Bijlage 1_03_Toelichting_Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Van Damstraat 19.pdf
Tekst van het document
2072152100 (13028)
500 meter ten westen van het plangebied Rijksweg te Gaanderen Gemeente Doetinchem Coördinaat: 220301/438532
Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 6-7-2005 Resultaat: In het noordelijke deel van de onderzoekslocatie bestaat de bodem alleen uit zand, terwijl het zuidelijke deel een sterke kleibijmenging heeft. De bodem is bijna overal tot op de C-horizont verstoord. Er zijn vele aardewerkfragmenten en sintels aangetroffen. Ze dateren echter allemaal uit de periode na de Middeleeuwen en zijn dus in archeologisch opzicht niet interessant. Er zijn geen negatieve gevolgen voor het bodemarchief. De archeologische verwachtingswaarde mag, op basis van de resultaten van inventariserend veldonderzoek naar beneden toe bijgesteld worden naar laag. Op basis van het, door Synthegra archeologie bv uitgevoerde, onderzoek zijn er naar vanuit archeologisch oogpunt geen bezwaren tegen het voornemen om op de onderzoekslocatie aan de Rijksweg te Gaanderen bodemverstorende activiteiten uit te voeren. Er zijn te weinig aanwijzingen gevonden die een eventueel archeologisch vervolgonderzoek zouden kunnen rechtvaardigen. Daarnaast is het grootste deel van de locatie tot op grote diepte verstoord.
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied 25 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan negen vondstmeldingen geregistreerd (zie tabel IV en figuur 8). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan, zijn voornamelijk afkomstig van de uitgevoerde gravende onderzoeken en zijn reeds hierboven behandeld. Het laat zien dat in ieder geval vanaf de Neolithicum/Bronstijd bewoningsactiviteiten plaatsvonden op de hoger gelegen en aaneengesloten rivierduingebieden. Tabel IV.
Overzicht ARCHIS-vondsten
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2122461100 (405948)
2353190100 (444960)
Locatie
Omschrijving
80 meter ten westen van het plangebied St. Jozefterrein te Gaanderen Gemeente Doetinchem Coördinaat: 220750/438450 300 meter ten zuidoosten van het plangebied Rijksweg - Vulcaanstraat te Gaanderen Gemeente Doetinchem Coördinaat: 221000/438180
Bronstijd - Late-Middeleeuwen : - handgevormd aardewerk Aangetroffen tijdens de uitvoeren van een archeologisch booronderzoek (zie Zaaknummer (OM-nummer) 2122461100 (17796)) Neolithicum - Nieuwe tijd : - fragment van een keramisch object, Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 4 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk Aangetroffen tijdens de uitvoeren van een archeologisch booronderzoek (zie
25
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 12 van 26
2058391100 (57080)
2684157100
2987738100 (133834)
2072152100 (405187)
350 meter ten oosten van het plangebied Neerlandia/Pelgrim te Gaanderen Gemeente Doetinchem Coördinaat: 221150/438350
400 meter ten noorden van het plangebied Pelgrimstraat te Gaanderen Gemeente Doetinchem Coördinaat: 220794/438867 400 meter ten westen van het plangebied Gaanderse Weg te Gaanderen Gemeente Doetinchem Coördinaat: 220450/438550 500 meter ten westen van het plangebied Rijksweg te Gaanderen Gemeente Doetinchem Coördinaat: 220310/438520
Zaaknummer (OM-nummer) 2353190100 (49930)). IJzertijd - Middeleeuwen : - houtskool IJzertijd - Late-Middeleeuwen : - handgevormd aardewerk Aangetroffen tijdens de uitvoeren van een archeologisch booronderzoek (zie Zaaknummer (OM-nummer) 2058391100 (8592)). Vroege-Middeleeuwen - Late-Middeleeuwen : - 10 fragmenten van aardewerk objecten, Aangetroffen tijdens de uitvoeren van een archeologisch booronderzoek (zie Zaaknummer 2684157100). Bronstijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk - crematieresten
Bronstijd - Nieuwe tijd : - 30 fragmenten van metalen slakken Late-Middeleeuwen : - proto-steengoed Nieuwe tijd : - 2 fragmenten van glazen objecten
2202310100 (423065)
3288417100 (441646)
500 meter ten noordoosten van het plangebied Warnersstraat te Gaanderen Gemeente Doetinchem Coördinaat: 221085/438857
500 meter ten noordoosten van het plangebied Warnersstraat te Gaanderen Gemeente Doetinchem Coördinaat: 221097/438857
Aangetroffen tijdens de uitvoeren van een archeologisch booronderzoek (zie Zaaknummer (OM-nummer) 2072152100 (13028)). Bronstijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk Nieuwe tijd : - fragment van een keramische kleipijp Aangetroffen tijdens de uitvoeren van een archeologisch booronderzoek (zie Zaaknummer (OM-nummer) 2202310100 (29247)). Late-Middeleeuwen : - handgevormd aardewerk
Aangetroffen tijdens de uitvoeren van een archeologisch inspectie (zie Zaaknummer 3288417100).
Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Archeologische plaatselijke Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17, Zuid-Veluwe en Oost Gelderland (contactpersoon de heer B. Clabbers). Er zijn geen aanvullende vondsten of bijzonderheden bekend die niet in ARCHIS worden weergegeven. Historische Vereniging Deutekom Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Historische Vereniging Deutekom (contactpersoon de heer H. de Haan). Gemeld wordt dat voor het plangebied of omgeving geen aanvullende informatie beschikbaar is anders dan al vermeld in ARCHIS. 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd.
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 13 van 26
Korte bewoningsgeschiedenis van het rivierduinengebied langs de Oude IJssel 26 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland is weergegeven in bijlage 2. Binnen het rivierduinengebied langs de Oude IJssel vormde voornamelijk de rivierduinen een geschikte vestigingslocatie voor de rondtrekkende Jagers-Verzamelaars van uit (Laat-)Paleolithicum tot en met het Neolithicum. Vanaf deze hoge en droge plekken in het landschap werd waarschijnlijk gejaagd en verzameld naar voedsel in het dal van de Oude IJssel waar het rijk moet zijn geweest aan vis, wild en eetbare planten. Binnen de gemeente Doetinchem beperken de Steentijd vuursteenvindplaatsen zich dan ook tot de rivierduinen. Vanaf de Nieuwe-Steentijd (Neolithicum) deden landbouwactiviteiten hun intrede en worden de nederzettingen meer plaatsgebonden. Nederzettingen ontstonden juist vaker op de overgang van de hoge zandgronden naar de lage beek-/rivierdalen (gebieden van dekzandwelvingen), gunstig gelegen tussen de weiden in de beek-/rivierdalen en vooral daar waar een aanzienlijk areaal aan hoge (zand)gronden aanwezig waren om in gebruik genomen te worden als landbouwgrond.
Voornamelijk in het Late-Neolithicum en de Bronstijd zijn grote nederzettingen ontstaan, getuigen de archeologische vondsten uit deze perioden die gedaan zijn binnen de gemeente Doetinchem. Ook tijdens de IJzertijd en Romeinse tijd blijven de rivierduinen langs de Oude IJssel bewoond. Ook uit deze perioden zijn verschillende vondsten bekendt. Zo zijn er circa 400 meter ten westen van het plangebied crematieresten gevonden daterend uit de perioden Bronstijd tot en met de Romeinse tijd. Na de val van het West Romeinse Rijk aan het einde van de Romeinse tijd ontstond een instabiele periode waarin de bevolking in Nederland sterk afnam. Ook binnen de gemeente Doetinchem houdt de bewoning op de rivierduinen grotendeels op. Pas in de loop van de Vroege-Middeleeuwen neemt de bevolking in het gebied weer toe en er ontwikkeld zich voornamelijk een argarische samenleving. De rivierduinen worden ontgonnen vanuit kampenonginingen, kleine losstaande boerenerven met daaromheen kleine akkers en weides, welke in de loop van de tijd fuseerden. Ook Gaanderen is waarschijnlijk zo ontstaan en wordt voor het eerst in de 12e eeuw genoemd in documenten. Tevens vond tijdens de Middeleeuwen een geleidelijke omslag plaats in het agrarisch bedrijfssysteem, die ook landschappelijk gevolgen had.
