CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.3.10 - Natuur GNN bijlage Quickscan compensatiegebieden.pdf

beeldvormende raad 11 januari 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 3: Horen raad provinciaal inpassingsplan RegioExpres13.511 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORT

Compensatiegebieden RegioExpres

Quickscan ecologie

Versie: 3.0 Status: Vrijgegeven Datum: 10-11-2023 Kenmerk: B85-F.J.-HS-RAP23006059

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

Inhoudsopgave Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

2

2.1 2.2

Beschermde gebieden Beschermde soorten

8 8

2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.2.5

8 8 9 9 9

Bureaustudie Oriënterend veldbezoek Informatie inwinnen bij gebiedsdeskundige Effectbepaling beschermde soorten Vervolgstappen

Beschermde houtopstanden (Wet natuurbescherming)

9

Resultaten

10

3.1

Beschermde gebieden

10

3.1.1 3.1.2 3.1.3

10 11 12

3.3

Natura 2000-gebieden Gelders Natuurnetwerk (GNN) Groene Ontwikkelingszone (GO)

Beschermde soorten

13

3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5 3.2.6 3.2.7 3.2.8

13 13 16 19 22 23 25 25

Vaatplanten Vogels Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Reptielen Amfibieën Vissen Ongewervelden

Invasieve exoten

26

Conclusie

27

4.1

Beschermde gebieden

27

4.1.1 4.1.2 4.1.3

27 27 27

4.2

4.3

5

1 1 4 6 7

8

3.2

4

Aanleiding Locatie Activiteiten Wettelijk kader Doel

Methode

2.3

3

1

Natura 2000-gebieden Gelders Natuurnetwerk (GNN) Groene Ontwikkelingszone (GO)

Beschermde soorten

28

4.2.1

29

Maatregelen

Invasieve exoten

Bronnen

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

30

31

Colofon

32

Bijlage 1 Wet- en regelgeving

33

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

Inleiding 1.1

Aanleiding

De RegioExpres Achterhoek is een dieseltrein die tussen Arnhem en Doetinchem als sneltrein rijdt (nonstop) en tussen Doetinchem en Winterswijk als stoptrein (stoppend op alle stations) rijdt. Om de frequentie aan treinen per uur te kunnen verhogen op het traject Arnhem – Doetinchem zijn spooraanpassingen benodigd. Er zijn twee quickscans uitgevoerd om de effecten van de werkzaamheden op de beschermde gebieden, beschermde soorten flora en fauna en beschermde houtopstanden te bepalen: één quickscan voor de werkzaamheden van de spoorverdubbeling 1 en één quickscan voor de werkterreinen (en andere tijdelijke ingrepen) 2. Uit de quickscans is gebleken dat de werkzaamheden ruimtebeslag hebben op het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. De aangetaste gebieden van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone moeten, conform de provinciale verordening, elders gecompenseerd worden. Het gaat in dit geval om compensatie van het Gelders Natuurnetwerk en versterking van de Groene Ontwikkelingszone. De vereisten voor deze ingrepen worden beschreven in de GNN-/GO-toets (in voorbereiding). Vier deelgebieden zijn aangewezen om compensatie te realiseren, in de vorm van natuurbeheertypen en nieuwe natuurelementen. Op deze locaties zullen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden en ook bomen geplant worden, afhankelijk van de invulling van de compensatie.

Bij dergelijke werkzaamheden is het vanuit de natuurwetgeving van belang om na te gaan of de werkzaamheden effect hebben op beschermde gebieden, beschermde soorten flora en fauna en beschermde houtopstanden. ProRail heeft aan Movares gevraagd om middels een quickscan ecologie de voorgenomen ontwikkeling te toetsen aan de relevante wetgeving en beleid. In onderhavige rapportage worden de resultaten van de quickscan ecologie ten behoeve van de aanleg van de compensatiegebieden besproken.

1.2

Locatie

Het plangebied betreft de vier compensatiegebieden (A t/m D) gelegen in nabijheid van het spoortraject tussen Wehl en Didam (Figuur 1.1). De vier gebieden bestaan uit voornamelijk open velden met verschillende functies (Figuur 1.2 t/m 1.5). Op deze percelen wordt natuur gerealiseerd en er worden houtwallen aangelegd (Figuur 1.6 & 1.7). Daarnaast worden verschillende paden en percelen in de omgeving opgehoogd (Figuur 1.8 t/m 1.9). In het gehele plangebied staat geen bebouwing. De gebieden zijn gelegen in het gebied wat bekend staat als natuurgebied Stille Wald, bestaande uit afwisselend bos- en agrarische percelen. ◼ Gebied A: gebied A is 2,32 ha groot en bestaat uit een maïsveld waarin twee vrijstaande eiken groeien. Het veld grenst aan de noordzijde aan een achtertuin en wordt aan de west- en zuidkant omringd door bosschages. Aan de oostelijke zijde van het perceel staat een bomenrij. Het voornemen is om hier kruiden- & faunarijk grasland en gedeeltelijk dennen-, eiken- & beukenbos te realiseren. Aan de noord- en oostkant wordt een houtwal en houtsingel aangelegd; ◼ Gebied B: gebied B is 2,28 ha groot en bestaat uit grasland. Het gebied wordt begrensd door bosschages aan de noord- en zuidkant, door bomenrijen aan de oostkant en door andere agrarische velden aan de westkant.

Het voornemen is om aan de westkant van het perceel een houtwal en houtsingel aan te leggen; ◼ Gebied C: gebied C is 0,74 ha groot bestaat uit een paardenweide. De weide wordt aan drie zijden omringd door bosschages. De noordwestzijde van dit perceel grenst aan de spoorbaan. Het voornemen is om hier vochtig hooiland te realiseren; ◼ Gebied D: gebied D is 0,66 ha groot en bestaat uit een paardenweide. De weide is omringd door bosschages aan de noordkant en een bomenrij met daarachter de A18 aan de zuidkant. Het voornemen is om hier dennen-, eiken- & beukenbos te realiseren. 1 2

Movares B.V. (2021). Quickscan flora en fauna RegioExpres – Effecten op beschermde gebieden en soorten. Versie 3.0. Movares B.V. (2023). RegioExpres werkterreinen quickscan ecologie. Versie 3.0.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

1/37

Figuur 1.1: Ligging van de verschillende compensatiegebied A t/m D.

Figuur 1.2: Impressie van het compensatiegebied A.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

2/37

. Figuur 1.3: Impressie van het compensatiegebied B.

Figuur 1.4: Impressie van het compensatiegebied C.

