CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.12 Toelichting Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6 Wehl.pdf

beeldvormende raad 26 januari 2023, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Bestemmingsplan Broekstraat 6 - Wehl17.898 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Met het beleidskader worden richtlijnen gegeven voor 'inpassing' van initiatieven met een grote ruimtelijke impact. 3. Ten derde is het doel dat grootschalige initiatieven met een zo groot mogelijke maatschappelijke betrokkenheid tot stand komen. Initiatiefnemers voor ontwikkeling van bronnen van duurzame energieopwekking beogen over het algemeen een zo groot mogelijk rendement. Deze rendementen keren over het algemeen niet terug in het gebied. De omgeving van zo'n project ervaart daardoor vaak alleen de lasten (als visuele hinder, geluidhinder, enz.) en niet de lusten. Met het beleidskader wordt juist lokaal initiatief en eigenaarschap gestimuleerd. Daarnaast wordt beoogd dat initiatiefnemers van buiten de gemeente aangezet worden tot het betrekken van omwonenden in het totale proces van idee tot exploitatie. Dit alles om de betrokkenheid te vergroten en de omgeving mee te laten profiteren van de voordelen die ook ontstaan. In het beleidskader staan richtlijnen en randvoorwaarden, waar en onder welke voorwaarden de duurzame energiebronnen in de gemeente tot stand mogen komen. De drie belangrijkste uitgangspunten zijn: 1. Alle bronnen en vormen van duurzame energieopwekking zijn nodig. 2. Initiatieven voor grootschalige duurzame energieopwekking worden samen met de omgeving en

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

28

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl belanghebbenden vormgegeven. 3. Initiatieven voor grootschalige duurzame energieopwekking worden landschappelijk ingepast. Onderzoek en conclusie De nieuwe woningen worden volgens de geldende BENG-normen bijna energie neutraal gerealiseerd. Daarmee draagt het plan bij aan de duurzaamheidsambities van de gemeente. 5.5.5

Woningbouwstrategie 2019

Op 28 november 2019 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Woningbouwstrategie 2019 vastgesteld. De Woningbouwstrategie 2019 biedt ruimte om, onder bepaalde voorwaarden, nieuwe woningen te realiseren die aansluiten bij de vraag om in gemeente Doetinchem te wonen. De afgelopen jaren waren er, vanwege afspraken binnen de Achterhoek, beperkte mogelijkheden om nieuwe woningen te realiseren. Naar aanleiding van recente onderzoeken, en signalen vanuit de samenleving, hebben Achterhoekse gemeenten nu meer ruimte om medewerking te verlenen aan het realiseren van nieuwe woningen die aansluiten bij de behoefte. In de Woningbouwstrategie 2019 is opgenomen onder welke voorwaarden nieuwe woningen in gemeente Doetinchem gerealiseerd mogen worden. Ingediende plannen van particulieren, ontwikkelaars en gemeente Doetinchem zelf worden op basis van de Woningbouwstrategie 2019 beoordeeld. In de Woningbouwstrategie 2019 staat (samengevat) dat: de behoefte voor de nieuwe woning(en) moet zijn aangetoond; de nieuwe woning(en) in principe binnen de bebouwde kom wordt gerealiseerd; met het realiseren van de woning(en) de kwaliteit van de omgeving verbetert (bijvoorbeeld doordat een leegstaand en/of vervallen pand wordt omgebouwd naar woningen).

Behoefte woningen in het buitengebied Aangezien inbreiden voor uitbreiden gaat, kunnen nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied niet zonder meer worden gehonoreerd. Maar ook in het buitengebied kan zich de situatie voordoen, dat de realisatie van één of enkele woningen voordelen op andere gebieden met zich meebrengt, die pleiten voor medewerking. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om het saneren van asbest, het realiseren van milieu- en natuurdoelen, het versterken van landschappelijke of cultuurhistorische waarden en het voorkomen van oneigenlijk gebruik. In alle gevallen is maatwerk nodig en zal met de provincie moeten worden overlegd over het verlaten van het inbreidingsprincipe. Het criterium, dat de behoefte aan de nieuwe woningen moet worden aangetoond, blijft onverkort van kracht. Er is veel interesse in de beoogde woningen. Er is dan ook de verwachting dat de woningen na afronding van de planologische procedure op korte termijn worden verkocht en gerealiseerd. Het initiatief draagt bij aan de gewenste doorstroming op de woningmarkt. Overigens was splitsing van cultuurhistorisch waardevolle panden in het buitengebied de afgelopen jaren onder de oude strategie mogelijk. Hiervoor was een reservering van 20 woningen beschikbaar, die nog niet geheel is gebruikt. Deze reservering vervalt. Splitsing van cultuurhistorisch waardevolle panden blijft in principe mogelijk.

