CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.2 - Regels (met bijlagen).pdf

gemeenteraad 25 januari 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.3: Horen raad provinciaal inpassingsplan RegioExpres29.555 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Ontwerp Provinciaal Inpassingsplan RegioExpres

NL.IMRO.9925.IPRegioExpres-ont1

RegioExpres

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

4 4 10

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16

Bestemmingsregels Groen Natuur Verkeer Verkeer - Railverkeer Water Verkeer - Railverkeer Voorlopig Leiding - Gas Leiding - Hoogspanning 150 kV Leiding - Hoogspanningsverbinding 150/380 kV en 380 kV Leiding - Riool Waarde - Archeologie hoge verwachting Waarde - Archeologische verwachting 2 Waarde - Archeologische verwachting 5 Waarde - Archeologische verwachting 6

11 11 13 14 16 18 19 22 23 25 27 29 32 35 38

Hoofdstuk 3 Artikel 17 Artikel 18 Artikel 19 Artikel 20 Artikel 21 Artikel 22

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

41 41 42 43 44 47 48

Hoofdstuk 4 Artikel 23 Artikel 24

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

49 49 50

Bijlagen bij regels

51

Bijlage 1

Inrichtingsplan natuurcompensatie en -versterking

52

Bijlage 2

Gebiedsindeling Doetinchem

99

Bijlage 3

Deelrapport natuur

101

Bijlage 4

Deelrapport trillingen

103

2

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

plan

het inpassingsplan RegioExpres met identificatienummer NL.IMRO.9925.IPRegioExpres-ont1 van de provincie Gelderland; 1.2

inpassingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5

agrarische bedrijvigheid

bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten, zoals het telen van gewassen, het houden en/of fokken van dieren, waaronder productiegerichte paardenhouderijen; 1.6

archeologisch deskundige

professioneel archeoloog die op basis van de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie bevoegd is om archeologisch onderzoek uit te voeren en/of Programma's van Eisen op te stellen en te toetsen; 1.7

archeologisch onderzoek

diverse vormen van onderzoek naar de archeologische waarden binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse archeologie; 1.8

archeologisch rapport

in rapportvorm vervat verslag van een volgens de in de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen verricht archeologisch onderzoek, op basis waarvan een conclusie kan worden getrokken over de aanwezigheid van archeologische waarden; 1.9

archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten;

4

1.10

archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten; 1.11

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.12

bestaande

a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan: 1. legaal bestaat, of; 2. wordt gebouwd, of; 3. nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, mits het bouwwerk in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime; b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van het plan bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime; 1.13

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak; 1.14

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.15

bevoegd gezag

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.16

bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.17

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.18

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.19

bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel; 1.20

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

5

1.21

bovenkant spoorstaaf

de hoogte van de bovenkant van de laagste spoorstaaf; 1.22

dagrecreatie

verblijf buiten de woning voor recreatieve doeleinden zonder dat er een overnachting elders mee gepaard gaat; 1.23

extensieve dagrecreatie

niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie; 1.24

faunavoorziening

een voorziening inclusief toeleidende rasters die: het dieren mogelijk maakt openbare infrastructuur veiliger over te steken; fungeert als rust- en verblijfplaats voor soorten; een geschikt leefgebied creëert. 1.25

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.26

geluidgevoelig gebouw

woningen en andere geluidgevoelige gebouwen overeenkomstig artikel 1 van de Wet geluidhinder; 1.27

gevaarlijke stof

stof zoals gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); 1.28

gevoelige bestemmingen

woningen met bijbehorende erven alsmede scholen, crèches en kinderopvangplaatsen met bijbehorende buitenspeelruimten; 1.29

hoogspanningsverbinding

een ondergrondse of bovengrondse verbinding met een spanningsniveau hoger dan 110 kV; 1.30

horeca van categorie 1

het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf; de volgende specifieke vormen worden onder horeca categorie 1 begrepen: dagzaak: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken en etenswaren, beide voor consumptie ter plaatse en waarvan de openingstijden grotendeels overeenkomen met die van een winkel; hotel: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of alcoholische en niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse; pension: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies voor langere tijd met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of alcoholische en niet-alcoholische dranken aan de logerende gasten;

