Bijlage 1.3.1.17 -Bijlage 17 bij ruimtelijke onderbouwing - Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek.pdf
Tekst van het document
Het sporenniveau zal goed zichtbaar zijn in de overgangs-BC-horizont/top van de C-horizont. De aanwezigheid van een plaggendek zorgt voor een betere conservering van archeologische resten (vergankelijk vondstmateriaal) dan wanneer er geen sprake is van een plaggendek. Het merendeel van het plangebied heeft een landschappelijke ligging en bodemkundige opbouw waarbinnen de ‘buitencategorie’ type 4 vondstcomplexen kunnen worden verwacht. Een deel van de mobilia (archeologische resten) circuleert ten gevolge van opspit vaak in het langzaam geaccumuleerde mestdek, waardoor zelfs diep gelegen en meer resistente artefacten tot aan het maaiveld kunnen komen. e
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft aan dat vanaf de tweede helft van de 18 eeuw e tot in ieder geval het begin van de tweede helft van de 19 eeuw in agrarisch gebruik is geweest (akkerland, met de verwachting dat een plaggendek is opgebracht). Daarna is het plangebied onderhavig geweest aan diverse bouwwerkzaamheden. Bij de gemeente zijn gegevens uit de bouwdossiers beperkt (veel bouwdossiers zijn verloren gegaan bij bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog), maar de verwachting is dat er binnen het bebouwde oppervlak bodemingrepen en dus bodemverstoringen hebben plaatsgevonden, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten en/of sporen verstoord zijn geraakt dan wel volledig weggegraven zijn.
14116278 DOE.KLA.ARC
Pagina 30 van 39
De terreindelen rondom de bestaande bewoning zijn merendeels voorzien van een grind-/klinker of tegelverharding. Kleine terreindelen zijn in gebruik als siertuin/groenstrook. In welke mate het oorspronkelijke bodemprofiel verstoord is geraakt tijdens het aanleggen van de aanwezige verhardingen en inrichting van de percelen, is moeilijk in te schatten. Mogelijk is een deel van het bodemprofiel afgegraven voor de aanleg van een stabilisatielaag onder de voormalige verhardingen. De voormalige verhardingen kunnen echter ook direct op het oorspronkelijke bodemprofiel zijn aangelegd. Op basis van resultaten van eerder uitgevoerde milieuhygiënisch bodemonderzoeken kan per saldo kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied de grond en het grondwater licht verontreinigd is als gevolg van langdurig (bedrijfsmatig)gebruik en dat lokaal sterke verontreinigingen kunnen voorkomen. Of de oorzaak van deze verontreinigingen ook heeft geleid tot verstoringen van de oorspronkelijke bodemopbouw is niet bekend. 10.
Wat is de aard van mogelijk aanwezige vondst- en/of spoorcomplexen? Op basis van de verwachte aanwezige afzettingen en landschappelijke ligging is voor het plangebied de verwachting hoog op de aanwezigheid van resten en sporen. Voor JagersVerzamelaars kunnen resten (en mogelijk nog sporen) worden verwacht van een basis/extractiekamp, waarbij sprake zal zijn van een matig/hoge dichtheid van (resistente) mobilia. De vondsten zullen vooral bewerkt vuursteen betreffen. Deze vondsten kunnen aangetroffen worden in de vorm van vuursteenverstrooiingen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen. Daarnaast kunnen ook (haard)kuilen bewaard zijn gebleven. Het is niet waarschijnlijk dat er sporen uit deze periode worden aangetroffen. Resten en sporen van Landbouwers worden verwacht in de vorm van een nederzettingscomplex of huisplaats. Bij de aanwezigheid van een archeologische vindplaats uit de perioden vanaf het Laat-Neolithicum is de verwachting dat er sprake is van een matig/hoge dichtheid van resistente mobilia) en een matig/hoge spoordichtheid (immobilia). Dergelijke vindplaatsen, vaak in de vorm van agrarische nederzettingsterreinen, worden vooral gekenmerkt door (paal)kuilen, greppels en aardewerkstrooiingen.
