Bijlage 2.3.10 - Natuur GNN bijlage Quickscan compensatiegebieden.pdf
Tekst van het document
4.1
Beschermde gebieden
4.1.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Natura-2000 gebied Rijntakken en Natura-2000 gebied Veluwe. Deze bevinden zich op een afstand van ongeveer 7 en 11 kilometer van het plangebied. Gezien de aard van de werkzaamheden, de ligging van het plangebied en de afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden zijn effecten door verstoring op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Voor mogelijke stikstofdepositie op gevoelige habitattypen/-soorten in Natura 2000-gebieden tijdens de realisatiefase van het project dienen de effecten middels projectspecifieke AERIUS-berekening inzichtelijk gemaakt te worden. Het project zal in de gebruiksfase niet leiden tot een toename in stikstofemissie. De effecten van stikstof voor de realisatiefase worden integraal, voor het hele project, berekend en beoordeeld in een passende beoordeling. 4.1.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN) De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk (GNN) genoemd. De Provincie kent geen externe werking voor het GNN. De in te richten percelen liggen buiten het GNN dus er treden geen gevolgen op.
Aangezien de realisatie van natuur bijdraagt aan de kenkwaliteiten (ecologische samenhang; stilte; donkerte; openheid; en rust) zoals beschreven in de bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone 10 is de ingreep niet in strijd met de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 2.52) 11. In het nog vast te stellen PIP voor de RegioExpres worden de in te richten gronden bestemd als 'natuur' 4.1.3 Groene Ontwikkelingszone (GO) Alle vier de deelgebieden zijn onderdeel van de Groene Ontwikkelingszone. Aangezien de realisatie van natuur bijdraagt aan de kenkwaliteiten (ecologische samenhang; stilte; donkerte; openheid; en rust) zoals beschreven in de bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone11 is de ingreep niet in strijd met de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 2.52) 12. Daarnaast is het, gezien de functie van de GO voor het GNN, gewenst dat compensatie van het GNN en versterking van de GO bij voorkeur plaatsvindt binnen de GO (voor de GO, zie ook 'Regels versterking groene ontwikkelingszone'12). In het nog vast te stellen PIP voor de RegioExpres worden de gronden bestemd als 'natuur'.
10
Provincie Gelderland. Bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Provincie Gelderland (2023). Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023) 12 Provincie Gelderland (2023). Regels versterking Groene ontwikkelingszone 11
B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023
27/37
4.2
Beschermde soorten
Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen die geschikt is voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Dit betreft biotoop voor de hazelworm, buizerd en huismus. In onderstaande tabel is per soortgroep aangegeven of er nader onderzoek nodig is en mogelijk een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 4.1: Conclusies en aanbevelingen over beschermde soorten (Wet natuurbescherming).
Soortgroep
Beschermde soorten/functie?
Nader onderzoek nodig? Nee Nee
Vaatplanten Algemene Broedvogels
Nee Ja, meerdere soorten waaronder houtduif en zwarte kraai
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Ja, huismus en buizerd
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Ja, mogelijk verschillende soorten zoals boommarter, steenmarter en das
Nee
Vleermuizen foerageergebied
Nee, geen essentieel foerageergebied
Nee
Vleermuizen vliegroutes
Ja, essentiële vliegroute
Nee
Vleermuizen verblijfplaatsen
Ja, mogelijk aanwezig
Nee
Reptielen
Ja, leefgebied hazelworm
Nee
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? Nee Nee, mits maatregelen worden genomen om vernietiging en verstoring van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen13. Nee, mits verstoring wordt voorkomen door handmatig te werken en de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode van de buizerd uit te voeren (geen werkzaamheden in de periode februari tot en met augustus). Nee, mits tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij de wissel onverlicht blijft. Nee, wel advies om vanuit de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb) tijdelijke verstoring van niet-essentieel foerageergebied te voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen onverlicht blijft. Nee, mits tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen onverlicht blijft. Nee, mits tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen onverlicht blijft. Ja, grondroerende werkzaamheden vinden plaats in leefgebied van de hazelworm waardoor vaste rust- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernietigd kunnen worden. Dit is in strijd met artikel 3.10 van de Wet
13
Vernietiging en verstoring van nesten wordt voorkomen door de werkzaamheden volgens de vigerende plannen buiten het broedseizoen uit te voeren. Een ontheffing voor het vernietigen/verstoren van bewoonde nesten wordt in het algemeen niet snel verleend wordt door het bevoegd gezag.
