CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.3.1.17 -Bijlage 17 bij ruimtelijke onderbouwing - Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek.pdf

gemeenteraad 27 juni 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 8.17: Bestemmingsplan Stationslocatie Doetinchem 2023 en beeldkwaliteitsplan25.611 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Tabel IV. Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

GHG (cm -mv)

-

-

<40

>40

<40

40-80

>80

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een ' of een '' achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Door grootschalige ingrepen in het geohydrologisch systeem wijken de huidige grondwatertrappen in veel gebieden af van de grondwatertrappen die in het verleden voor kwamen. Om dit aan te geven is tevens een inschatting gemaakt van historische grondwatertrappen, welke een indicatie vormen voor de grondwatertrappen zoals die in het jaar 1950 voor kwamen. Deze historische grondwatertrappen zijn gekarteerd op schaal 1:100.000. Voor het plangebied zijn de volgende gegevens bekend: Tabel V.

Grondwatergegevens plangebied GHG

GLG

GVG

Grondwatertrap

Historische grondwatertrap

186

261

206

VII"

Onbekend, vanwege ligging binnen de bebouwde kom

GHG: gemiddeld hoogste grondwaterstand in cm -mv GLG: gemiddeld laagste grondwaterstand in cm -mv GVG: gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand in cm -mv

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Tevens is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten. Het plangebied heeft een grondwatertrap VII". De historische grondwatertrap is niet bekend, vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Zoals reeds aangegeven zijn bodems op de rivierduinen, zeker zonder plaggendek, vaak droog tot zeer droog. Het plangebied werd van nature zeer waarschijnlijk ook gekenmerkt door een goede ontwatering.

15

Locher & Bakker, 1990

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 14 van 39

Beantwoording van relevante onderzoekvragen 1.

Wat is de aard, diepteligging en ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen in het omringende gebied en in de ondiepe ondergrond? Hoe dik is (indien van toepassing) de Holocene deklaag? Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland is het meest waarschijnlijk dat het plangebied op een rivierduin ligt, maar dat de overgang naar het Terras X niet ver of misschien wel direct ten zuidwesten van het plangebied loopt. De top van de natuurlijke afzettingen ter plaatse van het plangebied zal dan vermoedelijk bestaan uit rivierduinzand van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen. Dit dekzand is afgezet tijdens de laatste droge en zeer koude fase van het Laat/Glaciaal, het Jonge Dryas. Het rivierduinzand is destijds opgestoven vanuit de ten zuidwesten gelegen vlechtende rivierterrasvlakte, ook wel aangeduid als Terras X. Onder het rivierduinzand komen vlechtende rivierterrasafzettingen voor van de Rijn die vooral tijdens het Pleniglaciaal, 73.000 tot 13.000 jaar geleden) zijn afgezet en behoren tot het Laagterras. Deze grofzandige en grindrijke sedimenten behoren tot de Formatie van Kreftenheye. Tussen de rivierduinafzettingen en de vlechtende rivierterrasafzettingen kan mogelijk een e dunne laag overstromingsleem/-klei voorkomen.

Deze laag wordt aangeduid als de 1 Laag van Wijchen en is gesedimenteerd tijdens de warmere fase van het Laat/Glaciaal, de bølling/Allerød-interstadialen (zie ook bijlage 1). Bovenop/op de flanken van de rivierduin kan ook nog een dunne laag Laat-Holocene klei (Formatie van Echteld) op Vroeg-Holocene overstroe mingsklei (2 Laag van Wijchen) voorkomen. Eerder uitgevoerd archeologisch (prospectief) onderzoek vrijwel direct ten oosten van het plangebied laat zien dat rivierduinzand direct aan het maaiveld voorkomt. Vrijwel direct ten zuidwesten van het plangebied vindt de overgang plaats naar het rivierenlandschap, specifiek de overgang naar de oude rivierbedding van Terras X. Dit betreft een rivierterras van vlechtende rivierafzettingen gevormd tijdens het Laat-Glaciaal. Binnen Terras X e wordt boven de 2 Laag van Wijchen een afdekkend pakket Laat-Holocene klei verwacht, behorend tot de Formatie van Echteld en zal tussen 1 en 2 meter dik zijn.

2.

Wat is de aard, diepteligging, genese en gaafheid van de natuurlijke bodemhorizonten in het omringende gebied? Volgens de geomorfologische kaart van de gemeente Doetinchem ligt het plangebied binnen een laaggelegen terrasrest (Ftv9). Op het Actueel Hoogtebestand Nederland is echter goed te zien dat het plangebied net een hogere ligging heeft vergeleken met het direct ten zuidwesten (industrieel) gebied. Hierdoor is het waarschijnlijker dat het plangebied op een rivierduin ligt met een dun plaggendek (Fer2p), maar dat de overgang naar het Terras X niet ver of misschien wel direct ten zuidwesten van het plangebied loopt. Het bodemtype binnen rivierduinen is vaak gekarteerd als een vorstvaaggronden. De term “vaag” duidt erop dat de mate van bodemvorming beperkt is geweest. Dit is echter misleidend omdat bodemvorming zich gedurende het hele Holoceen heeft kunnen plaatsvinden. Beter is om te spreken van een bruine bosgrond, waar vooral verbruining het bodemvormende proces is (een grond met een schrale bovengrond met daaronder een inspoelingshorizont van humus met ijzer- en aluminiumoxiden).

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 15 van 39

Qua opeenvolging worden de volgende bodemhorizonten verwacht indien sprake is van een intacte bodemopbouw: Een dun tot matig dik plaggendek (30 cm dik of tussen 30 en 50 cm dik, Aap-horizont). Tijdens het opbrengen van het plaggendek zal de van nature gevormde humeuze bovengrond zijn opgemengd met het plaggendek, waardoor de Ah-horizont niet meer als zodanig te herkennen zal zijn. Onder het plaggendek zal bij een nog intact profiel de bodemopbouw bestaan uit de inspoelingshorizont (verbruinings-Bws1-/Bws2-horizont), gevolgd door een overgangs-BC-horizont en vervolgens de C-horizont. Binnen Terras X komen vooral kalkloze poldervaaggronden voor. Dit bodemprofiel zal gevormd zijn in (jonge rivier)kleien die tijdens overstromingen van de Rijn in het Laat-Holoceen (vooral Romeinse tijd) zijn gesedimenteerd binnen Terras X. Deze gronden waren in het verleden (voor de grootschalige ontginning en waterhuishoudkundige ingrepen) zeer nat/drassig en niet geschikt voor beakkering. Alleen (extensieve) beweiding van vee was mogelijk. Binnen het oude rivierengebied kunnen ook verlande restgeulen/overloopgeulen voorkomen waar tijdelijk veenvorming kon plaatsvinden. 3.

Wat is de aard, diepteligging, genese en gaafheid van eventueel aanwezige antropogene bodemhorizonten in het omringende gebied? Gezien het historisch gebruik van het plangebied, op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal een dun tot matig dik plaggendek (30 cm dik of tussen 30 en 50 cm dik) plage gendek verwacht. Minimaal vanaf de tweede helft van de 18 eeuw, maar waarschijnlijk is eerder begonnen met het opbrengen van het plaggendek. Binnen Terras X wordt een antropogene bodemhorizont, zoals een plaggendek, niet verwacht. Deze gronden waren eigenlijk alleen geschikt als graasgronden voor vee. Er dient wel rekening te worden gehouden dat er grondverbeteringswerkzaamheden hebben plaatsgevonden door middel van het vermengen van de oorspronkelijk afdekkende kleilaag met het onderliggende rivierzand. Deze menglaag kan gezien worden als een antropogene bodemhorizont, hoewel de uitgevoerde bodemingrepen van relatief recente datum zullen zijn. Wellicht kan beter gesproken worden over een geroerde/verstoorde laag.

