag bedragen, onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(en) niet meer mag bedragen dan in de hiernavolgende tabel, zoals die geldt voor de aangeduide deelgebieden, is weergegeven en met dien verstande dat bij een combinatie van meerdere nevenactiviteiten maximaal de laagste oppervlaktenorm is toegestaan: Maximale oppervlakte in m2 nevenactiviteit(en)
'overige zone - gelders natuurnetwerk' 'overige zone - groene ontwikkelingszone'
overig landelijk gebied
Verblijfsrecreatie
500
750
Dagrecreatie
500
750
Zorg
500
750
Opslag
x
500
Overige nevenactiviteiten
x
500
b. geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding 'overige zone – gelders natuurnetwerk' of 'overige zone – groene ontwikkelingszone', tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting 33 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
c.
d.
e.
f. g.
plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones; de landschappelijke inpassing is gewaarborgd in een landschappelijk inrichtingsplan, die voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijk inpassing', 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen en waarover advies is ingewonnen bij een deskundige op het gebied van landschap; de (gezamenlijke) nevenactiviteit(en) van ondergeschikte betekenis is (zijn) aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in bedrijfseconomische, ruimtelijke en visuele zin primair blijft; de (gezamenlijke) nevenactiviteit(en) geen nadelige invloed mag (mogen) hebben op de parkeerbalans, casu quo primair binnen het bouwvlak moet worden geparkeerd door gebruiker én bezoekers en moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; ruimtelijke ingrepen mogen niet leiden
tot verlaging van de grondwaterstanden in natte natuurgebieden, gelegen binnen de dubbelhoofdfunctie 'Waarde - Natuur'; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
3.6.2
Kamperen bij de boer
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5.5 voor het bij een agrarisch bedrijf toestaan van een kampeerterrein, onder voorwaarden dat: a. de gronden welke in gebruik genomen gaan worden ten behoeve van kamperen binnen het bouwvlak liggen dan wel daar direct op aansluiten; b. ten hoogste 25 kampeerplaatsen zijn toegestaan; c. kamperen uitsluitend mag plaatsvinden in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; d. gebouwen, zoals sanitaire ruimten, zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met dien verstande dat: 1. de maximale oppervlakte 150 m2 mag bedragen; 2. de goothoogte maximaal 3 m mag bedragen; 3. de bouwhoogte maximaal 6 m mag bedragen; e. het kamperen van ondergeschikte betekenis is aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft; f. het kampeerterrein na realisatie landschappelijk is ingepast op een wijze die voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijk inpassing', 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen; g.
geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding 'overige zone – gelders natuurnetwerk' of 'overige zone – groene ontwikkelingszone', tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones; h. moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
34 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
3.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een cultuurhistorischwaardevol bouwwerk 3.7.1
Verbod
Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' of 'cultuurhistorie', voortvloeiend uit bijlage 14 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - onderzoeksrapport en 15 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Doetinchem, 16 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Gaanderen of 17 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Wehl, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen. 3.7.2
Uitzonderingen
Het verbod als bedoeld in 3.7.1 is niet van toepassing op: a. werkzaamheden die: 1. al in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van de verordening; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning of aanschrijving van bevoegd gezag; b. gebouwen die zijn getroffen door een calamiteit en blijkens een advies van een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige als gevolg van die calamiteit geen cultuurhistorische waarde meer hebben; c. gebouwen voorzien van de aanduiding 'cultuurhistorie' waarbij uit het onderzoek, dat aanleiding was voor het opnemen van de aanduiding, blijkt dat het betreffende bouwwerk geen cultuurhistorische waarde heeft; d. bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist (vergunningvrije bouwwerken). 3.7.3
Beoordelingscriteria
Een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.7.1 wordt slechts verleend als: a. de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalende aanzicht van de bebouwing behouden blijft; b. het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht behouden blijft; c. de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht op basis van bouwtechnische en/of economische overwegingen in alle redelijkheid niet te handhaven zijn; de aanvrager moet dit aantonen door rapporten in te dienen - door een ter zake deskundige opgesteld - die ingaan op de cultuurhistorische, bouwkundige en/of gebruikstechnische staat van het bouwwerk in relatie tot de kosten van de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden; d. als bij de sloopwerkzaamheden ook (delen van) de inwendige structuur gesloopt worden, is de aanvrager verantwoordelijk voor een onderzoek naar de mogelijke aanwezige cultuurhistorische waarden, uitgevoerd door een ter zake deskundige. Deze moet in de vorm van een rapportage met waardestelling aan de gemeente worden verstrekt; e. vooraf advies is ingewonnen bij een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige; f.
in aanvulling op sub e, kan het bevoegd gezag advies inwinnen bij een extern deskundige bij twijfel of als er geen verantwoorde belangenafweging kan worden gemaakt door de stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.7.1 wordt, als ook sprake is van de aanduiding 'cultuurhistorie', slechts verleend als: g. de karakteristieke aard en het beeldbepalende aanzicht van het hoofdgebouw of bijgebouw in 35 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
relatie tot het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft. h. het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht van het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft; i. de geplande sloopwerkzaamheden niet in strijd zijn met sub c, d, e en f.
