Bijlage 2.3.14 - Natuur Quickscan spoorbaan actualisatie.pdf
Tekst van het document
RAPPORT
RegioExpres spoorbaan
Actualisatie quickscan ecologie
Versie: 2.0 Status: Vrijgegeven Datum: 24-11-2023 Kenmerk: B85--HS-RAP-23008645
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
1
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
1 1 2 2 3
Methode
4
2.1 2.2
Beschermde gebieden Beschermde soorten
4 4
2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4
4 4 5 5
2.3
3
Bureaustudie Oriënterend veldbezoek Effectbepaling beschermde soorten Vervolgstappen
Beschermde houtopstanden
5
Resultaten
6
3.1
Beschermde gebieden
6
3.1.1 3.1.2
7 8
3.2
3.3 3.4
4
Aanleiding Plangebied Werkzaamheden Wettelijk kader Doel
Natura 2000-gebieden Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO)
Beschermde soorten
8
3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5 3.2.6 3.2.7 3.2.8
8 9 14 18 21 23 24 24
Vaatplanten Vogels Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Reptielen Amfibieën Vissen Ongewervelden
Invasieve exoten Beschermde houtopstanden
26 26
Conclusie
27
4.1
Beschermde gebieden
27
4.1.1 4.1.2
27 27
4.2
4.3 4.4 4.5
Natura 2000-gebieden Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO)
Beschermde soorten
27
4.2.1 4.2.2
29 30
Nader onderzoek Maatregelen
Invasieve exoten Beschermde houtopstanden Kansen voor natuur
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
31 31 31
5
Bronnen
32
Colofon
33
Bijlage 1 Wet- en regelgeving
34
Bijlage 2 Kaartmateriaal resultaten
39
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
De RegioExpres Achterhoek is een dieseltrein die tussen Arnhem en Doetinchem als sneltrein rijdt (nonstop) en tussen Doetinchem en Winterswijk als stoptrein (stoppend op alle stations) rijdt. Om de frequentie aan treinen per uur te kunnen verhogen op het traject Arnhem – Doetinchem zijn spooraanpassingen benodigd. Dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de natuurwetgeving. In 2021 heeft Movares van ProRail opdracht gekregen om middels een quickscan 1 een ecologische beoordeling te maken van de voorgenomen ontwikkeling. Hier zijn alleen de effecten van de spoorverdubbeling en overige werkzaamheden zoals het plaatsen van geluidsschermen beschouwd. Als vervolg is in 2022 nader onderzoek 2 naar een aantal soortgroepen uitgevoerd. Tijdens het nader onderzoek is essentieel leefgebied van huismus vastgesteld in de vorm van een haag. De haag blijft intact en er wordt buiten het broedseizoen bij de haag gewerkt om zo op voorhand een overtreding van artikel 3.1 van de Wnb te voorkomen. Overige waargenomen natuurwaarden zijn uitgesloten bij het nader onderzoek of lagen buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Bij de voorgaande onderzoeken zijn de effecten van de aanleg en werkzaamheden op werkterreinen, zoals werkwegen, keerlussen en opslagterreinen, niet meegenomen. Hiervoor heeft Movares in 2023 een tweede quickscan ecologie3 uitgevoerd.
Uit het nader onderzoek naar de effecten veroorzaakt door de aanleg van de werkterreinen4 blijkt dat bij station Doetinchem de Huet een haag met essentiële functie voor huismus geraakt wordt. Daarnaast is essentieel leefgebied van de hazelworm aangetroffen langs het spoor ter hoogte van het Stilliwald. Overige beschermde functies zijn of uitgesloten bij het nader onderzoek of worden op voorhand niet verstoord bij het treffen van maatregelen. De werkzaamheden hebben ook raakvlak met provinciaal beschermde gebieden (Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone) en houtopstanden Wnb. Doordat de quickscan van de spoorbaan inmiddels bijna drie jaar oud is, heeft ProRail aan Movares gevraagd om de quickscan te actualiseren. Voorliggend rapportage beschrijft de bevindingen van dit onderzoek. De effecten van de aanleg van werkterreinen en werkwegen zijn niet onderdeel van de scope maar waar bevindingen relevant zijn voor deze onderzoeken wordt dit wel aangegeven.
1.2
Plangebied
Het plangebied omvat de spoorbaan tussen kilometrering (km) 105.3 en 33.5 (geocode 611) tussen Zevenaar en Doetinchem (zie Figuur 1.1). Het traject is gelegen in de provincie Gelderland en ongeveer 17 kilometer lang. Het onderzoekstraject is gelegen binnen een combinatie van bebouwd en landelijk gebied. Bij station Zevenaar begint het traject om vervolgens oostwaarts langs landbouwpercelen en industrieterreinen en door het bebouwde gebied van Didam te gaan. Na Didam gaat het traject wederom langs landbouwpercelen, waarna een bosgebied (onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk) volgt voordat het traject bij Wehl aankomt. Vanaf Wehl volgt wederom een deel landbouw waarna het traject eindigt in het bebouwde gebied van Doetinchem. Het plangebied zelf bestaat uit de spoorberm en de direct daarnaast gelegen ruimtes (ca. 5 tot 10 meter vanaf huidig spoor). Hierin zijn veelal schouwpaden en verharde of verruigde bermen gelegen, een ruderaal (door mensen verstoord) biotoop. Daarnaast is op een enkele locatie een rand van een bosschage met onder andere zomereik, berk, els en braamstruweel gelegen, en staan er op meerdere locaties bomen binnen het plangebied. Op enkele plekken kruist het plangebied een watergang.
Movares (2021). Quickscan flora en fauna Regio Expres – Effecten op beschermde gebieden en soorten. Versie 3.0. Movares (2022). RegioExpres spoorbaan – Nader onderzoek ecologie. Versie 4.0. 3 Movares (2023). RegioExpres werkterreinen – Quickscan ecologie. Versie 3.0. 4 Movares (2023). RegioExpres werkterreinen – Nader onderzoek ecologie. Versie 3.0. 1 2
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
1/50
Figuur 1.1: Globale ligging plangebied (rood).
1.3
Werkzaamheden
Tussen Didam en Doetinchem de Huet zal een spoorverdubbeling gerealiseerd worden. Tussen Zevenaar en Didam ligt reeds dubbelspoor en betreffen de voorgenomen werkzaamheden zaken zoals het realiseren van geluidschermen en ondergronds trilling-schermen. Er wordt daarbij niet geheid. Watergangen worden niet aangetast. Op enkele locaties worden bestaande duikers vervangen door nieuwe. Dit betreft de duikers bij km 37.8 en 36.9 (geocode 212). Daarnaast worden op enkele locaties greppels langs het spoor gedempt en er zullen kapwerkzaamheden plaatsvinden. Voor een nadere toelichting over de houtopstanden die gekapt worden, wordt verwezen naar de memo over de compensatieopgave houtopstanden5.
1.4
Wettelijk kader
Bij een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling is het vanuit natuurwetgeving van belang om na te gaan of de werkzaamheden effect hebben op beschermde natuurwaarden. Het volgende wettelijk kader is gehanteerd: ◼ Wet natuurbescherming (Wnb), onderdelen beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden; ◼ Provinciaal beleid (provinciale Verordening): beschermde gebieden die vallen onder het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) in de provincie Gelderland en beschermde houtopstanden. Zie voor uitleg over het wettelijk kader bijlage 1. De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegde gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van EZ bevoegd gezag. Dit is uitgewerkt in artikel 1.3 van het Besluit 5
Movares (2023). Memo compensatieopgave houtopstanden. Versie 3.0.