6

restaurant: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken aan de gasten; snackbar/cafetaria: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van etenswaren al dan niet voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van zwak- en niet-alcoholische dranken; 1.31

landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde in visueel-ruimtelijk en/of cultuurhistorisch en/of ecologisch en/of geomorfologisch opzicht; 1.32

langzaam verkeer

niet-motorvoertuigen, fietsers, voetgangers en geleiders-berijders van een dier, alsmede fietsers met trapondersteuning, snorfietsers en bromfietsers, met dien verstande dat landbouwvoertuigen, brommobielen en motorrijtuigen met beperkte snelheid hier niet onder verstaan worden; 1.33

nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, de afvalinzameling, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; 1.34

onderstation

een onderstation is een elektrische installatie in het hoogspanningsnet. Het maakt een verbinding tussen twee of meerdere hoogspanningsnetten of vormt een aansluitingspunt op het hoogspanningsnet; 1.35

overkapping

een bouwwerk, al dan niet aangebouwd aan een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een slechts van boven afgesloten of afgedekte ruimte van lichte constructie zonder eigen wanden; 1.36

peil

a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land; d. indien in de regels, in afwijking van het bepaalde onder a., b. of c., specifiek een andere wijze van meten van het peil is bepaald geldt het bepaalde elders in de regels; e. in andere gevallen dan bedoeld onder a. tot en met d.: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld; 1.37

perron

bouwwerk ten behoeve van het in- en uitstappen van reizigers; 1.38

perronvoorzieningen

voorzieningen die het tijdelijke verblijf, in- en uitstappen van de reiziger op het perron mogelijk maken, zoals wachtruimten, perronoverkappingen, roltrappen, liften, trappen en kleinschalige en ondergeschikte voorzieningen voor service- en detailhandeldoeleinden waaronder kiosken;

7

1.39

prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.40

relaisgebouw

bouwwerk in de vorm van een gebouw waarin elektrotechnische voorzieningen zijn ondergebracht ten behoeve van spoorwegen en de beveiliging daarvan; 1.41

risicobron

1. inrichtingen bij welke ingevolge het 'Bevi' een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten en/of; 2. inrichtingen waar opslag, overslag en/of het gebruik van gevaarlijke stoffen plaatsvindt én die behoren tot een categorie van inrichtingen als bedoeld in bijlage 1 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer én waarvan het invloedsgebied tot over de eigen perceelsgrens reikt en/of; 3. inrichtingen waarvoor, krachtens artikel 3.12, 3.17, 3.18, 3.28, 4.1, 4.3, 4.4, 4.5, 4.7 of 4.81 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, regels gelden bij de opslag, overslag en / of het gebruik van gevaarlijke stoffen met betrekking tot minimaal aan te houden afstanden ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten en/of; 4. een inrichting waarin meer dan 1.000 kilogram consumentenvuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit of waarin professioneel vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit wordt opgeslagen of bewerkt of; 5. inrichtingen die niet onder 1 tot en met 4 vallen en waarvan de plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico is gelegen buiten de eigen perceelsgrens; 6.

Transporten van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor die vallen per 1 april 2015 onder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); 7. Transportleidingen voor gas, olie en chemicaliën (buisleidingen) die vallen onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); 1.42

risicocontour

denkbeeldige contour rondom een object (een bedrijf, buisleiding of weg), waarbinnen in geval van een calamiteit de bevolking ongewenste risico's loopt in de zin van doden en gewonden; 1.43

seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.44

speelvoorzieningen

een voorziening bestemd voor vermaak of ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt; 1.45

trillingscherm

een ondergronds bouwwerk, bedoeld voor de reductie van trillinghinder ten gevolge van spoorwegen en de daarbij behorende voorzieningen;

8

1.46

waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit.

9

Artikel 2

Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

De bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.2

De breedte van een bouwwerk

van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingslijn, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte; 2.3

De goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4

De inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; de inhoud van een eventueel ondergronds bouwwerk niet meegerekend; 2.5

De oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6

De verticale bouwdiepte van een bouwwerk

vanaf peil tot aan het laagste punt van het bouwwerk, met uitzondering van fundering of ondergeschikte onderdelen van het bouwwerk. 2.7

Ondergeschikte bouwdelen

bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

10

Hoofdstuk 2 Artikel 3

3.1

Bestemmingsregels

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.

structurele groenvoorzieningen waaronder houtige opstanden; extensieve dagrecreatie; fiets- en wandelpaden en verhardingen, niet zijnde parkeervoorzieningen; waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen; nutsvoorzieningen; kunstobjecten; geluidwerende voorzieningen; faunavoorzieningen; parkeervoorzieningen voor gemotoriseerd verkeer en fietsparkeervoorzieningen; bestaande inritten; straatmeubilair en speelvoorzieningen;

en bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen. 3.2

Bouwregels

3.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. b. c. d.

er mogen maximaal twee gebouwen per bestemmingsvlak worden opgericht; de afstand tot de bestemmingsgrens moet minimaal 2 meter bedragen; de oppervlakte per gebouw of bijbehorend bouwwerk mag maximaal 20 m² bedragen; de bouwhoogte mag maximaal 4 meter bedragen.