Onderzoek en conclusie De voorliggende ontwikkeling zorgt voor de sloop van agrarische bebouwing en de realisatie van vier woningen. De woningen worden zorgvuldig landschappelijk ingepast. De kaders voor medewerking aan de realisatie van woningen in het buitengebied zijn vastgelegd in de notitie ‘Wonen landelijk gebied gemeente Doetinchem’ zoals hierboven in paragraaf 5.5.3. beschreven. 5.5.6

Lokale woonagenda gemeente Doetinchem 2016-2025

Met de demografische ontwikkelingen en de daaruit voortvloeiende regionale afspraken over het aantal nieuw te bouwen woningen, komt de nadruk meer te liggen op de kwalitatieve ontwikkeling van de woningvoorraad. De lokale woonagenda gemeente Doetinchem 2016-2025, vastgesteld op 22 september 2016, is een lokale uitwerking van de opgaven zoals die in de Regionale woonagenda omtrent de kwaliteit van de woningvoorraad zijn benoemd. Het gaat hierbij om opgaven op het gebied van duurzaamheid en het langer zelfstandig thuis wonen.

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

29

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl In de lokale woonagenda wordt onder andere de ambitie uitgesproken dat de woningvoorraad in de gemeente Doetinchem bijdraagt aan energieneutraliteit van de gemeente Doetinchem in 2030 en wordt gekenmerkt door een hoge mate van levensloopbestendigheid om langer zelfstandig wonen mogelijk te maken. Aan deze ambitie kan invulling worden gegeven door enerzijds alle nieuwbouwwoningen tot 2025 (bijna)energieneutraal te bouwen door vernieuwende concepten (zoals nul-op-de-meterwoningen en all-electricwoningen) toe te passen en anderzijds te voldoen aan de eisen van WoonKeur. Het laatste bedoeld als certificaat voor woningen die een voldoende niveau aan gebruikskwaliteit, toegankelijkheid, flexibiliteit en aanpasbaarheid bezitten.

5.5.7

Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormt de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang: 1. het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren; 2. water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling); 3. met water de identiteit van een plek zichtbaar maken; 4. een goede communicatie opzetten (intern en extern); 5. water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen; 6. samenwerken en afstemmen; 7. balans in watersysteem en waterketen. Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen, gecombineerd met een aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings- en gebruiksmogelijkheden van het water. Er is een goede samenwerking en afstemming tussen alle bij het waterbeheer betrokken partijen, en er vindt geen bestuurlijke, financiële of ruimtelijke afwenteling plaats. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. In het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt het algemene streefbeeld per functie en thema nader uitgewerkt. In paragraaf 6.10 Water wordt nader op het aspect water ingegaan.

Deze ruimtelijke onderbouwing sluit aan op het gestelde in het Gemeentelijk Rioleringsplan.

5.5.8

Groenstructuurplan Doetinchem 2017

Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene bestemmingen in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27 juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat daarbij zowel om de functionele als de visueel-ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn: 1. vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren; 2. verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties; 3. handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen; 4. functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; 5. mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud.

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

30

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl

Afbeelding 18: Groenstructuurkaart, kaart 1 (Bron: Groenstructuurplan Doetinchem 2017)

Afbeelding 19: Groenstructuurkaart, Kaart 2 Wehl (Bron: Groenstructuurplan Doetinchem 2017)

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

31

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl

Rivierduinen De rivierduinen zijn gevormd door verstuiving van zand uit de rivierbedding van de toenmalige OerRijn. Deze duinen strekken zich uit van Doesburg tot in Duitsland en zijn nog goed zichtbaar in verschillende delen van de gemeente. In het verleden was het een logische plek voor mensen om te gaan wonen aan de rivier, maar wel met droge voeten. Zo liggen binnen de gemeente, Langerak, Wijnbergen, Doetinchem en Gaanderen in een lijn op de rivierduinen langs de Oude IJssel. Bebouwingen en afgravingen hebben de gaafheid van de duinenreeks aangetast. De laatste jaren is er echter meer waardering gekomen voor de rivierduinen en wordt ingestoken op bescherming en herstel. Het gaat daarbij om twee verschillende aspecten. Allereerst de landschappelijke beleving van de rivierduinen als totaal. De hoger gelegen duinenreeks heeft een duidelijke richting en herkenbare verschijningsvorm van verstoven zandruggen, grotendeels nu met bos beplant. Reliëfverschillen, zichtbaarheid en beleving van het duin, en ontsnippering zijn aspecten die de herkenbaarheid vergroten. Daarnaast zijn de duinen een waardevolle ecologische overgang naar de naastgelegen natte riviergronden. De zandige duingronden zijn van oorsprong arm en kennen een rijke scharkering aan vegetatievormen in de overgang naar de voedselrijkere natte riviergronden. De verschillen hiertussen vergroten de biodiversiteit.

Onderzoek en conclusie De realisatie en instandhouding van de groenstructuur kan worden geborgd met een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan. Het voorliggende initiatief is hiermee in overeenstemming met het groenstructuurplan.

