Bijlage 3 - Notitie Wonen landelijk gebied.pdf
Tekst van het document
Bossingel Bossingels en kleine bosjes zijn landschapselementen die bestaan uit hoog opgaande beplanting. Het kunnen doorgeschoten hakhoutwallen zijn, maar ook recent aangelegde houtsingels. Een bosje is een klein vrij liggend vlakelement, een singel is een lijnvormig element.
Inrichtingseisen bij aanleg bossingel alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken; plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 1,50m x 1,50 meter; aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van inheemse soorten; raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende bossingels op één perceel is tenminste 50 meter.
Knip- of scheerheg Heggen zijn al eeuwen te vinden in het Nederlandse cultuurlandschap. Op de droge gronden dienden de heggen veelal als eigendoms- of perceelscheiding. De doornige meidoorn kon daarnaast ook nog een veekerende functie hebben. Met de komst van het prikkeldraad zijn veel heggen uit het landschap verdwenen. Door het regelmatig knippen heeft de heg een strak en recht uiterlijk. Heggen zijn van belang voor flora en fauna, zo bieden ze schuilmogelijkheden voor diverse diersoorten. Instapeisen Een knip- of scheerheg is een vrijliggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat wordt geknipt of geschoren. Een knip- of scheerheg is minimaal 25 meter lang. Een knip- of scheerheg kan periodiek gevlochten worden.
Instapeisen Een bossingel is een vrij liggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement met opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken. Een bossingel is minimaal 20 meter lang.
29
Inrichtingseisen bij aanleg knip- of scheerheg alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken; het betreft een element met één- of twee rijen; plantafstand in de rij bij 1 rij minimaal 0,25 meter en maximaal 0,40 meter en bij twee rijen plantafstand in de rij minimaal 0,30 cm en maximaal 0,50 meter en afstand tussen rijen minimaal 0,30 meter en maximaal 0,50 meter; aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van Nederlandse herkomst; mogelijk raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij.
Struweelhaag Struweelhagen komen in heel Gelderland voor en er zijn vele lokale varianten. Een struweelhaag wordt minder frequent gesnoeid en kan daardoor breder uitgroeien. Soms is er sprake van speciale beheervormen zoals vlechtheggen. Struweelhagen vormen een belangrijk leefgebied voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna. Instapeisen Een struweelhaag is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken. Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang. Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot het beheertype Knip- of scheerheg. Inrichtingseisen bij aanleg struweelhaag alleen gebruik inheemse struiken, waarvan 50% bestaat uit doornachtige struiken; het betreft een element met één- of twee rijen; plantafstand in de rij bij 1 rij minimaal 0,25 meter en maximaal 1 meter en bij twee rijen plantafstand in de rij minimaal 0.50 cm en maximaal 1,00 meter en afstand tussen rijen minimaal 0,50 m en maximaal 1,00 meter;
aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van inheemse soorten; raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende struweelhagen op een perceel is tenminste 50 meter.
Laan Lanen zijn wegen die aan beide zijde met een of meerdere rijen bomen zijn beplant. Vooral op landgoederen en buitenplaatsen zijn ze in het verleden aangeplant. Lanen werden niet alleen aangeplant uit esthetische motieven, maar dienden ook als beschutting tegen weersinvloeden en voor de houtproductie. Lanen zijn van belang voor aan oude bomen of boomholten gebonden vogels en vleermuizen en op bomen groeiende mossen en korstmossen. Instapeisen Een laan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of meerdere rijen bomen is beplant en is bedoeld en aangelegd als laan. Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en leeftijd en er is sprake van een herkenbaar en regelmatig plantverband. Onder dit beheertype vallen ook dijken met een weg, bovenop de kruin van de dijk, die aan beide zijden met bomen is beplant. Een laan is minimaal 40 meter lang. Inrichtingseisen bij aanleg laan alleen gebruik inheemse bomen; plantafstand in de rij minimaal 8 en maximaal 12 meter; afstand tussen twee bomenrijen maximaal 8 meter; aanplant laanbomen met minimale boommaat 10-12; raster minimaal op 1 meter uit het hart van de buitenste rij.
30
Knotboom Knotbomen zijn bomen met een opgaande stam, waarbij periodiek de boven op die stam groeiende takken (of pruik) worden gesnoeid. Op deze snoeihoogte ontstaat een vergroeiing van de stam: de knot. Knoteiken worden traditioneel een keer in de zeven tot acht jaar geknot, knotessen eens in de vijf tot zes jaar en knotwilgen en -populieren worden meestal eens in de vier jaar geknot. Knotbomen bieden broedgelegenheid aan diverse vogels. Vooral oude knotbomen kunnen zeldzame mossen en korstmossen herbergen. Instapeisen Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,0 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot). Knotbomen kunnen solitaire bomen zijn, rijen of kleine groepen. Inrichtingseisen bij aanleg knotboom alleen gebruik inheemse bomen; plantafstand in de rij minimaal 5 meter en maximaal 25 meter; aanplant ‘laanbomen’ met minimale maat 10-12 of 3 jarige onbeworteld wilgenstek; raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende knotbomenrijen op een perceel is tenminste 20 meter.
Hoogstamboomgaard Een hoogstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruit- of notenbomen. Hoogstamboomgaarden komen vooral voor als onderdeel van het boerenerf, maar ook bij landgoederen en buitenplaatsen waren vaak boomgaarden te vinden. Hoogstamboomgaarden komen met name voor op kleigronden, op zandgrond zijn ze relatief schaars. Boomgaarden worden vaak door een heg, haag of sloot afgescheiden van de omgeving.