4.

Wat is de aarde, dikte en omvang van eventueel in het omringende gebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan? e Op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal is in de tweede helft van de 18 eeuw of eerder begonnen met het opbrengen van het dunne tot matig dikke plaggendek. Waarschijnlijk vrijwel direct ten zuidwesten van het plangebied, buiten de rivierduin en binnen het stroomgebied van de Oude IJssel, wordt een pakket Laat-Holocene klei verwacht, gelegen op een Vroege-Holocene Laag van Wijchen en vervolgens vlechtende rivierterrasafzettingen, behorend tot Terras X. Er dient rekening te worden gehouden dat door mechanische ingrepen humeuze bovengrond van de rivierduin is afgeschoven naar de randzones van de rivierduin en binnen het oorspronkelijke rivierdal van de Oude IJssel. Hiermee kon areaal akkerland en daarmee agrarische productie worden vergroot, zeker vanaf het moment dat er waterkundige beheersmaatregelen werden gehouden (graven van sloten, peilbeheer, enz.).

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 16 van 39

7.

Met welke natuurlijke formatieprocessen heb je te maken in het plangebied? In de ondergrond worden vlechtende rivierafzettingen verwacht die zijn afgezet door de Rijn tot aan het einde van de laatste ijstijd, het Laat-Weichselien (Laat-Glaciaal). Dit heeft in eerste instantie een landschap achter gelaten bestaande uit rivierbanken en geulen. Deze komen tot uitdrukking in de vorm van hoog-, middelhoog en laaggelegen terrasresten. Delen zijn bedekt geraakt met een dunne laag zandige klei tijdens de warmere fasen van het LaatGlaciaal, toen de Rijn nog een tak had lopen door het gebied van de Oude IJssel en een e meanderend karakter had (1 Laag van Wijchen). Tijdens de laatste koude periode van het Laat-Glaciaal (het Jonge Dryas, 12.750 tot 11.755 jaar geleden) werd een nieuw, ondiep dal gevormd, welke ook bekend staat als Terras X. Vanuit de vaak geheel of gedeeltelijk droogliggende bedding kon in het tweede deel van het Jonge Dryas (een zeer droge fase met sterke eolische activiteit) verstuivingen optreden, waardoor rivierduinen zijn gevormd op de restanten van het Laagterras. Op het AHN zijn de duidelijk hoger gelegen gebieden waar rivierduinzand voorkomt vrij goed te onderscheiden. Het plangebied lijkt nog net binnen een rivierduin te liggen. Direct ten zuidwesten vindt de overgang plaats naar Terras X.

Tijdens het Vroeg-Holoceen werd tijdens overstromingen/hoog water van de Rijn opnieuw e kleiige afzettingen gesedimenteerd (2 Laag van Wijchen). Alleen de hoger gelegen gebieden met een dik pakket rivierduinzand bleven gespaard van overstromingen. De Rijntak door het gebied van de Oude IJssel is toen wel snel verdwenen, maar het gebied kon bij hoogwater nog steeds overstromen. Daarna volgde voor het plangebied een rustige periode. In het Vroeg-Holocene kleipakket zullen bodemvormende processen hebben plaatsgevonden zoals verbruining en de ontwikkeling van een inspoelingslaag van secundaire kleimineralen. Waarschijnlijk was wel sprake van een hoge grondwaterstand, waardoor deze bodemvormende processen minder goed op gang komen. Wel zal er sprake zijn geweest van veel gleyverschijnselen. Op de rivierduinen zijn van nature vooral bruine bosgronden tot ontwikkeling gekomen tijdens het Holoceen. Door de mineralogische rijkdom van het rivierduinzand treeft vooral verbruining op als bodemvormend proces. Door menselijke ingrepen kunnen rivierduinen deels zijn verstoven (bijvoorbeeld door overbegrazing of te intensieve beakkering). In stuifzandgebieden komen vlakvaag- en stuifvaaggronden voor. In het Laat-Holoceen, vanaf de Romeinse tijd, is opnieuw veel klei afgezet door overstromingen binnen het gebied van de oude rivierbedding, het lager gelegen Terras X.

Op het Laagterras (met hierboven een pakket rivierduinzand voor het gebied direct ten oosten van Terras X) is de verwachting dat een Laat-Holocene deklaag ontbreekt of zeer dun is, aangezien het te verwachten bodemprofiel een oude rivierkleigrond betreft. In Het jonge kleipakket zal nog nauwelijks bodemvormende processen hebben plaatsgevonden. Voor het gebied van de terrasresten, vooral de wat hoger gelegen terrasresten, dient rekening te worden gehouden dat door moderne bodemingrepen het afdekkende kleipakket opgemengd is met de onderliggende vlechtende rivierterrasafzettingen, waardoor enig gevormde bodemhorizonten niet meer te herkennen zullen zijn.

3.7

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen.

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 17 van 39

De bekende archeologische waarden staan afgebeeld op figuur 15, een kaart met daarop, binnen een straal van 1 km rondom het plangebied, de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen. Vanwege de grote hoeveelheid van onderzoeken en waarnemingen worden alleen diegene behandeld die binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied liggen. Archeologische beleidskaart gemeente Doetinchem Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De Archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Op basis van de geomorfologische kaart (archeologische waarden- en verwachtingskaart) is een archeologische beleidskaart voor het gebied binnen de gemeente Doetinchem vervaardigd.

Volgens deze kaart ligt het plangebied binnen een gebied met een lage archeologische verwachting voor resten uit alle archeologische perioden (AWV categorie 8, zie figuur 16). Voor deze gebieden geldt dat bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening, bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv en een onderzoekslocatie groter dan 2.500 m², een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO-overig) verplicht is. Omdat het waarschijnlijker is dat het plangebied op een rivierduin ligt, waar tevens in het verleden een dun plaggendek is opgebracht, zal juist een hoge archeologische verwachting gelden voor resten uit alle archeologische perioden (AWV categorie 5, zie figuur 16). Hierbij zullen eventueel aanwezige archeologische resten zijn afgedekt door een (dun) plaggendek/esdek en daardoor beter geconserveerd zijn, vergeleken met terreinen waar geen plaggendek voorkomt. Voor deze gebieden geldt dat bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening, bij bodemingrepen dieper dan 40 cm -mv en een onderzoekslocatie groter dan 100 m², een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVOoverig) verplicht is. Indicatieve archeologische waarde De IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) geeft voor heel Nederland de trefkans aan op het voorkomen van archeologische resten.

Die trefkans is aangegeven in vier categorieën (per landen waterbodem): een hoge, middelhoge, lage en zeer lage verwachting. Bebouwde gebieden, waarvan geen bodemkundige of geologische gegevens bekend zijn, zijn niet gekarteerd. De IKAW is voornamelijk gebaseerd op de relatie die er bestaat tussen de bodemkundige of geologische kwalificaties en de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Een punt van aandacht daarbij is dat de IKAW grotendeels is gebaseerd op kaarten met een schaal van 1:50.000. De grenzen op de kaart zijn in werkelijkheid globale overgangen, abrupte overgangen zijn het gevolg van bodemkundige of geologische kwalificaties. Op lokaal schaalniveau is de kaart daarom minder betrouwbaar. Omdat de gemeentelijke beleidsadvieskaart een hoger detailniveau heeft dan de IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd.

