CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.4.1 - Toelichting bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing.pdf

gemeenteraad 26 oktober 2023, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 7.2: Bestemmingsplan Over de Beek 12 - 12a - 202320.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De structuurvisie streeft een hoge ruimtelijke kwaliteit na. De kwaliteit zal er overal weer anders uitzien en is op verschillende manieren te realiseren. Onderzoek en conclusie De Structuurvisie Doetinchem 2035 van de gemeente bevat geen specifieke voorwaarden voor het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan. Wel draagt de sanering van een agrarisch bedrijf, de realisatie van twee nieuwe vrijstaande woningen en de beoogde landschappelijke inpassing bij de doelen van de gemeente. Het initiatief is een ruimtelijke verbetering en draagt bij aan de beleving van het gebied.

5.5.2

Lokale woonagenda gemeente Doetinchem 2016-2025

Met de demografische ontwikkelingen en de daaruit voortvloeiende regionale afspraken over het aantal nieuw te bouwen woningen, komt de nadruk meer te liggen op de kwalitatieve ontwikkeling van de woningvoorraad. De lokale woonagenda gemeente Doetinchem 2016-2025, vastgesteld op 22 september 2016, is een lokale uitwerking van de opgaven zoals die in de Regionale woonagenda omtrent de kwaliteit van de woningvoorraad zijn benoemd. Het gaat hierbij om opgaven op het gebied van duurzaamheid en het langer zelfstandig thuis wonen.

(definitief)

28

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen In de lokale woonagenda wordt onder andere de ambitie uitgesproken dat de woningvoorraad in de gemeente Doetinchem bijdraagt aan energieneutraliteit van de gemeente Doetinchem in 2030 en wordt gekenmerkt door een hoge mate van levensloopbestendigheid om langer zelfstandig wonen mogelijk te maken. Aan deze ambitie kan invulling worden gegeven door enerzijds alle nieuwbouwwoningen tot 2025 (bijna)energieneutraal te bouwen door vernieuwende concepten (zoals nul-op-de-meterwoningen en all-electricwoningen) toe te passen en anderzijds te voldoen aan de eisen van WoonKeur. Het laatste bedoeld als certificaat voor woningen die een voldoende niveau aan gebruikskwaliteit, toegankelijkheid, flexibiliteit en aanpasbaarheid bezitten.

Onderzoek en conclusie De voorliggende ontwikkeling zorgt voor de sloop van agrarische bebouwing en de realisatie van twee woningen. Het plan draagt bij aan de doelstellingen van de Lokale woonagenda gemeente Doetinchem 2016-2025. Het plan draagt bij aan de kwantitatieve woningbouwopgave door het toevoegen van twee extra woningen. Daarnaast ziet het plan in een kwalitatieve woningbehoefte ‘landelijk wonen’.

5.5.3

Woningbouwstrategie 2019

Op 28 november 2019 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Woningbouwstrategie 2019 vastgesteld. De Woningbouwstrategie 2019 biedt ruimte om, onder bepaalde voorwaarden, nieuwe woningen te realiseren die aansluiten bij de vraag om in gemeente Doetinchem te wonen. De afgelopen jaren waren er, vanwege afspraken binnen de Achterhoek, beperkte mogelijkheden om nieuwe woningen te realiseren. Naar aanleiding van recente onderzoeken, en signalen vanuit de samenleving, hebben Achterhoekse gemeenten nu meer ruimte om medewerking te verlenen aan het realiseren van nieuwe woningen die aansluiten bij de behoefte. In de Woningbouwstrategie 2019 is opgenomen onder welke voorwaarden nieuwe woningen in gemeente Doetinchem gerealiseerd mogen worden. Ingediende plannen van particulieren, ontwikkelaars en gemeente Doetinchem zelf worden op basis van de Woningbouwstrategie 2019 beoordeeld. In de Woningbouwstrategie 2019 staat (samengevat) dat: de behoefte voor de nieuwe woning(en) moet zijn aangetoond; de nieuwe woning(en) in principe binnen de bebouwde kom wordt gerealiseerd; met het realiseren van de woning(en) de kwaliteit van de omgeving verbetert (bijvoorbeeld doordat een leegstaand en/of vervallen pand wordt omgebouwd naar woningen).

Behoefte woningen in het buitengebied Aangezien inbreiden voor uitbreiden gaat, kunnen nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied niet zonder meer worden gehonoreerd. Maar ook in het buitengebied kan zich de situatie voordoen, dat de realisatie van één of enkele woningen voordelen op andere gebieden met zich meebrengt, die pleiten voor medewerking. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om het saneren van asbest, het realiseren van milieu- en natuurdoelen, het versterken van landschappelijke of cultuurhistorische waarden en het voorkomen van oneigenlijk gebruik. In alle gevallen is maatwerk nodig en zal met de provincie moeten worden overlegd over het verlaten van het inbreidingsprincipe. Het criterium, dat de behoefte aan de nieuwe woningen moet worden aangetoond, blijft onverkort van kracht. Er is veel interesse in de beoogde woningen. Er is dan ook de verwachting dat de woningen na afronding van de planologische procedure op korte termijn worden verkocht en gerealiseerd. Het initiatief draagt bij aan de gewenste doorstroming op de woningmarkt. Overigens was splitsing van cultuurhistorisch waardevolle panden in het buitengebied de afgelopen jaren onder de oude strategie mogelijk. Hiervoor was een reservering van 20 woningen beschikbaar, die nog niet geheel is gebruikt. Deze reservering vervalt. Splitsing van cultuurhistorisch waardevolle panden blijft in principe mogelijk.

