CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.3.14 - Natuur Quickscan spoorbaan actualisatie.pdf

beeldvormende raad 11 januari 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 3: Horen raad provinciaal inpassingsplan RegioExpres17.109 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Er is essentieel leefgebied (vaste rust- en voortplantingsplaatsen, opwarmlocaties, overwinterlocaties) van de hazelworm vastgesteld. Er zijn geen levendbarende hagedissen waargenomen.

23

NGB. Vleermuisprotocol 2021.

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

21/50

Tabel 3.6: Beschermde reptielen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2023.

Soort Hazelworm Levendbarende hagedis Ringslang Zandhagedis

Categorie Wnb H N N H

Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb).

3.2.5.2 Resultaten veldbezoek Op basis van de aanwezige biotoop is het plangebied tussen Didam en Wehl tussen km 40.3 en 41.65 en tussen km 36.95 en 37.3 (geocode 212) geschikt als leefgebied voor de zandhagedis, levendbarende hagedis en de hazelworm (zie bijlage 2). Bekende populaties van zandhagedis zijn echter op dusdanig grote afstand aanwezig dat aanwezigheid binnen het plangebied wordt uitgesloten. De soort wordt ook geassocieerd met meer heideachtige omgevingen, wat hier niet aanwezig is. Levendbarende hagedis is een soort die vaak in structuurrijke spoorbermen wordt aangetroffen, zoals aanwezig in het plangebied. Deze dienen als opwarmplek voor de dieren met voldoende beschutting en hebben hierdoor een essentiële functie. Mogelijk zijn levendbarende hagedissen ook verder richting het oosten en westen langs de spoorberm verspreid. De hazelworm leeft in enigszins vochtige gebieden met dichte vegetatie (vaak bos en heide) verborgen onder planten, strooisel, dood hout of ondergronds. Dit soort biotoop is aanwezig aangrenzend aan de spoorbaan op meerdere locaties, waardoor de spoorbermen potentieel ook door de hazelworm in gebruik zijn als opwarmplek (km 37.1, Figuur 3.16). Het plangebied ontbreekt aan voortplantingsplaatsen voor de ringslang. Er zijn geen broeihopen aanwezig in de omgeving van het plangebied.

Bij km 34.2 is een watergang met brede rietkraag onder het spoorviaduct gelegen wat mogelijk wel geschikt foerageergebied voor ringslang vormt.

Figuur 3.17: Locatie met ruigere berm (km 34.2, geocode 212).

3.2.5.3 Effectbespreking en vervolgstappen Op basis van biotoop en verspreiding is het plangebied tussen km 40.3 en 41.65 (geocode 212) geschikt als leefgebied voor de levendbarende hagedis en de hazelworm. Levendbarende hagedis wordt ook verwacht verder richting het oosten en westen vanaf het GNN, omdat deze soort minder sterk aan dekking gebonden is dan de hazelworm en zich mogelijk verder verspreid. Door de werkzaamheden worden mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van levendbarende hagedis en hazelworm vernietigd en individuen gedood, wat een overtreding is van artikelen 3.5 en 3.10 van de Wnb. In 2024 wordt nader onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van hazelworm en levendbarende hagedis tussen km 36.95 en 37.3 (geocode 212). Het gebied tussen km 40.3 en 41.65 is in 2023 onderzocht en toen is alleen hazelworm aangetroffen. Voor levendbarende hagedis dient ook verder

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

22/50

ten oosten en ten westen onderzoek uitgevoerd te worden, omdat ze zich kunnen verspreiden via de berm. Om reptielen aan te tonen dienen reptielenplaten uitgelegd en gecontroleerd te worden. Voor de levendbarende hagedis dienen er vier bezoeken uitgevoerd te worden, waarvan minimaal twee in de periode 1 april - 31 mei en minimaal een in de periode 1 augustus – 30 september, met minimaal 1 week tussen de bezoeken24. Voor de hazelworm dienen er vijf bezoeken uitgevoerd te worden in de periode 1 april tot 30 september met minimaal een week tussen de bezoeken25. Ter gewenning dienen de platen minimaal 14 dagen voor het eerste bezoek uitgelegd te worden. De bezoeken dienen onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd te worden. 3.2.6 Amfibieën 3.2.6.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten amfibieën weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Boomkikker komt voor aan de oostkant van Doetinchem. Heikikker komt voor tussen Wehl en Doetinchem in de Kruisbergsche Bosschen, aan de noordkant van de bebouwde kom van Doetinchem. Het hele plangebied behoort bij het verspreidingsgebied van de kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Waarnemingen van rugstreeppad zijn bekend op minimaal 3,5 kilometer afstand van het plangebied, ook aan de spoorbaan in het verlengde van het plangebied.

Tabel 3.7: Beschermde amfibieën die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2023.

Soort Boomkikker Bruine kikker Gewone pad Heikikker Kamsalamander Kleine watersalamander Poelkikker Rugstreeppad

Categorie Wnb H AV AV H H AV H H

Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van EZK een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.

