CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Evaluatierapport Beleidskader sociaal domein 2017-2020.pdf

gemeenteraad 6 juli 2023, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 8: Evaluatie beleidskaders sociaal domein 2017-2020 en Uitgangspunten nieuw beleidskader sociaal domein20.363 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

geformuleerde beleid. Zo moet er vanuit de Participatiewet soms een hele checklist afgewerkt worden, terwijl dit dan haaks staat op wat er in die situatie nodig is. Nu Buurtplein aanhaakt bij gesprekken met het beleidsteam lijkt er wel meer mogelijk. Ondanks beperkingen vanwege wet- en/of regelgeving wordt er toch gekeken naar wat wel kan. Hierbij zijn de financiën niet leidend: de beste oplossing is de beste oplossing. Om in beeld te krijgen of het beoogde resultaat ook is bereikt, worden bij de uitvoering van de Jeugdwet kinderen/jongeren over de jaren heen gemonitord en de resultaten bijgehouden. Bij de Wmo wordt dit anders ervaren. Resultaten worden na een Wmoprocedure niet altijd geëvalueerd. Zo heeft iemand de indruk dat wanneer iemand een voorziening krijgt, er niet altijd na een (half) jaar wordt gekeken of deze voorziening tot het gewenste resultaat heeft geleid en of dit de beste oplossing is/was. Bij het toewerken naar normalisatie wordt genoemd dat het netwerk van de cliënt niet altijd helpend is. Coachende huishoudelijke hulp, waarbij het huishouden samen wordt gedaan met als doel dat iemand het later weer zelf kan, wordt als waardevol gezien. Niet alle aanbieders kunnen en doen dit.

Ondanks dat de vernieuwde werkwijze op basis van het nieuwe inkoopbeleid is ingezet om aanbieders meer ruimte te geven het beoogde resultaat te bereiken, ervaren Buurtpleiners dat dit nog niet altijd zo werkt. Zo geven Buurtpleiners aan dat zorgaanbieders nog wat aan het stoeien zijn met de vernieuwde werkwijze. De lumpsum financiering blijkt soms moeilijk toepasbaar in de praktijk. Aanbieders hebben zich bij inschrijving echter wel aan de nieuwe wijze van financiering gecommitteerd. Als de cliënt zorg of ondersteuning nodig heeft die een aanbieder niet in het pakket heeft, moet de aanbieder hierover afstemmen met een andere aanbieder. Dit wordt als complex ervaren. Er is zorg onder de Buurtpleiners hoe dit uit zal pakken voor de cliënten. Ook geven medewerkers van Buurtplein aan dat zij specialistische aanbieders niet altijd goed kunnen vinden. Medewerkers hebben de indruk dat 23

sommige zorgaanbieders op papier veel meer specialismen aanbieden dan zij in praktijk waar kunnen maken. Daarnaast wordt bij sommige aanbieders een commerciële blik gezien. Externe professionals Ook een deel van de externe professionals geeft aan tegen beleid en regels aan te lopen door de vernieuwde werkwijze op basis van het nieuwe inkoopbeleid. Zij ervaren het als belemmerend dat er maar één indicatie afgegeven mag worden, terwijl iemand soms het beste op zijn plek is bij meerdere zorgaanbieders2. De regellast hierin wordt niet verminderd. Sommige externe professionals ervaren dat hierdoor de integraliteit en de eigen regie van de cliënt afneemt en cliënten niet meer vrij zijn om te kiezen waar zij geholpen willen worden. De ervaring van een deel van de externe professionals is dat de ruimte voor creatieve oplossingen verdwijnt. De vernieuwde werkwijze lijkt voor hen meer op een administratieve beheerskwestie door het aantal aanbieders te verminderen dan op een methode om te kiezen voor de best passende zorg. ‘Het systeem lijkt belangrijker dan de inhoud. Hierbij is de inhoud van het beleid wel mooi, maar staat het systeem de doelen in de weg.’ Enkele externe professionals geven aan dat zij als zorgaanbieder niet (altijd) kunnen uitvoeren wat de gemeente wil. Hierdoor komen uitvoerders niet aan de ‘hoe-vraag’ toe.

Het gesprek hierin is weggevallen tussen de consulent, cliënt en uitvoerende zorgpartij. Deze externe professionals hebben het idee dat er van alles aan hen gevraagd mag worden en dat zij maar moeten zien hoe ze dit kunnen waarmaken, terwijl eerder de uitvoerende zorgpartij ook expertise in mocht zetten door mee te denken met de ‘wat-vraag’. Consulenten hebben, volgens deze externe professionals, soms nog onvoldoende

in de vingers om de ‘wat-vraag’ af te stemmen. De parallelliteit lijkt te verdwijnen. Enkele externe professionals merken op dat er andersom is gewerkt: ’als je wilt dat mensen zo gewoon mogelijk meedoen, moet er eerst een goed voorliggend veld gecreëerd worden en dan pas kan gekeken worden naar wat nodig is in aanbestedingen.’ Er wordt zoveel mogelijk gekeken hoe normalisatie bereikt kan worden en zorg afgebouwd kan worden. Ook wordt de nieuwe manier van financiering door het nieuwe inkoopbeleid door de externe professionals als moeilijk ervaren. Het gevoel heerst dat men een jaar van tevoren al moet weten welke zorg ingekocht moet worden bij andere partijen om cliënten op tijd te helpen. Praktijk en beleid komen hierin niet bij elkaar. Soms lijkt er meer ruimte in beleid, maar wordt dit niet zo vertaald. Zo wordt bijvoorbeeld de grens van 18 jaar als lastig ervaren: overgang van Jeugdwet naar Wmo en de verschillende financiële potjes hiervoor. Externe professionals ervaren een gebrek aan vertrouwen in de uitvoering van de ondersteuning aan cliënten. De externe professionals zouden daarom graag meer flexibiliteit zien in het systeem en in de toepassing van regels, meer over grenzen willen gaan en meer vertrouwen ontvangen.

Beleidsteam De insteek van het nieuwe inkoopbeleid is om meer resultaatgericht te werken, meer vrijheid te bieden voor inwoners, zorgaanbieders en de gemeente zelf, en meer samen te werken. Volgens het beleidsteam werken organisaties nog vaak met een financieringsbril. Een opbrengst kan voor de ene partij baat hebben, terwijl de financiering bij een andere partij ligt. Volgens het beleidsteam kan er vaak meer dan men denkt; financieringsregels hoeven niet altijd belemmerend te zijn.

De bedoeling van de nieuwe werkwijze is dat het nog

gaan werken. Juist om die integraliteit te bevorderen. Waar

steeds mogelijk blijft dat iemand bij meerdere

voorheen vaak meerdere zorgaanbieders met afzonderlijke

zorgaanbieders terecht kan. Echter, één aanbieder krijgt de

indicaties los van elkaar aan het werk waren. Het is dus wel

opdracht om te komen tot integrale ondersteuning. Waarbij

mogelijk. Maar blijkbaar wordt dit nog niet zo ervaren door

vervolgens verwacht wordt dat aanbieders meer samen

de zorgaanbieders

2

24

Ervaringen inwoners Over de jaren heen is over het algemeen te zien dat meer cliënten ervaren beter de dingen te kunnen doen die zij willen, zich beter te kunnen redden en een betere kwaliteit van leven te ervaren. Uit de cliëntervaringsonderzoeken Wmo kunnen we afleiden dat de ondersteuning die cliënten krijgen, leidt tot resultaat. Echter, er kan op basis van de cliëntervaringsonderzoeken niet gezegd worden of de ondersteuning leidt tot normalisatie (dat de cliënt zonder ondersteuning weer verder kan). Uit de cliëntervaringsonderzoeken Jeugdwet blijkt dat de ondersteuning van cliënten leidt tot een positief resultaat. Gemiddeld genomen geeft 80% van de cliënten aan resultaat te zien op het gebied van opgroeien, zelfstandigheid en zelfredzaamheid. In 2021 geeft maar 68% van de cliënten aan zichzelf door de ondersteuning beter te kunnen redden. Meedoen in de eigen omgeving scoort iets lager met ongeveer 60%-70%. Daarnaast is over het algemeen na 2017 een daling en vanaf 2018 een stijging te zien op het gebied van opgroeien, zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Tot slot is in 2020 en 2021 de kwaliteit van leven uitgevraagd. Bijna 70% van de cliënten geeft aan een betere kwaliteit van leven te ervaren door de ondersteuning.