5.5.9

Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017 - 2020

Op 8 juni 2017 heeft de gemeenteraad de 'Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017-2020' en de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' vastgesteld. De gemeente biedt voor haar eigen inwoners en bezoekers een aantrekkelijke binnenstad waarbij bereikbaarheid en parkeren belangrijke pijlers zijn. Het parkeren biedt in en rond de binnenstad van Doetinchem, in de kernen van Wehl en Gaanderen en in woongebieden en buitengebied ondersteuning aan de daar aanwezige functies (zoals: wonen, winkelen, werken en recreëren). De parkeervisie is opgedeeld in vier pijlers: 1. parkeerlocatie en kwaliteit: alle openbare parkeerplaatsen moeten sociaal veilig, beschikbaar, vindbaar en te financieren zijn; 2. doelgroep gericht: per locatie hebben specifieke parkeerdersgroepen prioriteit. a. binnenstad - personeel en publiek; b. woongebieden - bewoners en bezoek; c. bedrijfsterreinen - personeel; 3. flexibiliteit: de uitvoering van de werkzaamheden uit de parkeervisie moeten gefaseerd uitgevoerd kunnen worden; 4. exploiteerbaarheid: de parkeerexploitatie dient te voldoen aan de financiële taakstelling. Parkeernormen hebben tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen voor te schrijven, dat voorzien wordt in de in te schatten parkeervraag. Dat aantal voorkomt dat door de aanleg van te weinig plaatsen er een tekort ontstaat.

Ook voorkomt het toepassen van de normen dat er teveel plaatsen komen, waardoor de automobiliteit gestimuleerd wordt en de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en bereikbaarheid nadelig worden beïnvloed. De nota wil ook de toepassing van de normen voor burgers, bedrijven, gebouweigenaren, ontwikkelaars, e.d. inzichtelijk maken. Onderzoek en conclusie In de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' staat per situatie de parkeernormen. Het parkeerbeleid is voor het plangebied nader uitgewerkt in paragraaf 6.11 Verkeer en parkeren.

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

32

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl

Hoofdstuk 6 6.1

Haalbaarheid

Algemeen

Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en andere omgevingsaspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bouwen en bij de inrichting en het beheer van het plangebied. Deze aspecten kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van bepaalde locaties. Als dit zo is, blijkt dit uit de tekst onder het bepaalde aspect.

6.2

Milieueffectrapportage - (vormvrije) m.e.r.-(beoordelings)plicht

Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. De activiteit(en) die het plan of besluit mogelijk maakt, komt niet voor in of kan niet worden beschouwd als een activiteit zoals opgenomen in kolom 1 van onderdeel C (C-lijst) of D (D-lijst) van de bijlage van het Besluit m.e.r. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht. 2. Een m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; a. M.e.r.

is verplicht bij een plan als:  het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor volgens de Wet milieubeheer een project-m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling verplicht is.  of als de ontwikkelingen binnen het plan mogelijk tot significante gevolgen leiden voor Natura 2000-gebieden waardoor een Passende beoordeling nodig is. b. M.e.r. is verplicht bij een project:  als de activiteit die mogelijk wordt gemaakt is opgenomen in kolom 1 van de C-lijst.  als de omvang van de activiteit de drempelwaarde van kolom 2 van de C-lijst overschrijdt.  en er een besluit als genoemd in kolom 4 van de C-lijst nodig is. 3. Een formele m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een formele beoordelingsplicht, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen wel worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk.

Er is sprake van een formele m.e.r.-beoordelingsplicht als de voorgenomen activiteit:  voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en  groter is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en  mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst (indien de activiteit mogelijk wordt gemaakt door een plan in kolom 3, dan geldt een plan-m.e.r.-plicht).

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

33

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl 4.

Een 'vormvrije' m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit ook beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wel kunnen worden uitgesloten, dan volstaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling en is het een milieueffectrapportage niet nodig. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling als de voorgenomen activiteit:  voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en  kleiner is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en  mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst.

Onderzoek en conclusie In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen activiteiten in het plan liggen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

6.3

Bodem

Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming. De eisen die worden gesteld aan de bodemkwaliteit en de noodzaak tot het uitvoeren van een bodemonderzoek staan vermeld in onder meer de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, de Woningwet en het Bouwbesluit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Ook mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door bijvoorbeeld grondverzet (het zogenaamde stand still-beginsel). Onderzoek Voor de voorgenomen ontwikkeling is door onderzoeksbureau De Klinker BV een bodemonderzoek verricht (kenmerk K21008631, d.d. 26 oktober 2021), zoals opgenomen als bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het bodemonderzoek komt naar voren dat •

De bodem op de locatie bevat plaatselijk sporen puin;

•

In mengmonster MMBG02 (0,00-0,50 m-mv) is een licht verhoogd gehalte PCB (som 7) aangetroffen boven de achtergrondwaarde. In de bovengrond zijn de overige parameters niet verhoogd aangetroffen boven de achtergrondwaarde;.