3.2.6.2 Resultaten veldbezoek Op basis van biotoop kan het voorkomen van de kamsalamander en poelkikker in het plangebied uitgesloten worden. De voorplantingswateren van deze soorten zijn stilstaande, voedselarme wateren met dicht begroeide oevers welke niet aanwezig zijn in het plangebied. Poelen in achtertuinen nabij het spoor zijn niet begroeid met vegetatie (km 44.33 en 46.65, geocode 212). Het is niet uit te sluiten dat er door het ministerie van EZK algemeen vrijgestelde soorten amfibieën, zoals de gewone pad, in de waterlichamen rondom het plangebied voorkomen en binnen het plangebied incidenteel aanwezig zijn. Op meerdere agrarische velden en incidenteel bij het schouwpad zijn ondiepe poelen waargenomen, doordat er zware waterval was in de weken voorafgaand aan het veldbezoek. De watergangen direct grenzend aan de spoorbaan zijn enkele meters diep en hebben steile oevers zonder uitbundige oevervegetatie, waardoor zij ongeschikt zijn als voortplantingswater voor rugstreeppad. Heikikker is een cultuurvliedende soort vooral in vennen voortkomt. Het plangebied heeft een sterk agrarisch karakter. Het Stilliwald zou mogelijk geschikt zijn als leefgebied, maar er liggen geen poelen binnen een straal van 200 meter tot het spoor waardoor een effect is uitgesloten. De gebiedskenner van de Bosgroep (P. Westerhof) heeft ook aangegeven dat heikikker niet voorkomt in het Stilliwald.

24 25

NGB (2023). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. NGB (2023). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming.

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

23/50

De boomkikker plant zich voort in visvrije, zonnige wateren met goed ontwikkelde oevervegetatie. Dergelijke wateren zijn niet waargenomen rondom het plangebied. Met name rondom Doetinchem is de omgeving zeer stedelijk en staan aanwezige watergangen in verbinding met de omgeving, waardoor ze niet vis vrij zijn. 3.2.6.3 Effectbespreking en vervolgstappen Het plangebied is geschikt voor algemene soorten amfibieën, zoals de gewone pad. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door het ministerie van EZK bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen. Daarnaast wordt aanbevolen om te voorkomen dat er ondiepe poelen ontstaan tijdens werkzaamheden die mogelijk plaatsvinden in de actieve periode van de rugstreeppad (april-oktober). Poelen kunnen functioneren als tijdelijk geschikt voortplantingswater. Wanneer deze door rugstreeppad in gebruik worden genomen, dienen werkzaamheden tijdelijk stilgelegd te worden. Rugstreeppad kan tot ongeveer 5 kilometer afleggen op zoek naar nieuw leefgebied en is bekend uit de omgeving van het plangebied.

3.2.7 Vissen 3.2.7.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten vissen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. De omgeving van Zevenaar en Didam zijn gelegen binnen het verspreidingsgebied van de grote modderkruiper. Tabel 3.8: Beschermde vissen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2023.

Soort Grote modderkruiper

Categorie Wnb N

Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van EZK een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.

3.2.7.2 Resultaten veldbezoek Ten behoeve van de ingreep worden geen watergangen gedempt. Wel worden bij km 36.9 en 37.8 (geocode 212) de bestaande duikers verwijderd en nieuwe duikers aangebracht. De watergangen binnen het plangebied zijn diep, weinig structuurrijk en met beperkte waterplantengroei waardoor deze ongeschikt zijn voor de grote modderkruiper. Bij het verwijderen en de nieuwe aanleg van de duikers bij km 36.9 en 37.8 (geocode 212) kunnen negatieve effecten op de grote modderkruiper uitgesloten worden. Mogelijk komen wel algemene vissoorten in de watergangen voor. 3.2.7.3 Effectbespreking en vervolgstappen Leefgebied voor grote modderkruiper is niet aanwezig binnen het plangebied. Om effecten op algemene soorten vissen zo veel mogelijk te voorkomen dient vanuit de algemene zorgplicht (artikel 1.11) rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van vissen. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden aan watergangen vanuit één kant uit te voeren zodat vissen de kans krijgen om te vluchten. 3.2.8 Ongewervelden 3.2.8.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten ongewervelden weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Zevenaar ligt in het verspreidingsgebied van de bosbeekjuffer. De iepenpage komt in de buurt van Doetinchem voor.

De gevlekte witsnuitlibel en de teunisbloempijlstaart kunnen in de omgeving van Zevenaar en Doetinchem voorkomen. Grote vos, grote weerschijnvlinder en de kleine ijsvogelvlinder zijn in het hele plangebied verspreid. Daarnaast is het plangebied bij Zevenaar binnen het verspreidingsgebied van de sleedoornpage gelegen, en komt

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

24/50

de beekrombout voor in de omgeving van Doetinchem. Bruine eikenpage en platte schijfhoren komen niet voor in het plangebied waardoor negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. De waardplanten van in het plangebied voorkomende soorten vlinders zijn als volgt: ◼ Grote vos: vooral iep maar ook zoete kers, populier en sommige wilgensoorten; ◼ Grote weerschijnvlinder: vooral boswilg en soms grauwe wilg; ◼ Iepenpage: diverse soorten iep; ◼ Kleine ijsvogelvlinder: wilde kamperfoelie; soms rode kamperfoelie, gecultiveerde kamperfoelie en sneeuwbes; ◼ Sleedoornpage: sleedoorn en enkele andere gecultiveerde Prunus-soorten (o.a. pruim); ◼ Teunisbloempijlstaart: wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Er is in 2023 nader onderzoek 26 uitgevoerd naar de aanwezigheid van waardplanten van teunisbloempijlstaart binnen het plangebied. Deze zijn niet aangetroffen. Tabel 3.9: Beschermde ongewervelden die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2023.

