Bijlage 3 - Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Doetinchem 2026.pdf
Tekst van het document
Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Doetinchem 2026
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 – Inleiding In deze verordening staan de gemeentelijke regels over maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. Uitgelegd wordt hoe de gemeente uitvoering geeft aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo) en de Jeugdwet en wanneer een inwoner aanspraak kan maken op hulp of ondersteuning. Deze verordening is bedoeld om toegankelijk te zijn voor iedereen die een beroep doet op de Wmo of de Jeugdwet. De volgende onderwerpen komen in deze verordening aan bod: -
het stappenplan om de melding van een inwoner en de eventuele aanvraag te beoordelen; de uitgangspunten voor het toekennen van maatwerk- of algemene voorzieningen; de soorten Wmo- en jeugdhulpvoorzieningen en de vorm waarin ze worden verstrekt; de afspraken die gelden tussen een inwoner en de gemeente;
2
-
de regels die gelden voor het indienen van klachten en calamiteiten, maar ook de manier waarop de gemeente toezicht en handhaving heeft geregeld.
Bij deze verordening zit een toelichting die soms specifiekere informatie geeft over een artikel. Dit om de werkwijze en het beoordelingskader te verduidelijken. Deze verordening bevat ook een aantal bijlagen. In deze bijlagen staat informatie over: de gehanteerde begrippen en de soorten voorzieningen die kunnen worden ingezet en welke voorzieningen algemeen gebruikelijk zijn. De gemeente Doetinchem vindt het belangrijk dat er zowel voor inwoners als andere belanghebbenden een heldere en gebruiksvriendelijke verordening is. Met deze verordening hoopt zij hieraan te voldoen. 1.1 Het waarom van deze regels In de gemeente Doetinchem vinden we het belangrijk dat: -
inwoners actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven en zoveel mogelijk zelfredzaam zijn; inwoners een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; inwoners een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen; en kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien.
Het is de taak van het college om de inwoners van de gemeente daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) en de Jeugdwet (Jw). Deze wetten bepalen grotendeels hoe de gemeente aan deze wetten uitvoering moeten geven, maar de gemeente mag (en moet soms) ook zelf regels opstellen. De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. De hoofdlijnen worden in deze verordening besproken. De Nadere regels gaan dieper op bepaalde onderwerpen in. Onze gemeente kent de Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem 2026 en de Nadere regels Jeugdhulp gemeente Doetinchem 2026. 1.2 Uitgangspunten In de gemeente Doetinchem is beleid vastgesteld in het Integraal Beleidskader sociaal domein ‘Samen groeien [gD] gewoon doen’ 2024 – 2036. Deze verordening kan niet los worden gezien van dit beleidskader. In dit beleidskader zijn de uitgangspunten en beleidskeuzes voor het sociaal domein van de gemeente vastgelegd. Deze zijn toepassing op de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet binnen de gemeente Doetinchem. Samen groeien door gewoon doen betekent voor ons het gewone leven centraal stellen en doen wat nodig is. Dat is de visie achter ons beleid voor het sociaal domein. Mensen komen immers het meest tot hun recht wanneer ze eigen regie ervaren en mee kunnen doen in de samenleving.
We kiezen ervoor om het gewone leven centraal te stellen, waarbij mensen zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en zoveel mogelijk zelf de regie hebben en houden. We rekenen op de zelf- en samenredzaamheid van een inclusieve samenleving waarin zo veel
3
mogelijk mensen gewoon meedoen, waarin ze zich thuis voelen en waarin ze zich kunnen ontplooien. Soms gaat het (tijdelijk) even minder en is er meer nodig. Dan kijken we naar wat iemand wél kan. We kiezen als vertrekpunt dat een hulpvraag niet altijd een probleem is waar een zorg- of ondersteuningstraject bij hoort. Professionele ondersteuning is altijd aanvullend en waar mogelijk tijdelijk. Veel dingen die we meemaken, horen bij het normale leven. Onze aanpak is gericht op het versterken van veerkracht. Indien mogelijk lossen we samen de problemen op en versterken zo de eigen kracht. Wanneer dat niet mogelijk is, zetten we in op het accepteren van en het leren omgaan met de situatie. We investeren in het netwerk of het opbouwen daarvan. Daarmee vergroten we de veerkracht en zorgen we dat iedereen deel blijft uitmaken van onze samenleving. We werken met vijf bouwstenen en vier sociale opgaven. De bouwstenen laten zien wat we belangrijk vinden, waar we voor staan en hoe we te werk gaan. Op basis van deze bouwstenen geven we de uitvoering in het sociaal domein vorm. Ze vormen onze vuistregels, die richting geven aan beleid en uitvoering. En ze bieden handelingsperspectief voor professionals. We werken in de gemeente Doetinchem met de volgende vijf bouwstenen: 1. Inwoner centraal 2. Veerkracht 3. Preventie 4. Perspectief 5.
