CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.3.10 Toelichting Bijlage 10 - Toetsing Wet natuurbescherming.pdf

beeldvormende raad 15 juni 2023, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 3: Provinciaal inpassingsplan N3159.505 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toetsing Wet natuurbescherming Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo

Toetsing Wet natuurbescherming Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

Opdrachtgever Provincie Gelderland Dhr. E.A. Joosse Markt 9 6811 CG Arnhem

Opdrachtnemer Eelerwoude Postbus 53 7470 AB Goor T ( 0547) 26 35 15 F ( 0547) 26 33 15 E info@eelerwoude.nl I www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: P6284.145 Datum: 19-10-2017 Projectleider: J. van der Vet Opgesteld: Y. Horstink Gecontroleerd: M. Gelink Onderzoek van Eelerwoude voldoet aan de eisen die het Ministerie van Economische Zaken stelt. Eelerwoude is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. Het Netwerk heeft een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbende een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen. De opmaak van dit rapport gaat uit van dubbelzijdig afdrukken.

INHOUD

1

INLEIDING ............................................................................................................... 5

1.1 1.2

Aanleiding ................................................................................................................. 5 Leeswijzer................................................................................................................. 5

2

HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING .............................................................. 8

2.1 2.2

Huidige situatie ......................................................................................................... 8 Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................... 11

3

NATUURWETGEVING .......................................................................................... 12

3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6 3.1.7 3.1.8 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1

Bescherming van soorten ....................................................................................... 12 Zorgplicht ................................................................................................................ 12 Beschermingsregimes ............................................................................................ 12 Verbodsbepalingen ................................................................................................ 13 Andere bevredigende oplossing(en) ...................................................................... 14 Belangen ................................................................................................................ 15 Staat van instandhouding van de soort .................................................................. 15 Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen .................................................... 17 Vrijstellingen ........................................................................................................... 17 Bescherming van Natura 2000-gebieden ............................................................... 18 Natura 2000-gebieden ............................................................................................ 18 Gevolgen plangebied .............................................................................................

18 Bescherming van houtopstanden ........................................................................... 19 Gevolgen plangebied ............................................................................................. 20

4

NATUURBELEID ................................................................................................... 21

4.1 Natuurnetwerk Nederland / Ecologische Hoofdstructuur ....................................... 21 4.1.1 Gevolgen plangebied ............................................................................................. 21 5

METHODE.............................................................................................................. 27

5.1 5.2

Bureauonderzoek ................................................................................................... 27 Terreinbezoek......................................................................................................... 27

6

BESCHERMDE SOORTEN ................................................................................... 29

6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.3 6.4 6.5 6.6

Planten en (korst)mossen ...................................................................................... 29 Zoogdieren ............................................................................................................. 30 Vleermuizen............................................................................................................ 30 Overige zoogdieren ................................................................................................ 33 Vogels ..................................................................................................................... 34 Amfibieën en reptielen ............................................................................................ 35 Vissen ..................................................................................................................... 36 Beschermde soorten ongewervelden ..................................................................... 36

CONCLUSIE EN VERVOLG ............................................................................................ 37

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8

Mogelijk nadere toetsing GNN/GO-beleid en Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden ................................................................................................... 37 Overige soorten waarvoor vrijstellingen zijn opgesteld .......................................... 38 Rekening houden met vogels ................................................................................. 38 Vervolgonderzoek naar vleermuizen mogelijk noodzakelijk bij bomenkap ............ 38 Nader onderzoek reptielen noodzakelijk bij werkzaamheden in droge bermen bosomgeving Ruurlo .......................................................................................... 39 Zorgplicht en zorgvuldig handelen ......................................................................... 39 Ecologisch werkprotocol (EWP) voor uitvoering .................................................... 39 Geldigheid onderzoek ............................................................................................ 40

LITERATUURLIJST .......................................................................................................... 41

4

Toetsing Wet natuurbescherming Definitief

1 1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

De Provincie Gelderland is voornemens werkzaamheden uit te voeren langs de N315 tussen Doetinchem en Ruurlo. Figuren 1 en 2 tonen de ligging van het plangebied. In verband met de voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Daarbij wordt tijdens een bureauonderzoek en veldbezoek aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde planten- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen plannen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen.