Figuur 1.5: Impressie van het compensatiegebied D.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

3/37

1.3

Activiteiten

Op de percelen worden diverse natuurbeheertypes gerealiseerd, zie figuur 1.6 en figuur 1.7: ◼ Gebied A: gedeeltelijk N15.02 dennen-, eiken- & beukenbos en N12.02 kruiden- & faunarijk grasland en L01.02 houtwal en houtsingels aan de noord- en oostzijde; ◼ Gebied B: L01.02 houtwal en houtsingel aan de westzijde; ◼ Gebied C: N10.02 vochtig hooiland; ◼ Gebied D: N15.02 dennen-, eiken- & beukenbos. Om deze natuurtypen te realiseren worden verschillende werkzaamheden uitgevoerd. De werkzaamheden omvatten het afgraven van grond en het inplanten van bomen en struiken. Het gaat in dit geval om maximaal 5.880 kubieke meter grond. De vrijgekomen grond zal worden gebruikt voor het lokaal ophogen van paden en landbouwpercelen en het dempen van een sloot, zie figuren 1.8 en 1.9. De benodigde bomen en struiken, voornamelijk voor het aanleggen van dennen-, eiken- en beukenbos, zullen handmatig worden ingeplant. Er worden voor de ingreep geen bomen gekapt.

Figuur 1.6: Ligging en natuurcompensatiedoelstelling van de gebieden A, B en C (Bron: Bosgroepen Midden Nederland).

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

4/37

Figuur 1.7: Ligging en natuurcompensatiedoelstelling van het gebied D (Bron: Bosgroepen Midden Nederland).

Figuur 1.8: Op te hogen paden, percelen en te dempen sloot rondom compensatiegebieden A en B (Bron: Bosgroep Midden Nederland).

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

5/37

Figuur 1.9: Op te hogen paden en percelen rondom compensatiegebied C (Bron: Bosgroep Midden Nederland).

1.4

Wettelijk kader

Bij een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling is het vanuit natuurwetgeving van belang om na te gaan of de werkzaamheden effect hebben op beschermde natuurwaarden. Het volgende wettelijk kader is gehanteerd: ◼ Wet natuurbescherming (Wnb), onderdelen beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden; ◼ Provinciaal beleid (provinciale Verordening): beschermde gebieden die vallen onder het Gelders Natuurnetwerk (GNN), Ecologische Verbindingszone (EVZ) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) in de provincie Gelderland en beschermde houtopstanden. Zie voor uitleg over het wettelijk kader bijlage 1. De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegde gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag. Dit is uitgewerkt in artikel 1.3 van het Besluit natuurbescherming en betreffen handelingen en projecten voor aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van onder andere hoofdwegen, hoofdvaarwegen, hoofdspoorwegen, primaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen met een spanning van tenminste 220 kV, winning van delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij, activiteiten Koninklijk Huis, etc.

Doordat dit project essentieel is voor de voortgang van het project RegioExpres is voor dit project het ministerie van LNV bevoegd gezag omtrent gebiedsbescherming en RVO omtrent soortbescherming. Daarnaast is de Provincie bevoegd gezag met betrekking tot het provinciale beleid. Dit wettelijk kader is van toepassing bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ter aanvulling is tijdens het oriënterend veldbezoek voor de quickscan ook gelet op aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten (exoten). De provincies, het Rijk en de waterschappen zijn verantwoordelijk voor de aanpak van de invasieve exoten die op de Unielijst zijn geplaatst. Dit is een Europese lijst met een aantal schadelijke

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

6/37

exotische planten en dieren. Voor deze soorten geldt de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen of zodanig te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen.

1.5

Doel

Het doel van de quickscan is toetsing van de voorgenomen ingrepen aan het wettelijk kader ten aanzien van natuur zoals hierboven aangegeven. Voorliggende rapportage betreft een quickscan ecologie waarmee middels een bureaustudie en biotoopverkenning een goede eerste indruk over de natuurwaarden in het plangebied wordt verkregen. Er wordt duidelijkheid gegeven over eventuele vervolgstappen: is er aanvullend veldonderzoek nodig, is het nodig om een ontheffing aan te vragen? Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen). Voorliggende rapportage beschrijft de bevindingen van het onderzoek naar de toekomstige compensatiegebieden.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

7/37

2

Methode

Hieronder wordt de gehanteerde methode voor het onderzoek naar beschermde gebieden, beschermde soorten en beschermde houtopstanden (Wnb) besproken.

2.1

Beschermde gebieden

Er is gekeken naar mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Beschermde gebieden die zijn meegenomen in deze quickscan omvatten: Natura 2000-gebieden, het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) inclusief de Ecologische Verbindingszones (EVZ) in de provincie Gelderland. Hierbij zijn brongegevens van de provincie Gelderland gebruikt. Voor de effectbepaling is gekeken naar ruimtebeslag op beschermde gebieden en, indien relevant, naar mogelijke indirecte effecten. Indirecte effecten zijn bijvoorbeeld verstoring door geluid, licht, trillingen en optische verstoring. Voor Natura 2000-gebied is ook aangegeven of er vervolgstappen nodig zijn vanwege stikstofdepositie. Voor alle natuurgebieden is onderzocht of ze ook externe werking kennen. Dat wil zeggen dat de bescherming van het gebied ook bij activiteiten rondom het natuurgebied geldt. Dit is aan de orde voor de Natura 2000-gebieden. De provincie Gelderland past met betrekking tot het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking toe. Op basis van de effectbepaling is aangegeven welke vervolgstappen nodig zijn. Hierbij kan gedacht worden aan nader onderzoek, het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming of het doorlopen van de ‘nee, tenzij-procedure’ voor GNN-gebied.

2.2

Beschermde soorten

2.2.1 Bureaustudie Er is een inventarisatie gedaan naar bestaande verspreidingsgegevens van beschermde soorten flora en fauna, zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Voor de bureaustudie zijn de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Hierbij zijn gegevens van de afgelopen 5 jaar in (de omgeving van) het plangebied geraadpleegd. Als zoekgebied is een afstand van tenminste 2 kilometer tot het plangebied gehanteerd. Ten aanzien van vogels zijn in de bureaustudie alleen soorten met een jaarrond beschermd nest meegenomen. De overige vogelsoorten (categorie 5 en algemene broedvogels) zijn tijdens het veldbezoek en beoordeling wel meegenomen en worden beschreven indien het project een (mogelijk) effect heeft op deze soort. Voor algemene broedvogels geldt de algemene verbodsbepaling dat nesten niet mogen worden verstoord of vernietigd als het nest in gebruik is. 2.2.2 Oriënterend veldbezoek Het oriënterend veldbezoek van een quickscan ecologie kan het hele jaar door worden uitgevoerd omdat het in eerste instantie gaat om een verkenning van geschikte biotopen voor beschermde soorten in het plangebied. Een veldecoloog van Movares heeft op 28 juni 2023 gebieden A, B en D en op 6 juli 2023 het gebied C bezocht.

