Bijlage 2.2 - Regels (met bijlagen).pdf
Tekst van het document
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; c. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, die is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Het in sub b bepaalde is mutatis mutandis van overeenkomstige toepassing.
14.2.2 Advies archeologisch desk undige Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in lid 14.2.1 sub a, wint het advies in bij de archeologisch deskundige.
14.2.3 Geen archeologisch rapport Het bepaalde onder lid 14.2.1 sub a geldt niet als: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 100 m² wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
32
c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
14.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 14.2, nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de afmetingen van bouwwerken; b. de situering van bouwwerken; c. de inrichting en het gebruik van gronden; als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond ('in situ') te behouden.
14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 14.4.1 Vergunningplicht Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m over een oppervlakte van 100 m² of meer; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 100 m² waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput; c. bodem verlagen of afgraven over een oppervlakte van 100 m² of meer (ook voor het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist; d. het verlagen van het waterpeil; e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h.
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
14.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het onder lid 14.4.1 opgenomen verbod geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; c. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde inwerkingtreding van het bestemmingsplan of beheersverordening een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; e. als op grond van de Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Erfgoedwet gelden.
33
14.4.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de onder lid 14.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a. de vergunning kan uitsluitend worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.
14.4.4 Voorschriften Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
14.4.5 Advies archeologisch desk undiige Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.4.1 wint het advies in bij een archeologisch deskundige.
14.5
Wijzigingsbevoegdheid
Het bevoegd gezag kan, op grond van artikel 3.6 van Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen door: a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' geheel of gedeeltelijk verwijderen, als op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is; b. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' te wijzigen in 'Waarde - Archeologie' als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn. Na wijziging zijn de regels van de bestemming 'Waarde - Archeologie', zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie - 2020' van de gemeente Doetinchem met kenmerk NL.IMRO.0222.R70B017A-0002 van toepassing.
34
Artikel 15
15.1
Waarde - Archeologische verwachting 5
Bestemmingsomschrijving
a. De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) of functies, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem; b. Als een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op één bouwperceel, moet uitgegaan worden van de waarde die past bij de onderliggende verwachtingszone.
15.2
Bouwregels
15.2.1 Archeologisch rapport Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 1.000 m² en met een bodemverstoring dieper dan 0,3 m dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. b. als uit in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 4.
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; c. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, die is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Het in sub b bepaalde is mutatis mutandis van overeenkomstige toepassing.
15.2.2 Advies archeologisch desk undige Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in lid 15.2.1 sub a, wint het advies in bij de archeologisch deskundige.
15.2.3 Geen archeologisch rapport Het bepaalde onder lid 15.2.1 sub a geldt niet als: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 1.000 m² wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
35
c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
15.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 15.2, nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de afmetingen van bouwwerken; b. de situering van bouwwerken; c. de inrichting en het gebruik van gronden; als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond ('in situ') te behouden.
15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 15.4.1 Vergunningplicht Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m over een oppervlakte van 1.000 m² of meer; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m² waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput; c. bodem verlagen of afgraven over een oppervlakte van 1.000 m² of meer (ook voor het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist; d. het verlagen van het waterpeil; e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h.
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
15.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het onder lid 15.4.1 opgenomen verbod geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; c. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde inwerkingtreding van het bestemmingsplan of beheersverordening een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; e. als op grond van de Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Erfgoedwet gelden.
36
15.4.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de onder lid 15.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a. de vergunning kan uitsluitend worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.
15.4.4 Voorschriften Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
15.4.5 Advies archeologisch desk undiige Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 15.4.1 wint het advies in bij een archeologisch deskundige.
15.5
Wijzigingsbevoegdheid
Het bevoegd gezag kan, op grond van artikel 3.6 van Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen door: a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 5' geheel of gedeeltelijk verwijderen, als op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is; b. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 5' te wijzigen in 'Waarde - Archeologie' als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn. Na wijziging zijn de regels van de bestemming 'Waarde - Archeologie', zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie - 2020' van de gemeente Doetinchem met kenmerk NL.IMRO.0222.R70B017A-0002 van toepassing.
37
Artikel 16
16.1
Waarde - Archeologische verwachting 6
Bestemmingsomschrijving
a. De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) of functies, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem; b. Als een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op één bouwperceel, moet uitgegaan worden van de waarde die past bij de onderliggende verwachtingszone.
16.2
Bouwregels
16.2.1 Archeologisch rapport Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 5.000 m² en met een bodemverstoring dieper dan 0,3 m dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. b. als uit in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 4.
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; c. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, die is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Het in sub b bepaalde is mutatis mutandis van overeenkomstige toepassing.
16.2.2 Advies archeologisch desk undige Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in lid 16.2.1 sub a, wint het advies in bij de archeologisch deskundige.
16.2.3 Geen archeologisch rapport Het bepaalde onder lid 16.2.1 sub a geldt niet als: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 5.000 m² wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
38
c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
16.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 16.2, nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de afmetingen van bouwwerken; b. de situering van bouwwerken; c. de inrichting en het gebruik van gronden; als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond ('in situ') te behouden.
16.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 16.4.1 Vergunningplicht Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m over een oppervlakte van 5.000 m² of meer; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 5.000 m² waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput; c. bodem verlagen of afgraven over een oppervlakte van 5.000 m² of meer (ook voor het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist; d. het verlagen van het waterpeil; e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h.
het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
16.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het onder lid 16.4.1 opgenomen verbod geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; c. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; d. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde inwerkingtreding van het bestemmingsplan of beheersverordening een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; e. als op grond van de Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Erfgoedwet gelden.