36 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
Artikel4 4.1
Agrarischmet waarden
Hoofdfunctieomschrijving
De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarische bedrijvigheid in de vorm van: 1. grondgebonden agrarische bedrijven, waaronder een grondgebonden veehouderijbedrijf; 2. niet-grondgebonden veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'niet grondgebonden'; met dien verstande dat: 3. kwekerijen niet zijn toegestaan ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone openheid'; 4. fruitteelt niet is toegestaan ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone openheid', uitgezonderd de bestaande fruittelers ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt'; b. instandhouding van de aanwezige voorkomende dan wel daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden, waaronder in ieder geval de instandhouding en versterking van de openheid van het landschap ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - openheid' en 'overige zone openheid en reliëf' en de instandhouding en versterking van de kenmerkende hoogteverschillen van het landschap ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - reliëf' en 'overige zone openheid en reliëf', waarbij als richtlijn geldt de laatste tabel van bijlage 2 Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijk inpassing' gebaseerd op de landschapstypen als weergegeven in bijlage 3 Landschapstypen; c.
nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf, opgenomen in de Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten (bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten); d. gebruiksgerichte paardenhouderij uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij'; e. trekkershutten uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding trekkershutten'; f. een natuurkampeerterrein met maximaal 45 standplaatsen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein'; g. een evenemententerrein uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein'; h. een wijngaard uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch wijngaard'; i. (een) volkstuin(en) uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin'; j. een parkeerterrein uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' en uitsluitend ten dienste van het nabij gelegen horecabedrijf; k. bedrijfswoning(en), tenzij uitdrukkelijk uitgesloten; l. uitsluitend een plattelandswoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'; m. aan huis gebonden beroepen en bedrijven in of bij de bedrijfswoning; n. bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken ten behoeve van de hoofdfunctie 'Wonen'; o. het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen; p. extensieve dagrecreatie, zandwegen, fiets- en wandelpaden en picknickplaatsen; q.
waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen; r. groen-, natuur- en nutsvoorzieningen; s. een groenbedrijf, glastuinbouwbedrijf, kwekerij voor sierteelt en daaraan gekoppelde onderwijsmogelijkheden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'tuinbouw'; t. dagrecreatie behorend bij en ten behoeve van het aangrenzende recreatieve bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'dagrecreatie'; en bij de hoofdfunctie behorende bouwwerken en voorzieningen.
37 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
4.2
Bouwregels
4.2.1
Algemeen
Op de in lid 4.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Agrarisch met waarden' worden gebouwd. 4.2.2
Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de navolgende regels: a. realisatie is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b. de gezamenlijke oppervlakte van kassen mag maximaal 300 m2 per bouwvlak bedragen; c. mest/co-vergistingsinstallaties zijn toegestaan als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. er kan geen installatie worden gevestigd in gebieden met de aanduiding 'milieuzone grondwaterbeschermingsgebied' (45.7) of 'veiligheidszone - lpg' (45.13) of gronden met de dubbelhoofdfunctie 'Leiding - Gas' of 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'; 2. er is sprake is van een installatie die dierlijke meststof produceert en gericht is op een bedrijfseigen activiteit, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in: categorie A: verwerken eigen geproduceerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt; categorie B: verwerken eigen geproduceerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt of naar derden afgevoerd; categorie C: verwerken aangevoerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt; 3.
de maximale verwerkingscapaciteit van de installatie is 35 ton dierlijke mest per dag; 4. de installatie levert geen nieuwe belemmeringen op voor de omgeving en kan ook op basis van milieueisen; 5. de installatie heeft geen negatief effect op de verkeerskundige situatie van de omgeving; 6. er zijn geen nevenactiviteiten bij het agrarische bedrijf aanwezig als bedoeld in 4.1 sub c; d. de goothoogte mag maximaal 6 m bedragen; e. de bouwhoogte mag maximaal 11 m bedragen; f. in afwijking van het bepaalde onder e mag de bouwhoogte van kassen maximaal 6 m bedragen; g. in afwijking van het bepaalde onder a, d en e zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - trekkershutten' maximaal vier trekkershutten toegelaten met een oppervlakte van maximaal 50 m2 per trekkershut, een goothoogte van maximaal 3 m en een bouwhoogte van maximaal 4 m; h. in afwijking van het bepaalde onder a, d en e zijn op gronden met de aanduiding 'kampeerterrein', gebouwen ten behoeve van het natuurkampeerterrein toegelaten met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m2, een goothoogte van maximaal 3 m en een bouwhoogte van maximaal 6 m; i.