De ondergrond van de hoogstamboomgaard is vaak een begraasd grasland. Hoogstamboomgaarden vormen naast hun landschappelijke betekenis ook een belangrijk leefgebied voor diverse diersoorten. Instapeisen Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,50 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie. Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 6 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 bomen per hectare. Een hoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving. Inrichtingseisen bij aanleg hoogstamboomgaard Minimaal 6 bomen; Stam van minimaal 1,50 meter hoog; Dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 fruitbomen per ha.; Aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10; Rond jonge bomen boomkorf aanbrengen indien perceel wordt beweid.
Struweelrand Struweelranden zijn aaneengesloten randen die bestaan uit ruigtekruiden, struiken of een combinatie van beide. Deze randen kunnen zich ontwikkelen vanuit een extensief beheerde situatie, of aangeplant worden. Kenmerk van een struweelrand is dat deze zowel vrij kan liggen, als aansluiten op een ander element. Struweelranden kunnen dienen als overgangsgebied tussen een agrarisch perceel en bos. Ze zijn vooral van belang voor insecten, amfibieën, reptielen, broedvogels en planten.
31
Instapeisen Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een wisselende beplanting (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich spontaan ontwikkelen. De rand is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door bomen en/of struiken. De struweelrand kan langs een bosrand of een landschapselement liggen, maar ook vrij in het veld, bijvoorbeeld langs een perceelsrand. Inrichtingseisen bij aanleg struweelrand in de rand komen minimaal 10 inheemse grassen en/of kruiden voor. Om hiertoe te komen mag de rand ook worden ingezaaid met een (inheems) zaadmengsel.
Vlechtheg Een vlechtheg is een heg waarbij door het half inkappen en horizontaal buigen van takken een dichte heg wordt gevormd. Het historische hoofddoel van vlechtheg is veekering. Bijkomende voordelen van deze beheersvorm is dat de heg door het vlechten wordt aangezet tot natuurlijke verjonging. Een vlechtheg kan daardoor eeuwenoud worden. Vlechtheggen vormen een belangrijk leefgebied voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna. Instapeisen Een vlechtheg is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten, (deskundig) gevlochten begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken. Een vlechtheg is minimaal 25 meter lang.
Inrichtingseisen bij aanleg gelegde heg/vlechtheg alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken; het betreft een element met één- of twee rijen; plantafstand in de rij bij 1 rij minimaal 0,25 meter en maximaal 0,40 meter en bij twee rijen plantafstand in de rij minimaal 0,30 cm en maximaal 0,50 meter en afstand tussen rijen minimaal 0,30 meter en maximaal 0,50 meter; aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van Nederlandse herkomst; raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende heggen op een perceel is tenminste 50 meter.
Fruitlaan Fruitlanen zijn wegen die zijn beplant met een of meerdere rijen fruitbomen. Lanen werden niet alleen aangeplant uit esthetische motieven, maar dienden ook als beschutting tegen weersinvloeden en voor de houtproductie. Lanen vormen niet zelden de oprit naar landhuis of boerderij. Lanen zijn van belang voor oude bomen of boomholten gebonden vogels en vleermuizen. Instapeisen Een fruitlaan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of meerdere rijen fruitbomen is beplant en is bedoeld en aangelegd als laan. Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en leeftijd en er is sprake van een herkenbaar en regelmatig plantverband. Een laan is minimaal 40 meter lang. Inrichtingseisen bij aanleg fruitlaan alleen gebruik inheemse fruitbomen; plantafstand in de rij minimaal 6 en maximaal 10 meter; afstand tussen twee bomenrijen maximaal 8 meter; aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10; raster minimaal op 1 meter uit het hart van de buitenste rij. 32
Halfstamboomgaard Halfstamboomgaarden zijn zeer authentiek. Laag genoeg om in onderhoud te nemen, hoog genoeg voor het kleinvee om er niet bij te kunnen komen. Veel halfstamboomgaarden hadden een tweeledige functie, het telen van fruit en het houden van kleinvee op dezelfde plek. Instapeisen Een halfstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,20 meter en maximaal 1,50 hoog, de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie. Een halfstamboomgaard bestaat uit minimaal 8 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 250 bomen per hectare. Een halfstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving. Inrichtingseisen bij aanleg halfstamboomgaard Minimaal 8 bomen Stam van minimaal 1,20 meter hoog en maximaal 1,50 hoog Dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 fruitbomen per ha. Aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10; Rond jonge bomen boomkorf aanbrengen indien perceel wordt beweid.
Struikenboomgaard Een struikenboomgaard is de ouderwetse vorm van een laagstamboomgaard. De eerste zijtakken zitten meestal op 50 cm boven de grond. De struiken bereiken een hoogte van 4 tot 5 meter. Struikenboomgaarden hebben een hoge cultuurhistorische waarde. Instapeisen Een struikenboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 0,50 meter en maximaal 1,20 meter hoog waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie.
Een struikenboomgaard bestaat uit minimaal 6 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 bomen per hectare. Een struikenboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving.
Inrichtingseisen bij aanleg struikenboomgaard Minimaal 6 bomen Stam van minimaal 0,50 meter hoog en maximaal 1,20 hoog Dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 fruitbomen per ha. Aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10; Rond jonge bomen boomkorf aanbrengen indien perceel wordt beweid.