Vertrouwen We werken in de gemeente Doetinchem aan vier sociale opgaven: 1. Bestaanszekerheid als basis onder een sociaal en veerkrachtig Doetinchem 2. Verstevigen sociale basis in buurten en wijken 3. Kansrijk opgroeien en een leven lang leren 4. Gezond en gelukkig leven. We werken op basis van de volgende uitgangspunten - we gaan uit van de positieve ontwikkeling van alle inwoners en stimuleren dit door het creëren van mogelijkheden om zo normaal mogelijk mee te doen in de samenleving van alledag; - We doen dit als gemeente vanuit een regisseursrol waarin we gericht zijn op het betrekken van en sturen op een beperkt aantal maatschappelijke partners in het realiseren van onze doelstellingen; - we willen komen tot effectieve, versterkte preventie in het sociaal domein gericht op voorkoming en/of verlaging van toekomstige zorgkosten; - we bouwen dit niet van de grond af aan op, maar zetten centraal wat al goed gaat. Op basis daarvan verstevigen we preventie, waarbij we ook heroverwegen of ombuigen. Het is belangrijk om bij de uitvoering bewust te zijn van deze uitgangspunten. Samen zorgen we er zo voor dat we doen wat we hebben afgesproken met elkaar en de lange termijn weten te behalen en vast te houden. 1.3 Kernwaarden Bij de toepassing van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening 4
met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van het besluit de ondersteuning recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden: 1. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de te realiseren doelen; 2. Inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken; 3. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk); 4. Kwetsbare groepen, zoals kinderen of volwassen inwoners met beperkingen, hebben vaker extra hulp nodig om volwaardig mee te doen aan de samenleving. De artikelen in deze verordening zijn gebaseerd op deze kernwaarden en een besluit over maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp wordt altijd genomen op basis van deze kernwaarden. 1.4 Wetgeving en artikelen Deze verordening is gebaseerd op de wetten die onder 1.1. zijn genoemd. De Wmo en de Jeugdwet vormen de wettelijke basis voor de artikelen die in deze verordening zijn opgenomen. Deze verordening is met name gebaseerd op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede en derde lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Alsmede de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet. De tekst van deze verordening geldt voor beide wetten, tenzij nadrukkelijk één van beide wetten wordt bedoeld. 1.5 Buurtplein Deze verordening wordt (ook) in acht genomen door Buurtplein B.V. (verder te noemen: Buurtplein). Het college heeft Buurtplein namelijk gemandateerd (aangewezen) om bevoegdheden namens het college uit te oefenen. Dit betekent dat Buurtplein alle meldingen van inwoners beoordeelt en namens het college kan bepalen of maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp wordt ingezet. Waar dat nodig is, wordt in deze verordening onderscheid gemaakt tussen het college en Buurtplein.
Hoofdstuk 2 – De Hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner hulp kan vragen aan Buurtplein als diegene ondersteuning in de zelfredzaamheid of participatie en/of gezond en veilig opgroeien nodig heeft. Hieronder is opgenomen hoe de inwoner de vraag aan Buurtplein kan stellen, hoe een verzoek wordt beoordeeld, wanneer 5
een aanvraag kan worden gedaan en welke onderwerpen in een beslissing worden opgenomen. Het uitgangspunt is dat er één procedure is, dit is de standaardprocedure. Soms geldt voor bepaalde jeugdhulpvragen een bijzondere route, die is ook in dit hoofdstuk opgenomen. De standaardprocedure/het beoordelingskader voor ondersteuningsvragen op grond van de Wmo en de Jeugdwet bestaat uit vier onderdelen: de melding, de beoordeling, de aanvraag en de beslissing. Dit beoordelingskader wordt, met uitzondering van bijzondere situaties, altijd gehanteerd. 2.1 Indienen hulpvraag 1. Door of namens een inwoner die een hulpvraag heeft op het gebied van zelfredzaamheid, participatie en/of gezond en veilig opgroeien, kan melding worden gedaan bij Buurtplein. 2. De melding kan schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal worden ingediend. 2.2 Procedure melding 1. Na de melding neemt de medewerker van Buurtplein de hulpvraag van de inwoner in behandeling. De medewerker bevestigt de melding aan de inwoner. 2. De medewerker van Buurtplein verstrekt informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige cliëntondersteuner. 3.
Buurtplein biedt de inwoner in geval van de Wmo de mogelijkheid om binnen zeven dagen na de melding zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij of zij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan). 4. Vanaf het eerste contactmoment wordt gewaarborgd dat de communicatie tussen de medewerker van Buurtplein en de cliënt, dan wel diens vertegenwoordiger, in begrijpelijke en duidelijke bewoordingen plaatsvindt. Deze zorg voor begrijpelijke communicatie geldt bij ieder volgend contactmoment. 2.3 Het gesprek 1. Een inwoner die zich heeft gemeld bij Buurtplein, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker van Buurtplein. 2. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en het resultaat dat de inwoner wil bereiken. 3. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid of een cliëntondersteuner) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn. 4. De medewerker van Buurtplein informeert de inwoner, of zijn vertegenwoordiger, over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 5.
De medewerker van Buurtplein verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die Buurtplein niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de medewerker van Buurtplein aan de inwoner om die gegevens aan te leveren. 6
2.4 Het onderzoek 1. Om te bepalen of en welke ondersteuning noodzakelijk is, doet de medewerker van Buurtplein onderzoek. Hierbij volgt de medewerker bij iedere melding het stappenplan van de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). 1 Dit stappenplan bestaat uit vijf stappen. Het stappenplan binnen de Wmo en de Jeugdwet: Stap 1: De medewerker stelt vast wat de hulpvraag van de inwoner is. Stap 2: De medewerker stelt vast welke problemen, beperkingen en stoornissen er precies zijn. Stap 3: De medewerker bepaalt welke hulp nodig is en hoeveel. Stap 4: De medewerker onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere algemene (voorliggende) voorzieningen. Stap 5: De medewerker bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste resultaat te bereiken. 2. De medewerker van Buurtplein informeert de inwoner over de mogelijkheden om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. De medewerker betrekt deze zaken, zoals bedoeld in stap 4 van het stappenplan, bij het onderzoek naar de hulpvraag. 3.
De medewerker van Buurtplein informeert de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb) en wat de gevolgen van die keuze zijn. 4.Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld. Deze staan vermeld in hoofdstuk 3, 4 en 5 van deze verordening. 5. De medewerker van Buurtplein kan een andere professional of een door haar daartoe aangewezen externe onafhankelijke adviesinstantie om advies vragen als zij dit van belang acht voor het onderzoek. 6.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het te volgen stappenplan. 2.4.1 Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Een individuele- of maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt indien uit het onderzoek blijkt dat de betrokkene (en in het geval van een jeugdige tevens zijn ouders), zo nodig met inzet van het sociaal netwerk, op eigen kracht kan voorzien in of bijdragen aan het oplossen van de hulpvraag. 2. Tot het sociaal netwerk behoren personen uit de kring van familie, vrienden, kennissen en andere bekenden die van betekenis zijn voor en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de betrokkene (en in het geval van een jeugdige tevens zijn ouder(s)). 3.
Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in ieder geval het aanspreken van een aanvullende verzekering, indien deze is afgesloten. 1
Zie o.a. ECLI:NL:CRVB:2017:1477 en ECLI:NL:CRVB:2018:819
7
4. Bij het beoordelen van de eigen kracht in de zin van de Jeugdwet heeft het college als uitgangspunt dat de ouders en andere verzorgers en opvoeders in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en opvoeden van de jeugdige en het houden van toezicht. Zij doen alles wat binnen hun mogelijkheden past om ervoor te zorgen dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Deze verantwoordelijkheid geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft. 5. Bij de beoordeling van de hulpvraag en toegang tot jeugdhulp wordt gekeken naar de balans tussen draagkracht en draaglast. Dit kan iets zeggen over of de benodigde hulp al dan niet valt onder gebruikelijke hulp. Als de draaglast structureel groter is dan de draagkracht en dit leidt tot een bedreiging van de ontwikkeling of veiligheid van de jeugdige, kan dit aanleiding zijn voor het inzetten van jeugdhulp. Zie tevens bijlage 3 van de Nadere regels Jeugdhulp gemeente Doetinchem 2026 voor een Richtlijn bij dreigende overbelasting. 6. Om te bepalen wat de betrokkene (en in het geval van een jeugdige tevens zijn ouder(s)) op eigen kracht kunnen oplossen, beoordeelt het college in ieder geval: a. De behoeften en mogelijkheden van de betrokkene en/of ouder(s); b. De benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; c.
De mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van de betrokkene en/of ouder(s); d. De samenstelling van het huishouden en de woonsituatie; e. De mogelijkheden van het sociale netwerk om de betrokkene en/of de ouder(s) te ondersteunen; f. De mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen; g. Overige relevante omstandigheden die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden; en h. In het geval van een jeugdige: het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen, waarbij geen financiële draagkrachtmeting wordt gedaan; 7. Zie bijlage 3 van de Nadere regels Jeugdhulp gemeente Doetinchem 2026 voor de Ouderschap Belastbaarheidsvragenlijst en bijlage 5 van de Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem 2026 voor de Belastbaarheidsvragenlijst Wmo. Artikel 2.4.2 Beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp 1. In aansluiting op de artikelen 1.2.1, onder a. en 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voor zover de cliënt de problematiek waarvoor in het gegeven geval een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd, kan verminderen of wegnemen: a. door gebruik te maken van zijn eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp van huisgenoten; c. met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk; d. door gebruik te maken van algemene voorzieningen; e.
door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke zaken of diensten. 2.
8
a. Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4. onder b. van de Wmo 2015 beoordeelt het college of er gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 beschikbaar is. b. Huisgenoten van de cliënt zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onder a. genoemde onderzoek, alsmede bij heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet. 3. Bij de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, onder a. wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met: a. de samenstelling van de leefeenheid van de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten; b. de aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten; c. de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt; d. de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; e. de mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; f.
overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving. 4. Voor gebruikelijke hulp van ouders en verzorgers aan hun kinderen geldt dat aangenomen moet worden dat ouders zorgen voor de opvoeding en veilig opgroeien van hun kinderen. Dit omvat: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en voorzien in de kosten van dit alles). Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp aan de kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. 5. Bij de beoordeling van de aanwezigheid van gebruikelijke hulp door ouders wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2024. 6.
Bij de beoordeling van de zorgbehoefte van een jeugdige wordt gekeken naar de specifieke omstandigheden. Een Wlz-indicatie wijst op een zeer intensieve zorgbehoefte. Een dergelijke indicatie kan dus dienen als objectief criterium voor het bepalen van een zwaardere ondersteuningsbehoefte. 2.5 Verslag 1. Binnen vijftien dagen na het gesprek stuurt de medewerker van Buurtplein de inwoner een verslag van de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner. 9
2. Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het verslag, waardoor het verslag niet binnen de hiervoor genoemde termijn kan worden toegestuurd, wordt de inwoner hierover geïnformeerd. 3. Uit het verslag blijkt welk resultaat de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd (ondersteuningsplan). Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn. 4. In geval van de Wmo, wordt de inwoner de mogelijkheid geboden om een reactie te geven op het verslag. Dit wordt schriftelijk per mail gedaan. Eventuele opmerkingen van de inwoner worden als reactie in het verslag verwerkt. 5. Als de inwoner een maatwerkvoorziening van de gemeente wil ontvangen, kan hij of zij dit – in geval van de Wmo – aangeven op het verslag. De medewerker ziet het verslag dan als een aanvraag. 6. In geval van aanvragen die zien op jeugdhulp, wordt een reactie op het ondersteuningsplan gevraagd. 2.6 Aanvraag 1. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden ingediend. Het doel van de aanvraag is te bepalen of hulp of ondersteuning wordt verleend op grond van de Wmo of de Jeugdwet. 2. Als het gaat om een maatwerkvoorziening (in natura, pgb of anders), geldt in elk geval: a. Dat de uitkomst van het onderzoek bepaalt welke hulp wordt ingezet; b. Dat de ondersteuning langdurig noodzakelijk is; c.
Dat de goedkoopst adequate voorziening wordt ingezet, die passend is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen; d. Dat de hulp past bij het gewenste resultaat en de persoonlijke situatie van de inwoner. 3. De aanvraag voor een pgb bevat in elk geval: a. Een beschrijving van de te treffen maatwerkvoorziening en het te bereiken resultaat; b. Een beschrijving van de voorgenomen uitvoering en de uitvoerder daarvan; c. De kwalificaties van de uitvoering; en d. Een motivering waarom een pgb is gewenst. 2.6.1 Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1. Het college wint, met inachtneming van relevante wet- en regelgeving, specifiek deskundig oordeel en advies in en zorgt ervoor dat de deskundigheid bekend is bij de cliënt, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 2. Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: a. bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; b. bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of c. op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.
10
d. op grond van een ander erkend kwaliteitsregister voor zorg- of jeugdhulpverleners, passend bij de aard van het advies. 3. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de hulp of ondersteuning biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van deze hulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt. 4. De besluitvorming en uitvoeringstaken zijn extern belegd bij Buurtplein. Het college acht het daardoor van belang een duidelijke scheiding tussen advisering, besluitvorming en uitvoering te waarborgen. Wanneer door Buurtplein wordt toe geleid naar een algemene voorziening draagt Buurtplein er zorg voor dat besluitvorming en uitvoering worden uitgevoerd door functioneel gescheiden professionals. Bij de beoordeling van een maatwerkvoorziening draagt Buurtplein er zorg voor dat advisering en besluitvorming worden uitgevoerd door functioneel gescheiden professionals. Tevens zijn er in het kader van rechtsbescherming, onafhankelijke clientondersteuning en een toegankelijke klachtenprocedure geborgd. 5. Het gestelde in de voorgaande leden is ook van toepassing op heronderzoek. 2.7 Beslistermijn 1.