1.2

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 geeft de huidige situatie en de voorgestane ontwikkeling. Op basis van deze informatie is voorliggende toets uitgevoerd. Hoofdstuk 3 en 4 geven een beknopte beschrijving van de natuurwetgeving en het natuurbeleid. De gehanteerde methodiek is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de bescherming van soorten. Aangegeven wordt welke beschermde soorten verwacht worden, wat de effecten van de ontwikkeling op deze soorten zijn en of een ontheffing noodzakelijk is. De snelle lezer kan volstaan met het lezen van hoofdstuk 2 en de conclusie in hoofdstuk 7.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

5

Figuur 1. Luchtfoto zuidelijk deel van het plangebied, deeltraject N315 Doetinchem - Zelhem. De plaats aan de zuidzijde betreft Doetinchem, aan de noordzijde Zelhem. Bron: Bing maps, 2017.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

6

Figuur 2. Luchtfoto noordelijk deel van het plangebied, deeltraject N315 Zelhem - Ruurlo. Bron: Bing maps, 2017.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

7

2 2 HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING 2.1

Huidige situatie

De trajectverkenning heeft betrekking op de provinciale weg N315 tussen Doetinchem en Ruurlo. Vanaf Doetinchem loopt de weg in noordoostelijke richting naar het dorp Zelhem, waar het aan de westzijde met een ringweg omheen loopt. Een deel van de ringweg valt samen met de N330, de weg tussen Hoog Keppel (west) en Halle (oost). Het eerste deel tot Zelhem loopt vanaf de komgrens van Doetinchem en vervolgt door intensief agrarisch gebied. Langs grote delen van het traject staan laanbomen. Soms zijn dit oude bomen tot aan het asfalt, soms betreft het jonge aanplant, maar ook een mengeling van beide komt voor. Het merendeel van de bomen langs de weg bestaan uit zomereiken, maar ook staan er beuken en knotwilgen. Op sommige delen doorsnijdt de weg een bosschage en staan kleine boomgroepen in de berm. Aan weerszijden van de weg is een fietspad gelegen, dat soms afbuigt in het buitengebied en later weer aansluit langs de weg. In de wegberm is vaak een bermsloot aanwezig. Deze sloten waren droog tijdens de veldbezoeken. Ter hoogte van Zelhem wordt de omgeving aan de westzijde meer open. Aan de oostzijde zijn verspreid enkele bosschages gelegen die het dorp afscheiden van de weg. Langs de weg zijn aan weerszijde droge, kruidenrijke bermsloten aanwezig. Ten noorden van Zelhem volgt het traject agrarisch gebied, maar komen bosschages voor.

Aan de westzijde van de weg staan grote laanbomen, aan de oostzijde jonge aanplant. De weg loopt door een bosrijk gebied met landgoederen en maakt boven Wolfersveen een haakse hoek richting Veldwijk. De weg en het aan de oostzijde gelegen tweerichting fietspad vervolgen door het dorp in noordelijke richting en doorsnijden enkele grote bospercelen. De omgeving oogt hier natuurlijk door gemengd bos met mantelvegetatie en droge bermen (vaak met steilranden). De oorspronkelijke laanstructuur is nog altijd herkenbaar aan de westzijde. Aan de oostzijde zijn jonge zomereiken aangeplant, als onderdeel van laanherstel. Op diverse plekken is een grote boom behouden, mogelijk als hop-over voor vleermuizen en soorten als eekhoorn. De weg sluit in het noorden aan op de N319. Langs de weg zijn verspreid veel delen verlicht door straatlantaarns. Dit betreft de delen in de bebouwde kom, maar ook langs het fietspad ter hoogte van Doetinchem. Ook zijn op diverse locaties kruisingen en inritten verlicht.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

8

Afbeelding 1 t/m 8, in volgorde van zuid naar noord (ter hoogte van Zelhem).