Echter, er kan op basis van de cliëntervaringsonderzoeken niet gezegd worden of de ondersteuning leidt tot normalisatie (dat de cliënt zonder ondersteuning weer verder kan).

Interviews Cliëntvertegenwoordigers De cliëntvertegenwoordigers ervaren dat er niet altijd wordt gekeken naar wat iemand nodig heeft. Een cliënt krijgt niet altijd wat hij/zij vraagt. Zo wordt gezegd dat cliënten vaak zelf een oplossing moeten vinden; er worden geen andere opties aangeboden. Ook wordt ervaren dat alleen de specifieke problemen die naar voren komen, worden bekeken. Wel wordt door hen ervaren dat het steeds beter gaat om ook naar andere terreinen te kijken en niet alleen naar het eigen domein van de organisatie. De ondersteuning is gericht op het zelfstandig verder kunnen, maar monitoring hierin wordt gemist. 25

4.5 Kaderpunt 5 We bieden maatwerk afgestemd op de ondersteuningsbehoefte. Om maatwerk af te stemmen op de ondersteuningsbehoefte is het van belang om goed naar de cliënt te luisteren, de cliënt serieus te nemen, zoveel mogelijk relevante informatie over de cliënt te verzamelen en samen met de cliënt de ondersteuning af te stemmen.

In hoeverre kijken professionals samen met de cliënt naar de vraag-achter-de-vraag? Interviews Laborijn Medewerkers van Laborijn geven aan dat zij aandacht besteden aan het breder kijken naar de vraag van de cliënt. Dit gebeurt voornamelijk bij de screening van cliënten. De ervaring is dat er vaak meer aan de hand is dan alleen werkgerelateerde of financiële problematiek. De re-integratieconsulent stemt daarom regelmatig af met de andere organisaties die betrokken zijn bij de cliënt. Wel is het voor Laborijnmedewerkers vaak ook onoverzichtelijk waar zij heen moeten om de juiste zorg voor de cliënt te vinden. ‘Als Laborijn het al niet weet, dan kan de klant het haast ook niet op eigen kracht.’ Er zijn veel verschillende loketten.

In hoeverre ervaren inwoners/cliënten dat er samen met de professional wordt gekeken naar de vraag-achter-de-vraag? Uit de cliëntervaringsonderzoeken Wmo blijkt dat cliënten ervaren dat hulpverleners naar hen luisteren en dat zij serieus genomen worden. In 2021 ervaart een hoger percentage cliënten dit (circa 95%) dan in de periode 2017 t/m 2020 (circa 80%/85%). Opvallend is dus de forse toename in 2021. Ook blijkt dat cliënten over het algemeen ervaren dat er samen met hen naar een oplossing is gezocht voor de hulpvraag. Over de jaren heen is te zien dat ongeveer 80% van de cliënten die de vragenlijst

hebben ingevuld, ervaart dat er samen met hen naar een oplossing wordt gezocht. In 2020 (77%) is hierin een daling te zien ten opzichte van 2019 (83%). Vervolgens is er een stijging te zien tussen 2020 (77%) en 2021 (88%). Bijna alle cliënten vinden de ondersteuning passend en zijn het eens met de gekozen oplossing. Hierbij is te zien dat cliënten het over de jaren heen steeds vaker eens zijn met de gekozen oplossing. Ook hier is een toename te zien tussen 2020 (85%) en 2021 (90%). Daarnaast schommelt de trend enigszins wat betreft een passende ondersteuning tussen 2017 (85%) en 2021 (89%). Ondanks dat de overgrote meerderheid voelt dat er naar hen geluisterd wordt, dat zij serieus genomen worden en dat de oplossing passend is, ervaren niet alle cliënten dit zo. Enkele cliënten geven aan ontevreden te zijn over de aansluiting van de ondersteuning en de inschatting van de hulpvraag, waaronder het aantal uur aan hulp. Uit de cliëntervaringsonderzoeken Jeugdwet blijkt dat cliënten ervaren dat hulpverleners naar hen luisteren, dat zij serieus genomen worden, dat zij hun mening kunnen geven en dat de hulpverleners genoeg informatie verzamelen om hen te kunnen helpen (over het algemeen 85%-90% tevreden). Over het algemeen schommelen de ervaringen over de jaren heen.

Daarnaast blijkt dat jongeren en ouders met jeugdhulp over het algemeen tevreden zijn over het samen zoeken naar een oplossing en samen tot een beslissing komen over de hulp. In de loop van de tijd is te zien dat cliënten minder vaak heel tevreden zijn en vaker tevreden of neutraal. In 2020 en 2021 is aan de cliënten ook gevraagd of zij de ondersteuning passend vinden bij de hulpvraag. In beide jaren geeft 82% van de cliënten aan tevreden te zijn en daarbij de ondersteuning passend te vinden bij de hulpvraag. Enkele cliënten geven aan dat de ondersteuning niet altijd als passend wordt ervaren. Soms heeft het hele 26

gezin hulp nodig, maar wordt er alleen naar de hulpvrager gekeken. Soms moet het traject weer opnieuw door nalatigheid of de komst van een nieuwe medewerker/zorgverlener. Ook wordt er soms weinig kennis of onervarenheid ervaren, waardoor mogelijk niet de meest passende ondersteuning wordt gekozen.

Interviews Cliëntvertegenwoordigers De cliëntvertegenwoordigers ervaren dat er niet altijd wordt gekeken naar wat iemand nodig heeft. Zo wordt gezegd dat cliënten vaak zelf een oplossing moeten vinden; er worden geen andere opties aangeboden; er wordt bezuinigd, waardoor cliënten met meervoudige problematiek zonder begeleiding rondlopen. Ook wordt ervaren dat alleen de specifieke problemen die naar voren komen, worden bekeken. Wel wordt door hen ervaren dat het steeds beter gaat om ook naar andere terreinen te kijken en niet alleen naar het eigen domein van de organisatie. Daarnaast geven de cliëntvertegenwoordigers aan dat er wel geprobeerd wordt naar de vraag-achterde-vraag te kijken, maar dat de mogelijkheden niet altijd onuitputtelijk zijn.

27

4.6 Kaderpunt 6 We zijn eenduidig voor onze inwoners in behandeling, benadering en in doel. Het is belangrijk dat inwoners goed weten waar ze aan toe zijn als ze een ondersteuningsvraag hebben. Het uitgangspunt één huishouden, één plan, één regisseur draagt hieraan bij. Inwoners moeten ongeacht hun inhoudelijke vraag kunnen rekenen op een duidelijk aanspreekpunt, een heldere werkwijze en eenduidige afspraken over wat zij van de gemeente en de eventuele ondersteuning mogen verwachten.

In hoeverre hanteren professionals het uitgangspunt van één huishouden, één plan, één regisseur? Het uitgangspunt één huishouden, één plan, één regisseur betekent dat er per huishouden één plan beschikbaar is waarin een heldere werkwijze en eenduidige afspraken over de ondersteuning beschreven staan. De ondersteuning kan worden uitgevoerd door meerdere hulpverleners, maar de regie ligt bij één regisseur; één aanspreekpunt. De keuze voor welke regievoerder in een huishouden actief is, is afhankelijk van wat in die specifieke situatie het meest geëigend is. De betrokken professional overlegt samen met het gezin welke vorm van ondersteuning en regievoering nodig is. De ondersteuning en/of regievoering moet immers passen bij de voor dat gezin/huishouden geldende ondersteuningsbehoefte en het doel waarvoor ondersteuning nodig is. Buurtcoaches en Jeugd- en

gezinswerkers van Buurtplein vervullen vaak een belangrijke rol in het werken volgens één huishouden, één plan, één regisseur, aangezien zij vaak de regisseur zijn (Bron: Beleidskader sociaal domein Doetinchem 2017-2020). Om het werken volgens één huishouden, één plan, één regisseur te verbeteren, heeft gemeente Doetinchem in 2021/2022 de pilot ‘Eén aanpak voor het hele gezin’ uitgevoerd. Hieruit komen positieve ervaringen en aandachtspunten. Voornamelijk de samenwerking tussen de deelnemende partijen werd als meerwaarde gezien en het gebruik van één registratiesysteem voorkomt informatieverlies en bespaart tijd voor hulpverleners en gezinnen bij het evalueren. Aandachtspunten zijn communicatie, taakverdeling en ervaringen uitwisselen. Daarnaast is nog een andere pilot uitgevoerd: ‘Eén ondersteuner over de vloer’. In deze pilot zijn niet meerdere partijen betrokken, maar één vaste medewerker huishoudelijke ondersteuning die ook (lichte) individuele begeleiding biedt. Ook hier komen positieve ervaringen uit. Zowel cliënten als professionals zijn positief over deze pilot en bovendien worden kosten bespaard (Bron: ‘Doetinchemse ervaringen pilots inkoop Sociaal Domein’).