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
2/50
natuurbescherming en betreffen handelingen en projecten voor aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van onder andere hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdspoorwegen, primaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen met een spanning van tenminste 220 kV, winning van delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij, activiteiten Koninklijk Huis, etc. Voor dit project is het Ministerie van LNV bevoegd gezagd voor het aspect gebiedsbescherming, het ministerie van Economische Zaken en Klimaat is het bevoegd gezag voor de soortenbescherming en houtopstanden Wet natuurbescherming en de Provincie Gelderland is het bevoegd gezag in relatie tot de provinciale verordening. Dit wettelijk kader is van toepassing bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ter aanvulling is tijdens het oriënterend veldbezoek voor de quickscan ook gelet op aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten (exoten). De provincies, het Rijk en de waterschappen zijn verantwoordelijk voor de aanpak van de invasieve exoten die op de Unielijst zijn geplaatst. Dit is een Europese lijst met een aantal schadelijke exotische planten en dieren. Voor deze soorten geldt de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen of zodanig te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen.
1.5
Doel
Het doel van de quickscan is toetsing van de voorgenomen ingrepen aan het wettelijk kader ten aanzien van natuur zoals hierboven aangegeven. Voorliggende rapportage betreft een quickscan ecologie waarmee middels een bureaustudie en biotoopverkenning een goede eerste indruk over de natuurwaarden in het plangebied wordt verkregen. Er wordt duidelijkheid gegeven over eventuele vervolgstappen: is er aanvullend veldonderzoek nodig? Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen).
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
3/50
2
Methode
Hieronder wordt de gehanteerde methode voor het onderzoek naar beschermde gebieden en beschermde soorten besproken.
2.1
Beschermde gebieden
Er is gekeken naar mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Beschermde gebieden die zijn meegenomen in deze quickscan omvatten: Natura 2000-gebieden, het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) inclusief de Ecologische Verbindingszones (EVZ) in de provincie Gelderland. Hierbij zijn de brongegevens van de provincie Gelderland gebruikt. Voor de effectbepaling is gekeken naar ruimtebeslag op beschermde gebieden en, indien relevant, naar mogelijke indirecte effecten. Indirecte effecten zijn bijvoorbeeld verstoring door geluid, licht, trillingen en optische verstoring. Voor Natura 2000-gebied is ook aangegeven of er vervolgstappen nodig zijn vanwege stikstofdepositie. Voor alle natuurgebieden is onderzocht of ze ook externe werking kennen. Dat wil zeggen dat de bescherming van het gebied ook bij activiteiten rondom het natuurgebied geldt. Dit is aan de orde voor de Natura 2000-gebieden. De provincie Gelderland past met betrekking tot het GNN geen externe werking toe. Op basis van de effectbepaling is aangegeven welke vervolgstappen nodig zijn. Hierbij kan gedacht worden aan nader onderzoek, het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming of het doorlopen van de ‘nee, tenzij-procedure’ voor het GNN.
2.2
Beschermde soorten
2.2.1 Bureaustudie Er is een inventarisatie gedaan naar bestaande verspreidingsgegevens van beschermde soorten flora en fauna, zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Voor de bureaustudie zijn de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Hierbij zijn gegevens van de afgelopen 5 jaar in (de omgeving van) het plangebied geraadpleegd. Als zoekgebied is een afstand van minimaal 2 kilometer tot hart spoor gehanteerd. Ten aanzien van vogels zijn in de bureaustudie alleen soorten met een jaarrond beschermd nest meegenomen. De overige vogelsoorten (categorie 5 en algemene broedvogels) zijn tijdens het veldbezoek en beoordeling wel meegenomen en worden beschreven indien het project een (mogelijk) effect heeft op deze soort. Voor algemene broedvogels geldt de algemene verbodsbepaling dat nesten niet mogen worden verstoord of vernietigd als het nest in gebruik is. Ook zijn de bevindingen van voorgaand onderzoek meegenomen. In 2022 6 en 20237 is nader onderzoek uitgevoerd door Movares om de effecten van de verdubbeling van de spoorbaan en de werkterreinen nader te beschouwen. Per soortgroep worden de resultaten van de nader onderzoeken besproken in paragraaf 3.2.
2.2.2 Oriënterend veldbezoek Het oriënterend veldbezoek van een quickscan ecologie kan het hele jaar door worden uitgevoerd omdat het in eerste instantie gaat om een verkenning van geschikte biotopen voor beschermde soorten in het plangebied. Twee veldecologen van Movares hebben op 1 en 6 november 2023 het plangebied bezocht op redelijk zonnige, droge en windstille dagen met een temperatuur van 12 graden Celsius. Tijdens het
6 7
Movares (2022). RegioExpres spoorbaan – Nader onderzoek ecologie. Versie 4.0. Movares (2023). RegioExpres werkterreinen – Nader onderzoek ecologie. Versie 3.0.
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
4/50
veldbezoek is middels visuele inspectie gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en (sporen van) beschermde dieren in (de omgeving van) het plangebied. Alle te kappen bomen zijn ook onderzocht. Tijdens de inspectie is tevens een biotoopbeoordeling uitgevoerd. Daarbij is gekeken naar de aanwezigheid van geschikte biotopen en essentiële landschappelijke functies voor beschermde soorten. 2.2.3 Effectbepaling beschermde soorten Op basis van de gegevens uit de bureaustudie en het oriënterende veldbezoek heeft een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen ingreep op de beschermde natuurwaarden in (de omgeving van) het plangebied. 2.2.4 Vervolgstappen Op basis van de effectbepaling zijn de vervolgstappen vastgesteld. Hierbij is per soortgroep aangegeven of nader onderzoek nodig is. Indien een soort aanwezig is binnen het plangebied en er sprake is van negatieve effecten, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen).
2.3
Beschermde houtopstanden
Er is gekeken naar mogelijke raakvlakken van de voorgenomen werkzaamheden met houtopstanden. Hierbij is in eerste instantie getoetst of omwille van de ruimtelijke ontwikkeling houtopstanden gerooid of geveld dienen te worden. Indien er sprake is van verwijderen van houtopstanden, is bepaald met digitaal beschikbare bronnen of de betreffende houtopstanden vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming, de provinciale verordening en/of de plaatselijke verordening. Er is aangegeven of en welke vervolgstappen er nodig zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden in relatie tot dit beschermingsregime.
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
5/50
3
Resultaten
In onderstaande paragrafen worden de resultaten van de bureaustudie en het veldwerk besproken.
3.1
Beschermde gebieden
In Figuur 3.1 en 3.2 is de ligging van beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 3.1: Ligging van beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied.
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
6/50
Figuur 3.2: Ligging van beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied.
3.1.1 Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied Rijntakken op een afstand van 750 meter ten zuiden van het deel van het plangebied gelegen in Zevenaar. Het Natura 2000-gebied ligt ook ten noorden van het plangebied op ongeveer 7 kilometer. Op ongeveer 10 kilometer ten noorden is het Natura 2000-gebied Veluwe gelegen. 3.1.1.1 Ruimtebeslag De aanleg van de spoorverdubbeling leidt niet tot ruimtebeslag op het Natura 2000-netwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op een afstand van tenminste 750 meter. Directe negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies zijn daarmee uitgesloten. 3.1.1.2 Verstoring Het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen voor de bescherming van habitattypen, habitatsoorten en vogelsoorten. Gezien de aard van de werkzaamheden, de afstand tot het Natura 2000-gebied, en de aanwezigheid van tussenliggende gebouwen en objecten worden indirecte negatieve effecten als gevolg van verstoring door geluid, trillingen, licht en optische verstoring uitgesloten. 3.1.1.3 Stikstofdepositie Door het rijden van dieseltreinen na afloop van de werkzaamheden zal de spoorverdubbeling leiden tot een toename in stikstofemissies in de gebruiksfase. Ook in de aanlegfase wordt stikstof uitgestoten. Hierdoor kan er mogelijk sprake zijn van stikstofdepositie op gevoelig natuurgebied.