Hakhoutbosje Hakhoutbosjes voorzagen de boeren in het verleden in de behoefte aan hout. Het hout werd bijvoorbeeld gebruikt voor brandhout, staken voor de groentetuin of hout voor gereedschapsstelen. Dit type bosjes wordt ook wel geriefhoutbosje genoemd. Instapeisen Een hakhoutbosje is een vrijliggend vlakvormig landschapselement, met inheemse bomen en/of struiken dat als hakhout wordt beheerd. Een hakhoutbosje is minimaal are en maximaal hectare groot. Inrichtingseisen bij aanleg hakhoutbosje alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken; plantverband van minimaal 1,50 m x 1,50 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter; aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van inheemse soorten; raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; afstand tussen 2 nieuwe hakhoutbosjes op een perceel is tenminste 100 meter.
33
Griend Grienden zijn natte moerassige gebieden die zijn aangeplant met wilgen. Deze wilgen werden om de 4 tot 6 jaar enkele tientallen centimeters boven de grond afgezaagd. Het geoogste hout, vaak wilgentenen genoemd werd o.a. gebruikt als rijshout ter bescherming van waterkeringen. Vooral de oude wilgengrienden hebben vaak een rijke ondergroei van hogere planten, varens en mossen. Ze zijn ook van belang als schuilplaats voor kleine zoogdieren en broedgebied voor zangvogels. Instapeisen Een griend is een vrijliggend vlakvormig landschapselement met inheemse wilgensoorten dat als hakhout wordt beheerd. Het griend is minimaal 1are en maximaal 1hectare groot. Inrichtingseisen bij aanleg griend alleen gebruik inheemse bomen en struiken, waarvan minimaal 80% bestaat uit inheemse wilgensoorten; plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 1,50 m x 1,50 meter; aanplant met 2-3 jarige wilgenstek; raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; afstand tussen nieuwe grienden op een perceel is tenminste 100 meter.
Bomenrij Bomenrijen zijn vaak een beeldbepalende elementen in het landschap. Ook een enkele boom los in het veld of op de akker kan deze rol vervullen. Vaak ook duiden ze iets aan en zijn de begeleiding van een weg, sloot of pad. De bomen hebben niet alleen een landschappelijke waarde maar ook waarde als broedgelegenheid voor vogels, of als corridor voor vleermuizen. Instapeisen Een bomenrij/solitaire boom is een vrijliggend landschapselement van inheemse loofbomen.
Bedoeld worden solitaire bomen of bomen in een groep of rij die op of langs landbouwgrond staan. Een bomenrij is minimaal 40 meter lang en bestaat uit minimaal 6 bomen per 40 meter.
Inrichtingseisen bij aanleg bomenrij en solitaire boom alleen gebruik inheemse bomen; plantafstand in de rij minimaal 8 en maximaal 12 meter; afstand tussen twee bomenrijen maximaal 8 meter; aanplant laanbomen met minimale boommaat 10-12; raster minimaal op 1 meter uit het hart van de buitenste rij.
Rietzoom en klein rietperceel Rietzomen bestaan uit smalle rietstroken die grenzen aan een perceel. Een klein rietperceel is een klein vlakvormig element. Vanwege een extensief gebruik zijn rietzomen en kleine rietpercelen een belangrijk broedgebied voor rietvogels, en eveneens van belang voor amfibieën, insecten en moerasvegetaties. Instapeisen Een rietzoom bevindt zich langs een waterloop en bestaat uit riet-, biezen en/of zeggevegetaties met een dominantie van riet, minimaal 50%. De rietzoom heeft een breedte van minimaal 1 meter en is minimaal 20 meter lang. Een klein rietperceel is een vlakvormig element met een vegetatie die overwegend uit riet bestaat. Inrichtingseisen bij aanleg rietzoom en klein rietperceel het beheertype wordt aangelegd in de vorm van een plasberm of een drasberm, hierbij gelden de volgende inrichtingseisen; de plasberm wordt uitgegraven tot 50 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde, of;
34
de drasberm wordt uitgegraven tot 10 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde. natte gedeelte van berm wordt aangeplant met rietstekken; 4 stuks per m2.
Natuurvriendelijke oever
Voorgenoemde beschrijvingen van landschapselementen is overgenomen uit de Groenblauwe diensten van de provincie Gelderland. Als zodanig is deze subsidieregeling afgesloten, binnen andere subsidies zijn onderdelen overgenomen. Deze zijn te vinden op de website van de provincie Gelderland. De beschrijving van de landschapselementen, zoals hierboven opgenomen voldoet voor dit doel verder prima.
Een natuurvriendelijke oever is een verbreding die wordt aangebracht aan een bestaande waterloop. Deze verbreding kan bestaan uit een plas- of drasberm of een flauw talud. De begroeiing bestaat uit plantensoorten van natte ruigten en natte graslanden. Door de kenmerkende flora en fauna hebben deze oevers een hoge ecologische waarde. Instapeisen Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande waterloop, in de vorm van een plas- of drasberm of flauw talud (flauw talud minimaal 1: 3) met een begroeiing van inheemse planten. De oever heeft een breedte van minimaal 1,5 en maximaal 10 meter en is minimaal 20 meter lang. Inrichtingseisen bij aanleg natuurvriendelijke oever een natuurvriendelijke oever wordt aangelegd in de vorm van een drasberm of een flauw talud, waarbij de volgende inrichtingseisen gelden; de drasberm wordt uitgegraven tot 10 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde, of; er wordt een flauw talud aangelegd waarbij de taludschuinte minimaal 1:3 of flauwer is. Het talud wordt uitgegraven vanaf het gemiddelde waterpeil.
35
Bijlage 4 – Richtlijnen ruimtelijke inpassing functieverandering VAB naar wonen.
