CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.1.2 ontwerpbestemmingsplan Doetinchemseweg 20-20a Wehl - 2023 Bijlagen toelichting.pdf

gemeenteraad 26 oktober 2023, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 7.1: Bestemmingsplan Doetinchemseweg 20 en 20a Wehl - 202327.256 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Herziene woningbouwstrategie 2019

Op 28 november 2019 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Woningbouwstrategie 2019 vastgesteld. De Woningbouwstrategie 2019 biedt ruimte om, onder bepaalde voorwaarden, nieuwe woningen te realiseren die aansluiten bij de vraag om in gemeente Doetinchem te wonen. De afgelopen jaren waren er, vanwege afspraken binnen de Achterhoek, beperkte mogelijkheden om nieuwe woningen te realiseren. Naar aanleiding van recente onderzoeken, en signalen vanuit de samenleving, hebben Achterhoekse gemeenten nu meer ruimte om medewerking te verlenen aan het realiseren van nieuwe woningen die aansluiten bij de behoefte. In de Woningbouwstrategie 2019 is opgenomen onder welke voorwaarden nieuwe woningen in gemeente Doetinchem gerealiseerd mogen worden. Ingediende plannen van particulieren, ontwikkelaars en gemeente Doetinchem zelf worden op basis van de Woningbouwstrategie 2019 beoordeeld. In de Woningbouwstrategie 2019 staat (samengevat) dat: •

de behoefte voor de nieuwe woning(en) moet zijn aangetoond;

•

de nieuwe woning(en) in principe binnen de bebouwde kom wordt gerealiseerd;

•

met het realiseren van de woning(en) de kwaliteit van de omgeving verbetert (bijvoorbeeld doordat een leegstaand en/of vervallen pand wordt omgebouwd naar woningen).

Aangezien inbreiden voor uitbreiden gaat, kunnen nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied niet zonder meer worden gehonoreerd. Maar ook in het buitengebied kan zich de situatie voordoen, dat de realisatie van één of enkele woningen voordelen op andere gebieden met zich meebrengt, die pleiten voor medewerking. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om het saneren van asbest, het realiseren van milieu- en natuurdoelen, het versterken van landschappelijke of cultuurhistorische waarden en het voorkomen van oneigenlijk gebruik. In alle gevallen is maatwerk nodig en zal met de provincie moeten worden overlegd over het verlaten van het inbreidingsprincipe. Het criterium, dat de behoefte aan de nieuwe woningen moet worden aangetoond, blijft onverkort van kracht. Overigens was splitsing van cultuurhistorisch waardevolle panden in het buitengebied de afgelopen jaren onder de oude strategie mogelijk. Hiervoor was een reservering van 20 woningen beschikbaar, die nog niet geheel is gebruikt. De reservering vervalt. Splitsing van cultuurhistorisch waardevolle panden blijft in de nieuwe strategie in principe mogelijk.

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

30

Ten aanzien van dit plan: De voorliggende ontwikkeling draagt bij aan het in stand houden van de cultuurhistorische waarden en versterken van de landschappelijke waarden in het buitengebied van de gemeente Doetinchem. Daarbij wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte in de gemeente en worden asbestdaken op te slopen bijgebouwen gesaneerd. De kaders voor medewerking aan de realisatie van woningen in het buitengebied zijn vastgelegd in de notitie ‘Wonen landelijk gebied gemeente Doetinchem’ zoals hierboven in paragraaf 5.5.3 beschreven. Op de voorwaarden waaronder nieuwe woningen in de gemeente Doetinchem mogen worden gerealiseerd wordt hieronder nader ingegaan. Voorwaarde 1: de behoefte voor de nieuwe woning moet zijn aangetoond De twee huidige wooneenheden worden bewoond door twee huishoudens. Na de uiteindelijke verschuiving zal één van de huishoudens in de oorspronkelijke woning blijven wonen en het andere huishouden in de nieuwe woning. De v.o.n.-prijs van de nieuwe woning zal meer bedragen dan € 350.000,-. Hiermee is de zelfbewoningsplicht uit de Beleidsregels zelfbewoningsplicht Gemeente Doetinchem 2021 niet van toepassing op deze woning. Voorwaarde 2: de nieuwe woning wordt in principe binnen de bebouwde kom gerealiseerd In dit geval is sprake van realisatie van een nieuwe woning buiten de bebouwde kom.