Door een intensiever bodemgebruik en het gelijktijdig in stand houden van de vruchtbaarheid van het steeds uitbreidende akkerareaal namen de heidevelden in omvang sterk toe. Vanaf het begin van de Nieuwe tijd werden de akkers bemest met plaggen (een mengsel van stalmest, huisafval, bosstrooisel, heideplaggen en zand dat werd vervaardigd in een veestal). Door eeuwen lange bemesting met plaggen op voornamelijk de rivierduinen werden de akker gronden langzaam opgehoogd. Deze hoge zandgronden staan in het oosten bekend als engen, enken of essen, is het algemeen wordt de term “es” gebruikt. Door de uitvinding van de kustmest in het einde van de 19e eeuw maakt een einde aan de plaggen bemesting. Ook de rivierduinen langs de Oude IJssel zijn bemest met plaggen. Alleen de toppen van de rivierduinen zijn niet bemest, waarschijnlijk waren deze gronden te droog voor de akkerbouw.
26
Barends et al., 2006/ Van Oosterhout, 2008
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 14 van 26
Vanaf de Late-Middeleeuwen ontwikkeld zich in het rivierduin landschap niet alleen een argarische samenleving, maar ook een industriële. De komgebieden van de Oude IJssel zijn namelijk rijk aan ijzererts welke vanaf de Late-Middeleeuwen werd gewonnen. Ten noordwesten van Gaanderen, bij het voormalige klooster Bethlehem, ontwikkelde zich een hoogovencomplex om het ijzeroer uit de komgebieden te verwerken. Door de eeuwen heen blijft de ijzerindustrie een belangrijke rol spelen in de omgeving van Gaanderen. In 1821 werd de hoogoven de Vulcaansoord opgericht langs de Oude IJssel om het lokale ijzeroer te verwerken. Tussen 1821 en 1861 bleef het Vulcaansoord kleinschalig, maar na de oprichting van een emaillefabriek in 1861 begon de fabriek te groeien, en daarme ook het dorp Gaanderen zowel in omvang als in welvaart. Tijdens het bestaan van de fabriek in de 19e en 20e eeuw kende fabriek wisselende bedrijfresultaten, in de piekjaren 1919-1926 werkte er ongeveer 1.000 mensen in de fabriek. Door het succes van de Vulcaansoord ontstonden er verschillende andere metaal verwerkingsfabrieken in Gaanderen zoals bijvoorbeeld Neerlandia, Senten, DRU, Pelgrim en Ferro. Tegenwoordig is, op Ferro na, de metaalindustrie in Gaanderen verdwenen.
Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Doetinchem is het archief van de Bouw- en Woningtoezicht geraadpleegd (via het Erfgoedcentrum Achterhoek Liemers). Gegevens uit het bouwdossier laat zien dat De Augustinusschool in 1950 is gebouwd en later in 1957, 1966 en 1982 is uitgebreid. De bouw en de uitbreidingen uit 1957 en 1966 zijn voorzien van een baksteenfundering tot circa 80 cm -mv. De uitbreiding in 1982 betreft de bouw van de bestaande sporthal in het zuidoostelijke deel van het plangebied, welke voorzien is van een betonfundering tot circa 100 cm -mv. In 1991 is de bestaande berging/fietsenstalling gebouwd in het oostelijke deel van het plangebied, voorzien van betonpoeren tot circa 50 cm -mv. Tweede Wereldoorlog27 Op zowel de (geactualiseerde) archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart als de archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem (zie figuren 4 en 6) wordt aangegeven waar resten/structuren uit de Tweede Wereldoorlog nog kunnen worden verwacht. Op deze kaarten wordt aangegeven dat er geen archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog te verwachten zijn in het plangebied. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel V.