De medewerker van Buurtplein beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen acht weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist het college binnen twee weken nadat de aanvraag is ontvangen en in ieder geval binnen acht weken na de melding. 2. De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschort als de cliënt niet voldoende meewerkt aan het onderzoek of onvoldoende gegevens heeft verstrekt. Als het college een besluit niet binnen de gestelde termijn kan nemen, dan noemt het college een nieuwe termijn waarbinnen het besluit kan worden genomen. Op deze situaties geldt ook het bepaalde in afdeling 4.1.3.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.8 Inhoud besluit 1. De medewerker van Buurtplein stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de cliënt. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven op grond van de Wmo en/of de Jeugdwet. Als op grond van de Wmo of de Jeugdwet hulp wordt verleend, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in de vorm van een financiële tegemoetkoming of op een andere manier wordt gegeven. 2. In het besluit (zowel bij hulp in natura, pgb of anderszins) wordt in ieder geval vastgelegd: a. wat de hulp inhoudt en in welke vorm dit wordt verleend; b. wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; c.
hoe en door wie de hulp wordt gegeven; 11
d. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden en dat er een ondersteuningsplan is vastgesteld; e. hoe vaak een eventuele tegemoetkoming wordt betaald. 3. Biedt de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit ook vastgelegd: a. waarvoor het pgb bedoeld is (welk resultaat/welke individuele voorzieningen); b. hoe hoog het pgb is; c. wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt; d. wat de kwaliteitseisen zijn voor de besteding van het pgb; e. wie uitvoering geeft aan het pgb; f. wie het budget beheert; g. de wijze van factureren en verantwoorden van een pgb; 4. Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage, dan wordt de inwoner hierover ook geïnformeerd. 2.9 Verval van recht Het recht op ondersteuning vervalt als de cliënt niet binnen zes maanden na de datum van het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp/ondersteuning, tenzij dit de cliënt niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in de beslissing opgenomen. 2.10 Jeugdhulp via medisch verwijzers 1. Het college zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jeugdige doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder en als die jeugdhulpaanbieder van mening is dat de jeugdhulp nodig is. 2.
Het college maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen, de jeugdhulpaanbieders en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen. 3. De jeugdhulpaanbieder houdt zich aan de afspraken die zijn gemaakt met het college in het kader van een contract- en subsidierelatie. Een medisch verwijzer verwijst door op basis van het gecontracteerd aanbod, tenzij het gecontracteerd aanbod niet voorziet in de ondersteuningsbehoefte. Beoordeling hiervan komt toe aan het college. 2.11 Spoedeisende gevallen 1. In spoedeisende gevallen zorgt de medewerker van Buurtplein ervoor dat de inwoner de hulp en/of ondersteuning krijgt die nodig is. Buurtplein kan dan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is en per ommegaande ondersteuning/hulp inzetten. 2. Het college maakt afspraken met zorgaanbieders over de manier waarop met spoedeisende gevallen wordt omgegaan.
12
Hoofdstuk 3 – Zelfredzaamheid en Participatie (Wmo) Een inwoner die vanwege een chronische beperking, een psychisch of psychosociaal probleem hulp nodig heeft om zichzelf dagelijks te kunnen redden (zelfredzaamheid) of om mee te doen in de samenleving (participatie), kan – als het onderzoek dit uitwijst - in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. De hulp of ondersteuning moet langdurig noodzakelijk zijn en een passende bijdrage leveren voor de inwoner, zodat deze in staat is om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kan blijven wonen. Dit hoofdstuk bevat de criteria die gelden om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening. 3.1 Algemene criteria voor toekenning van een maatwerkvoorziening 1. Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Doetinchem kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn of haar zelfredzaamheid of participatie die hij of zij ondervindt, als de uitkomsten van het onderzoek, zie artikel 2.4 van deze verordening, dit uitwijst.
Het gaat erom dat het college altijd eerst beoordeelt of de cliënt zijn of haar beperkingen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van anderen uit zijn/haar sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen, dan wel algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. 2. Een maatwerkvoorziening moet noodzakelijk zijn om de cliënt in aanvaardbare mate in staat te stellen tot zelfredzaamheid en/of participatie mede met het oog op het zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. 3. De maatwerkvoorziening is langdurig noodzakelijk. 4. De maatwerkvoorziening is als goedkoopst adequate en tijdig beschikbare maatwerkvoorziening aan te merken. 5. De maatwerkvoorziening is in overwegende mate op de cliënt gericht en past bij het gewenste resultaat en de persoonlijke situatie van de cliënt. 3.2 Algemene weigeringsgronden ten aanzien van een maatwerkvoorziening 1. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat: a. als het redelijk is van de cliënt te verlangen om zelf of met hulp van anderen voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen/problemen die er zijn wat betreft de zelfredzaamheid/participatie of gezond en veilig opvoeden/opgroeien; b. als tot de leefeenheid van de cliënt een of meer personen behoren die gebruikelijke hulp kunnen verlenen; c.
als de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp kan worden opgelost of verminderd door gebruik te maken van algemene, algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen; d. als aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. 2. Het college kan een aanvraag weigeren als de cliënt iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij/zij deze had kunnen voorzien. 3. Het college kan de maatwerkvoorziening ook weigeren, als een cliënt de 13
gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of aangeschaft, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven of met terugwerkende kracht de noodzaak en de passendheid van de voorziening nog kan worden beoordeeld. Als de cliënt grote problemen krijgt door de weigering (onevenredig nadeel), dan kan het college de maatwerkvoorziening ook toekennen. 4. Als de maatwerkvoorziening die wordt aangevraagd al eerder is verleend en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verleende voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. 3.3 Hulp bij het huishouden 1. Binnen Doetinchem zijn de Maatwerkvoorzieningen HH1 – Huishoudelijke werkzaamheden, HH2 – Organisatie van het huishouden en Combinatie ondersteuning beschikbaar. 2. Als er in het huishouden van de cliënt minderjarige kinderen zijn, dan kan een maatwerkvoorziening ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke zorg voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen. 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de verschillende vormen van huishoudelijke hulp. | 4. Ten aanzien van hulp bij het huishouden in de gemeente Doetinchem vindt een overgang plaats van een algemene voorziening naar maatwerkondersteuning.