Het bestaande aantal woningen op deze locatie neemt echter niet toe, omdat sprake is van ‘ontsplitsing’ van de nieuwe woning. Daarbij blijft door realisatie van de nieuwe woning binnen de contouren van een bestaand bijgebouw en sloop van de aanbouw de hoeveelheid bebouwing gelijk. Bij besluit van 28 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem besloten om in principe medewerking te verlenen aan het plan. Daarmee heeft de gemeente aangegeven positief te staan tegenover de nieuwe woning in het buitengebied in afwijking van het principe om nieuwe woningen binnen de bebouwde kom te realiseren. Zoals hiervoor al is beschreven draagt de ontwikkeling bij aan het in stand houden van de cultuurhistorische waarden en het versterken van de landschappelijke waarden in het buitengebied. Bovendien wordt het aanwezige asbest op de daken van de te slopen bebouwing gesaneerd. Voornaamste punt is echter dat het aantal aanwezige wooneenheden op deze locatie niet wordt uitgebreid en dat de bestaande historische boerderij behouden blijft voor de toekomst. De huidige situatie past de huidige bewoners niet langer en er zijn aanpassingen aan de bestaande boerderij nodig om deze meer aan te passen aan de eisen van de huidige tijd. In dat verband kunnen in ieder geval de nog te treffen energiebesparende maatregelen worden genoemd.

Voorwaarde 3: met het realiseren van de woning wordt de kwaliteit van de omgeving verbeterd Zoals beschreven in paragraaf 4.3 wordt ingestoken op een nieuwe vrijstaande, levensloopbestendige en duurzame woning, die in de plaats komt van oude bijgebouwen met asbest daken. Door vast te houden aan de vorm van die bijgebouwen wordt in combinatie met de landschappelijk inpassing (zie bijlage 5) gezorgd voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. 5.5.5

Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormt de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang:  het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren;  water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling);  met water de identiteit van een plek zichtbaar maken;  een goede communicatie opzetten (intern en extern);  water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen;  samenwerken en afstemmen;  balans in watersysteem en waterketen. Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen, gecombineerd met een Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

31

aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings- en gebruiksmogelijkheden van het water. Er is een goede samenwerking en afstemming tussen alle bij het waterbeheer betrokken partijen, en er vindt geen bestuurlijke, financiële of ruimtelijke afwenteling plaats. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. In het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt het algemene streefbeeld per functie en thema nader uitgewerkt. Ten aanzien van dit plan: In paragraaf 6.9 Water wordt nader op het aspect water ingegaan. Dit bestemmingsplan sluit aan op het gestelde in het Gemeentelijk Rioleringsplan. 5.5.6

Groenstructuurplan Doetinchem 2017

Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene bestemmingen in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27 juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat daarbij zowel om de functionele als de visueel-ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn:  vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren;  verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties;  handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen;  functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening;  mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud.

Figuur 15: Groenstructuurkaart Doetinchem met ligging plangebied bij zwarte pijl

Ten aanzien van dit plan:

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

32

Het bestemmingplan grijpt niet in op bestaande of te ontwikkelen groenstructuren. 5.5.7

Bomenbeleid en de Bomenverordening

De bescherming, de herplant en het kappen van bomen is geregeld in de gemeentelijke bomenverordening. De beleidsregels voor toepassing van deze regelgeving zijn opgenomen in de Bomenverordening 2015. Deze verordening bevat regels ten aanzien van de beoordeling kapaanvragen en belangenafweging, bijzondere bomen en de duurzame instandhouding en bescherming van bomen. Het bomenbeleid is in essentie gericht op het behoud van (toekomstig) waardevolle bomen en boomstructuren. Bomen dragen in belangrijke mate bij aan de structuur, identiteit, belevingswaarde, ecologische waarde en gebruikswaarde van de (woon)omgeving en worden dan ook beschouwd als de belangrijkste groenelementen in de stedelijke omgeving. Hierbij geldt dat naarmate bomen ouder zijn de waarde voor de omgeving toeneemt. Om deze reden is het van belang in de bestaande situatie en bij nieuwe ontwikkelingen met zorg om te gaan met aspecten van beheer en inrichting van de boom en zijn groeiplaats. Ten aanzien van dit plan: De aanwezige waardevolle bomen worden beschermd middels de kapverordening en de kapvergunning. In dit bestemmingsplan zijn derhalve geen maatregelen opgenomen. Het Bomenbeleid en de Bomenverordening vormen geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Voor de uitvoering van het plan is het niet nodig om bomen te kappen. Wel worden bomen geplant. 5.5.8