Soort Beekrombout Bosbeekjuffer Gevlekte witsnuitlibel Grote vos Grote weerschijnvlinder Iepenpage Kleine ijsvogelvlinder Sleedoornpage Teunisbloempijlstaart

Categorie Wnb N N H N N N N N H

Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb).

3.2.8.2 Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is het zandblauwtje en een citroenvlinder waargenomen, soorten die beschermd zijn onder de zorgplicht (artikel 3.11 Wnb). Bij km 36.9 (geocode 212) is een wilgenbosje grenzend aan een watergang waargenomen welke mogelijk geschikt is als voortplantingsplaats voor de grote weerschijnvlinder. De grote vos komt voor in bosrijke omgevingen met grote vrijstaande bomen. Rondom het plangebied bevinden zich op enkele plekken solitaire bomen maar deze zijn niet in een bosrijke omgeving gelegen en worden ook niet geraakt door de werkzaamheden. De beekrombout komt voor langs allerlei soorten wateren, maar heeft onbegroeid zandig substraat nodig om zich voort te planten. De watergangen in het plangebied hebben niet dergelijke open stukjes zand, waardoor aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van de beekrombout uitgesloten is. De bosbeekjuffer komt voor in natuurlijke, schone bosbeken. Dergelijke beken zijn niet aanwezig binnen of in de omgeving van het plangebied. De watergangen zijn van een sterk gecultiveerd karakter en niet binnen bos gelegen. Aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van de bosbeekjuffer is daarmee uitgesloten. De gevlekte witsnuitlibel legt zijn eitjes op vegetatie in de verlandingszone van waterlichamen.

De watergangen binnen het plangebied hebben steile oevers en geen flauw oeverzone, waardoor aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gevlekte witsnuitlibel uitgesloten is.

26

Movares (2023). RegioExpres werkterreinen – Nader onderzoek ecologie. Versie 3.0.

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

25/50

De iepenpage heeft geen groot leefgebied nodig en kan al voorkomen op plaatsen waar enkele iepen bij elkaar staan. Echter zijn tijdens het veldbezoek geen iepen waargenomen, waardoor aanwezigheid van de iepenpage binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden uitgesloten is. De kleine ijsvogelvlinder komt voor in gevarieerde en gemengde bossen waar kamperfoelies en sneeuwbes groeien. Sneeuwbes is veelal in overmaat aanwezig en herkenbaar door de kenmerkende witte bessen. Kamperfoelie wikkelt zich om bomen en objecten heen en wordt houtachtig, waardoor deze zo ook buiten de bloeiperiode herkend worden. Deze planten zijn niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Er zijn geen geschikte waardplanten voor de sleedoornpage, zoals pruim en sleedoornstruweel, waargenomen tijdens het veldbezoek. Omdat het veldbezoek in november buiten de bloeiperiode was uitgevoerd kon niet met zekerheid alle waardplanten van de teunisbloempijlstaart geïdentificeerd worden. Er zijn geen waardplanten waargenomen. 3.2.8.3 Effectbespreking en vervolgstappen Er is geen biotoop aanwezig voor beschermde libellen. Waardplanten van de grote vos, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage en iepenpage zijn niet aangetroffen. Overtreding op artikel 3.5 en 3.10 van de Wnb is daarmee uitgesloten ten aanzien van deze soorten.

Eén wilgenbosje naast een watergang vormt potentieel een voortplantingslocatie voor de grote weerschijnvlinder (km 36.9, geocode 212). Dit is nog niet eerder onderzocht. Dit bosje wordt geraakt door de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek naar het gebruik door de grote weersschijnvlinder is noodzakelijk. Om de trefkans te vergroten en hiermee de aanwezigheid van de soort aan te tonen worden in 2024 twee veldbezoeken in de periode half juni - begin augustus uitgevoerd. Waardplanten van de teunisbloempijlstaart bloeien in de periode juli-september. Tijdens het veldbezoek zijn deze niet waargenomen, maar het was ook niet het juiste seizoen om deze vast te stellen. In het nader onderzoek uitgevoerd in 2023 zijn deze waardplanten niet aangetroffen. Aanwezigheid van waardplanten van teunisbloempijlstaart is daarmee uitgesloten.

3.3

Invasieve exoten

Uit de bureaustudie (NDFF) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende invasieve uitheemse soorten (exoten) van de Unielijst zijn waargenomen: grote waternavel, hemelboom, lettersierschildpad, muskusrat, nijlgans, parelverderkruid, reuzenbalsemien, reuzenberenklauw, roodwangschildpad, smalle waterpest, watersla en waterteunisbloem. Tijdens het veldbezoek zijn geen invasieve exoten op de Unielijst waargenomen.