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

9

Afbeelding 9 t/m 16, in volgorde van zuid naar noord.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

10

2.2

Voorgenomen ontwikkeling

Het traject N315 Doetinchem – Ruurlo heeft een aanzienlijke lengte en een hoge complexiteit door een steeds wisselende inrichting van het wegprofiel. De huidige inrichting van de weg voldoet niet aan de normen voor een verkeersveilige inrichting (vergevingsgezinde bermen). Om de weg te laten voldoen aan deze normen is een eenduidige en consequent uitgevoerde inrichting nodig. Echter, deze aanpak is uitsluitend gemotiveerd vanuit het aspect verkeersveiligheid. Een weg functioneert niet uitsluitend als een verbinding van A naar B maar heeft ook een ecologische waarde en is van belang voor de beeldkwaliteit van het buitengebied. Bij het onderdeel beeldkwaliteit spelen de aspecten landschappelijke waarde en vitaliteit een belangrijke rol. Om toe te kunnen werken naar een duurzaam eindbeeld voor wegen en wegbermen is dus een visie nodig waarin de aspecten verkeersveiligheid, landschap, ecologie en vitaliteit inzichtelijk zijn gemaakt en afgewogen zijn. Deze integrale werkwijze geeft meer uitleg aan omwonenden over de functies van de weg, de huidige problematiek, mogelijke (toekomstige) conflicten, maar ook kansen die zich kunnen voordoen door meerdere aspecten met elkaar te combineren. De werkwijze stelt de omgeving en andere belanghebbenden zodoende in staat om vertrouwen te hebben in het toekomstige eindbeeld van de weg. Dit komt het draagvlak voor de planontwikkeling ten goede.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

11

3 3 NATUURWETGEVING Per 1 januari 2017 is in Nederland de Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met het van kracht worden van de nieuwe wet worden de provincies het bevoegd gezag. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk (Ministerie van Economische Zaken) het bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van bosopstanden.

3.1

Bescherming van soorten

3.1.1 Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende plantenen diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. 3.1.2 Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn) 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd1) 3. Beschermingsregime andere soorten (soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven) Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.

1 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ,

december 2016 impliceert dat de bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern. Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

12

3.1.3 Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd. De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en):   

een vrijstelling geldt; er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); een ontheffing is verkregen.

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (alternatievenafweging). 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid). 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan alle drie van deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Figuur 3 geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden (in de Flora en faunawet was dit wel het geval). Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

13

Figuur 3. Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het verbod op het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). 3.1.4 Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

14

3.1.5 Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. Figuur 5 geeft een overzicht van deze belangen. 3.1.6 Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime (Figuur 4). Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1.

De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. 

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Figuur 4. Toelichting op de definitie ‘Staat van instandhouding binnen de

verschillende beschermingsregimes) (Bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

15

Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: 

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

ter bescherming van flora en fauna;

voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;

om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: 

in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;

in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of

om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Voor andere, ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: 

de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

in het algemeen belang van de betreffende soort.

Figuur 5. Toelichting op het aspect ‘wettelijk belang’ per beschermingsregime) (Bron: brochure

‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

16

3.1.7 Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). 3.1.8 Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.

Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Gedragscodes Voor regelmatig terugkerende activiteiten kan mogelijk gebruik worden gemaakt van een goedgekeurde gedragscode. Het kan gaan om handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onder de Flora- en faunawet zijn reeds diverse gedragscodes opgesteld voor (sectoren van) organisaties als natuurbeheerders, waterschappen of Rijkswaterstaat. Gedragscodes worden goedgekeurd door de Minister van Economische Zaken, in overleg met de provincies en zijn na goedkeuring maximaal vijf jaar geldig. In de gedragscode is beschreven hoe zorgvuldig gewerkt wordt en welke voorwaarden en maatregelen daarbij gelden. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht (vooral de voormalige ‘tabel 1-soorten’ uit de Flora- en faunawet). Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

17

Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora- en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.

3.2

Bescherming van Natura 2000-gebieden

In Nederland zijn verscheidene natuurgebieden die een beschermde status hebben als Natura 2000-gebied. Tot 1 januari 2017 kenden we ook nog de Beschermde natuurmonumenten. Deze zijn met de komst van de Wet natuurbescherming hun beschermde status kwijtgeraakt. 3.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. 3.2.2 Gevolgen plangebied Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebieden. Gelet op de afstand tot andere Natura 2000-gebieden wordt een nadere toetsing niet noodzakelijk geacht.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

18

Figuur 6. Begrenzing Natura 2000-gebieden (gele arcering) en globaal plangebied (rood kader). Bron: https://www.synbiosys.alterra.nl/.