Continuïteit in Karakter, Cultuurhistorie Doetinchem

Op 21 september 2017 heeft de gemeenteraad de nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' vastgesteld. In de nota is aandacht voor het verhaal van Doetinchem en het zichtbaar maken van cultuurhistorie in de openbare ruimte. Mede hierdoor wordt de kennis over en waardering voor cultuurhistorie vergroot, en kan cultuurhistorie als inspiratiebron dienen bij ruimtelijke planvorming. De nota kent een brede insteek en beschrijft ambities op een aantal maatschappelijke thema's. Daarnaast beschrijft de nota ook de beleidskaders en de manier waarop cultuurhistorie in de ruimtelijke planvorming geborgd wordt. Hiervoor zijn vijf belangrijke thema's onderscheiden. Voor dit bestemmingsplan zijn onderstaande thema’s van toepassing: 1. krimp, leegstand en herbestemmen; 2. duurzaamheid en innovatie; 3. instandhouding; 4. kennis vergroting en uitwisseling; 5. leefomgeving en participatie. 1. Krimp, leegstand en herbestemmen Bij leegstand van monumenten is herbestemming het uitgangspunt. Bij andere gebouwen met een cultuurhistorische waardeis de keuze of herbestemming of (gedeeltelijke) sloop. Naast cultuurhistorische waarde wordt het oordeel ook gebaseerd op de omgevingswaarde, de maatschappelijke waarde en de bouwtechnische waarde van het leegstaande gebouw. 2. Duurzaamheid en innovatie In 2030 wil Doetinchem energieneutraal zijn.

Bij erfgoed wordt energiebesparing en het gebruik van alternatieve energiebronnen met rekening houdend met de cultuurhistorische waarde van de gebouwen gestimuleerd. De gemeente Doetinchem werkt aan een actueel overzicht van mogelijkheden voor eigenaren van historische gebouwen. 3. Instandhouding Het is de ambitie waardevol cultuurhistorisch erfgoed blijvend te beschermen, in stand te houden en verval te voorkomen. De gemeente monitort actief de bouwkundige staat van monumenten en handhaaft de monumentensubsidieverordening. 4. Kennisvergroting en -uitwisseling De gemeente streeft er naar de aanwezige kennis over de cultuurhistorie van Doetinchem te vergroten, te delen en inzichtelijk te maken voor een groot publiek. Hiervoor wordt onderzoek gedaan naar cultuurhistorische waarden, waarbij in het bijzonder ook het funerair erfgoed (begraafplaatsen en

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

33

kerkhoven) wordt genoemd. Ook wordt nader onderzoek gedaan naar potentiële monumenten en wordt de monumentenlijst geactualiseerd. De gemeente blijft actief in gesprek met in- en externe deskundigen, en onderzoekt de wenselijkheid van een cultuurhistorische waardenkaart voor haar inwoners. 5. Leefomgeving en participatie De gemeente wil cultuurhistorie zo goed mogelijk zichtbaar en beleefbaar maken voor haar inwoners om op deze manier het besef en de waardering voor cultuurhistorie te vergroten. Particulier initiatief wordt gestimuleerd en de gemeente levert jaarlijks een bijdrage aan de Open Monumentendag. De gemeente Doetinchem kent verschillende historische identiteiten, zoals bijvoorbeeld landschap, wonen en werken, de middeleeuwse stad, de naoorlogse stad en de boerderijen in het buitengebied, welke de komende jaren een leidraad moeten vormen voor het cultuurhistorisch beleid. Daarnaast moet het cultuurhistorisch beleid zoveel mogelijk aansluiten op bestaande wetgeving. De gemeente heeft inmiddels veel informatie beschikbaar over de archeologie, de naoorlogse wijken, het industrieel erfgoed, het centrum van Doetinchem, het landelijk gebied en enkele kleinere onderzoeksgebieden. Uit alle onderzoeken zijn aanbevelingen naar voren gekomen voor behoud en ontwikkeling van bepaalde panden of structuren, onder en boven de grond.

Voor sommige panden heeft dat een bescherming opgeleverd als gemeentelijk monument. Voor andere loopt die procedure of volgt die nog. Daarnaast zijn er panden die net niet in aanmerking komen voor de monumentale status, maar wel bescherming verdienen tegen sloop. Door het toekennen van cultuurhistorische waarde van deze panden in het bestemmingsplan, worden deze cultuurhistorische waardevolle panden tegen sloop beschermd. Ten aanzien van dit plan: Voor deze locatie is de aanduiding 'cultuurhistorie’ opgenomen. Deze aanduiding heeft betrekking op het hele ensemble aan gebouwen. Er is daarom een vergunning nodig voor sloop van de uitbouw aan de boerderij. Door sloop wordt de boerderij weer in de oorspronkelijke staat teruggebracht. Daarmee zou kunnen worden gesteld dat de cultuurhistorische waarde van de boerderij als zodanig weer in ere wordt hersteld. Ten aanzien van het cultuurhistorisch ensemble kan het volgende worden opgemerkt. De oude, vrijstaande en in slechte staat zijnde schuren op het achtererf worden gesloopt en vervangen door een nieuwe woning in één laag. Deze woning wordt gerealiseerd binnen de footprint van de bestaande schuren, waarbij de plek iets opschuift, zodat de woning binnen de nog aan te passen kadastrale grenzen van het perceel Doetinchemseweg 20a komt te liggen (zie figuur 7). Op deze manier blijft het ensemble min of meer intact.