3.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de navolgende regels: a. de bouwhoogte mag maximaal 2 meter bedragen; b. in afwijking van het bepaalde in sub a, mag de bouwhoogte van 1. fietsenstallingen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - fietsenstalling' maximaal 4 meter bedragen; 2. speeltoestellen maximaal 6 meter bedragen; 3. verlichting, vlaggenmasten, straatmeubilair (geen terrasinrichting), kunstobjecten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 meter bedragen; 4. antennedragers inclusief antennes maximaal 15 meter bedragen; 5. geluidwerende voorzieningen maximaal 2 meter, dan wel de bestaande bouwhoogte bedragen; c. de oppervlakte van een bouwwerk geen gebouw zijnde mag maximaal 20 m² bedragen, met dien verstande de oppervlakte van fietsenstallingen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - fietsenstalling' maximaal de oppervlakte van het betreffende aanduidingsvlak mag bedragen.

11

3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.3.1

Algemeen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op de gronden met de bestemming 'Groen' de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren of uit te doen voeren: a. het aanleggen en/of verharden van wegen en paden en het aanleggen en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het aanleggen van en/of het vellen of rooien van beplantingen; c. het aanleggen en/of het dempen van watergangen en waterpartijen; d. het verlagen van en/of het graven in de bodem en het afgraven, ophogen en/of egaliseren van gronden; e. het verlagen van het (grond)waterpeil; f. het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en/of de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. 3.3.2

Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning is vereist als: a. de werken en werkzaamheden het normale onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen; b. het werken en werkzaamheden betreft die: 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een vereende vergunning. 3.3.3

Advies

Alvorens te beslissen op een verzoek om een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij een ter zake deskundige op het gebied van ecologie.

12

Artikel 4

4.1

Natuur

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - natuurcompensatie' natuurcompensatie en -versterking, waarbij geldt dat de natuurcompensatie overeenkomstig het inrichtingsplan in Bijlage 1 wordt aangelegd en duurzaam in stand wordt gehouden; b. instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden; c. extensieve dagrecreatie, zoals fiets- en wandelpaden en picknickplaatsen, alsmede zandwegen, voor zover de in sub a en/of b bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast; d. waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen, inclusief bijbehorende oevers; e. nutsvoorzieningen; en bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen. 4.2

Bouwregels

Voor het bouwen van bebouwing gelden de volgende regels: a. het bouwen van gebouwen is niet toegestaan; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van erfafscheidingen en bouwwerken ten behoeve van extensieve dagrecreatieve voorzieningen mag niet meer dan 2 meter bedragen. 4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de in lid 4.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden, uit te voeren: 1. aanleggen en verharden van wegen, paden en andere verhardingen; 2. egaliseren, ophogen, afgraven van gronden; 3. bebossen en beplanten met houtopstanden; 4. vellen en rooien van houtopstanden, tenzij al een kapvergunning nodig is op basis van de gemeentelijke Bomenverordening, alsmede indien de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden, van toepassing is; 5. aanleg ondergrondse leidingen; 6. dempen van sloten en graven van watergangen; b.

Een omgevingsvergunning als bedoeld in sub a mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen; c. Geen omgevingsvergunning als bedoeld in sub a is vereist voor: 1. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden ten behoeve van normaal beheer en onderhoud zoals toegestaan in lid 4.1; 2. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden welke op het moment van het inwerking treden van het plan legaal in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende, dan wel aangevraagde vergunning; 3. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden ten behoeve van de realisering en aanleg van de compensatie zoals opgenomen in Bijlage 1.

13

Artikel 5

5.1

Verkeer

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g.

verkeer en verblijf; voet- en fietspaden; geluidwerende voorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; nutsvoorzieningen; kunstobjecten; parkeervoorzieningen voor gemotoriseerd verkeer en fietsparkeervoorzieningen, met dien verstande dat parkeervoorzieningen voor gemotoriseerd verkeer niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'parkeren uitgesloten'; h. groenvoorzieningen; i. straatmeubilair en speelvoorzieningen; j. bestaande tunnels; k. gelijkvloerse kruisingen voor (spoor)wegen en water; l. faunavoorzieningen; met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 5.2

Bouwregels

5.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen op gronden met de bestemming 'Verkeer' gelden de navolgende regels: a. de bouwhoogte van de gebouwen mag maximaal 4 meter bedragen; b. de oppervlakte van een gebouw mag maximaal 20 m² bedragen. 5.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c. d.

de bouwhoogte van palen, masten en verkeerstekens bedraagt ten hoogste 12 meter; de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen bedraagt ten hoogste 2 meter; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 4 meter; de oppervlakte bedraagt maximaal 20 m².