3.4

Beschermde houtopstanden

Binnen het plangebied staan houtopstanden. Deze worden door de voorgenomen ingreep (deels) gekapt. Middels een bomeninventarisatie27,28 uitgevoerd door Boomtotaalzorg zijn mogelijk te kappen bomen in kaart gebracht. Op basis van het ontwerp zijn vervolgens te kappen bomen vastgelegd. In de memo29 over de compensatieopgave houtopstanden wordt besproken onder welke wet-/regelgeving de te kappen bomen vallen, en bepaald hoeveel bomen gekapt of behouden worden. Daarnaast wordt de compensatie van struiken die onder de Wnb vallen besproken.

27

Boomtotaalzorg (2023). RegioExpres bomeninventarisatie gemeente Doetinchem. Boomtotaalzorg (2023). RegioExpres bomeninventarisatie gemeente Montferland. 29 Movares (2023). Memo compensatieopgave houtopstanden. 28

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

26/50

4

Conclusie

In onderstaande paragrafen worden de conclusies en aanbevelingen uit de quickscan besproken.

4.1

Beschermde gebieden

4.1.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken bevindt zich op een afstand van ongeveer 750 meter afstand. Gezien de aard van de werkzaamheden, de ligging van het plangebied en de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten door verstoring op Natura 2000-gebied uitgesloten. Door het rijden van dieseltreinen na afloop van de werkzaamheden zal de spoorverdubbeling leiden tot een toename in stikstofemissies in de gebruiksfase. Ook in de aanlegfase wordt stikstof uitgestoten. Hierdoor kan er mogelijk sprake zijn van stikstofdepositie op gevoelig natuurgebied. De Natura 2000gebieden Rijntakken en Veluwe kennen stikstofgevoelige habitattypen en habitatsoorten met stikstofgevoelig leefgebied. Middels een projectspecifieke AERIUS-berekening is voor de gebruiks- en aanlegfase voor het gehele project RegioExpres integraal getoetst of er sprake zal zijn van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (zie PIP). 4.1.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) Door de aanleg van de werkterreinen vindt er tijdelijke ruimtebeslag op het GNN en het GO (inclusief Ecologische Verbindingszone) plaats. Het betreft het bosgebied tussen Didam en Wehl.

De werkzaamheden kunnen niet onder de geldende bestemmingsplannen uitgevoerd worden waardoor toetsing aan de Omgevingsverordening Gelderland benodigd is. De voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot een nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte en/of samenhang van het GNN. De werkzaamheden kunnen ook leiden tot aantasting van de kernkwaliteiten en samenhang of beperking in het behalen van de ontwikkelingsdoelen van de GO. De provincie acht een GNN-/GOtoetsing noodzakelijk. Voor de toetsing wordt verwezen naar de rapportage over de toetsing aan het GNN- en GO-beleid30.

4.2

Beschermde soorten

Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen die geschikt is voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: vaatplanten, algemene broedvogels, vogels met jaarrond beschermde nesten, grondgebonden zoogdieren, reptielen en ongewervelden. In onderstaande tabel is per soortgroep aangegeven of er nader onderzoek nodig is en mogelijk een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 4.1: Conclusies en aanbevelingen over beschermde soorten (Wet natuurbescherming).

30

Soortgroep

Beschermde soorten/functie?

Nader onderzoek nodig?

Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?

Vaatplanten

Ja, leeuwenklauw, parelzaad en spiegelklokje

Ja, grote leeuwenklauw, ruw parelzaad en groot spiegelklokje (hele plangebied).

Ja, wanneer grote leeuwenklauw, ruw parelzaad en groot spiegelklokje in het plangebied worden vastgesteld en groeiplaatsen niet kunnen worden ontzien.

grote ruw groot

Movares (2023). Toetsing GNN en GO – provincie Gelderland, Regio Expres. Versie 6.0.

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

27/50

Soortgroep

Beschermde soorten/functie?

Nader onderzoek nodig?

Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?

Algemene Broedvogels

Ja

Nee

Vogels met jaarrond beschermde nesten

Ja, broedlocaties steenuil, kerkuil, torenvalk, boomvalk, sperwer en ransuil, functioneel leefgebied huismus.

Ja, inspecteren bosschages ransuil en leefgebied huismus (212-35.2 en 39.7).

Grondgebonden zoogdieren

Ja, boommarter, steenmarter, das en bever en algemeen vrijgestelde soorten zoals bosmuis

Ja, naar boommarter, steenmarter en das en bever (21236.9 en 41.35).

Vleermuizen foerageergebied

Nee, geen essentieel foerageergebied binnen het plangebied. Mogelijk wel aanwezig in de omgeving. Nee, geen essentiële vliegroutes binnen het plangebied. Mogelijk wel aanwezig in de omgeving.

Nee

Ja, mogelijk zijn verblijfplaatsen aanwezig binnen het plangebied.