Tot en met 31 december 2025 konden inwoners instromen in de algemene voorziening ‘Schoonmaakhulp’. Vanaf 1 januari 2026 is deze mogelijkheid er niet meer. Ter ondersteuning van deze overgang is een overgangsregeling van kracht gesteld.
Nieuwe cliënten vanaf 1 januari 2026 vallen onder het nieuwe beleid. Voor deze aanvragen geldt dat er geen algemene voorziening Schoonmaakhulp beschikbaar is en alleen een aanvraag gedaan kan worden voor een maatwerkvoorziening. Voor bestaande cliënten waarbij de algemene voorziening schoonmaakhulp binnen het overgangsjaar 2026 afloopt geldt dat bij een herindicatie het nieuwe beleid van toepassing is en dat er geen aanspraak meer gedaan kan worden op de algemene voorziening schoonmaakhulp. Voor bestaande cliënten met een algemene voorziening schoonmaakhulp waarbij de einddatum ligt op 1 januari 2027 of verder, geldt dat voor 31 december 2026 beoordeeld wordt of zij in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden op basis van het nieuwe beleid. De beoordeling vindt dus plaats in 2026, maar de inwerkingtreding hiervan gaat in per 1 januari 2027.
3.4 Begeleiding individueel 1. Het college zorgt ervoor dat cliënten die niet in staat zijn de normale dagelijkse activiteiten uit te voeren en onvoldoende zelfredzaam zijn, een maatwerkvoorziening begeleiding kunnen krijgen als het onderzoek uitwijst dat dit noodzakelijk is. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de producten ‘begeleiding individueel’, ‘begeleiding individueel extra' en 'begeleiding individueel beschermd thuis', 'persoonlijke verzorging’ en 'logeren'. Begeleiding is gericht op herstel, verbeteren, ontwikkelen, stabiliseren en/of compenseren van de zelfredzaamheid en het welbevinden en/of de kwaliteit van leven. 14
2. De begeleiding vindt zoveel mogelijk plaats in de eigen leefomgeving van de cliënt. 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de verschillende vormen van begeleiding. 3.5 Begeleiding groep 1. Buurtplein zorgt ervoor dat cliënten die een georganiseerde en gestructureerde dag invulling nodig hebben een maatwerkvoorziening kunnen krijgen in de vorm van dagbesteding. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen 'begeleiding groep belevingsgericht’ en 'begeleiding groep ontwikkelgericht'. 2. Dagbesteding houdt in dat cliënten mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten onder begeleiding, voor een of meer dagdelen per week. 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de maatwerkvoorziening ‘begeleiding groep’. 4. Het vervoer van cliënten naar en van de dagbesteding wordt in beginsel verzorgd door de vervoerder aan wie het vervoer via een regionale aanbesteding is gegund. Het vervoer kan worden uitgevoerd door een andere aanbieder van de dagbesteding indien dit, gelet op de individuele situatie van de cliënt, noodzakelijk wordt geacht omdat het vervoer door de gegunde vervoerder voor de cliënt leidt tot ernstig nadeel. Bijvoorbeeld omdat de cliënt vanwege een psychische of lichamelijke ondersteuning voor, tijdens of aansluitend aan het vervoer nodig heeft, welke niet door de gegunde aanbieder geboden kan worden.
De beoordeling of sprake is van ernstig nadeel als bedoeld in het tweede lid wordt gedaan door of namens het college. 3.6 Primaat van collectief vervoer 1. Als een inwoner beperkingen ervaart qua participatie, kan het college maatschappelijke ondersteuning bieden als collectieve- of een maatwerkvervoervoorziening. Vervoersvoorzieningen zien op het vervoer dicht bij huis zodat inwoners kunnen meedoen met recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten of bijvoorbeeld zelf de dagelijkse boodschappen kunnen doen. De ondersteuning kan bestaan uit het aanbieden van de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer of het gebruikmaken van een andere vervoersvoorziening. 2. Het gaat bij participatie om: a. het zich verplaatsen rondom de woning; b. het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis; of c. het vervoer naar de plek waar de inwoner kan deelnemen aan een activiteit van de gemeente om de dag in te vullen. 3. Voor zover de inwoner gebruik kan maken van het collectief vraagafhankelijk vervoer, zal deze mogelijkheid eerst worden beoordeeld. Een andere vervoersvoorziening wordt pas ingezet als het collectief vraagafhankelijk vervoer niet als passende bijdrage kan worden aangemerkt. 4.
Maatwerkvoorzieningen ZOOV worden slechts geboden indien deze gericht zijn op het zich kunnen verplaatsen in een straal tot 20 kilometer rond de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. 3.7 Overige vervoersvoorzieningen 1. Als dat nodig is vanwege de beperkingen van de inwoner en gezien zijn of haar vervoersbehoefte, kan Buurtplein een vervoersmiddel verstrekken. 15
2. Buurtplein kan inwoners daarnaast een bijdrage in de kosten geven, voor: a. het gebruik van een eigen auto; b. het gebruik van een taxi; c. het gebruik van een rolstoeltaxi. 3. In nadere regels stelt het college hiervoor een maximaal bedrag vast per periode. 3.8 Rolstoel en overige voorzieningen 1. Buurtplein zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet kunnen verplaatsen in en om de woning, een maatwerkvoorziening kunnen krijgen. De maatwerkvoorziening houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend gebruik. 2. Rolstoelen worden alleen verstrekt als de inwoner hier langdurig op is aangewezen (langer dan drie maanden). 3. Er kunnen ook overige voorzieningen worden verstrekt voor het verplaatsen in en om de woning (zoals een handbike). 3.9 Vervanging vervoersmiddel en rolstoel Als het gaat om het vervangen van een eerder door Buurtplein verstrekte rolstoel of vervoersmiddel in de vorm van een maatwerkvoorziening, dan doet Buurtplein dit alleen als de rolstoel of het vervoersmiddel: a. technisch is afgeschreven; b. verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om, of c. niet passend meer is voor de problemen die de inwoner ervaart bij het verplaatsen in en om de woning of het vervoer dicht bij huis. 2. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het vervangen van vervoersmiddelen.