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 18 van 39

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische terreinen in Nederland, welke ook wel worden aangeduid als monumenten. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn de terreinen ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied liggen géén AMK-terreinen (zie figuur 15). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 15 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om negen bureau- en/of booronderzoeken (prospectief onderzoek), drie proefsleuvenonderzoeken en drie opgravingen (zie tabel VI en figuur 15). Tabel VI.

Overzicht onderzoeksmeldingen

Onderzoeksmeldingsnr.

Situering t.o.v. plangebied

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

47.958 en 47.959

140 meter ten noordoosten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Doetinchem, Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 09-08-2011 Onderzoeksnummer: 37.976 en 37.977 Resultaat: In het plangebied kunnen archeologische resten voorkomen vanaf het einde van het Laat-Paleolithicum en wordt de trefkans hoog geacht. De archeologische resten worden in de top van de rivierduin-/dekzandafzettingen verwacht. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) blijkt dat de aangetroffen bodemopbouw bestaat uit rivierduinafzettingen met in de ondergrond een dunne Laag van Wijchen, welke de overgang vormt naar de vlechtende rivierafzettingen van de Rijn. In het centrale deel van het plangebied is de in de rivierduinafzettingen vorstvaaggrond nog grotendeels intact aanwezig. In het zuidwestelijke en noordoostelijke deel van het plangebied, nabij de bestaande bebouwing/waar recentelijk nog bebouwing heeft gestaan, is de bodem zo verstoord dat kenmerken van het oorspronkelijke bodemprofiel vaak volledig ontbreken. In het zeefresidu van het intacte deel van de aanwezige vorstvaaggrond, binnen het centrale deel van het plangebied, zijn archeologische vondsten aangetroffen in de vorm van laatmiddeleeuwse aardewerkfragmenten.

In een geroerde laag ter plaatse van een boring binnen het zuidwestelijke deel van het plangebied (langs het pand gelegen aan de Terborgseweg 63) is eveneens een fragment laatmiddeleeuws aardewerk aangetroffen. In een boring binnen het centrale deel van het plangebied is tevens een sterk grijs gekleurde, licht humeuze laag aangetroffen en betreft mogelijk een oude akkerlaag. Op grond van de resultaten is de aanbeveling gedaan binnen het centrale, braakliggende en voorheen onbebouwde deel van het plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.

59.056

140 meter ten noordoosten

Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek, naar aanleiding van de resultaten van het eerder uitgevoerde bureau- en booronderzoek (zie onderzoeksmeldingsnrs. 47.958 en 47.959) Toponiem: Doetinchem, Terborgseweg, achter nr. 63 te Doetinchem Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 05-11-2013 Onderzoeksnummer: 48.266 Resultaat: De resultaten van het onderzoek worden niet vermeld in ARCHIS. Wel is geadviseerd een vervolgonderzoek te laten uitvoeren door middel van een opgraving.

62.894

140 meter ten noordoosten

Type onderzoek: opgraving, naar aanleiding van de resultaten van het eerder uitgevoerde proefsleuvenonderzoek (zie onderzoeksmeldingsnr. 59.056) Toponiem: Doetinchem, Terborgseweg 63 Uitvoerder: MUG Ingenieursbureau BV Datum: 14-08-2014 Onderzoeksnummer: 50.737 Resultaat: De resultaten van het onderzoek worden (nog) niet vermeld in ARCHIS.

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 19 van 39

3.366

140 meter ten zuidoosten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Doetinchem, Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 02-11-2000 Onderzoeksnummer: 519 Resultaat: Er zijn bij het onderzoek geen archeologische resten aangetroffen. Bovendien is de bodem in het plangebied grotendeels verstoord. De diepte van de bodemverstoringen varieert van 0,5 tot maximaal 1,1 m - mv. Er is geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.

20.327

200 meter ten zuidwesten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Doetinchem, Hamburgerbroek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 15-12-2006 Onderzoeksnummer: 20.958 Resultaat: De resultaten van het inventariserend bureau- en veldonderzoek hebben een duidelijk beeld opgeleverd ten aanzien van de archeologische potentie van het plangebied. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat een groot deel van het plangebied bestaat uit opgespoten zand. Dit deel is vanuit archeologisch oogpunt minder interessant. Het zou kunnen dat onder het pakket opgespoten zand intacte bodemprofielen en wellicht archeologische resten bewaard zijn gebleven, maar de kans dat deze door middel van dit onderzoek kunnen worden opgespoord is klein. Daarnaast is het de vraag in hoeverre deze dieper gelegen vindplaatsen verstoord zouden worden bij bodemingrepen. Een groot deel van het plangebied Hamburgerbroek-Stationslocatie is verstoord. Het gaat daarbij om het deel dat bestaat uit opgespoten zand, maar ook om het gebied dat op grond van het bureauonderzoek aanvankelijk een hoge verwachting (op het aantreffen van archeologische resten) was toegekend. Dit geldt vooral voor de zone langs de Terborgseweg. Voor dit deel van het plangebied wordt geen vervolgonderzoek voorgesteld. Het gebied ten noorden hiervan tot de grenzen van Het Ei is vanuit archeologisch perspectief zeer interessant.

Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in dit gebied een gehucht moet hebben gelegen. Dit is aangetoond door middel van historische kaarten, maar ook door de aanwezigheid van archeologische resten aan de overzijde van de Terborgseweg. Het gehucht komt voor op de kaart van Jacob van Deventer uit 1560. Het veldonderzoek heeft archeologische resten opgeleverd die gedateerd kunnen worden in de IJzertijd t/m de Romeinse tijd in dezelfde zone. Al met al lijkt het erop dat dit gebied langdurig bewoond is geweest. Vanuit de archeologische monumentenzorg (AMZ) dient te worden gestreefd naar behoud van archeologische waarden. Uitgangspunt van het behoud en daarmee de bescherming van archeologische waarden is ervoor te zorgen dat ingrepen die tot aantasting van de vindplaats kunnen leiden, zoveel mogelijk vermeden worden. Bodemingrepen dieper dan 50 cm -mv dienen ter plaatse van deze zone te worden voorkomen. Dit geldt ook voor de locaties binnen het plangebied waar op dit moment al bebouwing aanwezig is, omdat niet op voorhand duidelijk is in hoeverre deze bebouwing de bodem heeft verstoord. Indien besloten wordt dat de vindplaats niet behouden kan worden, is het wenselijk een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven uit te laten voeren.

Dit om in een vroeg stadium over voldoende gegevens te kunnen beschikken op grond waarvan het bevoegd gezag (gemeente Doetinchem) een besluit kan nemen met betrekking tot het al dan niet (geheel) opgraven van de vindplaats.