Daarnaast werden nabij de nederzetting water- en drenkkuilen aangelegd (meestal op de overgang naar of in lager gelegen terreindelen, waar minder diep gegraven hoefde te worden tot aan het grondwater, bijvoorbeeld op de overgang van het rivierduin naar de riviervlakte van de Oude IJssel (de verwachte ligging is van het plangebied)). Water- en drenkkuilen moeten wel gezien worden als puntlocaties. Resten van afvaldumps kunnen over een groter oppervlak verspreid zijn, mogelijk is hiervoor eerst rivierduinzand afgegraven maar het afval kan ook direct op het oorspronkelijke maaiveld zijn opgebracht. Afvaldumps zijn zeer rijk aan vondsten en hebben dan ook een hoge vondstdichtheid. Op de rivierduinen dan wel nabij de overgangszone naar het stromingsgebied van de Oude IJssel, zijn in de omgeving van het plangebied al meerdere archeologische vindplaatsen aangetroffen, vooral uit de Late-Prehistorie, Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De resultaten van de onderzoeken uitgevoerd ter plaatse duiden op complexen met een matige tot hoge dichtheid aan vondsten en sporen. Tevens is de tendens zichtbaar dat vanaf de Middeleeuwen men zich ging vestiging op de overgangszone van hoog naar laag (randzone van het rivierduinenlandschap, nabij de overgang naar het lager gelegen stromingsgebied van de Oude IJssel (Terras X)).
De verwachting op de aanwezigheid van vergelijkbare archeologische vindplaatsen/archeologische vondst- en/of spoorcomplexen is daarom hoog. Door de vele bouwwerkzaamheden wordt de kans wel hoog geacht dat deze (sterk) verstoord zijn geraakt.
14116278 DOE.KLA.ARC
Pagina 31 van 39
11.
Hoe manifesteren deze zich tijdens het prospectieonderzoek? Indien binnen het plangebied sprake is van een archeologische vindplaats in de vorm van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers), dan wordt er vanuit gegaan dat deze zich manifesteert door middel van een vondstspreiding in en direct onder het (dikke) plaggendek. Puntlocaties zullen moeilijk op te sporen zijn. Water- en drenkkuilen moeten gezien worden als puntlocaties en hebben dus een zeer beperkte ruimtelijke spreiding, maar zullen diep doorlopen in de rivierduinafzettingen. Water- en drenkkuilen moeten gezien worden als puntlocaties en hebben dus een zeer beperkte ruimtelijke spreiding, maar zullen diep doorlopen in het rivierduinzand en/of de Pleistocene rivierafzettingen. Afvaldumps kunnen een grotere spreiding hebben, waarin veel materiaalsoorten kunnen voorkomen (afval van aardewerk, metaal, bot, hout, verbrandingsresten (houtskool)) met een hoge tot zeer hoge dichtheid en is herkenbaar als een duidelijke cultuurlaag. In hoeverre organische resten nog aanwezig zijn is afhankelijk van de diepteligging en heersende grondwaterstanden.
12.
Welke vondst- en/of spoorcomplexen kunnen binnen het plangebied, conform het principediagram, aangetoond worden? Alle puntlocaties van zeer beperkte omvang behoren tot het complex met geen sporen en een zeer lage en diffuse vondstdichtheid (complextype 0 volgens het principediagram voor archeologische vondst- en spoorcomplexen zoals weergegeven in het normblad archeologisch vooronderzoek voor de gemeenten binnen de regio Achterhoek, figuur 2 in Schakel 2) of kunnen binnen het plangebied, conform het principediagram, niet worden aangetoond. Restanten van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) behoren tot het complextype 4c, omdat er een dik plaggendek wordt verwacht binnen het plangebied. Dit zijn complexen met een matige tot hogere vondstdichtheid en al dan niet met een grondsporenniveau. Doordat de oudere vondst- en/of spoorcomplexen afgedekt zijn geraakt door het bemestings-/plaggendek, circuleert een deel van de mobilia (door opspit) in het langzaam accumulerende mestdek (o.a. ook door opspit), waardoor zelfs diep gelegen en meer resistente artefacten toch aan het maaiveld voor kunnen komen. Door de waterhuishoudkundige bodemingrepen, en daardoor heersende diepere grondwaterstanden kunnen veel van de mobiele vondsten door degradatieprocessen verdwenen zijn.
De aanwezigheid van een plaggendek zorgt wel voor een betere conservering van archeologische resten dan wanneer er geen sprake is van een plaggendek. Afvaldumps zullen zich manifesteren als een duidelijk herkenbare cultuurlaag op de flank van het rivierduin of in een hiervoor uitgegraven deel van het rivierduin. De cultuurlaag zal enige tot aanzienlijke horizontale spreiding hebben, afhankelijk van hoelang de afvaldumpsite in gebruik is geweest. De vondstrijke laag van een afvaldump behoort tot het complextype 3c, eventueel al overgaand in het type 3b indien er een afdekkende Holocene laag op de flank van het rivierduin aanwezig is (Laat-Holocene rivierklei).
13.
Met de inzet van welke zoekmethoden kunnen deze vondst- en/of spoorcomplexen systematisch opgespoord worden? Puntlocaties van zeer beperkte omvang en off-site resten in de vorm van individuele wateren drenkkuilen kunnen niet door een systematische oppervlaktekartering als door een karterend booronderzoek worden opgespoord. Door middel van zoeksleuven wordt de trefkans groter, echter ook door deze methode kunnen dergelijke vondst- en spoorcomplexen gemist worden.