in afwijking van het bepaalde onder a, d en e mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wijngaard' een gebouw ten behoeve van de wijngaard gebouwd worden met een maximale oppervlakte van 96 m2, een maximale goothoogte van 3 m en een maximale bouwhoogte van 6 m. 4.2.3
Bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de navolgende regels: 38 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
a. realisatie is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b. per bouwvlak mag maximaal 1 bedrijfswoning worden gebouwd met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan; 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen', het daar aangegeven maximum aantal bedrijfswoningen is toegestaan; c. de inhoud van een bedrijfswoning mag maximaal 750 m3 bedragen; d. in afwijking van het bepaalde onder c mag, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gesplitst', de inhoud van een woning maximaal 375 m3 bedragen; e. de goothoogte mag maximaal 4,5 m bedragen; f. de bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen. 4.2.4 Plattelandswoningen en bijbehorende bouwwerken bij een plattelandswoning a. Voor het herbouwen van plattelandswoningen gelden de regels in lid 4.2.3 b. Voor het herbouwen van bijbehorende bouwwerken bij een plattelandswoning gelden de regels in lid 4.2.5. 4.2.5
Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de regels in artikel 21.2.3 Bijbehorende bouwwerken van de hoofdfunctie 'Wonen', met dien verstande, dat realisatie uitsluitend is toegestaan binnen het bouwvlak. 4.2.6
Bouwwerken geen gebouwen zijnde:
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde op de gronden met de hoofdfunctie 'Agrarisch met waarden' gelden de navolgende bepalingen: a. realisatie van kuilvoerplaten, tunnelkassen, mestopslag, silo's en trainingsmolen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b. de bouwhoogte mag maximaal 1,2 m bedragen; c. in afwijking van het bepaalde in sub b mag de bouwhoogte van: 1. erf- en terreinafscheidingen binnen het bouwvlak en op ten minste 1 m achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, maximaal 2 m bedragen; 2. terreinafscheidingen voor paardrijbakken buiten het bouwvlak maximaal 2 m bedragen; 3. bouwwerken voor kuilvoerplaten maximaal 3 m bedragen; 4. teeltondersteunende voorzieningen, geen kassen, ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt', maximaal 4,5 m bedragen; 5. trainingsmolens en kassen maximaal 6 m bedragen; 6. bouwwerken voor mestopslag maximaal 8 m bedragen, waarbij een maximale goothoogte van 6 m geldt; 7. silo's, luchtwassers, antennedragers inclusief antennes, verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 m bedragen; 8. windmolens maximaal 15 m bedragen; d. de totale oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' niet meer bedragen dan de aangegeven oppervlakte per hectare. 4.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 4.2, nadere eisen stellen met betrekking tot: a. dakvormen, dakhellingen en nokrichtingen van bouwwerken; b. de goot- en bouwhoogte van bouwwerken; c. de afmetingen van bouwwerken; 39 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
d. het aantal en de situering van bouwwerken; onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan en met dien verstande dat, bij de aanduiding 'cultuurhistorie', uitdrukkelijk rekening moet worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en een advies moet worden ingewonnen bij een stedenbouwkundig cultuurhistorisch deskundige. 4.4
Afwijken van de bouwregels
Naast de hieronder opgenomen afwijkingen, zijn ook de afwijkingen als opgenomen in artikel 46.2.1, 46.2.2, 46.2.3 en 46.2.4 van toepassing, voor zover zij gelden voor de hoofdfunctie 'Agrarisch met waarden'. 4.4.1
Bouwen van mestopslag, trainingsmolens en kuilvoerplaatsen buiten het bouwvlak
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.6 sub a voor het bouwen van een mestopslag, kuilvoerplaten, trainingsmolen en/of paardrijbak buiten het bouwvlak, onder voorwaarden dat: a. daardoor geen onaanvaardbare gevolgen ontstaan voor aangrenzende percelen betreffende beschaduwing en gebruiksmogelijkheden van die percelen; b. maximaal één mestopslag buiten het bouwvlak mag worden gerealiseerd met een inhoud van maximaal 1.000 m3 en een goothoogte van maximaal 5 m en een bouwhoogte van maximaal 7 m; c. de kuilvoerplaten buiten het bouwvlak een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 250 m2 mogen hebben en een bouwhoogte van maximaal 2 m; d. maximaal één trainingsmolen zonder overkapping buiten het bouwvlak mag worden gerealiseerd met een maximale diameter van 20 m en een bouwhoogte van maximaal 5 m; e. geen verkeersonveilige situatie ontstaat; f. het bouwwerk moet landschappelijk worden ingepast, hiertoe moet van te voren een landschappelijk inpassingsplan worden overlegd dat voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijk inpassing', 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen. Een inpassingsplan hoeft niet te worden overlegd als landschappelijke inpassing niet nodig is bijvoorbeeld vanwege de reeds aanwezige beplanting.
Over het inpassingsplan of over de vraag of een inpassingsplan nodig is wordt advies ingewonnen bij een deskundige op het gebied van landschap; g. geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding 'overige zone – gelders natuurnetwerk'' of 'overige zone – groene ontwikkelingszone', tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. 4.4.2
Bijbehorende bouwwerken voor de hoofdfunctie 'Wonen'
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de eis dat bijbehorende bouwwerken bij woningen moeten worden gerealiseerd op het hoofdfunctievlak van de hoofdfunctie 'Wonen', onder voorwaarden dat: a. aangetoond is dat op de locatie in het verleden een bouwwerk heeft gestaan en herbouw van dat gebouw vanuit cultuurhistorisch perspectief een meerwaarde heeft; b. het bouwwerk aansluit bij de vorm en massa van het oorspronkelijke bouwwerk; c. de oppervlakte van het bijbehorende bouwwerk meetelt bij de toegestane oppervlakten in artikel 21.2.3; d. geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de 40 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
aanduiding 'overige zone – gelders natuurnetwerk' of 'overige zone – groene ontwikkelingszone', tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. 4.4.3
Overschrijding bouwgrens bij niet-grondgebonden veehouderij
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2 onder a voor het vergroten van de oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak voor de huisvesting van landbouwhuisdieren behorende bij een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf onder voorwaarden dat: a. de gebouwen buiten het bouwvlak direct aansluitend aan het bouwvlak gesitueerd worden; b. de overschrijding van de grens van het bouwvlak maximaal 5 m bedraagt; c. de realisatie noodzakelijk is in verband met eisen op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren dan wel een verbetering van de milieuhygiënische situatie met zich meebrengt; d. er geen sprake is van toename van het aantal dierplaatsen binnen het betreffende bedrijf; e. vaststaat dat de stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf niet toeneemt ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf; f. de gebruiksmogelijkheden en waarden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast en het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woningen niet verslechtert; g.
