Bijlage 1.2 Pinnedijk 11 - 2023_Bijlagen bij toelichting.pdf
Tekst van het document
Initiatiefnemer heeft niet deelgenomen aan een overheidsregeling voor het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteiten. De te realiseren woning(en) moet(en) aardgasloos, levensloopbestendig, natuurinclusief en (bijna) energieneutraal zijn gebouwd en in ieder geval voldoen aan het Bouwbesluit. Voor de bouw van de nieuwe woning zal een aanvraag voor een omgevingsvergunning onderdeel “bouw” worden ingediend. Bij deze aanvraag zullen deze aspecten worden opgenomen. De herontwikkeling van het erf wordt benut om ook de bestaande woning te verduurzamen naar bij voorkeur minimaal energielabel B. Zie punt 8 bij vorige onderdeel “splitsen bestaande boerderij”. Per woning (zowel bestaande als nieuw te bouwen) is maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Als monumentale bebouwing en/of met een cultuurhistorische waarde op het erf aanwezig zijn, dan moeten deze gebruikt worden als bijbehorende bouwwerken. Ten behoeve van de nieuwe woning zal, na de sloop van alle stallen en bedrijfsgebouwen, binnen het thans geldende agrarische bouwvlak een nieuw bijgebouw van 100 m2 worden gerealiseerd.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
35
11.
Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige ruimtelijke (landschappelijke en stedenbouwkundige) inpassing. Daarvoor moet een door de gemeente goedgekeurd (samenhangend) erven landschappelijk inrichtingsplan worden opgesteld, welke voldoet aan bijlage 1, 2, 3 en 4. De landschappelijke inpassing moet gerealiseerd zijn binnen 1 jaar na ingebruikname van de nieuwe bestemming (Wonen) en dient vervolgens in stand te worden gehouden. Ten aanzien van deze voorwaarde wordt verwezen naar de uitgebreide toelichting in hoofdstuk 3 (paragraaf 3.2 Erf en Inpassing)
Voorwaarden principebesluit college B&W d.d. 7 juli 2020 In het principebesluit van het college van B&W van Doetinchem d.d. 7 juli 2020 zijn, naast voornoemde criteria, nog de volgende (aanvullende) voorwaarden opgenomen: • Alle niet-cultuurhistorisch waardevolle agrarische bebouwing wordt geheel verwijderd In de gewenste situatie wordt alle agrarische bebouwing, bouwwerken en overtollige verharding verwijderd. Alleen de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle bedrijfswoning (boerderij) blijft in tact. • Het agrarisch bouwperceel vervalt Het agrarisch bouwperceel komt door middel van deze bestemmingsplanwijziging (definitief) te vervallen. • De cultuurhistorisch waardevolle bedrijfswoning te splitsen onder de voorwaarde dat de cultuurhistorische waarde in stand wordt gehouden De aanwezige cultuurhistorisch waardevolle boerderij wordt gesplitst in 2 wooneenheden, maar blijft hierbij qua vorm, massa en situering in tact. • Ter compensatie van de sloop van alle bedrijfsgebouwen kan een nieuwe woning worden gebouwd. De inhoud van de te bouwen vrijstaande woning mag maximaal 750 m3 bedragen en de oppervlakte van het bijgebouw mag maximaal 100 m3 bedragen Er wordt één nieuwe woning met een inhoud van maximaal 750 m3 gerealiseerd. De oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt per wooneenheid maximaal 100 m2.
• De woningen landschappelijk in te passen volgens een nog in te dienen en door de gemeente goed te keuren landschapsplan. Het erf en de nieuwe bebouwing worden landschappelijk ingepast. Zie paragraaf 3.2 en bijlage 2. • De erfopzet moet voldoen aan het boerenerfprincipe waarbij de nieuwbouwwoning en bijgebouwen een agrarische uitstraling krijgen die ondergeschikt is aan de bestaande bedrijfswoning. De nieuwe woning en het bijgebouw zullen in een landelijke stijl en passend op een agrarisch erf worden uitgevoerd. Hierbij wordt gekozen voor natuurlijke materialen en een agrarische / landelijke uitstraling. De bestaande boerderij blijft ongewijzigd qua vorm/massa en volume en vormt het hoofdgebouw op het erf. De nieuwe woning en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw en eenvoudig qua uitvoering. Deze nieuwe bebouwing wordt achter het hoofgebouw gerealiseerd.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
36
•
• •
Alle woningen en gebouwen worden ontsloten via de centrale ruimte op het erf. De gebouwen zijn geclusterd op het erf rondom de centrale ruimte. De onderlinge afstand tussen 2 gebouwen bedraagt hierbij niet meer dan 15 meter. Zie paragraaf 3.3 en bijlage 3. De noodzakelijke herziening van het bestemmingsplan pas in gang te zetten als initiatiefnemer een adequate Ruimtelijke onderbouwing indient. Deze ROB voorziet in deze voorwaarde. De afspraken vast te leggen in een op te stellen anterieure overeenkomst Deze anterieure overeenkomst is opgesteld en ondertekend. Dit principebesluit in te trekken als initiatiefnemers niet binnen 6 maanden na het principebesluit de benodigde stukken aanleveren. In overleg is de gestelde termijn enkele malen verlengd.
In de regels van het wijzigingsplan zullen de “standaard” bouwregels voor de bestemming “wonen” (art. 21.2.2) worden opgenomen, zoals deze thans zijn opgenomen in de geldende Beheersverordening ‘Beheersverordening Landelijk Gebied 2020’. Het betreffen onder meer de volgende regels ten behoeve van de nieuw te bouwen woning: de goothoogte van een nieuwe woning mag maximaal 4,5 m. bedragen; de bouwhoogte mag maximaal 10 m. bedragen. voor erkers en overkappingen dienen de regels van de bestemming wonen van de Beheersverordening Landelijk Gebied gevolgd te worden. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning gelden de navolgende regels: de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 100 m² per woning bedragen, met dien verstande dat niet meer dan 50 % van het hoofdfunctievlak mag worden bebouwd; bijbehorende bouwwerken, niet zijnde inpandige bijbehorende bouwwerken, mogen alleen vanaf 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning worden gebouwd; de goothoogte mag maximaal 3 m. bedragen; als wordt aangebouwd aan een woning, geldt als maximum de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van die woning; de bouwhoogte mag maximaal 6 m. bedragen; voor zover sprake is van de aanduiding 'bijgebouwen' binnen het hoofdfunctievlak, mogen de bijbehorende bouwwerken alleen binnen het vlak met deze aanduiding worden gerealiseerd.
erf- en terreinafscheidingen op ten minste 1 m. achter de voorgevel, maximaal 2 m. bedragen; de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen, 2 m. bedragen op ten minste 1 m. achter (het verlengde van) de in de gevellijn gesitueerde gevel van de woning; speeltoestellen en tuinmeubilair (maximaal 3,5 m. bedragen); verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 6 m. bedragen; antennedragers inclusief antennes maximaal 15 m.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
37
Daarnaast geldende de algemene regels op grond van het Bor voor het realiseren van eventuele vergunningsvrije bouwwerken. In de gewenste situatie worden vergunningsvrije bouwwerken alleen gerealiseerd aansluitend of in de directe omgeving van de woningen en bijgebouwen.