Interviews Buurtplein Het principe van één huishouden, één plan, één regisseur werkt in de praktijk vaak wel, maar niet altijd. Bij uitvoering van de Wmo wordt dit als lastiger ervaren dan bij de Jeugdwet. Het principe van één huishouden, één plan, één regisseur is soms lastig, bijvoorbeeld door wisselingen in personeel, ziekte, vakantie en langdurige afwezigheid. Bij de Wmo is er meestal één aanspreekpersoon en bij de Jeugdwet wordt er met het vierogen-principe gewerkt, waardoor er twee personen aan een casus gekoppeld zijn. Waar de regie ligt, wordt vaak bepaald op basis van waar het zwaartepunt van de casuïstiek ligt. ‘Het is soms belangrijk om een stap terug te doen, zodat andere collega’s kunnen floreren.’ Wanneer een casus complex wordt, zoals bij beschermd wonen, ervaren medewerkers het 28

lastiger om de juiste passende zorg te vinden en te bepalen wie de regie heeft. Buurtplein neemt vaak de rol op zich als spin in het web. Buurtplein wil in het registratiesysteem ook duidelijker gaan vastleggen wie de regie heeft. Volgens de medewerkers van Buurtplein is het plan bij de cliënt meestal duidelijk. Ook is binnen Buurtplein duidelijk wie wat doet per casus. Bij samenwerking met andere organisaties wordt soms gemerkt dat organisaties zich alleen verantwoordelijk voelen voor hun eigen deel en niet voor het hogere doel. Dit is volgens de medewerkers van Buurtplein organisatie- en medewerkerafhankelijk. Er is soms ook sprake van meerdere plannen, opgesteld door verschillende aanbieders. Laborijn In de praktijk blijkt dat niet alle Laborijners de term één huishouden, één plan, één regisseur kennen. Medewerkers merken dat dit niet alleen binnen, maar ook buiten Laborijn speelt. Intern is vaak duidelijk wie de regie heeft, maar daarbuiten niet altijd. Wat het volgens de medewerkers lastig maakt, is dat iedereen in een eigen registratiesysteem werkt. Er is amper informatie-uitwisseling, ook vanwege de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming). Laborijners geven bijvoorbeeld aan dat zij geen beperkingen en diagnoses mogen noteren, terwijl dit soms wel handig zou zijn.

Laborijn moet zelf bij de klant achterhalen wat er allemaal speelt en welke zorg de klant nog meer ontvangt. Klanten willen niet altijd dat Laborijn weet dat ze ook ondersteuning/zorg ontvangen van bijvoorbeeld Buurtplein. Het zou volgens Laborijners handig zijn om andere partijen beter te kennen en te weten wat andere partijen in huis hebben. Zij geven aan dat ‘ontschotten’ zou helpen. ‘Er zijn soms zoveel organisaties en personen betrokken.’ Re-integratieconsulenten geven aan, dat zij proberen één plan te maken door met andere betrokken partijen te bespreken wie wat oppakt. De klant is volgens de Laborijners op de hoogte van het plan.

Externe professionals Bij de Jeugdwet is het volgens de externe professionals vaak duidelijk wie de regie heeft, namelijk de jeugd- en gezinswerker. In andere situaties wordt vaker ervaren dat niemand zich regisseur voelt. Bij complexe zorgvragen wordt het onduidelijker waar de regie ligt en zijn er soms meerdere hulpverleners en regisseurs. Ook is het regievoeren medewerker-afhankelijk. Tot slot betekent één huishouden, één plan, één regisseur nu ook vaak één aanbieder. Het wordt hierdoor lastiger om maatwerk te bieden. Het plan is digitaal te vinden voor de cliënt. Voor sommige cliënten/groepen zou het handig zijn om het plan ook op papier te hebben. Het werken in verschillende systemen werkt niet mee om met elkaar samen te werken. Beleidsteam Volgens het beleidsteam ligt de opdracht vaak bij Buurtplein. Het is echter niet altijd duidelijk wie in de lead is. Bij bijvoorbeeld veiligheid gaat dit steeds beter. In het algemeen is het lastig om vast te stellen of iedereen volgens één plan werkt. Verschillende zorgorganisaties hebben vaak ook een eigen plan. Voor één plan is een gezamenlijk registratiesysteem nodig.

In hoeverre ervaren cliënten het uitgangspunt van één huishouden, één plan, één regisseur? Een cliëntondersteuner kan ingezet worden om de cliënt te ondersteunen bij formulieren invullen, duidelijkheid te verkrijgen over het plan, wensen kenbaar te maken of om keuzes te maken. Gemeenten zijn verplicht middels de Wmo 2015 om een gratis onafhankelijke cliëntondersteuner aan te bieden. In de cliëntervaringsonderzoeken Wmo en Jeugd is gevraagd of cliënten bekend zijn met de inzet van een clientondersteuner. Uit de cliëntervaringsonderzoeken Wmo blijkt dat minder dan de helft van de cliënten bekend is met het gebruik van een onafhankelijke cliëntondersteuner. Over de jaren heen is na 2017 een daling en vanaf 2018 een stijgende trend te zien: 2017 (41%), 2018 29

(32%), 2019 (37%), 2020 (41%) en 2021 (45%). Voor cliënten van de Jeugdwet blijkt dat gemiddeld genomen acht op de tien cliënten niet bekend is met het gebruik van een onafhankelijke cliëntondersteuner. Over de jaren heen is eerst een daling te zien en vanaf 2021 een toename: 2017 (84%), 2018 (83%), 2019 (79%), 2020 (74%) en 2021 (86%). Na afloop van het (keukentafel)gesprek ontvangen Wmo-cliënten een gespreksverslag. Vervolgens wordt een besluit genomen over de ondersteuningsmogelijkheden. Hierover ontvangen cliënten een brief. Gemiddeld genomen geeft driekwart van de cliënten aan dat de brief met het besluit van de gemeente duidelijk was. Hierbij is tot 2019 een toename te zien, gevolgd door een afname. Enkele cliënten zijn niet tevreden over de communicatie en/of de afhandeling van de vraag: medische documenten zijn soms onvindbaar, er wordt niet altijd wat gedaan met advies en er bestaat soms onduidelijkheid over welke rechten men heeft op welke voorzieningen.

Interviews Cliëntvertegenwoordigers De cliëntvertegenwoordigers zijn bekend met het principe één huishouden, één plan, één regisseur. Zij ervaren dat er tegenwoordig wel meer hulpverleners over de vloer komen bij de cliënten. Er zijn positieve en negatieve ervaringen. Wanneer er meerdere hulpverleners betrokken zijn, wordt er meer langs elkaar heen gewerkt en heeft niemand regie. Sommige cliënten zijn in staat om zelf de regie te pakken en te voeren. Volgens de cliëntvertegenwoordigers verschilt het nemen van regie per buurtcoach; sommigen kunnen het goed, anderen niet door bijvoorbeeld onervarenheid. Daarnaast heeft ondersteuning soms ook te leiden onder wisselingen van personeel, omdat trajecten hierdoor opnieuw opgestart moeten worden.

30

4.7 Kaderpunt 7 We werken integraal (over de verschillende beleidsvelden heen). Integraal werken betekent dat voor een individuele inwoner steeds duidelijk is wie aan zet is, en dat in de complexe wereld van het sociaal domein niet in verschillende richtingen gewerkt wordt. Of beter gezegd: verschillende vormen van ondersteuning vanuit verschillende organisaties moeten idealiter hetzelfde, gezamenlijke doel hebben. Het gaat ook om ontschotting tussen de verschillende beleidsdomeinen. In de uitvoering moet het uitgangspunt van één huishouden, één plan, één regisseur ook echt goed kunnen werken.