Onderzoek en conclusie De voorliggende ontwikkeling zorgt voor de sloop van agrarische bebouwing en de realisatie van twee woningen. De woningen worden zorgvuldig landschappelijk ingepast. Het plan draagt bij aan de kwantitatieve woningbouwopgave door het toevoegen van twee extra woningen. Daarnaast ziet het plan in een kwalitatieve woningbehoefte ‘landelijk wonen’. De kaders voor medewerking aan de

(definitief)

29

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen realisatie van woningen in het buitengebied zijn vastgelegd in de notitie ‘Wonen landelijk gebied gemeente Doetinchem’ zoals hieronder in paragraaf 5.5.4. beschreven. 5.5.4

Notitie ‘Wonen landelijk gebied Gemeente Doetinchem’

Op 2 maart 2023 heeft de gemeente Doetinchem de actualisatie van de notitie ‘Wonen landelijk gebied gemeente Doetinchem’ vastgesteld. Aanleiding voor deze notitie was het besluit van 28 november 2019 over de woningbouwstrategie 2019 waarin het toevoegen van woningen in het landelijk gebied niet expliciet is opgenomen. Deze notitie biedt meer duidelijkheid over nieuwe woningen in het landelijk gebied. Op 2 maart 2023 is de notitie op enkele punten gewijzigd, deze wijzigingen hebben geen gevolgen voor het voorliggende initiatief. Centraal daarbij staat dat het toevoegen van nieuwe woningen geen doel op zich moet zijn, maar een middel om bij te dragen aan het waarborgen en versterken van de sociale en fysieke kwaliteit van het landelijk gebied. Daarnaast staat centraal dat het landelijk gebied kortgezegd ook het landelijk gebied moet blijven. Voornoemde maakt dat ruimte wordt geboden voor het splitsen van bestaande burgeren bedrijfswoningen en voor het toevoegen van woningen als daarvoor agrarische bebouwing wordt gesloopt (functieverandering VAB (vrijkomende agrarische bebouwing) naar wonen). De voorwaarden die in deze notitie zijn opgenomen voor woningsplitsing en functieverandering van VAB naar wonen zijn waar mogelijk gebaseerd op bestaande regelingen/voorwaarden die daarmee een relatie kennen.

Een belangrijke basis ligt in de nota van uitgangspunten die ten grondslag heeft gelegen aan het (vernietigde) bestemmingsplan ‘Buitengebied – 2012’. Daarnaast zijn de voorwaarden ook zodanig opgesteld dat de juiste kwaliteit woningen worden toegevoegd met name als het gaat om de levensloopbestendigheid en duurzaamheid van de woning. Wat betreft het laatste wordt de wens uit gesproken dat het besef dat een duurzame woning bijdraagt aan het wooncomfort, het verminderen van de energielasten, het verhogen dan wel behouden van de waarde en het verbeteren van het milieu leidt tot initiatieven die verder gaan dan wat nodig zou zijn. Tot slot is binnen de voorwaarden in het bijzonder ook aandacht voor een goede ruimtelijke (landschappelijk en stedenbouwkundige) inpassing van de situatie na woningsplitsing of functieverandering van VAB naar wonen met ook aandacht voor een thema als natuur inclusiviteit. De voorwaarden zijn tegelijkertijd geen blijvend vaststaand gegeven. Er is, met in achtneming, van het doel en de uitgangspunten van voorliggende notitie onderbouwd maatwerk mogelijk en aanpassing van de voorwaarden is mogelijk als daar op basis van de uitvoering aanleiding voor zou zijn. Op de volgende pagina zijn de voorwaarden in deze notitie samenvattend opgenomen. Voor een toelichting op de voorwaarden wordt verwezen naar de betreffende delen van deze notitie. 1.