De Natura 2000gebieden Rijntakken en Veluwe kennen stikstofgevoelige habitattypen en habitatsoorten. Middels een projectspecifieke AERIUS-berekening is voor de gebruiks- en aanlegfase voor het gehele project RegioExpres integraal getoetst of er sprake zal zijn van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (zie PIP).
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
7/50
3.1.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk (GNN) genoemd. Door de aanleg van de spoorverdubbeling vindt er ruimtebeslag op het GNN inclusief EVZ plaats. Het betreft het bosgebied tussen Didam en Wehl. De Groene Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit terreinen waaronder de Ecologische Verbindingszone (EVZ) met een andere bestemming dan natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met Natura 2000-gebieden en het GNN en waar bij ontwikkelingen rekening gehouden wordt met de ecologische waarde die de locatie heeft. De GO dient als versterking van Natura 2000-gebieden en het GNN om deze natuurgebieden te beschermen en de samenhang te verbeteren. Voor ontwikkelingen in de GO geldt artikel 2.52 van de provinciale omgevingsverordening8. De werkzaamheden hebben ruimtebeslag op gebieden die als GO zijn aangeduid. De werkzaamheden kunnen niet onder de geldende bestemmingsplannen uitgevoerd worden waardoor toetsing aan de Omgevingsverordening Gelderland benodigd is. De voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor de kernkwaliteiten, oppervlakte en/of samenhang van het GNN8. De provincie acht een GNN- en GO-toetsing noodzakelijk. Voor de toetsing wordt verwezen naar de rapportage over de toetsing aan het GNN- en GO-beleid9.
3.2
Beschermde soorten
In deze paragraaf wordt per soortgroep aangegeven welke beschermde soorten er op basis van de bureaustudie en het oriënterend veldbezoek in (de omgeving van) het plangebied worden verwacht. In bijlage 2 zijn bevindingen van het veldbezoek weergeven. Vervolgens wordt per soortgroep ingegaan op mogelijke effecten die door de werkzaamheden op kunnen treden. Tot slot wordt per soortgroep aangegeven welke vervolgstappen er nodig zijn (zoals maatregelen, nader onderzoek of aanvraag ontheffing). 3.2.1 Vaatplanten 3.2.1.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde vaatplanten weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Brave hendrik groeit rondom Zevenaar, maar het plangebied is niet onderdeel van het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort. Waarschijnlijk zijn de waarnemingen escapees. Groot spiegelklokje groeit tussen Zevenaar en Doetinchem. Rond Didam komt ruw parelzaad voor. Volgens de verspreidingsatlas kan daarnaast bij Doetinchem akkerogentroost en schubvaren worden aangetroffen. Didam ligt in het verspreidingsgebied van wilde ridderspoor. Het gebied tussen Wehl en Doetinchem ligt in het verspreidingsgebied van blauw guichelheil en Kartuizer anjer. Verder komen volgens de NDFF grote leeuwenklauw en glad biggenkruid op diverse akkers rond het Bergherbos voor.
In 2023 is nader onderzoek10 uitgevoerd op de toekomstige locaties van de werkterreinen naar blauw guichelheil, glad biggenkruid en wilde ridderspoor. Er zijn in 2023 geen groeiplaatsen van deze of andere beschermde soorten vaatplanten vastgesteld binnen de werkterreinen. Grote leeuwenklauw wordt in 2024 onderzocht. Tabel 3.1: Nationaal beschermde vaatplanten (artikel 3.10 Wnb) die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF en verspreidingsatlas, geraadpleegd oktober 2023.
Soort Akkerogentroost Blauw guichelheil Brave hendrik Groot spiegelklokje 8 9
Omgevingdverordening Gelderland (januari 2023). Movares (2023). Toetsing GNN en GO – provincie Gelderland, Regio Expres. Versie 3.0.
10 Movares (2023). RegioExpres werkterreinen – Nader onderzoek ecologie. Versie 3.0.
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
8/50
Soort Grote leeuwenklauw Glad biggenkruid Kartuizer anjer Ruw parelzaad Schubvaren Wilde ridderspoor 3.2.1.2 Resultaten veldbezoek De vegetatie in en rondom het plangebied bestaat uit laagblijvende kruiden en bosschages met onder andere zomereik, berk, els en braamstruweel. In de spoorberm zijn plantensoorten als zwarte nachtschade, brede weegbree, zachte ooievaarsbek, fluitenkruid, peen, duizendblad, gewoon biggenkruid en gele klaver waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten planten aangetroffen. Het veldbezoek is echter in november uitgevoerd, een periode die verre van optimaal is om beschermde soorten goed te identificeren. Op basis van biotoop kunnen de soorten Kartuizer anjer, groot spiegelklokje, ruw parelzaad, blauw guichelheil, glad biggenkruid, grote leeuwenklauw en wilde ridderspoor in het plangebied verwacht worden. Glad biggenkruid en grote leeuwenklauw groeien op open en matig stikstofrijke plekken zoals (graan)akkers en ruderale plekken met omgewerkte grond. Het plangebied omvat landbouwpercelen, waaronder akkers, waardoor groeiplaatsen van blauw guichelheil en wilde ridderspoor ook niet uitgesloten kunnen worden. Kartuizer anjer staat op zonnige en stikstofarme grond zoals bermen langs bosschages. Het plangebied betreft, gezien het bestaan uit landbouwpercelen en bos met braamstruweel, stikstofrijkere gronden.
Daarom is Kartuizer anjer in het plangebied niet te verwachten. Akkerogentroost en schubvaren komen voor rondom Doetinchem. Echter is rondom Doetinchem geen geschikt biotoop voor deze soorten aanwezig. Akkerogentroost groeit op akkers en schubvaren op oude muren. Rondom Doetinchem is de spoorbaan niet langs geschikte akkers gelegen en er zijn ook geen oude muren binnen het plangebied aanwezig. 3.2.1.3 Effectbespreking en vervolgstappen De gehele spoorberm en aangrenzende ruderale en akkerpercelen zijn geschikt als groeiplaats voor de soorten blauw guichelheil, ruw parelzaad, groot spiegelklokje, glad biggenkruid, grote leeuwenklauw en wilde ridderspoor. Het vergraven van groeiplaatsen van deze soorten resulteert in overtreding van artikel 3.10 van de Wnb. De soorten blauw guichelheil, glad biggenkruid en wilde ridderspoor zijn in het bloeiseizoen van 2023 onderzocht en niet aanwezig bevonden. De aan- of afwezigheid van grote leeuwenklauw, ruw parelzaad en groot spiegelklokje is niet eerder onderzocht zodat aanwezige groeiplaatsen en eventuele overtreding van de Wet natuurbescherming door de voorgenomen activiteit op voorhand niet kunnen worden uitgesloten.