27
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars)
Hoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het (dikke) plaggendek en in de top van de rivierduinafzettingen
Laat-Neolithicum (Landbouwers)
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder het (dikke) plaggendek en in de top van de rivierduinafzettingen
Willemse et al., 2019
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 15 van 26
Bronstijd t/m Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het (dikke) plaggendek en in de top van de rivierduinafzettingen
Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het (dikke) plaggendek en in de top van de rivierduinafzettingen
Nieuwe tijd
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het maaiveld/in het (dikke) plaggendek en in de top van de rivierduinafzettingen
WOII
Laag
Resten/sporen van loopgraven/geschutstellingen (vulling/vermengde grond waarmee de loopgraven en geschutstellingen gedempt zijn)
Aan en direct onder het maaiveld
Het plangebied ligt op een rivierduin. De rivierduinen zijn binnen het rivierduinlandschap de hooggelegen gebieden met een sterk glooiend reliëf en plaatselijk steile hellingen. In de tijd van de JagersVerzamelaars (einde Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) zullen de hoger gelegen rivierduinen zullen een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie. Het nabijgelegen rivierdal van de Oude IJssel zal een grote aantrekkingskracht hebben gehad voor wild en vis, waarop kon worden gejaagd. Daarnaast vormde de hoge diversiteit aan plantaardig materiaal een goede aanvulling op het dieet. Vanaf het Neolithicum vormde vooral de overgangsposities gunstige locaties voor bewoning. De hoger gelegen rivierduinen werden gebruikt als landbouwgronden, hoewel de vaak droge tot zeer droge bodem op de rivierduinen (zonder plaggendek) een beperkende factor vormde. De rivierduinen waarop in de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd plaggendekken, zijn opgeworpen waren wel beter geschikt voor landbouwactiviteiten. De rivierduinen met plaggendekken beslaan grote delen van het rivierduinlandschap ten oosten van de Oude IJssel, vooral rondom historische dorps/stadskernen. De zware kleigronden binnen het lager gelegen terras van de Oude IJssel, met daarin verlande geulen (die wel periodiek overstroomde), zullen vooral zijn gebruikt als graasgebieden voor het vee.
De gunstige ligging van het plangebied als (tijdelijke) bewoningslocatie wordt ook duidelijk bevestigd door reeds uitgevoerd gravend onderzoek. Direct ten westen van het plangebeid en 300 meter ten oosten van het plangebeid zijn vindplaatsen aangetroffen uit de periode Late-Bronstijd–Middeleeuwen. Op andere plekken binnen het onderzoeksgebeid zijn voornamelijk op rivierduinen vondsten gevonden uit van de Steentijd, Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd, Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Geraadpleegde historische kaarten laten zien dat het onderzoeksgebied in de tweede helft van de 18e eeuw tussen de rivierduinpieken voor de landbouw wordt gebruikt en onderdeel is van een oud bouwlandcomplex (zie figuur 9). De rivierduinpieken waren veelal nog woeste gronden die in de loop van 19e eeuw en in het begin van de 20e eeuw zijn ontgonnen (zie figuren 9 tm/14). Vanaf de 20e eeuw groeit de bebouwde kom van Gaanderen ten kosten van de landbouwgronden en ontgonnen woeste gronden. Het noordwestelijke deel van het plangebied maakt onderdeel uit van het oude bouwlandcomplex tussen de rivierduinpieken en wordt dus al lang als bouwland gebruikt. Hierom wordt hier een (matig) dikke plaggendek verwacht. Het zuidoostelijke deel van het plangebied is daarentegen tot in de 20e eeuw heide, met als gevolg dat hier geen plaggendek wordt verwacht.
De bestaande bebouwing (Augustinusschool) binnen het plangebied dateert uit 1950 met navolgend nog enkele uitbreidingen.