In de basis geldt het volgende: a. Aangetoond is dat de te slopen opstallen legaal tot stand zijn gekomen en gedurende minimaal 3 jaar in gebruik zijn geweest ten dienste van het agrarische bedrijf; Voldoet; b. Vaststaat dat de bedrijfsvoering wordt beëindigd vóór vaststelling van het ruimtelijk plan dat de functieverandering naar wonen mogelijk maakt; Voldoet; c. De agrarische bestemming ter plaatse geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’, met dien verstande dat het agrarisch bouwvlak in elk geval is verwijderd; Het agrarisch bouwvlak wordt verwijderd. Daarnaast wordt de agrarische bestemming ter plaatse van de woningen omgezet naar een woonbestemming; d. Aangetoond is dat het realiseren van de woning(en) met bijbehorende bouwwerken niet leidt tot aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken en dat een aanvaardbaar woon-en leefklimaat is gewaarborgd. In paragraaf 6.7 bedrijven en milieuzonering is onderbouwd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat én bestaande bedrijven in de omgeving niet worden belemmerd door het beoogde plan. 2. De behoefte aan de te realiseren woning(en) moet zijn aangetoond. Daarom moet een onderbouwd verzoek om medewerking gezamenlijk worden ingediend door de eigenaar van locatie en de (potentiële) koper(s) van de te realiseren woning(en).

Er worden twee nieuwe vrijstaande woningen mogelijk gemaakt aan de rand van de kern. Gelet op de behoefte aan landelijk wonen sluit het plan goed aan op deze behoefte. 3. Voor het realiseren van de woning(en) wordt een termijn gesteld van maximaal 1 jaar. De kavels worden na afronding van de procedure te koop aangeboden, zodat er kort na afronding van de procedure door de kopers een omgevingsvergunning voor de bouw kan worden aangevraagd.

(definitief)

30

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen 4. Alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen moeten worden gesloopt met uitzondering van monumentale en/of gebouwen met een cultuurhistorische waarde. In ruil daarvoor zijn maximaal vier zelfstandige woningen toegestaan verdeeld over maximaal twee woongebouwen (elk woongebouw maximaal 2 woningen) binnen de contouren van het voormalig agrarisch bouwvlak. Voor de realisatie van één woongebouw van 750 m³, moet minimaal 950 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Er wordt voldoende gesloopt voor de bouw van twee vrijstaande woningen. 5. Als om bepaalde redenen de nieuwbouw van een woning niet kan plaatsvinden binnen het voormalig agrarisch bouwvlak, dan wordt bekeken of maatwerk kan worden geboden. Niet van toepassing. 6. De benodigde sloop voor de realisatie van het aantal gewenste woningen kan verdeeld over meerdere locaties plaatsvinden. Voor een slooplocatie geldt een sloopondergrens van minimaal 300 m² . Planologisch wordt vastgelegd dat gesloopte bebouwing niet kan worden teruggebouwd. De bouw van de woning(en) vindt plaats op één locatie en voor deze locatie geldt een sloopondergrens van 500 m². Niet van toepassing. 7.

Als op basis van een Rijks-of provinciale regeling een financiële vergoeding is of wordt toegekend voor het beëindigen van agrarische bedrijfsactiviteiten, dan moet worden aangetoond dat de realisatie van één of meerdere woningen noodzakelijk is om de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen te kunnen bekostigen. Niet van toepassing. 8. De te realiseren woning(en) moet(en) aardgasloos, levensloopbestendig, natuurinclusief en (bijna) energieneutraal zijn gebouwd en in ieder geval voldoen aan het Bouwbesluit. Voldoet. In de ruimtelijke onderbouwing is onderbouwd dat er wordt voldaan aan deze voorwaarden. 9. De herontwikkeling van het erf wordt benut om ook de bestaande woning te verduurzamen naar bij voorkeur minimaal energielabel B. Op welke wijze de bestaande woning kan worden verduurzaamd wordt nader onderzocht. 10. Per woning (zowel bestaande als nieuw te bouwen) is maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Als monumentale bebouwing en/of met een cultuurhistorische waarde op het erf aanwezig zijn, dan moeten deze gebruikt worden als bijbehorende bouwwerken. Voldoet (bijlage 1). 11. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige ruimtelijke (landschappelijke en stedenbouwkundige) inpassing. Daarvoor moet een door de gemeente goedgekeurd (samenhangend) erf-en landschappelijk inrichtingsplan worden opgesteld, welke voldoet aan bijlage 1, 2, 3 en 4.

De landschappelijke inpassing moet gerealiseerd zijn binnen 1 jaar na ingebruikname van de nieuwe bestemming (Wonen) en dient vervolgens in stand te worden gehouden. Voldoet (bijlage 1). Conclusie Ten aanzien van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat aan alle genoemde punten wordt voldaan en verder zijn uitgewerkt in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing. 5.5.5

Doetinchem Natuurlijk Duurzaam

Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om de duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven.

(definitief)

31

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregelingen of leningen. Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen. In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking. Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief. Onderzoek en conclusie In de voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft de initiatiefnemer waar mogelijk al rekening gehouden met de ambitie van de gemeente om energieneutraal te willen zijn. Bijvoorbeeld de realisatie van zonnepanelen en collectoren. Dit kan vergunningsvrij als rekening wordt gehouden met de bijbehorende randvoorwaarden.