Om hier inzicht in te krijgen kan de eventuele aanwezigheid van de soorten worden vastgesteld door middel van het uitvoeren van één veldbezoek in de bloeimaanden van deze soorten waarbij alle spoorbermen worden gecontroleerd. De bloeiperiode is globaal de periode juni-augustus. 3.2.2 Vogels 3.2.2.1 Resultaten bureaustudie In 202211 en 202312 is nader onderzoek uitgevoerd naar vogels met jaarrond beschermde nesten, waaronder steenuil, roek, boomvalk, huismus, sperwer en ransuil. Tijdens het nader onderzoek in 2022 is een potentiële broedlocatie van de steenuil in een boom bij km 37.3 (geocode 212) onderzocht maar in gebruik door grote bonte specht bevonden. Daarnaast zijn drie 11 12
Movares (2022). RegioExpres spoorbaan – Nader onderzoek ecologie. Versie 4.0. Movares (2023). RegioExpres werkterreinen – Nader onderzoek ecologie. Versie 3.0.
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
9/50
locaties onderzocht op functionaliteit voor de huismus (bij km 42.2, 43.75 en 44.7; geocode 212) waarvan de heg bij km 43.75 aan de noordzijde van het spoor als essentieel foerageer- en schuilplaats bevonden was. Een effect op de haag bij km 43.75 wordt voorkomen door buiten het broedseizoen daar te werken. Uit het nader onderzoek uit 2023 blijkt dat er op één locatie sprake is van vernietiging van essentiële groenstructuren van huismus door de aanleg en werkzaamheden op de werkterreinen. Het betreft braamstruiken en een heg aan de zuidkant van het spoor bij station Doetinchem de Huet tussen km 35.8 en 36.1 (geocode 212). Daarnaast zijn nesten bij km 36.1, 36.4, 41.9, 43.75, 44.3, 46.25 en 49.1 (geocode 212) onderzocht in 2022 maar was er geen activiteit van vogels met jaarrond beschermde nesten vastgesteld. In de onderstaande tabel zijn de beschermde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1-4 broedvogels) weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Bij de categorie 5 broedvogels uit de omgeving horen soorten als huiszwaluw, ekster, zwarte kraai en koolmees. Uit NDFF is bekend dat bij station Didam en station Doetinchem roekkolonies zitten. Tabel 3.2: Vogels met een jaarrond beschermd nest die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2023.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief
Categorie Wnb V V V V V V V V V V V V V V
Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van EZK een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.
3.2.2.2 Resultaten veldbezoek Algemene broedvogels Er zijn tijdens het veldbezoek diverse algemene vogelsoorten waargenomen, zoals kauw, houtduif, koolmees, pimpelmees, merel, spreeuw, ekster, zwarte kraai en winterkoning. Koolmees, pimpelmees, ekster en zwarte kraai zijn vogelsoorten met categorie 5 beschermde nesten. Er is binnen het plangebied geschikt broedbiotoop aangetroffen voor algemene broedvogels. Het gaat om ruigte, struweel, bomen en oevers. Bij km 44.9 en 44.93 (geocode 212) staan berken op 4 meter afstand langs het spoor waar houtduivennesten in zitten. Bij km 45.9 (geocode 212) is een komvormig nestje (vermoedelijk van winterkoninkje) waargenomen in een haag grenzend direct aan het spoor. Bij km 34.2 (geocode 212) steekt het spoor een kanaal over. Het kanaal heeft oevers met een rietkraag van circa 3 meter breedte waar algemene rietvogels in kunnen broeden, zoals Cetti’s zanger. Vogels met jaarrond beschermde nesten onder ecologisch zwaarwegende omstandigheden Bij km 37.3 (geocode 212) staat op een afstand van 5 meter ten opzichte van het plangebied een boom waaraan een vogelhuisje hangt. Bij km 36.66 en 36.72 (geocode 212) hangen mezenkastjes aan bomen op 6 meter afstand tot het spoor. Op diverse locaties staan bomen langs het spoor met holtes (zie
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
10/50
paragraaf 3.2.4). De vogelhuisjes en holtes kunnen mogelijk in gebruik zijn door holtebroedende vogels met categorie 5 beschermde nesten. Op 8 locaties (km 34.3, 34.45, 36.4, 39.21, 39.4, 44.3, 45.23 en 36.1, geocode 212) zijn eksternesten langs het spoor waargenomen, op 3 tot 10 meter afstand tot het spoor. De eksternesten zijn allemaal gelegen in stedelijke omgeving, zonder dekking en bolvormig, waardoor deze niet in gebruik zijn door andere vogelsoorten. Bij km 47.4 (geocode 212) zijn meerdere nesten van zwarte kraai waargenomen, die in kolonieverband broeden langs het spoor. Mogelijk broeden later in het seizoen vogels met jaarrond beschermde nesten in de nesten van de zwarte kraaien (zie volgende paragraaf). Eksters en zwarte kraaien zijn ook vogels met categorie 5 jaarrond beschermde nesten. Echter, in de omgeving zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van ander openbaar groen, tuinen en bomen met holtes/nestkastjes, waardoor nesten van vogels die onder categorie 5 vallen geen jaarronde bescherming vereisen. Vogels met jaarrond beschermde nesten Buizerd en torenvalk Tijdens het veldbezoek zijn overvliegende buizerds en foeragerende torenvalken waargenomen. De vogels vlogen boven de aangrenzende agrarische percelen. Bij km 38.65 (geocode 212) staat een torenvalkkast op 20 meter afstand van het spoor.
Het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals buizerd en torenvalk. Echter maakt het plangebied maar een beperkt onderdeel uit van het totale (potentieel aan) foerageergebied voor deze soorten, waardoor van aantasting van essentieel foerageergebied geen sprake is. Aangrenzend aan het plangebied zijn in overmaat weilanden en bos aanwezig. Kerkuil en steenuil Langs het spoor tussen Didam en Wehl zijn verkeersslachtoffers van kerkuil en steenuil gevonden. Langs het spoor liggen op vele locaties begraasde paardenweitjes en kleinschalige boerderijen met schuren. Deze plekken vormen leefgebied voor de steenuil en kerkuil. Mogelijk zijn broedlocaties in schuren aanwezig. Bij km 37.9 (geocode 212) staat een steenuilenkast in boom op 7 meter ten noorden van het spoor. De wilg bij km 37.3, op 40 meter afstand ten zuiden van het spoor, is in 2023 onderzocht in het nader onderzoek13 en nog steeds geschikt als broedlocatie voor steenuil. Slechtvalk en ooievaar Bij km 39.3 (geocode 212) staat een gebouw met een toren direct naast het spoor. Dit gebouw heeft genoeg hoogte om als broedlocatie voor slechtvalk te functioneren. Vanaf de grond was niet zichtbaar of er wel of niet nesten op het dak aanwezig zijn. Zendmasten en elektriciteitsmasten zijn geïnspecteerd op aanwezigheid van nesten van slechtvalk en ooievaar. Deze zijn niet aangetroffen.
Grote gele kwikstaart De spoorbaan doorkruist watergangen op meerdere locaties. Alle kunstwerken zijn geïnspecteerd op aanwezigheid van broedlocaties van grote gele kwikstaart. Nissen, ruimtes en andere geschikte plekken zijn niet waargenomen, waardoor aanwezigheid van broedlocaties van de grote gele kwikstaart uitgesloten is. Boomvalk, sperwer en ransuil Bij km 47.4 (geocode 212) is een cluster nesten van zwarte kraaien waargenomen. De boomvalk, sperwer en ransuil komen voor in de omgeving en maken mogelijk gebruik van deze nesten, voor of na het broedseizoen van zwarte kraai. Bij km 39.55, 37.9, 40.83, 42.35 en 45.6 (geocode 212) staan bosschages die dusdanig dichtbegroeid zijn, dat deze niet volledig op nesten te inspecteren zijn. Door de dichte begroeiing hebben de bosschages wel een hoge potentie om als broedlocatie of roestplaats voor ransuil te functioneren.