5.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 5.2, op gronden met de bestemming 'Verkeer' nadere eisen stellen met betrekking tot: a. b. c. d.

dakvormen, dakhellingen en nokrichtingen van bouwwerken; de goot- en bouwhoogte van bouwwerken; de afmetingen van bouwwerken; het aantal en de situering van bouwwerken;

onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan. 5.4

Afwijken van de bouwregels

5.4.1

Gebouwen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.1 sub a voor de bouwhoogte van gebouwen tot maximaal 5 meter, onder voorwaarden dat:

14

a. niet onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de stroom- of ontsluitingsfunctie van gronden met de bestemming 'Verkeer'; b. vooraf advies wordt ingewonnen bij een ter zake deskundige op het gebied van stedenbouw en verkeer; c. de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is. 5.4.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2.2 sub b voor de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde tot maximaal 30 meter onder voorwaarden dat: a. niet onevenredig inbreuk wordt gedaan aan de stroom- of ontsluitingsfunctie van de gronden met de bestemming 'Verkeer'; b. vooraf advies wordt ingewonnen bij een ter zake deskundige op het gebied van stedenbouw en verkeer; c. de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is.

15

Artikel 6

6.1

Verkeer - Railverkeer

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Railverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. spoorwegen; b. bij een spoorweg behorende voorzieningen zoals, onderhoudswegen, calamiteitenwegen, ontsluitingswegen voor aan het spoor grenzende percelen, taluds, groenvoorzieningen, water, relaisgebouwen en overige elektriciteitsvoorzieningen, brandveiligheidsvoorzieningen en voorzieningen voor geleiding en beveiliging van het spoor; c. faunavoorzieningen; d. gelijkvloerse en ongelijkvloerse kruisingen voor verkeer; e. fiets- en voetpaden; f. parkeer- en groenvoorzieningen; g. fietsenstallingen; h. geluidwerende voorzieningen; i. trillingschermen; j. nutsvoorzieningen; k. ter plaatse van de aanduiding 'horeca', tevens voor horeca van categorie 1, met uitzondering van een hotel of pension; l. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - railverkeer - perrons': tevens voor perrons en perronvoorzieningen; m. overige bouwwerken, zoals bruggen, dammen en duikers; met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen. 6.2

Bouwregels

6.2.1

Gebouwen

Voor gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - railverkeer - perrons'; b. binnen het bouwvlak bedraagt de bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven waarde; c. tunnels zijn, in afwijking van het bepaalde onder a., tevens buiten het bouwvlak toegestaan; d. de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van perronvoorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - railverkeer - perrons' bedraagt ten hoogste 4,5 m, gemeten vanaf de bovenkant spoorstaaf. 6.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels, waarbij gemeten wordt vanaf de bovenkant spoorstaaf: a. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 5 meter; b. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen bedraagt ten hoogste 2 meter; c. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 10 meter. 6.3

Afwijken van de bouwregels

6.3.1

Bouwhoogte gebouwen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2.1 sub b voor de bouwhoogte van gebouwen tot maximaal 5 meter, onder voorwaarden dat: a. niet onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de stroom- of ontsluitingsfunctie van de gronden met de

16

bestemming 'Verkeer - Railverkeer'; b. de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is. 6.3.2

Bouwhoogte geluidwerende voorzieningen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2.2 sub b voor de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen tot maximaal 3 meter, gemeten vanaf de bovenkant spoorstaaf, onder voorwaarden dat: a. de noodzaak voor een hogere geluidwerende voorziening blijkt uit akoestisch onderzoek; b. de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is. 6.4

Specifieke gebruiksregels

6.4.1

Strijdig gebruik

Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 6.4.2

Voorwaardelijke verplichting natuurcompensatie en faunapassages

a. Het in gebruik nemen van gronden ten dienste van de in 6.1 onder a. en/of b. genoemde doeleinden is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarden dat: 1. de natuurcompensatie en -versterking, zoals opgenomen in Bijlage 1 binnen de bestemming 'Natuur' ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - natuurcompensatie' uiterlijk binnen 2 jaar na realisatie van het dubbelspoor is gerealiseerd; 2. de faunapassages, zoals opgenomen in Bijlage 3 uiterlijk binnen 2 jaar na realisatie van het dubbelspoor zijn gerealiseerd; 3. de onder 1. en 2. bedoelde compenserende maatregelen na realisatie duurzaam worden beheerd en in stand gehouden; b. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op een gebruik dat reeds is toegestaan conform het voor inwerkingtreding van dit inpassingsplan geldende plan.