•

In mengmonster MMOG03 (0,50-2,00 m-mv) is een licht verhoogd gehalte arseen aangetroffen boven de achtergrondwaarde. In de ondergrond zijn de overige parameters niet verhoogd aangetroffen boven de achtergrondwaarde.

•

In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten boven de streefwaarde aangetroffen;

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

34

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl •

Zowel visueel als analytisch is er geen asbest aangetroffen ter plaatse van druppelzone 1, druppelzone 2, halfverharding puinpad en in de puinfundatie onder de klinkerverharding en in de mengmonsters;

•

De hypothese voor zowel het asbestonderzoek als het grond(water)onderzoek dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. De aangetroffen gehalten zijn van dien aard dat de onderzoeksinspanning niet hoeft te worden herzien.

De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek of sanerende maatregelen, omdat het plangebied geschikt is gebleken voor de toekomstige ontwikkeling en het aspect bodem geen belemmering vormt voor de realisatie van het beoogde plan. Conclusie Uit het bodemonderzoek komt naar voren dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Grondverzet Indien er grondverzetwerkzaamheden plaatsvinden, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd en/of elders worden toegepast. De regels van de Nota bodembeheer regio Achterhoek en het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop van toepassing. Voor het afvoeren en toepassen van grond kan mogelijk aanvullend bodemonderzoek nodig zijn.

6.4

Akoestiek

6.4.1

Wegverkeerslawaai

Wegverkeer kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen opgenomen. Onderzoek en conclusie In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrooks wegen die aan weerszijden van de weg gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 250 meter. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 200 meter. Ingeval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone moet een akoestisch onderzoek plaatsvinden. Daar waar geen sprake is van een wettelijke onderzoekszone moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening het aspect akoestiek ook afgewogen worden. Aangezien de voorliggende ontwikkeling een geluidsgevoelige functies mogelijk maakt in de vorm van de realisatie van vier nieuwe woningen in twee woongebouwen binnen de geluidzone van de Broekstraat en de rijksweg A18 is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is als bijlage 3 bij de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Uit het onderzoek komt naar voren dat de geluidbelasting ten hoogste 51 dB bedraagt na aftrek van 2 dB.

De grens van de maximale planologische mogelijkheden van 53 dB na aftrek wordt op de hele locatie niet bereikt. Er zal voor het aspect geluid daarom sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit.. Met het akoestisch onderzoek is aangetoond dat het geluidsaspect geen probleem oplevert voor de voorliggende ontwikkeling. De conclusie van het onderzoek is: "Hieraan wordt voldaan. Voor de gevels van de woningen, met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek, bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor de gevels van de woning zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig." Gelet op de geluidbelasting is er een ontheffing voor een hogere grenswaarden noodzakelijk.

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

35

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl

6.4.2

Railverkeerslawaai

Voor railverkeerslawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Er is van rechtswege (Wgh) een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk heeft een zone van 100 meter. Onderzoek en conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van 100 meter van de spoorlijn Arnhem – Doetinchem – Winterswijk. De afstand van het plangebied tot de spoorlijn bedraagt circa 1,2 km. Er is geen aanvullend akoestisch onderzoek nodig in het kader van railverkeerslawaai. Industrielawaai komt aan de orde in paragraaf 6.7 (bedrijven en milieuzonering).

6.5

Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Onderzoek Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld.

Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Conclusie Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

6.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico.

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

36

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013.

De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: 1. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied. 2. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. 3. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten. 4. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. 5. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. 6. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. 7.

Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico. Onderzoek In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen stationaire bronnen en/of mobiele bronnen aanwezig. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

6.7

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

37

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNGuitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gebruikt. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Voor de bepaling van de richtafstanden van veehouderijen wordt voor wat betreft het aspect geur niet uitgegaan van de VNG-uitgave maar van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Uit jurisprudentie volgt, dat indien tussen de veehouderij en een geurgevoelig object de in de Wgv genoemde afstand wordt aangehouden, in beginsel moet worden aangenomen dat bij het geurgevoelige object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Onderzoek Het plan voorziet in de sloop van agrarische bebouwing (stallen) en de bouw van twee woongebouwen met elk twee wooneenheden. Onderhavige ontwikkeling voorziet alleen in de vestiging van nieuwe milieugevoelige functies waardoor er alleen sprake is van inwaartse zonering. In de omgeving van het plangebied zijn (agrarische)bedrijven en woningen van derden gelegen. De volgende bedrijven zijn relevant voor de beoordeling: • •

Varkenshouderij Nieuwestraat 5 in Wehl; Dierenpension Nieuwestraat 18.

* 30

30 0

50 100

0 0

4.1 3.2

afstand

categorie

gevaar

geluid

stof

Adres Omschrijving Nieuwestraat 5 Varkenshouderij Nieuwestraat 18 Dierenpension * Wgv is bepalend

geur

De relevante richtafstanden (rustige woonwijk) uit de Handreiking zijn in onderstaande tabel vermeld.