Zie verder paragraaf 6.10.2 Cultuurhistorisch erfgoed.

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

34

Hoofdstuk 6

6.1

Haalbaarheid

Algemeen

Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en andere omgevingsaspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bouwen en bij de inrichting en het beheer van het plangebied. Deze aspecten kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van bepaalde locaties. Als dit zo is, blijkt dit uit de tekst onder het bepaalde aspect.

6.2

Milieueffectrapportage - (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht

Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is opgenomen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. De activiteit(en) die het plan of besluit mogelijk maakt, komt niet voor in of kan niet worden beschouwd als een activiteit zoals opgenomen in kolom 1 van onderdeel C (C-lijst) of D (D-lijst) van de bijlage van het Besluit m.e.r. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht. 2. Een m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; a. M.e.r.

is verplicht bij een plan als:  het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor volgens de Wet milieubeheer een project-m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling verplicht is.  of als de ontwikkelingen binnen het plan mogelijk tot significante gevolgen leiden voor Natura 2000-gebieden waardoor een Passende beoordeling nodig is. b. M.e.r. is verplicht bij een project:  als de activiteit die mogelijk wordt gemaakt is opgenomen in kolom 1 van de C-lijst.  als de omvang van de activiteit de drempelwaarde van kolom 2 van de C-lijst overschrijdt.  en er een besluit als genoemd in kolom 4 van de C-lijst nodig is. 3. Een formele m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een formele beoordelingsplicht, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de Europese m.e.r.richtlijn) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen wel worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk.

Er is sprake van een formele m.e.r.-beoordelingsplicht als de voorgenomen activiteit:  voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en  groter is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en  mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst (indien de activiteit mogelijk wordt gemaakt door een plan in kolom 3, dan geldt een plan-m.e.r.-plicht).

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

35

4. Een 'vormvrije' m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit ook beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wel kunnen worden uitgesloten, dan volstaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling en is het een milieueffectrapportage niet nodig. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling als de voorgenomen activiteit:  voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en  kleiner is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en  mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst. In afwijking van het bovenstaande geldt voor m.e.r.-plichtige plannen de mogelijkheid van een planm.e.r.-beoordeling. Onder volgende voorwaarden is dan geen plan-m.e.r.

nodig:  Er moet sprake zijn van kleine gebieden op lokaal niveau of van kleine wijzigingen van een plan.  Het plan mag niet leiden tot mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit geldt in ieder geval voor activiteiten die de drempelwaarde op de C-lijst overschrijden. Dit kan ook gelden voor activiteiten op de D-lijst, maar alleen als uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling of plan-m.e.r.beoordeling volgt dat sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.  Er mag geen sprake zijn van significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden, zoals die kunnen volgen uit een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming. Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft het ongedaan maken van een woningsplitsing, waarbij die wooneenheid als vrijstaande woning elders op het erf wordt gesitueerd. Deze activiteit valt niet onder de categorieën van gevallen, zoals genoemd onder de onderdelen C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Bovendien leidt uitvoering van het plan niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Verder is geen passende beoordeling nodig voor Natura 2000-gebieden (zie paragraaf 6.8).

Dat betekent dat zowel vanuit het milieu- als natuurspoor geen verplichting bestaat tot het doorlopen van een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplicht. Ook geldt er geen verplichting tot het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

6.3

Bodem

Bij een bestemmingsplan moet worden bepaald dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. De eisen die worden gesteld aan de bodemkwaliteit en de noodzaak tot het uitvoeren van een bodemonderzoek staan vermeld in onder meer de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, de Woningwet en het Bouwbesluit. Het voorliggende bestemmingsplan is maakt een nieuwe woning mogelijk. Hiervoor is bodemonderzoek nodig. Onderzoek Voor de voorgenomen ontwikkeling is door Montferland Milieu een verkennend bodem- en asbestonderzoek verricht (zie bijlage 1). Uit het bodemonderzoek komt het volgende naar voren: • • •

Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. In de inspectiegaten 01 en 09 is sterk baksteen en zwak puin aangetroffen. In inspectiegat 15 is matig baksteen aangetroffen. In de bovengrond zijn licht verhoogd gehalten aan PAK en zink aangetoond. In de oprit zijn licht verhoogd gehalten aan PAK, lood en minerale olie aangetoond.