B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023
28/37
Soortgroep
Beschermde soorten/functie?
Nader onderzoek nodig?
Amfibieën
Ja algemeen vrijgestelde soorten zoals de bruine kikker en de gewone pad
Nee
Vissen
Nee
Nee
Ongewervelden
Nee
Nee
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? natuurbescherming, hiervoor dient een ontheffing te worden aangevraagd. Opzettelijk doden en verwonden wordt voorkomen door maatregelen te treffen, zie Tabel 4.2. Nee, het betreft namelijk door het ministerie van LNV algemeen vrijgestelde dieren bij ruimtelijke ontwikkeling. Wel moet rekening wordt gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Nee, wel moet er rekening worden gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Nee
4.2.1 Maatregelen Uit de quickscan volgt een aantal maatregelen. In tabel 4.2 staan de maatregelen weergegeven. Daarnaast zijn een aantal maatregelen vanuit de algemene zorgplicht opgenomen, deze staan in tabel 4.3. Tabel 4.2: Verplichte maatregelen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.
Soortgroep Broedvogels
Grondgebonden zoogdieren
Vleermuizen foerageergebied, vliegroutes en verblijfplaatsen
Maatregel Om effecten op broedende vogels te voorkomen dienen alle werkzaamheden buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, aangezien er op alle locaties in de directe nabijheid of in bestaande vegetatiestructuren wordt gewerkt. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Voor de buizerd geldt dat deze al in februari actief het nest gebruikt. De periode voor deze soort is februari tot en met augustus. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige op het gebied van broedvogels worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig zijn. Eventueel kunnen de aanwezige nestkastjes ook buiten het broedseizoen tijdelijk verwijderd worden. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen, het gaat om een broedgeval ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. Om op voorhand aantasting van de functionaliteit van de wissel nabij deelgebied D te voorkomen dienen de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is het van belang dat de greppel en wissel tijdens de werkzaamheden onverlicht blijft. Dit kan door de verlichting weg te richten en af te schermen. Op deze manier kan overtreding van artikel 3.10 van de Wnb worden uitgesloten.
Om mogelijke indirecte effecten als verstoring door licht op naast gelegen foerageergebied, verblijfplaatsen en vliegroutes te voorkomen dient gewerkt te worden tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien toch gebruik moet worden gemaakt van kunstlicht, dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting. Hierbij moet lichtval op bomen,
B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023
29/37
Soortgroep
Reptielen (hazelworm)
Maatregel water, en gebouwen in de omgeving worden voorkomen om verstoring en daarmee overtreding van artikel 3.5 van de Wnb te voorkomen. Om opzettelijk doden en verwonden van de hazelworm te voorkomen dient het leefgebied van deze soort dat wordt geraakt door de geplande werkzaamheden ongeschikt gemaakt te worden. Dit kan door de strooisel laag in deze gebieden ruim voor de aanvang van de werkzaamheden (minimaal 2 dagen) te verwijderen. Daarnaast kunnen buiten het werkgebied tapijttegels worden geplaatst om tijdelijke schuilplaatsen voor deze soort te bieden. Verder dienen grondroerende werkzaamheden in de actieve periode van de hazelworm plaats te vinden zodat deze zich kan verplaatsen. De actieve periode van deze soort loopt van mei tot en met september. Daarnaast moeten werkzaamheden langzaam worden opgestart en vanuit één kant worden uitgevoerd zodat mogelijk aanwezige individuen de kans krijgen om te vluchten. Door deze maatregels te treffen wordt het opzettelijk doden en verwonden van de hazelworm voorkomen.