Tijdens het veldbezoek is middels visuele inspectie gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en (sporen van) beschermde dieren in (de omgeving van) het plangebied. Tijdens de inspectie is ook een biotoopbeoordeling uitgevoerd. Daarbij is gekeken naar de aanwezigheid van geschikte biotopen en essentiële landschappelijke functies voor beschermde soorten. Daarnaast wordt ook gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van invasie uitheemse soorten (exoten).

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

8/37

2.2.3 Informatie inwinnen bij gebiedsdeskundige Na het uitvoeren van de bureaustudie en het oriënterend veldbezoek is contact gezocht met de beheerder van het gebied (P. Westerhof, de Bosgroepen). Verschillende soortgroepen zijn met hem besproken om effecten van de werkzaamheden in kaart te brengen. Daarnaast is zijn kennis over de verspreiding van beschermde soorten, nesten en holen in de omgeving meegenomen in de effectanalyse. 2.2.4 Effectbepaling beschermde soorten Op basis van de gegevens uit de bureaustudie, het oriënterende veldbezoek en het overleg met de gebiedsbeheerder heeft een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen ingreep op de beschermde natuurwaarden in (de omgeving van) het plangebied. 2.2.5 Vervolgstappen Op basis van de effectbepaling zijn de vervolgstappen vastgesteld. Hierbij is per soortgroep aangegeven of nader onderzoek nodig is. Indien een soort aanwezig is binnen het plangebied en er sprake is van een overtreding van één of meerdere verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Indien mogelijk wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen).

2.3

Beschermde houtopstanden (Wet natuurbescherming)

Er is gekeken naar mogelijke raakvlakken van de voorgenomen werkzaamheden met houtopstanden. Hierbij is in eerste instantie getoetst of omwille van de ruimtelijke ontwikkeling houtopstanden gerooid of geveld dienen te worden. Indien er sprake is van verwijderen van houtopstanden, is bepaald met digitaal beschikbare bronnen of de betreffende houtopstanden vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden. Er is aangegeven of en welke vervolgstappen er nodig zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden in relatie tot dit beschermingsregime. Voor dit project staat twee bomen binnen het plangebied, deze bomen blijven behouden. Er zijn daarom geen verdere acties in het kader van beschermde houtopstanden noodzakelijk.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

9/37

3

Resultaten

3.1

Beschermde gebieden

In Figuur 3.1 is de ligging van beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Figuur 3.1: Ligging van beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied.

3.1.1 Natura 2000-gebieden De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn het Natura 2000-gebied Rijntakken op een afstand van 7 kilometer meter ten zuid- en noordwesten van het plangebied en het Natura-2000 gebied Veluwe op ongeveer 11 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Beide Natura 2000-gebieden zijn aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Ook zijn bij beide Natura 2000gebieden stikstofgevoelige habitattypes aanwezig. 3.1.1.1 Ruimtebeslag De werkzaamheden leiden niet tot ruimtebeslag op het Natura 2000-netwerk. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Natura 2000-gebied Rijntakken en Natura-2000 gebied Veluwe. Beiden liggen op een afstand van tenminste 7 en 11 kilometer. Directe effecten als gevolg van oppervlakteverlies zijn daarmee uitgesloten. 3.1.1.2 Verstoring Het Natura 2000-gebied Rijntakken en het Natura-2000 gebied Veluwe zijn aangewezen voor de bescherming van habitattypen, habitatsoorten en vogelrichtlijnsoorten. Tussen de Natura 2000gebieden en de werkzaamheden is ten minste 7 kilometer afstand gelegen, waarbij een bosgebied, buitengebied en stedelijke omgeving tussen de werkzaamheden en de Natura 2000-gebieden zijn gelegen. Gezien de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de Natura 2000-gebieden, en de

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

10/37

aanwezigheid van tussenliggende gebouwen en objecten worden indirecte effecten als gevolg van verstoring door geluid, trillingen, licht en optische verstoring uitgesloten. 3.1.1.3

Stikstofdepositie

Realisatiefase De Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe zijn overbelast met stikstof. Per 2 november 2022 is middels uitspraak van de Raad van State de partiële bouwvrijstelling, die sinds 1 juli 2021 bestond, komen te vervallen. Met het vervallen van de bouwvrijstelling dienen de effecten van stikstof tijdens de realisatiefase van projecten weer inzichtelijk gemaakt te worden. Ook voor voorliggend project is dit het geval. Hiertoe dient een projectspecifieke AERIUS-berekening uitgevoerd te worden waarin alle stikstof emissiebronnen opgenomen worden en berekend wordt of deze emissiebronnen leiden tot stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De effecten van stikstof voor de realisatiefase worden integraal, voor het hele project, berekend en beoordeeld in een passende beoordeling. Gebruiksfase De inrichting van de compensatiepercelen zal in de gebruiksfase niet leiden tot een toename in stikstofemissie. De werkzaamheden betreffen het realiseren van verschillende natuurtypen op voormalig agrarisch terrein. Er hoeft derhalve voor de gebruiksfase geen AERIUS-berekening naar de emissie en depositie van stikstof uitgevoerd te worden. 3.1.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN) De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk (GNN) genoemd. De Provincie kent geen externe werking voor het GNN.

De in te richten percelen liggen buiten het GNN dus er treden geen gevolgen op. Aangezien het gaat om realisatie van nieuwe natuur en de ingreep in lijn is met de ontwikkelingsdoelen voor het gebied de Liemers oost zoals beschreven in de beschrijving kernkwaliteiten GNN en GO 3, komen de kernkwaliteiten en oppervlakte van het GNN niet in het geding. De ingreep is hierdoor niet in strijd met de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 2.39) 4. In het nog vast te stellen PIP voor de RegioExpres worden de in te richten gronden bestemd als 'natuur'

3 4

Provincie Gelderland. Beschrijving kernkwaliteiten GNN en GO Provincie Gelderland (2023). Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023)

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

11/37

Figuur 3.2: Locatie van de verschillende compensatiegebieden ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk, de Groene Ontwikkelingszone en de Ecologische Verbindingszone.

3.1.3 Groene Ontwikkelingszone (GO) De Groene Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met Natura 2000-gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en waar bij ontwikkelingen rekening gehouden wordt met de ecologische waarde die de locatie heeft. De GO dient als versterking van Natura 2000-gebieden en het GNN om deze natuurgebieden te beschermen en de samenhang te verbeteren. De Ecologische Verbindingszone (EVZ) is ook onderdeel van het GO. Voor ontwikkelingen in de GO geldt artikel 2.52 van de provinciale omgevingsverordening. Alle vier de deelgebieden zijn onderdeel van de Groene Ontwikkelingszone. Aangezien de realisatie van natuur bijdraagt aan de kenkwaliteiten (ecologische samenhang; stilte; donkerte; openheid; en rust) zoals beschreven in de bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone 5 is de ingreep niet in strijd met de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 2.52) 6. Daarnaast is het, gezien de functie van de GO voor het GNN, gewenst dat compensatie van het GNN en versterking van de GO bij voorkeur plaatsvindt binnen de GO (voor de GO, zie ook 'Regels versterking groene ontwikkelingszone'7). In het nog vast te stellen PIP voor de RegioExpres worden de gronden bestemd als 'natuur'.