4.4.6
Doetinchem Natuurlijk Duurzaam
Op 18 februari 2016 heeft de Gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelden de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om onze duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder tussen de verschillende partijen en ondersteunt en enthousiasmeert hun duurzame initiatieven. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winst' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Wat betreft de energiebesparing richt de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregeling of leningen. Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen. In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking.
Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief. In het voorliggende bestemmingsplan wordt waar mogelijk rekening gehouden met voornoemde doelstellingen ambities. Zo is het toegestaan om op de daken van de gebouwen zonnepanelen en collectoren te plaatsen. Dit kan vergunningsvrij als rekening wordt gehouden met de bijbehorende randvoorwaarden. Daarnaast wordt de nieuw te bouwen woning “gasloos” uitgevoerd en derhalve niet aangesloten op het aardgasnetwerk.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
38
5. 5.1
Haalbaarheid Algemeen
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan heeft een scan plaatsgevonden van relevante omgevingsaspecten in het plangebied. Dit onderzoek is beperkt van aard, omdat het voorliggende bestemmingsplan geen grote ontwikkelingen mogelijk maakt. Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en andere aspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bouwen en het beheer van het plangebied.
5.2
Bodem
Het toetsingskader voor de bodem wordt gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient inzicht te worden gegeven in de bodemkwaliteit, waarbij dient: Beoordeelt te worden of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming; Te worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen; In de gewenste situatie worden na het vaststellen van het bestemmingsplan de bestaande stallen en bouwwerken gesloopt. Ten behoeve van deze sloop worden de gebouwen geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest (asbestinventarisatie). Na de sloop van deze bedrijfsbebouwing wordt ter plaatse een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek zal ook worden uitgevoerd op de beoogde bouwlocatie van de nieuw woning. Op deze locatie staat thans nog een stal, waardoor een zorgvuldig onderzoek ter plaatse momenteel niet mogelijk is. De genoemde rapportage van de asbestinventarisatie zal bij de benodigde sloopmelding worden gevoegd. De rapportage van het verkennend bodemonderzoek, waarbij ook onderzoek zal worden verricht naar de aanwezigheid van eventuele asbestverontreiniging / -deeltjes in de bodem, zal vervolgens bij de benodigde aanvraag voor de omgevingsvergunning Wabo (onderdeel bouw) voor de nieuwe woning worden gevoegd. Op basis van dit onderzoek kan, voorafgaand aan het verlenen van de genoemde vergunning, de bodemgeschiktheid worden gewaarborgd.
5.3
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in de eerste instantie, tezamen met de uitwerking hiervan in het Activiteitenbesluit, het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning Wabo voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen (artikelen 3, 4 en 5) in relatie tot geurgevoelige objecten in de nabijheid van de veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten; ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed ‘woon- en leefklimaat’ kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
39
In de buurt van onderhavig plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen van derden aanwezig (bron: I-GO Veehouderijen). Gelet op voornoemde worden geen belangen van veehouderijen van derden geschaad. Binnen 250 meter van de planlocatie Pinnedijk 11 liggen geen veehouderijen van derden. In de directe omgeving ligt, op een afstand van ongeveer 150 meter in noordoostelijke richting, een agrarisch bedrijf in de vorm van een kwekerij. Inmiddels is ook voor deze locatie een verzoek tot functiewijziging ingediend. Daarnaast zijn op ruime afstand van de planlocatie enkele grondgebonden melkrundveebedrijven aanwezig. Nu in de (ruime) omgeving geen geurbelastende activiteiten/bestemmingen aanwezig zijn, kan derhalve worden geconcludeerd dat ter plaatse van de beoogde nieuwe woning (alsmede ter plaatse van de bestaande voormalige bedrijfswoning) sprake is van een aanvaardbaar ‘woon- en leefklimaat’. Tevens worden omliggende veehouderijen niet onevenredig geschaad in hun huidige en (eventueel toekomstige) bedrijfsontwikkeling. In het kader van een functiewijziging behouden op grond van de Wgv de bedrijfswoningen en nieuwe woningen in het kader van een functiewijziging / “rood-voor-rood” bovendien de status van “woning behorende bij een veehouderij van derden”. Resumé, vanuit het aspect geur bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen planontwikkeling.
5.4
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) vormt een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De wet biedt geluidsgevoelige gebouwen en terreinen (zoals woningen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, psychiatrische inrichtingen en de terreinen daarom heen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Voor de geluidsgevoelige objecten moeten bepaalde grenswaarden in acht worden gehouden. Deze grenswaarde volgen uit de Wgh. De Pinnedijk is een rustige B-weg met weinig verkeer in het landelijke gebied van Gaanderen. De bestaande en nieuwe woningen liggen op ca. 220 meter afstand tot de A18. In de Wet geluidhinder dient met betrekking tot de geluidbelasting van een weg de LAeq over alle perioden van 07.00-19.00 uur, van 19.00-23.00 uur en van 23.00-07.00 uur te worden bepaald. De Lden is de logaritmisch gemiddelde waarde van de berekende geluidbelasting in genoemde dag-, avond- en nachtperiode, waarbij gebruik wordt gemaakt van een ‘energetische’ middeling. De Wet geluidhinder geeft uitsluitend grenswaarden ten aanzien van de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Krachtens de Wet geluidhinder worden aan weerszijden van een weg zones aangegeven (art. 74 Wgh). Binnen deze zones worden eisen gesteld aan de geluidbelasting. Buiten de zones worden geen eisen gesteld.