Tabel 4.3: Maatregelen om te voldoen aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming)
Soortgroep Grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Amfibieën en vissen
4.3
Maatregel Om effecten op algemeen beschermde kleine grondgebonden zoogdieren en amfibieën zoveel mogelijk te beperken dienen werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd langzaam te worden opgestart en van één kant te worden uitgevoerd, zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Daarnaast dienen de werkzaamheden plaats te vinden voordat de dieren in winterrust gaan en minder mobiel zijn. Over het algemeen geld dat reptielen en amfibieën halverwege oktober in winterrust gaan en in april weer ontwaken. Deze maatregelen vallen onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Om effecten op algemeen beschermde amfibieën en op vissen zoveel mogelijk te beperken dient het dempen van water langzaam te worden opgestart en richting één kant te worden uitgevoerd zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Deze maatregel valt onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb).
Invasieve exoten
Uit de bureaustudie (NDFF) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende invasieve uitheemse soorten (exoten) van de Unielijst zijn waargenomen: muskusrat, lettersierschildpad nijlgans, reuzenbalsemien en reuzenberenklauw. Tijdens het veldbezoek zijn geen exoten waargenomen binnen het plangebied. Er zijn daarom geen verdere acties in het kader van invasieve exoten noodzakelijk.
B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023
30/37
5
Bronnen • • • • • • • • • •
Gemeente Wehl (2003). Bestemmingsplan buitengebied 2002. La Haye, M., Dijkstra, V., van Veen, K. (2022). NEM Verspreidingsonderzoek Marters: inventariseren met cameravallen. Movares B.V. (2021). Quickscan flora en fauna RegioExpres – Effecten op beschermde gebieden en soorten. Versie 3.0. Movares B.V. (2023). RegioExpres – Werkterreinen quickscan ecologie. Versie 3.0. Nationale Databank voor Flora en Fauna (juli 2023) Provincie Gelderland. (2023). Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023) Provincie Gelderland. Bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Provincie Gelderland. Beschrijving kernkwaliteiten GNN en GO. Provincie Gelderland (2002). Regels versterking Groene ontwikkelingszone Vleermuisprotocol (januari 2021). NGB
B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023
31/37
Colofon OPDRACHTGEVER
UITGAVE
Movares Nederland B.V.
Daalseplein 100 Postbus 2855 3500 GW Utrecht TELEFOON
+31 (0)30 - 265 5555
ONDERTEKENAAR
Fabian Timpen fabian.timpen@movares.nl
PROJECTNUMMER
MN002205
KENMERK
B85-F.J.-HS-RAP-23006059
© 2023, Movares Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Movares Nederland B.V.
B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023
32/37
Bijlage 1 Wet- en regelgeving In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader.
1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Wnb richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Met de in werking treding van de Wnb zijn de oude Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet vervallen. 1.1.1 Bevoegd gezag De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegde gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag. Dit is uitgewerkt in artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming en betreffen handelingen en projecten voor aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van onder andere hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdspoorwegen, primaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen met een spanning van tenminste 220 kV, winning van delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij, activiteiten Koninklijk Huis, etc. Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. 1.1.2 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 2.1 tot en met 2.11 van de Wet natuurbescherming.
Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van LNV. Voortoets en Passende beoordeling Bij plannen in, of in de nabijheid (externe werking) van, een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase (voortoets) te onderzoeken of het plan een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Met externe werking wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied de natuurwaarden in het gebied kunnen beïnvloeden.