Circa 125 meter Circa 220 meter

Nieuwestraat 5 De varkenshouderij aan de Nieuwestraat 5 houdt uitsluitend dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Echter de geurbelasting op de beoogde woningen hoeft niet te worden bepaald omdat de woningen worden gebouwd op een kavel die op 19 maart 2000 in gebruik was als veehouderij, de woningen worden gebouwd in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij en de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij, zie artikel 14, lid 2 van de Wgv. In deze situatie moet getoetst worden aan een vaste afstand van 50 meter voor woningen buiten de bebouwde kom en daar wordt ruimschoots aan voldaan. Aan de overige richtafstanden voor stof, geluid en gevaar wordt ook ruimschoots voldaan (werkelijke afstand circa 125 meter). Nieuwestraat 18 Het dierenpension aan de Nieuwestraat 18 is gelegen op een afstand van circa 220 meter van het plangebied zodat ook ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden.

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

38

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl Conclusie Milieuzoneringen vormen geen belemmering voor onderhavig plan omdat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat nabij de beoogde woningen en omliggende bedrijven niet worden belemmerd in de huidige bedrijfsvoering.

6.8

Flora en fauna

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de nieuwe wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving.

Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project.

Onderzoek en conclusie Gebiedsbescherming Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren liggen op minimaal 1,08 kilometer afstand van het plangebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

39

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl

Afbeelding 20: Uitsnede Omgevingsverordening (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Gelet op de recente uitspraak van de Raad van State kan geen gebruik meer worden gemaakt van de per 1 juli 2021 in werking getreden Stikstofwet (Besluit stikstofreductie en natuurverbetering), met als gevolg dat er geen vrijstelling meer geldt voor activiteiten in de bouw-, aanleg- en sloopfase waarin emissies tijdelijk en beperkt zijn. De stikstofdepositie voor de aanleg- en gebruiksfase wordt voor vaststelling berekend op basis van de actueel geldende AERIUS-calculator. Het resultaat wordt toegevoegd/verwerkt in de toelichting van het plan. De vrijstelling in de Stikstofwet gold niet voor de gebruiksfase. Voor de berekening in de gebruiksfase is van belang dat de verwarming van de te bouwen woningen plaatsvindt door middel van een gasloos systeem (warmtepomp - vloerverwarming). Er is dus geen rekening gehouden met emissies afkomstig van verwarmingsinstallaties. Voor het aantal vervoersbewegingen met personenauto’s in de gebruiksfase zijn de parkeernormen voor wonen gehanteerd zoals deze ook bij het opstellen van bestemmingsplannen worden toegepast. Dit resulteert in de volgende aantallen vervoersbewegingen: Woningtype Twee-onder-een-kap woning

Aantal 4

Parkeernorm + aandeel bezoek 2,2 + 0,3 = 2,5

Aantal per jaar 3.650

Aantal vervoersbewegingen per jaar 7.300

Met deze invoergegevens zijn in de gebruiksfase geen rekenresultaten berekend die hoger zijn dan 0,00 mol per hectare per jaar op Natura 2000-gebieden, zie de rekenresultaten in de bijlage 4. Soortenbescherming Het plangebied is op 14 september 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties (bijlage 5). Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. In het plangebied bezetten mogelijk beschermde diersoorten een vaste rust- en voortplantingsplaats waarvan de vaste rust- en voortplantingsplaats niet beschermd zijn in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. De dieren zelf mogen niet opzettelijk gedood worden. Door

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

40

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl zorgvuldig te werken kan voorkomen worden dat beschermde dieren gedood worden. Er is dus geen nader onderzoek nodig en er hoeft geen ontheffing verkregen te worden om de werkzaamheden uit te mogen voeren. De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de werkzaamheden. Het respecteren van wet- en regelgeving bij de uitvoering is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer/uitvoerder. De provincie Gelderland is het bevoegde gezag in het kader van de Wet natuurbescherming.

6.9

Water

6.9.1

Waterbeheerplan 2016-2021

Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn. Vanuit de primaire taakgebieden zijn dit in de planperiode 2016-2021: 1. Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; 2. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water; 3. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water; 4. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater; 5. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. Voor het plangebied Broekstraat 6, Wehl, staan in het beheerplan geen specifieke doelstellingen beschreven. De ontwikkeling sluit aan op de algemene doelstellingen zoals aangegeven in het plan. 6.9.2

Watersysteem

Op basis van onderstaande uitsnede van de legger van het waterschap is gebleken dat er in het plangebied geen watersystemen aanwezig zijn.

Afbeelding 21: Uitsnede legger (Bron: Waterschap Rijn en IJssel)

6.9.3

Gemeentelijk Rioleringsplan

In paragraaf 5.5.6 Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 is het rioleringsplan van de gemeente Doetinchem behandeld. Het beleid dat daarin is verwoord komt terug in deze waterparagraaf.

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

41

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl

6.9.4

Watertoets

Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Deze toets is in de navolgende tabel opgenomen.