36
R U I M T E L IJ K E R I C H T L IJ N E N V A B - I N I T I A T I E V E N Bij initiatieven voor sloop van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) in ruil voor nieuwbouw van woningen, hanteert de gemeente een aantal richtlijnen. De basisrichtlijn betreft het streven om ‘een boerenerf’ te realiseren, dat zich naadloos voegt in de kenmerken van het omliggende landschap. De inpassing van het erf in het landschap, de inrichting van het erf en de uitstraling van de bebouwing op het erf bepalen de mate waarin het erf zich voegt. De ruimtelijke richtlijnen hebben betrekking op die aspecten. Een richtlijn geeft richting. Een ontwerp dat aan de richtlijnen voldoet is niet vanzelf een goed ontwerp. Creativiteit is niet in woorden te vangen en de richtlijnen vormen tezamen geen afvinklijst. Voor de gemeente vormen de richtlijnen het ruimtelijk toetsingskader. Wie afwijkt van de richtlijnen moet daarvoor overtuigende argumenten hebben.
Een erf is een perceel grond (terrein) met de daarbij behorende terreininrichting en ensemble van gebouwen. Het erf en het landschap hebben een sterke band met elkaar. De ondergrond waarop het erf ligt, het type landschap waarin het erf ligt en het type bedrijfsactiviteit bepalen samen de ontwikkeling en de verschijningsvorm van een erf.
boerenassortimenten van sierplanten plaats voor algemene beplanting. Daarbij hebben erven van burgers en niet-agrarische bedrijven door de afwijkende schaal en inrichting vaak geen binding met het buitengebied, wat zorgt voor een rommelig landschapsbeeld. Voor de gemeente is het verdwijnen van het streekeigen karakter een zorg. De gemeente streeft dan ook naar het herstellen of behouden en waar mogelijk naar het versterken van de streekeigen verscheidenheid aan landschapstypes. Bij vab-initiatieven staat voor de gemeente het boerenerf centraal, vanwege de sterke onderlinge verwevenheid van landschap en boerenerven. De inpassing en de inrichting van de erven zijn een grote invloed op het beeld van het landschap en andersom hoort dat ook zo te zijn. ERVEN In het Achterhoekse landschap vormen het erf, de inrichting van het erf en de bebouwing op het erf een samenhangend geheel. De schaal van het geheel sluit aan op de kenmerkende schaal van het landschapstype waarin het erf ligt. Verder moet het erf moet vanuit de omgeving als één geheel beleefbaar blijven. Als gebouwen te ver uit elkaar komen te staan dan lijkt het als snel alsof er meerdere erven zijn. Bij vab-initiatieven met nieuwbouw op een bestaand erf is voor de gemeente het herstellen of realiseren van de traditionele opzet van het boerenerf het uitgangspunt.
ALGEMEEN Een kenmerk van het buitengebied van Doetinchem is de verscheidenheid aan landschapstypes. Maar de schaalvergroting in de landbouw en de toename van het aantal burgerwoningen en niet-agrarische bedrijven in het buitengebied zorgt voor een grover en eenvormiger landschapsbeeld. En het landschap versteent: hagen als veekering verdwijnen, net als singels en bomen als windkering, om het land efficiënt te kunnen bewerken, en op het erf maken hoogstamboomgaarden, moestuinen en 37
Kenmerken van het boerenerf zijn: De algemene kenmerken zoals die in bovenstaand schema staan. In de hoofdopzet is een duidelijke hiërarchie: het hoofdgebouw is dominant in vorm, massa en situering: de schuren (nieuwe woningen zijn eenvoudiger in vorm en massa en staan achter het hoofdgebouw. De gebouwen staan aan de centrale gemeenschappelijke ruimte: de entree van woningen ligt aan die ruimte. De maximale onderlinge afstand tussen twee gebouwen is 15 meter. Het voorterrein is vrij van bebouwing, behalve bij een traditionele achterstevoren ligging (dat kan in het essen- en het kampenlandschap). Tussen de bebouwing en de erfgrens is ruimte voor erfbeplanting.
Erfinrichting: - geen hekwerken in het voorterrein. - streekeiegen beplanting langs de randen. - hagen rond de moestuin, de boomgaard en de voortuin. - de hoeveelheid verharding is beperkt. Afscheidingen van privégedeeltes op het erf bestaan uit streekeigen beplanting. Bij bestaande erven - te slopen vrijkomende agrarische bebouwing zo kiezen dat het ensemble blijft bestaan of het oorspronkelijke ensemble terugkomt. - Aandacht voor de oorspronkelijke contour van het erf. Verlichting is beperkt aanwezig en heeft een eenvoudige vormgeving.
BEBOUWING In de gemeente is geen duidelijk streekgebonden boerderijtype te herkennen. Wel zijn er drie hoofdvormen, die door elkaar voorkomen. Het meest voorkomende type is het Hallehuis. In de gemeente zit het streekeigene vooral in de details en versieringen, zoals wolfseinden, schoorstenen, windveren, roedeverdelingen, luiken en spreuken. 38
Het klassieke boerderijtype verdwijnt steeds meer voor comfortabele woningen waarvan de vormgeving geen binding heeft met het buitengebied. Het verdwijnen ervan ziet de gemeente als een gemis. Voor het beeld van het buitengebied is vooral de inpassing van de bebouwing in het landschap belangrijk. Vanuit het landschap en vanaf de weg zijn vooral de stoere kappen en de erfbeplanting zichtbaar. De gemeente stuurt daarom vooral op de inpassing en inrichting van het erf. Als gevolg van het ontbreken van een duidelijk herkenbare streekeigen architectuur is de gemeente terughoudend met het voorschrijven van de uiterlijke verschijningsvorm van bouwwerken.