Op grond van verdere ontwikkelingen in de techniek en het treffen van geluidreducerende maatregelen aan de motorvoertuigen, is te verwachten, dat het wegverkeer in de toekomst minder geluid zal produceren dan momenteel het geval is. Binnen de Wet geluidhinder is middels artikel 110g de mogelijkheid geschapen om deze vermindering van de geluidproductie in de geluidbelasting door te voeren.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
40
Voor wegen waar de rijsnelheid 70 km/uur of meer bedraagt wijzigt de aftrek op basis van artikel 110g Wgh (art. 3.4, lid 1) in: - 4 dB voor situaties waar de geluidbelasting zonder aftrek 110g Wgh 57 dB is; - 3 dB voor situaties waar de geluidbelasting zonder aftrek 110g Wgh 56 dB is; - 2 dB voor andere waarden van de geluidbelasting. In verband met de invoering van stillere banden en strengere geluideisen aan wegvoertuigen wordt voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 kilometer per uur of meer bedraagt een wegdekcorrectie conform artikel 3.5 van het "Reken- en Meetvoorschrift geluidhinder 2012" toegepast. Normen met betrekking tot de geluidbelasting in ‘nieuwe situaties’ zijn in artikel 82 tot en met 87 van de Wet geluidhinder vermeld. In eerste instantie wordt ervan uitgegaan dat een zogenaamde voorkeursgrenswaarde niet mag worden overschreden. Indien de voorkeursgrenswaarde wel, maar de maximale ontheffingswaarde niet, wordt overschreden kan door de Gemeente Doetinchem onder bepaalde voorwaarden een ontheffing worden verleend voor een hogere toelaatbare geluidbelasting.
Wil de gemeente een hogere waarde dan de in artikel 82, eerste lid, genoemde voorkeursgrenswaarde vaststellen, dan dienen maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op overwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard. Indien de belasting meer bedraagt dan 53 dB in buitenstedelijk gebied of 63 dB in stedelijk gebied worden aanvullende eisen gesteld aan de indeling van het gebouw. Onderhavige situatie / A18: • Voor de nieuwbouwlocatie geldt het criterium: nieuw te bouwen geluidgevoelige bestemmingen / bestaande wegen. •
De bouwlocatie is gelegen in buitenstedelijk gebied.
•
De breedte van de geluidzones van de A18 bedraagt 400 meter.
•
De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB op de gevels van de nieuwbouw.
•
De maximale ontheffingswaarde (buitenstedelijk gebied) bedraagt 53 dB.
• De aftrek conform artikel 110g uit de Wet geluidhinder bedraagt minimaal 2 dB. Door FBI is voor de gewenste situatie een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten aanzien van het wegverkeerslawaai. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 5 toegevoegd. Uit dit akoestisch onderzoek komen de volgende resultaten naar voren: Uit de resultaten van de berekeningen naar de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de A18 kunnen de navolgende conclusies worden getrokken: •
De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt bij de 3 woningen overschreden. De maximale geluidbelasting incl. aftrek bedraagt 53 dB;
• De maximaal te ontheffen waarde van 53 dB wordt niet overschreden. De voorkeursgrenswaarde bij de 3 woningen wordt ter hoogte van enkele gevels overschreden. Dat betekent dat conform de Wet geluidhinder gekeken moet worden naar mogelijk te treffen maatregelen. Een afscherming tussen de woningen en de A18 is niet mogelijk. Deze zou een zeer grote hoogte moeten hebben om effectief te zijn en is daarnaast (ruimtelijk gezien) ongewenst. Maatregelen bij de A18 ten ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
41
aanzien van verandering wat betreft maximum snelheid en wegdekverharding zijn thans niet realistisch en niet realiseerbaar. De gemeente Doetinchem wordt hierdoor verzocht om een procedure te starten voor het vaststellen van een hogere grenswaarde. Met een (relatieve eenvoudig te bewerkstellingen) geluidwering van minimaal 24 dB wordt het maximaal toelaatbaar binnenniveau van 33 dB al gegarandeerd. Ter hoogte van de (nieuwbouw)woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt op deze wijze geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.5
Luchtkwaliteit
Op basis van de Wet luchtkwaliteit gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze eisen zijn doormiddel van grenswaarden voor diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2). Stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes fijn stof (PM10) zijn de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Vanaf 1 januari ’15 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. De grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIMB) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIMB bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verder toetsing aan de grenswaarden worden uitgevoerd. In het Besluit van 30 oktober 2007, houdende regels omtrent het niet in betekenende mate bijdragen (NIBM), bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c van de Wet milieubeheer, is aangegeven dat verdere toetsing achterwege kan blijven als aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van die uitoefening of toepassing, de inrichting niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide niet de 3% grens overschrijdt.
Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot een verslechtering van maximaal 1,2 μg/m3 leidt. Net zoals bij het aspect geur, kent luchtkwaliteit ook twee aspecten. Ten eerste speelt de kwaliteit een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed ‘woon- en leefklimaat’ kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Met voorliggend plan neemt het aantal woningen met maximaal 2 toe. Het aantal te realiseren woningen is kleiner dan 1.500, volgens de ministeriële regeling NIMB draagt een bouwplan van deze omvang ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is, op grond van de Wet milieubeheer, dan ook niet noodzakelijk. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ dient de lokale luchtkwaliteit te worden onderzocht. Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van de ‘NIMB-tool’. Deze rekentool is ontwikkeld in 2008 (aangepast in 2020) door het Ministerie in samenwerking met het Kenniscentrum Infomil.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
42
Door de rekentool te hanteren kan voor kleinere ruimtelijke plannen worden beoordeeld in welke mate het plan invloed heeft op de luchtkwaliteit. Het realiseren van maximaal 2 extra woningen leidt tot extra verkeersbewegingen. In het worst-case scenario is uitgegaan van een toename van het aantal verkeersbewegingen van 12 stuks (weekdaggemiddelde), waarvan 10 stuks personenauto’s /bestelbussen en 2 vrachtwagens. Onderstaande figuur geeft de resultaten van de ‘NIMB-tool 2020’ weer. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2022
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
12
Aandeel vrachtverkeer
16,0%
NO2 in μg/m3
0,02
PM10 in μg/m3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie
1,2
De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Figuur 13 Resultaten NIMB-tool 2022
In de directie omgeving zijn geen grootschalige bronnen (bijv. intensieve veehouderij) aanwezig. Gelet op voornoemde kan worden gesteld dat ter plaatse ruimschoots wordt voldaan aan alle grenswaarden. Daarnaast kan worden opgemerkt dat door de beoogde functiewijziging c.q. de beëindiging van de varkenshouderij de emissie van (fijn)stof aanzienlijk wordt verminderd en als gevolg hiervan in de omgeving de luchtkwaliteit zal verbeteren. Het aspect luchtkwaliteit geen belemmering op in relatie tot het voorgenomen plan.