5

Provincie Gelderland. Bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Provincie Gelderland (2023). Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023) 7 Provincie Gelderland (2023). Regels versterking Groene ontwikkelingszone 6

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

12/37

3.2

Beschermde soorten

In deze paragraaf wordt per soortgroep aangegeven welke beschermde soorten er op basis van de bureaustudie en het oriënterend veldbezoek in (de omgeving van) het plangebied worden verwacht. Vervolgens wordt per soortgroep ingegaan op mogelijke effecten die door de werkzaamheden op kunnen treden. Tot slot wordt per soortgroep aangegeven welke vervolgstappen er nodig zijn (zoals maatregelen, nader onderzoek of aanvraag ontheffing). 3.2.1 Vaatplanten 3.2.1.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde vaatplanten weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.1: Beschermde vaatplanten die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, geraadpleegd juli 2023.

Soort Grote Leeuwenklauw

Categorie Wnb N

Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.

Daarnaast is gekeken naar de verspreidingsatlas van verschillende beschermde (akker)soorten. Het plangebied overlapt met het verspreidingsgebied van de Kartuizer anjer, wilde ridderspoor, glad biggenkruid en korensla. Deze soorten hebben een voorkeur voor kalkrijke gronden met matige voedselrijkdom. 3.2.1.2 Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten planten aangetroffen. In het plangebied zijn wel algemene soorten zoals wilde cichorei, haagwinde, boerenwormkruid en melganzenvoet waargenomen. De vegetatie rondom de compensatiegebieden bestaan uit laagblijvende kruiden, bosschages en bomenrijen met onder andere zomereik, populier, berk, els en braamstruweel. Het veldbezoek in de zomerperiode uitgevoerd, een periode die voor veruit de meeste planten, inclusief de beschermde soorten die uit de bureaustudie naar voren kwamen, optimaal is voor soortenherkenning. 3.2.1.3 Effectbespreking en vervolgstappen De veldbezoeken zijn uitgevoerd in de optimale periode voor soortherkenning, maar er zijn geen beschermde soorten waargenomen. Verder wordt verondersteld dat de agrarische geschiedenis van de compensatiegebieden heeft gezorgd voor een hoog nutriëntengehalte in de bodem, wat de beschermde soorten niet ten goede komt.

Op basis van het veldbezoek en de habitatvereisten kan er worden gesteld dat er geen beschermde soorten vaatplanten aanwezig zijn in het plangebied. Het overtreden van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan voor deze soortgroep worden uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen benodigd. 3.2.2 Vogels 3.2.2.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

13/37

Tabel 3.2: Vogels met een jaarrond beschermd nest die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Alle onderstaande vogels vallen onder de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wnb). Bron: NDFF, geraadpleegd juli 2023.

Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Sperwer Steenuil Wespendief 3.2.2.2 Resultaten veldbezoek Algemene broedvogels Er is binnen het plangebied geschikt broedbiotoop aangetroffen voor algemene broedvogels. Het gaat om de twee eikenbomen in compensatiegebied A en de bosschages rondom het plangebied. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek diverse algemene vogelsoorten waargenomen, zoals houtduif, pimpelmees, merel, spreeuw, ekster en zwarte kraai. Aan twee bomen ten zuiden van gebied A zijn nestkastjes voor holtebroedende vogels zoals koolmees bevestigd (Figuur 3.3). Koolmees, ekster en zwarte kraai zijn vogelsoorten met categorie 5 beschermde nesten. Eventueel aanwezige nesten van deze soorten vereisen echter geen jaarronde bescherming omdat zij voldoende alternatieven in de directe omgeving kunnen vinden waar zij hun nest kunnen bouwen.

Figuur 3.3: Ligging nestkasten aan boom.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

14/37

Vogels met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die ieder jaar gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Tijdens het veldbezoek zijn twee huismussen waargenomen in en rondom het compensatiegebied A. De huismussen waren ten tijde van het veldbezoek aan het foerageren in het maisveld gelegen in deelgebied A en rondom de braamstruiken aan de overzijde van het pad tegenover deelgebied A. Op 85 meter ten noorden van dit deelgebied ligt een geschikte broedlocatie in de vorm van een woning van twee verdiepingen en een dak met dakpannen. Daarnaast is een overvliegende buizerd waargenomen in deelgebied B. Binnen en rondom het plangebied zijn geen horsten in bomen aangetroffen die een nestplaats kunnen bieden voor boombewonende soorten. Verder is er geen bebouwing in of rondom het plangebied aanwezig waardoor nestplaatsen voor gebouwbewonende soorten kunnen worden uitgesloten.

Om mogelijke verstoring van nesten buiten de fysieke grenzen van het plangebied uit te sluiten is contact opgenomen met de gebiedsbeheerder. Hieruit bleek dat een horst op 50 meter van het plangebied ligt. Verder betreffen deelgebied C en D begraasde weiden met lage hekjes eromheen die in potentie geschikt zijn als foerageergebied voor de steenuil. Op circa 300 meter ten westen van deelgebied D is geschikte bebouwing gelegen waar een broedlocatie van steenuil aanwezig zou kunnen zijn, zie Figuur 3.4. 3.2.2.3 Effectbespreking en vervolgstappen Algemene broedvogels Er is binnen het plangebied broedbiotoop aanwezig voor algemene soorten broedvogels. Het vernietigen van bewoonde nesten is verboden conform Wnb artikel 3.1. Dit geldt ook voor het zodanig verstoren van bewoonde nesten dat vogels hun nest verlaten. Om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen, worden in de vigerende plannen alle werkzaamheden buiten het broedseizoen, in de periode september tot en met januari, uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Bij de start van de werkzaamheden in september moet door een ter zake kundige worden gecontroleerd of er geen vogels in en rond het werkgebied broeden.

Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. Vogels met jaarrond beschermde nesten In het plangebied worden geen nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten verwacht. Om mogelijke verstoring van nesten rondom het gebied uit te sluiten is contact opgenomen met de gebiedsbeheerder. Bekende horsten liggen op ten minste 50 meter afstand van het plangebied. Vernietiging van nesten is hiermee uitgesloten. Wel is er een risico op verstoring van vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals de buizerd, doordat er horsten op 50-75 meter van het plangebied liggen. Het verstoren van deze nesten is in strijd met artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Echter, het gaat enkel om tijdelijke werkzaamheden die buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. Het inplanten van bomen en struiken zal overdag en handmatig gebeuren waardoor effecten van geluid, trillingen en licht minimaal zullen zijn. Verder worden tijdens de geplande werkzaamheden alleen de habitat beïnvloedt en niet het nest. Hierdoor kan op voorhand significante verstoring, en daarmee het overtreden van artikel 3.1, worden uitgesloten. Verder wordt het struweel rondom het plangebied niet aangetast en in de omgeving zijn voldoende alternatieven aanwezig om te foerageren bij verstoring, hierdoor worden functies van struiken voor huismus niet aangetast worden.