Ja, bij schuurtje (212 – 42.5) naar gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis.

Nee, mits maatregelen worden genomen om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen. Ja, wanneer uit nader onderzoek blijkt dat nesten van ransuil aanwezig zijn in bosschages en nesten in gebruik zijn en/of essentieel leefgebied van de huismus aanwezig is. Ten aanzien van steenuil is het treffen van maatregelen noodzakelijk. Ja, wanneer uit het nader onderzoek blijkt dat er vaste rusten verblijfplaatsen van boommarter, steenmarter, das en bever aanwezig zijn en verstoring/ruimtebeslag niet kan worden uitgesloten. Voor algemeen vrijgestelde soorten dient er rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Nee, mits tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen en het open water onverlicht blijven. Nee, mits tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen en het open water onverlicht blijven. Binnen het plangebied: Ja, wanneer verblijfplaatsen aanwezig zijn in het te slopen schuurtje.

Vleermuizen vliegroutes

Vleermuizen verblijfplaatsen

Reptielen

Ja, levendbarende hagedis en hazelworm

Nee

Ja, tussen km 36.95 en 37.3 (geocode 212).

Omgeving: Nee, mits tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij de omliggende bebouwing en het omliggend groen onverlicht blijven. Ja, wanneer uit nader onderzoek blijkt dat er vaste rust- en verblijfplaatsen van hazelworm en levendbarende hagedis aanwezig zijn binnen het plangebied.

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

28/50

Soortgroep

Beschermde soorten/functie?

Nader onderzoek nodig?

Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?

Amfibieën

Ja, algemeen vrijgestelde soorten zoals gewone pad.

Nee

Vissen

Ja, algemene vissoorten.

Nee

Ongewervelden

Ja, grote weerschijnvlinder.

Ja, grote weerschijnvlinder (212-36.9).

Nee, mits er rekening wordt gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Het betreft namelijk door het ministerie van EZK algemeen vrijgestelde dieren bij ruimtelijke ordening. Rugstreeppad: treffen van maatregelen om op voorhand een effect op voortplantingsplaatsen te voorkomen. Nee, mits er rekening wordt gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Het betreft namelijk door het ministerie van EZK algemeen vrijgestelde dieren bij ruimtelijke ordening. Ja, wanneer uit nader onderzoek blijkt dat beschermde functies van grote weerschijnvlinder aanwezig zijn.

4.2.1 Nader onderzoek In bovenstaande tabel is aangegeven dat er nader onderzoek nodig is naar vaatplanten (grote leeuwenklauw, ruw parelzaad en groot spiegelklokje), huismus, gebouwbewonende vleermuizen roofvogels (boomvalk en sperwer), ransuil, bever, marters (das, boommarter, steenmarter), hazelworm en teunisbloempijlstaart. Dit onderzoek is hieronder beschreven: Tabel 4.2: Beschrijving van het nader onderzoek.

Soort Grote leeuwenklauw, ruw parelzaad en groot spiegelklokje (hele plangebied) Ransuil (km 39.55, 37.9, 40.83, 42.35 en 45.6, geocode 212)

Huismus (212 – 35.2 en 39.7) Das, bever, boommarter en steenmarter (212 - 36.9 en 41.35)

31 32

Onderzoek Groeiplaatsen dienen te worden vastgesteld door middel van het uitvoeren van één veldbezoek in de bloeimaanden van deze soorten. De globale bloeiperiode is de periode juni-augustus. Het onderzoek naar ransuil houdt twee avondbezoeken in de periode 15 februari tot en met 15 juli in 31. Als tussenperiode van de bezoeken worden minimaal 10 dagen aangehouden en er wordt tijdens de bezoeken 1 uur op territoriaal en nestindicerend gedag gelet. Tijdens het onderzoek naar de ransuil kan het afspelen van baltsroepen helpen. De bosschages bij km 39.55, 37.9, 40.83, 42.35 en 45.6 (geocode 212) dienen geïnspecteerd te worden op de aanwezigheid van broedlocaties van ransuil. Tijdens het onderzoek naar de huismus worden twee bezoeken uitgevoerd in de periode 1 april tot en met 15 mei, van minimaal een uur en met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen 32. Het gebruik van het plangebied door das, bever, boom- en steenmarter kan aangetoond worden door het neerzetten van wildcamera’s voor

SOVON (2023). Ransuil – Telrichtlijnen. NGB (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming.