13
Movares (2023). RegioExpres werkterreinen – Nader onderzoek ecologie. Versie 3.0.
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
11/50
Roek De nesten van de twee roekenkolonies zijn weer waargenomen. Deze zijn bij station Didam en station Doetinchem gelegen. De roekenkolonies zijn in zeer stedelijk omgeving gelegen, waardoor gebruik door andere soorten vogels met jaarrond beschermde nesten niet wordt verwacht. Gierzwaluw en huismus In het plangebied is geen bebouwing aanwezig die nestplaatsen kan bieden aan gierzwaluw en huismus. De bebouwing, in de omgeving van het plangebied met geschikte invliegopeningen voor deze soorten, ligt op een afstand van tenminste 6 meter. Indien broedlocaties hier aanwezig zijn is deze afstand voldoende voor gierzwaluw en huismus om ongestoord te kunnen broeden, omdat de bebouwing reeds in verstoorde omgevingen ligt. Bij km 35.2 en 39.7 (geocode 212) staan hagen langs het spoor die onderdeel kunnen zijn van het essentieel leefgebied van huismus en nog niet eerder onderzocht zijn (zie Figuur 3.3). De hagen zijn wintervast en er zijn 2 tot 15 roepende individuen in de heggen gehoord. Nabij de hagen is bebouwing aanwezig met dakpannen daken en meerdere verdiepingen, wat typische broedlocaties voor huismus zijn. De hagen die in 202214 zijn onderzocht (km 42.2, 43.75 en 44.7, geocode 212) en in 202315 zijn onderzocht bij station Doetinchem de Huet (km 37.3 en 44.6, geocode 212) zijn nog steeds aanwezig en geschikt voor huismus.
Figuur 3.3: Haag geschikt als essentieel leefgebied voor huismus bij km 35.2 (geocode 212).
3.2.2.3 Effectbespreking en vervolgstappen Algemene broedvogels en nesten beschermingscategorie 5 Er is binnen het plangebied broedbiotoop aanwezig voor algemene soorten broedvogels. Het vernietigen van bewoonde nesten is verboden conform Wnb artikel 3.1. Dit geldt ook voor het zodanig verstoren van bewoonde nesten dat vogels hun nest verlaten. Om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden waarbij beplanting wordt verwijderd of langs beplanting of broedlocaties wordt gewerkt, buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige worden gecontroleerd of er in de te verwijderen of aangrenzende bomen, struiken en nestkasten broedende vogels aanwezig zijn. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden.
14 15
Movares (2022). RegioExpres spoorbaan – Nader onderzoek ecologie. Versie 4.0. Movares (2023). RegioExpres werkterreinen – Nader onderzoek ecologie. Versie 3.0.
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
12/50
Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten die 202216 en 202317 zijn onderzocht zijn wederom aangetroffen. In de omgeving zijn geen veranderingen waargenomen die relevant zijn voor het gebruik. Steenuil, kerkuil en torenvalk Rondom het plangebied zijn twee nestkasten aanwezig van steenuil en torenvalk. Ook kunnen in diverse schuren nesten van kerkuil en steenuil aanwezig zijn. Dit zijn vogels met jaarrond beschermde nesten. De werkzaamheden hebben geen ruimtebeslag op deze nesten. Omdat de vogels al reeds in een verstoorde omgeving broeden (langs het spoor, nabij wegen en in achtertuinen) en de nesten op voldoende afstand tot het spoor liggen (op één nest na), hebben de werkzaamheden naar verwachting geen verstorend effect op de nesten. Een eventueel nest van slechtvalk ligt op dusdanig hoogte (boven op een toren) dat een effect ook op voorhand uit te sluiten is. Bij km 37.9 (geocode 212) staat een steenuilenkast in boom op 7 meter ten noorden van het spoor. Omdat de omgeving relatief open is en de kast dicht bij het spoor ligt kan verstoring van het nest niet worden uitgesloten. In een straal van 50 meter rondom het nest wordt daarom buiten het broedseizoen gewerkt (buiten half april tot half mei) en enkel overdag, zodat de steenuil ’s nachts nog kan foerageren. Hiermee wordt overtreding van artikel 3.1 van de Wnb op voorhand voorkomen.
In de boom bij km 37.3 (geocode 212) kunnen zich nesten van de steenuil bevinden. In het onderzoekseizoen van 2023 is gebruik door steenuil niet aangetoond maar was de holte in gebruik door de grote bonte specht. De boom ligt op circa 40 meter afstand tot de spoorbaan, waardoor een effect op voorhand uitgesloten is. De werkterreinen worden wel op enkele meters afstand van deze boom aangelegd. Bij de aanleg van de werkterreinen dient een vrije aanvliegroute gewaarborgd te worden. Boomvalk, sperwer en ransuil De kolonie van zwarte kraai bij km 47.4 (geocode 212) is gelegen bij een rustig gedeelte achter een industrieterrein. De boomvalk, sperwer en ransuil maken mogelijk ook gebruik van deze nesten, voor of na het broedseizoen van zwarte kraai. Bij deze nesten is een kans op verstoring aanwezig waardoor ervoor gekozen is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren binnen de verstoringsafstand van de nesten (straal van 70 meter). Bij km 39.55, 37.9, 40.83, 42.35 en 45.6 (geocode 212) staan bosschages die dusdanig dichtbegroeid zijn, dat deze niet volledig op nesten te inspecteren zijn. Door de dichte begroeiing hebben de bosschages wel een hoge potentie om als broedlocatie of roestplaats voor ransuil te functioneren. Bij aantasting van deze bosschages gaan mogelijk beschermde functies van ransuil verloren, wat een overtreding is van artikel 3.1 van de Wnb.
Deze bosschages worden in 2024 geïnspecteerd in de winterperiode, wanneer de broedplaatsen niet in gebruik zijn. Wanneer broedlocaties aanwezig zijn wordt in 2024 onderzoek uitgevoerd naar ransuil. Het onderzoek naar ransuil houdt twee avondbezoeken in de periode 15 februari tot en met 15 juli in 18. Als tussenperiode van de bezoeken worden minimaal 10 dagen aangehouden en er wordt tijdens de bezoeken 1 uur op territoriaal en nestindicerend gedag gelet. Huismus Op meerdere locaties vindt ruimtebeslag plaats op mogelijk essentieel leefgebied van de huismus. De hagen Bij km 35.2 en 39.7 (geocode 212) staan hagen direct langs het spoor die in gebruik kunnen zijn als kwetterplek, foerageergebied en winterslaapplaats. De werkzaamheden kunnen echter niet buiten het broedseizoen uitgevoerd worden ter plekke van de hagen. Deze hagen zijn nog niet eerder onderzocht. De hagen blijven intact door de werkzaamheden. De overige hagen zijn of niet essentieel bevonden of essentieel en een ontheffing wordt aangevraagd (km 35.8 – 36.1 en 43.75, geocode 212).
Movares (2022). RegioExpres spoorbaan – Nader onderzoek ecologie. Versie 4.0. Movares (2023). RegioExpres werkterreinen – Nader onderzoek ecologie. Versie 3.0. 18 SOVON (2023). Ransuil – Telrichtlijnen. 16 17
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
13/50
Tijdens het onderzoek naar de huismus worden twee bezoeken uitgevoerd in de periode 1 april tot en met 15 mei, van minimaal een uur en met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen 19. Tabel 3.3: Functies waar nader onderzoek naar noodzakelijk is.