Mogelijke broedlocaties van de huismus liggen op voldoende afstand tot de werkzaamheden (>85 meter) om verstoring uit te kunnen sluiten.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

15/37

Voor de steenuil verdwijnt potentieel foerageergebied doordat deelgebied D wordt omgevormd tot bos. Deelgebied C zal geschikt blijven als foerageergebied onder de nieuwe functie als vochtig hooiland. Daarnaast zijn er genoeg alternatieve begraasde gebieden in de directe omgeving van (potentiële) nesten aanwezig die dezelfde functie vervullen, zie Figuur 3.4. De locatie ten noorden van de A18 betreft een boerderij die een potentiële nestplaats biedt en tijdens het veldbezoek is waargenomen. De locatie ten zuiden van de A18 betreft waarnemingen van een bezet nest van de steenuil in 2020 (NDFF). Doordat er genoeg alternatieven aanwezig zijn betreft compensatiegebied D geen essentieel foerageergebied. Er zijn voor deze soortgroep geen vervolgstappen benodigd.

Figuur 3.4: Compensatiegebied D, (potentiële) nesten van steenuil en overige begraasde weiden in de directe omgeving.

3.2.3 Grondgebonden zoogdieren 3.2.3.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde grondgebonden zoogdieren weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

16/37

Tabel 3.3: Beschermde grondgebonden zoogdieren die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, geraadpleegd juli 2023.

Soort Boommarter Bosmuis Bunzing Das Dwergmuis Eekhoorn Egel Haas Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Veldmuis Vos Wezel

Categorie Wnb N AV AV N AV N AV AV AV AV AV AV N AV AV AV

Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.

Daarnaast is gekeken naar de verspreidingsatlas van verschillende beschermde soorten zoals de bever en de das. Het plangebied overlapt met het verspreidingsgebied van beide soorten. Daarnaast zijn er tussen Didam en Wehl ter hoogte van het GNN en GO tijdens een eerder onderzoek 8 langs het spoor graafsporen, meerdere wissels en dassenhaar aan het hekwerk vastgesteld. 3.2.3.2 Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is op het grasveld van compensatiegebied D is een molshoop waargenomen. Daarnaast is in de zuidwestelijke hoek van gebied D een wissel aangetroffen die door diverse zoogdieren gebruikt kan worden. Dit betreft zowel vrijgestelde soorten zoals konijn en egel als nietvrijgestelde zoals boommarter en das. De wissel loopt via de greppel ten zuiden van perceel D (parallel aan de bomenrij) van oost naar west, zie Figuur 3.5 voor een indicatie van de wissel. Ook zijn loopsporen van de greppel naar het veld zichtbaar. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van de bever zoals afgeknaagde bomen of burchten waargenomen. Vaste rust- of voortplantingsplaatsen van bevers zijn daarmee niet te verwachten binnen het plangebied. Er zijn geen dassenburchten of vluchtpijpen waargenomen binnen of rondom de begrenzing van de compensatiegebieden, maar het plangebied vormt wel geschikt foerageergebied voor de das.

Daarnaast vormt het gebied dat bij bossen en tuinen gelegen is potentieel leefgebied voor de eekhoorn. Er zijn echter geen eekhoornnesten aangetroffen binnen of rondom het plangebied. Rondom het plangebied liggen meerdere bosschages met dicht (braam-)struweel waar zich mogelijk verblijf- en rustplaatsen van de boommarter, steenmarter of kleine marterachtigen kunnen bevinden. De boom- en steenmarter verblijven naast boomholtes ook in holtes bij de wortels van bomen en struiken in de grond. Daarnaast kunnen ook algemene soorten zoals de bosmuis, egel en konijn zich in deze groenstructuren bevinden. Gebouwen waar de steenmarter zijn verblijfplaats kan hebben bevinden zich buiten het plangebied op minimaal 80 meter afstand.

8

Movares B.V. (2023). RegioExpres werkterreinen quickscan ecologie. Versie 3.0.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

17/37

Figuur 3.5: Ligging wissel door deelgebied D, parallel aan de aanwezige bomenrij.

3.2.3.3 Effectbespreking en vervolgstappen Het plangebied is geschikt voor algemene soorten grondgebonden zoogdieren, zoals de bosmuis, mol en konijn. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door het ministerie van LNV bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd of wordt gegraven langzaam op te starten van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen. Het plangebied is geschikt als foerageergebied van de das. De das heeft primair foerageergebied nodig bestaande uit weilanden waar hij naar regenwormen en emelten zoekt en secundair foerageergebied bestaande uit bos waar hij onder andere eikels en bessen vindt om te eten. Echter maakt het plangebied maar een beperkt onderdeel uit van het totale (potentieel aan) foerageergebied voor deze soort, waardoor van aantasting van essentieel foerageergebied geen sprake is. Aangrenzend aan de compensatiegebieden zijn in overmaat weilanden en bos aanwezig. Door de werkzaamheden zijn de gebieden tijdelijk niet toegankelijk maar na de werkzaamheden is het gebied weer geschikt als foerageergebied.

Daarnaast is door middel van overleg met de gebiedsbeheerder vastgesteld dat burchten van de das niet in de buurt van het plangebied liggen. Effect op deze soort is daarom uitgesloten. Delen van het plangebied zijn geschikt voor de eekhoorn. Er worden echter geen bomen gekapt en er zijn geen verblijfplaatsen waargenomen in of rondom het plangebied waardoor een effect op vaste rust- en verblijfplaatsen van de eekhoorn kan worden uitgesloten. De wissel grenzend aan deelgebied D wordt mogelijk gebruikt als looproute voor diverse nietvrijgestelde soorten zoals boommarter, steenmarter en das. Er zijn geen alternatieven in de directe omgeving aanwezig om de verbindende functie van de wissel over te nemen. Om op voorhand aantasting van de functionaliteit van de wissel te voorkomen, en daarmee potentieel overtreding van artikel 3.10 van de Wnb het voorkomen, dienen de werkzaamheden tussen zonsopkomst en

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

18/37

zonsondergang uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is het van belang dat de greppel en wissel tijdens de werkzaamheden onverlicht blijft. Dit kan door de verlichting weg te richten en af te schermen. Op deze manier kan overtreding van artikel 3.10 van de Wnb worden uitgesloten. In het plangebied worden geen verblijfplaatsen van beschermde soorten grondgebonden zoogdieren verwacht. Daarnaast vormt het plangebied geen essentieel foerageergebied voor deze soorten. Er zijn geen vervolgstappen benodigd. 3.2.4 Vleermuizen 3.2.4.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de soorten vleermuizen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.3: Beschermde vleermuizen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, geraadpleegd juli 2023.