39
16.4.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de onder lid 16.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a. de vergunning kan uitsluitend worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.
16.4.4 Voorschriften Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voorschriften verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
16.4.5 Advies archeologisch desk undiige Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 16.4.1 wint het advies in bij een archeologisch deskundige.
16.5
Wijzigingsbevoegdheid
Het bevoegd gezag kan, op grond van artikel 3.6 van Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen door: a. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 6' geheel of gedeeltelijk verwijderen, als op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is; b. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 6' te wijzigen in 'Waarde - Archeologie' als uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn. Na wijziging zijn de regels van de bestemming 'Waarde - Archeologie', zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie - 2020' van de gemeente Doetinchem met kenmerk NL.IMRO.0222.R70B017A-0002 van toepassing.
40
Hoofdstuk 3 Artikel 17
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
41
Artikel 18
18.1
Algemene bouwregels
Bestaande afmetingen
In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud in afwijking daarvan als maximaal toegestaan. 18.2
Nutsvoorzieningen
Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 m; b. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 20 m².
42
Artikel 19
Algemene gebruiksregels
Tot een gebruik in strijd met alle bestemmingen wordt in ieder geval begrepen: a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; c. verblijfsrecreatie en intensieve dagrecreatie; d. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.
43
Artikel 20
20.1
Algemene aanduidingsregels
Geluidzone - industrie
20.1.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'geluidzone - industrie' mag geen toename plaatsvinden van het aantal geluidgevoelige gebouwen. 20.1.2 Wijzigen geluidzone Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen in die zin dat de aanduiding 'geluidzone - industrie' wordt aangepast of verwijderd, met dien verstande dat de wijziging uitsluitend plaatsvindt nadat uit onderzoek gebleken is dat, dan wel door (wijziging in) regelgeving, sprake is van een gewijzigde situering van de zone en mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie. 20.2
Overige zone - cultuurhistorische waarden
20.2.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - cultuurhistorische waarden' zijn de gronden bestemd voor de instandhouding van de aldaar aanwezige cultuurhistorische waarden. 20.2.2 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk a
Verbod
Het is verboden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - cultuurhistorische waarden' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen.
b Beoordelingscriteria a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid a voor gehele of gedeeltelijke sloop van een bouwwerk met de gebiedsaanduiding 'overige zone - cultuurhistorische waarden' kan slechts worden verleend, indien: 1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het uitwendige cultuurhistorische karakter van het bouwwerk voor wat betreft: de karakteristieke hoofdvorm; de hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen; de bouwmassa en de bouwvorm; de dakvorm, dakrichting en dakhelling; de nokrichting; de gevelindeling door ramen, deuropeningen en erkers; de historische materialisering en detaillering; of andere cultuurhistorisch waardevolle karakteristieken; 2. de karakteristieke hoofdvorm van het bouwwerk niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het bouwwerk kan worden hersteld; 3. het onderdelen van een bouwwerk betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek dan wel cultuurhistorisch waardevol kunnen worden aangemerkt, en sloop van die onderdelen geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm van het bouwwerk tot gevolg heeft; 4. uit onderzoek is gebleken dat gehele of gedeeltelijke sloop van het bouwwerk onoverkomelijk is vanuit een oogpunt van (bouw)veiligheid; 5.
uit onderzoek is gebleken dat gehele of gedeeltelijke instandhouding van het bouwwerk om technische en financieel-economische redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd; 6. behoud van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk niet opweegt tegen een zwaarwegend (algemeen) maatschappelijk belang, mits:
44
uit onderzoek is gebleken dat er geen reëel alternatief is voor het (deels) slopen van het bouwwerk; en er voldoende compenserende maatregelen worden getroffen; of 7. er andere redenen zijn op grond waarvan het belang van de vergunningaanvrager bij gehele of gedeeltelijke sloop van het bouwwerk in redelijkheid dient te prevaleren boven het cultuurhistorisch belang bij behoud ervan. b. Van het overleggen van een deskundigenrapport als bedoeld in lid a sub a nrs. 4, 5, en 6 kan worden afgezien, indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders uit andere beschikbare informatie afdoende blijkt dat er sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan het belang van de vergunningaanvrager bij gehele of gedeeltelijke sloop van het bouwwerk in redelijkheid dient te prevaleren boven het cultuurhistorisch belang bij behoud ervan. c. Alvorens burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning als bedoeld in lid a verlenen, vragen zij de cultuurhistorisch beleidsmedewerker, al dan niet in samenspraak met de stedenbouwkundige van de gemeente, om schriftelijk advies omtrent de mogelijke aantasting van cultuurhistorische waarden als gevolg van gehele of gedeeltelijke sloop. d.