Soort Ransuil
Type Broedlocatie roestplaats
Huismus
Functioneel leefgebied (haag)
en
Km - geocode 39.55, 37.9, 40.83, 42.35 en 45.6 - 212 35.2 en 39.7 – 212
Werkzaamheden Inspectie en evt. onderzoek gebruik
nader
Nader onderzoek
3.2.3 Grondgebonden zoogdieren 3.2.3.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde grondgebonden zoogdieren weergeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Waarnemingen van bever zijn in de directe omgeving van het spoor gedaan ter hoogte van km 36.9 en tussen km 35.0 en 34.1 (geocode 212). Er is één keer in het GNN gebied bij km 41.3 een das aangetroffen. Bekende waarnemingen van de otter liggen op een afstand van tenminste 630 meter ten zuiden van het plangebied bij km 34.2 (geocode 212). In 2022 heeft ProRail aan Altenburg & Wymenga gevraagd om een indicatie te geven van het risico van de aanwezigheid van bever in een plas ter hoogte van km 39.6 (geocode 212)20. Tijdens een veldbezoek in juli 2022 hebben zij geschikt vestigingsgebied voor de bever vastgesteld, mits de waterstand hoog genoeg zou zijn. Er waren recente vraatsporen, loopsporen en ligsporen in een leger van bevers aanwezig die door het neerleggen van takken snoeiafval door de buurtbewoners is ontstaan. Buurtbewoners gaven aan dat twee bevers tot 15 juli 2022 aanwezig waren in de plas. Mogelijk is door verlaging van de waterstand de vijver onaantrekkelijk geworden voor bever. In 2023 is nader onderzoek 21 uitgevoerd naar das, boommarter, steenmarter en otter bij km 36.9, 37.9, 41.3, 41.9 en 44.1 (geocode 212).
Aanwezigheid van de boommarter, steenmarter en otter is niet vastgesteld. Bij het GNN bij km 41.4 (geocode 212) is één volwassen das waargenomen. Dit is in de lijn der verwachting: uit persoonlijke communicatie met de Bosgroep (P. Westerhof), die lokale kennis van het gebied heeft, is bekend dat dassenburchten in het bosgebied aanwezig zijn maar deze meer dan 600 meter van de werkzaamheden af liggen. Tabel 3.4: Beschermde grondgebonden zoogdieren die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2023.
Soort Aardmuis Bever Boommarter Bosmuis Bunzing Damhert Das Dwergmuis Eekhoorn Egel Haas Konijn
Categorie Wnb AV H N AV AV N N AV N AV AV AV
19
NGB (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. Altenburg & Wymenga (2022). Veldbezoek beveraanwezigheid bij het spoor. D.d. 19 juli 2022. 21 Movares (2023). RegioExpres werkterreinen – Nader onderzoek ecologie. Versie 3.0. 20
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
14/50
Soort Otter Ree Rosse woelmuis Steenmarter Veldmuis Vos Wezel
Categorie Wnb N AV AV N AV AV AV
Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van EZK een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.
3.2.3.2 Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn drie konijnen, een dode spitsmuis en dode veldmuis waargenomen (Figuur 3.8). Bij km 47.23 (geocode 212) is een konijnenburcht met twee ingangen naast het schouwpad waargenomen. Mogelijk maken ook andere kleine grondgebonden zoogdieren zoals kleine marterachtigen gebruik van deze konijnenburcht (Figuur 3.4). Bij km 40.18 (geocode 212) is een hol in het schouwpad met een wissel nabij aangetroffen waar algemene muizensoorten maar ook bunzing, wezel of hermelijn in kan verblijven (Figuur 3.5). Bij km 40.58 (geocode 212) is een hol van circa 15 centimeter doorsnede aanwezig waar konijn of kleinere zoogdieren in kunnen verblijven (Figuur 3.6). Er zijn groenstructuren en bosschages aanwezig binnen het plangebied waar zich algemene soorten als de bosmuis kunnen bevinden. Ook kunnen in de bosschages en bermen verblijfplaatsen van kleine marterachtige als bunzing of wezel verwacht worden maar ook steenmarter. In de spoorberm is op meerdere locaties poep van omnivoren waargenomen (Figuur 3.7). Rondom de delen met bos, zoals bij het GNN, kan ook damhert, boommarter, eekhoorn of das aanwezig zijn in de omgeving van de spoorbaan. Langs vrijwel gehele lengte spoor liggen bermen met hoge grassen, struweel en soms bosschages. Spoorbaan vormt verbindend element door het gebied heen, zowel binnen als buiten de bebouwde kom.
Bij km 34.2 (geocode 212) loopt onder het spoor een kanaal met een rietkraag van circa 3 meter, waar diverse grondgebonden zoogdieren zich langs kunnen verplaatsen. Bij km 35.5 (geocode 212) ligt een spoorviaduct met natte onderdoorgang, welke naar verwachting als faunapassage wordt gebruikt (Figuur 3.9). Mogelijk wordt de spoorbaan, onderdoorgang en bermen gebruikt als verbindend element tussen delen van functioneel leefgebied van diverse grondgebonden zoogdieren. Boommarter en steenmarter Er zijn meerdere bosschages met dicht (braam-)struweel aanwezig binnen het plangebied waar zich mogelijk verblijf- en rustplaatsen van de boom- of steenmarter kunnen bevinden. Deze soorten verblijven naast boomholtes ook in holtes bij de wortels van bomen en struiken in de grond. Het betreft de bosschages bij km 36.9, 37.9 en 44.1 (geocode 212), en het GNN-gebied bij km 41.3 en 41.9 (geocode 212). De bosschages bij km 36.9 en 37.9 (geocode 212) worden waarschijnlijk geraakt. De bosschages bij km 44.1 (geocode 212) wordt verwijderd, deels voor de aanleg van het tweede spoor en het baanlichaam en deels voor het werkterrein die als weg voor werkverkeer gebruikt wordt. Op basis van de biotoop kunnen bij km 44.1 en 37.9 (geocode 212) vaste rust- en verblijfplaatsen van de boommarter die doorgaans in bossen leeft worden uitgesloten.
Bij km 41.3 en 41.9 (geocode 212) heeft de spoorbaan geen ruimtebeslag op het groen, maar kan verstoring plaatsvinden.
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
15/50
Figuur 3.4: Konijnenburcht in berm naast hetFiguur 3.5: Hol in schouwpad.(km 40.18).
Figuur
schouwpad (km 47.23).
schouwpad.(km 40.58).
Figuur
3.7:
Poep
omnivoor
(vos,
kleineFiguur 3.8: Dode spitsmuis (km 36.8).
3.6:
Groter
hol
direct
naast
het
Figuur 3.9: Natte onderdoorgang.
marterachtige)
Bij km 44.44 (geocode 212) is een moestuin gelegen met kleine schuurtjes, waar mogelijk verblijfplaatsen van steenmarter aanwezig kunnen zijn. Op meerdere plekken langs het spoor zijn op verdere afstand ook schuren gelegen die potentieel vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter kunnen herbergen. Het schuurtje met potentie voor vleermuizen is ongeschikt voor steenmarter omdat geschikte ruimtes om weg te kruipen ontbreken. De wilg bij km 43.75 (geocode 212), op 40 meter afstand ten zuiden van het spoor, kan ook door steenmarter in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. Das In het bosgebied onderdeel van het GNN (km 41.35 geocode 212) zijn gebruikssporen waargenomen van de das. In het broekbos is een snuitputje van de das waargenomen. Ook zijn op 20 en 85 meter van de spoorbaan twee grote holen waargenomen die mogelijk in gebruik zijn als vluchtpijp door de das (Figuren 3.10 en 3.11). Soorten als vos, konijn en steenmarter/boommarter kunnen mogelijk ook in deze holen verblijven. Een deel van het leefgebied is niet volledig geïnspecteerd doordat de begroeiing met braam te dicht was (zie bijlage 2). Mogelijk zijn daar ook holen aanwezig. Het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor de das.