wordt voldaan aan de beleidsregels in het Plussenbeleid Doetinchem 2019 van de gemeente Doetinchem zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 29 mei 2019 (Bijlage 6 Plussenbeleid Doetinchem 2019), met dien verstande dat wanneer deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 4.5
Specifieke gebruiksregels
4.5.1
Algemeen
Per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan. 4.5.2
Strijdig gebruik stikstofdepositie
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik van gronden en overkappingen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren waarbij sprake is van een toename van stikstofdepositie vanaf het betreffende agrarische bedrijf ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf. 4.5.3 Strijdig gebruik veebezetting a. Voor de bedrijven die zijn voorzien van de aanduiding 'niet grondgebonden' wordt onder gebruik in strijd met deze hoofdfunctie in elk geval gerekend het uitbreiden met een andere categorie dieren (overeenkomstig de hoofdcategorieën uit de Regeling ammoniak en veehouderij) dan de bestaande categorie en met uitzondering van melkrundvee. b. Voor de bedrijven die zijn voorzien van de aanduiding 'niet grondgebonden' is omschakeling naar een andere categorie dieren (overeenkomstig de hoofdcategorieën uit de Regeling ammoniak en veehouderij) dan de bestaande categorie uitsluitend toegestaan indien de achtergrondbelasting overeenkomstig de Wet geurhinder en veehouderij, of diens opvolger niet toeneemt.
41 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
4.5.4
Verbod op nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij
Onder gebruik in strijd met deze verordening wordt in ieder geval verstaan: a. het vestigen van een geitenhouderij; b. het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een veehouderij of veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren in een geitenhouderij; c. het vergroten van het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden; d. het vergroten van de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten, tenzij het vergunde, dan wel gemelde aantal geiten aantoonbaar niet groeit; e. het oprichten van een dierenverblijf voor een geitenhouderij en een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen; f. bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij. 4.5.5
Nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf
Voor het uitoefenen van nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf gelden de navolgende voorwaarden: a. uitsluitend nevenactiviteiten, genoemd in de Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten (bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten) zijn toegestaan; b. in 'overige zone - gelders natuurnetwerk' is alleen verblijfs-, dagrecreatie en zorg toegestaan; c. nevenactiviteiten in de open lucht zijn niet toegestaan, met uitzondering van nevenactiviteiten in de open lucht behorend bij dagreactie, verblijfsrecreatie of zorgactiviteiten tot een te gebruiken oppervlakte van maximaal 200 m2; d. de oppervlakte van de nevenactiviteit(en) mag maximaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedragen onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(en) niet meer mag bedragen dan 350 m2; e. verblijfsrecreatie is alleen toegestaan: 1. in de bestaande bedrijfswoning en de daaraan aangebouwde bijbehorende bouwwerken, zonder dat dit ten koste gaat van de woonfunctie van de bedrijfswoning, daarvan is in elk geval sprake als meer dan 40% van de woning wordt gebruikt voor verblijfsrecreatie ; 2. in een monument; 3. in een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden', of; 4.