Het plaatsen van zonnepanelen en -collectoren op monumenten is niet vergunningsvrij. Het realiseren van zonnepanelen op de grond is alleen toegestaan als er een omgevingsvergunning is aangevraagd. De gedachtegang is dat eerst het dak wordt gebruikt om zonnepanelen te realiseren en dat daarna eventueel nog zonnepanelen tot maximaal 100 m2 op de grond gerealiseerd worden. De hoogte mag maximaal 1,5 meter zijn. Daarnaast dienen de zonnepanelen landschappelijk te worden ingepast.

5.5.6

Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormt de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang: 1. het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren; 2. water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling); 3. met water de identiteit van een plek zichtbaar maken; 4. een goede communicatie opzetten (intern en extern); 5. water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen; 6. samenwerken en afstemmen; 7. balans in watersysteem en waterketen. Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen, gecombineerd met een aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings- en gebruiksmogelijkheden van het water. Er is een goede samenwerking en afstemming tussen alle bij het waterbeheer betrokken partijen, en er vindt geen bestuurlijke, financiële of ruimtelijke afwenteling plaats. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. In het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt het algemene streefbeeld per functie en thema nader uitgewerkt. In paragraaf 6.10 Water wordt nader op het aspect water ingegaan.

Deze ruimtelijke onderbouwing sluit aan op het gestelde in het Gemeentelijk Rioleringsplan. Onderzoek en conclusie In het voorliggende plan wordt het hemelwater afgekoppeld en geïnfiltreerd in de bodem. De poel zorgt daarnaast voor een optimale beleving van het water. Het plan draagt op deze manier bij aan de doelstelling zoals geformuleerd in het Rioleringsplan 2016-2020.

(definitief)

32

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen 5.5.7

Groenstructuurplan Doetinchem 2017

Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene bestemmingen in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27 juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat daarbij zowel om de functionele als de visueel-ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn: 1. vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren; 2. verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties; 3. handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen; 4. functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; 5. mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud.

Afbeelding 18: Uitsnede groenstructuurkaart, plangebied aangegeven met rode cirkel (Bron: gemeente Doetinchem)

Rivierduinen De rivierduinen zijn gevormd door verstuiving van zand uit de rivierbedding van de toenmalige OerRijn. Deze duinen strekken zich uit van Doesburg tot in Duitsland en zijn nog goed zichtbaar in verschillende delen van de gemeente. In het verleden was het een logische plek voor mensen om te gaan wonen aan de rivier, maar wel met droge voeten. Zo liggen binnen de gemeente, Langerak, Wijnbergen, Doetinchem en Gaanderen in een lijn op de rivierduinen langs de Oude IJssel. Bebouwingen en afgravingen hebben de gaafheid van de duinenreeks aangetast. De laatste jaren is er echter meer waardering gekomen voor de rivierduinen en wordt ingestoken op bescherming en herstel. Het gaat daarbij om twee verschillende aspecten. Allereerst de landschappelijke beleving van de rivierduinen als totaal. De hoger gelegen duinenreeks heeft een duidelijke richting en herkenbare verschijningsvorm van verstoven zandruggen, grotendeels nu met bos beplant. Reliëfverschillen, zichtbaarheid en beleving van het duin, en ontsnippering zijn aspecten die de herkenbaarheid vergroten. Daarnaast zijn de duinen een waardevolle ecologische overgang naar de naastgelegen natte riviergronden. De zandige duingronden zijn van oorsprong arm en kennen een rijke scharkering aan vegetatievormen in de overgang naar de voedselrijkere natte riviergronden. De verschillen hiertussen vergroten de biodiversiteit.

(definitief)

33

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen

Onderzoek en conclusie Het inrichtingsplan is zorgvuldig tot stand gekomen. Het plan zorgt voor een versterking van de landschappelijke kwaliteiten door de sloop van de agrarische bebouwing en de landschappelijke inpassing van de kavels met inheemse gebiedseigen beplanting. De realisatie en instandhouding van het inrichtingsplan / beplantingsplan kan worden geborgd met een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan. Het voorliggende initiatief is hiermee in overeenstemming met het groenstructuurplan.

5.5.8

Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017 - 2020

Op 8 juni 2017 heeft de gemeenteraad de 'Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017-2020' en de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' vastgesteld. De gemeente biedt voor haar eigen inwoners en bezoekers een aantrekkelijke binnenstad waarbij bereikbaarheid en parkeren belangrijke pijlers zijn. Het parkeren biedt in en rond de binnenstad van Doetinchem, in de kernen van Wehl en Gaanderen en in woongebieden en buitengebied ondersteuning aan de daar aanwezige functies (zoals: wonen, winkelen, werken en recreëren). De parkeervisie is opgedeeld in vier pijlers: 1. parkeerlocatie en kwaliteit: alle openbare parkeerplaatsen moeten sociaal veilig, beschikbaar, vindbaar en te financieren zijn; 2. doelgroep gericht: per locatie hebben specifieke parkeerdersgroepen prioriteit. a. binnenstad - personeel en publiek; b. woongebieden - bewoners en bezoek; c. bedrijfsterreinen - personeel; 3. flexibiliteit: de uitvoering van de werkzaamheden uit de parkeervisie moeten gefaseerd uitgevoerd kunnen worden; 4. exploiteerbaarheid: de parkeerexploitatie dient te voldoen aan de financiële taakstelling. Parkeernormen hebben tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen voor te schrijven, dat voorzien wordt in de in te schatten parkeervraag. Dat aantal voorkomt dat door de aanleg van te weinig plaatsen er een tekort ontstaat.