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 16 van 26
Op basis van bovenstaande uitgangspunten, en conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem, kunnen er in het plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. De kans op het voorkomen van resten wordt voor het gehele plangebied hoog geacht, vooral voor het noordwestelijke deel, waar waarschijnlijk een plaggendek ligt (zie tabel VI). Binnen het plangebied worden eventueel aanwezige archeologische resten worden verwacht in het (matig) dikke plaggendek (Aa-horizont) en in de top van de rivierduinen. De vondstenlaag is opgenomen onderin het plaggendek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het plaggendek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) zullen zich bevinden tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. De diepteligging van de vondstenlaag is afhankelijk van de dikte van het plaggendek. De aanwezigheid van een (matig) dik plaggendek zal gefungeerd hebben als beschermende laag, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk goed zijn geconserveerd. Opbrengen van dit plaggendek heeft plaatsgevonden in ieder geval vanaf de tweede helft van de 18e eeuw, maar waarschijnlijk eerder.
In het zuidoostelijke deel van het plangebied wordt geen plaggendek verwacht waardoor dit deel geen conserverende laag bevat. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het noordwestelijke deel van het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als landbouwgrond. Door ploegen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. Ook ter plaatse van de bebouwde delen van het plangebied (Augustinusschool) zal de bodem door bouwwerkzaamheden zijn verstoord. Voor het aanleggen van de fundamenten moet gegraven worden, dus ter plaatse en in een strook rondom de bestaande bebouwing is de oorspronkelijke bodemopbouw tot minimaal 80/100 cm -mv verstoorde (uitgraven van een bouwput). Voor de bouw van de bestaande berging/fietsenstalling, in het oostelijke deel van het plangebied, is de verwachting dat bodemverstorende ingrepen beperkt zijn geweest (alleen voorzien van betonpoeren tot circa 50 cm -mv).
De onbebouwde terreindelen direct rondom de school zijn voornamelijk voorzien van een tegelverharding (schoolplein) en verder in gebruik als siertuin/groenstrook. De inrichting van al deze terreindelen heeft wellicht ook geleid tot een verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel. In welke mate is echter niet bekend 2.9
Afweging gekozen onderzoeksmethode inventariserend veldonderzoek
Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Vanwege de omvang van het plangebied, de verwachting dat er twee verschillende soorten gronden aanwezig zijn binnen het plangebied en de mogelijke bodemverstoringen, is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Gelijkmatig verspreid over het plangebied dienen boringen te worden gezet met een Edelmanboor met een diameter van 10 cm om inzicht te krijgen in de intactheid van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 17 van 26
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 19 augustus 2021 door E. Steijsiger (Fysisch Geograaf) en E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. De boringen zijn gelijkmatig verspreidt over het plangebied gezet. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 10 cm) 12 boringen tot maximaal 3,20 m -mv gezet (figuur 17). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 28 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden).Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 5 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen twee hoofdlijnen van de opbouw van de bodem worden weergegeven (zie figuur 19).
28
Bosch, 2005.
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 18 van 26
Tabel VI.
Hoofdlijn bodemopbouw langs de rand van het plangebied
Diepte top
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld
Zwak siltig, matig fijn tot matig grof zand met (zwart)grijze of bruine kleur. In verschillende boringen komt op verschillende dieptes betonpuin voor.
Cunet-/bouwzand aangelegd tijdens bouw/uitbreiding Augustinusschool in tweede helft 20e eeuw. Recent verstoorde/geroerde grond.
Vanaf gemiddeld 90 cm -mv.
Zwak siltig, zwak humeus, matig fijn zand met verschillende kleuren. Vermengd met betonpuin en/of lichter gekleurd zand.
Recent verstoorde/geroerde grond. Oorspronkelijk een plaggendek, maar waarschijnlijk tijdens de bouw van de Augustinusschool verstoord. In sommige boringen is het plaggendek vermengd met cunet-/bouwzand in andere boringen is het vermengd met zand uit de onderliggende rivierduinafzettingen. In sommige boringen is bouwpuin aangetroffen. Er is geen (verstoord) plaggendek aangetroffen in het zuidoostelijke deel van het plangebied.