18.562

250 meter ten noordwesten

Type onderzoek: opgraving Toponiem: Doetinchem, Terborgseweg Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 14-08-2006 Onderzoeksnummer: 15.140 Resultaat: Tijdens het onderzoek zijn slechts enkele grondsporen aangetroffen. De archeologische resten bestonden uit een brede greppel of gracht en enkele paalkuilen. De grondsporen dateren uit de Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd. Gezien de grote breedte en diepte van de greppel of gracht en het aangetroffen vondstmateriaal betreft het een infrastructureel relict van grote importantie. Het is vooralsnog onduidelijk wat de betekenis is van de greppel of gracht. Het vondstmateriaal, dat is aangetroffen in en net boven de greppel of gracht, kan bestempeld worden als nederzettingsafval. Mogelijk is de greppel of gracht gegraven om een nederzettingsterrein uit de Late-Middeleeuwen te begrenzen of staat deze in relatie met een (oudere) fase van de Terborgseweg. Deze belangrijke verkeersader staat al aangegeven op een kaart uit de 16e eeuw. Op dezelfde kaart van Jacob van Deventer staat aan de overzijde van de weg een gehucht weergegeven. Het is niet onwaarschijnlijk dat de aangetroffen sporen en vondstmateriaal een relatie hebben met een oudere fase van dat gehucht. De archeologische resten zijn gedocumenteerd en opgegraven, waarna de bouwwerkzaamheden zijn vervolgd.

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 20 van 39

16.782

400 meter ten oosten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Doetinchem, Holterhoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 10-04-2006 Onderzoeksnummer: 14.093 Resultaat: De resultaten van het onderzoek worden niet vermeld in ARCHIS. Wel is vervolgonderzoek geadviseerd.

18.199

400 meter ten oosten

Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek, naar aanleiding van de resultaten van het eerder uitgevoerde bureau- en booronderzoek. Toponiem: Doetinchem, Holterhoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 13-07-2006 Onderzoeksnummer: 14.897 Resultaat: Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat binnen het onderzoeksgebied goed geconserveerde archeologische sporen aanwezig zijn. Op basis van het vondstmateriaal kunnen de sporen worden toegewezen aan de IJzertijd en/of Romeinse tijd. De archeologische resten zijn afgedekt door een dik akkerpakket dat dateert uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De bodemopbouw is op de onderzochte locaties vrijwel geheel intact. Er is behoud van archeologische waarden aanbevolen. Mocht dit niet mogelijk zijn dan wordt vervolgonderzoek door middel van een opgraving aanbevolen. Een dergelijk onderzoek kan eventueel ingepast worden in het bouwrijp maken van het te verstoren terrein.

20.381

400 meter ten oosten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Doetinchem, J.f. Kennedylaan (c); Holterhoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 19-12-2006 Onderzoeksnummer: 20.972 Resultaat: In het centrale deel van plangebied Holterhoek is reeds onderzoek uitgevoerd. Het gaat om een booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek. Bij dit onderzoek is vast komen te staan dat de Holterhoek een lange bewoningsgeschiedenis kent. De aanbevelingen van het proefsleuvenonderzoek voor het al onderzochte deel van het plangebied Holterhoek blijven van kracht en worden integraal overgenomen. In het gebied rondom de bekende vindplaats zijn boringen gezet, waarbij kon worden vastgesteld dat archeologische resten te verwachten zijn buiten de grenzen van het eerder onderzochte terrein. Het gaat om de gebieden ten noorden en ten oosten van het de bekende vindplaats, vooral het open veld aan de Holterweg en het braakliggende terrein in het midden van het plangebied. Vanuit de archeologische monumentenzorg (AMZ) dient te worden gestreefd naar behoud van archeologische waarden. Uitgangspunt van het behoud en daarmee de bescherming van archeologische waarden is ervoor te zorgen dat ingrepen die tot aantasting van de vindplaats kunnen leiden, zoveel mogelijk vermeden worden. Bodemingrepen dieper dan 50 cm -mv dienen ter plaatse van de vindplaats te worden voorkomen.

Dit geldt ook voor de locaties binnen het plangebied waar op dit moment al bebouwing aanwezig is, omdat deze in de meeste gevallen de basis van het plaggendek niet heeft geroerd. Indien besloten wordt dat de vindplaats niet behouden kan worden, is het wenselijk zo snel mogelijk na sloop van de huidige bebouwing een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven uit te laten voeren. Dit om in een vroeg stadium over voldoende gegevens te kunnen beschikken op grond waarvan het bevoegd gezag (gemeente Doetinchem) een besluit kan nemen met betrekking tot het al dan niet (geheel) opgraven van de vindplaats. Voor het gebied langs het Julianaplein geldt dat geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van archeologische resten in dit deel van het plangebied. Voor dit deel is dan ook geen vervolgonderzoek aanbevolen.

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 21 van 39

62.671 en 62.783

400 meter ten noorden

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Doetinchem, Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 25-07-2014 Onderzoeksnummer: 51.027 en 51.028 Resultaat: Conform de Archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Doetinchem ligt het plangebied landschappelijk gezien op een rivierduin. De rivierduinen zijn binnen het rivierduinlandschap de hooggelegen gebieden met een sterk glooiend reliëf en plaatselijk steile hellingen. In de tijd van de JagersVerzamelaars (einde Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) zullen de hoger gelegen rivierduinen een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie. Vanaf het Neolithicum vormde vooral de overgangsposities gunstige locaties voor bewoning. De hoger gelegen rivierduinen werden gebruikt als landbouwgronden, hoewel de vaak droge tot zeer droge bodem op de rivierduinen (zonder plaggendek) een beperkende factor vormde. De rivierduinen waarop in de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd plaggendekken zijn opgeworpen waren wel beter geschikt voor landbouwactiviteiten. De lager gelegen graslanden binnen de riviervlakte van de Oude IJssel waren geschikt voor het houden van vee.

Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) blijkt dat de bodemopbouw binnen het plangebied vanaf gemiddeld 260 cm -mv bestaat uit vlechtende rivierterrasafzettingen, daterend uit het Pleniglaciaal en behorend tot de Formatie van Kreftenheye (Laagterras). Tussen gemiddeld 210 en 260 cm -mv komt een dunne klei/leemlaag voor. Dit betreft de Laag van Wijchen van de Formatie van Kreftenheye die tijdens het Bolling-Allerod interstadiaal is afgezet. Het bovenste aangetroffen pakket natuurlijke afzettingen betreft rivierduinzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen), dat is afgezet in de Jonge Dryas. Er heeft zich van nature een holtpodzolbodem gevormd, ook wel aangeduid als een bruine bosgrond. Tevens is sprake van een vrij dikke humeuze bovengrond, dat erop wijst dat er in het plangebied een dik plaggendek is opgebracht. De bodem is binnen het gehele plangebied echter aanzienlijk verstoord door moderne bodemingrepen, Op grond van de resultaten van het archeologisch vooronderzoek adviseert Econsultancy om, binnen het kader van de AMZ-cyclus, geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Binnen het merendeel van het plangebied is de bodem diep verstoord tot minimaal aan de oorspronkelijke top van de C-horizont of dieper.

Tevens heeft de geleverde onderzoeksinspanning, in de vorm van een gecombi-neerd verkennend en karterend booronderzoek, geen archeologische indicatoren opgeleverd.