In hoeverre werken professionals integraal samen met andere instellingen / uitvoeringsorganisaties? De gemeente heeft de afgelopen jaren op verschillende manieren ingezet op de verbetering van integrale samenwerking. Zo is in 2021 het regieteam Zorg en Veiligheid in het leven geroepen, om complexe problematiek domeinoverstijgend aan te kunnen pakken. Medewerkers van Buurtplein sluiten hierbij aan. Daarnaast is er op diverse fronten ook gewerkt aan doorontwikkeling van de dienstverlening: een hele nieuwe stedelijke dienst (Mantelzorgcentrale) en deelname aan diverse projecten die erop gericht zijn om inwoners nóg beter te ondersteunen en in hun kracht te zetten (ABCD-methode, pilot Simpel Switchen) (Bron: Jaarrapportage OGON Buurtplein 2021). Daarnaast heeft gemeente Doetinchem in 2020/2021 enkele pilots uitgevoerd samen met aanbieders. Doel van deze pilots was om onder andere te leren en samen te werken met partijen op een open en vernieuwende manier. In de pilot ‘Integrale interventies’ werd er gekeken naar mogelijkheden om verschillende disciplines in te zetten om te zorgen dat betere en integrale (crisis)interventies tijdig worden ingezet binnen de intensieve ambulante ondersteuning jeugd- en

spoedhulp. Uit de pilot komt dat het gezamenlijk bundelen van alle aanbieders en expertises veel vraagt, helemaal in de fase waarin er op een nieuwe manier vanuit de regionale samenwerking Achterhoek gefinancierd wordt. Dat aanbieders vooraf samen in deze pilot konden ‘oefenen’ heeft bijgedragen aan het succes van de doorontwikkeling van hun onderlinge samenwerking. De gemeente ziet dit als een waardevolle werkwijze voor alle aanbieders die hun krachten willen bundelen. En bevelen aan hierover met elkaar in gesprek te gaan (Bron: ‘Doetinchemse ervaringen pilots inkoop Sociaal Domein’).

Interviews Buurtplein Buurtpleiners ervaren de samenwerking binnen Buurtplein als goed, maar met sommige externe partners wordt dit als minder goed ervaren. Buurtplein zet momenteel flink in op de samenwerking met Laborijn, onder andere door samen aan het werk te zijn in dezelfde ruimte. Ook wordt op verschillende deelgebieden al samengewerkt, dit is vaak opgezet vanuit een project. Laborijn en Buurtplein hebben soms wel andere belangen en soms is onduidelijk uit welk potje iets gefinancierd moet worden. Voor Buurtplein is het ook belangrijk dat de gemeente regie voert door verbinding te leggen tussen de verschillende organisaties. Buurtpleiners uiten de wens dat partijen vaker bij elkaar gebracht worden in plaats van één op één met de gemeente te praten. Gezamenlijke bijeenkomsten met de verschillende partijen, waaronder de uitvoerende organisaties, op thema of doelgroep is volgens hen wenselijk. Laborijn Binnen Laborijn weten collega’s elkaar goed te vinden. De medewerkers geven echter aan dat er ten aanzien van integraal samenwerken nog een grote slag te maken is. Sommige vormen van samenwerking lopen erg goed, maar het kan volgens de Laborijners nog wel beter. Laborijners geven aan dat partijen wel willen, maar dat het in de praktijk 31

soms lastig is. Het helpt als professionals elkaar kennen, dan verloopt de samenwerking meestal goed. Hoe goed integraal werken verloopt hangt af van de betrokken medewerkers. Externe professionals De externe professionals merken dat de samenwerking met andere partijen er is en dat hierin stappen worden gemaakt: elkaar opzoeken en met elkaar reflecteren (vaak project/casusmatig). De externe professionals kunnen elkaar steeds beter vinden. Daarnaast zien zij ook verbetermogelijkheden. Zij ervaren dat de afstemming in de gemeente Doetinchem onvoldoende is en dat er te weinig gecommuniceerd wordt. Zij zien ook dat Laborijn en Buurtplein nog onvoldoende samenwerken en elkaar niet goed weten te vinden. In de gemeente Bronckhorst loopt dit volgens hen beter. De externe professionals hebben met de gemeente gesproken om activerend samenwerken vorm te geven, maar dit wordt nu vormgegeven door Laborijn en Buurtplein. Hier is onvrede over bij de externe professionals. Daarnaast zijn er geen netwerkdagen of leerbijeenkomsten. Intervisie vindt wel plaats binnen casussen of werkgroepen, maar niet structureel. Externe professionals geven aan behoefte te hebben aan meer bijeenkomsten met een bredere opzet.

In hoeverre ervaren cliënten dat professionals integraal samen met andere instellingen / uitvoeringsorganisaties werken? Uit de cliëntervaringsonderzoeken Jeugdwet blijkt dat de meerderheid van de cliënten ervaart dat de verschillende organisaties die betrokken zijn bij de hulp goed samenwerken om de cliënten te helpen. Over de jaren heen wordt gezien dat cliënten minder uitgesproken positief zijn over de samenwerking tussen de verschillende organisaties. Hierbij is een verschil te zien tussen 2017, 2018 en 2019 (circa 80%) en 2020 en 2021 (circa 70%) (Bijlage 1). Enkele cliënten die minder positief zijn over de samenwerking ervaren soms dat het niet duidelijk is bij wie ze moeten zijn of soms zelf achter samenwerking tussen de verschillende partijen aan moeten gaan.

Beleidsteam Volgens het beleidsteam is er ontwikkeling nodig om beleidsterreinen met elkaar te verbinden. Er wordt wel steeds meer ingezet op integraal beleid. Er wordt ook meer gewerkt aan een concrete uitwerking hiervan. Daarnaast is het van belang om te kijken naar het voorliggende veld. Dit is niet altijd bij alle organisaties bekend. De regionale samenwerking verloopt goed; regiogemeenten worden beter meegenomen. Door de (door)decentralisatie krijgen regiogemeenten meer eigen verantwoordelijkheid. Dit bevordert de samenwerking.

32

4.8 Kaderpunt 9

basis, want voor iedereen geldt: een veilig (t)huis, een toekomst (Bron: Projectplan Brede aanpak daken thuislozen 2020/2021).

We borgen de veiligheid van onze inwoners. Onder veiligheid verstaat de gemeente het bieden van een veilige plek voor iemand die de thuissituatie heeft verlaten. Iemand kan/moet de thuissituatie verlaten om verschillende redenen, zoals een huisuitzetting vanwege verslavings- en/of schuldenproblematiek, als gevolg van de geestelijke gezondheid of veiligheidsrisico's als gevolg van huiselijk geweld. Ook kan iemand er (in meerdere of mindere mate) zelf voor kiezen om een zwervend bestaan te leiden. Gemeente Doetinchem biedt verschillende plekken aan waar inwoners naar toe kunnen bij het verlaten van de thuissituatie, namelijk specialistische jeugdhulp (bovenregionaal), openbare geestelijke gezondheidszorg, maatschappelijke opvang, beschermd wonen en verschillende initiatieven met betrekking tot huiselijke veiligheid. Daarnaast zijn er ook verschillende werkwijzen/samenwerkingsverbanden op het gebied van veiligheid, namelijk de Veiligheidskamer, het Lokaal ZorgNetwerk en het Regieteam Zorg & Veiligheid (Bron: Beleidskader sociaal domein Doetinchem 2017-2020). Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang. Deze ondersteuning werd tot dat moment bekostigd vanuit de AWBZ met een zogenaamd GGZ-C pakket. De verantwoordelijkheid is verdeeld over centrumgemeenten.