14116278 DOE.KLA.ARC
Pagina 32 van 39
Restanten van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) met een matige/hoge vondstdichtheid zullen nog goed door middel van een karterend booronderzoek kunnen worden opgespoord, hoewel door degradatieprocessen de vondstdichtheid lager kan zijn geworden. Door de verwachting dat er tijdens het agrarisch gebruik van het plangebied een plaggendek is opgebracht, zullen eventueel aanwezige archeologische resten wel beter geconserveerd/beschermd zijn dan wanneer er geen sprake is van een plaggendek. Ook afvaldumps, eventueel ingegraven in de rivierduinafzettingen, kunnen goed door middel van een karterend booronderzoek worden opgespoord. Omdat de kans op verstoring van de bodem binnen het plangebied groot wordt geacht, vooral vanwege de binnen het plangebied uitgevoerde bouw- en graafwerkzaamheden, wordt het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen eerst te worden uitgevoerd in de verkennende fase (KNA protocol 4003, IVO-O). Met het verkennend booronderzoek wordt de bodemopbouw binnen het plangebied bepaald en wordt onderzocht of de oorspronkelijke bodemopbouw (holtpodzolprofiel met een opgebracht plaggendek) nog wel of niet meer intact is.
3.12 Afweging voor de te kiezen onderzoeksmethode inventariserend veldonderzoek Op grond van de beantwoorde onderzoeksvragen, conform het Normblad archeologisch vooronder17 zoek voor de gemeenten binnen de regio Achterhoek (versie 1.2, september 2013) , blijkt dat binnen het plangebied de volgende vondst- en/of spoorcomplexen kunnen worden verwacht: restanten van een jachtkampement (Jagers-Verzamelaars), restanten van een akkerlaag, nederzetting, huisplaats, grafvelden, grafheuvels of rituele plaatsen (Landbouwers) en/of restanten van een voormalig (boeren)erf (Middeleeuwen, Nieuwe tijd). Ook kunnen, door de ligging van het plangebied, puntlocaties van zeer kleine omvang worden verwacht, zoals jachtattributen, en resten van water- en drenkkuilen en restanten van afvaldumps. Resten van een jachtkampement (Jagers-Verzamelaars), van een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers), resten van een voormalig erf (Middeleeuwen, Nieuwe tijd) en resten van afvaldumps met naar verwachting een matige tot hoge dichtheid aan vondsten en sporen, zijn door middel van een karterend booronderzoek goed op te sporen. Voor puntlocaties van zeer kleine omvang is er eigenlijk geen geschikte opsporingmethode in de inventariserende fase van het veldonderzoek. Absolute zekerheid over de aan- of afwezigheid van dergelijke resten kan alleen worden gegeven door vlakdekkend gravend onderzoek.
Dit staat echter in geen verhouding met geplande ontwikkelingen binnen het plangebied. Omdat de kans op verstoring van de bodem binnen het plangebied groot wordt geacht, vooral vanwege de binnen het plangebied uitgevoerde bouw- en graafwerkzaamheden, wordt het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen eerst te worden uitgevoerd in de verkennende fase (KNA protocol 4003, IVO-O). Met het verkennend booronderzoek wordt de bodemopbouw binnen het plangebied bepaald en wordt onderzocht of de oorspronkelijke bodemopbouw (holtpodzolprofiel met een opgebracht plaggendek) nog wel of niet meer intact is.
17
Willemse & Kocken, 2013
14116278 DOE.KLA.ARC
Pagina 33 van 39
4
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
4.1
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, conform de eisen van de KNA, versie 3.3, specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 25 februari 2015 door ir. E.M. ten Broeke (senior prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. In totaal zijn er negen boringen gezet (zie figuur 17). Deze boringen zijn gecombineerd met het gelijktijdig uitgevoerde milieuhygiënisch bodemonderzoek. Er is geboord tot een diepte van maximaal 220 cm -mv met een Edelmanboor met een diameter van 10 cm. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet, waarvan een deel inpandig. De boringen zijn lithologisch conform de Archeolo18 gische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In Bijlage 4 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem en bot. 4.2
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 5 weergegeven. De opbouw van de bodem kan schematisch als volgt worden weergegeven en wordt bij het beantwoorden van de onderzoeksvragen verder toegelicht: Tabel IX.