Vanaf gemiddeld 140 cm -mv.
Zwak siltig, zeer fijn tot zeer grof zand met een voornamelijk gele kleur.
1C-horizont, rivierduinafzettingen.
Vanaf gemiddeld 190 cm -mv.
Sterk zandige klei met een grijze kleur.
2C-horizont, Laag van Wijchen.
Vanaf gemiddeld 220 cm -mv.
Zwak siltig, matig grof tot zeer grof zand met een (oranje)bruine kleur.
2C-horizont, vlechtende rivierafzettingen van het Laagterras.
Tabel VII.
Hoofdlijn bodemopbouw onder het voormalige schoolplein
Diepte top
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld.
Bovenste 5 cm bestaat uit tegelverharding. Daaronder bruingeel, zwak siltig, matig grof zand. In boring 4 bijmenging van betonpuin.
Cunet-/bouwzand aangelegd tijdens bouw/uitbreiding Augustinusschool in tweede helft 20e eeuw. Recent verstoorde/geroerde grond.
Vanaf 30 à 80 cm -mv.
Zwak tot matig humeus, zwak siltig, matig fijn zand met een zwart tot grijszwarte kleur. In boringen 2 en 7 is de bovenste 20 cm vermengd met cunet-/bouwzand.
1Aa-horizont, intacte plaggendek.
Vanaf gemiddeld 130 cm -mv.
Zwak siltig, zeer fijn tot zeer grof zand met een voornamelijk gele kleur.
1C-horizont, rivierduinafzettingen.
Vanaf gemiddeld 250 cm -mv.
Sterk zandig klei met een grijze kleur.
2C-horizont, Laag van Wijchen.
Vanaf gemiddeld 255 cm -mv.
Zwak siltig, matig grof tot zeer grof zand met een (oranje)bruine kleur.
2C-horizont, vlechtende rivierafzettingen van het Laagterras.
De boringen die gezet zijn langs de rand van het plangebied laten zien dat hier diepe bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd. De bodem is tot gemiddeld een diepte van 130 cm -mv verstoord. Het bovenste deel deze bodems bestaat tot gemiddeld een diepte van 90 cm -mv uit zwak siltig, matig fijn tot matig grof cunet-/bouwzand met een (zwart)grijze of bruine kleur. In meerdere boringen is er bouwpuin aangetroffen in deze laag. Het onderste deel van de verstoorde lagen bestaat uit zwak siltig, matig fijn zand met verschillende kleuren. Deze lagen bestaan uit een geroerd plaggendek dat recentelijk is vermengd met cunet-/bouwzand dan wel met rivierduinafzettingen van de onderliggende laag. Ook in deze lagen is bouwpuin aangetroffen.
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 19 van 26
Het verstoorde plaggendek ligt direct op de C-horizont. Deze bestaat uit zwak siltig, zeer fijn tot zeer grof zand met een gele kleur. Het gaat hier om rivierduinafzettingen behorend tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen. Vanaf gemiddeld 190 cm -mv bestaat de bodem uit een dunne laag van sterk zandige klei met een grijze kleur, dit zijn de afzettingen van de Laag van Wijchen. Vanaf gemiddeld 220 cm -mv liggen afzettingen van het Pleistocene Laagterras. Deze afzettingen bestaan uit zwak siltig matig grof tot zeer grof zand met een (oranje)bruine kleur. De Laagterras afzettingen lopen in ieder geval door tot 320 cm -mv, de einddiepte van de boringen. In het zuidoostelijke deel van het plangebied is geen (verstoord) plaggendek aangetroffen en ligt de recente cunet/bouwzandlaag direct op de rivierduinafzettingen, wat de oorspronkelijke bodemopbouw was, is niet meer te bepalen. Dit deel van het plangebied is tot aan de bouw van de Augustinusschool heidegrond geweest. Onder de tegelverharding van het voormalige schoolplein in het plangebied zijn de recente bodemverstorende ingrepen beperkt gebleven. Hier ligt onder de tegelverharding een laag cunet-/bouwzand van 50 tot 100 cm dik, voornamelijk dicht bij de Augustinusschool is deze laag dik. Alleen in boring 4 is er recent bouwpuin gevonden in deze laag.