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

29/50

Soort

Vleermuizen (212 – 42.5)

Hazelworm (212 - 36.95 tot 36.3)

Levendbarende hagedis (212 - 36.95 tot 36.3)

Grote weerschijnvlinder (212 – 36.9)

Onderzoek minimaal 6 weken33 en het zoeken naar gebruikssporen. Dit kan het hele jaar door plaats vinden. Ten behoeve van het onderzoek dienen drie bezoeken worden uitgevoerd in de periode 15 mei tot 15 augustus voor het onderzoeken van zomerverblijfplaatsen en twee bezoeken in de periode van 15 augustus tot 1 oktober voor het onderzoeken van paarverblijfplaatsen 34. Om hazelworm aan te tonen dienen er vijf bezoeken uitgevoerd te worden in de periode 1 april tot 30 september met minimaal een week tussen de bezoeken35. Ter gewenning dienen de platen minimaal 14 dagen voor het eerste bezoek uitgelegd te worden. De bezoeken dienen onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd te worden. Om levendbarende hagedis aan te tonen dienen er vier bezoeken uitgevoerd te worden, waarvan minimaal twee in de periode 1 april - 31 mei en minimaal een in de periode 1 augustus – 30 september, met minimaal 1 week tussen de bezoeken36. Ter gewenning dienen de platen minimaal 14 dagen voor het eerste bezoek uitgelegd te worden. De bezoeken dienen onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd te worden. Er dienen twee veldbezoeken in de periode half juni - begin augustus uitgevoerd te worden.

4.2.2 Maatregelen Uit de quickscan volgt een aantal maatregelen. In onderstaande tabel staan de maatregelen weergegeven. Dit betreft ook maatregelen vanuit de algemene zorgplicht. Tabel 4.3: Aanbevelingen over maatregelen.

Soortgroep Algemene broedvogels

Steenuil

Grondgebonden zoogdieren amfibieën

33

Maatregel Om effecten op broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden, waarbij beplanting wordt verwijderd of aan oevers wordt gewerkt of buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige op het gebied van broedvogels worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig zijn. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen, het gaat om een broedgeval ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. In een straal van 50 meter rondom de nestkast van steenuil bij km 37.9 (geocode 212) wordt niet overdag gewerkt en ook niet binnen het broedseizoen van steenuil. Het broedseizoen van steenuil loopt van half april tot half mei. Om effecten op algemeen beschermde kleine grondgebonden zoogdieren en en amfibieën zoveel mogelijk te beperken dienen werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant te worden uitgevoerd, zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Deze maatregel valt onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb).

La Haye, M., Dijkstra, V., van Veen, K. (2022). NEM Verspreidingsonderzoek Marters: inventariseren met cameravallen.

34 NGB. Vleermuisprotocol 2021. 35 36

NGB (2023). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. NGB (2023). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming.

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

30/50

Soortgroep Maatregel Vleermuizen Om mogelijke indirecte effecten als verstoring door licht op naast gelegen foerageergebied, foerageergebied, verblijfplaatsen en vliegroutes te voorkomen dient gewerkt vliegroutes en te worden tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien toch gebruik moet verblijfplaatsen worden gemaakt van kunstlicht, dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting. Hierbij dient lichtval op bomen, water, en gebouwen in de omgeving te worden vermeden om verstoring te voorkomen. Rugstreeppad Er wordt aanbevolen om te voorkomen dat er ondiepe poelen ontstaan tijdens werkzaamheden die mogelijk plaatsvinden in de actieve periode van rugstreeppad (april-oktober). Poelen kunnen functioneren als tijdelijk geschikt voortplantingswater. Wanneer deze door rugstreeppad in gebruik worden genomen, dienen werkzaamheden tijdelijk stilgelegd te worden. Rugstreeppad kan tot ongeveer 5 kilometer afleggen op zoek naar nieuw leefgebied en is bekend uit de omgeving. Amfibieën en vissen Om effecten op algemeen beschermde amfibieën en op vissen zoveel mogelijk te beperken dient het werken aan watergangen richting één kant te worden uitgevoerd zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Deze maatregel valt onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb).

4.3

Invasieve exoten

Tijdens het veldbezoek zijn geen invasieve exoten waargenomen die op de Unielijst staan.

4.4

Beschermde houtopstanden

Binnen het plangebied staan houtopstanden. Deze worden door de voorgenomen ingreep (deels) gekapt. Voor een nadere toelichting van de houtopstanden die gekapt worden, wordt verwezen naar de memo over de compensatieopgave houtopstanden37.

4.5

Kansen voor natuur

Om de biodiversiteit in en rondom het plangebied te verhogen zijn maatregelen voor het project uitgewerkt in de memo meekoppelkansen38. Het betreft de volgende maatregelen: ◼ Aanbrengen van faunapassages, bijvoorbeeld kleine faunatunnel ten behoeve van de das of Dwarsligger Faunapassages (DFP) ten behoeve van herpetofauna en kleine zoogdieren; ◼ Plaatsen van takkenrillen/stobbenwallen/zwerfkeien ter geleiding van grondgebonden dieren door het landschap; ◼ Aanleg van heg of haag als verbindingselement en leefgebied voor allerlei diersoorten; ◼ Aanbrengen van vogelrollers en zitpalen om het spoor roofvogelonvriendelijk te maken; Daarnaast kan aan maatregelen worden gedacht als: ◼ Aanbrengen van meer structuur door bijvoorbeeld het toepassen van natuurvriendelijke oevers of houtwallen; ◼ Aanleg van poelen als drinkwaterplek voor dieren of als voortplantingsplaats voor de rugstreeppad; ◼ Aanleg van kunstmatige verblijfplaatsen zoals insectenhotels/nestkasten/vleermuiskasten.