Bodemopbouw plangebied
Diepte (cm -mv)
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld/onder de aanwezige klinker-/betonverharding tot gemiddeld 75
Donkergrijsbruin gekleurd, zwak tot matig humeus, zwak siltig, matig fijn zand. Plaatselijk in het bovenste deel bijmenging van baksteen en kolengruis
1Aap- en/of 1Aa-horizont, plaggendek
Tussen gemiddeld 75 en 120
Donkerbruin en naar onderen toe lichtbruingeel gekleurd, bovenin zwak humeus, zwak siltig, matig fijn zand
1Bws1-/1Bws2-/1BC-horizont van oorspronkelijk holtpodzolprofiel (bruine bosgrond)
Tussen gemiddeld 120 en 200
Geelbeige tot oranjegrijs gekleurd, zwak tot matig siltig, matig fijn zand, plaatselijk zwak roesthoudend
1C-horizont, rivierduinzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen)
Vanaf gemiddeld 200
Lichtgrijsbruin gekleurd, zwak siltig, matig grof zand
2C-horizont, rivierzand (Formatie van Kreftenheye)
Archeologie Als eerste dient vermeld te worden dat het inventariserend veldonderzoek een verkennend booronderzoek betreft, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. In het verkruimelde opgeboorde materiaal van de boringen zijn geen archeologische indicatoren waargenomen. 18
Bosch, 2005
14116278 DOE.KLA.ARC
Pagina 34 van 39
4.3
Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek
Conform het Normblad archeologisch vooronderzoek voor de gemeenten binnen de regio Achterhoek 19 (versie 1.2, september 2013) worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord, voor zover het veldonderzoek de daarvoor benodigde gegevens heeft opgeleverd. Fase inventariserend veldonderzoek, verkenning 14.
Wat is de aard, diepteligging en ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen in de ondiepe ondergrond binnen het plangebied? Hoe dik is, indien aanwezig, de Holocene deklaag? Vanaf gemiddeld 200 cm -mv is lichtgrijsbruin gekleurd, zwak siltig, matig grof zand aangetroffen. Deze zanden betreffen rivierafzettingen (vlechtende rivierterrasafzettingen behorend tot het Laagterras) en behoren tot de Formatie van Kreftenheye. De rivierafzettingen zijn gesedimenteerd tijdens het Pleniglaciaal. Hierboven komen beter gesorteerde rivierduinafzettingen voor, waarbij de in de top van deze afzettingen gevormde holtpodzolbodem (bruine bosgrond) nog binnen het overgrote deel van het plangebied intact is. Het holtpodzolprofiel is tevens bedekt met een plaggendek met een gemiddelde dikte van 75 cm. Van een natuurlijke Holocene deklaag is geen sprake. De verwachte ligging van het plangebied op een rivierduin, op basis van het bureauonderzoek, wordt bevestigd.
15.
Wat is de aard, diepteligging, genese en gaafheid van natuurlijke en eventueel antropogene bodemhorizonten binnen het plangebied? Het overgrote deel van de boringen laten een intacte bodemopbouw zien, ook de boringen die inpandig zijn gezet. De bodemverstoringen veroorzaakt door bouwwerkzaamheden zijn kennelijk vrij plaatselijk en beperkt geweest. Vanaf het maaiveld/onder de aanwezige klinker/betonverharding komt tot gemiddeld 75 cm -mv een plaggendek voor, in de vorm van donkergrijsbruin gekleurd, zwak tot matig humeus, zwak siltig, matig fijn zand (1Aap- en/of 1Aahorizont). Plaatselijk is het bovenste deel recentelijk geroerd/verstoord, gezien de bijmenging van baksteen en kolengruis. Onder het plaggendek bevindt zich vervolgens tussen circa 75 en 120 cm -mv het resterende deel van het van nature gevormde holtpodzolprofiel voor, in de vorm van de 1Bws1/2- en de BC-horizont. Op basis van deze boringen zal het archeologisch niveau, waarop archeologische sporen goed zichtbaar zullen zijn (op de overgang van de 1BC- naar de C-horizont), zich bevinden tussen 100 en 120 cm -mv. Voor het plaggendek e mag verwacht worden dat deze is opgebracht vanaf de tweede helft van de 18 eeuw en waarschijnlijk eerder. Op basis van de dikte van het plaggendek betreft het aanwezige bodemprofiel een hoge enkeerdgrond.
Alleen boring 1, in het uiterst zuidwestelijke deel van het plangebied, is gestaakt vanwege de aanwezigheid van een massieve betonverharding op circa 60 cm -mv. Vermoed wordt dat het gaat om een fundering van oudere bebouwing. Deze heeft men voor de bouw van de bestaande loods laten zitten, vervolgens bedekt met een laag grond en hierop een nieuwe fundering (betonverharding) op aangebracht.
16.
19
Wat is de aard, dikte en omvang van eventueel ter plaatse van het plangebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan? Zie bovenstaande beantwoorde onderzoeksvragen. Voor het plaggendek mag verwacht worden dat deze, op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal, is opgebracht vanaf e de tweede helft van de 18 eeuw en waarschijnlijk eerder.