6.4.3

Voorwaardelijke verplichting trillingschermen

a. Het in gebruik nemen van gronden ten dienste van de in 6.1 onder a. en/of b. genoemde doeleinden is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarden dat: 1. de noodzakelijke trillingschermen, zoals opgenomen in Bijlage 4 uiterlijk ten tijde van de ingebruikname van het dubbelspoor is gerealiseerd; 2. de onder 1. bedoelde voorzieningen na realisatie duurzaam in stand worden gehouden; b. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op een gebruik dat reeds is toegestaan conform het voor inwerkingtreding van dit inpassingsplan geldende plan.

17

Artikel 7

7.1

Water

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het ontvangen, bergen en/of afvoeren van water zoals waterlopen en andere watergangen met de daarbij behorende oeverstroken; b. extensieve dagrecreatie; c. beroeps- en pleziervaart, ter plaatse van de aanduiding 'vaarweg'; d. de instandhouding van de aanwezige natuurlijke waarden, visuele waarden en landschappelijke waarden; e. infrastructurele voorzieningen; f. groen- en nutsvoorzieningen; en bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen. 7.2

Bouwregels

7.2.1

Algemeen

Op de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming 'Water' worden gebouwd. 7.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde op gronden met de bestemming 'Water' gelden de navolgende regels: a. de bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen; b. in afwijking van het bepaalde in sub a mag de bouwhoogte van: 1. dammen, duikers en vergelijkbare bouwwerken maximaal 4 m bedragen; 2. verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 m bedragen; 3. antennedragers inclusief antennes maximaal 15 m bedragen; 4. bruggen en vergelijkbare bouwwerken maximaal 20 m bedragen; c. de oppervlakte per bouwwerk geen gebouw zijnde, niet zijnde bruggen, aanlegsteigers, dammen en duikers, mag maximaal 20 m² bedragen. 7.3

Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 7.2, op gronden met de bestemming 'Water' nadere eisen stellen met betrekking tot: a. de bouwhoogte van bouwwerken; b. de afmetingen van bouwwerken; c. het aantal en de situering van bouwwerken; onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan.

18

Artikel 8

Verkeer - Railverkeer Voorlopig

8.1

Voorlopige bestemming

8.1.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Railverkeer Voorlopig' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bouwwegen en werkterreinen voor de aanleg van spoorwegen, overwegen en ongelijkvloerse kruisingen; b. ontsluitingswegen en paden; c. gelijkvloerse en ongelijkvloerse kruisingen; d. opslagterreinen; e. parkeervoorzieningen; f. groenvoorzieningen; g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen zoals bruggen en duikers; h. civieltechnische voorzieningen; i. geluidwerende voorzieningen; j. nutsvoorzieningen; k. duikers, stuwen en bruggen; met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen. 8.1.2

Bouwregels

Voor het bouwen geldende de volgende regels: a. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 10 meter; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 10 meter. 8.1.3

Geldigheidsduur voorlopige bestemming

a. De termijn waarvoor de voorlopige bestemming geldt bedraagt 5 jaar, gerekend vanaf de dag van inwerkingtreding van dit inpassingsplan. b. Indien het dubbelspoor binnen de bestemming 'Verkeer - Railverkeer' eerder dan na afloop van de onder a. bedoelde termijn in gebruik wordt genomen, eindigt de geldingsduur van de voorlopige bestemming zes maanden na ingebruikname van het dubbelspoor. c. Na verloop van de geldingsduur als bedoeld onder a. en/of b., gelden de in artikel 8.2 opgenomen definitieve bestemmingen. 8.2

Definitieve bestemming

8.2.1

Groen

Ter plaatse van de aanduiding 'groen' zijn de regels van de in Artikel 3 opgenomen bestemming 'Groen' van overeenkomstige toepassing op de definitieve bestemming van de gronden als bedoeld in artikel 8.1.1. 8.2.2

Specifieke vorm van groen - 1

a. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - 1' is de bestemming 'Groen - 1' van toepassing als definitieve bestemming van de gronden als bedoeld in artikel 8.1.1; b. de voor 'Groen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor groen- en speelvoorzieningen, dierenweiden, hondentoilet, watergangen en -partijen, geluidwerende voorzieningen, nutsvoorzieningen, fiets- en voetpaden, in- en uitritten, en andere, ondergeschikte verhardingen; c. op de voor 'Groen - 1' aangewezen gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, waarbij de volgende regels gelden: 1. bouwhoogte mag niet meer dan 3 m bedragen; 2. ten dienste van dierenweiden zijn bouwwerken toegestaan ten behoeve van het verblijf en

19

verzorgen van dieren met een maximale oppervlakte van 40 m² en een maximale goot- en bouwhoogte van 2 en 4,5 meter. 8.2.3