3.3

Bescherming van houtopstanden

Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Onder bos wordt verstaan:  alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen;  alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m 2);  bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Indien een bos wordt gekapt, dient een melding te worden gedaan bij de betreffende provincie. Dit geldt ook voor bij het rooien en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. U hoeft de voorgenomen kap van een houtopstand niet te melden als het gaat om: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande: 1. wegbeplantingen; 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h.

uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst;

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

19

i. j. k.

2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode;

De provincie kan u een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moet u meestal ook nieuwe bomen aanplanten. De provincie kan u hiervan ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Misschien heeft u ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet u apart van elkaar doen. Voorwaarden Als u bossen mag kappen, dan moet u meestal dezelfde grond herbeplanten. Dit doet u:  op een bosbouwkundige manier;  binnen 3 jaar na het kappen van het bos;  volgens de regels van de provinciale verordening (als de provincie die hiervoor heeft opgesteld). De provincie kan een verordening hebben opgesteld voor:  de gegevens die u bij de melding verstrekt;  de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan;  de wijze waarop de melding wordt gedaan;  de situatie waarin u een bos niet mag kappen;  de voorwaarden voor een herplantplicht, de vrijstelling en ontheffing daarvan.

3.3.1 Gevolgen plangebied Het kappen van aaneengesloten bosgebied, boomgroepen en bijvoorbeeld lanen kan meldingsplichtig zijn conform het onderdeel Houtopstanden van de Wet natuurbescherming, indien zij buiten de bebouwde kom boswet liggen en voldoen aan bovengenoemde eisen. Ook kan er gemeentelijk beleid gelden bij gemeente Doetinchem, gemeente Bronkhorst en gemeente Berkelland. In de voorgenomen ontwikkeling moet hier rekening mee gehouden worden.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

20

4 4 NATUURBELEID 4.1

Natuurnetwerk Nederland / Ecologische Hoofdstructuur

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN/EHS geldt het ‘nee, tenzij’principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op de NNN/EHS denkbaar zijn, is het raadzaam (en in sommige gevallen noodzakelijk) een NNN/EHS-toetsing uit te voeren. 4.1.1 Gevolgen plangebied Het plangebied ligt voor een aanzienlijk deel in GNN/GO gebied, zie Figuur 7 en Figuur 8. De ontwikkeling moet passen in de doelstellingen opgesteld voor deelgebieden, beschreven in de ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ (Figuur 9 t/m Figuur 12). Wanneer er negatieve effecten zijn op de ontwikkelingsdoelen is er sprake van aantasting en is compensatie en mitigatie noodzakelijk. Bij vaststelling van het ontwerp moet door een ecoloog beoordeeld worden of er sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

21

Figuur 7. Aanwijzing NNN: GNN (donkergroene arcering) en GO (lichtgroene arcering) in Gelderland, en globaal plangebied (rode lijn). Deelgebied zuid. Bron: http://gldanders.planoview.nl/planoview/. Omgevingsverordening Gelderland, geconsolideerde versie van december 2016.

Figuur 8. Aanwijzing NNN: GNN (donkergroene arcering) en GO (lichtgroene arcering) in Gelderland, en globaal plangebied (rode lijn). Deelgebied noord. Bron: http://gldanders.planoview.nl/planoview/. Omgevingsverordening Gelderland, geconsolideerde versie van december 2016.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

22

Figuur 9. Wezenlijke kenmerken en waarden, deelgebieden.. Bron: http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/thema_kernkwaliteiten.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

23

Figuur 10. Wezenlijke kenmerken en waarden’ van deelgebied 24 Steenderen - Zelhem. Bron: http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/thema_kernkwaliteiten.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

24

Figuur 11. Wezenlijke kenmerken en waarden’ van deelgebied 20 ‘t Zand. Bron: http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/thema_kernkwaliteiten.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

25

Figuur 12. Wezenlijke kenmerken en waarden’ van deelgebied 29 Landgoederen Ruurlo - Vorden. Bron: http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/thema_kernkwaliteiten.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