Ook voorkomt het toepassen van de normen dat er teveel plaatsen komen, waardoor de automobiliteit gestimuleerd wordt en de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en bereikbaarheid nadelig worden beïnvloed. De nota wil ook de toepassing van de normen voor burgers, bedrijven, gebouweigenaren, ontwikkelaars, e.d. inzichtelijk maken. Onderzoek en conclusie Er zijn geen openbare wegen gelegen in het plangebied. Wel is het plangebied gelegen aan een ontsluitingsweg (Over de Beek). Het aantal verkeersbewegingen nemen beperkt toe, daarentegen nemen de verkeersbewegingen voor vrachtwagens af. De beperkte toename van de verkeersbewegingen kunnen zonder problemen worden afgewenteld op Over de Beek en de Kerkstraat. Parkeren dient op eigen perceel plaats te vinden. Er is voldoende ruimte op eigen perceel voor de realisatie van de benodigde parkeergelegenheid (3 parkeerplaatsen per woning). Hiermee vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering. Voor de volledige onderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 6.11 Verkeer en parkeren.

(definitief)

34

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen

Hoofdstuk 6 6.1

Haalbaarheid

Algemeen

Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en andere omgevingsaspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bouwen en bij de inrichting en het beheer van het plangebied. Deze aspecten kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van bepaalde locaties. Als dit zo is, blijkt dit uit de tekst onder het bepaalde aspect.

6.2

Milieueffectrapportage - (vormvrije) m.e.r.-(beoordelings)plicht

Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. De activiteit(en) die het plan of besluit mogelijk maakt, komt niet voor in of kan niet worden beschouwd als een activiteit zoals opgenomen in kolom 1 van onderdeel C (C-lijst) of D (D-lijst) van de bijlage van het Besluit m.e.r. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht. 2. Een m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; a. M.e.r.

is verplicht bij een plan als:  het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor volgens de Wet milieubeheer een project-m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling verplicht is.  of als de ontwikkelingen binnen het plan mogelijk tot significante gevolgen leiden voor Natura 2000-gebieden waardoor een Passende beoordeling nodig is. b. M.e.r. is verplicht bij een project:  als de activiteit die mogelijk wordt gemaakt is opgenomen in kolom 1 van de C-lijst.  als de omvang van de activiteit de drempelwaarde van kolom 2 van de C-lijst overschrijdt.  en er een besluit als genoemd in kolom 4 van de C-lijst nodig is. 3. Een formele m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een formele beoordelingsplicht, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen wel worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk.

Er is sprake van een formele m.e.r.-beoordelingsplicht als de voorgenomen activiteit:  voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en  groter is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en  mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst (indien de activiteit mogelijk wordt gemaakt door een plan in kolom 3, dan geldt een plan-m.e.r.-plicht).

(definitief)

35

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen 4.

Een 'vormvrije' m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit ook beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wel kunnen worden uitgesloten, dan volstaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling en is het een milieueffectrapportage niet nodig. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling als de voorgenomen activiteit:  voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en  kleiner is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en  mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst.

Onderzoek en conclusie In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het initiatief is geen stedelijke ontwikkeling en ligt ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor er voor het initiatief geen m.e.r. beoordelingsbesluit noodzakelijk is.

6.3

Bodem

Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming. De eisen die worden gesteld aan de bodemkwaliteit en de noodzaak tot het uitvoeren van een bodemonderzoek staan vermeld in onder meer de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, de Woningwet en het Bouwbesluit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Ook mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door bijvoorbeeld grondverzet (het zogenaamde stand still-beginsel). Onderzoek Voor de voorgenomen ontwikkeling is door onderzoeksbureau De Klinker BV een bodemonderzoek verricht (kenmerk K21011961, d.d. 25 januari 2022), zoals opgenomen als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het bodemonderzoek komt naar voren dat •

de bodem op de locatie bevat plaatselijk sporen beton, sporen baksteen en/of is zwak baksteen en/of betonhoudend;

•

in de puinfundatie onder de asfaltverharding is geen asbest aangetoond;

•

in de bodem ter plaatse van de ondergrondse hbo-tank is zowel in de grond- als in het grondwater geen verontreiniging aangetroffen met minerale olie;

•

in de bodem ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieselolie tank is zowel in de grond als in het grondwater geen verontreiniging aangetroffen met minerale olie;