in een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorie' mits het gebouw in kwestie een cultuurhistorische waarde heeft. 4.5.6
Aan huis gebonden bedrijven en/of beroepen
Een bedrijfswoning of een plattelandswoning, inclusief eventueel aanwezige bijbehorende bouwwerken mag ook worden gebruikt voor een aan huis gebonden bedrijf of beroep, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in lid 21.5.1, van de hoofdfunctie 'Wonen'. 4.5.7
Parkeren
In geval van bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 4.6
Afwijken van de gebruiksregels
Naast de hieronder opgenomen afwijkingsmogelijkheden, zijn ook de afwijkingsmogelijkheden in artikel 46.3 van toepassing, voor zover zij gelden voor de hoofdfunctie 'Agrarisch met waarden'. 42 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
4.6.1
Nevenactiviteiten bij agrarisch bedrijf
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.5.5 voor het bij een agrarisch bedrijf toestaan van nevenactiviteiten die behoren tot de Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten zoals deze is opgenomen in bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten en die in deze lijst als nevenactiviteiten of mede als nevenactiviteit zijn aangeduid, voor 1. een oppervlakte groter dan 350 m2, en/of; 2. het uitoefenen van nevenactiviteiten in de openlucht, en/of; 3. verblijfsrecreatie in een ander gebouw dan de bestaande bedrijfswoning, een monument of een gebouw aangeduid met 'cultuurhistorische waarden', of in een gebouw binnen de aanduiding 'cultuurhistorie' mits het gebouw een cultuurhistorische waarde heeft; onder voorwaarden dat: a. de oppervlakte van de nevenactiviteit(en) maximaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande gebouwen mag (mogen) bedragen, onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(en) niet meer mag bedragen dan in de hiernavolgende tabel, zoals die geldt voor de aangeduide deelgebieden, is weergegeven en met dien verstande dat bij een combinatie van meerdere nevenactiviteiten maximaal de laagste oppervlaktenorm is toegestaan: Maximale oppervlakte in m2 nevenactiviteit(en)
'overige zone - gelders natuurnetwerk' 'overige zone - groene ontwikkelingszone'
overig landelijk gebied
Verblijfsrecreatie
500
750
Dagrecreatie
500
750
Zorg
500
750
Opslag
x
500
Overige nevenactiviteiten
x
500
b. geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding 'overige zone – gelders natuurnetwerk' of 'overige zone – groene ontwikkelingszone', tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones; c. de landschappelijke inpassing is gewaarborgd in een landschappelijk inrichtingsplan, die voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijk inpassing', 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen en waarover advies is ingewonnen bij een deskundige op het gebied van landschap; d. de (gezamenlijke) nevenactiviteit(en) van ondergeschikte betekenis is (zijn) aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in bedrijfseconomische, ruimtelijke en visuele zin primair blijft; e.
de (gezamenlijke) nevenactiviteit(en) geen nadelige invloed mag (mogen) hebben op de parkeerbalans, casu quo primair binnen het bouwvlak moet worden geparkeerd door gebruiker én bezoekers en moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze 43 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; ruimtelijke ingrepen mogen niet leiden tot verlaging van de grondwaterstanden in natte natuurgebieden, gelegen binnen de dubbelhoofdfunctie 'Waarde - Natuur'; g. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast. f.
4.6.2
Kamperen bij de boer
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.5.5 voor het bij een agrarisch bedrijf toestaan van een kampeerterrein, onder voorwaarden dat: a. de gronden welke in gebruik genomen gaan worden ten behoeve van kamperen binnen het bouwvlak liggen dan wel daar direct op aansluiten; b. ten hoogste 25 kampeerplaatsen zijn toegestaan; c. kamperen uitsluitend mag plaatsvinden in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; d. gebouwen, zoals sanitaire ruimten, zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met dien verstande dat: 1. de maximale oppervlakte 150 m2 mag bedragen; 2. de goothoogte maximaal 3 m mag bedragen 3. de bouwhoogte maximaal 6 m mag bedragen; e. het kamperen van ondergeschikte betekenis is aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft; f. het kampeerterrein na realisatie landschappelijk is ingepast op een wijze die voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijk inpassing', 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen ; g.
geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding 'overige zone – gelders natuurnetwerk' of 'overige zone – groene ontwikkelingszone', tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszone; h. moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 4.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.7.1
Algemeen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op gronden met de hoofdfunctie 'Agrarisch met waarden' de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren of uit te doen voeren: a. het aanleggen en/of verharden van wegen en paden en het aanleggen en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het scheuren van grasland; c. het aanleggen van - niet als bouwwerk aan te merken - mestbassins en silo's buiten de het bouwvlak. 4.7.2
Uitzonderingen
Geen omgevingsvergunning is vereist als: a. de werken c.q. werkzaamheden het normale onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, 44 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen; b. het werken en werkzaamheden betreft die: 1. binnen een bouwvlak worden uitgevoerd; 2. al in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening; 3. mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende vergunning, waarin de te beschermen waarden al zijn meegewogen. 4.7.3
Advies deskundige
Alvorens te beslissen op een verzoek om een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies bij een deskundige op het gebied van landschap. 4.7.4
Voorwaarden
Als het perceel, waarvoor een omgevingsvergunning is gevraagd, voorzien is van de aanduiding 'overige zone - gelders natuurnetwerk' of 'overige zone - groene ontwikkelingszone', dan gelden de instructieregels voor nieuwe ontwikkelingen in het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland. 4.8 Omgevingsvergunning voor het slopen van een cultuurhistorischwaardevol bouwwerk 4.8.1
Verbod
Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' of 'cultuurhistorie', voortvloeiend uit bijlage 14 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - onderzoeksrapport en 15 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Doetinchem, 16 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Gaanderen of 17 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Wehl, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen. 4.8.2
Uitzonderingen
Het verbod als bedoeld in 4.8.1 is niet van toepassing op: a. werkzaamheden die: 1. al in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van de verordening; 2. deel uit maken van het normale onderhoud; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende bouw-/sloopvergunning of aanschrijving van bevoegd gezag; b. gebouwen die zijn getroffen door een calamiteit en blijkens een advies van een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige als gevolg van die calamiteit geen cultuurhistorische waarden meer hebben; c. gebouwen voorzien van de aanduiding 'cultuurhistorie' waarbij uit het onderzoek, dat aanleiding was voor het opnemen van de aanduiding, blijkt dat het betreffende bouwwerk geen cultuurhistorische waarde heeft; d. bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist (vergunningvrije bouwwerken). 4.8.3
Beoordelingscriteria
Een omgevingsvergunning als bedoeld in 4.8.1 wordt slechts verleend als: a. de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalende aanzicht van de bebouwing behouden blijft; b. het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het 45 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
beeldbepalend aanzicht behouden blijft; c. de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht op basis van bouwtechnische en/of economische overwegingen in alle redelijkheid niet te handhaven zijn; de aanvrager moet dit aantonen door rapporten in te dienen - door een ter zake deskundige opgesteld - die ingaan op de cultuurhistorische, bouwkundige en/of gebruikstechnische staat van het bouwwerk in relatie tot de kosten van de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden; d. als bij de sloopwerkzaamheden ook (delen van) de inwendige structuur gesloopt worden, is de aanvrager verantwoordelijk voor een onderzoek naar de mogelijke aanwezige cultuurhistorische waarden, uitgevoerd door een ter zake deskundige. Deze moet in de vorm van een rapportage met waardestelling aan de gemeente worden verstrekt; e. vooraf advies is ingewonnen bij een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige; f. in aanvulling op sub e, kan het bevoegd gezag advies inwinnen bij een extern deskundige bij twijfel of als er geen verantwoorde belangenafweging kan worden gemaakt door de stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 4.8.1 wordt, als ook sprake is van de aanduiding 'cultuurhistorie', slechts verleend als: g.