Soort Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger

Categorie Wnb H H H

Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen

Daarnaast is gekeken naar het verspreidingsgebied van andere soorten vleermuizen. Het verspreidingsgebied van de watervleermuis, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en franjestaart overlapt met het plangebied. 3.2.4.2 Resultaten veldbezoek Het oriënterende veldbezoek heeft overdag plaatsgevonden waardoor geen actieve vleermuizen konden worden waargenomen. Wel is biotoopinformatie verzameld om de aan- of afwezigheid van mogelijke foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen te bepalen. Vleermuizen foerageergebied Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied bestaat namelijk uit een open omgeving die veelal wordt omringd door opgaande groenstructuren in de vorm van bomen, bomenrijen en bosschages. De bomen en bomenrijen rondom het plangebied vormen potentieel foerageergebied voor vleermuizen. Dit gebied zal echter niet verdwijnen. Daarnaast blijft voldoende foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied bewaard. Denk hierbij aan groen in de vorm van bomen, water en velden in de omgeving. Het gaat in dit geval daarom niet om essentieel foerageergebied. Vleermuizen vliegroutes De bomenrijen nabij compensatiegebieden A, B en D vormen lijnvormige elementen in het landschap welke door vleermuizen gebruikt kunnen worden als vliegroute (Figuur 3.6).

Omdat vleermuisverblijfplaatsen in de omringende bosschages niet kunnen worden uitgesloten en geschikte alternatieven verbindingen in de directe omgeving ontbreken, wordt het aannemelijk geacht dat deze verbindende elementen essentiële vliegroutes betreffen. De bosschages langs compensatiegebied C kunnen eveneens als vliegroute functioneren, maar in dit gebied zijn voldoende alternatieven in de omgeving beschikbaar.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

19/37

Figuur 3.6: Ligging potentieel essentiële vliegroutes vleermuizen.

Vleermuizen verblijfplaatsen In het plangebied is geen bebouwing aanwezig die als verblijfplaats door gebouwbewonende vleermuizen gebruikt kan worden. Bebouwing buiten het plangebied ligt op minimaal 80 meter afstand. De bomen binnen het plangebied zijn tijdens het veldbezoek visueel geïnspecteerd op holten en loshangende stukken boomschors die geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn geen boomholten of loshangende stukken schors aangetroffen die geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Doordat de bomen tijdens het veldbezoek in blad stonden kunnen mogelijke verblijfplaatsen echter niet worden uitgesloten. Daarnaast bieden de omliggende bosschages mogelijk ook verblijfplaatsen voor vleermuizen. 3.2.4.3 Effectbespreking en vervolgstappen Vleermuizen foerageergebied In het plangebied zijn opgaande groenstructuren en lijnvormige objecten aanwezig die door vleermuizen als foerageergebied kunnen worden gebruikt. Er zijn echter genoeg alternatieven in de directe omgeving gelegen waardoor dit geen essentieel foerageergebied betreft. Er is hierdoor geen sprake van overtreding van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming.

Door de voorgenomen werkzaamheden kan wel verstoring optreden door lichtval op niet-essentiële foerageergebieden Doordat er geen sprake is van aantasting van essentieel foerageergebied, is er geen overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Vanuit de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb) wordt geadviseerd om desondanks bij de werkzaamheden rekening te houden met vleermuizen. Dit kan door lichtverstoring zoveel mogelijk te beperken. Dit kan door te werken tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien dit niet mogelijk is wordt geadviseerd om gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij de omliggende groenstructuren, water en bebouwing onverlicht blijven.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

20/37

Vleermuizen vliegroutes In het plangebied zijn lijnvormige structuren aanwezig in de vorm van bomenrijen en bosschages. Omdat vleermuisverblijfplaatsen in deze bosschages niet kunnen worden uitgesloten en in een deel van het plangebied geen alternatieve vliegroutes aanwezig zijn, gaat het in dit geval mogelijk om essentiële vliegroutes. Dit is het geval voor de bomenrijen en bosschages rondom compensatiegebieden A, B en D zoals weergegeven in Figuur 3.6. Het aantasten van deze vliegroutes kan indirect effect hebben op het functioneren van de verblijfplaatsen van vleermuizen. Dit is in strijd met artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Effecten als gevolg van de werkzaamheden moeten op voorhand voorkomen worden door maatregelen te treffen. Tussen zonsondergang en zonsopkomst dient een vrije vliegroute gewaarborgd te worden. Dit kan door altijd één zijde van de bomenrij vrij te houden. Daarbij mag de zijde die vrijgehouden wordt niet belicht zijn. De verlichting dient weggericht te zijn van de vrije zijde en met een lage armatuur, kleine straal en bij voorkeur met amberkleurig licht. Maatregelen zijn enkel nodig tijdens de actieve periode van vleermuizen. Globaal gezien zijn vleermuizen actief tussen maart en half oktober, echter is dit weersafhankelijk en dient de aanvang/einde van de winterrust bevestigd te worden door een deskundige.

Door het nemen van bovenstaande maatregelen wordt overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming voorkomen en is er geen ontheffing nodig. Wanneer het niet mogelijk is om bovenstaande maatregelen te nemen, kan worden gekozen om nader onderzoek naar het daadwerkelijk gebruik uit te voeren. Bij aantreffen van vleermuizen zijn bovengenoemde maatregelen nodig om effecten uit te sluiten. Vleermuizen verblijfplaatsen In het plangebied staan geen gebouwen met geschikte invliegopeningen voor vleermuizen. Effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen binnen het plangebied kunnen worden uitgesloten. Geschikte invliegopeningen voor vleermuizen kunnen niet worden uitgesloten in de twee eikenbomen in compensatiegebied A en in bomenrijen en bosschages die grenzen aan het plangebied. Door de voorgenomen werkzaamheden kan de functionaliteit van mogelijke verblijfplaatsen in de eikenbomen of aangrenzende bosschages worden aangetast door verstoring door licht. Dit is in strijd met artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Deze effecten moeten worden voorkomen door te werken tussen zonsopgang en zonsondergang. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient de verlichting weggericht te zijn van de omliggende bosschages en met een lage armatuur, kleine straal en bij voorkeur met amberkleurig licht. Maatregelen zijn enkel nodig tijdens de actieve periode van vleermuizen.