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

36

• • •

•

• • • • • •

•

In de ondergrond zijn licht verhoogd gehalten aan kobalt en nikkel aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogd gehalten aan barium en nikkel aangetoond. Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en/ of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen. De tevoren gestelde hypothese ‘De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond en in het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. Bij het verkennend asbestonderzoek (druppelzone) zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grove fractie van de bodem is geen asbest aangetroffen. In het mengmonster ASMM01 van de fijne fractie is een gehalte van 11 mg/kg d.s. aangetoond. Bij het verkennend asbestonderzoek (oprit) zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grove fractie van de bodem is geen asbest aangetroffen. In het mengmonster ASMM02 van de fijne fractie is een gehalte van 1,5 mg/kg d.s. aangetoond. Beide mengmonsters bevinden zich onder het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

De tevoren gestelde hypothese “verdacht” op basis van het vooronderzoek voor de onverharde afwateringszones wordt verworpen. De hypothese “verdacht” voor de oprit wordt verworpen. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling bestemmingsplanwijziging, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Ook bij het aanvragen van een bouwvergunning in de nabije toekomst zullen, met het huidige beleid en de huidige normen, de aangetoonde verontreinigingen geen bezwaar vormen.

De onderzoeksresultaten geven /geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek of sanerende maatregelen, omdat de waarden niet zodanig verhoogd zijn dat zij een belemmering vormen voor dit plan. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

6.4

Akoestiek

6.4.1

Wegverkeerslawaai

Wegverkeer kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen opgenomen. Er geldt een voorkeurswaarde van 48 dB. In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweebaans wegen, die aan weerszijden van de weg gerekend vanuit de wegas in acht moet worden genomen 250 meter. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 200 meter. Ingeval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone moet daarom in principe een akoestisch onderzoek plaatsvinden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een wettelijke onderzoekszone in het kader van een goede ruimtelijke ordening het aspect akoestiek afgewogen worden.

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

37

Onderzoek en conclusie Voorliggende ontwikkeling voorziet in een geluidsgevoelige functie nabij de Doetinchemseweg. De nieuwe woning ligt in de zone van 250 meter vanaf deze weg. Om die reden is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie bijlage 3). Uit dit onderzoek komt naar voren dat de geluidbelasting ten gevolge van verkeer op de Doetinchemseweg 45 dB bedraagt ter plaatse van de nieuwe woning. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. 6.4.2

Railverkeerslawaai

Voor railverkeerslawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Er is van rechtswege (Wgh) een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk heeft een zone van 100 meter. Onderzoek en conclusie Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen van geluidsgevoelige functies binnen de genoemde zone van 100 meter. Een akoestisch onderzoek is dus niet noodzakelijk. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. 6.4.3

Industrielawaai

In de Wgh is bepaald dat rond industrieterreinen waarop bepaalde, krachtens het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen, inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (grote lawaaimakers), een geluidzone moet zijn vastgesteld. Met deze zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel lawaaimakers als aan woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, te veel oprukken naar de lawaaimakers. Buiten deze geluidzone mag de geluidsbelasting door industrielawaai niet meer bedragen dan 50 dB(A) (de voorkeursgrenswaarde industrielawaai). In de Wgh is vastgelegd dat het vastleggen, opheffen of wijzigen van een geluidzone moet plaatsvinden via het vaststellen van een bestemmingsplan. Niet is vastgelegd dat bestaande geluidzones opnieuw overgenomen moeten worden. Het opnemen van de geluidzone heeft dan ook vooral een signaleringsfunctie en is niet nodig vanuit het oogpunt van rechtszekerheid. Onderzoek en conclusie Voor het voorliggende plangebied is op voorhand alleen het industrieterrein A18 Bedrijvenpark van belang.

Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding reikt de geluidzone niet tot het plangebied. Het plangebied valt buiten de op figuur 16 weergegeven luchtfoto.

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

38

Figuur 16: Ligging geluidzone A18 Bedrijvenpark (plangebied valt buiten kader)

Eindconclusie geluid Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

6.5

Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is een belangrijk programma op grond van de wet. Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen. In het Besluit nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Onderzoek

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

39

De grens in de Regeling nibm ligt bij de realisatie van 1500 woningen met een enkele ontsluitingsweg. Bij deze ontwikkeling gaat het om de realisatie van één woning, waarbij ook nog eens sprake is van vervangende nieuwbouw. Verder is in of nabij het plangebied geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Tot slot is geen sprake van realisatie van een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit en de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn niet in het geding. Ter plaatse van de nieuwe woning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

6.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Wet basisnet van belang. Daarnaast is er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Daarbij is onder meer ook de zelfredzaamheid van mensen een belangrijk gegeven. Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is externe veiligheidsbeleid vastgesteld op 19 december 2013. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: 1.

Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied. 2. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. 3. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten.

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

40

4. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. 5. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. 6. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. 7. Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico. Onderzoek Zoals blijkt uit de risicokaart is qua risicobronnen in de omgeving van het plangebied alleen sprake van een hogedruk aardgasleiding op relatief grote afstand. Andere stationaire of mobiele risicobronnen zijn niet aanwezig in of nabij het plangebied. De aardgasleiding ligt op een afstand van circa 490 meter van de nieuwe woning. Daarbij wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 10-6/jaar voor het plaatsgebonden risico en heeft de ontwikkeling geen invloed op de hoogte van het groepsrisico.

Het betreft een aardgasleiding met een diameter van 8 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Hiervoor geldt een 1%-letaliteitsgrens van 95 meter, die overeenkomt met de grens van het invloedsgebied voor het groepsrisico. De nieuwe woning wordt gebouwd op veel grotere afstand van de leiding, zodat geen berekening van het groepsrisico nodig is. Advisering door Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) is daarom niet noodzakelijk voor deze ontwikkeling.

Figuur 17: uitsnede risicokaart/aanduiding planlocatie met gele cirkel (bron: risicokaart.nl)

Conclusie In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen stationaire bronnen of mobiele bronnen aanwezig, die beperkingen opleveren of nader moeten worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

41

6.7

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:  het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;  het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Voor wat betreft de beoordeling van geur van veehouderijen wordt aangesloten bij de geurnormen en minimumafstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit. Onderzoek In het voorliggende geval betekent dit dat moet worden onderzocht of de nieuwe woning hinder kan ondervinden van bestaande bedrijven in de omgeving en of die bedrijven daar mogelijk door worden belemmerd. In de directe omgeving bevinden zich alleen veehouderijen op relatief grote afstand van het plangebied (ruimschoots verder dan de voor veehouderijen maximaal van toepassing zijnde richtafstand van 200 meter). Daarbij is het zo dat bestaande woningen, die zijn gelegen in het gebied tussen de desbetreffende veehouderijen en plangebied, meer beperkend zijn voor de gebruiksmogelijkheden van die bedrijven dan de nieuwe woning Doetinchemseweg 20a.

De meest nabijgelegen veehouderij is de jongvee- en varkenshouderij op de locatie Broekstraat 1, op een afstand van circa 270 meter in zuidwestelijke richting van de nieuwe woning. Op deze afstand is alleen het aspect geur mogelijk relevant bij realisatie van een woning. Voor dit bedrijf is daarom zekerheidshalve een geurberekening uitgevoerd. De resultaten van deze berekening zijn opgenomen in bijlage 4. Daaruit komt naar voren dat de geurbelasting op de nieuwe woning voldoet aan de ter plaatse geldende geurnorm van 14 odour units/m3 en dat andere woningen meer bepalend zijn voor de gebruiksruimte van dit bedrijf. Voor wat betreft overige veehouderijen geldt dat sprake is van voldoende afstand tot veehouderijen waar sprake is van het houden van dieren met geuremissiefactoren. Deze veehouderijen liggen op grotere afstand van de woning en hebben een beperktere geuremissie dan de veehouderij op de locatie Broekstraat 1. Voor veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactoren geldt enkel een aan te houden minimumafstand van 50 of 100 meter (in het geval van grotere mestopslagen). Aan die minimumafstanden wordt ruimschoots voldaan ten opzichte van de nieuwe woning. Conclusie Omliggende veehouderijen en andere bedrijven worden niet beperkt in hun mogelijkheden door de ontwikkeling. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning is aanvaardbaar.

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

42

6.8

Flora en fauna

De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat deze wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Wel is de lijst met beschermde soorten gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden, waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving, worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn vrijwel altijd het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (in incidentele gevallen is het Rijk bevoegd gezag). In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving. Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen.

Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project.

Voor wat betreft de gebiedsbescherming op grond van de Wet natuurbescherming geldt als voorwaarde dat het bestemmingsplan geen significant negatieve gevolgen mag hebben op Natura 2000-gebieden. Onderzoek Soortenbescherming In verband met de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2). Uit het hiervoor opgestelde rapport komt naar voren dat de inrichting en het gevoerde beheer de planlocatie niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten maken. Wel is sprake van geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten de planlocatie hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats op de planlocatie, maar benutten het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Indien de beplanting verwijderd en de schuur en kapschuur gesloopt worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

43

Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Samengevat gelden de volgende voorwaarden: - werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; - geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (verjagen, wegvangen of ontheffing aanvragen). Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, beschermingszone natte landnatuur of een Natura 2000-gebied.

Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone en beschermingszone natte landnatuur leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van deze gebieden geen externe werking kent. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura 2000-gebieden en het plangebied, is het op voorhand duidelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet zal leiden tot een negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden. De afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden bedraagt bijna 10 kilometer (zie onderstaande figuur).

Figuur 18: ligging planlocatie (1) t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: aerius.nl)

Voor wat betreft de gebruiksfase leidt de ontwikkeling tot een neutraal of zelfs licht positief effect, omdat de nieuwe woning gasloos wordt uitgevoerd. Voor wat betreft de sloop-, aanleg- en bouwfase treden er wel stikstofemissies op als gevolg van inzet van mobiele werktuigen en de met deze fase samenhangende vervoersbewegingen. Hierbij is van belang dat gezien de tussentijdse uitspraak van de Raad van State over het Porthos-project (ECLI:NL:RVS:2022:3159, d.d. 2 november 2022) niet langer gebruik mag worden gemaakt van de bouwvrijstelling voor stikstof uit de Wet stikstofreductie

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

44

en natuurherstel. In dit geval is echter sprake van een kleinschalige ontwikkeling op dermate grote afstand van Natura 2000-gebieden, dat op basis van ervaringen met andere projecten nadelige gevolgen voor deze gebieden kunnen worden uitgesloten. Het is op voorhand duidelijk dat de ontwikkeling niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden. Conclusie Het aspect flora en fauna (soortenbescherming en gebiedsbescherming) vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

6.9

Water

6.9.1

Waterbeheerprogramma 2022-2027

In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende 6 jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het Waterschap Rijn en IJssel deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. In het waterbeheerprogramma is rekening gehouden met Europese en landelijke richtlijnen, waaronder Kaderrichtlijn Water (KRW). Doel van deze richtlijn is schoon en gezond water in alle Europese lidstaten. 6.9.2

Watersysteem

De bouwmogelijkheden en het verharde oppervlakte nemen niet of nauwelijks toe ten opzichte van het onderliggende beheerplan. Hemelwater zal ter plaatse in de bodem worden geïnfiltreerd en vastgehouden. 6.9.3

Gemeentelijk Rioleringsplan

In paragraaf 5.5.5 Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 is het rioleringsplan van de gemeente Doetinchem behandeld. In relatie tot dit project zijn de belangrijkste uitgangspunten in het rioleringsplan inzameling van afvalwater, het afkoppelen van verhard oppervlak, het voorkomen van hemelwaterverontreiniging en zo laag mogelijke risico’s op overstromingen en wateroverlast. In de beoogde situatie neemt het bebouwde oppervlak niet toe. Hemelwater zal ter plekke infiltreren in de bodem. Er worden voor de nieuwbouw geen uitloogbare materialen gebruikt, zodat afstromend hemelwater hierdoor niet verontreinigd raakt. Het huishoudelijk afvalwater wordt op de sloot geloosd via een IBA (systeem voor individuele behandeling van afvalwater). Deze IBA is in de jaren ’90 aangelegd door de gemeente Wehl. In die tijd zijn in opdracht van de gemeente meerdere IBA’s geïnstalleerd in het buitengebied als alternatief voor drukriolering. De capaciteit van de IBA is afgestemd op 2 woningen. De nieuwe woning zal hier ook op worden aangesloten. De lozingssituatie verandert hierdoor niet. 6.9.4

Watertoets

Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Deze toets is in de navolgende tabel opgenomen.

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

45

Thema

Toetsvraag

Relevant

1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?

1. Nee

Riolering en afvalwaterketen

1. Is er een toename van het afvalwater (DWA)? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van waterschap?

1. Nee 2. Nee 3. Nee

Wateroverlast (oppervlaktewater)

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak? 1. Nee 2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard 2. Nee oppervlak? 3. Nee 3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

Hoofdthema's Veiligheid

2. Nee

Grondwater- overlast 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de 1. Nee ondergrond? 2. Nee 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of 3. Nee IJssel? 4. Nee 3. Is in het plangebied sprake van kwel? 4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? Oppervlaktewaterkwaliteit

1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied?

1. Ja 2. Nee 3. Nee

Grondwaterkwaliteit

Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?

Nee

Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het 1. Nee gemengde of verbeterde stelsel? 2. Nee 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

Verdroging

Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor Nee natte natuur?

Natte natuur

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?

1. Nee 2. Nee

Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

1. Ja 2. Nee

Recreatie

Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Nee

Cultuurhistorie

Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Nee

Aandachtsthema's

Het huishoudelijk afvalwater wordt net als in de huidige situatie op de sloot geloosd via een door de toenmalige gemeente Wehl aangelegde IBA. De lozingssituatie verandert niet. Voor het overige volgen er geen aandachtspunten uit de watertoets.