39.275

450 meter ten oosten

Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Doetinchem, Holterhoek 2 Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 03-02-2010 Onderzoeksnummer: 32.963 Resultaat: Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat binnen het onderzoeksgebied goed geconserveerde archeologische sporen aanwezig zijn. Op basis van het vondstmateriaal kunnen de sporen worden toegewezen aan de IJzertijd en/of Romeinse tijd. De archeologische resten zijn afgedekt door een dik akkerpakket dat dateert uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De bodemopbouw is op de onderzochte locaties vrijwel geheel intact. De zone met archeologische resten omvat het totale oostelijke deel van het plangebied en een groot deel van het westelijk deel van het plangebied. Geadviseerd is om de resten in situ te behouden. Indien dit niet mogelijk is, is geadviseerd om deze op te graven.

42.410 en 43.903

450 meter ten oosten

Type onderzoek: opgraving, naar aanleiding van de resultaten van het eerder uitgevoerde proefsleuvenonderzoek (zie onderzoeksmeldingsnr. 39.275) Toponiem: Doetinchem, Holterhoek 2 Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 06-08-2010 Onderzoeksnummer: 45.349 en 49.036 Resultaat: Bij de opgraving is vondstmateriaal aangetroffen uit de periodes LateBronstijd, Bronstijd - IJzertijd en Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Nadere gegevens zijn nog niet beschikbaar in ARCHIS.

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 22 van 39

13.088

500 meter ten noorden

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Doetinchem, Raadhuisstraat Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 14-07-2005 Onderzoeksnummer: 5.993 Resultaat: Tijdens het onderzoek zijn er geen archeologische waarden aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van (pre)historische bewoningsactiviteiten. Geadviseerd is de locatie vrij te geven

24.416

500 meter ten noordwesten

Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Doetinchem, Brewinccollege Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 11-09-2007 Onderzoeksnummer: 18.503 Resultaat: Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek wordt aanbevolen de kwaliteit (gaafheid en conservering), precieze aard, datering, omvang en diepteligging van eventuele archeologische resten nader vast te stellen. Dit door middel van een definitief archeologisch onderzoek van beperkte omvang in de vorm van een archeologische begeleiding van de grondroerende werkzaamheden. De zwaarte van de archeologische begeleiding hangt af van de ontgravingsdiepte en omvang. Gesteld kan worden dat: - Sloopwerkzaamheden in de huidige panden niet archeologisch onderzocht hoeven te worden. - Grondroerende werkzaamheden ten behoeve van de nieuw te bouwen elementen met een lichte fundering (ondieper dan 80 cm - mv) kunnen plaatsvinden zonder archeologische begeleiding. Werkzaamheden dieper dan 80 cm -mv dienen wel archeologisch begeleid te worden. - Grondroerende werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de halfverdiepte parkeerfaciliteiten dienen in zijn geheel archeologisch begeleid te worden. Beperkingen en bepalingen bij de archeologische begeleiding De begeleiding dient plaats te vinden bij de grotere ontsluitingen (>1 m2).

Dit houdt bijvoorbeeld in dat graafwerkzaamheden ten behoeve van funderingsbalken wel, maar het plaatsen van schroefpalen niet archeologisch begeleid hoeft te worden. De begeleidingen zullen moeten worden uitgevoerd door een terzake kundig archeoloog met aantoonbare gebieds-, periode- en structurenkennis. Deze archeologische begeleiding dient zich in hoofdzaak te richten op het in kaart brengen van de verdedigingswerken van de stad.

20.379

500 meter ten noordoosten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Toponiem: Doetinchem, Kennedylaan (b) Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 19-12-2006 Onderzoeksnummer: 20.969 Resultaat: Uit het veldonderzoek is gebleken dat delen van het plangebied een intacte bodemopbouw hebben. Vooral in de delen met een intact plaggendek is het goed mogelijk dat zich archeologische resten in de ondergrond bevinden. Voor de delen van het plangebied met een plaggendek wordt dan ook voorgesteld bij bodemingrepen een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren. Voor de overige delen is geen vervolgonderzoek aanbevolen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hier zonder belemmeringen uitgevoerd worden.

Waarnemingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische waarnemingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan 16 waarnemingen geregistreerd (zie tabel VII en figuur 15). Tabel VII.

Overzicht ARCHIS-waarnemingen

Waarnemingsnr.

Situering t.o.v. plangebied

Aard van de melding

430.147

140 meter ten noordoosten

Vroege-Middeleeuwen - Nieuwe tijd: kogelpotten, slakken, grijsbakkend gedraaid aardewerk en roodbakkend geglazuurd aardewerk. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch booronderzoek (zie onderzoekmeldingsnr. 47.959).

400.949

250 meter ten noordwesten

Mesolithicum - Late-Middeleeuwen: afslagen, crematieresten, handgevormd aardewerk en gedraaid aardewerk. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch booronderzoek.

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 23 van 39

412.073

250 meter ten noordwesten

Neolithicum - Nieuwe tijd: slijpstenen, botmateriaal, slakken, aardewerk, gedraaid aardewerk, brokken, leisteen dakbedekking, bolpotten, handgevormd aardewerk, dakpannen, grijsbakkend gedraaid aardewerk, kogelpotten, geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk, proto-steengoed, steengoed, bekers, spijkers, bakstenen, roodbakkend geglazuurd aardewerk, steengoed geglazuurd, faience aardewerk, kleipijpen en geglazuurde steengoed bekers. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een opgraving (onderzoekmeldingsnr. 18.562).

415.070

300 meter ten noordwesten

IJzertijd - Romeinse tijd: handgevormd aardewerk. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch booronderzoek (zie onderzoekmeldingsnr. 20.327).

407.082

400 meter ten oosten

Neolithicum - Late-Middeleeuwen: handgevormd aardewerk

412.071

400 meter ten oosten

Mesolithicum - Nieuwe tijd: slijpstenen, bijlen, handgevormd aardewerk, paalgaten, leisteen dakbedekking, kogelpotten, geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk, grijsbakkend handgevormd aardewerk, objecten, bakstenen, dakpannen, roodbakkend geglazuurd aardewerk, steengoed en kleipijpen. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een opgraving (onderzoekmeldingsnr. 18.199).

432.356

450 meter ten oosten

Bronstijd - Nieuwe tijd: handgevormd aardewerk, brokken, kogelpotten, grondsporen en gedraaid aardewerk. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een proefsleuenonderzoek (onderzoekmeldingsnr. 39.275).

442.425

450 meter ten oosten

Mesolithicum - Nieuwe tijd: afslagen, brokken, kernen, klingen, handgevormd aardewerk, huttenleem/verbrande leem, huisplattegronden, paalgaten, kuilen, roodbakkend geglazuurd aardewerk en kleipijpen. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een opgraving (onderzoekmeldingsnr. 43.903).

415.074

500 meter ten oosten

IJzertijd - Late-Middeleeuwen: handgevormd aardewerk, huttenleem/verbrande leem, aardewerk. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch booronderzoek (zie onderzoekmeldingsnr. 20.381).

443.089

500 meter ten oosten

Mesolithicum - Nieuwe tijd: afslagen, brokken, klingen, huisplattegronden:3-schepig, handgevormd aardewerk, huttenleem/verbrande leem, slijpstenen, ijzeroer/moeraserts, paalgaten, kuilen, bakstenen, grijsbakkend gedraaid aardewerk, witbakkend geglazuurd aardewerk pispotten, flessen, gedraaid aardewerk, porselein en gewichten. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een opgraving (onderzoekmeldingsnr. 42.410).

11.519

550 meter ten zuidwesten

Neolithicum: bijlen. Gevonden door een particulier.