De das heeft primair foerageergebied nodig bestaande uit weilanden waar hij naar regenwormen en emelten zoekt en secundair foerageergebied bestaande uit bos waar hij onder andere eikels en bessen vindt om te eten. Echter maakt het plangebied maar een beperkt onderdeel uit van het totale (potentieel aan) foerageergebied voor deze soort, waardoor van aantasting van essentieel foerageergebied geen sprake is. Aangrenzend aan het plangebied zijn in overmaat weilanden en bos aanwezig.
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
16/50
Figuur 3.10: Groter hol km 41.45 geocode 212.
Figuur 3.11: Groter hol km 41.45 geocode 212.
Bever De vijver rondom het Alsemveld is nogmaals geïnspecteerd tijdens het veldbezoek. Er zijn geen vraatsporen of verse knaagsporen van bever waargenomen. De leger die door snoeiafval van bewoners is aangelegd is vrij open en had geen gebruikssporen (Figuur 3.12). Er zijn ook geen oeverholen waargenomen, hoewel deze ook onder de waterlijn nog kunnen liggen. Op andere locaties langs waterlichamen zijn geen knaagsporen van bevers of burchten waargenomen. Andere vaste rust- of voortplantingsplaatsen van bevers zijn daarmee niet te verwachten binnen het plangebied.
Figuur 3.12: Leger aangelegd door omwonenden bij het Alsemveld.
Eekhoorn en otter Daarnaast vormt het plangebied bij bossen en tuinen gelegen leefgebied voor de eekhoorn. Er zijn geen eekhoornnesten aangetroffen binnen het plangebied waardoor vaste rust- en verblijfplaatsen van de eekhoorn worden uitgesloten. Bij km 36.9 (geocode 212) kan leefgebied van de otter verwacht worden welke in rustig gelegen oeverzones met voldoende dekking voorkomt. Holten in de oeverzone van stromende wateren of nissen bij betonpijpen kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen voor de otter vormen. Dit soort holten zijn niet vastgesteld tijdens de quickscan. Daarnaast wordt de bestaande duiker op deze
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
17/50
locatie verwijderd en een nieuwe duiker aangebracht. Ook hier zijn geen holen of nissen aanwezig die door de otter als vaste rust- of verblijfplaats gebruikt kunnen worden. Het aangrenzende bosschage waar hij voedsel kan vinden, kan echter wel onderdeel van zijn functioneel leefgebied vormen. Deze bevindt zich deels binnen het plangebied. 3.2.3.3 Effectbespreking en vervolgstappen Het plangebied is geschikt voor algemene soorten grondgebonden zoogdieren, zoals konijn en kleine marterachtigen. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord of gedood bij het vergraven van holen. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door het ministerie van EZK bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen. De bermen langs de spoorbaan en structuren haaks op de spoorbaan kunnen als verbindend elementen gebruikt worden door vrijgestelde grondgebonden zoogdieren maar ook door steenmarter, boommarter en das. In de omgeving zijn alternatieven aanwezig, in de vorm van greppels en bosschages. Wel dient rekening gehouden te worden met verlichting tijdens de werkzaamheden.
Bij voorkeur dienen te werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden. Wanneer dat niet mogelijk is dient de verlichting gericht op het werk te zijn en niet richting de omgeving uit stralen. Indien verstoring van deze soorten plaatsvindt wat resulteert in het verlies van de functie van de aanwezige verblijfplaats, resulteert dit in overtreding van artikel 3.10 van de Wnb. Daarnaast kunnen in en rondom het plangebied vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de boommarter, steenmarter, otter, bever en das niet worden uitgesloten. Negatieve effecten op deze soorten kunnen niet worden uitgesloten doordat ruimtebeslag op dichte bosschages plaatsvindt. Potentiële verblijfplaatsen in bebouwing liggen op voldoende afstand. Op 6 locaties (zoals aangegeven in bijlage 2) kunnen vaste verblijf- en rustplaatsen in bosschages liggen. Voor 4 locaties is het onderzoek in 2023 reeds uitgevoerd en zijn geen steenmarter, boommarters of otters waargenomen, maar ten aanzien van de das zijn nieuwe vluchtpijpen/holen waargenomen in het Stilliwald. Mogelijk maken steenmarter of boommarter ook gebruik van deze holen. Het bosgebied direct naast het spoor was niet volledig te inspecteren waardoor mogelijk meer verblijfplaatsen geraakt worden. Mogelijk zijn oeverholen van bever aanwezig in de vijver bij het Alsemveld die kunnen doorlopen tot de spoorberm.
Voor deze twee locaties (km 36.9 en 41.35, geocode 212) dient onderzoek uitgevoerd te worden. Het gebruik van het plangebied als leefgebied voor de das, boom- en steenmarter kan aangetoond worden door het neerzetten van wildcamera’s voor minimaal 6 weken en het zoeken naar sporen/holen22. Het inspecteren op holen wordt bij voorkeur in de winter uitgevoerd, wanneer de vegetatie laag is. In de boom bij km 37.3 (geocode 212) kunnen zich vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de steenmarter bevinden. Deze boom staat op voldoende afstand dat een effect op voorhand uitgesloten is en daarmee overtreding van artikel 3.10 van de Wnb. Uit het nader onderzoek naar werkterreinen uit 2023 blijkt dat deze holte ook niet in gebruik is door steenmarter maar door grote bonte specht. Vervolgstappen zijn niet benodigd. 3.2.4 Vleermuizen 3.2.4.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de soorten vleermuizen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tijdens het nader onderzoek in 2022 zijn een aantal locaties onderzocht op de aanwezigheid van vliegroutes maar zijn er geen vliegroutes vastgesteld. Het betreft de volgende locaties: bij km 49.1 (geocode 611), tussen km 46 en 46.4 (geocode 212) en tussen km 44.4 en 44.7 (geocode 212). Bij km 49.1 is een hop-over onderzocht haaks op het spoor, welke in gebruik is door gewone dwergvleermuizen.
Deze blijft tijdens de werkzaamheden echter intact en heeft geen essentiële functie. Verder zijn er twee boomholtes bij km 44.15 (geocode 212) en km 106.6
22
La Haye, M., Dijkstra, V., van Veen, K. (2022). NEM Verspreidingsonderzoek Marters: inventariseren met cameravallen.
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
18/50
(geocode 611) onderzocht op verblijfplaatsen van vleermuizen. Deze bomen waren niet in gebruik door vleermuizen. Tabel 3.5: Beschermde vleermuizen (artikel 3.5 Wnb) die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, oktober 2023.
Soort Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Ruige dwergvleermuis Watervleermuis
Categorie Wnb H H H H H H
3.2.4.2 Resultaten veldbezoek Het oriënterende veldbezoek heeft overdag plaatsgevonden waardoor geen actieve vleermuizen konden worden waargenomen. Wel is biotoopinformatie verzameld om de aan- of afwezigheid van mogelijke foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen te bepalen. Vleermuizen foerageergebied De bomen, bomenrijen en waterelementen in het plangebied vormen potentieel foerageergebied voor vleermuizen. Een gedeelte van het potentiële foerageergebied zal door de kapwerkzaamheden en ruimtebeslag door de tweede spoorbaan verdwijnen. Er blijft echter voldoende foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied bewaard. Denk hierbij aan groen in de vorm van bomen, water en tuinen in de directe omgeving. Het gaat daarom niet om essentieel foerageergebied. Vleermuizen vliegroutes De bomenrijen, die op diverse plekken langs het spoor staan, vormen lijnvormige element in het landschap welke door vleermuizen gebruikt kunnen worden als vliegroute. Naast de reeds onderzochte locaties zijn er geen potentiële vliegroutes aangetroffen die door hun ligging en het ontbreken van geschikte alternatieven in de directe omgeving, een essentiële functie kunnen hebben. Vleermuizen verblijfplaatsen In het plangebied is één gebouw (Figuur 3.16) aanwezig dat als verblijfplaats door vleermuizen gebruikt kan worden en die door de werkzaamheden geraakt wordt.