26

5 5 METHODE De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

5.1

Bureauonderzoek

Voor alle gebieden is gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en, indien beschikbaar, regionale verspreidingsinformatie alsmede eerdere onderzoeken van adviesbureaus en andere groepen. Uit deze gegevens moet blijken of er in of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer). De soortgegevens hebben daarom veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. Daarnaast is gebruik gemaakt van de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren. Het is de meest complete natuurdatabank van Nederland door een bundeling van meer dan 100 verschillende databanken. De databank bevat uitsluitend gevalideerde gegevens, gevalideerd door de (voormalige) Gegevensautoriteit Natuur (GAN). De NDFF is gevuld met gegevens uit databanken van verschillende organisaties die deze gegevens op professionele wijze verzamelen (zoals SOVON Vogelonderzoek Nederland, de Zoogdiervereniging en De Vlinderstichting). Ook de gegevens van verschillende gemeenten, waterschappen, provincies en terreinbeherende organisaties zijn toegevoegd. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen die via de invoerportalen binnenkomen.

Op dit moment bevat de NDFF meer dan 100 miljoen waarnemingen.

5.2

Terreinbezoek

Op basis van twee veldbezoeken is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door Y. Horstink, ecologisch adviseur bij Eelerwoude, uitgevoerd. Dit vond plaats op 16 en 21 juni 2017 bij gunstige weersomstandigheden. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopen-onderzoek) uitgevoerd voor de berm, tot circa 5 meter aan weerszijde buiten het traject. Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten ook genoteerd.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

27

Kader – ecologisch deskundige Bron: RVO / Ministerie van Economische Zaken Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of

-

op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging,

RAVON,

Stichting

Das

en

Boom,

Vogelbescherming

Nederland,

Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of – bescherming.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

28

6 6 BESCHERMDE SOORTEN Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit literatuur en andere informatiebronnen. Tevens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

6.1

Planten en (korst)mossen

Voorkomen en functie Bekend in de NDFF is dat alleen bij Doetinchem in een woonwijk de beschermde schubvaren voorkomt (NDFF, afgelopen 10 jaar). Langs het traject zijn geen andere beschermde soorten bekend. Ook zijn er tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gelet op de aanwezige terreintypen (doorgaans voedselrijke en verstoorde bermen), het beheer en de functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Langs sommige delen van het traject komen relatief zeldzame soortenrijke vegetaties voor, of zijn er potenties voor het ontwikkelen hiervan. Dit betreft het deelgebied N315 in aansluiting op de Oostelijke randweg bij Doetinchem en de droge bermsloten rondom Zelhem (globaal vanaf de N330 in het zuiden tot en met de meest noordelijke rotonde die kruist met de Ruurloseweg). De wegbermen in Doetinchem zijn minder soortenrijk dan de schrale bermen langs de westkant van de Oostelijke randweg, waar onder andere steenanjer, zwarte toorts, grote centaurie, knoopkruid, peen, grasklokje, rode schijnspurrie, boerenwormkruid en duizendblad voorkomen. Soortgelijke potenties lijken op basis van standplaatsconditie ook aanwezig in het deel N315 net ten noorden hiervan. Op beide delen is namelijk sprake van zandige bodems op een zonbeschenen wal.

Het is waarschijnlijk dat genoemde locatie is ontstaan uit inzaai bij de ontwikkeling van de Oostelijke randweg. Ter hoogte van Zelhem komen eveneens zandige bodems voor. In de berm en de droge bermsloten groeien grote aantallen van de soort zandblauwtje. De berm is zowel vanuit ecologie als vanuit esthetiek van meerwaarde. Ook voor deze berm bestaat het vermoeden dat er ingezaaid is.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

29

Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Zij worden ook niet verwacht in de bermen. Wel zijn op enkele plekken soortenrijke vegetatie aanwezig, waarin ook Rode lijst-soorten voorkomen. Vanuit de zorgplicht is het wenselijk rekening te houden met de standplaatsen en ontwikkeling hiervan. Conclusie: nader onderzoek óf het aanvragen van een ontheffing is voor beschermde flora niet noodzakelijk.