133.857

650 meter ten zuidwesten

Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd: grondsporen, Complextype: industrie. Aan de Oude IJssel, ter hoogte van de kerk van Wijnbergen, heeft een watermolen gestaan. Deze molen, de Hapermolen genaamd, wordt reeds in 1230 vermeld. De molen wordt afgebeeld op de kaart van Jacob van Deventer (1553).

413.150

650 meter ten noorden

Mesolithicum - Nieuwe tijd: crematieresten, afslagen, huttenleem/verbrande leem, grondsporen, wikkeldraad-aardewerk, brokken, handgevormd aardewerk, kogelpotten, geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk, grijsbakkend gedraaid aardewerk, bakstenen, roodbakkend geglazuurd aardewerk en steengoed. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek (zie onderzoekmeldingsnr. 29.419).

425.269

650 meter ten noorden

Bronstijd - Late-Middeleeuwen: handgevormd aardewerk. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologisch booronderzoek (zie onderzoekmeldingsnr. 25.975).

425.662

650 meter ten noorden

Paleolithicum - Nieuwe tijd: botmateriaal, afslagen, kernen, huttenleem/verbrande leem, wikkeldraad-aardewerk, spiekers/graanschuren, ijzeroer/moeraserts, slakken, spijkers, objecten, spinsteentjes, weefgewichten, huisplattegronden, bouwmateriaal, brokken, leisteen dakbedekking, Badorf aardewerk, geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk, gedraaid aardewerk, Elmpter aardewerk, grijsbakkend gedraaid aardewerk, kogelpotten, Paffrath aardewerk, proto-steengoed, kuilen, dakpannen, roodbakkend geglazuurd aardewerk, steengoed, gespen, handgevormd aardewerk, bakstenen, majolica lood- en tingeglazuurd aardewerk, kleipijpen, porselein, steengoed geglazuurd, witbakkend geglazuurd aardewerk, onderdelen van riemen en munten. Aangetroffen tijdens de uitvoering van een opgraving (onderzoekmeldingsnr. 31.901).

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan vondstmeldingen geregistreerd. Nadat deze zijn gecontroleerd worden het waarnemingen. Tot die tijd staan ze als vondstmeldingen geregistreerd. Binnen zowel het plangebied als het onderzoeksgebied zijn géén vondstmeldingen geregistreerd (zie figuur 15).

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 24 van 39

3.8

Aanvullende informatie

Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Archeologische plaatselijke Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17, Zuid-Veluwe en Oost Gelderland (contactpersoon de heer B. Clabbers). Er zijn geen aanvullende vondsten of bijzonderheden bekend die niet in ARCHIS worden weergegeven. Historische Vereniging Deutekom Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Historische Vereniging Deutekom (contactpersoon de heer H. de Haan). Gemeld wordt dat voor het plangebied of omgeving geen aanvullende informatie beschikbaar is anders dan al vermeld in ARCHIS. Beantwoording van relevante onderzoekvragen 6.

Welke gegevens met betrekking tot de archeologische complexen zijn reeds binnen het onderzoeksgebied en/of binnen de landschappelijke eenheden rondom het plangebied bekend? Binnen het plangebied zijn geen gegevens bekend over eventueel aanwezige archeologische complexen. In het onderzoeksgebied is een groot aantal onderzoeken uitgevoerd, die informatie heeft opgeleverd betreffende verschillende complextypen en dateringen. Hieronder worden in het kort de resultaten van een aantal onderzoeken vermeld die een duidelijke bijdrage hebben geleverd aan het ontrafelen van de bewoningsgeschiedenis van Doetinchem en omgeving. Op een afstand van circa 500 meter ten noordwesten van het plangebied begint de middeleeuwse stadskern van Doetinchem, ook wel aangeduid als het Ei van Doetinchem. Het Ei van Doetinchem kan het beste beschouwd worden als één archeologische vindplaats. Er zijn al vele vondsten gedaan (vooral aardewerk en funderingsresten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd) die te relateren zijn aan de ontwikkelingsgeschiedenis van de Middeleeuwse stad. Rondom de stadskern was een stadsmuur aanwezig en een dubbele omgrachting.

Zowel direct ten oosten van het plangebied als circa 250 meter ten noordwesten van het plangebied, ter plaatse van een tweetal terreinen langs de Terborgseweg, zijn diverse archeologische resten aangetroffen die duiden op nederzettingsterrein uit de Late-Middeleeuwen en te begrenzen zijn of in relatie staan met een (oudere) fase van de Terborgseweg. e Deze belangrijke verkeersader staat al aangegeven op een kaart uit de 16 eeuw. De aangetroffen resten betreffen voornamelijk aardewerkfragmenten. Op een afstand van 500 meter ten noordoosten van het plangebied, op het Veemarkt terrein, zijn aanwijzingen aangetroffen voor menselijke activiteiten in de periode Mesolithicum - Midden Neolithicum (vuurstenen afslagen en haardkuilen van jagers/verzamelaars), de Midden Bronstijd (agrarische structuren: spiekers, veekraal/schaapskooi en schuur), de Midden IJzertijd (agrarische structuren: schuren, spiekers en kuilen), de Late IJzertijd (huisplattegronden), de Vroege en Volle Middeleeuwen (agrarische sporen en houtskoolproductie: houtskoolmeilers en kuilen) en de Nieuwe tijd. Op een afstand van 400 m ten oosten van het plangebied (locaties Holterhoek en Holterhoek 2) zijn sporen en vondstmateriaal uit de periodes Late Bronstijd, Bronstijd - IJzertijd en Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd aangetroffen.

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 25 van 39

Bovenstaande vindplaatsen zijn allemaal aangetroffen op de relatief hoog gelegen rivierduinen, dan wel nabij de overgangszone naar het stromingsgebied van de Oude IJssel. Het plangebied neemt dezelfde landschappelijke positie in, waardoor de verwachting dan ook hoog is op het aantreffen van archeologische resten uit vooral uit de Late-Prehistorie, Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De rivierduinen vormden geschikte locaties voor bewoning (complextype nederzetting of huisplaats, onverhoogd) en beakkering, terwijl de ten westen gelegen riviervlakte van de Oude IJssel geschikt waren als graasgebieden voor vee. Tevens is de tendens zichtbaar dat vanaf de Middeleeuwen men zich ging vestiging op de overgangszone van hoog naar laag (randzone van het rivierduinenlandschap, nabij de overgang naar het lager gelegen stromingsgebied van de Oude IJssel (Terras X)). 3.9

Relatie aardwetenschappelijke informatie met archeologische waarden

Het plangebied ligt zeer waarschijnlijk nog net binnen een rivierduin, met vrijwel direct ten zuidwesten van het plangebied de overgang naar het lager gelegen stromingsgebied van de Oude IJssel (Terras X). Rivierduinen vormen relatief hoog gelegen terreinen in de nabijheid van stromend water, in dit geval de Oude IJssel. Dergelijke locaties waren in het verleden een aantrekkelijke plek voor zowel Jager-verzamelaars als Landbouwers. Voor (pre)historische boeren dient een onderscheid gemaakt te worden tussen vruchtbare en minder vruchtbare rivierduinen. Delen van de rivierduinen waren te droog om landbouw op te bedrijven. Daar waar de bodem echter vochtig genoeg was voor landbouw vormden de rivierduinen een aantrekkelijke vestigingslocatie voor landbouwers. De verwachting dat ten tijde van het agrarisch gebruik van het plangebied een (dun) plaggendek is opgebracht, geeft aan dat de betreffende rivierduin reeds voor de grootschalige ingrepen in het geohydrologisch systeem in agrarisch gebruik was. Op basis van dit gegeven mag worden aangenomen dat het plangebied altijd een gunstige locatie heeft gevormd voor landbouwers. De rivierduin, en de overgangen naar de lager gelegen beek- en rivierdalen, heben dan ook een hoge archeologische verwachtingswaarde. 3.10