5.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag, de productie van gevaarlijke stoffen en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij gevaarlijke stoffen kennen we twee verschillende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een LPG vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' van belang. In dit besluit wordt externe veiligheid omschreven als 'de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof bij betrokken is'. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
43
Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een groepsrisico en een plaatsgebonden risico. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het plaatsgebonden risico biedt de burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. In het plangebied zijn, gelet op de geraadpleegde “Risicokaart Nederland”, geen objecten aanwezig waarvoor externe veiligheid mogelijk een rol speelt.
Figuur 14 Uitsnede Risicokaart Nederland
5.7
Waterhuishouding
5.7.1 Relevant beleid In het Waterbeheerplan 2010-2015 zijn door het Waterschap Rijn en IJssel opgestelde uitgangspunten voor water-, waterkeringen- en waterwegbeheer vastgelegd. Kernbegrippen zijn schoon, levend en functioneel water. Het Waterschap streeft samen met gemeenten naar een vorm van duurzaam stedelijk waterbeheer en verbetering van de waterkwaliteit, door afkoppelen van schoon regenwater, het minimaliseren van de verontreiniging van oppervlaktewater en waterbodem en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. Met betrekking tot de chemische en ecologische waterkwaliteit van oppervlaktewater wordt gewerkt aan nadere invulling van doelstellingen en maatregelen op basis van de normstelling uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor het plangebied Pinnedijk 11 zijn in het beheerplan geen specifieke doelstellingen beschreven. De ontwikkeling sluit aan op de algemene doelstellingen zoals aangegeven in het plan. De locatie Pinnedijk 11 is aangesloten op de gemeentelijke (druk)riolering. In het plangebied zijn geen sloten aanwezig en is tevens geen sprake van openbaar water. Momenteel wordt het vuile / huishoudelijke afvalwater geloosd op de gemeentelijke (druk)riolering en het hemelwater infiltreert ter plaatse in de bodem.
Op deze bestaande voorziening kunnen ook de nieuwe / toekomstige woningen ten aanzien van het vrijkomende vuile / huishoudelijke afvalwater worden aangesloten.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
44
Het vrijkomende hemelwater wordt ongewijzigd ter plaatse geïnfiltreerd in de bodem en wordt niet geloosd op de riolering. 5.7.2 Invloed op waterhuishouding In de bestaande situatie is circa 2.500 m2 (exclusief toegangsweg, deze blijft behouden) aan verhard oppervlak aanwezig. In de gewenste situatie wordt 1.217 m2 aan gebouwen gesloopt en wordt tevens een aanzienlijk van de aanwezige erfverharding verwijderd. In totaal zal er in de gewenste situatie nog circa 1.000-1.250 m2 aan verhard oppervlakte overblijven. Het verharde oppervlakte wordt hierdoor (netto) met ruim 50% verminderd. 5.7.3 Watertoets De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor ruimtelijke plannen die vallen onder de Wet ruimtelijke ordening. In het Nationaal Bestuursakkoord Water-actueel (NBW-actueel, juni 2008) hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen onder meer afgesproken dat de watertoets ook wordt toegepast bij waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten die niet vallen onder de Wet ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat in een vroegtijdig stadium overleg gepleegd wordt met de waterbeheerders. Voor de watertoets is gebruik gemaakt van de Standaard Waterparagraaf zoals aangeleverd door het waterschap Rijn en IJssel.
Deze waterparagraaf is onderdeel van de toetsing, en hangt samen met een set van standaarden zoals die door het waterschap gehanteerd wordt. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen. De zogenaamde intensiteit (korte of uitgebreide procedure) van het watertoets- proces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als er op een categorie 2 vraag een “ja” is geantwoord is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Is er op geen van de categorie 2 vragen een “ja” geantwoord dan kan de verkorte procedure worden doorlopen. Als er alleen met “nee” is geantwoord dan is het ruimtelijk plan waterhuishoudkundige niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap te worden aangevraagd. Navolgende tabel is ingevuld voor onderhavig plan.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
45
Tabel 2 Watertoets
Op basis van de ingevulde Watertoets-tabel is het ruimtelijk plan waterhuishoudkundig niet van belang en behoeft er geen wateradvies bij het WRIJ te worden aangevraagd. In de gewenste situatie wordt ongewijzigd ter plaatse het hemelwater in de bodem geïnfiltreerd (of eventueel opgevangen en nuttig toegepast) en wordt het huishoudelijke afvalwater afkomstig van de bestaande en nieuwe woning(en) geloosd op de gemeentelijke (druk)riolering.
5.8
Archeologie
Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de wetgeving is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
46
Figuur 15 Uitsnede plankaart archeologische verwachtingswaarde
Het plangebied is gelegen in een (groot) gebied met de functie ‘Waarde – Archeologie 6’. Ter plaatse is derhalve sprake van een (zeer) lage verwachtingswaarde. Op grond van de geldende Beheersverordening dient bij bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 (en – 30 cm. onder maaiveld) een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. In het beoogde plangebied is sprake van “geroerde grond” en de nieuwe bebouwing (beperkt qua omvang) wordt in hoofdzaak gerealiseerd op de locaties waar nu stallen met onderkeldering aanwezig zijn. Gelet op voornoemde behoeft niet te worden gevreesd voor een aantasting van archeologische waarden en is ten behoeve van het plangebied geen archeologisch onderzoek benodigd.
5.9
Cultuurhistorie
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden (Bro, artikel 3.1.6, vierde lid onder a). Rijks- en gemeentelijke monumenten De bescherming van monumenten is geregeld in de Monumentenwet. In het plangebied zijn geen rijksof gemeentelijke monumenten aanwezig. Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing Voor de te beschermen cultuurhistorische waardevolle gebouwen (potentiële monumenten en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing) in het buitengebied heeft de gemeente de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' opgenomen. Het bepalen of bebouwing een cultuurhistorische waarde heeft, is in 2011 geïnventariseerd door een adviesbureau en opgenomen in inventarisatierapporten.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
47
Aan de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' wordt een sloopvergunningstelsel gekoppeld. Dit houdt in, dat zonder vergunning van de gemeente geen sloopwerkzaamheden mogen plaatsvinden. Het voornaamste doel van de sloopvergunning is de bescherming van de cultuurhistorisch waardevolle panden tegen ernstige aantasting en sloop. Een sloopvergunning is geen sloopverbod. Er kunnen redenen zijn dat er toch tot geheel of gedeeltelijk sloop moet worden overgegaan. In dat geval moet die eventuele sloop in goede orde gebeuren met behoud van karakteristieke waarden.