Indien na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dienen ook, indien noodzakelijk, de mitigerende maatregelen te worden betrokken. Deze analyse heet een ´passende beoordeling´. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling. Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten, kan de activiteit doorgang vinden. Wanneer uit de voortoets blijkt dat er wel kans is op een negatief effect, maar dit als niet significant kan worden gezien, kan eveneens, op basis van een verslechteringstoets toestemming voor het uitvoeren van de activiteit worden verleend. Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgang vinden op grond van de “ADC-criteria”. Dit betekent dat: ◼ A – alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken; ◼ D – er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en
B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023
33/37
◼ C – de initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft. Zorgplicht Binnen de kaders van de Wet natuurbescherming is de Zorgplichtbepaling (artikel 1.11) van toepassing. Deze zorgplicht houdt o.a. in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor de natuurwaarden van het gebied, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken. Stikstofdepositie Stikstofdepositie vormt veelal een knelpunt bij de besluitvorming over plannen en projecten, omdat in veel Natura 2000-gebieden overbelasting van stikstof een probleem is voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor het gebied aangewezen soorten en habitattypen. Per 2 november 2022 is middels uitspraak van de Raad van State de partiele bouwvrijstelling, die sinds 1 juli 2021 bestond, komen te vervallen. Met het vervallen van de bouwvrijstelling dienen de effecten van stikstof tijdens de realisatiefase van projecten weer inzichtelijk gemaakt te worden middels eens projectspecifieke AERIUS berekening. Ook voor de gebruiksfase dient bepaald te worden of aanvullende stikstofemissie en -depositie te verwachten is. Als dit het geval is dient ook voor deze fase een projectspecifieke AERIUS berekening uitgevoerd te worden.
Wanneer depositie niet uitgesloten kan worden is aanvullende toetsing (voortoets, passende beoordeling, ADC-toets) benodigd en of dient gekeken te worden of de depositie middels mitigerende maatregelen of interne/externe saldering weggenomen kan worden. Bij een ADC-toets dient aangetoond te worden dat er geen Alternatief is met minder schadelijke effecten voor Natura 2000-gebieden, er een Dwingende reden van groot openbaar belang is en dat er Compenserende maatregelen worden getroffen voor Natura 2000-gebieden. 1.1.3 Soortbescherming De Wet natuurbescherming maakt onderscheid tussen: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’ (artikel 3.10 e.v. Wnb). Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4.
Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor vogels zoals opgenomen in artikel 3.1 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht. Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag getoetst op: ◼ Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); ◼ Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’; ◼ Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en/of Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb)
B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023
34/37
Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5: 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor streng beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht.
Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag getoetst op: ◼ Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); ◼ Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’; ◼ Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb) De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage A en B van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.10. Het is verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.
vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor deze categorie soorten zoals opgenomen in artikel 3.10, mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode. Indien de voorgenomen ontwikkeling valt binnen de reikwijdte van de gedragscode en er volgens de bepalingen uit de gedragscode wordt gewerkt, geldt er een vrijstelling van ontheffingplicht. Bij de aanvraag van een ontheffing voor overtreding van de verbodsbepalingen wordt de aanvraag beoordeeld op: ◼ Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); ◼ Aanwezigheid geldig wettelijk belang. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang h ‘in het algemeen belang’; ◼ Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023
35/37
Algemeen vrijgestelde soorten Voor soorten van de categorie ‘andere soorten’ (bijlage A en B van de wettekst) kan een vrijstellingsregeling gelden, die per provincie anders kan worden ingestoken. De meeste provincies en het ministerie van LNV hebben ‘tabel 1 soorten’ van de oude Flora- en faunawet opnieuw vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit zijn soorten zoogdieren en soorten amfibieën. Bovengenoemde soorten zijn bij ruimtelijke projecten algemeen vrijgesteld van vergunningplicht. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet voorkomen. 1.1.4 Bescherming houtopstanden De bescherming van houtopstanden is vastgelegd in artikel 4.1 tot en met 4.9 van de Wet natuurbescherming. Binnen de Wet natuurbescherming worden houtopstanden beschermd die aan bepaalde voorwaarden voldoen (Wnb artikel 4.1). Conform artikel 4.2 is het verboden houtopstanden te kappen zonder hier vooraf een melding van te maken aan het bevoegd gezag indien wordt voldaan aan de volgende twee punten: ◼ de houtopstand buiten de 'bebouwde kom Wnb Houtopstanden' ligt. De begrenzing van de bebouwde kom in de zin van de Wnb komt niet altijd overeen met de begrenzing van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet.
