CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.3.1. Ruimtelijke onderbouwing.pdf

gemeenteraad 27 juni 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 8.17: Bestemmingsplan Stationslocatie Doetinchem 2023 en beeldkwaliteitsplan18.949 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

30

luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.

Toetsing Voorliggend project voorziet in de realisatie van 96 wooneenheden en een commerciele plint. Er is geen sprake van een gevoelige functie zoals bedoeld in het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. Er wordt vanuit gegaan dat de commerciele plint geen motorvoertuigen aantrekt (zie paragraaf 4.10). Daarnaast is bij de realisatie van 96 woningen sprake van een NIBM-project en het project hoeft daarom niet getoetst te worden aan de Europese grenswaarden. Verder blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van het RIVM en de kaarten Luchtkwaliteit uit de Atlas Leefomgeving dat de luchtkwaliteit ter plaatse goed is; er worden geen grenswaarden overschreden (PM10, PM2,5 of NO2). Ter plaatse van de locatie is hierdoor sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

4.5

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico.

31

Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing Door SAB is voorzien in een quick scan externe veiligheid 12. Bij de toetsing wordt gekeken of de kans per inrichting of per kilometer route of tracé op een bepaald aantal slachtoffers groter is dan de gestelde oriëntatiewaarden. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de risicokaart Nederland. De globale ligging van het besluitgebied is aangeduid met een paarse cirkel.

Uitsnede uit risicokaart externe veiligheid met aanduiding besluitgebied (in paars) bron: risicokaart.nl

Op basis van de quick scan kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico niet verder hoeft te worden verantwoord, omdat het besluitgebied buiten het invloedsgebied

12

SAB (2023). Quick scan externe veiligheid. Terborgseweg 74-80 te Doetinchem. Projectnummer: 170151.01. 3 oktober 2023. 32

van de aangegeven risicobronnen ligt. De planontwikkeling heeft daardoor geen effect op het groepsrisico. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen project.

4.6

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) 13 als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In onderhavige situatie is sprake van het mogelijk maken van een nieuwe, gevoelige functie in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering. De directe omgeving van het besluitgebied wordt gekenmerkt door bedrijven, kantoren en voorzieningen, waardoor het gebied op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering (2009)’ wordt getypeerd als een ‘gemengd gebied’. Daarmee kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd (met uitzondering van het aspect ‘gevaar’). In de omgeving van het besluitgebied liggen diverse hinderveroorzakende functies. De navolgende tabel geeft deze functies weer: Adres Terborgseweg 52

13

Functie Papierfabriek

VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, 2009. 33

Gemeten afstand 30 m

Emmastraat 2 Terborgseweg 57 Terborgseweg 61 Terborgseweg 63 Terborgseweg 68

Begraafplaats Horeca Detailhandel Kantoor Kapper

30 m 30 m 25 m 25 m 50 m

De navolgende tabel geeft de minimaal aanbevolen richtafstanden aan voor deze functies op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Functie Papierfabriek

Type inrichting Geur Papier- en kartonfabrieken: - p.c. 100 3 - 15 t/u (milieucategorie 4.1) Begraafplaats Begraafplaatsen 0 Horeca Restaurants, cafetaria's, snack- 10 bars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. Detailhandel Detailhandel voor zover n.e.g. 0 Kantoor Overige zakelijke dienstverle0 ning: kantoren Kapper Kappersbedrijven en schoon0 heidsinstituten

Stof 50

Geluid 200

Gevaar 50

0 0

10 10

0 10

0 0

10 10

0 0

0

10

0

Aangezien het besluitgebied en haar omgeving is aangeduid als een gemengd gebied kan deze richtafstand met één stap worden verminderd. Dit betekent dat er alleen een richtafstand overblijft voor de papierfabriek. Nadere beschouwing Papierfabriek Voor de nadere beschouwing van de Papierfabriek is gebruik gemaakt van het rapport Bedrijven en milieuzonering Intermeco Hamburgerbroek, opgesteld door Aveco de Bondt14. Op het aspect geluid is de Wet geluidhinder van toepassing. Het bedrijf wordt aangemerkt als een grote geluidsmaker. Voor het bedrijf is in het bestemmingplan “Parapluherziening geluidzone Hamburgerbroek” de geluidzone vastgelegd. Deze geluidzone ligt in zijn geheel over onderhavig besluitgebied. Dit betekent dat voor de invulling van het besluitgebied moet worden aangesloten bij de bepalingen uit de Wet geluidhinder. Op basis van de vigerende vergunning (ambtshalve gewijzigd in 2007 en geactualiseerd op 13 februari 2023) van de Papierfabriek en de bijbehorende vergunningaanvraag kan voor de overige milieuaspecten het volgende worden geconcludeerd: De papierfabriek beschikt niet over een biologische waterzuivering. Er is derhalve geen sprake van een specifieke geurbron. In de considerans van de vergunning staat: ‘Een uitgebreide onderbouwing via een geuronderzoek bij de aanvraag is niet nood-