In aanvulling op het bepaalde in sub c vragen burgemeester en wethouders tevens de Commissie Welstand en Monumenten dan wel de toekomstige Commissie Ruimtelijke Kwaliteit om schriftelijk advies, indien voor de beoordeling van de aanvraag de specifieke deskundigheid van één van voornoemde commissies noodzakelijk is. c Onderbouwing van de aanvraag a. Om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het geheel of gedeeltelijk slopen van een bouwwerk met de gebiedsaanduiding 'overige zone - cultuurhistorische waarden' te kunnen beoordelen dient de aanvrager schriftelijk te motiveren, waarom gehele of gedeeltelijke sloop gewenst is. Hierbij dient de aanvrager aandacht te besteden aan: 1. de bouwkundige en gebruikstechnische staat van het bouwwerk dat aanvrager geheel of gedeeltelijk beoogt te slopen; 2. de mate waarin het bouwwerk geschikt is of door het treffen van voorzieningen geschikt kan worden gemaakt voor zinvol (her)gebruik overeenkomstig de geldende bestemming; en 3. de cultuurhistorische waarde van het bouwwerk of van onderdelen daarvan. b. Bij volledige sloop van cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken dient de aanvraag voor een sloopvergunning tevens te worden voorzien van een plan voor de herinrichting van de locatie van het te slopen bouwwerk, waarbij het behoud van de cultuurhistorisch relevante ruimtelijke kwaliteit voorop staat. d
Voorschriften
Aan de omgevingsvergunning voor het geheel of gedeeltelijk slopen van een bouwwerk kunnen voorschriften worden verbonden ten behoeve van de bescherming van cultuurhistorische waarden.
e
Uitzonderingen
Het in lid a bepaalde is niet van toepassing op: a. sloopwerkzaamheden, die: 1. legaal in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende sloop- of andere vergunning dan wel op grond van een aanschrijving van het bevoegd gezag; b. sloopwerkzaamheden, die: 1. het normale onderhoud betreffen; 2. uitsluitend inpandige delen van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk betreffen; 3. uitsluitend bouwwerken betreffen, waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het aspect bouwen is vereist. c. sloopwerkzaamheden, die: 1. betrekking hebben op cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken die als gevolg van een calamiteit verloren zijn gegaan;
45
2. zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken. 20.3
Overige zone - magneetveldzone
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - magneetveldzone' is het bouwen ten behoeve van een gevoelige bestemming en/of het gebruik van de gronden als gevoelige bestemming niet toegestaan. 20.4
Overige zone - nieuwe risicobronnen uitgesloten
20.4.1 Algemeen Het is ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - nieuwe risicobronnen uitgesloten' verboden om: a. een nieuwe risicobron te vestigen; b. een bestaande risicobron uit te breiden. 20.4.2 Afwijking van het vestigings- en uitbreidingsverbod voor risicobronnen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 20.4.1 en de vestiging van een nieuwe of uitbreiding van een bestaande risicobron toestaan, onder voorwaarden dat: a. de risicobron zich niet binnen het gebiedstype 'woongebieden' bevindt, zoals weergegeven op de kaart in Bijlage 2; b. uit onderzoek blijkt dat er geen kwetsbare objecten in de plaatsgebonden risicocontour 10-6 liggen; beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan indien er zwaarwegende redenen voor zijn; c. wordt voldaan aan minimale veiligheidsafstanden op grond van wet- en regelgeving; d. ingeval de nieuw te vestigen of uit te breiden risicobron een risicovolle inrichting betreft moet de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de inrichting gelegen zijn binnen de inrichtingsgrens van de inrichting; e. de nieuwvestiging of uitbreiding in overeenstemming is met de geldende bestemming; f. het groepsrisico is verantwoord; g. advies is ingewonnen bij de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland.
46
Artikel 21
21.1
Algemene afwijkingsregels
Bevoegdheid
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van: a. de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 meter, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing; b. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 meter; c. de regels en toestaan dat de volgens de regels toegestane maximale bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde wordt vergroot met maximaal 1 meter. 21.2
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
Afwijking als bedoeld in artikel 21.1 is slechts toegestaan, mits: a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; b. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.
47
Artikel 22
22.1
Overige regels
Uitsluiting van bevoegdheid van gemeenteraad
a. De gemeenteraad van de gemeenten Doetinchem, Zevenaar en Montferland zijn gedurende een periode van 5 jaar na het moment van inwerkingtreding van dit plan niet bevoegd een bestemmingsplan, dan wel een ander ruimtelijk plan, vast te stellen voor de in dit plan betrokken gronden, indien en voor zover het betreffende ruimtelijke plan strijdig is met de uitvoering van dit plan. b. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op de vaststelling van een ruimtelijk plan, waarin wordt voorzien in een bestendiging van de in dit plan opgenomen (dubbel)bestemmingen en/of aanduidingen.
22.2
Voorrangsregeling bestemmingen
a. Bij toepassing van de bestemmingen uit Hoofdstuk 2 geldt, indien op deze gronden een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming, primair het bepaalde met betrekking tot de dubbelbestemming. b. Indien twee of meer dubbelbestemmingen samenvallen, dient de volgende prioriteitenvolgorde te worden aangehouden: 1. in de eerste plaats de planregels van Artikel 9 Leiding - Gas; 2. in de tweede plaats de planregels van Artikel 11 Leiding - Hoogspanningsverbinding 150/380 kV en 380 kV; 3. in de derde plaats de planregels van Artikel 10 Leiding - Hoogspanning 150 kV 4. in de vierde plaats de planregels van Artikel 12 Leiding - Riool; 5. in de vijfde plaats de planregels van Artikel 13 Waarde - Archeologie hoge verwachting, Artikel 14 Waarde - Archeologische verwachting 2, Artikel 15 Waarde - Archeologische verwachting 5 dan wel Artikel 16 Waarde - Archeologische verwachting 6.