Thema

Toetsvraag

Relevant

Hoofdthema's Veiligheid

1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale 1. Nee waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade? 2. Nee

Riolering en afvalwaterketen

1. Is er een toename van het afvalwater (DWA)? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van waterschap?

Wateroverlast (oppervlaktewater)

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak? 1. Nee 2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard 2. Nee oppervlak? 3. Nee 3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

1. Ja 2. Nee 3. Nee

Grondwater- overlast 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de 1. Nee ondergrond? 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of 2. Nee IJssel? 3. Nee 3. Is in het plangebied sprake van kwel? 4. Nee 4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? Oppervlaktewaterkwaliteit

1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater 1. Nee geloosd? 2. Nee 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Nee 3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied?

Grondwaterkwaliteit

Ligt het plangebied in drinkwateronttrekking?

Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het 1. Nee gemengde of verbeterde stelsel? 2. Nee 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieu hygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

Verdroging

Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor Nee natte natuur?

Natte natuur

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 1. Nee 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones 2. Nee voor natte natuur?

Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in 1. Nee eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Nee 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

(definitief)

de

beschermingszone

VDW Ruimtelijk Advies

van

een Nee

42

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl

Aandachtsthema's Recreatie

Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in Nee beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Cultuurhistorie

Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied Nee aanwezig?

De beoogde ontwikkeling zorgt door de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen door een afname van het verhard oppervlak. De opvang van hemelwater bij de nieuwe woningen wordt afgekoppeld geïnfiltreerd in de bodem. Toename afwater: In de huidige situatie wordt het afvalwater van de bedrijfswoningen afgevoerd naar het riool. In de toekomstige situatie geldt deze afvoer voor in totaal 6 woningen (2 bestaande en 4 nieuwe woningen). Gelet op de bestaande capaciteit zal er aan de overzijde van de weg op kosten van de initiatiefnemer een extra unit te worden geplaatst. Na aanleg neemt de gemeente het beheer en onderhoud over van de initiatiefnemer.

6.10

Archeologie en cultuurhistorie

Het gemeentelijke beleid van archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid van deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie. 6.10.1 Archeologisch erfgoed Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden moeten als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de Erfgoedwet is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen.

Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep. De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. Een betere bescherming van de archeologie en het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om goed inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het archeologisch bodemarchief. Daarom heeft de gemeente Doetinchem een archeologische beleidskaart laten opstellen door adviesbureau RAAP, waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een gebied zal het beschermingsregime meer of minder streng zijn.

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

43

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl De archeologische beleidskaarten zijn op 18 november 2010 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld. De archeologische beleidskaarten worden periodiek geactualiseerd aan de hand van uitgevoerd archeologisch onderzoek. De geldende meest recente versie van de kaarten vastgesteld op 30 maart 2020 is terug te vinden op de website van de gemeente. De uitgangspunten voor het archeologiebeleid sluiten aan bij het beleid, dat regionaal is opgesteld.. Dit beleid staat in de nota 'Archeologie met beleid. Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek' (vastgesteld in 2013). Dit beleid geeft een verlichting van de grenzen voor archeologisch onderzoek. De gebieden zoals deze in de archeologische beleidskaarten onderscheiden zijn, veranderen hier niet door. Wel zijn er nu in de basis 5 verschillende niveaus van bescherming. Het plangebied is op basis van de beleidskaart gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting. Bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek (bijlage 6) blijkt dat het plangebied op een dekzandrug ligt waarop veldpodzolgronden zijn ontstaan. Wel geeft de geologische kaart aan dat er binnen het plangebied rivierzand aanwezig is, maar dit correspondeert niet met de overige informatie. Zo liggen er ook geen (fossiele) stroomgordels in de buurt van het plangebied.

Dekzandruggen zijn gebieden die qua hoogteligging, reliëf en bodemvochtigheid voor wat betreft archeologie een hoge (waardevolle) positie innemen in het dekzandlandschap. De kans op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen in alle perioden tot de Late Middeleeuwen wordt daarom hoog geacht. Vanaf de Late Middeleeuwen verplaatste bewoning zich richting stads- en dorpskernen. Gebieden met een agrarische context hebben dus een lagere verwachting. Vanaf de eerste historische kaarten is het plangebied vooral voor agrarische doeleinden in gebruik. De eerste bebouwing binnen het plangebied stamt uit het einde van de 19de/begin 20ste eeuw. Deze bebouwing is nog steeds aanwezig binnen het plangebied. Vanaf de jaren ’50 van de 20ste eeuw is meer bebouwing gerealiseerd. Door de loop van de tijd worden er meer gebouwen bijgebouwd en ook weer gesloopt. Of deze werkzaamheden de bodem hebben verstoord zal moeten blijken uit een verkennend booronderzoek. De vondsten die worden verwacht zijn losse(strooi)vondsten en nederzettingsterreinen. Hierbij kan gedacht worden aan paalkuilen, kuilen, staakjes, hutkommen, waterputten, haardkuilen/brandkuilen, greppels, natuurlijke verstoringen (waaronder boomvallen en dierengangen). Hierbij dient opgemerkt te worden dat het opsporen van vondsten en vindplaatsen niet het primaire doel is van verkennend onderzoek.