Verkeer

Ter plaatse van de aanduiding 'verkeer' zijn de regels van de in Artikel 5 opgenomen bestemming 'Verkeer' van overeenkomstige toepassing op de definitieve bestemming van de gronden als bedoeld in artikel 8.1.1. 8.2.4

Agrarisch

a. Ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch' is de bestemming 'Agrarisch' van toepassing als definitieve bestemming van de gronden als bedoeld in artikel 8.1.1; b. de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. agrarische bedrijvigheid; 2. extensieve dagrecreatie; 3. fiets- en wandelpaden en verhardingen, niet zijnde parkeervoorzieningen; 4. instandhouding van aanwezige natuur- en landschapswaarden; 5. waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen; 6. groen- en nutsvoorzieningen; 7. bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen; c. op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, waarbij de volgende regels gelden: 1. het oprichten van kuilvoerplaatsen, tunnelkassen, windturbines, mestopslag, dierenverblijven en silo's is niet toegestaan; 2. de bouwhoogte mag maximaal 1 meter bedragen; 3. in afwijking van het bepaalde in sub c.2 mag de bouwhoogte van: erf- en terreinafscheidingen maximaal 1,2 meter bedragen; antennedragers inclusief antennes, verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 meter bedragen; 4. de totale oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag maximaal 20 m² per hectare bedragen. 8.2.5

Bos

a. Ter plaatse van de aanduiding 'bos' is de bestemming 'Bos' van toepassing als definitieve bestemming van de gronden als bedoeld in artikel 8.1.1; b. de voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. bos; 2. instandhouding van bos ten behoeve van aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen natuur- en landschapswaarden; 3. bosbouw voor zover de onder 2. bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast; 4. extensieve dagrecreatie; 5. water; 6. onverharde wegen; 7. nutsvoorzieningen; 8. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water; c. op de voor 'Bos' aangewezen gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter, met dien verstande dat: 1. de bouwhoogte van verlichting niet meer mag bedragen dan 4 meter; 2. de totale oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal 20 m² per hectare mag bedragen. d. het is verboden om zonder omgevingsvergunning op gronden met de bestemming 'Bos' de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren of uit te doen voeren: 1. het aanleggen en/of verharden van wegen en paden en het aanleggen en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; 2. het aanleggen van en/of het vellen of rooien van beplantingen; 3.

het aanleggen en/of het dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;

20

4. het verlagen van en/of het graven in de bodem en het afgraven, ophogen en/of egaliseren van gronden; 5. het verlagen van het (grond)waterpeil; 6. het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; 7. het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en/of de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. e. geen omgevingsvergunning als bedoeld in sub d. is vereist als: 1. de werken en werkzaamheden het normale onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen; 2. het werken en werkzaamheden betreft die: 3. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening; 4. al mogen worden uitgevoerd op basis van een andere vergunning, waarin de te beschermen waarden al zijn meegewogen. f. alvorens te beslissen op een verzoek om een omgevingsvergunning als bedoeld in sub d. wint het bevoegd gezag advies in bij een deskundige op het gebied van landschap. 8.2.6

Water

a. Ter plaatse van de aanduiding 'water' is de bestemming 'Water' van toepassing als definitieve bestemming van de gronden als bedoeld in artikel 8.1.1; b. de voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. watergangen, waterpartijen, oevers, taluds, onderhoudspaden en kaden; 2. waterhuishouding en verkeer te water; 3. instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden; 4. extensieve dagrecreatie; 5. voet- en/of fietspaden. c. op de voor 'Water' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte mag niet meer dan 3 m mag bedragen. d. onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt in ieder geval wordt begrepen het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vast of vloeibare afvalstoffen.

21

Artikel 9

9.1

Leiding - Gas

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de aanleg en de instandhouding van een ondergrondse hogedruk aardgastransportleiding, nutsvoorzieningen en bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen. 9.2

Bouwregels

Voor het bouwen van bebouwing gelden de volgende regels: a. op of in de in lid 9.1 bedoelde gronden met de bestemming 'Leiding - Gas' mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bedoelde leiding, alsmede nutsvoorzieningen worden gebouwd; b. de bouwhoogte van de onder a. bedoelde bouwwerken mag niet meer dan 4 meter bedragen. 9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden op of in de in lid 9.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanbrengen, vellen en/of rooien van hoogopgaande en/of diepwortelende beplanting, bijvoorbeeld rietbeplanting; 2. het verlagen van de bodem en/of het graven in de bodem en het afgraven, ophogen en/of egaliseren van gronden; 3. het indrijven van (scherpe) voorwerpen in de bodem en/of het uitvoeren van heiwerkzaamheden; 4. diepploegen; 5. het aanbrengen van gesloten verhardingen; 6. het verlagen van het (grond)waterpeil; 7. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen; 8. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen; 9. het plaatsen van onroerende objecten, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair. b.