14

Aveco de Bondt (2010). Bedrijven en milieuzonering Intermeco Hamburgerbroek. Projectnummer: 080174. 16 juni 2010. 34

zakelijk. Potentiële geurbronnen vanuit de opslag en verwerking van papier of vanuit een biologische afvalwaterzuivering zijn niet aanwezig. Ook dampverliezen van de opgeslagen bulk is nagenoeg nihil’. Ook bij de ambtshalve wijziging van de voorschriften in 2007 heeft het bevoegd gezag, ondanks de aanwezigheid van woningen in directe nabijheid van de papierfabriek, geen aanleiding gezien voorwaarden aan geur te stellen. ‘Het productieproces van de papierfabriek is zodanig ingericht dat stofemissies bij de verwerking van oud papier tot papierpulp niet zijn te verwachten, vanwege het feit dat dit binnen gebeurt en met grote hoeveelheden water gepaard gaat”. Binnen de papierfabriek is een ruimte aanwezig voor de opslag van gevaarlijke stoffen. De opgeslagen stoffen zijn niet brandgevaarlijk. De opslag moet voldoen aan de eisen die worden gesteld in de PGS-15. Het bedrijf heeft wel een geringe hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen in huis, deze worden echter buiten deze ruimte opgeslagen in een speciale kluis. Daarnaast beschikt het bedrijf mede op de grond van de vergunning over de benodigde blusmiddelen hydranten, brandbeveiligingssystemen, veiligheidsaardverbindingen, bliksemafleiderinstallatie, een sprinklerinstallatie, en een brandbestrijdingsplan/aanvalsplan.

Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat, met uitzondering van het aspect geluid, geen milieucontouren op de fabriek van toepassing zijn. Het aspect geluid wordt zoals eerder aangegeven gereguleerd in de Wet geluidhinder. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

4.7

Water Beleid Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit;

35

− realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2 Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3 Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit.

In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1 Klimaatadaptatie; 2 Waterveiligheid; 3 Zoetwater; 4 Grondwater; 5 Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen.

In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).

36

In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. 3 Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt.

De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel Op 21 december 2021 is het waterbeheerprogramma van waterschap (WPB) Rijn en IJssel vastgesteld en vervangt het Waterbeheerplan 2016-2021.

In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap Rijn en IJssel voor de periode 2022 – 2027 op welke wijze gezorgd wordt voor: een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater Het waterbeheerprogramma zoekt verbinding met het werk van de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders.

37

Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap: − Naar een betere balans tussen nat en droog en gebiedsgerichte aanpak: klimaat robuust gebied; − Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; − Afstemming van functies op de draagkracht van het systeem en een gezond watersysteem: gezonde leefomgeving; − Afvalvermindering, wendbare keten: Circulaire economie en energietransitie. Het programma is, naast in deze thema’s, ook in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De kenmerken, de ontwikkelingen en de opgaven die gebiedsspecifiek zijn worden achter elkaar weergegeven. Het beleid is verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap, zoals de verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Toetsing In het kader van het project is een watertoets15 opgesteld om de belangen van het watersysteem in de planvorming te borgen en invulling te geven aan een duurzame waterhuishouding. In deze paragraaf is een samenvatting van deze watertoets opgenomen. Bestaande en toekomstige situatie In de huidige situatie is het besluitgebied volledige onbebouwd, onverhard en braakliggend. In paragraaf 2.2.

van de watertoets is daarnaast de bestaande (geo)hydrologische gesteldheid van het besluitgebied beschreven. Met de nieuwe inrichting van het plangebied neemt het verhard oppervlak toe. De parkeerplaatsen worden halfverhard aangelegd. Onder een groot deel van de parkeerplaatsen wordt waterberging gerealiseerd. Door de aanwezigheid van waterberging onder de parkeervakken infiltreert het water niet natuurlijk de grond in maar richting de berging. Daarom zijn deze oppervlakken als volledig verhard beschouwd. Door de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak met 4.980 m2 toe. Wateropgave Op basis van de eisen vanuit het waterschap Rijn en IJssel is compensatie over het verhard oppervlak nodig, omdat binnen het besluitgebied sprake is van een toename van verhard oppervlak. Dit betekent dat in stedelijk gebied een bui T=100+10% volledig vastgehouden kan worden binnen het besluitgebied en niet tot schade leidt. Dit is een bui waarbij 80 mm neerslag valt. Vanuit de gemeente Doetinchem geldt dat, afhankelijk van de doorlatendheid van de bodem, 10 á 45 mm berging gerealiseerd dient te worden. Op basis van het geohydrologisch onderzoek wordt de doorlatendheid van de bodem geschat op circa 1 m/dag.