In de Achterhoek vervult de gemeente Doetinchem de rol van centrumgemeente (Bron: Regiovisie: Uitgangspunten en Plan van Aanpak bij de doordecentralisatie van Opvang en Bescherming in de Achterhoek, op weg naar 2020). Ook is de gemeente Doetinchem bezig geweest met een brede aanpak voor dak- en thuislozen. Deze aanpak is gericht op preventie, schulden, toeleiding naar onderwijs, werk en met name wonen. Een passende woonplek met begeleiding vormt hierbij de

Er is in de afgelopen jaren, in de regio Achterhoek, veel ingericht voor de groep dak- en thuislozen. Er zijn voorzieningen gerealiseerd (dag- en nachtopvang uitgebreid, er zijn extra woningen beschikbaar gesteld voor uitstroom crisisopvang), er is extra ingezet op begeleidingstrajecten, preventie (o.a. extra voorlichting op scholen, ouders, jongeren), er zijn afspraken met woningcorporaties (opgenomen binnen de prestatieafspraken), etc. Ook zijn er voorzieningen ingericht zoals de nachtopvang (16 plekken), dagopvang (20 plekken) en crisisopvang (22 plekken) met begeleiding. Deze groep binnen de maatschappelijke opvang is direct zichtbaar. Er is ook een groep, die niet altijd zichtbaar is. Te denken valt hierbij aan de bankslapers (die tijdelijk bij een vriend of familie verblijven) en mensen die zich wel ophouden in de dagopvang, maar geen traject willen volgen. Daarnaast zijn er enkele gemeenten in de regio Achterhoek, die eigen maatwerkoplossingen aan de groep dak- en thuislozen bieden. Door de toenemende druk op de dag/nacht- en crisisopvang wordt er ingezet op het afbouwen van de traditionele maatschappelijke opvang en wordt er meer ingezet op preventie, vernieuwing van de opvang en wonen met begeleiding. De gemeente Doetinchem heeft zich de afgelopen jaren ingezet om op verschillende manieren een veilige plek te bieden voor haar inwoners.

Op 13 december 2022 heeft Team Beleid bij elkaar gezeten om terug te kijken op de afgelopen vijf jaar. Hierbij werd er gekeken naar successen en knelpunten. Uit de opbrengstsessie blijkt dat de verbinding van zorg en veiligheid als een knelpunt wordt gezien bij het uitvoeren van het gezinsplan (Bron: Opbrengst sessie Team Beleid 13-12-2022).

33

Interviews Buurtplein Buurtplein is onderdeel van de Toekomsttuin kinden gezinsbescherming. De Toekomsttuin kind- en gezinsbescherming is 1 april 2023 gestart. Het is een regionale pilot die tot april 2024 loopt. De Toekomsttuin is in het leven geroepen om verandering te brengen in de huidige gang van zaken rondom jeugdbescherming. De jeugdbescherming is complex en knelt. Er zijn veel schakels voor casussen die bescherming nodig hebben om veiligheid te garanderen. In de Toekomsttuin wordt geëxperimenteerd met een nieuwe manier van samenwerken in de keten om de bescherming van jeugdigen te verbeteren en onveilige situaties binnen huishoudens te voorkomen. Daarnaast nemen Buurtpleiners contact op met Veilig Thuis als de veiligheid in het gedrang is.

aandachtspunt: beschikbaarheid van woningen en opvangplekken. Er is een behoorlijke instroom: de crisisopvang zit constant vol vanwege het knelpunt met huisvestiging. Ook is er sprake van een personeelstekort.

Externe professionals Er is veel expertise om te voorkomen dat mensen in zwaardere ondersteuning komen. Als mensen al in zwaardere zorg zitten, kan de veiligheid onder druk komen te staan door de bestaande schotten. Er is in de gemeente Doetinchem geen veiligheidsregisseur (meer). Ondanks dat er andere werkwijzen en vormen van samenwerking zijn op het gebied van veiligheid, missen de externe professionals de functie van veiligheidsregisseur in de gemeente. Zij geven aan dat samen optrekken met andere partijen werkt om de veiligheid te borgen. Tot slot noemen de externe professionals dat wonen niet goed is geregeld voor daklozen. Door een verandering in de organisatie van zorg komen ‘mensen met een randje’ bijvoorbeeld vaker in een woonwijk te wonen en komen inwoners hen vaker tegen. Het is belangrijk dat hier beleid op komt en bewustwording en draagvlak onder inwoners wordt gecreëerd. Beleidsteam De gemeente Doetinchem is centrumgemeente voor opvang. De gemeente biedt onder andere inloopvoorzieningen, beschermd wonen, bemoeizorgteams, nazorg ex-gedetineerden en het regieteam zorg en veiligheid. Dit loopt over het algemeen goed. Huisvesting is wel een 34

4.9 Kaderpunt 10 We werken samen waar dat beter is en waar dat het voor onze inwoners makkelijker maakt. Transformeren in het sociaal domein vereist een goede samenwerking met alle betrokken partners. Niet alleen tussen en met uitvoeringsorganisaties, maar het vraagt ook vooral om samenwerking met andere partners in het veld: zoals scholen, zorgverzekeraars, jeugdinstellingen, verzorgingstehuizen, welzijnsorganisaties, huisartsen, werkgevers, cliëntenorganisaties etc. die zich bewegen op dit terrein. Zij zijn georganiseerd op lokaal, (boven)regionaal en soms landelijk niveau. De gemeente Doetinchem werkt op verschillende manieren samen en heeft dit vastgelegd in de volgende documenten: • Regionaal preventieprogramma volksgezondheid/sociaal domein • Regionale visie Samenwerken om elkaar te versterken • (Regionaal) beleidskader volksgezondheid • Visie inkoop sociaal domein vanaf 2021 • B&W-besluit i.z. Vervolguitwerking regionale inkoop • Notitie vervolguitwerking regionale inkoop Jeugdhulp, Wmo en BW • B&W-besluit Uitgangspunten inkoop Jeugdhulp, Wmo (incl. BW) • Notitie uitgangspunten regionale inkoop Jeugdhulp, Wmo, BW

35

5 Conclusies Uit het evaluatieonderzoek dat heeft plaatsgevonden op basis van de deskresearch en de groepsinterviews kunnen we de volgende conclusies trekken (tussen haakjes wordt verwezen naar de uitgangspunten (I VII) en de kaderpunten (1-10)):

1. De meeste inwoners ervaren voldoende eigen regie; er zijn ook kwetsbare groepen. (I, V, 1) De meeste inwoners van Doetinchem ervaren voldoende regie over hun eigen leven en kunnen zichzelf goed redden, al dan niet met hulp vanuit hun sociale netwerk. Ongeveer vier op de vijf volwassenen en ouderen in de gemeente Doetinchem geven aan dat hun leven betekenis en doel heeft. Vier op de vijf volwassenen hebben betaald werk en veruit de meeste kinderen en jongeren zitten op school en/of zijn aan het werk. De algemene indruk is dat de eigen regie van inwoners de afgelopen jaren is toegenomen. Er zijn echter nog steeds kwetsbare groepen die zichzelf niet of onvoldoende kunnen redden in de steeds ingewikkelder wordende samenleving. Hierbij kunnen we denken aan mensen met een licht verstandelijke of lichamelijke beperking, mensen met psychiatrische of verslavingsproblematiek, mensen met beperkte digitale, taal- en/of gezondheidsvaardigheden, dementerende ouderen en mensen die de zorg wantrouwen of zich schamen om hulp te vragen. Met de inzet van buurtcoaches wordt zoveel mogelijk geprobeerd om deze groepen in beeld te brengen en aandacht te geven.

2. In de gemeente is een ruim en laagdrempelig aanbod van voorzieningen op maat. (III, 3, 5) Inwoners die ondersteuning nodig hebben, kunnen gebruik maken van hulp en ondersteuning die in de gemeente wordt geboden. Een deel van hen is al goed geholpen met het brede palet van algemene voorzieningen dat de gemeente Doetinchem biedt en waar ook steeds meer gebruik van wordt gemaakt. Denk hierbij aan vele verenigingen in de gemeente

Doetinchem op het gebied van sport, cultuur en recreatie, vrijwilligersorganisaties, mantelzorgondersteuning, ontmoetingspunten en de Stadskamer. Het betreft onder andere activiteiten die in het kader van universele preventie beschreven zijn in de Lokale Preventieagenda ‘Gewoon Gezond Leven’ en waar een belangrijke rol is weggelegd voor de volgende kernpartners: Bibliotheek Doetinchem, Buurtplein B.V., Amphion Cultuurbedrijf en Sport-ID. Een kanttekening bij het ruime aanbod aan voorzieningen in de gemeente Doetinchem is dat men het overzicht soms mist. Dit geldt zowel voor professionals als voor de inwoners.