16
Hoofdstuk 4 – Wonen in een veilige en gezonde omgeving (Wmo) Inwoners met een beperking en/of langdurige psychosociale problemen, kunnen hulp nodig hebben om zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. Het college heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning of het zelfstandig kunnen wonen. De medewerker van Buurtplein kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de ondersteuning die aan deze inwoners kan worden gegeven als het gaat om wonen in een veilige en gezonde omgeving. 4.1 Een geschikte woning en primaat van verhuizen 1. Buurtplein biedt een inwoner een woonvoorziening/woningaanpassing als het normale gebruik van zijn of haar woning als gevolg van een beperking, chronisch psychisch of psychosociaal probleem niet mogelijk is en de inwoner daardoor niet zelfredzaam is of zich niet kan handhaven in de samenleving en het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.4 uitwijst dat een woonvoorziening noodzakelijk is. Deze maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het veilig en op een geschikte manier wonen. 2.
De medewerker van Buurtplein onderzoekt altijd eerst of een verhuizing naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning in de gemeente Doetinchem mogelijk is (primaat van verhuizen). Als de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte woning, als deze beschikbaar is. 3. De inwoner kan dan een geldbedrag krijgen voor de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning. Deze verhuiskostenvergoeding is een maximaal bedrag per aanvraag en wordt vastgesteld in het meest actuele Besluit Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Doetinchem. Hiervan kan in individuele gevallen gemotiveerd worden afgeweken, zowel naar boven als naar beneden. 4. Aard- en nagelvaste woningaanpassingen en roerende woonvoorzieningen worden slechts geboden indien deze zijn gericht op het kunnen gebruiken van de noodzakelijke gebruiksruimte(n) in verband met het normale gebruik van de woning waar de cliënt hoofdverblijf heeft of zal hebben. 5. Een woningaanpassing of hulpmiddel wordt slechts verleend indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de maatwerkvoorziening wordt getroffen. 4.2 Weigeringsgronden woonvoorzieningen 1. Buurtplein verstrekt geen woonvoorzieningen in de volgende situaties: a.
De beperkingen van de inwoner zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt. b. De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerswoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een woonruimte die niet bestemd of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden. c. De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een seniorencomplex, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische 17
deuropeners. d. Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of verbouw zonder meerkosten meegenomen kunnen worden. e. De inwoner is zonder dringende reden verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning. f. De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft verleend. g. als het gaat om maatwerkvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan automatische deuropeners, helingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. h. De noodzaak voor een woningaanpassing het gevolg is van achterstallig onderhoud. 2. Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt, als: a. de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven; b. de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om, of als c. de woonvoorziening geen passende oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner. 4.3 Beschermd wonen 1. Een cliënt die inwoner is van Nederland kan in aanmerking komen voor beschermd wonen als: a.
hij/zij is aangewezen op een beschermde woonomgeving, gelet op de complexe problematiek; b. de complexe problematiek niet voortkomt uit een (acute) crisissituatie waarbij het college nog geen indicatie voor beschermd wonen kan vaststellen; c. de maatwerkvoorziening(en) begeleiding of dagbesteding, al dan niet gecombineerd met ambulante diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet niet als passende bijdrage kunnen worden aangemerkt; of d. het beschermd wonen (mede) gericht is op het in staat stellen van de cliënt om zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; 2. Een beschermde woonomgeving gaat gepaard met (noodzakelijk) verblijf in een accommodatie van een aanbieder waar 24-uurs toezicht en dagelijks aangewezen (geplande en ongeplande) ondersteuning wordt geboden; 3. Afhankelijk van de aard en omvang van de complexe problematiek als bedoeld in het eerste lid onderdeel a, kan onder een beschermende woonomgeving ook een woning worden verstaan waarbij het 24 uurs toezicht en ondersteuning als bedoeld in het vorige lid in de directe nabijheid wordt geboden. 4. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de maatwerkvoorziening beschermd wonen. 4.4 Maatschappelijke opvang 1.
Een cliënt die inwoner is van Nederland en psychische of psychosociale problemen heeft en/of zijn haar thuissituatie heeft verlaten, en als er mogelijk sprake is van risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang. 18
2. De cliënt kan in aanmerking komen voor opvang als hij/zij (feitelijk) dakloos is en om die reden zijn of haar thuissituatie heeft verlaten. 3. De cliënt kan in aanmerking komen voor specialistische opvang, wanneer hij/zij slachtoffer is van huiselijk- of seksueel geweld en om die reden zijn of haar thuissituatie heeft verlaten. 4. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang.
19
Hoofdstuk 5 – Gezond en veilig opgroeien (Jeugdwet) Jeugdigen in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de jeugdigen, hun ouders en hun netwerk, maar als zij daarbij hulp nodig hebben, kunnen zij een beroep doen op de gemeente voor ondersteuning op grond van de Jeugdwet. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te verminderen. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Met jeugdigen worden in deze verordening iedereen tot 18 jaar bedoeld. Maar ook jongvolwassenen vanaf 18 tot 23 jaar die al jeugdhulp ontvingen voordat zij 18 werden en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben (zie ook artikel 1.1 van de Jeugdwet). 5.1 Preventieve maatregelen 1. Buurtplein zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt Buurtplein jeugdigen, hun ouders en hun sociale netwerk in ieder geval met: a. het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen samenwerken en elkaar aanvullen; b. informatie, advies en trainingen; c. activiteiten voor jongeren die hun talenten ontwikkelen via het jongerenwerk; d.