15

BOOT (2023). Watertoets. Stationslocatie, Terborgseweg te Doetinchem. Projectnummer: P23-0004. 13 oktober 2023. 38

Deze doorlatendheid resulteert in een statische bergingsopgave van 20 mm. Hierbij geldt wel dat 80 mm dynamische berging beschikbaar moet zijn binnen het plangebied. Met een toename van 4.980 m² verhard oppervlak binnen het besluitgebied dient onderstaande berging gerealiseerd te worden: − Waterschap Rijn en IJssel: 4.980 m² x 80 mm = 399 m³ − Gemeente Doetinchem: 4.980 m² x 20 mm = 100 m³ Op basis van de benodigde berging wordt, wanneer voldaan wordt aan de eisen van het waterschap Rijn en IJssel, ook voldaan aan de eisen vanuit de gemeente Doetinchem. Dit betekent dat 399 m³ (dynamische) berging binnen het besluitgebied gerealiseerd dient te worden. Waterbergende voorzieningen In het ontwerp is rondom de bebouwing ruimte gereserveerd voor regentuinen en landschappelijke verlaging. Daarbij is het voornemen om onder de parkeerplaatsen waterberging te realiseren in de vorm van infiltratiekratten. Een combinatie van deze verschillende waterbergingstypes maakt dat voldoende waterberging beschikbaar is binnen het besluitgebied. In de watertoets is een uitgebreide beschrijving en berekening van de waterbergingen opgenomen. Een overzicht van de waterbergingen is weergegeven in de volgende tabel.

Wijze van afwatering Binnen het plangebied wordt geadviseerd het hemelwater af te laten wateren naar de dichtstbijzijnde voorziening. Dit betekent dat de rijbanen zoveel mogelijk oppervlakkig af zullen wateren naar de kolken. Het water op de parkeerplaatsen zal deels infiltreren en deels oppervlakkig richting de kolken afstromen. Vanuit de kolken stroomt het water richting de infiltratiekratten. Om dichtslibbing van de infiltratiekratten te voorkomen dienen de kolken met zand- en bladvang te worden aangelegd. Het dakoppervlak van het appartementencomplex en de stadswoningen zal verhoudingsgewijs op de waterbergende voorzieningen verdeeld worden. De voorzijden van de stadswoningen (maximaal 275 m²) aan de Stationsstraat en Terborgseweg kunnen aangesloten worden op de regentuinen aan de voorzijde van de woningen. Daarbij kan 350 m³ van het appartementencomplex aangesloten worden op de regentuinen en de landschappelijke verlaging. Het is van belang dat de waterbergende voorzieningen met elkaar in verbinding staan. Dit om te voorkomen dat water vanuit een voorziening op het maaiveld komt te staan terwijl niet alle bergingsruimte binnen het plangebied benut wordt. Daarom is het van belang dat het maaiveld vlakgelegen komt. Daarbij wordt geadviseerd een (oppervlakkige) noodoverloop te realiseren richting het

39

hemelwaterstelsel in de Stationsstraat. Dit om te zorgen dat het hemelwater gedurende extreme situaties niet tot overlast leidt ter plaatse van de bebouwing. Voordat de noodoverloop in werking treedt zal het water vanuit de voorzieningen infiltreren. Om te voorkomen dat water-op-straat gelijk tot overlast leidt is het van belang dat de vloerpeilen minimaal 0,2 m hoger gelegen zijn dan de wegpeilen. Om binnen het plangebied kansen te benutten op het gebied van verkoeling en biodiversiteit wordt geadviseerd de volgende meekoppelkansen te benutten: − biodiverse beplanting in en rond de landschappelijk verlagingen en regentuinen, voor een verweving van “groen” en “blauw” in het plangebied; − realiseren schaduw door aanplanten bomen of heesters of toepassing van schaduwdoeken; − realiseren schaduw in verblijfsplaatsen voor verkoeling middels bomen in de verharding, tussen parkeervakken, etc. Deze kansen zijn verwerkt in het voorstel groene inrichting, door het toepassen van regentuinen met vaste planten, het gebruik van inheemse soorten, het realiseren van een pergolaconstructie boven zowel de parkeerplaatsen als de daktuinen en het toepassen van klimplanten en gevelgroen aan de buitenkant van de bebouwing. Om vervuiling van het hemelwater te beperken, wordt geadviseerd het gebruik van uitlogende bouwmaterialen te voorkomen conform beleid gemeente en waterschap.

Vuilwater Op basis van de realisatie van 84 appartementen en 13 stadswoningen, een bezetting van 2,4 per woning en een afvoer van 120 liter per persoon per dag, is de toevoer op de droogweerafvoer (dwa) 27,9 m³ per dag of 0,3 liter/seconde. De gemeente dient te bepalen of het huidig aanwezige rioolstelsel voldoende capaciteit heeft voor de extra vuilwatertoevoer. Op basis van de hoogteligging van de bestaande riolering dient bepaald te worden of afwatering onder vrijverval richting het gemeentelijke riool in de Terborgseweg mogelijk is. Grondwater Het aanlegpeil van woningen wordt bepaald op basis van de omliggende verharding en de ligging ten opzichte van het grondwater. Met een representatief hoogste grondwaterstand (RHG) ingeschat op circa NAP +11,0 m wordt bij een toekomstig bouwpeil van minimaal NAP +12,0 voldaan aan de ontwateringseis. Ook voor de overige terreinen als tuinen, de rijbaan en groenstroken is dan voldoende ontwatering voorzien. In de huidige situatie is voldoende ontwatering aanwezig, dit dient in de toekomstige situatie ook gerealiseerd te worden. Wanneer de regentuinen van een geschikte toplaag worden voorzien en de waterbergende pakketten juist aangelegd worden, is infiltratie in de ondergrond gezien de bodemopbouw goed mogelijk. Oppervlaktewater Het project veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