Globaal gezien zijn vleermuizen actief tussen maart en half oktober, echter is dit weersafhankelijk en dient de aanvang/einde van de winterrust bevestigd te worden door een deskundige. Door het nemen van bovenstaande maatregelen wordt overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming voorkomen en is er geen ontheffing nodig. Wanneer het niet mogelijk is om bovenstaande maatregelen te nemen, kan worden gekozen om nader onderzoek naar het daadwerkelijk gebruik van mogelijke verblijfplaatsen. Bij aantreffen van vleermuisverblijfplaatsen zijn bovengenoemde maatregelen nodig om effecten uit te sluiten.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

21/37

3.2.5 Reptielen 3.2.5.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten reptielen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.4: Beschermde reptielen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, geraadpleegd juli 2023.

Soort Hazelworm Levendbarende hagedis Zandhagedis

Categorie Wnb H N N

Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.

Op basis van biotoop is in een reeds uitgevoerde quickscan9 het gebied tussen Didam en Wehl (km 40.3 en 41.65 (geocode 212) aangewezen als geschikt habitat voor de hazelworm, Figuur 3.7. Hazelwormen leven in enigszins vochtige gebieden met dichte vegetatie (vaak bos en heide). Hazelwormen leven verborgen onder planten, strooisel, dood hout of ondergronds. Compensatiegebied C overlapt met het potentiële leefgebied van de hazelworm (km 40) zoals weergeven in Figuur 3.7.

Figuur 3.7. Ligging van geschikt leefgebied hazelworm tussen km 40.3 en 41.65 (geocode 212).

3.2.5.2 Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen waargenomen. Op basis van biotoop worden er geen beschermde reptielen binnen de compensatiepercelen verwacht. De compensatiepercelen vormen door de begroeiing met mais en kort gras geen geschikt gebied voor reptielen. Reptielen hebben een 9 Movares B.V. (2023). RegioExpres werkterreinen quickscan ecologie. Versie 3.0.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

22/37

structuurrijkere omgeving nodig met voldoende dekking en opwarmlocaties. Door het ontbreken van geschikte opwarmlocaties wordt de levendbarende hagedis niet buiten de spoorwegbermen verwacht. De compensatiegebieden hebben ook geen ruimtebeslag op potentieel leefgebied van de hazelworm doordat het gaat om open gebied zonder dichte vegetatie of strooisel laag. De houtwallen die worden aangelegd alsmede sommige locaties waar grond wordt verwerkt, zoals bospaden en bosranden, overlappen wel met geschikt leefgebied voor de hazelworm. 3.2.5.3 Effectbespreking en vervolgstappen Op basis van de aanwezige biotoop is het plangebied niet geschikt als voorplantingsgebied en foerageergebied voor zandhagedis en levendbarende hagedis. Er is geen mozaïek van vegetatiestructuren aanwezig waardoor het plangebied als functionele leefomgeving ongeschikt wordt geacht. Daarnaast zijn dichte vegetatie en strooisellagen niet aanwezig in de compensatiegebieden waardoor dit gebied ongeschikt wordt geacht voor de hazelworm. De hazelworm kan wel voorkomen in de bos- en erfranden van de compensatiepercelen waar houtwallen worden aangeplant. Daarnaast wordt er grond verwerkt rondom bosranden en paden die door bebost gebied lopen, dit betreft ook geschikt habitat voor de hazelworm. De gebiedsbeheerder heeft aangegeven dat de hazelworm veelal in het gebied voorkomt.

De hazelworm kan zelf goed graven, maar maakt ook gebruik van bestaande muizenholen als verblijfplaats. Verblijfplaatsen van de hazelworm zijn niet uit te sluiten in het gebied waar werkzaamheden plaatsvinden. Hierdoor kunnen mogelijke rust- of voortplantingsplaatsen van de hazelworm in het gebied worden beschadigd en/of vernietigd. Dit is in strijd met artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Voor het vernietigen van mogelijke rust- of voortplantingsplaatsen van deze soort dient een ontheffing te worden aangevraagd. Omdat het een groot natuurgebied betreft en slechts een klein gedeelte tijdelijk ongeschikt wordt gemaakt door de geplande werkzaamheden gaat het niet om verlies van essentieel leefgebied. De hazelworm heeft genoeg ruimte om uit te wijken naar naastgelegen bosschages. Daarnaast zal, na een gewenningsperiode, de nieuwe situatie opnieuw geschikt leefgebied bieden voor de hazelworm. Er is daarom geen compensatie van leefgebied benodigd. Omdat het voorkomen van de hazelworm in bosranden, bospaden, houtwallen en houtsingels waar werkzaamheden plaatsvinden niet kan worden uitgesloten dienen maatregels te worden getroffen om opzettelijk doden en verwonden van deze soort te voorkomen.

Dit kan door de strooisel laag in het gebied waar grondroerende werkzaamheden plaatsvinden ruim van te voren (minimaal 2 dagen voor aanvang werkzaamheden) te verwijderen zodat het gebied ongeschikt wordt voor de hazelworm. Daarnaast kunnen net buiten de grens van de werkzaamheden tijdelijk tapijttegels worden neergelegd om vervangende schuilplaatsen voor de hazelworm te bieden. Verder dienen grondroerende werkzaamheden plaats te vinden in de actieve periode van de hazelworm zodat deze in staat is zich te verplaatsen. Hierbij is het van belang om de werkzaamheden langzaam op te starten en vanaf één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen om te vluchten. De actieve periode van de hazelworm loopt van mei tot en met september. 3.2.6 Amfibieën 3.2.6.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten amfibieën weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.5: Beschermde amfibieën die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF,gereaadpleegd juli 2023.

Soort Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kamsalamander Kleine watersalamander

Categorie Wnb AV AV AV H AV

Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

23/37

Daarnaast is gekeken naar de verspreidingsatlas van verschillende beschermde amfibieën. Het verspreidingsgebied van de rugstreeppad overlapt met het plangebied. 3.2.6.2 Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn er geen amfibieën waargenomen. Wel is een paddenpoel net buiten het plangebied aangetroffen (Figuur 3.8). In de directe omgeving zijn ook houtstapels en struweel waargenomen die mogelijk functioneren als overwinterlocatie voor amfibieën (Figuur 3.9). Er zijn geen verhogingen in het landschap waargenomen die geschikt kunnen zijn als overwinteringslocatie voor strikt beschermde amfibieën. Zowel de houtstapels als de poel worden echter niet aangetast tijdens de geplande werkzaamheden. De te dempen sloot betreft een drooggevallen greppel met steile oevers die ongeschikt wordt geacht voor beschermde amfibieën. Op basis van biotoop kan het voorkomen van de kamsalamander in het plangebied uitgesloten worden. De voorplantingswateren van deze soort omvatten stilstaande, voedselarme wateren met dicht begroeide oevers welke niet aanwezig zijn in het plangebied of de directe omgeving. Er zijn geen (potentiële) tijdelijke voortplantingswateren waargenomen die mogelijk in gebruik kunnen zijn door rugstreeppad. Algemene amfibieën zoals de bruine kikker en de gewone pad zijn wel in het plangebied te verwachten.