6.2

Zoogdieren

6.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen (NDFF, afgelopen 5 jaar): gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis en grootoorvleermuis. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Deze verblijfplaatsen kunnen o.a. de volgende functies hebben: kraamverblijfplaats; zomerverblijfplaats; paar- en/of baltsverblijfplaats; winterverblijfplaats. Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouwbewonende en/of boombewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouwbewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boombewonend en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen.

Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

30

De aan het tracé grenzende bebouwing is potentieel geschikt voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten. Er worden in het kader van de voorgenomen werkzaamheden echter geen woningen of andere gebouwen gesloopt. Gezien de afstand tot de betreffende woningen zal geen verstoring van vleermuisverblijfplaatsen optreden als gevolg van de werkzaamheden, zolang de afstand tussen opgaand groen en het verblijfsgebouw overbrugbaar blijft voor vleermuizen. Opgaande beplanting is vrijwel langs het gehele traject aanwezig. Verschillende eiken en andere bomen zijn potentieel geschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten vanwege de omvang en de aanwezigheid van holtes. Foerageergebied en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Kader - vleermuisvliegroutes Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur.

Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen, vooral de aanwezige eiken zijn waardplant voor een grote diversiteit aan insecten. De omgeving is eveneens geschikt als foerageergebied, onder meer langs verschillende landschapselementen en bosschages die verspreid aanwezig zijn rond het plangebied. Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen zoals lanen en houtsingels om zich langs te verplaatsen. De lijnvormige opgaande beplanting veelal aanwezig langs het traject is potentieel geschikt als vliegroute waarlangs vleermuizen zich kunnen verplaatsen. Op sommige plekken langs het traject zijn zogenaamde hop-overs aanwezig. Dit zijn hoge boomkronen die weerszijden van het traject met elkaar verbinden. Zij zijn noodzakelijk voor de aaneensluiting van bosgebieden, lanen en andere potentiële vliegroutes. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming. Het verjagen, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het verstoren of vernielen van vaste verblijfplaatsen (inclusief de functionele leefomgeving) is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

31

-

Tijdens het veldbezoek zijn in een aantal mogelijk te verwijderen bomen geschikte holtes aangetroffen die een functie als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen kunnen vervullen. Bij de vaststelling van het ontwerp zal door een ecoloog een check van de definitief te kappen bomen noodzakelijk zijn om te bepalen of nader onderzoek noodzakelijk is. Negatieve effecten voor foerageergebied en vliegroutes lijken niet aan de orde bij de kap van individuele bomen, zolang het verwijderen ervan niet leidt tot onderbreking van potentiële vliegroutes. Betrek na het opstellen van het schetsontwerp de ecoloog erbij om een effectbepaling uit te voeren. Voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een toename van verlichting op het traject. Mits onderstaande richtlijnen worden gehanteerd bij de uitvoering kunnen negatieve effecten als gevolg van verlichting worden uitgesloten (zie kader): 1. voorkom verlichting van boomkronen; 2. gebruik rode (amberkleurige) verlichting; 3. hanteer tijdelijke verlichting (slechts een deel van de nacht aan).

-

-

Kader - Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.

Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:

-

verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;

-

beperk verstrooiing van het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;

-

geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.

verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); verlaag de hoogte van de lichtmasten, zodat boomkronen onverlicht blijven;

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

32

Conclusie: er dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met de afstand tussen opgaande begroeiing en gebouwen. Bij vaststellen van het schetsontwerp dient een ecoloog te beoordelen of de ontwikkeling effecten heeft op beschermde soorten. Daaruit kan nader onderzoek noodzakelijk blijken. 6.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF (afgelopen 5 jaar) zijn soorten bekend zoals steenmarter, vos, haas, (spits)muizen, konijn, das, eekhoorn, boommarter. Deze soorten zijn beschermd op basis van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming (soorten met nationaal beschermde status). Andere soorten met nationaal beschermde status of soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn worden in het plangebied niet verwacht op basis van habitatvoorkeur of bekende verspreiding. Effecten en ontheffing De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt, tijdelijk verlies van leefgebied van enkele overige beschermde zoogdiersoorten als gevolg van verstoring tijdens de uitvoering. Voor deze soorten is bij ruimtelijke inrichting een vrijstelling opgesteld. Daarnaast zijn enkele vrijstellingen opgesteld door provincie Gelderland. Een ontheffing Wet natuurbescherming is voor deze soorten derhalve niet noodzakelijk. Das, steenmarter en boommarter kunnen langs het gehele traject voorkomen.