Waterveiligheid Het project ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering of

40

watergang. Conclusie Het hemelwater zal ter plekke en bij overstort in het IT-riool van de gemeente en in infiltratievoorzieningen van de gemeente elders infiltreren. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing SAB heeft met een quick scan natuur 16 onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Naast beschermde natuurwaarden in het besluitgebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Uit de quick scan volgt dat de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op ca. 13 (Rijntakken) en 17 km (Veluwe) van het besluitgebied liggen. Daarnaast liggen de Duitse Natura 2000-gebieden ‘Rhein-Fischschtzzonen’ en ‘NSG Hetter-Millinger, Bruch, mit Erweiterung’ op circa 12 km van het besluitgebied en ‘Unterer Niederrhein’ op circa 13 km van het besluitgebied.

Om een toename aan stikstofdepositie door toedoen van onderhavige ontwikkeling uit te sluiten is een onderzoek stikstofdepositie17 uitgevoerd. Uit de berekeningen volgt dat er met de ontwikkeling zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie te verwachten is op Natura 2000gebieden. Negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie door de ontwikkeling zijn daarmee uitgesloten. Aanvullend onderzoek naar de gevolgen van stikstofdepositie, in de vorm van een passende beoordeling, is niet noodzakelijk. Ook een vergunning Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Tot slot ligt het besluitgebied niet in het Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur. De provinciale bescherming van deze gebieden staat daarom de uitvoering van het project niet in de weg.

16

SAB (2023). Quick scan natuur. Terborgseweg 74-80 Doetinchem. Projectnummer: 170151.01. 6 november 2023.

17

SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie. Terborgseweg 74-80. Projectnummer: 170151.03. 20 november 2023. 41

Soortenbescherming In en rondom het besluitgebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het besluitgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het besluitgebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen moet de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn.

De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie Het gemeentelijke beleid van archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid van deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie.

4.9.1

Archeologisch erfgoed Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden moeten als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de Erfgoedwet is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeo42

logische waarden en hierin een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen. Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep. De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. Een betere bescherming van de archeologie en het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om goed inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het archeologisch bodemarchief. Daarom heeft de gemeente Doetinchem een archeologische beleidskaart laten opstellen door adviesbureau RAAP, waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een gebied zal het beschermingsregime meer of minder streng zijn. De archeologische beleidskaarten zijn op 30 maart 2020 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld.

De archeologische beleidskaarten worden periodiek geactualiseerd aan de hand van uitgevoerd archeologisch onderzoek.

Uitsnede archeologische waarden en verwachtingen met aanduiding besluitgebied (in geel)

De uitgangspunten voor het archeologiebeleid sluiten al aan op het beleid dat regionaal is opgesteld. Dit beleid staat in de nota 'Archeologie met beleid. Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek' (vastgesteld in 2013). Dit beleid geeft een verlichting van de grenzen voor archeologisch onderzoek. De gebieden zoals deze in de archeologische beleidskaarten onderscheiden zijn, veranderen hier niet door. Wel zijn er nu in de basis 5 verschillende niveaus van bescherming. Deze komen terug in de navolgende tabel. De volgende archeologische gebieden komen in het besluitgebied voor: uitgangspunten archeologiebeleid Archeologische waardevol verwachtingsgebieden (AWV) AWV categorie 5 Bij bodemingrepen bij besluitge(hoog+afgedekt) bieden groter dan 250 m² en die-

43

dubbelbestemming

Waarde - Archeologische verwachting 3

per dan 40 cm -mv of dieper dan de bekende bodemverstoring vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek. AWV categorie 9 (laag Bij bodemingrepen bij plangebie- Waarde - Archeologische voor nederzettingsresten, den groter dan 5000 m² en dieper verwachting 6 hoog voor water gerela- dan 30 cm -mv of dieper dan de teerde archeologische bekende bodemverstoring vroegresten) tijdig inventariserend archeologisch onderzoek. Aangezien het besluitgebied omvangrijker is dan 250 m2 of 5.000 m2 is voorzien in een archeologisch bureau- en booronderzoek18. Op basis van dit onderzoek wordt vervolgonderzoek geadviseerd. De hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum blijft behouden. Veldonderzoek Naar aanleiding van het archeologisch bureau- en booronderzoek is er aanvullend karterend booronderzoek uitgevoerd19 om archeologische vondsten en sporen in kaart te brengen. Ten tijde van het verkennende booronderzoek was nog bebouwing aanwezig die inmiddels gesloopt is. Wegens de brede verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten is de kartering gebaseerd op methode E1 uit de Leidraad IVO Karterend booronderzoek. In het onderzoeksgebied zijn 12 boringen gezet met een 15 cm Edelmanboor. De opgeboorde grond is gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 4 mm.