3. Voor inwoners van de gemeente zijn er veel mogelijkheden om zinvol deel te nemen aan de samenleving. (VI, 2) Een zinvolle deelname aan de samenleving is voor een groot deel van de inwoners van Doetinchem mogelijk. Hiervoor biedt gemeente een breed palet van voorzieningen zoals bij punt 2 genoemd. Zo’n driekwart van de volwassenen en ouderen in de gemeente Doetinchem ervaart dat de dingen die hij/zij doet belangrijk zijn. Vier op de vijf volwassenen hebben betaald werk, 29% van de volwassenen en ouderen doet vrijwilligerswerk en de meeste kinderen en jongeren ontvangen onderwijs en/of werken. De gemeente biedt via Laborijn tal van mogelijkheden om te kunnen participeren en zo zinvol deel te nemen aan de samenleving. De dienstverlening van Laborijn lijkt verbeterd te zijn doordat (intensiever) wordt samengewerkt met zorgaanbieders en Buurtplein. Daarnaast biedt bijvoorbeeld de implementatie van Simpel Switchen nieuwe mogelijkheden om beter te kunnen inspelen op passende participatie bij wisselende omstandigheden. Toch blijft aandacht nodig voor groepen die nog onvoldoende deelnemen aan de samenleving (bijv. mensen met een beperking en mensen die uit zichzelf geen ondersteuning zoeken).

4. Vroegsignalering en preventie laten positieve resultaten zien; er is ook nog winst te behalen. (II, 3) In de gemeente Doetinchem wordt veel georganiseerd dat valt onder de noemer van 36

‘vroegsignalering en preventie’, zoals een groot deel van de hierboven genoemde algemene voorzieningen. De gemeente voert hierin de regie, zorgt voor financiële ondersteuning en voor de verbinding tussen de verschillende beleidsterreinen. Vooral Buurtplein doet veel op het terrein van vroegsignalering en preventie, al is dat in de afgelopen jaren door bezuinigingen en de coronapandemie in de knel gekomen. In 2023 zijn vroegsignalering en preventie weer als één van de kerntaken van Buurtplein opgenomen. Het lijkt erop dat vroegsignalering en preventie hun vruchten beginnen af te werpen. Initiatieven die de afgelopen jaren zijn opgezet en positieve resultaten laten zien, zijn onder andere de inzet van de POHJeugd, Welzijn op recept, de Stadskamer, de betrokkenheid van Laborijn bij speciaal onderwijs en nauwere samenwerking tussen Laborijn en Buurtplein. Naast deze positieve resultaten is er nog winst te behalen, onder andere door een betere samenwerking tussen verschillende partijen en domeinen, het (eerder) delen van informatie tussen partijen en het inzetten op preventie door Laborijn. Daarnaast is het belangrijk dat inwoners zich meer bewust worden van de mogelijkheid om oplossingen te zoeken in het eigen netwerk in plaats van dat zij (meteen) een beroep doen op professionele hulp.

5. Over het algemeen wordt meer ruimte voor creatieve oplossingen en innovatie ervaren, maar er liggen ook nog uitdagingen. (VII, 4,5) Het nieuwe inkoopbeleid (dat in juli 2022 is ingegaan en waarvan de overgangsperiode tot 1 april 2023 liep3) heeft als doel tot een resultaatgerichte werkwijze te komen waarin de vraag van de cliënt (nog meer dan voorheen) centraal staat. In de nieuwe werkwijze bepaalt niet langer de gemeente welke zorg wordt ingezet voor de inwoner, maar doen gemeente, zorgaanbieder en inwoner dit

3

De groepsinterviews zijn begin april afgenomen. Dit is dus kort na de overgangsperiode van het nieuwe inkoopbeleid. De periode van afname kan invloed hebben gehad op de ervaringen van geïnterviewden over de

samen. Het zoeken naar passende oplossingen voor de cliënt en de mogelijkheid om daarbij creatieve oplossingen te bedenken, wordt vooral door de medewerkers van Buurtplein en Laborijn als positief ervaren. Zij geven aan meer ruimte te ervaren dan in het verleden. Wanneer professionals van organisaties waarmee samengewerkt wordt deze ruimte onvoldoende krijgen, kan dat belemmerend werken. Regels die belemmerend werken zijn voornamelijk landelijke regels, zoals de overgang van Jeugdwet naar Wmo bij 18 jaar, inkomensregelingen en verschillende financieringspotjes waarmee niet gemakkelijk geschoven kan worden. Externe professionals lopen tegen de nieuwe werkwijze aan. Zij vinden dat door de nieuwe werkwijze de integraliteit en de eigen regie van de cliënt afneemt en cliënten niet meer vrij zijn om te kiezen waar zij geholpen willen worden. De ervaring van de externe professionals is dat de ruimte voor creatieve oplossingen verdwijnt. Dit is in tegenstelling met het doel van de nieuwe werkwijze. Over het algemeen geven Wmo-cliënten aan dat zij zich beter redden door de ondersteuning die zij krijgen en ervaren zij door de ondersteuning een betere kwaliteit van leven.

Ook bij cliënten die Jeugdhulp hebben aangevraagd, leidt dit meestal tot resultaat: gemiddeld genomen geeft 80% van de (ouders van) jeugdigen aan resultaat te zien op het gebied van opgroeien, zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Om maatwerk goed af te stemmen op de ondersteuningsbehoefte geven consulenten aan dat zij vooral bij de screening/intake aandacht besteden aan de vraag-achter-de-vraag. Wanneer er meer speelt dan de primaire ondersteuningsvraag, verwijzen zij cliënten door of stemmen zij af met andere partijen. Uit de cliëntervaringsonderzoeken blijkt dat cliënten over het algemeen positief terugkijken op de manier waarop naar hen is

vernieuwde werkwijze op basis van het nieuwe inkoopbeleid en hun ervaringen over de afgelopen jaren over het algemeen.

37

geluisterd en samen met hen naar een vaak passende oplossing is gezocht voor de hulpvraag.

6. Het uitgangspunt één huishouden, één plan, één regisseur is in de praktijk niet altijd werkbaar. (IV, 6) Het uitgangspunt één huishouden, één plan, één regisseur heeft als doel dat inwoners, ongeacht hun inhoudelijke vraag, kunnen rekenen op een duidelijk aanspreekpunt, een heldere werkwijze en eenduidige afspraken over wat zij van de gemeente en de eventuele ondersteuning mogen verwachten. In de praktijk blijkt dat niet altijd duidelijk is wie de regie heeft en welke organisatie wat doet. Ook blijkt de term één huishouden, één plan, één regisseur niet bij alle professionals bekend te zijn. De vraag wie de regie heeft, is voornamelijk onduidelijk en lastig wanneer er sprake is van complexe casussen. Of het principe één huishouden, één plan, één regisseur werkt, kan ook afhankelijk zijn van de medewerker. En soms is er sprake van meerdere plannen en meerdere regisseurs. Bij casuïstiek binnen de Jeugdwet is vaker duidelijk wie de regie heeft dan bijvoorbeeld bij casuïstiek binnen de Wmo. Verschillende registratiesystemen maken het werken conform één huishouden, één plan, één regisseur soms moeilijk. Informatie is lastig uit te wisselen en ook de AVG helpt daarin niet mee.

7. De gemeente zet steeds meer in op integraal werken en samenwerken, maar het is in de praktijk niet altijd goed toe te passen. (7, 10) Vanuit de gemeente wordt steeds meer ingezet op integraal beleid en het samenwerken tussen organisaties om bijvoorbeeld complexe problematiek domeinoverstijgend aan te kunnen pakken of een snellere matching van zorgvraag en aanbieder te bevorderen. De uitvoeringsorganisaties ervaren vooral dat de interne samenwerking goed verloopt. Externe professionals kunnen elkaar ook steeds beter vinden. Ook lijkt het erop dat de samenwerking goed verloopt wanneer dit is opgezet vanuit een gezamenlijk project. Wanneer er tussen verschillende uitvoeringsorganisaties en -domeinen moet worden samengewerkt, lijkt dit nog minder goed te lukken.

Soms zijn er bijvoorbeeld andere belangen, of is het onduidelijk uit welk potje iets gefinancierd moet worden. Wanneer professionals elkaar kennen, lijkt integrale samenwerking beter te verlopen. Verbeterpunten die genoemd worden, liggen op het gebied van ‘ontschotten’ en op afstemming en communicatie tussen de gemeente en de verschillende uitvoeringsorganisaties. Uit de cliëntervaringsonderzoeken Jeugd blijkt overigens wel dat het merendeel van de cliënten tevreden is over de samenwerking tussen organisaties.