48
Hoofdstuk 4 Artikel 23
23.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen 2 jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in onder a met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 23.2
Overgangsrecht gebruik
a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het inpassingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
49
Artikel 24
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het inpassingsplan 'RegioExpres'.
50
Bijlagen bij regels
51
Bijlage 1 Inrichtingsplan natuurcompensatie en -versterking
52
Inrichtingsplan Landgoed Stilliwald Status:
Definitief
Inleiding De nieuwe RegioExpres Achterhoek is een dieseltrein die tussen Arnhem en Doetinchem als sneltrein rijdt (non-stop) en tussen Doetinchem en Winterswijk als stoptrein (stoppend op alle stations). Om meer treinen per uur te kunnen laten rijden op het traject Arnhem – Doetinchem, zijn spooraanpassingen benodigd. Ook zullen treinen in de toekomst in de gebruiksfase rondom de tussen Arnhem en Doetinchem gelegen stations niet meer stoppen en dus harder rijden. Op de overige delen van het traject blijft de snelheid ongewijzigd. Om de spoorverdubbeling te realiseren, worden zuidelijk van het spoor werkterreinen aangelegd. Uit onderzoek van Moveres komt naar voren dat als gevolg van het project ruimtebeslag op het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) (inclusief Ecologische Verbindingszone) van de Provincie Gelderland plaats gaat vinden. Het ruimtebeslag ter hoogte van het GNN en de GO, vindt plaats tussen Didam en Wehl. Ook kan er in de gebruiksfase versnippering ontstaan door een toename van treinverkeer en het rijden met hogere snelheden. Daarbij kan ook sprake zijn van meer aanrijdingsslachtoffers van dieren. Het ruimtebeslag en toename van treinverkeer resulteren in een compensatie- en versterkingsopgave voor respectievelijk het GNN en de GO, die door Movares zijn beoordeeld in de toetsing GNN en GO.
In onderliggend inrichtingsplan worden de voorwaarden voor de compensatie- en versterkingsopgave genoemd en de maatregelen die genomen moeten worden om de abiotische omstandigheden voldoende te maken om de gewenste natuurtypen te laten ontwikkelen. De gewenste natuur betreft: • N10.02 Vochtig hooiland – 0,74 hectare • N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland – 1,93 hectare • N15.02 dennen-, eiken- en beukenbos – 1,05 hectare • Houtwal – 0,18 hectare • Versterken houtwallen – 398 m Door de Provincie Gelderland is opdracht verleend voor het uitvoeren van biogeochemisch onderzoek aan NMI (zie bijlage 1). De conclusies uit het rapport van NMI zijn in het inrichtingsplan verwerkt. Huidige situatie De maatregelen zijn voorzien op Landgoed Stilliwald. Landgoed Stilliwald ligt ten zuidwesten van het dorp Wehl, een dorp in de gemeente Doetinchem, en is een NSW-landgoed bestaand uit ongeveer 50 hectare bos en 50 hectare landbouwgrond. De eigenaar woont zelf op het landgoed en houdt hier een aantal koeien. Daarnaast heeft de eigenaar ook een natuurcamping. Langs de randen van de meeste percelen die agrarisch in gebruik zijn, wordt al ruim 20 jaar akkerrandbeheer toegepast conform voorwaarden agrarisch natuurbeheer. Het effect is in de soortensamenstelling in deze randen goed te zien. De ligging van de percelen die worden ingericht met de natuurtypen is te zien op de afbeelding 1.
In totaal gaat het om 3,7 hectare landbouwgrond (graslanden), verdeeld over drie verschillende percelen (A, C en D). Perceel B maakt geen onderdeel uit van de compensatieopgave maar wordt, zoals is afgesproken met de eigenaar, met het PIP wel bestemd als ‘Natuur’. Dit perceel wordt door de eigenaar zelf, tegelijk met percelen A, C en D, via functieverandering en inrichting omgevormd tot natuur. De inrichting van perceel B wordt in dit plan verder buiten beschouwing gelaten.
Afbeelding 1: ligging in de regio
Alle percelen zijn momenteel agrarisch in gebruik. De graslanden zijn altijd redelijk extensief beheerd. Op alle percelen rust op basis van het bestemmingsplan van de gemeente Doetinchem, landelijk gebied 2020 – reparatie 2022 de volgende bestemmingen: • Agrarisch met waarden – ten behoeve van de omvorming naar natuur zal de agrarische bestemming worden gewijzigd in "Natuur”. • Waarde – Archeologie – de aangetroffen waarden zijn 2, 5 en 6. In een aantal gevallen is voor de gewenste ontwikkeling een vergunning nodig. Voor de omvorming van landbouw naar natuur en de uitvoering van de bijbehorende maatregelen om tot de gewenste natuurtypen te komen, is een vergunning nodig in het kader van de Omgevingswet. De percelen zijn door de Provincie Gelderland op het Natuurbeheerplan ingetekend met als ambitie om van deze agrarische percelen natuur te maken. Door de Provincie Gelderland is opdracht verleend voor het uitvoeren van bodembiochemisch onderzoek aan NMI. De conclusies uit het rapport van NMI zijn in het inrichtingsplan verwerkt. Gewenste natuurdoeltypen Op basis van het biogeochemisch onderzoek (bijlage 1), eerder door de Bosgroep Midden Nederland uitgevoerde bodemboringen en een bureau- en veldstudie en de aanwezige vegetatie, worden drie verschillende natuurtypen ontwikkeld. De gewenste natuurtypen staan op afbeeldingen 2 en 3.