Het verbod als bedoeld in sub a is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die: 1. voorkomen op de beplantingslijst van de leidingbeheerder; 2. mechanisch worden uitgevoerd en daarmee vallen onder de werking van de Wet Informatie Uitwisseling Ondergrondse Netwerken; 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan; 4. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; 5. normaal onderhoud betreffen of worden uitgevoerd t.b.v. de instandhouding van de leiding(en). c. De werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden bedoeld in sub a zijn slechts toelaatbaar indien dit niet strijdig is met de belangen van de leidingen. d. Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in sub a te beslissen, wint het bevoegd gezag tijdig schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden de belangen in verband met de leidingen niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

22

Artikel 10

10.1

Leiding - Hoogspanning 150 kV

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Hoogspanning 150 kV' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. de aanleg, instandhouding en/of bescherming van een ondergrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding met de daarbij behorende belemmeringenstrook; b. nutsvoorzieningen; c. toegangswegen. 10.2

Bouwregels

10.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van nutsvoorzieningen; b. bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde ten behoeve van de in 10.1 bedoelde bestemming. 10.2.2 Specifieke bouwregels a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, als bedoeld in 10.2.1 mag niet meer dan 4 meter bedragen; b. op deze gronden mag ten behoeve van de overige voor deze gronden geldende bestemming(en) niet worden gebouwd, tenzij het gaat om (vervanging van) bestaande bouwwerken. 10.3

Afwijken van de bouwregels

10.3.1 Afwijkingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.2 ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de in lid 10.2.2 bedoelde andere daar voorkomende bestemming(en). 10.3.2 Toelaatbaarheid Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien de belangen van de leiding(en) hierdoor niet worden geschaad. 10.3.3 Adviesprocedure voor afwijkingen Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.3.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en) omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten de belangen van de leiding(en) niet worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden. 10.3.4 Omgevingsvergunningplicht Het is verboden op binnen de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning 150 kV' gelegen gronden de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplanting en bomen, dieper dan 0,80 meter onder maaiveld; b. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem, dieper dan 0,80 meter onder maaiveld; d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage, dieper dan 0,80 meter onder maaiveld; e.

het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen;

23

f. het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen; g. het aanleggen van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; h. het aanbrengen en/of slopen van ondergrondse constructies, installaties, opstallen of apparatuur anders dan ten dienste van deze in lid 10.1 omschreven bestemming. 10.3.5 Uitzonderingen Het in lid 10.3.4 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden die: a. b. c. d.

betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; vallen onder de Wet Informatie-uitwisseling Boven- en Ondergrondse Netten.

10.3.6 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 10.3.4 zijn slechts toelaatbaar voor zover de belangen van de leiding(en) hierdoor niet worden geschaad. 10.3.7 Adviesprocedure Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.3.4 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en) omtrent de vraag of door de uitvoering van de voorgenomen werken en werkzaamheden de belangen van de leiding(en) niet worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.

24

Artikel 11

11.1

Leiding - Hoogspanningsverbinding 150/380 kV en 380 kV

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 150/380 kV en 380 kV' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. een gecombineerde bovengrondse 150 kV / 380 kV-hoogspanningsverbinding dan wel een bovengrondse 380 kV hoogspanningsverbinding met de daarbij behorende belemmeringenstrook; b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. groenvoorzieningen; d. nutsvoorzieningen; e. toegangswegen; f. waterlopen en waterpartijen; g. waterhuishoudkundige voorzieningen. 11.2

Bouwregels

11.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van nutsvoorzieningen; b. bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde ten behoeve van de in 11.1 bedoelde bestemming. 11.2.2 Specifieke bouwregels a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, als bedoeld in 11.2.1 mag niet meer dan 4 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van hoogspanningsmasten niet meer dan 80 meter mag bedragen; b. op deze gronden mag ten behoeve van de overige voor deze gronden geldende bestemming(en) niet worden gebouwd, tenzij het gaat om (vervanging van) bestaande bouwwerken. 11.3

Afwijken van de bouwregels

11.3.1 Afwijkingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 11.2 ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de in lid 11.2.2 bedoelde andere daar voorkomende bestemming(en). 11.3.2 Toelaatbaarheid Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien de belangen van de leiding(en) hierdoor niet worden geschaad. 11.3.3 Adviesprocedure voor afwijkingen Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.3.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en) omtrent de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten de belangen van de leiding(en) niet worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.