Willemse & Kocken, 2013
14116278 DOE.KLA.ARC
Pagina 35 van 39
17.
Indien afdekkende lagen aanwezig zijn, wat is de aard, gaafheid en dikte van het onderliggende afgedekte bodemprofiel en/of afzettingen? Zie bovenstaande beantwoorde onderzoeksvragen.
18.
Wat is de diepte tot waarop artefacten van recente ouderdom voorkomen in het bodemprofiel en tot welke diepte in het bodemprofiel is sprake van recente bodemverstoring? Op basis van de gezette boringen zijn bodemverstorende activiteiten vrij beperkt geweest binnen het plangebied. Alleen in het plaggendek, en dan vooral het bovenste deel hiervan, zijn tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden resten baksteen en kolengruis aangetroffen. Onder het plaggendek is het van nature gevormde holtpodzolprofiel nog intact aanwezig. Artefacten van recente ouderdom zullen zich beperken tot het plaggendek en vooral tot de bovengrond (bovenste 50 cm).
5 5.1
CONCLUSIE EN SELECTIEADVIES Conclusie
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Omdat in eerste instantie de kans op verstoring van de bodem binnen het plangebied groot werd geacht, vooral vanwege de binnen het plangebied uitgevoerde bouw- en graafwerkzaamheden, is het inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is binnen het overgrote deel van het plangebied intact, zo ook binnen de reeds bebouwde terreindelen. De bodemverstoringen veroorzaakt door bouwwerkzaamheden zijn kennelijk vrij plaatselijk en beperkt geweest. Vanaf het maaiveld/onder de aanwezige klinker/betonverharding komt tot gemiddeld 75 cm -mv een plaggendek voor, in de vorm van donkergrijsbruin gekleurd, zwak tot matig humeus, zwak siltig, matig fijn zand. Plaatselijk is het bovenste deel recentelijk geroerd/verstoord, gezien de bijmenging van baksteen en kolengruis. Onder het plaggendek bevindt zich vervolgens tussen circa 75 en 120 cm -mv het resterende deel van het van nature gevormde holtpodzolprofiel voor, in de vorm van de 1Bws1/2- en de BC-horizont. Op basis van deze boringen zal het archeologisch niveau, waarop archeologische sporen goed zichtbaar zullen zijn (op de overgang van de 1BC- naar de C-horizont), zich bevinden tussen 100 en 120 cm -mv.
Voor het e plaggendek mag verwacht worden dat deze is opgebracht vanaf de tweede helft van de 18 eeuw en waarschijnlijk eerder. Op basis van de dikte van het plaggendek betreft het aanwezige bodemprofiel een hoge enkeerdgrond. Alleen boring 1, in het uiterst zuidwestelijke deel van het plangebied, is gestaakt vanwege de aanwezigheid van een massieve betonverharding op circa 60 cm -mv. Vermoed wordt dat het gaat om een fundering van oudere bebouwing. Deze heeft men voor de bouw van de bestaande loods laten zitten, vervolgens bedekt met een laag grond en hierop een nieuwe fundering (betonverharding) op aangebracht. Geconcludeerd wordt dat, op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek, de ligging van het plangebied binnen een rivierduin wordt bevestigd en dat het plangebied tevens zijn hoge verwachting behoud op het voorkomen van archeologische resten uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum.
14116278 DOE.KLA.ARC
Pagina 36 van 39
5.2
Selectieadvies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. De hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum blijft namelijk behouden. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten bestaan uit een archeologisch karterend booronderzoek, om daarmee het plangebied systematisch te onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. Tevens wordt geadviseerd dit onderzoek te laten uitvoeren pas nadat de bovengrondse delen en de betonnen vloeren van de bestaande bebouwing binnen het plangebied zijn gesloopt/verwijderd.
Econsultancy Doetinchem, 7 januari 2016
14116278 DOE.KLA.ARC
Pagina 37 van 39
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Berendsen, H.J.A. 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A. 2005: Fysische Geografie van Nederland, deel 4: Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio's. Van Gorcum, Assen. Boogman, J.C., & Oosterhaven, S., 1986: Geschiedenis van Doetinchem. De Walburg Pers, Zutphen. Oudheidkundige Kring 'Deutekom', Doetinchem. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Cohen, K.M., Stouthamer, E., Hoek, W.Z., Berendsen†, H.J.A. & Kempen, H.F.J., 2009: Zand in banen. Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Provincie Gelderland. Locher, W.P. & Bakker, H. de, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. e Malmberg Den Bosch, 2 druk. Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E., Wong, T.E. 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Oosterhout, F. van, 2008: Archeologische monumentenzorg in het stedelijk gebied van Doetinchem. Toelichting op de archeologische waarden- en verwachtingskaart en beleidskaart. RAAP-rapport 1835, deel 1.