•

ter plaatse van druppelzone AMM01 en AMM02 is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen;

•

ter plaatse van druppelzone AMM03 zijn analytisch, in zeeffractie 2-4 mm, een tweetal asbestdeeltjes aangetroffen. De gewogen asbestconcentratie is 0,6 mg/kg d.s.;

(definitief)

36

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen •

in de bodem ter plaatse van de gedempte watergang is analytisch een verhoogd gehalte PAK (10 van VROM) aangetoond boven de achtergrondwaarde. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetoond boven de achtergrondwaarde;

•

In de bovengrond van het gehele terrein zijn geen verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarde aangetoond. In de ondergrond is, plaatselijk, een licht verhoogd gehalte kobalt aangetoond boven de achtergrondwaarde. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetoond;

•

Plaatselijk, ter plaatse van peilbuis D1, is in het grondwater een verhoogd gehalte aan cadmium en nikkel aangetoond boven de streefwaarde. In peilbuis H1 zijn geen verhoogde gehalten boven de streefwaarde aangetoond;

•

De aangetroffen gehalten zijn van dien aard dat de onderzoeksinspanning niet hoeft te worden herzien.

Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. Conclusie Uit het bodemonderzoek komt naar voren dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Grondverzet Indien er grondverzetwerkzaamheden plaatsvinden, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd en/of elders worden toegepast. De regels van de Nota bodembeheer regio Achterhoek en het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop van toepassing. Voor het afvoeren en toepassen van grond kan mogelijk aanvullend bodemonderzoek nodig zijn.

6.4

Akoestiek

6.4.1

Wegverkeerslawaai

Wegverkeer kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen opgenomen. Onderzoek en conclusie In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrooks wegen die aan weerszijden van de weg gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 250 meter. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 200 meter. Ingeval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone moet een akoestisch onderzoek plaatsvinden. Daar waar geen sprake is van een wettelijke onderzoekszone moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening het aspect akoestiek ook afgewogen worden. De twee nieuw te realiseren vrijstaande woningen zijn geluidsgevoelige functies. De afstand tussen de Kerkstraat buiten de bebouwde kom en de nieuwe woningen is 180-190 meter. Hiermee vallen de nieuwe woningen binnen de onderzoekszone (200 meter) van de Kerkstraat. Uit het verkeersmodel blijkt dat op dit deel van de Kerkstraat circa 2600 motorvoertuigen per etmaal rijden.

Gezien deze verkeersaantallen en de afstand tussen de weg en de nieuwe woningen is het op voorhand vast te stellen dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuw te realiseren woningen onder de voorkeursgrenswaarde blijft. De ontsluitingsweg Over de Beek is alleen bereikbaar voor bestemmingsverkeer waardoor op voorhand kan worden gesteld dat er kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.

(definitief)

37

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen 6.4.2

Railverkeerslawaai

Voor railverkeerslawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Er is van rechtswege (Wgh) een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk heeft een zone van 100 meter. Onderzoek en conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van 100 meter van de spoorlijn Arnhem – Doetinchem – Winterswijk. De afstand van het plangebied tot de spoorlijn bedraagt circa 3,1 km. Er is geen aanvullend akoestisch onderzoek nodig in het kader van railverkeerslawaai. Industrielawaai komt aan de orde in paragraaf 6.7 (bedrijven en milieuzonering). Wegverkeerslawaai is geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

6.5

Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Onderzoek NIBM-tool Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld.

Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Jaar van planrealisatie

2023

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

10,0%

NO2 in μg/m3

0,04

PM10 in μg/m

0,00

Maximale bijdrage extra verkeer

3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

22,4

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 19: Uitsnede resultaten NIMB tool

(definitief)

38

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen Atlas Leefomgeving In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van Atlas Leefomgeving (Rijksoverheid) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied bedragen respectievelijk 15 μg/m³ PM10, <5 μg/m³ PM2,5 en <10 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke normen niet overschreden. Conclusie Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Ook op basis van de Atlas Leefomgeving kan worden geconcludeerd dat luchtkwaliteit geen belemmering vormt met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling.

6.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere woningen, scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013.

De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: 1. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied. 2. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. 3. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten.

(definitief)

39

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen 4. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. 5. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. 6. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. 7. Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico. Onderzoek Op de navolgende uitsnede van de risicokaart is de ligging van het projectgebied met een rode cirkel aangegeven.

Afbeelding 20: Uitsnede risicokaart (bron: Atlas leefomgeving)

Inrichtingen In het plangebied en in de omgeving liggen (binnen de invloedzone/op relatief korte afstand) geen risicovolle inrichtingen (bedrijven). Buisleidingen In het plangebied en in de directe omgeving hiervan liggen geen buisleidingen, die een risico opleveren.