Korte bewoningsgeschiedenis van de omgeving van het plangebied

In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland is weergegeven in bijlage 2. Voor een meer gedetaileerde bewoningsgeschiedenis van Doetinchem met verwijzingen naar specifieke vindplaatsen wordt verwezen naar de rapportage behorende bij de archeologische waarden- en 16 verwachtingskaart van de gemeente Doetinchem. Al vanaf de Oude Steentijd (Laat-Paleolithicum, zie bijlage 1) werd het oostelijk dekzand- en rivierenlandschap bewoond door rondtrekkende JagersVerzamelaars. Vooral de hoger gelegen terreindelen zoals rivierduinen en dekzandruggen en -koppen en de hoogste delen van de dekzandwelvingen, werden vanaf het Laat-Paleolithicum gekozen als woonplaats en begraafplaats. Deze vormden de meest reliëfrijke, hoogstgelegen en goed ontwaterde delen van het landschap, vaak met markante gradiënten naar lagere terreindelen. Tevens hadden beekdalen en (kleine) rivieren een grote aantrekkingskracht. De beek/rivier bood mogelijkheden tot visvangst en het bejagen van dieren die naar de beek/rivier trokken. Daarnaast was er in het beek-/rivierdal een rijke vegetatie voorhanden als voedselbron. De hogere dekzandruggen en koppen nabij een beekdal waren dus de meest favoriete bewoningslocaties.

16

Van Oosterhout, 2008

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 26 van 39

Vanaf de Nieuwe Steentijd (Neolithicum) deden landbouwactiviteiten hun intrede. Nederzettingen ontstonden juist vaker op de overgang van de hoge zandgronden naar de lage beek-/rivierdalen (gebieden van dekzandwelvingen), gunstig gelegen tussen de weiden in de beek-/rivierdalen en vooral daar waar een aanzienlijk areaal aan hoge (zand)gronden aanwezig waren om in gebruik genomen te worden als landbouwgrond. In de Middeleeuwen vond een geleidelijke omslag plaats in het agrarisch bedrijfssysteem, die ook landschappelijke gevolgen had. Door een intensiever bodemgebruik en het gelijktijdig in stand houden van de vruchtbaarheid van het steeds uitbreidende akkerareaal namen de heidevelden in omvang sterk toe. Door eeuwenlange bemesting werden vooral de hogere dekzandruggen geleidelijk opgehoogd. Deze staan voor de oostelijke zandgronden bekend als engen, enken, eenmans-essen of kampen. In het algemeen wordt de term "es" gebruikt. Doordat de hydrologische omstandigheden op korte afstand sterk wisselen, zijn nooit grote akkercomplexen tot ontwikkeling gekomen. Hier overheerste de individuele occupatie, waardoor kleine percelen ontstonden, met een afwisseling van grasland en akkerland. Vaak zijn de percelen omgeven door heggen of hakhout. De bewoning binnen het oostelijk dekzandlandschap was daardoor altijd sterk verspreid.

Vanaf de Middeleeuwen verplaatste de bewoning zich ook naar de lager gelegen gebieden aan de randen van de essen, om zo maximaal gebruik te maken van het beschikbare landbouwareaal. 3.11 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VIII.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten resten en/of sporen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum - VroegNeolithicum (JagersVerzamelaars)

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het (dunne tot matig dikke) plaggendek en in de top van de rivierduinafzettingen (resterend deel van een holtpodzolbodem ofwel bruine bosgrond)

Midden- en Laat-Neolithicum (Landbouwers)

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het (dunne tot matig dikke) plaggendek en in de top van de rivierduinafzettingen (resterend deel van een holtpodzolbodem ofwel bruine bosgrond)

Bronstijd - Romeinse tijd (Landbouwers)

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden/-heuvels, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het (dunne tot matig dikke) plaggendek en in de top van de rivierduinafzettingen (resterend deel van een holtpodzolbodem ofwel bruine bosgrond)

Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het (dunne tot matig dikke) plaggendek en in de top van de rivierduinafzettingen (resterend deel van een holtpodzolbodem ofwel bruine bosgrond)

Nieuwe tijd

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het maaiveld/in het (dunne tot matig dikke) plaggendek en in de top van de rivierduinafzettingen (resterend deel van een holtpodzolbodem ofwel bruine bosgrond)

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 27 van 39

Volgens de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Doetinchem ligt het plangebied landschappelijk gezien binnen een laaggelegen terrasrest. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland is het echter meest waarschijnlijk dat het plangebied op een rivierduin ligt, maar dat de overgang naar het Terras X niet ver of misschien wel direct ten zuidwesten van het plangebied loopt. In de tijd van de Jagers-Verzamelaars (einde Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) zullen de hoger gelegen rivierduinen een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie. Direct ten zuidwesten van het plangebied, binnen Terras X, zal de watervoerende beek/lokale rivier (Oude IJssel) een grote aantrekkingskracht hebben gehad voor wild en vis, waarop kon worden gejaagd. Daarnaast vormde de hoge diversiteit aan plantaardig materiaal een goede aanvulling op het dieet. Vanaf het Neolithicum vormde vooral de overgangsposities gunstige locaties voor bewoning. De hoger gelegen rivierduinen werden gebruikt als landbouwgronden, hoewel de vaak droge tot zeer droge bodem op de rivierduinen (zonder plaggendek) een beperkende factor vormde. De rivierduinen waarop in de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd plaggendekken, zijn opgeworpen waren wel beter geschikt voor landbouwactiviteiten.

De rivierduinen met plaggendekken beslaan grote delen van het rivierduinlandschap ten oosten van de Oude IJssel, vooral rondom de historische stadskern van Doetinchem. De lager gelegen graslanden binnen de riviervlakte van de Oude IJssel waren geschikt voor het houden van vee. Tot op heden zijn archeologische resten, uit het Mesolithicum en jonger, voornamelijk aangetroffen op de rivierduin waar het merendeel van de vooroorlogse bebouwing van Doetinchem op ligt. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft aan dat het plangebied in ieder geval e vanaf de tweede helft van de 18 eeuw in agrarisch gebruik is geweest en lag langs een belangrijke historische weg, de voorloper van de Terborgseweg die destijds aangeduid als “De Groote weg van e Doetinchem naar Terborg”. Binnen het plangebied hebben vanaf het einde van de 19 eeuw diverse bouwwerkzaamheden plaatsgevonden, vanaf de tijd dat het spoortracé Zevenaar-Doetinchem-Winterswijk (en afsplitsing naar Ruurlo) was gerealiseerd (gekoppeld aan infrastructurele werken). Op basis van bovenstaande uitgangspunten kunnen er in het plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. Ervan uitgaande dat het plangebied (net) binnen een rivierduin ligt, wordt de kans op het voorkomen van resten hoog geacht (zie tabel VIII).