De ‘schuren’ hebben geen goten, wel grote dakoverstekken rondom. De entree is duidelijk, gebaseerd of afgeleid van de baanderdeur. Weinig gevelopeningen, de gevelopening zijn verticaal gericht. Alle materialen zijn mogelijk, traditionele materialen zijn wenselijk. De detaillering is eenvoudig, traditioneel en streekeigen.
Algemeen • De bebouwing heeft een agrarische uitstraling (boerderijstijl). • In het landschap is de kap het meeste markante element. Het dakvlak is door de verhoudingen de meest bepalende ‘gevel’. De bebouwing op het erf bestaat uit niet-gelede, kloeke bouwvormen zonder aan- of uit-bouwen. Het dak is een zadeldak of een lessenaardak met een hellinghoek van tussen 40° en 60° ten opzichte van het horizontale vlak. Het kleurgebruik is streekgebonden. Hoofdgebouw De goothoogte van de woning is maximaal 4,5 meter. De verschillen in woon- en werkgedeelten komen tot uiting in de gevels. Alle materialen zijn mogelijk, traditionele materialen zijn wenselijk. Het streekeigen gevelmateriaal is een donkerkleurige baksteen. De bijgebouwen, de ‘schuren’, zijnde de nieuwe woningen De vormgeving is functioneel: een bedrijfsmatige uitstraling. De bouwmassa is eenvoudig met een doorgaand zadeldak, lage zijgevels en lage goten. Alle functies, zowel binnen als buiten, bevinden zich onder kap. Een groot dakoppervlak zonder uitstekende delen, zoals een dakkapel. De schoorsteen staat midden op de kap. 39
TOEKOMSTGERICHTBOUWEN
•
De erfafscheidingen zijn natuurlijk (groen) en bevatten faunavoorzieningen.
Energie • De woningen voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Energieopwekkende materialen, zoals zonnepanelen, integraal opnemen in de architectuur van de bebouwing. Materialen • De bebouwing bestaat uit hoogwaardige en duurzame materialen. • Voor de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) geldt een maximum grenswaarde van 1,0. Klimaatadaptatie • Aantoonbaar tegengaan van hittestress in de woning en op het erf. • Regenwater van het dak en verharde oppervlakken infiltreren en vasthouden in de eigen tuin en/of op het erf. Een zo groot mogelijk deel van het erf onverhard laten draagt daar aan bij. Groen- en natuurinclusief bouwen • Groen- en natuurinclusief is het zodanig bouwen van de woning en inrichten van het erf dat de natuurwaarden er baat bij hebben. Het ontwikkelen van groen is van belang voor bescherming en ontwikkeling van soorten, voor de biodiversiteit, voor een prettige leefomgeving, voor welzijn en gezondheid en voor klimaatverbetering. • Integraal in de architectuur opnemen van schuil- en nestvoorzieningen voor (beschermde) diersoorten. Bijvoorbeeld speciaal ingebouwde vleermuiswanden, vogelruimten onder dakpannen neststenen voor huismussen. • Integraal in de inrichting van het erf opnemen van schuil- en nest-voorzieningen voor (beschermde) diersoorten. Bijvoorbeeld nestkasten, insectenhotels en faunapassages.
• Toepassen van gebouwgebonden ingrepen, zoals groene daken en/of groene gevels. 40
Bijlage 5 - Cultuurhistorisch waardevolle locaties. Adressen waarvan hoofdgebouw, bijgebouw en/of het ensemble beoordeeld zijn als cultuurhistorisch waardevol.
41
Adressen Doetinchem Auroraweg 2 Auroraweg 3 Barlhammerweg ong. (grenspaal) Berkelaarlaan 4 Berkelaarlaan 5 Bezelhorstweg 15 Bezelhorstweg 19 Bezelhorstweg 25 Bezelhorstweg 31c Bezelhorstweg 91 Bielheimerweg 2 Bielheimerweg 5 Broekstraat 8 Broekstraat 10/10a Bruggenweg 1 Bruggenweg 3 Bruggenweg 4 De Gaarde 286 De Gaard 345a Diepengoorsestraat 3 Diepengoorsestraat 6 Ellegoorsestraat 8 Ellegoorsestraat 23 Ellegoorsestraat 29 Ellegoorsestraat 34
Gaanderenseweg 333 Gaanderenseweg 344 Gaanderenseweg 375 Gaanderenseweg 378 Goorstraat 8 Goorstraat 19/19a Groot Hagen 5/7/9/11 Groot Hagen 8 Haafsweg 4/6 Haafsweg 9 Halseweg 1 Halseweg 3/3a Heinoordenweg 3 Hogenslagenweg 7/9 Hulleweg 5 Hulleweg 6 Hulleweg 10/10a Hulleweg 11/11a IJzevoordseweg 30 Ijzevoordseweg 33 Ijzevoordseweg 35 Keppelseweg 276 Keppelseweg 288 Keppelseweg 300 Keppelseweg 376 Kilderseweg 25 Kilderseweg 31