De einddieptes van de boringen ligt tussen 100 en 300 cm -mv. Uit het booronderzoek blijkt dat bodem gedeeltelijk intact is, op twee locaties na. In de intacte delen van A-horizont zijn vier fragmenten (vermoedelijk) handgevormd aardewerk (Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen), een fragment roodbakkend aardewerk (Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd) en fragmenten pijp uit de 16 tot 19e eeuw aangetroffen. De aardewerkfragmenten in de A-horizont wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats in de ondergrond. Deze worden geplaatst in de periode Neolithicum tot en met Nieuwe tijd. De top van het archeologische niveau ligt tussen 50 en 130 cm -mv (1175 en 1252 cm NAP). Er wordt geadviseerd om nader te bepalen wat de waarde is van de vindplaats in het besluitgebied. De meest geschikte methode hiervoor is het 18

Econsultancy (2016). Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 te Doetinchem. Rapportnummer: 14116278. 7 januari 2016

19

Bureau voor Archeologie. Inventariserend veldonderzoek, Terborgseweg 74-78 te Doetinchem. Rapport 1055, 17 juni 2021 44

uitvoeren van een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P) in de zones waar het bodemprofiel intact is. Voorafgaand aan het uitvoeren van het onderzoek moet een Programma van Eisen worden opgesteld dat moet worden goedgekeurd door de bevoegde overheid (de gemeente Doetinchem). Proefsleuvenonderzoek Uit eerdere booronderzoeken is gebleken dat de bodemopbouw redelijk intact is. Waarop het bevoegd gezag heeft besloten vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek20 (IVO-P) om de aanwezigheid van archeologische resten en sporen vast te stellen en, indien aanwezig, de waarde daarvan te bepalen. Voor het gebied is een kans op het aantreffen van sporen en vondsten vanaf de Steentijden tot in de Nieuwe Tijd. Aangezien ca. 5% van het oppervlak van het besluitgebied met proefsleuven dient te worden onderzocht om de aan- of afwezigheid van archeologische sporen en vondsten vast te stellen, bedraagt dit 284 m 2, aangevuld met optioneel 2,5% aan proefsleuven in het geval van de aanwezigheid van archeologische grondsporen en vondsten om vindplaatsen betrouwbaar te kunnen begrenzen en waarderen. Het onderzoek is uitgevoerd conform het PvE en de KNA 4.1.2 Op 17 januari 2022 zijn in totaal 8 proefsleuven gegraven met een gezamenlijk oppervlakte van 359,4 m2, circa 6,2 % van het totale besluitgebied.

In de werkputten 2, 4, 7 en 8 is de bodem tot in de C-horizont verstoord. In de zuidelijk delen van werkput 1 en 3 is nog een restant van het plaggendek (laag -920) aanwezig. Hieronder bevindt zich een mogelijke B-horizont (laag -900) ofwel verbruinings- en een inspoelingslaag (laag -910). Dit is ook in werkputten 2 en 6 het geval, maar hier ontbreekt het plaggendek. De bodem is hier tot in de top van de verbruiningslaag verstoord. Het beeld komt overeen met hetgeen is geconstateerd tijdens de booronderzoeken. De C-horizont bestaat uit lichtgeel zand matig fijn tot fijn zand met enkele ijzervlekken en grindjes. De top van de C-horizont bevindt zich in het zuidelijk deel van het besluitgebied, ter plaatse van werkput 5, op circa 11,93 m +NAP en neemt in noordoostelijke richting toe tot 12,60 m +NAP ter plaatse van werkput 3. Tijdens het onderzoek zijn er enkele stukken handgevormd aardewerk verzameld, dat waarschijnlijk stamt uit de IJzertijd. Deze zijn echter zeer fragmentarisch en sommige zijn verweerd. Het is niet uit te sluiten dat het materiaal van elders is aangevoerd en met het ontstaan van het plaggendek binnen het besluitgebied is terecht gekomen. De sporen van drie waterputten en enkele paalkuilen dateren op zijn vroegst uit de 19e dan wel vroege 20e eeuw. Binnen het besluitgebied is derhalve sprake van een vindplaats uit de Late Nieuwe Tijd.

Gezien de slechte conservering en vrij recente datering gaat het om een archeologisch fenomeen met een lage archeologische waarde. Met name de waterputten zijn slecht geconserveerd en deels vergraven door latere werkzaamheden. De paalkuilen liggen verspreid en vormen geen onderlinge structuur. De archeologische waarde van de vindplaats kan hiermee als laag worden gekwalificeerd.