8. De gemeente biedt een breed aanbod van voorzieningen om inwoners een veilige plek te kunnen bieden. De uitdaging ligt vooral op het gebied van beschikbare huisvesting. (9) Wanneer een inwoner de thuissituatie moet verlaten, vanwege bijvoorbeeld een huisuitzetting, verslavings- en/of schuldenproblematiek, geestelijke gezondheidsproblematiek of huiselijk geweld is de gemeente verantwoordelijk voor het bieden van een veilige plek. Iemand kan er ook (in meerdere of mindere mate) zelf voor kiezen om een zwervend bestaan te leiden. Gemeente Doetinchem is als centrumgemeente verantwoordelijk voor Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang in de Achterhoek. De gemeente biedt onder andere inloopvoorzieningen, beschermd wonen, bemoeizorgteams, nazorg exgedetineerden en een regieteam zorg en veiligheid. Dit loopt over het algemeen goed. In de periode van 2017 tot heden is de gemeente bezig geweest met een brede aanpak. Het betreft het opstellen van beleid, het inrichten van voorzieningen en het opzetten van een preventieve aanpak. Zo is in de afgelopen jaren bijvoorbeeld de dag- en nachtopvang in de Achterhoek uitgebreid, zijn er extra woningen beschikbaar gesteld voor uitstroom crisisopvang, is er extra ingezet op begeleidingstrajecten en zijn afspraken met woningcorporaties gemaakt.

Sinds 1 april 2023 vindt een regionale pilot (De Toekomsttuin kind- en gezinsbescherming) plaats waarbinnen wordt geëxperimenteerd met een nieuwe manier van samenwerken in de keten om de bescherming 38

van jeugdigen te verbeteren en onveilige situaties binnen huishoudens te voorkomen. Binnen de gemeente is veel expertise om te voorkomen dat mensen in zwaardere ondersteuning komen. Door een goede samenwerking tussen verschillende partijen kan de veiligheid het best geborgd worden. Ondanks dat er andere werkwijzen/samenwerkingen zijn op het gebied van veiligheid, wordt de functie van veiligheidsregisseur door sommigen gemist. Een ander aandachtspunt is huisvestiging: de beschikbaarheid van woningen en opvangplekken. Ook wordt aangegeven dat er sprake is van een personeelstekort.

39

6 Aanbevelingen Hieronder is een aantal aanbevelingen geformuleerd naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek.

1. Verbeteren overzicht voorzieningen, signalering en ondersteuning specifieke groepen. (I, III, V, 1,3,5) In de gemeente is een breed scala aan voorzieningen in het sociaal domein beschikbaar. Belangrijk is dat zowel inwoners als professionals weten wat er aan voorzieningen beschikbaar is in de gemeente Doetinchem. Een goede sociale kaart (bijv. beschikbaar via website, flyer en/of lokale krant) zou hierin ondersteunend kunnen zijn. Ook het bij elkaar te brengen en bundelen van bestaande sociale initiatieven kan hieraan bijdragen. Zo kunnen voorzieningen beter gevonden worden door de doelgroep waarvoor ze zijn opgezet en kunnen professionals makkelijker doorverwijzen. Daarnaast kan het gebruik van voorzieningen en de zelfredzaamheid van inwoners worden gestimuleerd door: • Een betere afstemming tussen organisaties om statushouders toe te leiden naar ondersteuning; • Overbruggen van taalproblemen door een vertaalknop op websites, te communiceren via een tolk of meer gebruik te maken van beeldmateriaal; • Meer in te zetten op signalering in de wijk/buurt door inwoners of mensen die werkzaam zijn in de wijk.

2. Inzicht krijgen in belemmeringen van mensen die nog onvoldoende deelnemen aan de samenleving. (VI, 2) Voor enkele groepen zijn er nog belemmeringen voor een zinvolle deelname aan de samenleving (bijv. mensen met een beperking en mensen die uit zichzelf geen ondersteuning zoeken). Het is van belang beter inzicht te krijgen wat deze belemmeringen precies zijn en hoe de mensen die het betreft geholpen kunnen worden.

3. Blijven investeren in preventie en stimuleren zelf- en samenredzaamheid. (II, 3) Er is in de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het zogenaamde voorliggende veld: basisvoorzieningen die inwoners helpen om zelf en met hun sociale netwerk de regie over het leven te behouden. De omslag van ‘helpen en ondersteunen’ naar het zoveel mogelijk inzetten van eigen kracht lijkt steeds meer gestalte te krijgen. Het blijft belangrijk om dit uit te blijven dragen, als gezamenlijke opgave. Dus ook richting de inwoners zelf. Het is van belang dat inwoners beseffen dat zij ook hulp kunnen vragen en dit ook kunnen bieden in het eigen netwerk (denk aan de buren, ouders van school, kennissen van de sport, kerk etc.), zodat voor zaken die in het eigen netwerk opgelost kunnen worden, geen beroep hoeft te worden gedaan op professionele ondersteuning.

4. Inzicht krijgen in de ervaringen met de vernieuwde werkwijze van het nieuwe inkoopbeleid. (IV, 4,5) Vanaf 1 juli 2022 is het nieuwe inkoopbeleid gestart. Het doel van het nieuwe inkoopbeleid is om mogelijkheden te bieden voor onder andere meer ruimte voor zorgaanbieders, meer ruimte om samen te werken en meer resultaatgericht te werken. Dit is een meerjarig traject en op dit moment zijn de implementatie en overgangsregeling net afgerond. Dit traject betreft een grote transformatie en cultuurverandering. De mogelijkheden die de nieuwe werkwijze biedt, worden in de praktijk (nog) niet altijd ervaren. Hierdoor wordt aanbevolen om afzonderlijke gesprekken in te plannen met alle 40

partijen om het over de vernieuwde werkwijze op basis van het nieuwe inkoopbeleid te hebben. In deze gesprekken kan gevraagd worden naar de ervaringen tot nu toe: welke successen en knelpunten worden gezien en wat hebben de verschillende partijen van de gemeente nodig om verder te kunnen met de vernieuwde werkwijze.

5. Knelpunten wegnemen t.a.v. het werken conform één huishouden, één plan, één regisseur. (IV, 6) Werken conform het uitgangspunt één huishouden, één plan, één regisseur is nog niet altijd vanzelfsprekend. Het is van belang om meer duidelijkheid te scheppen in wie de regie heeft en regisseurs voldoende toe te rusten zodat zij deze rol goed kunnen oppakken. Ook het gebruikmaken van één registratiesysteem zou kunnen helpen om meer conform één huishouden, één plan, één regisseur te werken (zie ook volgende aanbeveling).

6. Bevorderen samenwerking. (7, 10) Ondanks dat de gemeente steeds meer inzet op integraal beleid behoeft de samenwerking tussen organisaties volgens de professionals verbetering. Om de samenwerking te verbeteren hebben externe professionals de wens om elkaar beter te leren kennen. De aanbeveling is dan ook om netwerkdagen te organiseren met een brede opzet waar alle partijen elkaar kunnen ontmoeten. Door elkaar beter te leren kennen wordt beoogd dat partijen elkaar ook beter weten te vinden en meer/beter kunnen samenwerken. Daarnaast kan de samenwerking bevorderd worden door één gezamenlijk registratiesysteem. Hierdoor wordt informatieverlies voorkomen en kan er gemakkelijker volgens het uitgangspunt één huishouden, één plan, één regisseur gewerkt worden. Zo kan op een AVG-vriendelijke manier informatie uitgewisseld worden en kan bijvoorbeeld in het gezamenlijke registratiesysteem de regisseur benoemd worden. Aanbevolen wordt om de mogelijkheid tot een gezamenlijk registratiesysteem te onderzoeken.

7. Oplossen knelpunten ten aanzien van beschikbaarheid opvangplekken en personeelstekort. (9) De gemeente biedt een breed aanbod van voorzieningen om inwoners een veilige plek te kunnen bieden. Ook is binnen de gemeente veel expertise om te voorkomen dat mensen in zwaardere ondersteuning terechtkomen. Er zijn echter ook enkele knelpunten, zoals de beschikbaarheid van woningen en opvangplekken en het personeelstekort. Aanbevolen wordt te kijken hoe deze knelpunten opgelost kunnen worden. Ook wordt door sommigen een gemeentelijke veiligheidsregisseur gemist ondanks dat er andere werkwijzen/samenwerkingen zijn op het gebied van veiligheid. Mogelijk is dit niet bij iedereen bekend. Aanbevolen wordt om dus meer in te zetten op de bekendheid met deze andere werkwijzen en samenwerkingsmogelijkheden op het gebied van veiligheid.