de karakteristieke aard en het beeldbepalende aanzicht van het hoofdgebouw of bijgebouw in relatie tot het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft. h. het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht van het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft; i. de geplande sloopwerkzaamheden niet in strijd zijn met sub c, d, e en f.
46 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
Artikel5 5.1
Bedrijf
Hoofdfunctieomschrijving
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven met bijbehorende bedrijfsactiviteiten uitsluitend in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 10 Staat van bedrijfsactiviteiten tenzij dit uitdrukkelijk is uitgesloten; b. een bedrijf met bijbehorende bedrijfsactiviteiten in de vorm van een: 1. grondgebonden agrarisch bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf'; 2. agrarisch loonbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch loonbedrijf'; 3. agrarisch loonbedrijf, gecombineerd met een hoveniersbedrijf en een grondverzetbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'gemengd'; 4. bouwbedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'bouwbedrijf'; 5. een bedrijf als genoemd in bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten en in de kolom 'Overig landelijk gebied' voorzien van de letter N, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - neven- en hergebruiksactiviteiten' 6. caravanreparatiebedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf reparatie caravans'; 7. circusbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf circusbedrijf'; 8. detailhandelsbedrijf in bos- tuin-, park- en vergelijkbare machines en aanverwante artikelen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel'; 9.
diervoederproductiebedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - productie van diervoeders'; 10. garagebedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf garagebedrijf'; 11. garagebedrijf, gecombineerd met de handel in en reparatie van landbouwvoertuigen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf reparatie-motorvoertuigen'; 12. grondverzetbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf grondverzetbedrijf'; 13. landbouwmechanisatiebedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - handel en reparatie van landbouwvoertuigen'; 14. hoveniersbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'hovenier'; 15. kantoor, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor'; 16. loodgietersbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf loodgietersbedrijf'; 17. metaalconstructie en -bewerkingsbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - metaalconstructiebedrijf'; 18. nutsvoorziening, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening'; 19. opslag uitsluitend ten dienste van het aanwezige bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'opslag'; 20.
rietdekkersbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf rietdekkersbedrijf'; 21. transportbedrijf (niet ten behoeve van vee), uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'transportbedrijf'; 22. veehandelsbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf handel en transport van vee'; 23. meubelwerkplaats annex interieurbouwbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - meubelmakerij' 47 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
c. d.
e. f. g. h. i. j. k.