37

Movares (2023). Memo compensatieopgave houtopstanden. Versie 3.0.

38

Movares (2021). Ecologische meekoppelkansen RegioExpres Achterhoek, versie 3.0.

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

31/50

5

Bronnen

Boomtotaalzorg (2023). RegioExpres bomeninventarisatie gemeente Doetinchem. Boomtotaalzorg (2023). RegioExpres bomeninventarisatie gemeente Montferland. Movares (2021). Quickscan flora en fauna Regio Expres – Effecten op beschermde gebieden en soorten. Versie 3.0. Movares (2021). Ecologische meekoppelkansen RegioExpres Achterhoek, versie 3.0. Movares (2022). RegioExpres spoorbaan – Nader onderzoek ecologie. Versie 4.0. Movares (2023). RegioExpres werkterreinen – Quickscan ecologie. Versie 3.0. Movares (2023). RegioExpres werkterreinen – Nader onderzoek ecologie. Versie 3.0. Movares (2023). Memo compensatieopgave houtopstanden. Versie 3.0. Movares (2023). Toetsing GNN en GO – provincie Gelderland, Regio Expres. Versie 6.0. NGB (2023). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023).

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

32/50

Colofon OPDRACHTGEVER

ProRail B.V. Moreelsepark 3 3511 EP Utrecht

UITGAVE

Movares Nederland B.V.

Daalseplein 100 Postbus 2855 3500 GW Utrecht TELEFOON

+31 (0)30 - 265 5555

ONDERTEKENAAR

Kirsten van der Hulst kirsten.vd.hulst@movares.nl

PROJECTNUMMER

MN002205

KENMERK

B85--HS-RAP-23008645

© 2023, Movares Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Movares Nederland B.V.

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

33/50

Bijlage 1 Wet- en regelgeving In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader.

1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Wnb richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Met de in werking treding van de Wnb zijn de oude Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet vervallen. 1.1.1 Bevoegd gezag De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegde gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van EZ bevoegd gezag. Dit is uitgewerkt in artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming en betreffen handelingen en projecten voor aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van onder andere hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdspoorwegen, primaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen met een spanning van tenminste 220 kV, winning van delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij, activiteiten Koninklijk Huis, etc. Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. 1.1.2 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 2.1 tot en met 2.11 van de Wet natuurbescherming.

Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Voortoets en Passende beoordeling Bij plannen in, of in de nabijheid (externe werking) van, een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase (voortoets) te onderzoeken of het plan een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Met externe werking wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied de natuurwaarden in het gebied kunnen beïnvloeden.

Indien na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dienen ook, indien noodzakelijk, de mitigerende maatregelen te worden betrokken. Deze analyse heet een ´passende beoordeling´. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling. Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten, kan de activiteit doorgang vinden. Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgang vinden op grond van de “ADC-criteria”. Dit betekent dat: ◼ A – alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken; ◼ D – er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en ◼ C – de initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft.

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

34/50

Zorgplicht Binnen de kaders van de Wet natuurbescherming is de Zorgplichtbepaling (artikel 1.11) van toepassing. Deze zorgplicht houdt o.a. in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor de natuurwaarden van het gebied, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken. Stikstofdepositie Stikstofdepositie vormt veelal een knelpunt bij de besluitvorming over plannen en projecten, omdat in veel Natura 2000-gebieden overbelasting van stikstof een probleem is voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor het gebied aangewezen soorten en habitattypen. Per 2 november 2022 is middels uitspraak van de Raad van State de partiele bouwvrijstelling, die sinds 1 juli 2021 bestond, komen te vervallen. Met het vervallen van de bouwvrijstelling dienen de effecten van stikstof tijdens de realisatiefase van projecten weer inzichtelijk gemaakt te worden middels eens projectspecifieke AERIUS berekening. Ook voor de gebruiksfase dient bepaald te worden of aanvullende stikstofemissie en -depositie te verwachten is. Als dit het geval is dient ook voor deze fase een projectspecifieke AERIUS berekening uitgevoerd te worden.

Wanneer depositie niet uitgesloten kan worden is aanvullende toetsing (voortoets, passende beoordeling, ADC-toets) benodigd en dient gekeken te worden of de depositie middels mitigerende maatregelen of interne/externe saldering weggenomen kan worden. Bij een ADC-toets dient aangetoond te worden dat er geen Alternatief is met minder schadelijke effecten voor Natura 2000-gebieden, er een Dwingende reden van groot openbaar belang is en dat er Compenserende maatregelen worden getroffen voor Natura 2000-gebieden. 1.1.3 Soortbescherming De Wet natuurbescherming maakt onderscheid tussen: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’ (artikel 3.10 e.v. Wnb). Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4.

Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor vogels zoals opgenomen in artikel 3.1 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht. Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag getoetst op: ◼ Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); ◼ Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’; ◼ Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en/of Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb) Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5:

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

35/50

1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor streng beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht.

Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag getoetst op: ◼ Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); ◼ Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’; ◼ Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb) De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage A en B van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.10. Het is verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.

vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor deze categorie soorten zoals opgenomen in artikel 3.10, mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht. Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag beoordeeld op: ◼ Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); ◼ Aanwezigheid geldig wettelijk belang. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang h ‘in het algemeen belang’; ◼ Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

36/50

Algemeen vrijgestelde soorten Voor soorten van de categorie ‘andere soorten’ (bijlage A en B van de wettekst) kan een vrijstellingsregeling gelden, die per provincie anders kan worden ingestoken. De meeste provincies en het ministerie van EZK hebben ‘tabel 1 soorten’ van de oude Flora- en faunawet opnieuw vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit zijn soorten zoogdieren en soorten amfibieën. Bovengenoemde soorten zijn bij ruimtelijke projecten algemeen vrijgesteld van vergunningplicht. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet voorkomen. 1.1.4 Bescherming houtopstanden De bescherming van houtopstanden is vastgelegd in artikel 4.1 tot en met 4.9 van de Wet natuurbescherming. Binnen de Wet natuurbescherming worden houtopstanden beschermd die aan bepaalde voorwaarden voldoen (Wnb artikel 4.1). Conform artikel 4.2 is het verboden houtopstanden te kappen zonder hier vooraf een melding van te maken aan het bevoegd gezag indien wordt voldaan aan de volgende twee punten: ◼ de houtopstand buiten de 'bebouwde kom Wnb Houtopstanden' ligt. De begrenzing van de bebouwde kom in de zin van de Wnb komt niet altijd overeen met de begrenzing van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet.

Als een gemeente geen bebouwde kom in de zin van de Wnb heeft vastgesteld, is de Wnb overal van toepassing in die betreffende gemeente; ◼ de houtopstand waarin de bomen worden gekapt groter is dan 10 are (1.000 vierkante meter) of het gaat om bomen in een rijbeplanting van 20 bomen of meer. De meldplicht geldt niet voor: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgesteld grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed f. uit populieren of wilgen bestaande 1. wegbeplantingen 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. g. het dunnen van een houtopstand h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2. Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken brede dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013. De Wet natuurbescherming stelt dat wanneer houtopstanden worden gekapt, er voorafgaand aan de kap een meldingsplicht bij het bevoegd gezag is, veelal de provincie.

De provincie bepaalt welke informatie omtrent de te kappen opstand aangeleverd dient te worden, op welke termijn dit aangeleverd dient te worden en welke voorwaarden voor de uitvoering van de kap gelden. Daarnaast geldt dat binnen drie jaar na de kap een herbeplantingsplicht geldt (door aanplant, bezaaiing of natuurlijke verjonging dan wel op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand). Wanneer dat niet op dezelfde plaats kan, dan kan een provincie ontheffing verlenen de herbeplanting op andere gronden toe te staan indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels. Verder kunnen provincies ontheffing of vrijstelling verlenen voor bepaalde verbodsbepalingen en/of voorwaarden omtrent herbeplanting.

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

37/50

Houtopstanden zijn tevens beschermd op grond van gemeentelijk regelgeving. Dit is vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de betreffende gemeente. Ook kan de bescherming van een houtopstand zijn opgenomen in de planregels bij een bestemmingsplan. Bij voorgenomen kap van houtopstanden dient daarom ook altijd naar de bepalingen in de APV en naar de planregels in het bestemmingsplan te worden gekeken. In verband met de bepalingen uit de APV en/of het bestemmingsplan kan volgen dat voor de kap van een houtopstand een omgevingsvergunning nodig is welke bij de gemeente moet worden aangevraagd.

1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het nationaal beleid met betrekking tot de gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De rijksoverheid heeft de bruto begrenzing van het NNN vastgesteld, de provincies zijn bevoegd om dit netto te begrenzen. De SVIR vervangt verschillende rijksbeleidsstukken zoals de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. De juridische borging van de nationale ruimtelijke belangen die in de SVIR worden aangewezen vindt plaats via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Via het Barro werkt het rijksbeleid door naar de ruimtelijke verordeningen van de provincies. Het NNN is de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) sinds de afsluiting van het Natuurpact tussen Rijk en de provincies. 1.2.1 ‘Nee, tenzij’-principe Voor het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat nieuwe plannen of projecten niet zijn toegestaan als ze de wezenlijke (potentiële) waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Uitzonderingen hierop zijn wanneer sprake is van redenen van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn.

De schade dient in dat geval door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk beperkt te worden. De restschade dient te worden gecompenseerd. De rijkslijn zoals verwoord in het SVIR en Barro is dat er bij het NNN geen sprake is van externe werking. Het NNN is planologisch beschermd in de Provinciale Structuurvisies en Verordeningen. In de Verordening staat aangegeven aan welke voorwaarden bij ruimtelijke ingrepen in en langs het NNN moet worden voldaan. Ook is het compensatiebeleid bij aantastingen van het Natuurnetwerk Nederland hierin opgenomen.

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

38/50

Bijlage 2 Kaartmateriaal resultaten

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

39/50

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

40/50

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

41/50

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

42/50

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

43/50

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

44/50

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

45/50

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

46/50

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

47/50

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

48/50

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

49/50

B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023

50/50

2.0

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7962/documents/45169