De diepte van de C-horizont is niet bekend, maar waarschijnlijk ligt deze dicht onder het oppervlak, zoals het geval is bij onderzoeken in de omgeving van het plangebied. Om de mate van intactheid van de bodem en de specifieke bodemsamenstelling te kunnen toetsen is een verkennend booronderzoek noodzakelijk. Voorafgaand aan het verkennend booronderzoek is een Plan van Aanpak opgesteld. Booronderzoek In alle boringen (bijlage 6a) is sprake van A-C profielen. Vanaf het maaiveld bestaat de ondergrond in boring 1, 2 en 6 uit een moderne bouwvoor die scherp overgaat in de top van het dekzand. In boring 3, 4 en 5 is onder de moderne bouwvoor nog een menglaag (A/C-horizont) aanwezig die vervolgens scherp overgaat in de top van het dekzand. De top van het dekzand is aangetroffen op dieptes variërend van 40 cm-mv in boring 6 tot 120 cm-mv in boring 3 (midden op het verharde erf). Het verschil is te verklaren door de diepe ontgraving die op het erf zelf heeft plaatsgevonden tijdens de bouw van de varkensstallen. In de ophogingslagen van deze boring zijn fragmenten van grijze betonnen dakpannen aangetroffen met een datering in de tweede helft van de 20e eeuw. Conclusie De hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit alle perioden is niet bevestigd met het onderzoek.

Vanwege het ontbreken van intacte bodems adviseren wij om de archeologische verwachting voor het plangebied in zijn geheel bij te stellen naar laag met als indicatie ‘verstoord’. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De kans dat er in het plangebied nog intacte behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig zijn is nihil.

Te allen tijde moet rekening worden gehouden met de wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten (Erfgoedwet, art. 5.10):

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

44

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

6.10.2 Cultuurhistorisch erfgoed De cultuurhistorie is in Doetinchem vastgelegd in de nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' (vastgesteld 21 september 2017) en de Erfgoedverordening gemeente Doetinchem 2013 (vastgesteld 30 mei 2013). Voor al deze locaties is de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' opgenomen. Voor de locaties waar alleen het gebouw cultuurhistorisch waardevol is, daar ligt de aanduiding alleen op het gebouw. Daar waar de gehele ensemble beschermd moet worden, ligt de aanduiding over het gehele perceel. Aan deze aanduiding wordt een sloopvergunningstelsel gekoppeld. Dit houdt in dat zonder vergunning van de gemeente geen sloopwerkzaamheden mogen plaatsvinden. De voornaamste doelen van de sloopvergunning zijn bescherming tegen ernstige aantasting en voorkomen van sloop van de cultuurhistorisch waardevolle panden. Een sloopvergunning is geen sloopverbod. Er kunnen redenen zijn dat er toch tot geheel of gedeeltelijk sloop moet worden overgegaan. In dat geval moet die eventuele sloop in goede orde gebeuren met behoud van de cultuurhistorische waarden. De commissie Welstand en Monumenten of vergelijkbaar orgaan zal bij een aanvraag om een sloopvergunning eerst nagaan of de gewenste aanpassing aan het pand geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarde. Als de aanduiding geldt voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken, dan is ruimer gebruik mogelijk.

De regeling voor ander gebruik (onder andere beroep en/of bedrijf aan huis) die normaal alleen voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken bij woningen geldt, is hier ook toegestaan in vrijstaande bijbehorende bouwwerken. Voor de woning zelf die de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' heeft, is het mogelijk een andere bouwaanduiding te krijgen. Dit wil zeggen dat een woning bijvoorbeeld van vrijstaand mogelijk een twee-aaneen (twee-onder-een-kap) woning wordt. De genoemde ruimere mogelijkheden zijn alleen mogelijk als duidelijk vaststaat dat dit bijdraagt aan het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle pand. Voor de adressen waar de waarde ook in het ensemble zit, geldt de regeling voor gebouwen ook. Maar voor deze gevallen wordt een specifieke regeling getroffen voor behoud van het ensemble. Deze regeling houdt in dat voor elk ensemble maatwerk wordt geleverd voor situeringsmogelijkheden van bijgebouwen. Deze situeringsmogelijkheden bij de ensembles kunnen afwijken van de situeringsmogelijkheden voor bijgebouwen bij andere gebouwen/erven. Deze afweging is gebaseerd op het zicht/de beleving vanuit de openbare ruimte. De gemeente wil voorkomen dat een te ruim aanwijzings- en beschermingsregime het enthousiasme bij eigenaren om de cultuurhistorische waarden van hun pand te koesteren zal doen afnemen.