8. Opstellen SMART-kaderpunten die goed gemonitord kunnen worden. In het huidige beleidskader zijn de kaderpunten niet SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden) geformuleerd. Hierdoor is in dit evaluatieonderzoek geprobeerd de kaderpunten te operationaliseren met de bronnen die aanwezig zijn. Doordat bij het opstellen van de kaderpunten geen rekening is gehouden met hoe ze geëvalueerd moeten worden, zijn er nu indicatoren geformuleerd die de lading van het kaderpunt niet geheel kunnen dekken. Het is daarom aan te bevelen om bij het nieuwe beleidskader vooraf te formuleren hoe het beleidskader geëvalueerd kan worden, zodat er gemonitord kan worden. Mogelijk kan hiervoor de ‘Brede monitor’, die nu in ontwikkeling is, ingezet worden.

41

7 Bijlagen Bijlage 1: Operationalisatie van uitgangspunten en kaderpunten naar onderzoeksvragen Uitgangspunt

Kaderpunt

Operationalisatie

Onderzoeksvragen

I

1

Wat verstaan we hier onder 'eigen regie'? --> Vermogen van een persoon om zelf te bepalen op welke wijze hij het eigen leven inricht (wonen, werken, sociale contacten) en hoe de zorg en-of begeleiding bij eventuele ziekte daarbij wordt ingevuld. Uitgangspunten: - eigen zelfredzaamheid; - kracht van sociaal netwerk; - algemene voorzieningen; - ondersteuning door professionals.

1a

In hoeverre ervaren inwoners regie over hun eigen leven (t.a.v. zelfredzaamheid, kracht van sociaal netwerk, toegankelijkheid van openbare voorzieningen en ondersteuning door professionals)?

1b

Op welke manier dragen de gemeente en ketenpartners bij aan de mogelijkheid om inwoners eigen regie te kunnen laten voeren (t.a.v. zelfredzaamheid, kracht van sociaal netwerk, toegankelijkheid van openbare voorzieningen en ondersteuning door professionals)?

Wat verstaan we onder 'zinvolle deelname'? --> Dat wat gebruikelijk is voor inwoners die qua situatie en/of omstandigheden vergelijkbaar zijn met een individuele inwoner, is leidend is voor wat voor diegene als gebruikelijk gezien wordt.

2a

In hoeverre ervaren inwoners dat zij op een zinvolle manier deelnemen aan de samenleving?

2b

Wat doen gemeente en ketenpartners om inwoners zoveel als mogelijk op een zinvolle manier deel te kunnen laten nemen aan de samenleving?

Wat houdt 'vroeg signaleren' en 'preventie' in? --> Preventie is voorkomen dat er (grotere) problemen ontstaan door op tijd in te grijpen. Praktisch betekent dit dat: - De gemeente ervoor kiest te investeren in die initiatieven die er voor zorgen dat er geen geïndiceerde maatwerkvoorzieningen verstrekt hoeven te worden. Dit betekent dat basisvoorzieningen op orde moeten zijn. De gemeente zoekt hierbij naar vormen van de substitutie van maatwerkvoorziening naar algemene voorziening, waar dat kan. - Ook zet de gemeente in op de ondersteuning van partijen, instellingen en

3a

Op welke manier investeert de gemeente in algemene voorzieningen? In hoeverre is het aanbod van algemene voorzieningen op het gewenste niveau?

3b

Op welke manier zoekt de gemeente naar de substitutie van maatwerkvoorzieningen naar algemene voorzieningen? Wat is hiervan het resultaat?

3c

Op welke manier ondersteunt de gemeente partijen, instellingen en initiatieven die gericht zijn op het voorkomen en/of vroegtijdig signaleren van maatschappelijke problemen en die actief bijdragen aan de zelfredzaamheid van de inwoners?

3d

Hoe beoordelen inwoners het aanbod en de toegankelijkheid van de algemene voorzieningen?

VI

We gaan uit van de eigen mogelijkheden van onze inwoners en hun omgeving.

We zetten in op zinvolle daginvulling voor iedereen.

II

Voorop staat inzet op preventie.

III

We realiseren laagdrempelige toegang en ondersteuning op maat.

2

3

Daar waar mogelijk heeft een inwoner regie op het eigen leven of wordt hij/zij maximaal in staat gesteld zo veel mogelijk eigen regie te kunnen voeren.

Voor iedereen is een zinvolle deelname aan de samenleving mogelijk

We blijven inzetten op vroeg signaleren (aan de voorkant) en preventie

42

VII

III

We geven ruimte voor initiatief en innovatie.

We realiseren laagdrempelige toegang en ondersteuning op maat.

IV

We zetten in op één huishouden, één plan, één regisseur

V

We werken met (regievoering door) buurtcoaches.

4

5

6

We zoeken samen met inwoners naar ondersteuning gericht op resultaat

We bieden maatwerk afgestemd op de ondersteuningsbehoefte

We zijn eenduidig voor onze inwoners in behandeling, benadering en in doel

initiatieven die gericht zijn op het voorkomen en/of vroegtijdig signaleren van maatschappelijke problemen en die actief bijdragen aan de zelfredzaamheid van de inwoners.

3e

Hoe ervaren ketenpartners de ondersteuning vanuit de gemeente t.a.v. initiatieven die gericht zijn op het voorkomen en/of vroegtijdig signaleren van maatschappelijke problemen en de bevordering van de zelfredzaamheid van inwoners?

Meer ruimte en minder regels voor betrokken professionals (zie ook kader 6); het gaat om het resultaat, dat het echt iets oplevert en we moeten niet kijken naar welke soorten ondersteuning beschikbaar zijn; uitgangspunt is normalisatie van de situatie (dat de cliënt zonder ondersteuning weer verder kan); Goed contractmanagement (wat hadden we afgesproken, welk doel werd beoogd en welk resultaat is er daadwerkelijk geboekt?) (zie ook kader 10)

4a

Krijgen professionals meer ruimte en hebben zij minder te maken met regels (dan vroeger?) bij het zoeken naar de juiste ondersteuning voor de inwoners? Is het uitgangspunt normalisatie van de situatie (dus toewerken naar zelfstandig weer verder nadat ondersteuning gestopt is?)?

4b

Hebben inwoners die ondersteuning aanvragen het idee dat er echt gekeken wordt naar wat zij nodig hebben en niet alleen naar wat er beschikbaar is? Wordt de cliënt erop voorbereid na de ondersteuning weer zelfstandig verder te kunnen?

4c

Mbt contractmanagement (zie bij 10)

5a

Kijken professionals in het gesprek met de cliënt steeds samen naar de vraag-achter-de-vraag en zoeken zij vervolgens naar een voor die inwoner, passende oplossing? (dus maatwerk passend bij de specifieke omstandigheden, behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren en mate van zelfredzaamheid van de inwoner.)

5b

Hebben inwoners/cliënten het idee dat er samen met de professional wordt gekeken naar de vraagachter- de -vraag?

6a

Hanteren professionals het uitgangspunt van één huishouden, één plan, één regisseur (oftewel wordt er in alle gevallen uitgegaan van het aanstellen van een vaste aanspreekpunt/regievoerder, is de werkwijze duidelijk en worden er eenduidige afspraken gemaakt met alle cliënten)? Wordt het doel van de ondersteuning met de cliënt besproken en ergens opgeschreven en wordt gemonitord of dit doel wordt behaald?

6b

Hoe ervaren cliënten dat er sprake is van één huishouden, één plan, één regisseur? Is er een duidelijk doel beschreven/afgesproken? Wordt er geevalueerd/gekeken of dit doel is behaald?

Een oplossing moet passend zijn bij de specifieke vraag van de inwoner, geen standaardoplossing, maar kijken naar wat voor de inwoner werkt. (opgemerkt moet worden dat maatwerk niet automatisch hetzelfde is als een maatwerkvoorziening).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7865/documents/43418