Stichting voor Bodemkartering, 1966: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 40 Oost/Arnhem. Willemse, N.W. & Kocken, M.H.J.M., 2013: Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek. RAAP-rapport 2501.
14116278 DOE.KLA.ARC
Pagina 38 van 39
BRONNEN AHN; internetsite, februari 2015. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis2, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, februari 2015. http://archis2.archis.nl/archisii/html/index.html Atlas Gelderland: internetsite, februari 2015. http://ags.prvgld.nl/GLD.Atlas/(S(rspihkqkjzfndpf3hglz5t45))/Default.aspx?applicatie=AtlasGelderland Dinoloket, internetsite, februari 2015. http://www.dinoloket.nl/ SIKB; internetsite, februari 2015. http://www.sikb.nl Wat Was Waar; internetsite, februari 2015. http://www.watwaswaar.nl
14116278 DOE.KLA.ARC
Pagina 39 van 39
Figuur 1.
Situering van het plangebied binnen Nederland
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Situering van het plangebied binnen Nederland (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 2.
Detailkaart van het plangebied
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Detailkaart van het plangebied (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 3.
Luchtfoto van het plangebied
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Luchtfoto van het plangebied (bron: gspot:LUFO_2010) Legenda
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 4.
Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794 vanuit kaartblad 83
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794 (bron: De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland) Legenda Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 5.
Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1822 (Minuutplan)
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1822 (Minuutplan) (bron:www.watwaswaar.nl) Legenda Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 6.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1830-1850
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1830-1850 (bron:www.watwaswaar.nl) Legenda Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 7.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1890 (Bonneblad)
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1890 (Bonneblad) (bron:www.watwaswaar.nl) Legenda Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 8.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1908 (Bonneblad)
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1908 (Bonneblad) (bron:www.watwaswaar.nl) Legenda Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 9.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1930 (Bonneblad)
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1930 (Bonneblad) (bron:www.watwaswaar.nl) Legenda Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 10.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1954
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1954 (bron:www.watwaswaar.nl) Legenda Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 11.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1966
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1966 (bron:www.watwaswaar.nl) Legenda Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 12.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1986
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1986 (bron:www.watwaswaar.nl) Legenda Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 13.
Situering van het plangebied binnen de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Doetinchem
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Situering van het plangebied binnen de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Doetinchem Legenda zie volgende bladzijde Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 14.
Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 15.
Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met het AHN als achtergrond
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis2, AHN)
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 16.
Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem Legenda zie volgende bladzijde Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
14116278 DOE.KLA.ARC
Figuur 17.
Boorpuntenkaart van het plangebied
Doetinchem (gemeente Doetinchem) - Terborgseweg 74-78 en Stationsplein 2 Boorpuntenkaart van het plangebied Legenda Plangebied
14116278 DOE.KLA.ARC
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
14116278 DOE.KLA.ARC
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
1950
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
14116278 DOE.KLA.ARC
Bijlage 2
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat zich voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, dat plaats maakte voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine spitse vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.
14116278 DOE.KLA.ARC
Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.
Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.
Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van hane delscontacten en het uitwisselen van geschenken.
In de tweede helft van de 3 eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen e voortduurde tot in de 5 eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn.
14116278 DOE.KLA.ARC
Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. e
e
Vanaf de 10 - 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adelijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling wat zich uit in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.
Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In e verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.
14116278 DOE.KLA.ARC
Bijlage 3
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een selectiebesluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermt te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het belopen van het maaiveld van het plangebied.
14116278 DOE.KLA.ARC
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan het bevoegd gezag beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. De derde fase: Archeologische Begeleiding (AB) of Opgraven (AAO) Archeologische Begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan het bevoegd gezag besluiten over te gaan tot een Algehele Archeologische Opgraving (AAO).
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden.
14116278 DOE.KLA.ARC
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering - booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** ▼ Selectiebesluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ ▼ ▼ Opgraven*** Begeleiding*** Beschermen Verwijderen Begeleiding Bescherming van de van de van de archeologie werkzaamheden archeologie door door door archeologen archeologen planaanpassing * ** *** **** ***** ******
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
►
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. Na een verkennend booronderzoek kan het bevoegd gezag besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag. Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag.