Kloosterlaan 2 Kloosterlaan 4 Koekendaalseweg 7 Kommendijk 10/10a Loordijk 2 Loordijk 5 Loordijk 24 Lubberslaan 17 Nijmansweg 3/3a Nijmansweg 4 Nijmansweg 6 Ooijmanlaan 8 Ooijmanlaan 13 Ooijmanlaan 14/14a Ooijmanlaan 19 Oud Kilderseweg 43 Oud Kilderseweg 53 Oud Kilderseweg 55 Oud Kilderseweg 57 Oude Doetinchemseweg 25 Oude Terborgseweg 273 Oude Terborgseweg 309 Oude Terborgseweg 313 Oude Wehlseweg 8 Oude Wehlseweg 18 Pinnedijk 35 Prins Alexanderstraat 80 Prins Mauritsstraat 38
Rekhemseweg 85 Rekhemseweg 175 Rembrandweg 3 Rietveldweg 2 Rietveldweg 3 Rietveldweg 4 Rietveldweg 6 Rietveldweg 8/8a Speelmansstraat 7/7a Stadsheidelaan 8/8a Stadsheidelaan 10/10a Stadsheidelaan 14 Stadsheidelaan 17 Stadsheidelaan 18 Stadsheidelaan 22 Stroombroekweg 2 Stroombroekweg 7 Turfweg 8 Turfweg 11 Turfweg 14 Varsseveldseweg 250 Varsseveldseweg 252 Varsseveldseweg 255 Varsseveldseweg 264 Varsseveldseweg 284/284a/286 Varsseveldseweg 285/285a Vennenlaan 6 Vennenlaan 9
42
Adressen Gaanderen Akkermansweg 6 Akkermansweg 8 Binnenweg 6 Binnenweg 10/10a Heidedijk 9 Heidedijk 13 Hertelerweg 2 Hertelerweg 10 Hertelerweg 12 Hertelerweg 16 Hertelerweg 17 Hogeweg 77 Kerkstraat 6 Kerkstraat 8 Kerkstraat 13 Kerkstraat 71 Kerkstraat 91 Kerkstraat 295 Oude Pinnedijk 2 Peppelmansdijk 20 Peppelmansdijk 26 Pierikstraat 1 Pierikstraat 6 Pierikstraat 11 Pinnedijk 4 Pinnedijk 11 Pinnedijk26 Pinnedijk 29/29a Pinnedijk 31/31a Rijksweg 280 Smidstraat 4 Steverinkstraat 31 Steverinkstraat 62
Steverinkstraat 63 Steverinkstraat 67 Steverinkstraat 68/68a Steverinkstraat 71 (oud) Toekomstweg 35/37 Toekomstweg 39 (oud) Tuinstraat 5 Tuinstraat 6 Tuinstraat 8 Tuinstraat 12 Vreeltstraat 15 Vreeltstraat 16 Vreelstraat 18 Vreeltstraat 27/27a
43
Adressen Wehl Beekseweg 43 Beekseweg 58 Beekseweg 60 Bleeksestraat 8/8a Bokkenstraat 4 Bokkenstraat 8 Bokkenstraat 10 Bokkenstraat 16 Bokkenstraat 20 Broekhuizerstraat 4 Broekhuizerstraat 10 Broekhuizerstraat 18 Broekstraat 3 Broekstraat 6/8 Broekstraat 10 Broekstraat 12 Broekstraat 16/16a Broekstraat 19 Broekstraat 20 Broekstraat 22 Broekstraat 23 Broekstraat 24/26 Broekstraat 57 Dassenboomse Allee 2 Doesburgseweg 26a/26b Doesburgseweg 32 Doesburgseweg 34 Doesburgseweg 35 Doesburgseweg 36/36a (oud) Doesburgseweg 39 Doesburgseweg 40 Doesburgseweg 42 Doesburgseweg 44 Doesburgseweg 47
Doetinchemseweg 3 Doetinchemseweg 20/20a Doetinchemseweg 37 Grindstraat 8 Grindstraat 15 Groenstraat 6 Groenestraat 21 Groenestraat 23 Heijendaalseweg 3 Heikantseweg 6 Heikantseweg 14 Hoekhorsterweg 1 Kelderweg 5 Keppelseweg 30 Keppelseweg 32/32a/32b Keppelseweg 36 Keppelseweg 37 (oud) Keppelseweg 40 Keppelseweg 43 Kerkhofweg 1 Kerkhofweg 6/6a Kerkhofweg 10a Kleindorpseweg 5 Loilseweg 1 Mgr. Hendriksenstraat 29/29a Molengoorweg 1a Molengoorweg 3 Molengoorweg 4 Molenweg 9 Molenweg 11 Mussenhorstweg 2/2a/2b Mussenhorstweg 4 Nieuw Wehlseweg 1 Nieuw Wehlseweg 8 Nieuw Wehlseweg 12/12a Nieuwe Kerkweg 13
Nieuwe Kerkweg 48 Nieuwestraat 1 Nieuwestraat 5 Nieuwestraat 8a Nieuwestraat 11 Nieuwestraat 13 Nieuwestraat 14 Nieuwestraat 16 Nieuwestraat 24 Notenstraatje 5/5a Notenstraatje 7 Notenstraatje 11 Oude Doesburgseweg 6 Plantage Allee 1a Slagenweg 3 Slagenweg 4/4a/6 Slagenweg 5 Slagenweg 9 Tolweg 6 Wardsestraat 1/1a Wardsestraat 3 Wardsestraat 4 (oud) Wardsestraat 12 Wardsestraat 13
44
Bijlage 6 – Vergelijking voorwaarden VAB tussen ‘Nota uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied’. Nota van uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied
Verschil/overeenkomst t.o.v. Notitie wonen buitengebied
tegenover één woongebouw moet een minimaal sloopoppervlak van 950 m2, verdeeld over maximaal twee slooplocaties staan;
Geen verschil. Maakt deel uit van voorwaarden 4 en 6.
in geval van twee slooplocaties moet de oppervlakte aan te slopen gebouwen per slooplocatie minimaal 500 m2 bedragen;
Geen verschil. Maakt deel uit van voorwaarden voorwaarde 6.
de gebruikmaking van twee slooplocaties is uitsluitend bedoeld om de benodigde oppervlakte van één woongebouw te effectueren (òf het 1e woongebouw òf het 2e woongebouw) op één van de twee slooplocaties;
Geen verschil. Maakt deel uit van voorwaarde 6.