De grootste kans op deze soorten is nabij bossen of waar het landschap kleinschalig is. Van deze soorten wordt niet verwacht dat de projectlocatie een onderdeel uitmaakt van hun leefgebied. Zij kunnen hier mogelijk migreren en/of het gebruiken als marginaal leefgebied. Gelet op de locatiespecifieke maatregelen en het ongewijzigd blijven van de wegbreedte (en daarmee barrièrewerking) worden geen negatieve effecten op deze soorten verwacht. Eekhoorn heeft verblijven in bomen en kan kort aan wegen voorkomen. Verblijven worden zelden aangetroffen dichtbij wegen, maar kunnen niet op voorhand uitgesloten worden. Het is derhalve noodzakelijk om de in het schetsontwerp aangegeven te kappen bomen te controleren op hun functie voor deze soort. Daaruit kan volgen dat nader onderzoek noodzakelijk is. Conclusie: nader onderzoek óf het aanvragen van een ontheffing voor algemene grondgebonden zoogdieren is niet noodzakelijk. Bij de ontwikkeling wordt er van uitgegaan dat de wegbreedte onveranderd blijft, zodat een eventuele barrièrewerking voorkomen wordt. Eekhoorn kan niet uitgesloten worden en zal bij vaststellen van het schetsontwerp op basis van een check beoordeeld moeten worden. Daaruit kan nader onderzoek noodzakelijk blijken.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

33

6.3

Vogels

Alle vogels zijn als soort beschermd in de wet Natuurbescherming. Onderscheid kan gemaakt worden tussen vogels met jaarrond beschermde nesten en overige broedvogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten, komen elk jaar terug bij hun nest. Dit nest mag dus ook niet buiten het broedseizoen verwijderd worden. Voorkomen en functie Vogels met jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruik maken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied en worden op basis van de aanwezige terreintypen kort aan de weg ook niet verwacht. Broedvogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en parken. Tijdens het veldbezoek zijn onder meer aangetroffen: koolmees, pimpelmees, ekster, kauw, boomkruiper en grote bonte specht. De zomereiken en beuken in het plangebied vormen geschikt broedbiotoop voor deze soorten. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nestlocaties het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vogelsoorten met jaarrond beschermde status vastgesteld.

De ruime omgeving van het plangebied maakt onderdeel uit van de functionele leefomgeving van soorten met een jaarrond beschermde nestlocatie zoals buizerd, huismus, havik en kerkuil. De ingreep heeft echter geen effect op dit gebied. Er is geen sprake van areaalvermindering of effecten die de foerageermogelijkheden van de soorten negatief kunnen beïnvloeden. Broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn strikt beschermd binnen de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die nesten beschadigen of verstoren. Verstoring kan in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Het genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast. Hoewel in de Wet natuurbescherming ruimte zit om te werken gedurende het broedseizoen en daardoor vogels te verstoren indien dit geen wezenlijke invloed heeft op de populatie, is momenteel nog niet geheel duidelijk op welke wijze het bevoegd gezag (in dit geval de provincie Gelderland) gaat interpreteren.

Indien kapwerkzaamheden binnen de broedperiode plaats zullen vinden, moeten voorafgaand aan de werkzaamheden de te verwijderen bomen geïnspecteerd worden op de aanwezigheid van broedvogels.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

34

Conclusie: met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten op vogels verwacht. De te verwijderen bomen kunnen worden verwijderd nadat is vastgesteld dat in de betreffende bomen geen broedende vogels aanwezig zijn.