24. handelsbedrijf in levend pluimvee en slachtbijproducten alsmede transportbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - handel in pluimvee en transport'; kantoor, alleen ten dienste van en voor maximaal 50% van de bruto vloeroppervlakte van de in sub a en b genoemde bedrijven; detailhandel in ter plaatse geproduceerde goederen, dan wel goederen die direct verband houden met de aard van het bedrijf en voor maximaal 10% van de bruto vloeroppervlakte. tot een maximum van 200 m2 van de in sub a en b genoemde bedrijven; horeca, alleen in de vorm van een bedrijfsrestaurant/kantine en alleen ten dienste van en ondergeschikt aan de in sub a en b genoemde bedrijven; woonwagens, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'woonwagenstandplaats'; een kampeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein'; verkooppunt voor motorbrandstoffen met LPG, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'; bedrijfswoning(en), tenzij uitdrukkelijk uitgesloten; aan huis gebonden beroepen en bedrijven in of bij de bedrijfswoning; waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen;
en bij de hoofdfunctie behorende bouwwerken en voorzieningen. 5.2
Bouwregels
5.2.1
Algemeen
Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Bedrijf' worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bebouwing uitgesloten' geen bebouwing is toegestaan. 5.2.2
Bedrijfsgebouwen
Met uitzondering van grond met het hoofdfunctievlak met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - circusbedrijf' gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken de navolgende regels: a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan het bestaande bebouwde oppervlakte, vermeerderd met 10 %, tenzij anders is bepaald met de aanduiding 'maximum oppervlakte (bvo) (m2)'; b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte, met dien verstande dat de goothoogte ter plaatse van de aanduidingen 'agrarisch loonbedrijf' en 'specifieke vorm van bedrijf - handel en reparatie van landbouwvoertuigen' niet meer dan 6 m mag bedragen, tenzij anders bepaald; c. de bouwhoogte mag niet meer mag bedragen dan de bestaande bouwhoogte, met dien verstande dat de goothoogte ter plaatse van de aanduidingen 'agrarisch loonbedrijf' en 'specifieke vorm van bedrijf - handel en reparatie van landbouwvoertuigen' niet meer dan 11 m mag bedragen, tenzij anders bepaald; d. ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf' staat vast dat het te bouwen bedrijfsgebouw niet ten behoeve van de agrarische bedrijfstak is dan wel dat vaststaat dat de ammoniakemissie vanuit de betreffende inrichting niet toeneemt. 5.2.3
Bedrijfswoning(en)
Met uitzondering van grond met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - circusbedrijf' gelden voor het bouwen van bedrijfswoningen de navolgende regels: a. per bedrijf mag maximaal 1 bedrijfswoning worden gebouwd met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan; 48 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen', het daar aangegeven maximum geldt; b. de inhoud van een bedrijfswoning mag maximaal 750 m3 bedragen; c. de goothoogte mag maximaal 4,5 m bedragen; d. de bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen. 5.2.4
Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning
Met uitzondering van grond met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - circusbedrijf' gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning de regels in artikel 21.2.3 van de hoofdfunctie 'Wonen'. 5.2.5
Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de navolgende regels: a. de bouwhoogte mag maximaal 2 m bedragen; b. in afwijking van het bepaalde in sub a mag de bouwhoogte van: 1. erf- en terreinafscheidingen binnen het bouwperceel maximaal 2,5 m bedragen; 2. reclamemasten maximaal 10 m bedragen, met dien verstande dat er maximaal 1 reclamemast per bedrijf is toegelaten; 3. antennedragers inclusief antennes, verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 12 m bedragen. 5.2.6
Circusbedrijf
Voor grond met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - circusbedrijf' gelden de navolgende regels: a. de bedrijfsgebouwen mogen een oppervlakte van maximaal 300 m2 hebben en een bouwhoogte van maximaal 6,5 m; b. ter plaatse van de aanduiding 'woonwagenstandplaats' zijn maximaal zes woonwagens toegestaan met bijbehorende bouwwerken, zoals sanitaire voorzieningen en berging voor huishoudelijke doeleinden met een bouwhoogte van maximaal 3,5 m; c. de oppervlakte van de onder b genoemde bijbehorende bouwwerken mag maximaal 50 m2 bedragen. 5.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in 5.2, op gronden met de hoofdfunctie 'Bedrijf' nadere eisen stellen met betrekking tot: a. b. c. d. e.
dakvormen, dakhellingen en nokrichtingen van bouwwerken; de goot- en bouwhoogte van bouwwerken; de afmetingen van bouwwerken; het aantal en de situering van bouwwerken; het aantal en de situering van parkeerplaatsen op eigen terrein;
onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan en met dien verstande dat, bij de aanduiding 'cultuurhistorie' uitdrukkelijk rekening moet worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en een advies moeten worden ingewonnen bij een stedenbouwkundig cultuurhistorisch deskundige. 5.4
Afwijken van de bouwregels
De afwijkingen in artikel 46.2.1, 46.2.3, en 46.2.4 zijn van toepassing.
49 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
5.5
Specifieke gebruiksregels
5.5.1
Algemeen
Per bouwperceel is maximaal één bedrijf toegestaan. 5.5.2
Aan huis gebonden bedrijven en/of beroepen
Een bedrijfswoning, inclusief eventueel aanwezige (bij de bedrijfswoning behorende), bijbehorende bouwwerken mag ook worden gebruikt voor een aan huis gebonden bedrijf of beroep, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in lid 21.5.1, van de hoofdfunctie 'Wonen'. 5.5.3
Parkeren
In geval van bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 5.5.4
Strijdig gebruik
Onverminderd het bepaalde in artikel 44.1 wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - circusbedrijf' onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan: het geven van circusvoorstellingen. 5.6
Afwijken van de gebruiksregels
Naast de hieronder opgenomen afwijkingsmogelijkheid van de gebruiksregels, zijn ook de afwijkingsmogelijkheden in artikel 46.3 van toepassing. 5.6.1
Bedrijfsactiviteiten
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1 sub a voor het toestaan van een bedrijf met bijbehorende bedrijfsactiviteiten dat niet is vermeld in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, onder voorwaarden dat: a. de maximaal toelaatbare categorie ter plaatse niet wordt overschreden; b. het bedrijf met bijbehorende bedrijfsactiviteiten naar aard, omvang en hinder gelijk te stellen is met de op grond van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegelaten bedrijven en dat dit waar nodig met een milieuhygiënisch onderzoek door de aanvrager is aangetoond; c. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; d. geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding 'overige zone – gelders natuurnetwerk' of 'overige zone – groene ontwikkelingszone', tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones; e.
moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
50 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
5.7
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
5.7.1
Verbod
Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' of 'cultuurhistorie', voortvloeiend uit bijlage 14 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - onderzoeksrapport en 15 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Doetinchem, 16 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Gaanderen of 17 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Wehl , zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen. 5.7.2
Uitzonderingen
Het verbod als bedoeld in 5.7.1 is niet van toepassing op: a. werkzaamheden die: 1. al in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van de verordening; 2. het normale onderhoud betreffen; 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning of aanschrijving van bevoegd gezag ; b. gebouwen die als gevolg van een calamiteit verloren zijn gegaan; c. gebouwen voorzien van de aanduiding 'cultuurhistorie' waarbij uit het onderzoek, dat aanleiding was voor het opnemen van de aanduiding, blijkt dat het betreffende bouwwerk geen cultuurhistorische waarde heeft; d. bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist (vergunningvrije bouwwerken). 5.7.3
Beoordelingscriteria
Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.7.1 wordt slechts verleend als: a. de bestaande architectonische, cultuurhistorische en beeldbepalende kwaliteit niet worden aangetast; b. op basis van technische en economische overwegingen de instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd; c. als het bevoegd gezag voornemens is om de omgevingsvergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a, wordt een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige om advies gevraagd. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.7.1 wordt, als sprake is van de aanduiding 'cultuurhistorie', slechts verleend als ook: d. de karakteristieke aard en het beeldbepalende aanzicht van het hoofdgebouw of bijgebouw in relatie tot het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft; e. het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht van het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft.
51 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
Artikel6 6.1
Bedrijf- Opstijgpunt
Hoofdfunctieomschrijving
De voor 'Bedrijf - Opstijgpunt' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een installatie ten behoeve van de overgang tussen een ondergrondse en een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV; met de daarbij behorende: b. c. d. e. f. g. h. i.
gebouwen en andere bouwwerken; erven en terreinen; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen; wegen, straten en paden; waterlopen en waterpartijen; waterhuishoudkundige voorzieningen.
6.2
Bouwregels
6.2.1
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; b. de bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 15 m2. 6.2.2
Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 3 m; b. de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 20 m.
52 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
Artikel7 7.1
Bos
Hoofdfunctieomschrijving
De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bos; b. instandhouding van het bos en de daarin voorkomende natuur- en landschapswaarden; c. extensieve dagrecreatie, zoals fiets- en wandelpaden en picknickplaatsen, alsmede zandwegen, voor zover de onder a en b bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast; d. natuurkampeerterrein ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein'; e. hondenoefenterrein uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport hondenoefenterrein'; f. trekkershutten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - trekkershutten'; g. natuurlijke, ondergrondse, urnenbegraafplaats ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats'; h. waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen; i. nutsvoorzieningen; en bij de hoofdfunctie behorende bouwwerken en voorzieningen. 7.2
Bouwregels
7.2.1
Algemeen
Op de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Bos' worden gebouwd. 7.2.2
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de navolgende regels: a. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' en 'specifieke vorm van sport hondenoefenterrein' zijn gebouwen zoals bergingen en sanitaire ruimten toegelaten voor een natuurkampeerterrein, respectievelijk een hondenoefenterrein; b. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen voor een natuurkampeerterrein mag maximaal 100 m2 bedragen; voor een hondenoefenterrein maximaal 60 m2; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - trekkershutten' zijn maximaal 2 trekkershutten toegestaan met een maximale oppervlakte van 15 m2 per trekkershut, een maximale goothoogte van 3 m en een maximale bouwhoogte van 4 m; d. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen; e. de bouwhoogte mag maximaal 6 m bedragen. 7.2.3
Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de navolgende regels: a. de bouwhoogte mag maximaal 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte voor verlichting maximaal 4 m mag zijn; b. de oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde (overkappingen) mag maximaal 20 m2 per hectare bedragen. 7.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 7.2, op gronden met de hoofdfunctie 'Bos' nadere eisen stellen met betrekking tot: a. de bouwhoogte van bouwwerken; b. de afmetingen van bouwwerken; 53 beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' vastgesteld
c. het aantal en de situering van bouwwerken; onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan. 7.4
Afwijken van de bouwregels
7.4.1
Materieelberging
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2.2 voor het bouwen van een materieelberging of een vergelijkbaar gebouw, onder voorwaarden dat: a. een materieelberging of een vergelijkbaar gebouw noodzakelijk is voor het doelmatig uitvoeren van werkzaamheden voor de hoofdfunctie 'Bos'; b. voor elke 10 aaneengesloten hectare met de hoofdfunctie 'Bos' een materieelberging van 50 m2 is toegelaten, met dien verstande dat - als wordt gekozen voor één gebouw - de oppervlakte van dat gebouw maximaal 250 m2 mag bedragen; c. de goothoogte van het gebouw maximaal 6 m mag bedragen; d. de bouwhoogte van het gebouw maximaal 8 m mag bedragen; e. de natuurwaarden en/of landschapswaarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden aangetast, dan wel dat de mogelijkheden voor het herstel van die waarden worden belemmerd; f.