opvoedondersteuning; Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, en ook geen besluit van de gemeente. In bijlage 3 is opgenomen welke vrij toegankelijke (algemene) voorzieningen er zijn. 2. Buurtplein zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. Waar mogelijk biedt het college jeugdhulp op vrijwillige basis. 3. Jeugdigen, hun ouders en hun sociale netwerk kunnen daarnaast ondersteuning ontvangen van organen buiten Buurtplein om, zoals de jeugdgezondheidszorg (consultatiebureau en de jeugdarts) of een vertrouwenspersoon. 5.2 Criteria jeugdhulp 1. Bij een verzoek om ondersteuning ten aanzien van gezond opvoeden en/of opgroeien, kijkt de medewerker van Buurtplein altijd eerst of het gewenste resultaat op eigen kracht of met behulp van het sociale netwerk kan worden bereikt of dat algemeen gebruikelijke en/of voorliggende voorzieningen kunnen worden ingezet. 2. Als het resultaat kan worden bereikt met de voorzieningen zoals genoemd in lid 1 en/of vrij toegankelijke hulp, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door Buurtplein of door een jeugdwelzijnsorganisatie. Als dat passend is, worden overige beschikbare voorzieningen ingezet.
Pas als het gewenste resultaat daarmee niet kan worden bereikt, dan kan individuele voorziening jeugdhulp worden ingezet. 3. Een individuele voorziening wordt enkel toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het 20
college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en [waar beschikbaar] er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. Naast het inzetten van bewezen effectieve interventies wordt geborgd dat de werkzaamheden worden uitgevoerd door daartoe gekwalificeerde professionals die in het bezit is van een registratie als bedoeld in artikel 2.6.1 lid 2 dan wel onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional, in overeenstemming met de norm van verantwoorde werktoedeling. 4. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, wordt de goedkoopst adequate en tijdig beschikbare voorziening verstrekt. 5. Bij het bieden van hulp houden Buurtplein en de jeugdhulpverlener rekening met de algemene leefwijze van de jeugdige en de ouders. 6. Alle hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouder(s) en hun sociale netwerk. Zie voor een toelichting op deze begrippen tevens artikel 2.4.1 van deze verordening. 7. Buurtplein betrekt de wensen van de jeugdige en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet. 8. Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan Buurtplein.
5.3 Soorten jeugdhulp 1. Binnen de gemeente Doetinchem zijn verschillende vormen van individuele (niet vrij toegankelijke) jeugdhulp beschikbaar. Deze worden ingezet als de vrij toegankelijke vormen van jeugdhulp, of andere voorliggende voorzieningen, niet geschikt zijn om het gewenste resultaat te bereiken. Voor niet vrij toegankelijke jeugdhulp, heeft de inwoner een besluit van de gemeente nodig of een verwijzing door een jeugdarts, een huisarts, een medisch specialist of een Gecertificeerde Instelling (GI). 2. In artikel 6.1 lid 5 van deze verordening opgenomen welke vormen van individuele jeugdhulp er zijn. 3. Buurtplein zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jeugdige of de ouders wordt gegeven. Om dit te bereiken maakt het college afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Deze afspraken gaan in elk geval over procedures die gelden bij doorverwijzing, communicatie, afbakening van taken en verantwoordelijkheden, aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en niet vrij toegankelijke hulp. 5.4 Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. 2.
In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de Jeugdwet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet. 3. BSO+ is een vorm van buitenschoolse opvang waarbij extra begeleiding noodzakelijk is. BSO+ kan ingezet worden als voorliggende voorziening, met extra ondersteuning voor kinderen die dit nodig hebben, zodat jeugdhulp alleen wordt ingezet indien de voorliggende voorziening niet passend of onvoldoende blijkt te zijn. 21
5.5 Overgang van 18- naar 18+ 1. Het college is er verantwoordelijk voor dat jeugdigen die jeugdhulp ontvangen, ondersteund blijven worden als ze 18 jaar worden en hiertoe nog een noodzaak is. Dat wil zeggen dat Buurtplein zorgt voor een plan voor de jongere op alle belangrijke leefgebieden, zoals scholing, werk of participatie, wonen, inkomen, zorg en ondersteuning, vrije tijd en het netwerk van de jeugdige. 2. Het is mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jeugdige 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het plan. 3. Als sprake is van pleegzorg, dan wordt deze ingezet tot de dag dat de jeugdige 21 jaar wordt, tenzij de jeugdige 18 jaar of ouder is en heeft aangegeven op eigen benen te willen staan. De jeugdhulp kan eventueel worden verlengd totdat de jeugdige 23 jaar wordt. 4. Jeugdhulp wordt ingezet zolang sprake is van een jeugdreclasseringsmaatregel, ook nadat de jeugdige 18 jaar is.