Naast de drie beheertypen wordt 18 are houtwal aangelegd en worden bestaande houtwallen (398m in totaal) versterkt door deze met struikvormers door te planten.
Afbeelding 2: beheertypen noordelijke percelen (A, B en C)
Afbeelding 3: beheertype zuidelijk perceel (D)
Kenmerken N10.02 Vochtig hooiland – 0,74 hectare (perceel C) • Vochtig, matig voedselrijke en gebufferde condities • Het gemiddelde waterpeil is 20-30 cm onder maaiveld met in de winter grondwaterstanden tot aan of boven maaiveld. Gedurende de zomer kan het waterpeil een korte periode dieper wegzakken of het grasland staat onder invloed van kwelwater • Kenmerkende soorten zijn onder andere waterkruiskruid, brede orchis, veldrus, bosbies en moerasstreepzaad • Eén tot tweemaal per jaar maaien, eventueel met nabeweiding • Maaisel wordt afgevoerd Kenmerken N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland – 1,93 hectare (perceel A) • Matig voedselrijk • Droog tot vochtig • Eén tot tweemaal per jaar maaien, eventueel met nabeweiding • Maaisel wordt afgevoerd Kenmerken N15.02 dennen-, eiken- en beukenbos – 1,05 hectare (perceel A & D) • Droge en zandige bodem • Dominantie van eiken, berken, dennen, beuken, lijsterbes ratelpopulier of vuilboom • Maximaal 20% van het bos wordt gedomineerd door Europees uitheemse boomsoorten Inrichtingsmaatregelen N10.02 vochtig hooiland De locaties waar de ambitie ligt om vochtig hooiland te ontwikkelen liggen het laagst in het landschap. De potentie voor de ontwikkeling van vochtig hooiland op perceel C is hoog (zie bijlage 1).
De zuurgraad is optimaal, de fosfaatwaardes na afgraven van minimaal 30cm zijn optimaal tot suboptimaal voor de ontwikkeling van vochtig hooiland. Daarnaast zijn de grondwaterstanden geschikt. De te nemen inrichtingsmaatregelen zijn: • Minimaal 30 cm van de voedselrijke bovengrond afgraven om de voedselrijkdom te doen afnemen. Afgraven wordt maaiveldvolgend gedaan. • Het dempen van de sloot/ greppel aan de westzijde van het meest noordelijke perceel (perceel B) met schoon, gebiedseigen materiaal (ca. 100 meter). Deze plek wordt na het dempen als houtwal ingericht. • Uitmijnen door middel van minimaal drie snedes per jaar, waarbij de streefwaarden van fosfaat naar verwachting in 6 – 13 jaar bereikt worden (zie bijlage 1); • Nabeweiden na de laatste maaibeurt met maximaal 3 GVE per hectare. • Nutriëntengift van N- en K- voorafgaand aan iedere maaibeurt conform advies biogeochemisch onderzoek in bijlage 1. Hiervoor wordt gedurende de eerste jaren na aanleg jaarlijks een aantal monsternames uitgevoerd (pH en fosfaat) waar de nutriëntengift op aangepast kan worden. • Optioneel wordt maaisel uit een referentiegebied in de buurt verspreid. Als referentiegebied kan maaisel worden verkregen in het natuurgebied de Zumpe in Doetinchem.
Vrijgekomen grond wordt gebruikt om de bestaande paden op te hogen en om een aantal landbouwpercelen in de directe omgeving op te hogen en om een sloot/ greppel te dempen ten behoeve van de waterhuishouding.
Afbeelding 4: Ligging percelen op de hoogtekaart
N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland (perceel A) De te nemen inrichtingsmaatregelen zijn: • Gedurende minimaal vier jaar, minimaal drie keer per jaar maaien en maaisel afvoeren (uitmijnen). • Nabeweiden na de laatste maaibeurt met maximaal 3 GVE per hectare. • Optioneel kan een K en N- gift worden toegepast. • Optioneel wordt maaisel uit een referentiegebied in de buurt verspreid. Doel is om sneller soorten te introduceren die in de directe omgeving nu nog niet voorkomen. In de directe omgeving van Wehl liggen meerdere referentiegebieden waar maaisel gehaald kan worden. N15.02 dennen-, eiken- en beukenbos (perceel A & D) Op twee plekken wordt in totaal 1,05 hectare bos gerealiseerd. Aangrenzend het kruiden- en faunarijk grasland in het noorden (perceel A) wordt langs het bestaande bos aan de noordrand van het bos een mantelvegetatie worden aangelegd, in totaal 0,39 hectare. Het perceel wordt ingeplant met struikvormers om een meer geleidelijke overgang te creëren tussen open terrein en bos. Op een aantal plaatsen wordt een jonge laanboom geplant om de bosrand meer body te geven en te zorgen dat in de eerste jaren na aanleg de bomen niet worden weggeconcurreerd door de stuikvormers. Het gaat in totaal om 15 bomen, maat 6-8. In totaal worden hier 1725 struikvormers aangeplant.