(definitief)

40

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen Transport Uit de toetsing aan het basisnet spoor, weg en water blijkt dat de omliggende transportwegen met uitzondering van de A18 niet zijn aangewezen voor transport van gevaarlijke stoffen. De A18 maakt deel uit van het transport netwerk van gevaarlijke stoffen. De snelweg heeft een maximale plaatsgebonden risicocontour van 82 meter. Door de afstand van circa 940 meter tot het plangebied wordt geconcludeerd dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over snelweg niet van invloed is op het plangebied. Conclusie Plaatsgebonden risico Binnen het plangebied en omgeving zijn geen inrichtingen met gevaarlijke stoffen aanwezig die zijn aangewezen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), aangewezen transportroute voor gevaarlijke stoffen onder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) of buisleidingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Groepsrisico Het plan is niet gelegen binnen een invloedgebied van Bevi inrichtingen, transportroutes gevaarlijke stoffen of buisleidingen waarvoor een verantwoording van het groepsrisico is vereist.

Op basis van de toetsing aan de risicokaart van de provincie Gelderland, Basisnet spoor, weg en water en de informatie van de gemeente Doetinchem kan worden geconcludeerd dat rondom de locatie geen bronnen bevinden die invloed uitoefenen op de veiligheid ter plaatse van het plangebied. Het aspect 'externe veiligheid' levert dan ook geen belemmeringen op voor het onderhavige plan.

6.7

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNGuitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gebruikt. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Voor de bepaling van de richtafstanden van veehouderijen wordt voor wat betreft het aspect geur niet uitgegaan van de VNG-uitgave maar van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Uit jurisprudentie volgt, dat indien tussen de veehouderij en een geurgevoelig object de in de Wgv genoemde afstand wordt aangehouden, in beginsel moet worden aangenomen dat bij het geurgevoelige object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Onderzoek Het plan voorziet in de sloop van agrarische bebouwing (stallen) en de bouw van twee vrijstaande woningen. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de vestiging van nieuwe milieugevoelige functies waardoor er alleen sprake is van inwaartse zonering.

(definitief)

41

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen In de omgeving van het plangebied is een (agrarisch)bedrijf en woningen van derden gelegen. Het volgende bedrijf is relevant voor de beoordeling: •

Kerkstraat 8, Gaanderen (blauwe cirkel onderstaande afbeelding)

Afbeelding 21: Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Kerkstraat 8 Het pluimveebedrijf aan de Kerkstraat 8 houdt uitsluitend dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Echter de geurbelasting op de beoogde woningen hoeft niet te worden bepaald omdat de woningen worden gebouwd op een kavel die op 19 maart 2000 in gebruik was als veehouderij, de woningen worden gebouwd in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij en de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij, zie artikel 14, lid 2 van de Wgv. In deze situatie moet getoetst worden aan een vaste afstand van 50 meter voor woningen buiten de bebouwde kom en daar wordt ruimschoots aan voldaan. Aan de overige richtafstanden voor stof, geluid en gevaar wordt ook ruimschoots voldaan (werkelijke afstand circa 185 meter tot dichtstbijzijnde stal). Conclusie Milieuzoneringen vormen geen belemmering voor onderhavig plan omdat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat nabij de beoogde woningen en omliggende bedrijven niet worden belemmerd in de huidige bedrijfsvoering.

6.8

Flora en fauna

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden.

(definitief)

42

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de nieuwe wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving. Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn.

Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project. Onderzoek en conclusie Gebiedsbescherming Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk, maar binnen de Groene Ontwikkelingszone. Gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren liggen op minimaal 200 meter afstand van het plangebied.

Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 22: Uitsnede Omgevingsverordening (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Het plangebied ligt volledig binnen de Groene Ontwikkelingszone maar ligt buiten Natura 2000gebied. In de Omgevingsverordening zijn de volgende regels opgenomen voor GO:

(definitief)

43

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen Artikel 2.52 (beschermen Groene ontwikkelingszone) 1. Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat: a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en b. de samenhang niet verloren gaat. 2. Gedeputeerde Staten stellen regels vast om de versterking uit te werken.

Artikel 2.53a (onderzoek kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone) 1. Bij toepassing van artikel 2.52 bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de resultaten van het onderzoek naar de te verwachten effecten van die activiteit of ontwikkeling op de oppervlakte, samenhang en kwaliteit van de Groene ontwikkelingszone. 2. In de beschrijving van de onderzoeksresultaten worden in ieder geval betrokken de in het gebied aanwezige: a. actuele en potentiële natuurwaarden; b. in de bij of krachtens de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde soorten en soorten van nationale Rode Lijsten; en c.

ecologische samenhang.

3. Voor zover de ontwikkeling of activiteit daar effect op kan hebben, wordt in de beschrijving van de onderzoeksresultaten betrokken de in het gebied aanwezige: a. kwaliteit van water, bodem en lucht; b. stilte, rust en duisternis; en c.

landschappelijke, cultuurhistorische, geomorfologische, bodemkundige waarden en het reliëf.