22
Hoofdstuk 6 – De vormen van de hulp en de te betalen bijdrage De hulp die op grond van de Wmo of de Jeugdwet wordt ingezet, is in principe ‘in natura’: Buurtplein zorgt ervoor dat er hulp of ondersteuning wordt ingezet. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld huishoudelijke hulp), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt verstrekt (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan ook een pgb of een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd welke vormen van hulp er zijn en welke criteria daarvoor gelden. Ook wordt aangegeven wanneer van de cliënt een financiële bijdrage kan worden gevraagd. 6.1 Hulp in natura 1. De cliënt die hulp of ondersteuning op grond van de Wmo of de Jeugdwet krijgt, ontvangt de hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. Gaat het om een product, dan wordt dit in eigendom, bruikleen of op huurbasis verstrekt. 2. Het college is verantwoordelijk voor de inkoop van kwalitatief goede en veilige hulp/ ondersteuning en producten. 3. Het college ziet erop toe dat de leverancier van een product de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft en de cliënt informeert over alles wat van belang is om te weten over de dienst of het product. 4. De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar op grond van de Wmo:
Hulp bij het Huishouden: HH1– Huishoudelijke werkzaamheden, HH2 – Organisatie van het huishouden, Combinatie-Ondersteuning; Begeleidingsvormen: Begeleiding Individueel, Begeleiding individueel extra, Begeleiding individueel beschermd thuis, Begeleiding groep belevingsgericht, Begeleiding groep ontwikkelgericht; Persoonlijke verzorging; en Logeren; Wmo Wonen: Beschermd wonen, Beschut wonen, Safehouse, Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+;
Zie voor een nadere beschrijving van de Wmo-maatwerkvoorzieningen de Artikelsgewijze toelichting bij dit artikel en bijlage 2 van de Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem 2026. 5. De volgende vormen van individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar op grond van de Jeugdwet:
Ambulante jeugdhulp: Ondersteuning individueel, Ondersteuning individueel intensief, Ondersteuning groep, Ondersteuning groep intensief, Behandeling individueel (niet GGZ), Behandeling groep (niet GGZ), Behandeling groep Orthopedagogisch dagcentrum (ODC), Cliëntgebonden expertise en advies, GGZ Basis, GGZ Specialistisch, GGZ Hoog Complex, Diagnostiek, Medicatiecontrole, Persoonlijke verzorging, Dyslexiezorg en Ambulante spoedhulp; Jeugdhulp met verblijf: Pleegzorg voltijd, Pleegzorg deeltijd, Gezinshuis lichte begeleidingsintensiteit, Gezinshuis middel begeleidingsintensiteit, Gezinshuis zware begeleidingsintensiteit, Logeren, Verblijf GGZ reguliere bedden, Verblijf groep 8 bedden, Verblijf groep 6 bedden, Verblijf groep 4 bedden en Moeder/ouder-kindhuis; en Crisis Jeugdhulp: Crisis GGZ (Ambulant), Crisis Verblijf (GGZ), Crisis Regulier verblijf (niet GGZ). 23
Zie voor een nadere beschrijving van de individuele jeugdhulpvoorzieningen de bijbehorende productbeschrijvingen. Deze zijn te downloaden via de website van het Sociaal Domein Achterhoek. 6. De gecontracteerde aanbieders van beschikbare individuele voorzieningen worden gepubliceerd in het document ''Gecontracteerde zorgaanbieders Sociaal Domein Achterhoek''. Dit document is te downloaden via de website van het Sociaal Domein Achterhoek. 7. De client heeft recht op keuzevrijheid tussen een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb, conform artikel 2.3.6 van de Wmo en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. 8. Voor Hulp bij het huishouden is het uitgangspunt dat de ondersteuning eens in de twee weken wordt geboden, maar Buurtplein doet onderzoek naar de factoren opgenomen in het normenkader van HHM. Hierbij houdt Buurtplein rekening met de persoonlijke omstandigheden. De meest recente versie van het Normenkader 'Hulp bij het Huishouden’ als bedoeld in bijlage 4 van deze verordening. Deze richtlijn is gebaseerd op het lokale beleid “Hulp bij het huishouden; de basis op orde” en op lokale omstandigheden/uitvoerbaarheid. De richtlijn wordt toegepast bij de uitvoering van deze verordening. Afwijkingen worden gemotiveerd en verantwoord. 6.2 Hulp in de vorm van een pgb 1.
In plaats van hulp in natura kan de cliënt een pgb krijgen als is voldaan aan de voorwaarden die de Wmo of de Jeugdwet of deze verordening en de nadere regels stellen. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan één of meer diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen, jeugdhulp of andere maatregelen afnemen van een professional of van een informele hulpverlener. 2. Buurtplein kent een pgb toe als zij vindt dat de cliënt (of zijn of haar vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De cliënt (of zijn of haar vertegenwoordiger) moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde wijze kunnen uitvoeren. Indien de client niet in staat is zelf het pgb te beheren, kan een pgb-beheerder worden aangesteld. 3. Buurtplein weigert een pgbof trekt deze in indien: a. niet wordt voldaan aan de kwaliteitseisen zoals bedoeld in artikel 2.6.1 en 8.1 e.v van deze verordening b. de budgethouder onvoldoende in staat is het pgb op verantwoorde wijze te beheren; c. er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de ondersteuning niet doelmatig of veilig wordt ingezet. 4. De cliënt maakt een ondersteunings- en budgetplan. Hierin staat door wie de hulp wordt geboden en welke hulp de cliënt met het pgb wil betalen. Buurtplein moet deze plannen goedkeuren en zal daarna het pgb vaststellen. 5.
De hoogte van een pgb is toereikend om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede ondersteuning van derden te betrekken. 6. Het pgb is bedoeld voor het inkopen van de noodzakelijke hulp/de voorziening en kan niet worden besteed aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. het voeren van een pgb-administratie; c. kosten voor feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s); d. reiskosten en reistijd; e. kosten die de zorgverlener in rekening brengt voor het niet nakomen van een afspraak of in verband met een opzegtermijn; f. de opgelegde eigen bijdrage; 24
g. feestdagen of eenmalige uitkering aan de zorgverlener. 7. Buurtplein verstrekt geen pgb in de volgende situaties: a. De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was; b. Het gaat om kosten voor vervoer, maar de cliënt kan gebruikmaken van het collectief taxivervoer; c. Uit het door de cliënt ingediende ondersteunings- en budgetplan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is. d. De cliënt kan het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgb-beheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener. 8. Het pgb mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. 9. Het pgb wordt binnen zes maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Voor woningaanpassingen kan Buurtplein een langere termijn hanteren. 10. De cliënt draagt zorg voor een afdoende verzekering tegen schade indien de met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening wordt meegenomen naar het buitenland. 11. Het college kan nadere regels stellen aan het verstrekken van een pgb. Als het pgb wijzigt, kan er een overgangstermijn van drie maanden worden gehanteerd. 6.3 Pgb bij hulp door professionals 1.
Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de inwoner: a. iemand die in dienst is van een instelling die bedrijfsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Ook voldoet de hulp(verlener) aan de kwaliteits- en opleidingseisen zoals die ook gelden voor door de gemeente gecontracteerde aanbieders. Deze zijn te vinden op www.sociaaldomeinachterhoek.nl; of b. iemand die als Zelfstandige zonder personeel de beschikking heeft over een Beschikking geen loonheffingen (BGL) en ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van de Jeugdwet of de Wmo. Ook voldoet de hulp(verlener) aan de kwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet of hoofdstuk 3 van de Wmo en de kwaliteits- en opleidingseisen zoals die ook gelden voor de gemeente gecontracteerde aanbieders. Deze zijn te vinden op www.sociaaldomeinachterhoek.nl. 2. De professional beschikt over een VOG.