Het schuurtje is gelegen ter hoogte van km 42.5 (geocode 212) en ligt direct langs het spoor. De golfplaten wanden en daken vormen spleten waar vleermuizen tussen kunnen kruipen. De soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger kunnen zomer- of paarverblijfplaatsen hebben in het schuurtje. Gezien het schuurtje opgetrokken is uit golfplaten en de beschikbare ruimtes weinig ruim zijn, worden functies als kraamverblijfplaats en massawinterverblijfplaats niet verwacht. In de omgeving staan op 1 tot 15 meter afstand 14 bomen die geschikt zijn als vleermuisverblijfplaats (Figuren 3.13 en 3.14). Bij km 37.3 (geocode 212) staat op een afstand van 40 meter ten opzichte van het plangebied een boom waarin zich twee grote holtes bevinden. Mogelijk functioneren deze bomen als zomer-, kraam-, paar- of individuele winterverblijfplaats voor soorten als ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis of watervleermuis. Ter hoogte van km 47.3 (geocode 212) loopt de spoorbaan onder een viaduct door. De onderzijde van het viaduct heeft spleten tussen de betonnen delen en is daardoor potentieel geschikt als vleermuisverblijfplaats (Figuur 3.16).
De bebouwing in de omgeving heeft op meerdere locaties open stootvoegen, dakpannen daken en andere openingen die toegang verlenen tot de spouw, onder het dak of andere ruimtes/spleten in het gebouw. In de bebouwing kunnen diverse gebouwbewonende vleermuizen verblijven en afhankelijk van
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
19/50
de omvang van het gebouw (massa)winterverblijfplaats).
zijn
alle
functies
mogelijk
(zomer-,
kraam-,
paar-
en
Figuur 3.13: Boom met vleermuisgeschikte holtes (km 36.1 geocode 212). Figuur 3.14: Boom met vleermuisgeschikte holtes (km 36.1 geocode 212).
Figuur 3.15: Schuurtje met ruimte tussen golfplaten en onder dak direct aangrenzend aan het spoor (km 42.5 gecocode 212).
Figuur 3.16: Viaduct met aan de onderzijde spleten die geschikt zijn voor vleermuizen.
3.2.4.3 Effectbespreking en vervolgstappen Vleermuizen foerageergebied Door de werkzaamheden kan er ruimtebeslag zijn op foerageergebied van vleermuizen. Er blijft echter voldoende foerageergebied in de directe omgeving van de plangebieden bewaard. Denk hierbij aan groen in de vorm van bomen, water en tuinen in de omgeving. Het gaat daarom niet om essentieel foerageergebied. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen wel negatieve effecten op omliggende foerageergebieden optreden door verstoring door licht. Wanneer de werkzaamheden essentiële foerageergebieden verstoren waardoor deze niet meer functioneel zijn, is er sprake van een overtreding van artikel 3.5 Wnb. Door de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren wordt een effect op foerageergebied van vleermuizen op voorhand voorkomen. Indien het niet mogelijk is overdag te werken, dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij de omliggende groenstructuren en wateren onverlicht blijven.
B85--HS-RAP-23008645 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 2.0 / 24-11-2023
20/50
Vleermuizen vliegroutes In het plangebied zijn lijnvormige structuren aanwezig in de vorm van bomenrijen. Uit het nader onderzoek in 2022 blijkt dat deze structuren niet als vliegroute door vleermuizen gebruikt worden. Tijdens het veldbezoek zijn er geen nieuwe potentiële vliegroutes aangetroffen. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen wel negatieve effecten op omliggende vliegroutes optreden door verstoring door licht. Wanneer de werkzaamheden vliegroutes verstoren waardoor deze niet meer functioneel zijn, is er sprake van een overtreding van artikel 3.5 Wnb. Door de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren wordt een effect op vliegroutes van vleermuizen op voorhand voorkomen. Indien het niet mogelijk is overdag te werken, dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij de omliggende groenstructuren en wateren onverlicht blijven. Vleermuizen verblijfplaatsen Eén schuurtje gaat gesloopt worden welke vleermuisgeschikt is maar nog niet in 2022 of 2023 is onderzocht (Figuur 3.15). Bij dit schuurtje dient vleermuisonderzoek uitgevoerd te worden. Het onderzoek wordt in 2024 uitgevoerd naar de soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger uitgevoerd.
Ten behoeve van het onderzoek dienen drie bezoeken worden uitgevoerd in de periode 15 mei tot 15 augustus voor het onderzoeken van zomerverblijfplaatsen en twee bezoeken in de periode van 15 augustus tot 1 oktober voor het onderzoeken van paarverblijfplaatsen 23. Wanneer het schuurtje gebruikt wordt als zomer- en/of paarverblijfplaats mag ervan worden uitgegaan dat ook individuele vleermuizen daar kunnen overwinteren. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen door ruimtebeslag kunnen worden uitgesloten. Wel staan op meerdere locaties rondom het plangebied bomen met holtes of bebouwing met vleermuisgeschikte openingen direct langs het spoor. Ook is het viaduct waar de werkzaamheden onderdoor gaan vleermuisgeschikt. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op omliggende verblijfplaatsen door verstoring door licht. Wanneer de werkzaamheden verblijfplaatsen dusdanig verstoren dat deze niet functioneel zijn of vleermuizen verstoren, is er sprake van een overtreding van artikel 3.5 Wnb. Door de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren wordt een effect op verblijfplaatsen van vleermuizen op voorhand voorkomen. Indien het niet mogelijk is overdag te werken, dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij de gevels van omliggende bebouwing en bomen onbelicht blijven.
3.2.5 Reptielen 3.2.5.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten reptielen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Het hele plangebied behoort bij het verspreidingsgebied van de hazelworm en de levendbarende hagedis. Uit NDFF is bekend dat meerdere exemplaren van de hazelworm zijn aangetroffen ter hoogte van km 43.7 (geocode 212), op een afstand van tenminste 760 meter ten zuiden van het spoor en aan de zuidoostzijde van de bebouwde kom van Doetinchem op een afstand van tenminste 1,9 km tot het plangebied. Waarnemingen van levendbarende hagedis zijn bekend bij km 40.1 (geocode 212) op een afstand van tenminste 590 meter ten zuiden van het spoor, in stuk bos verbonden met het Stilliwald. Waarnemingen van zandhagedis zijn in het Bergerbos gedaan, op minimaal 6 kilometer afstand tot de werkzaamheden. Daarnaast komt volgens de verspreidingsatlas de ringslag in de buurt van Zevenaar en Doetinchem voor. Ringslang is tweemaal waargenomen op agrarische percelen ten noorden van Zevenaar. In 2023 is in het kader van het project nader onderzoek uitgevoerd naar levendbarende hagedis en hazelworm langs het spoor en op de werkterreinen bij het GNN- en GO-gebied tussen km 40.3 en 41.1 (geocode 212).