Figuur 15 Uitsnede inventarisatieverslag cultuurhistorie 2011
De bouwwerken zoals beschreven in het inventarisatieverslag (boerderij + deel), zie bovenstaande uitsnede uit het rapport, worden in de beoogde situatie niet gesloopt. Deze gebouwen gaan deel uitmaken van het nieuwe erf / ensemble van gebouwen dat met het projectplan wordt beoogd. De beoogde planontwikkeling heeft derhalve geen negatief effect op de cultuurhistorische waarden in het plangebied.
5.10
Verkeer en parkeren
Een nieuwe functie / bestemming mag niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling of tot parkeeroverlast. In de gewenste situatie wordt de agrarisch bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf / varkenshouderij volledig beëindigd. Hierdoor zal een groot deel van de vervoersbewegingen, met name ten aanzien van zwaar vrachtverkeer, komen te vervallen. In de beoogde opzet zal alleen nog sprake zijn van bestemmingsverkeer ten behoeve van de woonfunctie met maximaal 3 wooneenheden. Hierdoor zullen dagelijks enkele vervoersbewegingen met auto’s van de bewoners en de eventuele bezoekers plaatsvinden.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
48
Wekelijks zullen gemiddeld 1 á 2 vrachtwagens het erf bezoeken voor bijvoorbeeld het ledigen van de afvalcontainers. Het verkeer kan hierbij gebruik maken van de bestaande ontsluitingsweg de Pinnedijk en de toegangsweg tot het erf. Gelet op voornoemde zal door de beoogde wijziging van het bestemmingsplan het aantal vervoersbewegingen afnemen en het verkeersbelasting in de omgeving / Pinnedijk aanzienlijk verminderen. Het parkeren van de voertuigen van de bewoners van de 3 wooneenheden kan zonder problemen plaatsvinden op het eigen erf. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect verkeer en parkeren geen bezwaren bestaan ten aanzien van de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
5.11
Kabels en leidingen
In het plangebied zijn, op basis van de geraadpleegde kaarten van GTS/Gasunie, Tennet en Waterbedijf Vitens, geen relevante (ondergrondse) leidingen / voorzieningen aanwezig.
5.12
Bedrijven & Milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Een handvat hierbij is door gebruik te maken van de systematiek die de milieuzonering kent. Milieuzonering is het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen. Enerzijds, het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies. Anderzijds, het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies.
De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. Binnen het plangebied worden geen functies gerealiseerd die milieuhinder veroorzaken (functie wonen). Naast voornoemde toetsing dient tevens bekeken te worden of de functies rondom het plangebied geen hinderonder vinden van de beoogde bestemming / wooneenheden. In de ruime omgeving zijn met name woningen van derden en enkele agrarische bedrijven. In de omgeving van onderhavig plangebied (binnen 250 meter) zijn geen (intensieve) veehouderijen van derden aanwezig.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
49
In de directe omgeving ligt, op een afstand van ongeveer 150 meter in noordoostelijke richting, een agrarisch bedrijf in de vorm van een kwekerij. Inmiddels is ook voor deze locatie een verzoek tot functiewijziging ingediend. Daarnaast zijn op ruime afstand van de planlocatie enkele grondgebonden melkrundveebedrijven aanwezig. Gelet op voornoemde wordt aan alle afstandseisen ten aanzien van agrarische functies voldaan en worden hierdoor geen belangen van agrarisch bedrijven van derden geschaad in hun huidige en (eventueel toekomstige) bedrijfsontwikkeling. Ten westen van de planlocatie is aan de Pinnedijk 17 een bedrijfsbestemming aanwezig. Het betreft hier, een relatief kleinschalig agrarisch loon- en grondverzetbedrijf (milieucategorie 2). De afstand tussen deze bedrijfsbestemming en de bestaande woning / nieuwe wooneenheden bedraagt ongeveer 165 meter. Op grond van de richtlijn 'Bedrijven en Milieuzonering' dient ten behoeve van deze bedrijfsbestemming / milieucategorie 2 een minimale afstand van 30 meter in acht te worden genomen. Aan deze minimale afstandseis wordt ruimschoots voldaan. Aan de richtafstanden wat betreft stof, geluid en gevaar wordt ruimschoots voldaan. Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering dan ook geen belemmering is ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
5.13
Flora & Fauna
In de Wet natuurbescherming staan beschermingsregels voor de Nederlandse natuurgebieden en plantenen diersoorten. Vanwege de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 2017 zijn de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet komen te vervallen. Zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming zijn nu in de Wet natuurbescherming geregeld. Door Natuurbank Overijssel is een QuickScan uitgevoerd in verband met de beoogde ontwikkeling. Er is gekeken naar de aanwezigheid van beschermde planten en dieren, nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten, die door de uitvoering van de voorgenomen activiteiten vernield of verstoord worden. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermd leefgebied van dieren in de directe omgeving van het plangebied en het Gelders Natuurnetwerk. Uit het onderzoek (rapportage / bijlage 4) komen de volgende conclusies naar voren: •
•
Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone geen externe werking kennen. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten tijdens de gebruiksfase en afstand tussen Natura 2000-gebied en plangebied, is het niet aannemelijk dat voorgenomen initiatief zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
50
•
•
Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust-of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rusten voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels niet af.
Geconcludeerd wordt dat de Wet natuurbeschermingswet geen belemmering vormt voor de uitvoering van de voorgenomen activiteit. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing van de verbodsbepalingen uit de WNB zijn niet noodzakelijk.
5.14
Besluit MER
In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) is geregeld voor welke plannen en besluiten het maken van een milieu-effectrapport verplicht is en in welke gevallen de procedure van de m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door een voorgenomen activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden, staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van het Besluit m.e.r.. Voor deze activiteiten geldt direct een m.e.r.-plicht. Ook zijn in het Besluit m.e.r. activiteiten aangewezen waarvoor het op voorhand niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Deze zijn beschreven in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Als de betreffende activiteit genoemd staat in kolom 1 'activiteiten' van onderdeel D en er wordt voldaan aan de drempelwaarden in kolom 2: 'gevallen', dan geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht.