14116278 DOE.KLA.ARC
Bijlage 4
Overzichtsfoto’s plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen
Vanuit zuidwestelijke richting nabij boring 1
Vanuit noordwestelijke richting nabij boring 3
Vanuit noordoostelijke richting nabij boring 4
Vanuit zuidwestelijke richting nabij boring 7
Vanuit noordoostelijke richting nabij boring 9
Boring 1
14116278 DOE.KLA.ARC
Boring 2
Boring 3
Boring 4
Boring 5
B6
Boring 6
14116278 DOE.KLA.ARC
Boring 7
Boring 8
14116278 DOE.KLA.ARC
Boring 9
Bijlage 5
14116278 DOE.KLA.ARC
Boorprofielen
Bijlage 5
Boorstaten
1 X: Y:
2 217378 441555
13.4
0
m +NAP
X: Y: 0 13
50 60
Betonverharding Zand, matig grof, zwak siltig, zwak humeus, zwak grindig, donker bruingrijs, geroerde/verstoorde laag, gestort resten plaggendek, boring gestuit op massieve betonverharding
217399 441573
13.5
0
m +NAP
0 13
Betonverharding
40
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Aa-horizont, plaggendek
50 65
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, 1Bws-horizont Zand, matig fijn, matig siltig, licht bruingeel, 1BC-horizont
100
100
130
Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbeige, 1C-horizont, rivierduinzand, kalkloos Zand, matig grof, zwak siltig, licht grijsbruin, 2C-horizont, rivierzand, kalkloos
150
200 220
3 X: Y: 0
4 217420 441595
13.6
m +NAP
X: Y: 0 7
45
50 70
Betonverharding
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Aa-horizont, plaggendek Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, 1Bws-horizont
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbeige, 1C-horizont, rivierduinzand, kalkloos
150
13.6
m +NAP
0 5
25
50 75
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingeel, 1BC-horizont 100
217447 441588
90
100
Zand, matig grof, zwak siltig, licht grijsbruin, 2C-horizont, rivierzand, kalkloos
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Aap-horizont, plaggendek, resten baksteen zichtbaar Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruin, 1Bws1-horizont
140
Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbruin, 1Bws2-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingeel, 1BC-horizont
180
Zand, matig fijn, zwak siltig, beigegrijs, 1C-horizont, rivierduinzand, kalkloos
210
Zand, matig fijn, matig siltig, matig roesthoudend, oranjebeige, 1C-horizont, rivierduinzand, kalkloos, met roestvlekken
190
220
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker witbruin, geroerde/verstoorde laag, deels cunetzand
115
105
150
200
Tegelverharding
200 220
Zand, matig grof, matig siltig, bruin, 2C-horizont, rivierzand, kalkloos Zand, matig grof, zwak siltig, licht grijsbruin, 2C-horizont, rivierzand, kalkloos
Projectcode: 14116278 Projectnaam: DOE.KLA.ARC
Bijlage 5
Boorstaten
5 X: Y:
6 217426 441566
13.5
0
m +NAP
50
X: Y: 0 10
Betonlverharding
30
Zand, matig grof, zwak siltig, licht beigebruin, geroerde/verstoorde laag, deels cunetzand
55
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, grijsbruin, 1Aa-horizont, plaggendek
80
Zand, matig fijn, zwak siltig, bruin, 1Bws-horizont
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingeel, 1BC-horizont
217407 441545
13.5
0
m +NAP
0 5 20
50
50
95
100 110
120
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig roesthoudend, geelbeige, 1C-horizont, rivierduinzand, kalkloos, met roestvlekken
150
140
150
Klinkerverharding Zand, matig grof, zwak siltig, beigegeel, cunetzand Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, grijsbruin, 1Aap-horizont, plaggendek, resten kolengruis zichtbaar Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Aa-horizont, plaggendek Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtbruin, 1Bws-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak roesthoudend, licht oranjebruin, 1BC-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbeige, 1C-horizont, rivierduinzand, kalkloos
200
200
200 210 220
7 X: Y: 0
220
Zand, matig grof, zwak siltig, licht grijsbruin, 2C-horizont, rivierzand, kalkloos
8 217434 441544
13.5
m +NAP
X: Y: 0 5 15
Tegelverharding
0
70
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Aa-horizont, plaggendek
90
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, bruin, 1Bws-horizont
50
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingeel, 1BC-horizont
180
m +NAP
0 8
80
100
Zand, matig fijn, zwak siltig, licht geelbeige, 1C-horizont, rivierduinzand, kalkloos
100
Projectcode: 14116278 Projectnaam: DOE.KLA.ARC
Zand, matig grof, zwak siltig, licht beigebruin, cunetzand
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Aa-horizont, plaggendek Zand, matig fijn, zwak siltig, donkerbruin, 1Bws-horizont Zand, matig fijn, zwak siltig, licht bruingeel, 1BC-horizont
150