Als een gemeente geen bebouwde kom in de zin van de Wnb heeft vastgesteld, is de Wnb overal van toepassing in die betreffende gemeente; ◼ de houtopstand waarin de bomen worden gekapt groter is dan 10 are (1.000 vierkante meter) of het gaat om bomen in een rijbeplanting van 20 bomen of meer. De meldplicht geldt niet voor: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgesteld grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed f. uit populieren of wilgen bestaande 1. wegbeplantingen 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. g. het dunnen van een houtopstand h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; 2. Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken brede dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013. De Wet natuurbescherming stelt dat wanneer houtopstanden worden gekapt, er voorafgaand aan de kap een meldingsplicht bij het bevoegd gezag is, veelal de provincie.
De provincie bepaalt welke informatie omtrent de te kappen opstand aangeleverd dient te worden, op welke termijn dit aangeleverd dient te worden en welke voorwaarden voor de uitvoering van de kap gelden. Daarnaast geldt dat binnen drie jaar na de kap een herbeplantingsplicht geldt (door aanplant, bezaaiing of natuurlijke verjonging dan wel op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand). Wanneer dat niet op dezelfde plaats kan, dan kan een provincie ontheffing verlenen de herbeplanting op andere gronden toe te staan indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels. Verder kunnen provincies ontheffing of vrijstelling verlenen voor bepaalde verbodsbepalingen en/of voorwaarden omtrent herbeplanting.
B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023
36/37
Houtopstanden zijn tevens beschermd op grond van gemeentelijk regelgeving. Dit is vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de betreffende gemeente. Ook kan de bescherming van een houtopstand zijn opgenomen in de planregels bij een bestemmingsplan. Bij voorgenomen kap van houtopstanden dient daarom ook altijd naar de bepalingen in de APV en naar de planregels in het bestemmingsplan te worden gekeken. In verband met de bepalingen uit de APV en/of het bestemmingsplan kan volgen dat voor de kap van een houtopstand een omgevingsvergunning nodig is welke bij de gemeente moet worden aangevraagd.
1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het nationaal beleid met betrekking tot de gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De rijksoverheid heeft de bruto begrenzing van het NNN vastgesteld, de provincies zijn bevoegd om dit netto te begrenzen. De SVIR vervangt verschillende rijksbeleidsstukken zoals de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. De juridische borging van de nationale ruimtelijke belangen die in de SVIR worden aangewezen vindt plaats via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Via het Barro werkt het rijksbeleid door naar de ruimtelijke verordeningen van de provincies. Het NNN is de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) sinds de afsluiting van het Natuurpact tussen Rijk en de provincies. 1.2.1 ‘Nee, tenzij’-principe Voor het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat nieuwe plannen of projecten niet zijn toegestaan als ze de wezenlijke (potentiële) waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Uitzonderingen hierop zijn wanneer sprake is van redenen van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn.
De schade dient in dat geval door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk beperkt te worden. De restschade dient te worden gecompenseerd. De rijkslijn zoals verwoord in het SVIR en Barro is dat er bij het NNN geen sprake is van externe werking. Het NNN is planologisch beschermd in de Provinciale Structuurvisies en Verordeningen. In de Verordening staat aangegeven aan welke voorwaarden bij ruimtelijke ingrepen in en langs het NNN moet worden voldaan. Ook is het compensatiebeleid bij aantastingen van het Natuurnetwerk Nederland hierin opgenomen.
B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023
37/37