Centraal in de m.e.r.-beoordelingsprocedure staat de notitie waarin beschreven staat of er (mogelijk) sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, de 'aanmeldingsnotitie'. Een m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd aan de hand van een aantal vaste criteria. Deze zijn vastgelegd in Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. Wanneer de aanmeldingsnotitie hierop aanhaakt, ziet deze er als volgt uit:
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
51
1. Inleiding; 2. Kenmerken van het project; 3. Plaats van het project; 4. Kenmerken van de potentiële effecten. In de Wet milieubeheer is bepaald dat alleen voor besluiten een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als activiteiten uit onderdeel D mogelijk worden gemaakt in een plan (een zogenaamd 'kaderstellend plan voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten) dan geldt direct een (plan)m.e.r.-plicht. Een plan is namelijk direct m.e.r.-plichtig als het kaderstellend is voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. De drempelwaarden in kolom 2 'gevallen' zijn echter indicatief. Dit betekent dat ook onder de drempelwaarden moet worden nagegaan of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. In bepaalde gevallen kan een activiteit van kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland. Dit moet worden beoordeeld via de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt zowel voor kaderstellende plannen als voor besluiten. Hiervoor is het Besluit m.e.r. op 6 juli 2017 gewijzigd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is nu geregeld in artikel 2, lid 5, onder b, van het Besluit m.e.r.. Op grond van artikel 2, lid 5 onder b van het Besluit m.e.r.
moet voor activiteiten die voorkomen in onderdeel D en die beneden de drempelwaarde vallen een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor het voorliggende initiatief is geen vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde. De vormvrije m.e.r.beoordeling is nodig als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Bij besluiten over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig. In lijst D wordt onder activiteiten gesproken over 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. In het kader van onderhavig project kan niet worden gesproken van een stedelijk ontwikkelingsproject. Hiernaast vindt de activiteit ver buiten Natura-2000 gebieden plaats. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er bestaat daarom geen aanleiding / noodzaak voor een (vormvrije) m.e.r-beoordeling of het opstellen van een M.E.R.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
52
6.
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
De kosten voor het realiseren van voorliggend plan wordt op particulier initiatief gefinancierd. De gronden zijn volledig in eigendom van initiatiefnemer en niet belast met beperkt zakelijk recht van derden. Het betreft geen bouwplan in de zin van de grondexploitatiewet. Een anterieure overeenkomst kan, mede nu gelet op de beoogde functiewijziging geen planschade valt te verwachten, achterwege worden gelaten.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De partiële herziening van het bestemmingsplan zal gedurende zes weken in ontwerp ter inzage worden gelegd. Publicatie hiervan vindt plaats via de officiële richtlijnen van de gemeente Doetinchem. Tijdens deze termijn wordt de mogelijkheid geboden voor het indienen van zienswijzen. Dit bestemmingsplan wordt is in het kader van het wettelijke vooroverleg voorgelegd aan de provincie Gelderland en het waterschap Rijn & IJssel. Vervolgens zal het vastgestelde bestemmingsplan nogmaals zes weken ter inzage liggen. Gedurende deze periode is er mogelijkheid tot het instellen van beroep. Het nieuwe bestemmingsplan / de partiële herziening treedt in werking daags na afloop van de tervisielegging, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het nieuwe bestemmingsplan / de partiële herziening ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Initiatiefnemer heeft alle omwonenden in het kader van een zorgvuldige besluitvorming alsmede in het kader van het zogenaamde “goed noaberschap” in november 2021 bezocht.
Tijdens dit overleg is aan de omwonenden individueel het beoogde plan / functiewijziging + realisatie vervangende woning / splitsen bestaande boerderij en het plan voor de landschappelijke inpassing gepresenteerd en nader toegelicht. De bewoners van de volgende omliggende adressen zijn in dit kader bezocht: • Pinnedijk 7; • Pinnedijk 12; • Pinnedijk 13; • Pinnedijk 17; • Pinnedijk 19; • Peppelmansdijk 20 • Peppelmandijk 26
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
53
In z’n algemeenheid kan na deze vorm van buurtdialoog worden geconcludeerd, dat deze in een goede sfeer is verlopen. Daarnaast is gebleken dat er door de bewoners in de omgeving geen bezwaren bestaan tegen de boogde ontwikkeling / het beschreven plan en dat de omwonenden de functiewijziging van intensieve veehouderij / varkensbedrijf naar “wonen” als positief ervaren.
6.3
Verkaveling & verkoop
De uitvoering van het plan betekent in de praktijk in eerste instantie dat een potentiële koper van de nieuwe bouwkavel moet worden geworven, die het een mooi plan vindt en tevens dit plan ook vorm en inhoud wil geven. De daadwerkelijke verkaveling moet de uitvoering van de ontworpen inrichting en de verkoop van de kavel vervolgens ook mogelijk maken. Een koper dient zich op voorhand bewust te zijn van de mogelijkheden, onmogelijkheden en voorwaarden die verbonden zijn aan de nieuwe bouwkavel binnen het plangebied. Een koper dient bekend te zijn met het feit dat deze vorm en inhoud moet geven aan de aan te leggen landschapselementen zoals deze in het bijbehorende inrichtings- & beplantingsplan nader zijn uitgewerkt (zie bijlage 2). De initiatiefnemer/eigenaar van de planlocatie en betrokken adviseurs hebben vooraf nagedacht over de verdeling van het plangebied. Op basis van de beoogde opzet van het plan, overeenkomstig het inrichtingsplan, kan een goede verkaveling worden bewerkstelligd. De nieuwe bouwkavel (woning inclusief bijgebouw) kan zelfstandig van de bestaande boerderij (gesplitst in 2 wooneenheden + bijgebouwen) worden verkaveld. Hierbij wordt vervolgens voor het gebruik van de toegangsweg en erfverharding een recht van overpad afgegeven aan de koper(s). Op bassi van voornoemde zijn de nieuwe bouwkavel en/of de woonboerderij met 2 wooneenheden goed verkoopbaar.
Ter inspiratie voor de potentiële kopers zijn als bijlage 6 en 7 de volgende documenten bijgevoegd: • Folder: “inheemse bomen en struiken in de gemeente Doetinchem” • Folder: “Ideeën voor natuurinclusief bouwen en ontwerpen” Deze folders kunnen ook tezamen met het genoemde inrichtings- & beplantingsplan worden opgenomen in de verkoopbrochure.
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
54
Bijlage 1
Principebesluit college B&W Doetinchem
ROB – Functiewijziging Pinnedijk 11 te Gaanderen
55
Van Westreenen B.V.