In het zuidelijke perceel, 0,66 hectare (perceel D) wordt een strook bos aangelegd (46 meter breed) met aan beide zijden een mantelvegetatie bestaand uit struikvormers (10 meter breed). Het perceel heeft een diepte van 100 meter. In totaal worden hier 1150 boomvormers en 900 struikvormers aangeplant. De te nemen inrichtingsmaatregelen zijn: • Waar nodig frezen van de huidige graszode (1,05 hectare). • Handmatig inplanten van boomvormers in groepen met een plantverband van 2x2 meter.
• •
Handmatig inplanten van struikvormers in groepen met een plantverband van 1,5x1,5 meter. Het beschermen van de boomvormers tegen vraat d.m.v. wildbescherming.
In tabel 1 zijn de aan te planten soorten een aantallen weergegeven. Het betreffen inheemse soorten. Houtwallen en singels Ten noorden en oosten van perceel A en ten westen van perceel B wordt een houtwal aangelegd. In totaal gaat het om 18 are. Daarnaast worden de aangrenzende houtwallen ten oosten van perceel A versterkt door deze met struikvormers door te planten. De houtwallen zijn 5 meter breed (3 rijen). Op de plekken waar een nieuwe houtwal wordt aangelegd, wordt de graszode gefreesd. In de bestaande houtwallen wordt in handkracht struikvormers aangeplant. Voor de aanplant van de houtwallen wordt een plantverband gebruikt van 1x1. Hiervoor zijn in totaal 1800 bomen en struiken nodig. Voor het doorplanten van de bestaande singels zijn nog eens 500 struikvormers nodig. De aan te planten boom- en struiksoorten voor zowel de bossen als de houtwallen staan in de tabel 1. Achter de soort staan de bijbehorende aantallen en maatvoering. In het geval van boomvormers wordt gewerkt met 3- jarig plantsoen. In het geval van struikvormers wordt gewerkt met 2- jarig plantsoen. Voor de aanplant wordt, voor zover leverbaar en beschikbaar, gewerkt met inheemse, autochtone herkomsten. Om dat er gebruik gemaakt wordt van inheems, autochtone herkomsten zal de aankoopwaarde van het plantsoen hoger liggen de normbedragen aangeven. In totaal worden 6.090 bomen en struiken geplant.
De boomvormers dienen vanwege de enorm hoge wilddruk te worden voorzien van wildbescherming in de eerste jaren na aanplant. In totaal gaat het om 1200 boomgroeikokers. N.a.v. eerdere plantwerkzaamheden (2019 en 2020) in het naastgelegen bos wordt geadviseerd te werken met deugdelijke wildbescherming. Omdat een raster niet wenselijk is, maar ook omdat dit een dure optie is, wordt geadviseerd te werken met boomgroeikokers. In de eerste twee jaar na aanplant moet rekening gehouden worden met een inboet van ongeveer 20% op alle struik- en boomvormers Tabel 1: boom- en struikvormers landgoed Stilliwald
Nederlandse naam Wintereik Zomereik Winterlinde Boswilg Zoete kers Haagbeuk Boswilg Winterlinde Fladderiep Boomvormers totaal Lijsterbes Sporkehout Hazelaar Gewone vlier Kardinaalsmuts Sleedoorn Meidoorn Gelderse roos Gewone vogelkers Struikvormers totaal
Latijnse naam Quercus petrea Quercus robur Tilia cordata Castanea sativa Prunus avium Carpinus betulus Salis caprea Tilia cordata Ulmus laevis
Type +3-jarig +3-jarig +3-jarig +3-jarig +3-jarig +3-jarig 6-8 6-8 6-8
Sorbus aucuparia Frangula alnus Corylus avellana Sambucus nigra Euonymus europaea Prunus spinosa Crataegus monogyna Viburnum opulus Prunus padus
2-jarig 2-jarig 2-jarig 2-jarig 2-jarig 2-jarig 2-jarig 2-jarig 2-jarig
Aantal 175 175 300 150 200 200 5 5 5 1.215 550 550 550 550 525 550 550 525 525 4.875
Aanleg dassenpassage Om op de benodigde versterking voor de GO uit te komen, worden ook vijf faunapassages aangelegd over het spoortraject: • twee kleine zoogdiertunnels/faunapassages ten behoeve van de das; • drie dwarsligger faunapassages (DFP) ten behoeve van herpetofauna (amfibieën en reptielen); Er wordt één dassentunnel ten westen van perceel C aangelegd. Hier bevindt zich in het bosperceel ten zuiden van de spoorlijn een dassenburcht. Een tweede tunnel wordt in het verlengde van de houtwal ter hoogte van perceel B aangelegd. De locaties van drie dwarsligger faunapassages zijn door Movares gekozen op basis van de bevindingen uit de nadere onderzoeken die binnen het plangebied zijn uitgevoerd (o.a. hazelworm). Op de locaties van de dwarsligger faunapassages liggen aan beide zijdes hoogwaardige leefgebieden die verbonden zijn met een groter achterliggend gebied. Daarnaast liggen de passages niet bij veelgebruikte mountainbike- en wandelpaden. De locaties van de dassentunnels en drie dwarsligger faunapassages zijn weergegeven in afbeelding 5.