25

11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 11.4.1 Omgevingsvergunningplicht Het is verboden op binnen de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 150/380 kV en 380 kV' gelegen gronden de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e.

het aanbrengen en/of rooien van opgaande beplanting en bomen; het wijzigen van maaiveld of weghoogte door ontgrondingswerkzaamheden of ophoging; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen; het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen; het aanbrengen en/of slopen van bovengrondse constructies, installaties, opstallen of apparatuur anders dan ten dienste van deze in lid 11.1 omschreven bestemming; f. het aanleggen van wegen en parkeergelegenheden; g. het aanleggen van zonneparken. 11.4.2 Uitzonderingen Het in lid 11.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden die: a. b. c. d.

betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; vallen onder de Wet Informatie-uitwisseling Boven- en Ondergrondse Netten.

11.4.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 11.4.1 zijn slechts toelaatbaar voor zover de belangen van de leiding(en) hierdoor niet worden geschaad. 11.4.4 Adviesprocedure Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en) omtrent de vraag of door de uitvoering van de voorgenomen werken en werkzaamheden de belangen van de leiding(en) niet worden geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden.

26

Artikel 12

12.1

Leiding - Riool

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. de aanleg en de instandhouding van een rioolwatertransportleiding; b. een vrijwaringszone aan weerszijden vanuit het hart van de leiding; c. nutsvoorzieningen; en bij de bestemming behorende bouwwerken voorzieningen. 12.2

Bouwregels

12.2.1 Algemeen Op de in lid 12.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming 'Leiding - Riool' worden gebouwd. 12.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde geldt dat: a. de bouwhoogte maximaal 4 meter mag bedragen; b. het bouwen van overkappingen niet is toegestaan. 12.3

Afwijken van de bouwregels

12.3.1 Bouwen t.b.v. andere voorkomende bestemming(en) Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 12.1 en 12.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en), onder voorwaarden dat: a. het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de rioolwatertransportleiding; b. vooraf advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder; c. de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is. 12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 12.4.1 Algemeen Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op gronden met de bestemming 'Leiding - Riool' de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren of uit te doen voeren: a. het aanleggen en/of verharden van wegen en paden en het aanleggen en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het aanleggen en/of het vellen of rooien van beplantingen; c. het aanleggen en/of het dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen; d. het verlagen van en/of het graven in de bodem en het afgraven, ophogen en/of egaliseren van gronden; e. het verlagen van het (grond)waterpeil; f. het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g.

het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en/of de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.

27

12.4.2 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning is vereist als: a. de werken en werkzaamheden het normale onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen; b. het werken en werkzaamheden betreft die: 1. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan; 2. mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende: omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het kappen; of ontgrondingsvergunning. 12.4.3 Voorwaarden Alvorens te beslissen op een verzoek om een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de leidingbeheerder.

28

Artikel 13

13.1

Waarde - Archeologie hoge verwachting

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de vastgestelde en verwachte waarden. 13.2

Bouwregels

13.2.1 Algemeen Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. indien uit het in onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht of; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige en/of; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; c.

het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door een archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld, waarbij het bepaalde onder b van overeenkomstige toepassing is.

13.2.2 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.2.1 onder a, wint het bevoegd gezag advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja of de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 13.2.1 onder b sub 1 tot en met 4 dienen te worden gesteld.

13.2.3 Uitzondering bouwregels Het bepaalde in artikel 13.2.1 onder a is niet van toepassing indien: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt vergroot en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met uitzondering van nieuwe kelders.

29

13.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 13.3.1 Vergunningplicht Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,2 m onder maaiveld, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakte verhardingen en het graven van een bouwput; c. bodem verlagen of afgraven dieper dan 0,2 m onder maaiveld (ook voor het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; d. het verlagen van het waterpeil; e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 13.3.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het in lid 13.3.1 opgenomen verbod geldt niet: a.

voor werken en werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,2 m onder het bestaande maaiveld; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; c. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; d. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; e. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend; f. als op grond van de Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Erfgoedwet gelden. 13.3.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de in lid 13.3.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a. de vergunning kan uitsluitend worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, dat zal moeten blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen.

In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd bezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, die is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. 13.3.4 Voorschriften Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;

30

b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; d. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan. 13.3.5 Advies Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 13.3.1 wint het advies in bij een archeologisch deskundige. 13.4

Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan het inpassingsplan wijzigen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' geheel of gedeeltelijk te verwijderen als: a. op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b. er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

31

Artikel 14

14.1

Waarde - Archeologische verwachting 2

Bestemmingsomschrijving

a. De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) of functies, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem; b. Als een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op één bouwperceel, moet uitgegaan worden van de waarde die past bij de onderliggende verwachtingszone.

14.2

Bouwregels

14.2.1 Archeologisch rapport Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 100 m² en met een bodemverstoring dieper dan 0,3 m dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. b. als uit in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7969/documents/45387