Figuur 3.8a en 3.8b. Paddenpoel (links) en bijbehorend informatiebord nabij het plangebied (rechts).

Figuur 3.9a en 3.9b. Takkenstapels nabij het plangebied die geschikt zijn als overwinteringsplaats voor beschermde amfibieën.

3.2.6.3 Effectbespreking en vervolgstappen Het plangebied is geschikt voor algemene soorten amfibieën, zoals de gewone pad. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door het ministerie van LNV bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij water wordt gedempt of vegetatie wordt verwijderd langzaam op te starten en van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

24/37

In het plangebied worden geen niet vrijgestelde soorten amfibieën verwacht. De gebiedsbeheerder heeft aangegeven dat dat poelen waarin kamsalamander zich bevindt buiten het plangebied liggen. Behalve de houtstapels, die buiten de grenzen van het plangebied liggen, zijn geen geschikte overwinteringslocaties waargenomen. Het wordt verwacht dat mogelijk aanwezige amfibieën een voorkeur hebben voor deze houtstapels als overwinteringslocatie. Hierdoor worden geen overwinterende amfibieën binnen het plangebied verwacht. Effecten op deze soorten kunnen worden uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen benodigd. 3.2.7 Vissen 3.2.7.1 Resultaten bureaustudie Er zijn geen waarnemingen van beschermde soorten vissen bekend in de omgeving van het plangebied. Wel overlapt het plangebied met het verspreidingsgebied van de grote modderkruiper. 3.2.7.2 Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn er geen (ondiepe) wateren met een dikke modderlaag en veel waterplanten waargenomen in of nabij het plangebied waarin de grote modderkruiper zich kan bevinden. Mogelijk komen wel algemene vissoorten in nabijgelegen watergangen voor. 3.2.7.3 Effectbespreking en vervolgstappen In of nabij het plangebied zijn geen wateren aanwezig waarin zich beschermde soorten vissen kunnen bevinden. Het overtreden van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan voor deze soortgroep worden uitgesloten.

Er zijn geen vervolgstappen benodigd. Om effecten op algemene soorten vissen zo veel mogelijk te voorkomen dient vanuit de algemene zorgplicht (artikel 1.11) rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van vissen. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden aan watergangen langzaam op te starten en vanuit één kant uit te voeren zodat vissen de kans krijgen om te vluchten. 3.2.8 Ongewervelden 3.2.8.1 Resultaten bureaustudie In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten ongewervelden weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 3.6: Beschermde ongewervelden die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, geraadpleegd juli 2023.

Soort Grote vos Kleine ijsvogelvlinder

Categorie Wnb N N

Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor binnen het ministerie van LNV een algemene vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen.

Daarnaast is gekeken naar de verspreidingsgebieden van beschermde soorten zoals grote parelmoervlinder, teunisbloempijlstaart en bruine eikenpage. Het verspreidingsgebied van de teunisbloempijlstaart en de bruine eikenpage overlapt met het plangebied. De leefgebieden en waardplanten (planten waarop eieren worden gelegd en zich de rupsen ontwikkelen) van bovengenoemde soorten zijn als volgt: Bruine eikenpage Het leefgebied van de bruine eikenpage omvat bosranden van vooral eikenbossen. (Zomer)eik is de waardplant (plant waarop eieren worden gelegd en zich de rups ontwikkelen) van deze soort. Eitjes worden afgezet op jonge of wegkwijnende lage eikjes in de schaduw van grotere eiken. Verder is de soort afhankelijk van voldoende nectarplanten, zoals braam, wilde liguster of sporkehout.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

25/37

Grote vos Het leefgebied van de grote vos omvat bosranden en waardplanten bestaan vooral uit iep maar ook zoete kers, populier en sommige wilgensoorten. De grote vos komt voor in bosrijke omgevingen met grote vrijstaande bomen. Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder leeft in vochtige bossen zoals elzenbroekbos en gebruikt wilde kamperfoelie, en soms rode of gecultiveerde kamperfoelie en sneeuwbes, als waardplant om eitjes op af te zetten. Teunstaartpijlbloem De teunisbloempijlstaart leeft in vochtige loofbossen, bosranden en open landschappen. Waardplanten van deze soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. 3.2.8.2 Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn meerdere vlinders waargenomen. Dit betrof algemene soorten zoals groot koolwitje, dagpauwoog en citroenvlinder. Ter hoogte van de verschillende compensatiegebieden zijn waard- en nectarplanten van de bruine eikenpage aangetroffen, zoals jonge zomereiken en braamstruweel. Deze waard- en nectarplanten bevinden zich echter buiten de plangrens en zullen niet aangetast worden. Daarnaast bevinden zich in compensatiegebied A enkele solitaire bomen die geschikt biotoop kunnen vormen voor de grote vos. De bomen zijn eiken en daardoor kunnen deze bomen echter niet als waardplanten dienen voor deze vlinder.

Binnen de compensatiegebieden zijn geen waardplanten van de kleine ijsvogelvlinder of teunisbloempijlstart aangetroffen. Daarnaast bevinden zich geen nectarplanten, zoals braamstruiken, binnen de grens van fysieke aanpassing. De oevers van de watergangen binnen het plangebied hebben geen opgaande, dichte begroeiing waardoor zij ongeschikt zijn voor beschermde libellen. 3.2.8.3 Effectbespreking en vervolgstappen Tijdens het veldbezoek zijn de bovengenoemde waardplanten niet aangetroffen binnen de compensatiegebieden waardoor de compensatiegebieden niet geschikt worden geacht als rust- of voortplantingsplaatsen voor beschermde vlinders. Daarnaast zijn de oevers en watergangen niet geschikt voor beschermde libellen. Andere soorten beschermde ongewervelden worden niet binnen het plangebied verwacht. Het overtreden van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan voor deze soortgroep worden uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen benodigd.

3.3

Invasieve exoten

Uit de bureaustudie (NDFF) blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende invasieve uitheemse soorten (exoten) van de Unielijst zijn waargenomen: muskusrat, lettersierschildpad nijlgans, reuzenbalsemien en reuzenberenklauw. Tijdens het veldbezoek zijn geen exoten waargenomen binnen of nabij het plangebied.

B85-F.J.-HS-RAP-23006059 / Proj.nr. MN002205 / Vrijgegeven / Versie 3.0 / 10-11-2023

26/37

4

Conclusie

In onderstaande paragrafen worden de conclusies en aanbevelingen uit de quickscan besproken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7962/documents/45165