Afbeelding 5: Locaties faunapassages (bron: GNN- en GO-toetsing Provincie Gelderland RegioExpres. Movares 2023)
Beheermaatregelen Na inrichting worden de percelen minimaal 2x/ jr. gemaaid en wordt het maaisel dat hierbij vrijkomt afgevoerd. Dit geldt zowel voor de 10.02 als de 12.02 graslanden. Zeker op de percelen met een hoger fosfaatgehalte is het ambitie om jaarlijks 3 x te maaien (uitmijnen). Daarnaast worden de graslanden na de laatste maaibeurt met max. 3 GVE per hectare na beweid. In de eerste drie jaar na inrichting zijn voor de bosopstanden geen maatregelen voorzien. Begroting Een begroting is nu nog niet opgesteld voor de maatregelen, na accordering maatregelen volgt een gespecificeerde begroting.
Bijlage 1. Biogeochemisch onderzoek NMI Agro
27 september 2023
I
Rapport 1981.N.23
Biochemisch onderzoek Landgoed Stilliwald Maarten van Doorn Romke Postma Debby van Rotterdam Dirk Thijssen
soil for life Biochemisch onderzoek landgoed Stilliwald (NMI, 2023)
Nutriënten Management Instituut BV e-mail: nmi@nmi-agro.nl website: www.nmi-agro.nl
Referaat Maarten van Doorn, Romke Postma, Debby van Rotterdam & Dirk Thijssen, 2023, Biochemisch onderzoek Landgoed Stilliwald, Nutriënten Management Instituut BV, Wageningen, Rapport 1981.N.23, pp 29.
Rapport in het kort Provincie Gelderland heeft het voornemen om natuur te ontwikkelen op twee percelen in het projectgebied Landgoed Stilliwald. De specifieke wens is het vergroten van de ecologische waarde door de ontwikkeling van vochtig hooiland en droog schraalland. Dit onderzoek heeft geleid tot inzicht in de bodemsamenstelling en met name de fosfaattoestand van de bodem. Aan de hand van deze inzichten wordt advies gegeven over de inrichtingsmogelijkheden ten behoeve van het verhogen van de ecologische waarde.
© 2023 Wageningen, Nutriënten Management Instituut NMI B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit de inhoud mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de directie van Nutriënten Management Instituut NMI. Rapporten van NMI dienen in eerste instantie ter informatie van de opdrachtgever. Over uitgebrachte rapporten, of delen daarvan, mag door de opdrachtgever slechts met vermelding van de naam van NMI worden gepubliceerd. Ieder ander gebruik (daaronder begrepen reclame-uitingen en integrale publicatie van uitgebrachte rapporten) is niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van NMI. Disclaimer Nutriënten Management Instituut NMI stelt zich niet aansprakelijk voor eventuele schadelijke gevolgen voortvloeiend uit het gebruik van door of namens NMI verstrekte onderzoeksresultaten en/of adviezen.
Verspreiding Tim Puts, Provincie Gelderland
Biochemisch onderzoek landgoed Stilliwald (NMI, 2023)
digitaal
Inhoudsopgave Samenvatting en conclusies
2
1
Inleiding
4
2
Opzet en uitvoering
6
2.1
Veldwerk
6
2.2
Bodemanalyses
7
2.3
Interpretatie en advies
9
3
Resultaten, interpretatie en advies
12
3.1
Algemene bodemopbouw en bodemkenmerken
12
3.2
Fosfaattoestand
16
3.3
Sturen op stikstoflimitatie op het noordoostelijk gelegen perceel
19
3.4
Grondwater
20
3.5
Inrichtingsmaatregelen
21
4
Conclusies
26
Literatuurlijst
28
Bijlage I Boorbeschrijvingen
29
Bijlage II Analyseresultaten bodem
31
Biochemisch onderzoek landgoed Stilliwald (NMI, 2023)
Samenvatting en conclusies
De Provincie Gelderland heeft het voornemen om vochtig hooiland (N10.02) en droog schraalland (N11.01) te ontwikkelen op twee percelen in projectgebied ‘Landgoed Stilliwald’ bij Wehl. Het doel van het huidige onderzoek is om inzicht te krijgen in de biogeochemie in relatie tot de gewenste natuurtypen en een passende ontwikkelingsstrategie. Specifiek omvat dit het verkrijgen van inzicht in (i) de fosfaattoestand van de bodem in relatie tot de doelvegetaties en (ii) beheersmogelijkheden om de fosfaattoestand van de bodem tot een gewenst niveau te verlagen voor de beoogde natuurontwikkeling. Hierbij is naast nutriënten ook rekening gehouden met standplaatsfactoren als de vochttoestand en zuurgraad. Op negen monsternamelocaties zijn op drie dieptes grondmonsters genomen (0-10, 10-30 en 30-50cm -mv) en op drie locaties is het freatisch grondwater bemonsterd. De grondmonsters zijn onder andere geanalyseerd op meerdere fosfaatfracties (PCaCl2, PAL, POX, FVG), parameters die belangrijk zijn voor fosfaatbinding (FeOX, AlOX), het organisch stofgehalte, pH, textuur en het klei-humuscomplex (CEC) met basenverzadiging. Het grondwater is onder andere geanalyseerd op de zuurgraad, conductiviteit, basische kationen en carbonaat, chloride, zwavel, stikstofverbindingen en P-totaal. Het biochemisch onderzoek heeft tot de volgende inzichten geleid: •
•
•
•
De bodems zijn geclassificeerd als hydrovaaggronden (vlakvaaggronden) met uitzondering van de bodem op het hoger gelegen deel van het noordoostelijk gelegen perceel die geclassificeerd is als een xerovaaggrond (vorstvaaggrond). De algemene bodemopbouw is een bovengrond van fijn zand op een ondergrond van matig fijn tot zeer grof zand. De zuurgraad van de bodem is licht zuur (4.8-5.7 in de bovenste 10cm van de bodem). Op het hoger gelegen deel van het noordoostelijk gelegen perceel ligt de pH boven de streefwaarde voor de ontwikkeling van droog schraalland. Op de overige locaties ligt de zuurgraad binnen de streefwaarde voor de ontwikkeling van vochtig hooiland. Er zijn geen maatregelen nodig om de zuurgraad te verhogen of te verlagen. De bodems zijn door een laag organische stof- en kleigehalte (lage CEC, klei-humus-complex) gevoelig voor verzuring. Dit is met name het geval voor diepere bodemlagen waar het organisch stofgehalte lager is dan in de toplaag (OS = 2.5-4.2% in de 0-10 bodemlaag, OS = 0.5-2.4% in de bodemlagen hieronder). De fosfaattoestand is in het noordoostelijk gelegen perceel erg hoog, waarbij de PAL in de bovenste 30cm van het noordelijke deel varieert tussen 84-151 mg P2O5 100g-1, de FVG tussen 62-91% en de PCaCl2 tussen 6.1-10.7 mg P kg-1.