20

Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, Terborgseweg 74-78 te Doetinchem. V2253, 23 juni 2022 45

Op basis van de uitkomsten van dit proefsleuvenonderzoek wordt geconcludeerd dat voor het besluitgebied Terborgseweg 74-78 geen aanvullende maatregelen dienen te worden getroffen in het kader van het gemeentelijk archeologie beleid. Het onderhavige besluitgebied kan naar oordeel van Vestigia worden vrijgegeven voor de voorgenomen bouwplannen. Het rapport is voorgelegd aan het bevoegd gezag ter beoordeling, in deze de gemeente Doetinchem. Het advies van Vestigia wordt overgenomen, het gebied wordt vrijgegeven en er wordt geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van dit grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij de gemeente Doetinchem en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). 4.9.2

Cultuurhistorisch erfgoed De cultuurhistorie is in Doetinchem vastgelegd in de nota "Continuïteit in Karakter, Cultuurhistorie Doetinchem" (vastgesteld 21 september 2017) en de Erfgoedverordening gemeente Doetinchem 2013 (vastgesteld 30 mei 2013). In en rondom het besluitgebied zijn geen panden aanwezig die cultuurhistorische waarden hebben die van invloed zijn op de realisatie van de beoogde planontwikkeling. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.10

Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW21 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gezien de ligging van het besluitgebied in het stationsgebied van Doetinchem kunnen de kencijfers voor ‘schil centrum’ aangehouden worden. Doetinchem is een ‘matig stedelijk’ gebied volgens CBS-gegevens. Om te kunnen bepalen welk effect de planontwikkeling heeft op de omliggende infrastructuur is in onderstaande tabel de verkeersgeneratie weergegeven in de toekomstige situatie. De verkeersgeneratie is voortgekomen uit de CROW-kencijfers. Daarbij zijn de kengetallen aangehouden behorende bij -‘koop, huis, tussen/hoek’ en ‘koop, appartement, duur’ (worstcase). De commerciële ruimte zal gebruikt worden voor detailhandel, die zich richt op OV-reizigers. Een voorbeeld van invulling van deze functie is een broodjeszaak, koffie- of espressobar of lunchroom. Deze functie zal naar ver-

21

CROW, publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen. 46

wachting vrijwel alleen OV-reizigers trekken en trekt daardoor geen motorvoertuigen aan. Daarom is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 0. 22 In de onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie weergegeven. Commerciële Appartementen plint (299 m2) (84)

Stadswoningen (13) Totaal

Minimaal

-

6,5 x 84 = 546

6,5 x 13 = 84,5

630,5

Maximaal

-

7,3 x 84 = 613,3

7,3 x 13 = 94,9

708,2

Onderhavige ontwikkeling zorgt voor maximaal 709 extra verkeersbewegingen. Het besluitgebied wordt ontsloten op de Stationsstraat. Vanaf hier wordt het verkeer afgewikkeld op de C. Missetstraat en de Terborgseweg. Het extra verkeer kan worden opgenomen in het huidige verkeersregime rondom het besluitgebied. Parkeren In het kader van het voorliggende project is een parkeerbalans23 opgesteld. Hierin worden de volgende conclusies getrokken: − Op basis van het gemeentelijk beleid zijn 141 parkeerplaatsen nodig voor de ontwikkeling van het project, waarvan: − 112 voor bewoners (piek werkdagnacht); − 29 voor bezoekers (piek zaterdagavond); − 0 parkeerplaatsen voor de commerciële ruimte. De parkeerbehoefte van bewoners kan slechts deels worden voorzien op eigen terrein; er ontstaat een tekort van 30 bewonersparkeerplaatsen. Samen met bezoekersparkeerplaatsen zijn op het maatgevende moment 42 extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte nodig. − Op basis van de maatwerkbenadering zijn 134 parkeerplaatsen nodig voor de ontwikkeling van het project, waarvan: − 105 voor bewoners (piek werkdagnacht); − 29 voor bezoekers (piek zaterdagavond); − 0 parkeerplaatsen voor de commerciële ruimte. De parkeerbehoefte van bewoners kan slechts deels worden voorzien op eigen terrein; er ontstaat een tekort van 23 bewonersparkeerplaatsen.

Hierdoor krijgen de kleinste appartementen geen eigen parkeerplaats. Daarom zijn samen met bezoekersparkeerplaatsen op het maatgevende moment 36 extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte nodig. − Gelet op de ligging nabij het centrum van Doetinchem, overige voorzieningen en de ligging naast het treinstation adviseren wij de 10 huurappartementen van circa 50 m² niet van een eigen parkeerplaats op eigen terrein te voorzien. Dit maakt het mogelijk om de resterende 82 woningen te voorzien van 1 parkeerplaats per wo-

22

Goudappel (2024). Stationslocatie Doetinchem, Parkeerbalans. Rapportnummer: 013222.20220930.R1.05. maart 2024.

23

Goudappel (2024). Stationslocatie Doetinchem, Parkeerbalans. Rapportnummer: 013222.20220930.R1.05. maart 2024. 47

ning op eigen terrein. Daarnaast worden er 15 parkeerplaatsen afgekocht middels het parkeercompensatiefonds. − Het bezoekersdeel van de parkeerbehoefte kan, samen met het resterende deel van de bewoners parkeerbehoefte, naar verwachting worden gefaciliteerd op openbare parkeervoorzieningen in de omgeving. De openbare parkeervoorzieningen in de omgeving worden voornamelijk door werknemers gebruikt en zullen daarmee buiten kantooruren grotendeels vrij zijn. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

4.11

Trillinghinder In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Om aan te kunnen tonen of er voor een beoogd project sprake is van een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk om mogelijke trillingshinder inzichtelijk te maken. Er is een aantal richtlijnen en beleidsregels die hiervoor worden gebruikt, namelijk: − SBR-richtlijn; − Beleidsregel trillingshinder spoor; − Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen; − Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0.1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor.

Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn.

48

Toetsing Vanwege de korte afstand tussen het besluitgebied en de spoorlijn Winterswijk – Arnhem is een trillinghinderonderzoek24 uitgevoerd. Op basis van de verrichte metingen kan worden geconcludeerd dat aan de in het kader van trillinghinder in woningen na te streven waarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B ‘Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn’ van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006 zal worden voldaan, zodat sprake zal zijn van een trillingtechnisch acceptabele situatie in de toekomstige kantoren. Conclusie Het aspect trillinghinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

4.12

Klimaatadaptatie Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. Beleid De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris. Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie De aanpak van deze drie thema’s wordt in het Deltaprogramma ook uitgewerkt voor verschillende regio’s. Deltabeslissing en Deltaplan Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing en een Deltaplan: In de Deltabeslissingen staan nationale kaders die voor heel Nederland gelden. De Deltabeslissingen worden elke zes jaar herijkt. In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden.

− In de Deltaplannen staan concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid en de planning van deze maatregelen. In het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie staan concrete acties en doelen die ervoor gaan zorgen dat Nederland in 2050 waterro-

24

Peutz (2023). Trillinghinderonderzoek Stationsplein West 30 te Arnhem. Rapportnummer: H 7889-1-RA-001, 6 april 2023.

49

buust en klimaatbestendig is ingericht. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten. − Het Deltaprogramma controleert en evalueert elk jaar hoe de deltabeslissingen, voorkeursstrategieën en deltaplannen tot dan toe zijn uitgewerkt en uitgevoerd. Ook het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie wordt elk jaar gemonitord. In deze jaarlijkse monitor kunnen voorstellen staan om beleid aan te passen, bijvoorbeeld op basis van nieuwe ontwikkelingen of belemmeringen. Zo is de maatlat klimaatadaptief bouwen opgesteld op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris, welke hieronder ander zal worden toegelicht. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat is een belangrijke stap op weg naar een klimaatadaptief Nederland. Deze definieert wat klimaatadaptief bouwen is en schept duidelijkheid voor medeoverheden en voor bouwende en ontwikkelende partijen.

Belangrijke stap voor de toekomst De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. Het gaat om de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen. Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend ’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid. Maatlat houdt rekening met verschillende regio’s De maatlat zal breed toepasbaar zijn voor Nederland en rekening houden met de verschillen in het bodem- en watersysteem. De hogere zandgronden in Oost-Nederland vragen bijvoorbeeld om andere oplossingen dan de polders in West-Nederland. Er zijn al verschillende regionale samenwerkingen en afspraken voor klimaatadaptief bouwen, zoals in Zuid-Holland, Utrecht, Noord-Holland/Metropoolregio Amsterdam en Gelderland. Deze samenwerkingen zijn een belangrijk startpunt.

Ze kunnen worden aangevuld met inzichten, ervaringen en behoeften uit heel Nederland om breed zicht te krijgen op klimaatadaptief bouwen. De focus van de maatlat ligt op nieuwbouw, maar hij gaat ook over de bestaande gebouwde omgeving. Ook worden de borgingsmogelijkheden van de maatlat in ruimtelijke plannen en ontwerpen in kaart gebracht. Vooruitblik landelijke maatlat Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd. Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie

50

van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd. Rijksbeleid - Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico’s voor Nederland en zet de koers uit om deze risico’s aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema’s en klimaatrisico’s die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema’s hieruit aan. Met het rapport ‘Nationaal perspectief klimaatadaptatie’ uit 2020 blikt het team terug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie- en verordening Gaaf Gelderland Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van onze omgeving. Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zetten ze vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering.

Met hun partners willen ze verder kijken. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – nemen ze de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico’s om te gaan. Ambities − In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. Ze zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. − In 2020 hebben ze samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen. Aanpak − ze zorgen voor een veerkrachtig en duurzaam water-, natuur en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit een klimaatbestendige en schone bodem en ondergrond en uit schoon en gezond grond- en oppervlaktewater en drinkwater. − Samen met partners brengen ze toekomstige risico’s en kansen van het veranderend klimaat voor Gelderland in kaart. Ze dragen bij aan het opstellen van Regionale Adaptatie Strategieën en helpen bij de uitvoering daarvan. − Ze werken zelf klimaatbestendig en wegen dit aspect bij al hun beslissingen mee. En: geven dit als voorwaarde mee aan onze partners. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie) 1.

Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de

51

maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. waterveiligheid; b. wateroverlast; c. droogte; en d. hitte. 3. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Gemeentelijk beleid – Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem De klimaatadaptatiestrategie is op 7 juli 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Doetinchem. De strategie geeft aan hoe de gemeente Doetinchem klimaatbestendig gaat maken aan de hand van de volgende stappen: 1. De verwachte klimaateffecten in de gemeente. 2. De visie en ambities voor een klimaatbestendige inrichting (de klimaatadaptatiestrategie). De gemeente heeft 5 pijlers gedefinieerd waar de visie op steunt: 1. Stad en dorp gezond en groen: In de gemeente wonen bijna 60.000 mensen. Er heerst een aantrekkelijk woon- en werkklimaat. De stad Doetinchem vervult een regiofunctie. Dit alles wil de gemeente behouden en versterken. 2. Adaptief landelijk gebied: De overwegend stedelijke gemeente heeft een aantrekkelijk groen landelijk gebied. Droogte bedreigt hier o.a. landbouw en natuur.

De gemeente streeft naar een toekomstbestendig landelijk gebied voor deze functies. 3. Robuuste vitale infrastructuur: Vitale infrastructuur zijn knooppunten van wegen, energie, dataverkeer en meer. De vitale functies van de gemeente willen ze beschermen omwille van onze gezondheid, veiligheid en economie. 4. Ontwikkelingen klimaatbestendig: De gemeente bouwt met het oog op de toekomst. Als er nu iets wordt ontwikkeld, houden ze rekening met het klimaat van de toekomst. 5. Betrokken en actieve mensen: De mensen maken Doetinchem. Als de gemeente zich wil aanpassen aan het veranderende klimaat moeten ze dat samen doen. De gemeente zet in op samenwerking met inwoners en bedrijven in de gemeente. In het algemeen betekent dit de volgende maatregelen: − Neerslag vasthouden daar waar het valt; − De bodem inzetten als spons; − Meer schaduw door meer groen; − Minder verharding door meer groen; − Bebouwing en vitale infra en objecten hoog en droog. Toetsing In elk van de bovenstaande beleidsstukken komen de thema’s waterveiligheid/overstromingen, wateroverlast, hitte en droogte naar voren. Daarnaast worden in de landelijke maatlat klimaatadapatief bouwen de thema’s biodiversiteit en natuurinclusiviteit en bodemdaling ook nog meegenomen. Deze thema’s worden hieronder nader toegelicht met behulp van kaartmateriaal van de site klimaateffectatlas.nl.

52

Waterveiligheid/gevolgbeperking overstromingen De kaart maximale overstromingsdiepte geeft de kans op overstroming weer binnen een gebied. Deze kaart laat voor de huidige situatie in vier beelden zien welke overstromingsdieptes mogelijk zijn. Van boven naar beneden wordt de kans steeds kleiner, maar worden de ruimtelijke gevolgen juist groter: − grote kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 10 jaar overstroomt; − middelgrote kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100 jaar overstroomt; − kleine kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 1.000 jaar overstroomt; − bijzonder kleine kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100.000 jaar overstroomt. De onderstaande afbeeldingen laten de maximale overstromingsdiepte zien die eens in de 1.000 of eens in de 100.000 jaar kan voorkomen bij bijvoorbeeld een dijkdoorbraak. Ter plaatse van het plangebied wordt, bij de scenario’s middelgrote en grote overstromingskans geen water op maaiveld verwacht. Uit de volgende afbeeldingen is af te lezen dat er een kleine kans (1 x per 1.000 jaar) bestaat dat het plangebied 0,5 tot 1,0 meter overstroomt en een bijzonder kleine kans (1 x per 100.000 jaar) dat het plangebied 1,0 tot 1,5 meter overstroomt. De kans op een overstroming is echter wel aanwezig.

Overstromingsdiepte die 1 keer in de 1.000 jaar voorkomt (klimaateffectatlas.nl)

53

Overstromingsdiepte die 1 keer in de 100.000 jaar voorkomt (klimaateffectatlas.nl)

Om de effecten van overstromingen te verminderen zijn maatregelen te nemen gericht op de ‘overstromingtrits’: schade voorkomen, schadebeperking, schuilen en evacueren. Raadpleging van de tabel voorkeursvolgorde gevolgenbeperking overstroming uit de klimaatmaatlat geeft aan dat schade voorkomen en schuilen en evacueren binnen het plangebied het meest kansrijk zijn. Maatregelen om de schade te beperken kunnen bijvoorbeeld een verhoogd vloerpeil zijn ten opzichte van de weg zodat het water niet naar binnen treedt en meterkasten, stroompunten of andere vitale installaties op de begane grond verhoogd aanleggen. Ten aanzien van schuilen en evacueren zijn maatregelen als het creëren van een duidelijk vluchtplan waarbij bewoners naar hogere verdiepingen kunnen komen en het voorzien in SOS pakketten op de hogere verdiepingen mogelijk. Hittestress Door klimaatverandering wordt het vaker heet in de zomer. In steden is het vaak al warmer dan de landelijke omgeving vanwege onder andere de aanwezige verhardingen, ook wel het stedelijk hitte eiland effect genoemd. Dit heeft invloed op de gezondheid, buitenruimte, leefbaarheid, water en netwerken. De onderstaande kaart presenteert de gemiddelde gevoelstemperatuur in ºC voor het tijdvak 12:00-18:00 lokale tijd op een hete zomerdag ter plaatse van het plangebied in het huidige klimaat. De kaart daar onder presenteert hetzelfde maar dan in 2050.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7974/documents/47546