Varsseveldseweg 65 d 7131 JA LICHTENVOORDE
verzenddatum:
10 juli 2020
onderwerp:
ons kenmerk: inlichtingen bij: telefoonnummer:
1311517 / 1531437
uw kenmerk: uw brief van: bijlage
(0314)
Sanering intensieve veehouderij in ruil voor twee woningen, Pinnedijk 11 Gaanderen BW/RO-1983 18 juni 2020
Geachte heer Wopereis,
Namens van Pinnedijk 11 in Gaanderen hebt u een principeverzoek ingediend. U vraagt om medewerking te verlenen voor het realiseren van twee woningen in ruil voor de beëindiging van een intensieve veehouderij en sloop van bedrijfsgebouwen aan de Pinnedijk 11 te Gaanderen. Wij hebben op 7 juli 2020 een besluit genomen. Wij willen u nu informeren over ons besluit. Wat hebben wij besloten? Wij hebben besloten om in principe medewerking te verlenen aan het realiseren van twee woningen aan de Pinnedijk 11 als compensatie voor de beëindiging van de intensieve veehouderij en de instandhouding van de cultuurhistorisch waardevolle (bedrijfs)woning. Welke voorwaarden stellen wij aan medewerking? 1. Alle niet-cultuurhistorisch waardevolle agrarische bebouwing wordt geheel verwijderd; 2. Het agrarisch bouwperceel vervalt en de bestemming van het perceel wordt gewijzigd naar “Wonen . Hierdoor kan de cultuurhistorisch waardevolle bedrijfswoning worden gesplitst in twee woningen onder de voorwaarde dat de cultuurhistorische waarde in stand wordt gehouden en waar mogelijk verbeterd; 3. Ter compensatie van de sloop van alle bedrijfsgebouwen kan een nieuwe woning worden gebouwd. De inhoud van de te bouwen vrijstaande woning binnen de bestemming Wonen mag maximaal 750 m³ bedragen en de oppervlakte van het bijgebouw mag maximaal 100 m² bedragen; 4.
De woningen moeten landschappelijk worden ingepast volgens een nog in te dienen en door de gemeente goedgekeurd landschapsplan; 5. De erfopzet moet voldoen aan het boerenerfprincipe waarbij de nieuwbouwwoning en bijgebouwen een agrarische uitstraling krijgen die ondergeschikt is aan de bestaande bedrijfswoning, volgens de gemeentelijke beeldkwaliteitseisen. Hiertoe moet een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld;
Van Westreenen B.V.
Varsseveldseweg 65 d 7131 JA LICHTENVOORDE
verzenddatum:
10 juli 2020
onderwerp:
ons kenmerk: inlichtingen bij: telefoonnummer:
1311517 / 1531437
uw kenmerk: uw brief van: bijlage
(0314)
Sanering intensieve veehouderij in ruil voor twee woningen, Pinnedijk 11 Gaanderen BW/RO-1983 18 juni 2020
Geachte heer Wopereis,
Namens van Pinnedijk 11 in Gaanderen hebt u een principeverzoek ingediend. U vraagt om medewerking te verlenen voor het realiseren van twee woningen in ruil voor de beëindiging van een intensieve veehouderij en sloop van bedrijfsgebouwen aan de Pinnedijk 11 te Gaanderen. Wij hebben op 7 juli 2020 een besluit genomen. Wij willen u nu informeren over ons besluit. Wat hebben wij besloten? Wij hebben besloten om in principe medewerking te verlenen aan het realiseren van twee woningen aan de Pinnedijk 11 als compensatie voor de beëindiging van de intensieve veehouderij en de instandhouding van de cultuurhistorisch waardevolle (bedrijfs)woning. Welke voorwaarden stellen wij aan medewerking? 1. Alle niet-cultuurhistorisch waardevolle agrarische bebouwing wordt geheel verwijderd; 2. Het agrarisch bouwperceel vervalt en de bestemming van het perceel wordt gewijzigd naar “Wonen . Hierdoor kan de cultuurhistorisch waardevolle bedrijfswoning worden gesplitst in twee woningen onder de voorwaarde dat de cultuurhistorische waarde in stand wordt gehouden en waar mogelijk verbeterd; 3. Ter compensatie van de sloop van alle bedrijfsgebouwen kan een nieuwe woning worden gebouwd. De inhoud van de te bouwen vrijstaande woning binnen de bestemming Wonen mag maximaal 750 m³ bedragen en de oppervlakte van het bijgebouw mag maximaal 100 m² bedragen; 4.
De woningen moeten landschappelijk worden ingepast volgens een nog in te dienen en door de gemeente goedgekeurd landschapsplan; 5. De erfopzet moet voldoen aan het boerenerfprincipe waarbij de nieuwbouwwoning en bijgebouwen een agrarische uitstraling krijgen die ondergeschikt is aan de bestaande bedrijfswoning, volgens de gemeentelijke beeldkwaliteitseisen. Hiertoe moet een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld;
10 juli 2020 Sloop intensieve veehouderij in ruil voor twee woningen, Pinnedijk 11 Gaanderen
2
1531437
6. De noodzakelijke herziening van het bestemmingsplan wordt in gang gezet als u een adequate ruimtelijke onderbouwing indient. Binnen 6 maanden na het principebesluit moet u de benodigde stukken aanleveren, anders wordt de medewerking ingetrokken; 7. De afspraken moeten in een op te stellen anterieure overeenkomst worden vastgelegd. Wat moet u nu doen? Wij vragen bij de uitwerking van uw plannen in ieder geval aandacht voor de volgende punten: Beslissen of u doorgaat met dit plan. U moet nu beslissen of u verder gaat met dit plan. Als u dit wilt, moet u een brief naar ons sturen of een e-mail naar ons zenden waarin u uitdrukkelijk vraagt om het starten van een bestemmingsplanprocedure. U moet dit doen binnen vier weken na dagtekening van deze brief. Als u aangeeft dat u verder gaat met het plan, bent u op dat moment legesplichtig voor de planologische procedure. Anterieure overeenkomst. Wij sluiten met u een anterieure overeenkomst. In de overeenkomst zullen afspraken over met name de nieuwe bestemming, sloop, herbouw, landschappelijke inpassing, planschade en overig kostenverhaal worden vastgelegd. Planologische procedure. Voor wat betreft de planologische procedure adviseren wij u te kiezen voor een bestemmingsplanherziening. De gemeenteraad zal dus ook moeten instemmen met het wijzigen van het bestemmingsplan.