In het zuidelijk deel van het perceel varieert PAL in de bovenste 30 cm van de bodem tussen 33-38 mg P2O5 100g-1, de FVG tussen 40-48% en PCaCl2 tussen 1.8-2.6 mg kg-1. Daarmee is de bovengrond niet geschikt voor de gewenste natuurontwikkeling (droog schraalland op hooggelegen kop en vochtig hooiland op het lager gelegen deel). Ook in de daaronder liggende bodemlagen is de fosfaattoestand nog hoog en daarmee veelal niet optimaal of suboptimaal voor matig voedselrijke natuur,, wat de kans op een succesvolle ontwikkeling verkleint. In het zuidwestelijk gelegen perceel was de fosfaattoestand in de bovenste 30 cm veel lager (PAL 10-28 mg P2O5 100g-1 , FVG 23-37% en
Biochemisch onderzoek landgoed Stilliwald (NMI, 2023)
2
PCaCl2 tussen 0.3-1.4 mg kg-1) maar nog niet optimaal voor de beoogde natuur (vochtig hooiland). In bodemlagen >30 cm diepte is de fosfaattoestand wel laag genoeg. Op basis van het biochemisch onderzoek worden de volgende adviezen gegeven, waarbij we onderscheid maken tussen het noordoostelijk en het zuidwestelijk gelegen perceel. •
•
Op het noordoostelijk gelegen perceel wordt droog schraalland beoogd op de hoger en centraal gelegen kop en vochtig hooiland op het lager gelegen deel daaromheen. De fosfaattoestand in de bovengrond van het gehele perceel is echter extreem hoog. Zeer ingrijpende maatregelen zijn nodig om natuur op basis van fosfaatlimitatie te ontwikkelen; een bodemlaag met een dikte van minimaal 50 cm dient afgegraven te worden. Het lijkt dan ook niet realistisch te sturen op fosfaatlimitatie. Alternatieve oplossingen zijn: o Het aanpassen van de natuurdoelstelling naar de ontwikkeling van kruiden- en faunarijk grasland (na afgraven van de bovenste 30 cm) of structuurrijk bos of o Afgraven van de bovenste 10cm tot 30cm van de bodem en vervolgens sturen op het ontwikkelen van schrale natuur op basis van stikstoflimitatie. Het lage organische stofgehalte en N-beschikbaarheid in de bodemlaag op een diepte van 30-50 cm lijkt dit mogelijk te maken. Door het verwijderen van de toplaag zullen de bodems echter gevoelig worden voor verzuring, omdat de bodemlaag die dan aan het oppervlak komt een lagere CEC en zuurbuffering heeft.
Ook bestaat het risico dat er sprake is van een te hoge stikstofaanvoer vanuit externe bronnen (bijvoorbeeld depositie), waardoor de beoogde schrale natuur zich niet ontwikkelt of dat schrale natuur zich wel ontwikkelt maar dat het systeem snel eutroof wordt door stikstofaanvoer vanuit externe of interne bronnen (bijvoorbeeld fixatie door klavers). Verder leidt afgraven tot nattere condities op de lager gelegen delen van het perceel, waarvan nader bekeken moet worden of het daarmee niet te nat wordt. Op het zuidwestelijk gelegen perceel wordt vochtig hooiland beoogd. De fosfaattoestand van de bodem is in de uitgangssituatie echter te hoog. Voorgestelde maatregelen zijn: o Het afgraven van de bovenste 30cm van de bodem. Dit gaat gepaard met periodiek zeer natte condities (GHG boven maaiveld). o De fosfaattoestand te verlagen door uit te mijnen. Het benodigde aantal uitmijnjaren wordt grof geschat op 3-13 jaar, afhankelijk van de locatie. Verschralen duurt naar verwachting 6-26 jaar, ofwel twee keer zo lang dan uitmijnen. Mogelijk ligt het benodigde aantal uitmijnjaren hoger door de P-aanvoer vanuit diepere bodemlagen.