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

46

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Gezien de bescheiden aard en omvang van de ontwikkeling heeft initiatiefnemer dit plan niet vooraf voorgelegd aan het waterschap. De ontwikkeling stuit niet op een waterschapsbelang.

6.10

Archeologie en cultuurhistorie

Het gemeentelijke beleid over archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid over deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie. 6.10.1 Archeologisch erfgoed Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: “Archeologische waarden moeten als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed worden meegenomen en worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen.” Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de Erfgoedwet is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen.

Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep. De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. Een betere bescherming van de archeologie en het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om goed inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het archeologisch bodemarchief. Daarom heeft de gemeente Doetinchem een archeologische beleidskaart laten opstellen door adviesbureau RAAP, waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een gebied zal het beschermingsregime meer of minder streng zijn. De archeologische beleidskaarten zijn op 30 maart 2020 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld. De archeologische beleidskaarten worden periodiek geactualiseerd aan de hand van uitgevoerd archeologisch onderzoek.

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

47

Figuur 19: Uitsnede archeologische beleidskaart

De uitgangspunten voor het archeologiebeleid sluiten al aan op het nieuwe beleid, dat regionaal is opgesteld. Dit beleid staat in de nota 'Archeologie met beleid. Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek' (vastgesteld in 2013). Dit beleid geeft een verlichting van de grenzen voor archeologisch onderzoek. De gebieden zoals deze in de archeologische beleidskaarten onderscheiden zijn, veranderen hier niet door. Wel zijn er nu in de basis 5 verschillende niveaus van bescherming. Deze komen terug in de navolgende tabel. Het volgende archeologisch gebied komt in het plangebied voor: uitgangspunten archeologiebeleid AWV categorie 9 (laag voor nederzettingsresten, hoog voor water gerelateerde archeologische resten)

dubbelbestemming

bij bodemingrepen dieper dan 30 Waarde - Archeologische centimeter - maaiveld en bij verwachting 6 plangebieden groter dan 5000 m² vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek

Uitvoering van voorliggend bestemmingsplan leidt tot bodemingrepen dieper dan 30 centimeter maaiveld. Er is echter geen sprake van bodemingrepen boven het oppervlaktecriterium van 5000 m2. Dat betekent dat geen inventariserend archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden. Te allen tijde moet rekening worden gehouden met de wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten (Erfgoedwet, art. 5.10): “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.” 6.10.2 Cultuurhistorisch erfgoed De cultuurhistorie is in Doetinchem vastgelegd in de nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' (vastgesteld 21 september 2017) en de Erfgoedverordening gemeente Doetinchem 2013 (vastgesteld 30 mei 2013). In het plangebied is het bestaande ensemble aan gebouwen in het plangebied geïnventariseerd als cultuurhistorisch waardevol (rapport “inventarisatie cultuurhistorische waarde in de gemeente Doetinchem 2010”). De boerderij betreft een beeldbepalend pand. Het ensemble als geheel is als gaaf/compleet gewaardeerd.

Ruimtelijke onderbouwing Doetinchemseweg 20-20a Wehl, 29 maart 2023

48

Figuur 20: foto’s van het pand Doetinchemseweg 20-20a (links de huidige en rechts de historische situatie)

Voor deze locatie is de aanduiding 'cultuurhistorie’ opgenomen. Voor de locaties waar alleen het gebouw cultuurhistorisch waardevol is ligt de aanduiding alleen op het gebouw. Daar waar het gehele ensemble beschermd moet worden, ligt de aanduiding over het gehele perceel. Aan deze aanduiding wordt een sloopvergunningstelsel gekoppeld. Dit houdt in dat zonder vergunning van de gemeente geen sloopwerkzaamheden mogen plaatsvinden. De voornaamste doelen van de sloopvergunning zijn bescherming tegen ernstige aantasting en voorkomen van sloop van de cultuurhistorisch waardevolle panden. De verplichting voor een sloopvergunning houdt geen sloopverbod in. Er kunnen redenen zijn dat er toch tot geheel of gedeeltelijk sloop moet worden overgegaan. In dat geval moet die eventuele sloop in goede orde gebeuren, met behoud van de cultuurhistorische waarden. De commissie Welstand en Monumenten of een vergelijkbaar orgaan zal bij een aanvraag om een sloopvergunning eerst nagaan of de gewenste aanpassing aan het pand geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarde. Als de aanduiding geldt voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken, dan is ruimer gebruik mogelijk. De regeling voor ander gebruik (onder andere beroep en/of bedrijf aan huis) die normaal alleen voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken bij woningen geldt, is hier ook toegestaan in vrijstaande bijbehorende bouwwerken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7997/documents/44381