U moet de haalbaarheid van dit plan aantonen met een adequate ruimtelijke onderbouwing inclusief bijbehorende onderzoeken. Na het van kracht worden van het bestemmingsplan kunt u een aanvraag omgevingsvergunning indienen voor het realiseren van het plan. Verschijningsvorm erf en gebouwen. U hebt in een schets aangegeven hoe het erf en de positie van de gebouwen er uit komt te zien. Wij zijn in principe positief over het plan. De erfopzet moet voldoen aan het boerenerfprincipe waarbij de nieuwbouwwoning en bijgebouwen een agrarische uitstraling krijgen die ondergeschikt is aan de bestaande bedrijfswoning. De gemeente stelt hiervoor beeldkwaliteitseisen. Hiervoor zal een uitgewerkt plan moeten worden ingediend en een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld. Wat betreft het splitsen van de cultuurhistorisch waardevolle bedrijfswoning wordt daaraan meegewerkt onder de voorwaarde dat dit bijdraagt aan de instandhouding en waar mogelijk verbetering van de cultuurhistorische waarde van dat gebouw. Wij zullen het verbouwplan voor advies voorleggen aan de commissie Welstand en monumenten. Landschappelijke inpassing. Er moet een landschappelijk inrichtingsplan worden opgesteld die de instemming van de gemeente moet hebben. De landschapsontwerper van de gemeente wijst op het “LOP; van nieuwe noabers en brood op de plank” als een goed uitgangspunt ter inspiratie.
Ook het vernietigde bestemmingsplan Buitengebied-2012 geeft hiervoor richtlijnen. Deze hanteren wij nog steeds. In Bijlage 1, 2 en 3 van de regels zijn de uitgangspunten voor de landschappelijke inpassing opgenomen. Deze zullen u als pdf worden toegezonden. Ook wordt nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de natuurinclusieve ontwikkeling van het erf en bebouwing. Dit wil zeggen dat de inrichting van het erf en de directe omgeving
10 juli 2020 Sloop intensieve veehouderij in ruil voor twee woningen, Pinnedijk 11 Gaanderen
2
1531437
6. De noodzakelijke herziening van het bestemmingsplan wordt in gang gezet als u een adequate ruimtelijke onderbouwing indient. Binnen 6 maanden na het principebesluit moet u de benodigde stukken aanleveren, anders wordt de medewerking ingetrokken; 7. De afspraken moeten in een op te stellen anterieure overeenkomst worden vastgelegd. Wat moet u nu doen? Wij vragen bij de uitwerking van uw plannen in ieder geval aandacht voor de volgende punten: Beslissen of u doorgaat met dit plan. U moet nu beslissen of u verder gaat met dit plan. Als u dit wilt, moet u een brief naar ons sturen of een e-mail naar ons zenden waarin u uitdrukkelijk vraagt om het starten van een bestemmingsplanprocedure. U moet dit doen binnen vier weken na dagtekening van deze brief. Als u aangeeft dat u verder gaat met het plan, bent u op dat moment legesplichtig voor de planologische procedure. Anterieure overeenkomst. Wij sluiten met u een anterieure overeenkomst. In de overeenkomst zullen afspraken over met name de nieuwe bestemming, sloop, herbouw, landschappelijke inpassing, planschade en overig kostenverhaal worden vastgelegd. Planologische procedure. Voor wat betreft de planologische procedure adviseren wij u te kiezen voor een bestemmingsplanherziening. De gemeenteraad zal dus ook moeten instemmen met het wijzigen van het bestemmingsplan.
U moet de haalbaarheid van dit plan aantonen met een adequate ruimtelijke onderbouwing inclusief bijbehorende onderzoeken. Na het van kracht worden van het bestemmingsplan kunt u een aanvraag omgevingsvergunning indienen voor het realiseren van het plan. Verschijningsvorm erf en gebouwen. U hebt in een schets aangegeven hoe het erf en de positie van de gebouwen er uit komt te zien. Wij zijn in principe positief over het plan. De erfopzet moet voldoen aan het boerenerfprincipe waarbij de nieuwbouwwoning en bijgebouwen een agrarische uitstraling krijgen die ondergeschikt is aan de bestaande bedrijfswoning. De gemeente stelt hiervoor beeldkwaliteitseisen. Hiervoor zal een uitgewerkt plan moeten worden ingediend en een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld. Wat betreft het splitsen van de cultuurhistorisch waardevolle bedrijfswoning wordt daaraan meegewerkt onder de voorwaarde dat dit bijdraagt aan de instandhouding en waar mogelijk verbetering van de cultuurhistorische waarde van dat gebouw. Wij zullen het verbouwplan voor advies voorleggen aan de commissie Welstand en monumenten. Landschappelijke inpassing. Er moet een landschappelijk inrichtingsplan worden opgesteld die de instemming van de gemeente moet hebben. De landschapsontwerper van de gemeente wijst op het “LOP; van nieuwe noabers en brood op de plank” als een goed uitgangspunt ter inspiratie.
Ook het vernietigde bestemmingsplan Buitengebied-2012 geeft hiervoor richtlijnen. Deze hanteren wij nog steeds. In Bijlage 1, 2 en 3 van de regels zijn de uitgangspunten voor de landschappelijke inpassing opgenomen. Deze zullen u als pdf worden toegezonden. Ook wordt nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de natuurinclusieve ontwikkeling van het erf en bebouwing. Dit wil zeggen dat de inrichting van het erf en de directe omgeving
10 juli 2020 Sloop intensieve veehouderij in ruil voor twee woningen, Pinnedijk 11 Gaanderen
3
1531437
zodanig plaatsvindt dat de aanwezige natuurwaarden hier baat bij hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om maatregelen als het plaatsen van nestkasten in gevels en rekening houden met het type beplanting voor het aantrekken van vogels/vlinders/bijen/insecten. De behoefte aan de twee nieuwe woningen moet worden aangetoond. In de Woningbouwstrategie 2019 wordt als voorwaarde gesteld dat de behoefte aan twee nieuwe woningen moet worden aangetoond. Bij het opstellen van de anterieure overeenkomst of planologische procedure zal hiervoor een overeenkomst of ander bewijsmateriaal overlegd moeten worden. Goedkeuring provincie. Wonen in het buitengebied is aangemerkt als een provinciaal belang. Voor het toevoegen van woningen is daarom ook toestemming van de provincie nodig. In de bestemmingsplanprocedure is de provincie betrokken als vooroverlegpartner. Leges planologische procedure en omgevingsvergunning. Voor de bestemmingsplanherziening en de omgevingsvergunning bent u legesplichtig. Over de leges kunt u meer informatie vinden op de website van de gemeente. https://www.doetinchem.nl/home/regelen_46502/product/omgevingsvergunning_861.html Hebt u vragen? Als u vragen hebt, kunt u contact opnemen met Alfons Langwerden via telefoonnummer (0314) . Hij is uw aanspreekpunt en zal u verder adviseren bij de ontwikkeling van de plannen en zorgen voor interne afstemming bij de gemeente Doetinchem.