Zand, matig grof, zwak siltig, zwak roesthoudend, oranjebeige, 2C-horizont, rivierzand, kalkloos
220
Klinkerverharding
Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruingrijs, 1Aap-horizont, plaggendek, resten baksteen zichtbaar
50
125
Zand, matig grof, zwak siltig, licht grijsbruin, 2C-horizont, rivierzand, kalkloos
200
13.5
30
125
155
217456 441551
20
Zand, matig fijn, zwak siltig, donker bruingeel, geroerde/verstoorde laag, deels cunetzand
150
Zand, matig grof, zwak siltig, licht grijsbruin, 2C-horizont, rivierzand, kalkloos
170
200 220
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak roesthoudend, licht oranjegrijs, 1C-horizont, rivierduinzand, kalkloos Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak roesthoudend, licht oranjebeige, 1C-horizont, rivierduinzand, kalkloos
Bijlage 5
Boorstaten
9 X: Y: 0
217467 441572
13.6
m +NAP
0 10
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker bruingeel, geroerde/verstoorde laag, deels cunetzand Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker grijsbruin, 1Aa-horizont, plaggendek
50
90
100
150
105
150
190
200 220
Zand, matig fijn, zwak siltig, geelbruin, restant 1Bw-horizont of oude akkerlaag Zand, matig fijn, zwak siltig, licht oranjebeige, 1C-horizont, rivierduinzand, kalkloos, beetje roest Zand, matig fijn, zwak siltig, licht geelbeige, 1C-horizont, rivierduinzand, kalkloos Zand, matig grof, zwak siltig, licht grijsbruin, 2C-horizont, rivierzand, kalkloos
Projectcode: 14116278 Projectnaam: DOE.KLA.ARC
Over Econsultancy.. Econsultancy is een onafhankelijk adviesbureau. Wij bieden realistisch advies en concrete oplossingen voor milieuvraagstukken en willen daarmee een bijdrage leveren aan een duurzaam en verantwoord gebruik van onze leefomgeving. Diensten Wij kunnen u van dienst zijn met een uitgebreid scala aan onderzoeken op het gebied van bodem, waterbodem, water, archeologie, ecologie en milieu. Op www.econsultancy.nl vindt u uitgebreide informatie over de verschillende onderzoeken. Werkwijze Inzet en professionele betrokkenheid kenmerkt onze diensten. De verantwoordelijke projectleider is het eenduidige aanspreekpunt voor de klant en draagt zorg voor alle aspecten van het project: kwaliteit, tijd, geld, communicatie en organisatie. De kernwaarden deskundig, vertrouwd, betrokken, flexibel, zorgvuldig en vernieuwend zijn een belangrijke leidraad in ons handelen. Kennis Het deskundig begeleiden van onze opdrachtgevers vraagt om betrokkenheid bij en kennis van de bedoelingen van de opdrachtgever. Het vereist ook gedegen en actuele vakinhoudelijke kennis. Alle beschikbare kennis wordt snel en effectief ingezet. De medewerkers vormen ons belangrijkste kapitaal. Persoonlijke en inhoudelijke ontwikkeling staat centraal want het werk vraagt steeds om nieuwe kennis en nieuwe verantwoordelijkheden.
Creativiteit Onze medewerkers zijn in staat om buiten de geijkte kaders een oplossing te zoeken met in achtneming van de geldende wet- en regelgeving. Oplossingen die bedoeld zijn om snel en efficiënt het doel van de opdrachtgever te bereiken. Kwaliteit Er wordt continue gestreefd naar het verhogen van de professionaliteit van de dienstverlening. Het leveren van diensten wordt intern op een dusdanige wijze georganiseerd dat het gevraagde resultaat daadwerkelijk op een zo effectief en efficiënt mogelijke wijze wordt voortgebracht. Hierbij staat de klanttevredenheid centraal. Het kwaliteitssysteem van Econsultancy voldoet aan de NEN-EN-ISO 9001: 2008. Tevens is Econsultancy gecertificeerd voor diverse protocollen en beoordelingsrichtlijnen. Opdrachtgevers Econsultancy heeft sinds haar oprichting in 1996 al meer dan tienduizend projecten uitgevoerd. Projecten in opdracht van particulier tot de Rijksoverheid, van het bedrijfsleven tot non-profit organisaties. De projecten kennen een grote diversiteit en hebben in sommige gevallen uitsluitend een onderzoekend karakter en zijn in andere gevallen meer adviserend. Steeds vaker wordt onderzoek binnen meerdere disciplines door onze opdrachtgevers verlangt. Onze medewerkers zijn in staat dit voor de opdrachtgever te coördineren en zelf (deel)onderzoeken uit te voeren.
Ter illustratie van de veelvoud en veelzijdigheid van de projecten in de werkvelden bodem, waterbodem, ecologie, archeologie, water en milieu kunnen uitgebreide referentielijsten worden verschaft.
Vestiging Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen Tel. 0475 - 504961 Swalmen@econsultancy.nl
Vestiging Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem Tel. 0314 - 365150 Doetinchem@econsultancy.nl
Vestiging Brabant Rapenstraat 2 5831 GJ Boxmeer Tel. 0485 - 581818 Boxmeer@econsultancy.nl