Eventueel aanwezige archeologische resten worden verwacht in het (dunne tot matig dikke) plaggendek (Aa-horizont) en in de top van de rivierduinafzettingen (top van de afgedekte holtpodzolbodem/bruine bosgrond, of restant hiervan). De vondstenlaag is opgenomen onderin het plaggendek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het plaggendek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) zullen zich bevinden tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. De diepteligging van de vondstenlaag is afhankelijk van de dikte van het plaggendek. De aanwezigheid van een (dun tot matig dik) plaggendek zal gefungeerd hebben als beschermende laag, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk beter geconserveerd zijn vergeleken met terreinen waar geen plaggendek aanwezig is. Ope brengen van dit plaggendek heeft plaatsgevonden vanaf minimaal de tweede helft van de 18 eeuw, maar zeer waarschijnlijk eerder. Bodemverstoring Als gevolg van bodemingrepen kunnen vindplaatsen geheel of gedeeltelijk verstoord zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin vondsten in situ bewaard zijn gebleven in de bodem en/of grondsporen intact zijn.

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 28 van 39

Vanuit de bouwdossiers zijn alleen gegevens bekend voor het perceel Terborgseweg 74-76 (noordwestelijke helft van het plangebied). Het bestaande magazijn is voorzien van strook-/sleuffundering tot 80 cm -mv en is niet onderkelderd. Verder geven bouwtekeningen aan dat er ondergronds een 6.000 liter tank is geplaatst tot een diepte van circa 150 cm -mv. Te verwachten is dat destijds, ten behoeve van de aanleg van deze bebouwing en diverse nutsvoorzieningen, de bodem plaatselijk minimaal tot deze dieptes is afgegraven. Dit zal naar alle waarschijnlijkheid niet anders zijn geweest ten aanzien van de bebouwde terreindelen binnen de percelen Terborgseweg 78 en Stationsplein 2. Op basis van deze informatie blijkt dat er binnen het bebouwde oppervlak bodemingrepen en dus bodemverstoringen hebben plaatsgevonden, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten en/of sporen verstoord zijn geraakt/weggegraven zijn. De terreindelen rondom de bestaande bewoning zijn merendeels voorzien van een grind-/klinker of tegelverharding. Kleine terreindelen zijn in gebruik als siertuin/groenstrook. In welke mate het oorspronkelijke bodemprofiel verstoord is geraakt tijdens het aanleggen van de aanwezige verhardingen en inrichting van de percelen, is moeilijk in te schatten.

Mogelijk is een deel van het bodemprofiel afgegraven voor de aanleg van een stabilisatielaag onder de voormalige verhardingen. De voormalige verhardingen kunnen echter ook direct op het oorspronkelijke bodemprofiel zijn aangelegd. Op basis van resultaten van eerder uitgevoerde milieuhygiënisch bodemonderzoeken kan per saldo kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied de grond en het grondwater licht verontreinigd is als gevolg van langdurig (bedrijfsmatig)gebruik en dat lokaal sterke verontreinigingen kunnen voorkomen. Of de oorzaak van deze verontreinigingen ook heeft geleid tot verstoringen van de oorspronkelijke bodemopbouw is niet bekend. Beantwoording van relevante onderzoekvragen 8.

Met welke culturele formatieprocessen heb je te maken in het plangebied? Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland ligt het plangebied waarschijnlijk nog net binnen het rivierduinlandschap, dat een uitgestekt gebied omvat van opgestoven rivierzand aan weerszijden, maar vooral ten oosten van het rivierdal van de Oude IJssel. Het vormt een strook van ongeveer één tot twee kilometer breed. De overgang naar het rivierdal van de Oude IJssel (Terras X) ligt niet ver of misschien wel direct ten zuidwesten van het plangebied. In de tijd van de Jagers-Verzamelaars (einde Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) zullen de hoger gelegen rivierduinen een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie. Direct ten zuidwesten van het plangebied, binnen Terras X, zal de watervoerende beek/lokale rivier (Oude IJssel) een grote aantrekkingskracht hebben gehad voor wild en vis, waarop kon worden gejaagd. Daarnaast vormde de hoge diversiteit aan plantaardig materiaal een goede aanvulling op het dieet. Vanaf het Neolithicum vormde vooral de overgangsposities gunstige locaties voor bewoning. De hoger gelegen rivierduinen werden gebruikt als landbouwgronden, hoewel de vaak droge tot zeer droge bodem op de rivierduinen (zonder plaggendek) een beperkende factor vormde.

De rivierduinen waarop in de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd plaggendekken, zijn opgeworpen waren wel beter geschikt voor landbouwactiviteiten. De rivierduinen met plaggendekken beslaan grote delen van het rivierduinlandschap ten oosten van de Oude IJssel, vooral rondom de historische stadskern van Doetinchem. De lager gelegen graslanden binnen de riviervlakte van de Oude IJssel waren geschikt voor het houden van vee.

14116278 DOE.KLA.ARC

Pagina 29 van 39

Het plangebied neemt juist een ligging in op een overgangspositie, met voldoende akkerareaal op het rivierduin en voldoende natuurlijke graasgronden binnen het rivierdal van de Oude IJssel. Ook wordt verwacht dat er binnen het plangebied een plaggendek is opgebracht. De aanwezigheid van een (matig dik dan wel een dik) plaggendek zal gefungeerd hebben als beschermende laag, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk goed zijn geconserveerd. Indien het plangebied in het verleden in gebruik is geweest als bewoningslocatie dan zal voor het plangebied sprake zijn van een afgedekt archeologisch complex met een matige tot hogere vondstdichtheid en al dan niet met een grondsporenniveau. Tussen 1850 en 1970 hebben binnen het plangebied meerdere malen sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden plaatsgevonden. Binnen de bebouwde terreindelen van het plangebied zullen bodemingrepen en dus bodemverstoringen hebben plaatsgevonden, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten en/of sporen verstoord zijn geraakt/weggegraven zijn. Er dient wel rekening te worden gehouden dan ondergrondse restanten/funderingen van oudere bebouwing nog aanwezig kan zijn in de bodem. 9.

Welke natuurlijke en culturele formatieprocessen kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige archeologische resten? Eventueel aanwezige (pre)historische resten houden voornamelijk verband met de landschappelijke ligging en de aanwezige natuurlijke afzettingen. Het oorspronkelijke bodemprofiel op de rivierduin betreft waarschijnlijk een holtpodzolgrond, ook wel aangeduid als een bruine bosgrond. Archeologische resten, indien aanwezig, zullen later door landbewerking mogelijk deels verstoord geraakt, waarbij de vondstlaag deels zal zijn opgenomen in de basis van het plaggendek dat binnen het merendeel van het plangebied wordt verwacht. Het plaggendek zal vervolgens eventuele onderliggende resten beschermd hebben tegen verdere ingrepen. Bij een intacte bodemopbouw wordt de volgende horizontsequentie verwacht: Aap(bouwvoor), Aa-, Bw-, BC- en de C-horizont. Bij het opbrengen van het plaggendek werd veelal de minerale bovenlaag met eventuele uitspoelingshorizont (Ah- en een deel van de Bws-horizont bij een holtpodzolgrond) vermengd met het plaggendek. Archeologische resten, indien aanwezig worden verwacht onderin het plaggendek en op de overgang naar het oorspronkelijk gevormde holtpodzolprofiel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7974/documents/47563