Bij nieuwbouw en twee sloop locaties mag op maximaal 1 slooplocatie worden teruggebouwd;
Geen verschil. Maakt deel uit van voorwaarden voorwaarde 6.
aangetoond is dat de te slopen opstallen gedurende minimaal 3 jaar in gebruik zijn geweest van de (agrarische) bedrijfsbestemming zijn geweest;
Geen verschil. Maakt deel uit van voorwaarde 1.
per slooplocatie worden alle voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen gesloopt, met uitzondering van de panden met een cultuurhistorische waarde, en wijzigt de (agrarische) (bedrijfs) bestemming in de bestemming 'Wonen'. Nieuwbouw en hergebruik vindt altijd plaats op één (van de twee) slooplocatie(s);
Geen verschil. Maakt deel uit van voorwaarden 1, 4 en 6.
er zijn maximaal vier wooneenheden verdeeld over twee woongebouwen toegestaan;
Geen verschil. Maakt onderdeel uit van voorwaarde 4.
bij nieuwbouw mag een vrijstaande woning maximaal 750 m3 bedragen en de oppervlakte aan bijgebouwen mag maximaal 100 m2 bedragen;
Geen verschil. Maakt deel uit van voorwaarde 10.
45
bij nieuwbouw mag een halfvrijstaande kleine woning maximaal 375 m3 bedragen en de oppervlakte aan bijgebouwen bij halfvrijstaande woning mag maximaal 50 m2 bedragen;
Wel een verschil. Bij elke woning is maximaal 100 m2 toegestaan om daarmee de regeling voor bijgebouwen uniform te maken. Er wordt dus geen onderscheid meer gemaakt tussen een gesplitste woning (50 m2), een gesplitste woning met meer dan 1 ha grondoppervlak (75 m2) en een nietgesplitste woning met meer dan 1 ha grondoppervlak (150 m2). In samenhang hiermee wordt geen maximale inhoud meer gekoppeld aan de 2 woningen die in 1 woongebouw worden gerealiseerd om daarin flexibiliteit te bieden. Daarmee vervalt ook te term halfvrijstaande woning/kleine woning.
het bouwbesluit bepaalt of sprake is van een volwaardige woning.
Geen verschil. Maakt deel uit van voorwaarde 8.
Sprake van zorgvuldige landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing.
Maakt deel uit van voorwaarde 11. Aanvullend wordt expliciet aandacht gevraagd voor inpassing energiebronnen en natuurinclusiviteit. Daarnaast is bijlage 1 -richtlijn landschappelijke inpassing ook van toepassing op percelen kleiner dan 500 m2. In het bestemmingsplan Buitengebied – 2012 gold dit bij percelen vanaf 500 m2. Vanwege het belang dat VAB (en ook woningsplitsing) bijdraagt aan versterking van het landschap is deze ondergrens bijgesteld. Daarnaast zijn met bijlage 4 richtlijnen toegevoegd over met name de stedenbouwkundige inpassing.
Aanvullende voorwaarden t.o.v. de ‘Nota van uitgangspunten voor het bestemmingsplan Buitengebied’ De voorwaarden 2, 3, 7, 8 en 9 zijn aanvullende voorwaarden t.o.v. de ‘Nota van uitgangspunten voor het bestemmingsplan Buitengebied’.
46
Bijlage 7 – Voorwaarden woningsplitsing en VAB aangrenzende gemeenten (Oude IJsselstreek, Bronckhorst en Montferland).
Woningsplitsin g
Oude IJsselstreek (bron: Lokale
Bronckhorst (bron: Woonvisie Ruimte voor
Montferland (bron: bestemmingsplan
kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek)
wonen in Bronckhorst 2019-2025)
Buitengebied, geconsolideerd (201911-07))
De lokale kwaliteitscriteria voor het splitsen van een woning in het buitengebied zijn: alleen binnen de bestemming ‘wonen’ in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek’ (of een opvolger daarvan). woningen met de aanduiding ‘bedrijfswoning’, ‘voormalige bedrijfswoning’, ‘plattelandswoning’ of woningen met een recreatieve bestemming zijn uitgesloten, tenzij de bestemming hiervan om te zetten is naar een reguliere woonbestemming. woningsplitsing is mogelijk, mits deze zich beperkt tot de toegestane contouren van de hoofdbouwmassa en het woon- en leefklimaat voldoende gewaarborgd is. er wordt voorzien in een aantoonbare woonbehoefte. De aanvraag moet daarom door de huidige en toekomstige bewoners gezamenlijk worden ingediend bij de gemeente. Dit voorkomt speculatieve woningsplitsing. de woningen hebben na splitsing een gezamenlijke maximale inhoud van 1000m3
Aan het splitsen van een woning zijn specifieke voorwaarden verbonden. Als basis gelden bij woningsplitsing (binnen en buiten de bebouwde kom) standaard de volgende voorwaarden:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het splitsen van een bestaande woning in twee zelfstandige woningen, mits: a. de bestaande woning, dan wel de bestaande woning met de aangrenzende deel (als onderdeel van het hoofdgebouw) exclusief vergunningvrije aan- en of uitbouwen, een inhoud heeft die meer bedraagt dan 1.000 m³, en als gevolg van de woningsplitsing twee naar inhoud gelijkwaardige woningen ontstaan, dan wel twee woningen die ruimtelijk of bouwtechnisch een duidelijk gescheiden eenheid vormen; b. er planologisch niet meer dan twee zelfstandige woningen ontstaan; c. omliggende (agrarische) bedrijvigheid door de woningsplitsing niet in de bedrijfsvoering wordt belemmerd;
Er wordt voorzien in een concrete woonbehoefte. De aanvraag moet daarom door de huidige en toekomstige bewoners gezamenlijk worden ingediend bij de gemeente. Voor iedere woning die (permanent) wordt toegevoegd aan de woningvoorraad, betaalt u een financiële bijdrage aan het Fonds Bovenwijks.