Kernkwaliteiten deelgebied 36 Boven Slinge en Slangenburg Voor dit deel van de Groene Ontwikkelingszone zijn de volgende kernkwaliteiten voor natuur en landschap vastgesteld:

(definitief)

•

Overwegend kleinschalig kampenlandschap en wat grootschaliger heideontginningsen ruilverkavelingslandschap met de Boven-Slinge;

•

De evz Boven-Slinge verbindt dit gebied met het land van Winterswijk en Duitsland; modellen: das, kamsalamander, ijsvogelvlinder en winde;

•

De evz Oude IJssel-oost verbindt dit gebied met de IJssel en de Veluwe en naar het zuiden met Duitsland; modellen: das en winde;

•

De evz Montferland - De Wrange verbindt Slangenburg met Montferland; model: das;

•

Parel Slangenburg: oud bos op vochtige leemgrond met een rijke ondergroei, oud landgoed met abdij;

•

Parel De Zumpe: kwelgebied met waardevol beek begeleidend bos en broekbos en een klein deel schraal grasland; goede amfibieënpopulatie met o.m. kamsalamander;

•

Leefgebied steenuil;

•

Leefgebied kamsalamander;

•

Bijzondere, langgerekte dekzandrug: Romienendiek aan de noordzijde;

•

Bij Aalten de rand van het Oost-Nederlands Plateau met duidelijk herkenbaar

44

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen hoogteverschil; onderdeel van Nationaal Landschap Winterswijk; •

Cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de landgoederen, beken, oude ontginningen en kavelpatronen, hakhout, houtwallen, singels en boerderijen;

•

Abiotiek: aardkundige waarden, kwel, bodem, grondwaterreservoir.

Toetsing aan beleid Voor de bescherming van de Groene Ontwikkelingszone heeft de provincie Gelderland beleidsregels vastgesteld in de Omgevingsverordening Gelderland. Deze beleidsregels zijn als volgt: Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat: a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en b. de samenhang niet verloren gaat. De genomen maatregelen voor de versterking van de Groene Ontwikkelingszone worden gepresenteerd in een versterkingsplan. Dit plan gaat in op de volgende aspecten: a. hoe verzekerd is dat de versterking wordt uitgevoerd; b. hoe monitoring van en rapportage over de uitvoering van de versterking plaatsvinden; c.

hoe de natuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd;

d. de locatie waar de nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van de Groene ontwikkelingszone optreden; en e. de locatie waarop de versterking plaatsvindt. Het initiatief, de bouw van twee woningen na beëindiging van het agrarisch bedrijf en de sloop van de voormalige agrarische bebouwing, is een positieve ontwikkeling en draagt bij aan de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het gebied. Het inrichtingsplan (bijlage 1) kan worden gezien als versterkingsplan waarin duidelijk wordt toegelicht op welke wijze er een landschappelijke verbetering wordt gerealiseerd en daarmee een bijdrage aan de ontwikkelingsdoelen van het gebied.

Effecten Natura 2000-gebieden Gelet op de beoogde ontwikkeling en de afstand tot Natura 2000-gebieden is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase om na te gaan of de ontwikkeling tot een toename van stikstofdepositie op gevoelige Natura 2000-gebieden leidt. Deze berekeningen zijn als bijlagen (3, 3a en 3b) opgenomen. Uit de rekenresultaten van Aerius-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig project zowel in de gebruiksfase als in de realisatiefase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000- gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j. Stikstofemissie afkomstig van onderhavig project heeft geen significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt geen belemmering voor de realisatie en de vergunningverlening van de omgevingsvergunning, activiteit bouwen. Daarnaast is geen (natuur)vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk omdat geen sprake is van een depositie hoger dan 0,00 mol/ha/j. Soortenbescherming Het plangebied is op 14 april 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties (bijlage 4).

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats,

(definitief)

45

Ruimtelijke onderbouwing Over de Beek 12, Gaanderen bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Vermoedelijk nestelen er vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, maar er nestelen mogelijk ook vogels waarvan de nestplaats (jaarrond) beschermd is (huismus). Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden. Om vast te kunnen stellen of er huismussen in het plangebied nestelen, waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het slopen van de ligboxenstal en schuur wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield. Er dient een aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden om de functie van de ligboxenstal en schuur vast te kunnen stellen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober). Op basis van nader onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

6.9

Water

6.9.1

Waterbeheerplan 2022-2027

Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn. Vanuit de primaire taakgebieden zijn dit in de planperiode 2022-2027: 1. Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; 2. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water; 3. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water; 4. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater; 5. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. Voor het plangebied Over de Beek 12, Gaanderen staan in het beheerplan geen specifieke doelstellingen beschreven. De ontwikkeling sluit aan op de algemene doelstellingen zoals aangegeven in het plan. 6.9.2

Watersysteem

Op basis van onderstaande uitsnede van de legger van het waterschap is gebleken dat er in het plangebied geen watersystemen aanwezig zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7997/documents/44400