6.4

Amfibieën en reptielen

Voorkomen en functie Amfibieën Een aantal algemene soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen permanente waterelementen aanwezig. Alleen bij een langdurige natte perioden zullen de bermsloten water bevatten. Beschermde amfibieënsoorten van de Habitatrichtlijn worden niet verwacht in het plangebied vanwege het ongeschikte habitat voor deze soorten. Wel zijn verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën van de Habitatrichtlijn rondom het plangebied, namelijk van kamsalamander, boomkikker en poelkikker (NDFF, afgelopen 5 jaar). Reptielen Beschermde reptielensoorten zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied is dergelijk geschikt biotoop aanwezig ter hoogte van de bossen bij Ruurlo. De droge, zonbeschenen bermen met steilwallen aan de oostzijde van de weg zijn zeer geschikt als habitat. In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend uit deze berm, maar wel in aangesloten bosgebied met heideveldjes. Het betreft de soorten hazelworm en levendbarende hagedis (artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming). Beide soorten gebruiken bosranden als deze als leefgebied. Effecten en ontheffing De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde algemene amfibieën van de overige beschermde soorten.

Dit heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling indien er sprake is van een ruimtelijke inrichting. Een ontheffing Wet natuurbescherming is voor hen niet noodzakelijk. Andere beschermde amfibieën worden niet verwacht in het plangebied. Bij werkzaamheden aan de droge berm in het bosgebied bij Ruurlo kunnen de levendbarende hagedis en de hazelworm negatieve effecten ondervinden. Het is aannemelijk dat zij in de berm voorkomen. De berm zal ontzien moeten worden van werkzaamheden of men moet nader onderzoek uitvoeren naar deze twee soorten. Andere beschermde reptielensoorten worden niet verwacht. Conclusie: nader onderzoek óf het aanvragen van een ontheffing voor amfibieën is niet noodzakelijk. Indien werkzaamheden aan de berm in het bosgebied bij Ruurlo uitgevoerd worden, dan is nader onderzoek naar de levendbarende hagedis en de hazelworm noodzakelijk.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

35

6.5

Vissen

Voorkomen en functie In het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen. Effecten en ontheffing Er worden geen effecten op beschermde vissen verwacht. Een ontheffing wet Natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek óf het aanvragen van een ontheffing voor beschermde vissen is niet noodzakelijk.

6.6

Beschermde soorten ongewervelden

Voorkomen en functie Beschermde soorten ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren) worden op grond van verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht. Wel wordt jaarlijks de kleine ijsvogelvlinder gemeld uit het bosgebied in de omgeving van Ruurlo (NDFF, afgelopen 5 jaar). Effecten en ontheffing De kleine ijsvogelvlinder is een soort van bossen waarin zijn waardplant wilde kamperfoelie groeit. In het plangebied is deze waardplant niet vastgesteld. Wel komt hij verspreid voor in de omgeving van het traject, met name in meer vochtige halfopen bossen. Langs de weg zijn geen van deze vochtige plekken aanwezig, waarmee het voorkomen in het plangebied uitgesloten kan worden. De soort komt niet tot voortplanten in het plangebied. Wel kan hij incidenteel gebruikt worden door zwervende dieren, die de bosrand volgen. In geen geval verdwijnt de bosrand. Deze zal hoogstens verlegd worden. Negatieve effecten zijn derhalve uit te sluiten voor de soort kleine ijsvogelvlinder. Negatieve effecten op andere beschermde soorten ongewervelden worden ook niet verwacht. Een ontheffing Wet natuurbescherming is voor deze soortgroep niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek óf het aanvragen van een ontheffing is voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem - Ruurlo Definitief

36

7 CONCLUSIE EN VERVOLG Op basis van deze toetsing wordt geconstateerd dat het onderzoeksgebied potentieel habitat biedt voor een aantal beschermde soorten. Op basis van de beschikbare literatuurgegevens en een veldbezoek is vastgesteld dat het terrein mogelijk van belang is voor enkele veel voorkomende overige beschermde soorten en voor vogels, vleermuizen, zoogdieren en reptielen. Op basis van deze toetsing wordt geen nadere toetsing van de effecten van de ontwikkeling op beschermde Natura 2000-gebieden noodzakelijk geacht. Een toetsing aan de beschermde GNN/GO gebieden, alsmede een toetsing aan de Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden zijn mogelijk wel aan de orde. Dit wordt hieronder in paragraaf 7.1 toegelicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7859/documents/43130