Met bovengenoemde beschermingsregime en regeling is de gemeente van mening dat de cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan voldoende worden beschermd. Conclusie In het plangebied zijn de bedrijfswoningen Broekstraat 6 en 8 cultuurhistorisch waardevol. In de geldende beheersverordening is daar een aanduiding voor opgenomen. De voormalige agrarische bedrijfsgebouwen zijn niet cultuurhistorisch waardevol. De sloop van deze niet waardevolle bebouwing is een ruimtelijke verbetering.

6.11

Verkeer en parkeren

Wegcategoriseringplan In het wegcategoriseringsprogramma zijn de verschillende wegen (binnen en buiten de bebouwde kom) in Doetinchem ingedeeld in een drietal categorieën. 1. Stroomwegen (autosnelweg A18) 2. Gebied ontsluitingswegen (50 km wegen) 3. Erftoegangswegen 30 km wegen)

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

45

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl

Uitgangspunten bij de inrichting van de wegen binnen de gemeente Doetinchem zijn bepaald in het Wegcategoriseringsplan: 1. de inrichting van de weg (het wegbeeld) moet het gewenste rijgedrag en de rijsnelheid 'afdwingen'; 2. herkenbare inrichting van de verschillende verkeersruimtes door materiaal/kleur; 3. de (kwaliteit van de) leefomgeving staat centraal; 4. de weg moet na realisatie goed te beheren zijn (beheerbewust ontwerpen); 5. snelheidsremmende maatregelen worden getroffen in erftoegangsstraten en op gebiedsontsluitingswegen waar kwetsbare verkeersdeelnemers de weg moeten kruisen. De meeste woonstraten in de gemeente Doetinchem zijn inmiddels aangewezen tot 30 km/uur gebied. Niet alle straten voldoen al helemaal aan de bijbehorende inrichtingseisen. De komende jaren zullen bij groot onderhoud steeds meer woonstraten worden ingericht tot 30 km/uur straat. De gebiedsontsluitingswegen zijn bedoeld om het verkeer uit de woongebieden verwerken richting bijvoorbeeld de snelweg A18. Het is duidelijk welke wegen dit zijn maar ook deze voldoen nog niet allemaal aan de gestelde eisen. Niet alle gebiedsontsluitingswegen hebben bijvoorbeeld aparte fietspaden.

Afbeelding 22: De gebiedsontsluitingswegen in Doetinchem

Voor beide categorieën geldt dat de kwaliteit van de leefomgeving moet centraal staan. Een duidelijk onderscheid aanbrengen tussen de verschillende verkeersruimtes zorgt er voor dat de verkeersdeelnemer duidelijk zijn plek en die van anderen op de weg weet en zo de verkeersruimte op de juiste wijze gebruikt. Op drukke erftoegangsstraten is het belangrijk dat voetgangers veilig kunnen lopen op een trottoir. Voor rustige erftoegangsstraten kan worden overwogen alle verkeersdeelnemers gebruik te laten maken van dezelfde ruimte. Een smalle weg die gebruikt wordt door iedereen leidt tot een lagere rijsnelheid. Fysieke maatregelen als drempels ondervinden een steeds grotere weerstand bij de gebruikers en omwonenden en hulpdiensten. Ze leiden tot trillinghinder en toename van de geluidsoverlast. Bij voorkeur wordt gezocht naar maatregelen die een lagere snelheid afdwingen, maar die geen of beperkte bijeffecten hebben voor de leefomgeving en hulpdiensten. Parkeren De normering uit de Nota Parkeernormen Auto- en Fiets Gemeente Doetinchem, zal aangehouden worden. Hierbij is gekozen voor een dynamische verwijzing naar dit beleidsdocument (in lijn met jurisprudentie van de ABRS, ECLI:NL:RVS:2015:2837). Het moet met een voorwaardelijke verplichting in de regels vastgelegd worden.

Het beleid van de gemeente is erop gericht dat parkeeroplossingen bij woningen meer worden gezocht op eigen terrein of in clusters. Voorwaarde is wel dat de kwaliteit van de openbare ruimte gewaarborgd blijft.

(definitief)

VDW Ruimtelijk Advies

46

Ruimtelijke onderbouwing Broekstraat 6, Wehl Spoorweg Doetinchem ligt aan de spoorlijn Arnhem - Winterswijk. Binnen de gemeentegrenzen liggen 4 stations. Wehl, Doetinchem -De Huet, Doetinchem en Gaanderen. Onderzoek en conclusie Er zijn geen openbare wegen gelegen in het plangebied. Wel is het plangebied gelegen aan een gebiedsontsluitingsweg (Broekstraat). Het aantal verkeersbewegingen nemen beperkt toe, daarentegen nemen de verkeersbewegingen voor vrachtwagens af. De beperkte toename van de verkeersbewegingen kunnen zonder problemen worden afgewenteld op de Broekstraat. Parkeren dient op eigen perceel plaats te vinden. Er is voldoende ruimte op eigen perceel voor de realisatie van de benodigde parkeergelegenheid. Hiermee vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7893/documents/42008