Daarnaast geldt nog een aantal specifieke voorwaarden: Woningsplitsing buiten de bebouwde kom 1. Woningsplitsing beperkt zich tot het eenmalig creёren van één extra woning binnen de bestaande contouren van een hoofdgebouw, waar reeds een verblijfsobject met een woonfunctie aanwezig is.
47
uitzondering op deze maximale inhoudsmaat is als de bestaande woning nu al groter is dan 1000m3. In dergelijke gevallen wordt uitgegaan van het maximum van de (vergunde) inhoudsmaat. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige stedenbouwkundige(erfprincipe) en landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe erf- en landschapsinrichtingsplan te overleggen. Uitgangspunt hierbij is de 'één erf-gedachte'. Het erf- en landschapsinrichtingsplan moet binnen 1 jaar na oplevering van de gesplitste woning gerealiseerd te zijn.
Bijgebouwen bij splitsing geldt een maximum van 150m2 aan bijgebouwen per woning, met een gezamenlijk maximum van 300m2) indien er op het erf reeds meer dan totaal 300m2 aan bijgebouwen staat, zal er een deel gesloopt moeten worden.
2. Beide woningen hebben na splitsing een gezamenlijke maximale inhoud van 750 m³. Indien en voor zover het hoofdgebouw ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het initiatief een grotere inhoud heeft dan 750 m³, geldt de grotere inhoud als maximum. 3. Elke woning heeft na splitsing recht op 100 m² aan bijgebouwen en het meerdere wordt gesloopt tenzij meer bij recht op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Indien sprake is van monumentale bijgebouwen vervalt het recht op 100 m² extra bijgebouwen. 4. Waardevolle bouwvormen en karakteristieke elementen van een gemeentelijk of rijksmonument en eventuele (monumentale) bijgebouwen dienen gehandhaafd te blijven. 5. Woningsplitsing mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- of leefklimaat en van de in de omgeving aanwezige functies en waarden. 6. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; de initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen. Uitgangspunt hierbij is de 'één erf-gedachte'.
d. uit onderzoek is gebleken dat sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat voor wat betreft het aspect geur; e. uit akoestisch onderzoek is gebleken dat kan worden voldaan aan het gestelde bij of krachtens de Wet geluidhinder ten aanzien van de geluidsbelasting op de gevel van de gesplitste woningen; f. uit bodemonderzoek en archeologisch onderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik, dan wel geschikt kan worden gemaakt; g. er niet eerder woningsplitsing heeft plaatsgevonden; h. de locatie niet is gelegen binnen een indicatieve magneetveldzone, dan wel onderzoek heeft uitgewezen dat de locatie niet is gelegen binnen de specifieke magneetveldzone; i. de externe veiligheid is gewaarborgd; j. de oppervlakte aan bijgebouwen naar evenredigheid wordt verdeeld.
48
Functieverande ring VAB naar wonen
De lokale kwaliteitscriteria voor functieverandering en hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) in het buitengebied zijn: alleen als de locatie in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek’ (of een opvolger daarvan) ligt. alleen bij een volledige beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteit. er dient minimaal 50% van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt te worden. voor het toevoegen van één woning dient minimaal 750m2 bebouwing te worden gesloopt voor het toevoegen van een tweede, resp. derde woning dient 1000m2 bebouwing per toe te voegen woning extra te worden gesloopt. het maximaal aantal toe te voegen per locatie bedraagt drie. per woning is maximaal 150m2 aan bijgebouwen toegestaan. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige stedenbouwkundige (erfprincipe) en landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een erf- en landschapsinrichtingsplan te overleggen. Uitgangspunt hierbij is de 'één erf-gedachte'. Het erf- en landschapsinrichtingsplan moet binnen 1 jaar na oplevering van de nieuwe woning(en) gerealiseerd te zijn.
Geen generiek VAB-beleid. Wel wordt onder voorwaarden meegewerkt aan functieverandering/transformatie van bestaand vastgoed naar wonen in het buitengebied. Sloop met nieuwbouw voor woningen zoals met voorliggende notitie wordt beoogd, wordt alleen in bijzondere gevallen (=maatwerk) gedaan. Daar is geen generieke regeling voor.
De voorwaarden voor functieverandering van o.a. agrarisch gerelateerde bestemmingen naar de bestemming ‘Wonen’ is opgenomen in artikel 43.3 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied, geconsolideerd’. Deze is te raadplegen via onderstaande link: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/ documents/NL.IMRO.1955.bplgbgg econmontfergc02/r_NL.IMRO.1955.bplgbggecon montfer-gc02.html
49
50