Onder de verstoorde laag begint een nog intact plaggendek bestaande uit matig humeus, zwak siltig, matig fijn zand met een zwarte of grijszwarte kleur die doorloopt tot gemiddeld 130 cm -mv. In het noordwestelijke deel van de tegelverharding (nabij boring 2) is het intacte plaggendek relatief dun en loopt het door tot een diepte van circa 80 cm -mv. Onder het plaggendek ligt direct de C-horizont bestaande uit zwak siltig, zeer fijn tot zeer grof zand met een oranje- of bruingele kleur. Het gaat hier om rivierduinafzettingen, die doorlopen tot gemiddeld 250 cm -mv. Onder de rivierduinafzettingen bevindt zich een dunne (circa 5 cm dik) laag sterk zandige, grijze klei, de Laag van Wijchen. Vanaf circa 255 cm -mv liggen afzettingen van het Pleistocene Laagterras. Deze afzettingen bestaan uit zwak siltig, matig grof tot zeer grof zand met een (oranje)bruine kleur. De Laagterras afzettingen lopen in ieder geval door tot 320 cm -mv, de einddiepte van de boringen. In het merendeel van het plangebied reiken de in het verleden uitgevoerde bodemverstorende ingrepen niet of net tot aan de top van de C-horizont en is de C-horizont niet of nauwelijks verstoord. Alleen in de westelijke en noordwestelijke delen van het plangebied is de bodem tot minimaal 60 cm in de C-horizont verstoord.
Onder de tegelverharding van het voormalige schoolplein zijn de bodemverstorende ingrepen relatief beperkt gebleven, namelijk tot een circa 70 cm -mv. Onder deze verstoringen ligt een intacte plaggendek van gemiddeld 40 cm dik, tot aan de top van de rivierduinafzettingen. Rondom boring 4 loopt de humus houdende laag dieper door, namelijk tot 180 cm -mv. De ruimtelijke verdeling van de diepte van de bodemverstorende ingrepen zijn weergegeven in figuur 18. In de delen van het plangebied waar de top van de C-horizont nog intact is, geldt dat ook het archeologische potentiële sporenniveau nog (merendeel) intact is. Het eventuele aanwezige vondstmateriaal zal opgenomen zijn in de (top van de) rivierduinafzettingen en/of onder het plaggendek daar waar deze nog intact aanwezig is. De top van de rivierduinafzettingen en het archeologische sporenniveau liggen in deze delen van het plangebied op circa 14,0 m +NAP. Alleen in de westelijke en noordwestelijke delen van het plangebied is de bodem tot (diep) in de rivierduinafzettingen verstoord. Hier kan worden verwacht dat het archeologische potentiële sporenniveau niet meer intact aanwezig is en dat de eventuele archeologische waarden niet meer in situ zijn. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen.
Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 20 van 26
4 4.1
CONCLUSIE EN ADVIES Conclusie
Op basis van het bureauonderzoek wordt verwacht dat het plangebied op rivierduin ligt. Voor de Jagers-Verzamelaars in het (Laat-)Paleolithicum tot het Midden-Neolithicum vormde deze hoge gelegen gebieden een gunstige liggen voor (tijdelijke) nederzettingen. Vanaf het Laat-Neolithicum vestigde de eerste boeren zich juist op de overgangsposities. De rivierduinen werden wel gebruikt als landbouwgronden, hoewel de vaak droge gronden op de rivierduinen een beperkende factor vormde. Vanaf de Middeleeuwen zijn de rivierduinen met potstalbemesting opgehoogd waardoor de plaggendekken zijn ontwikkeld. Het geraadpleegde historisch kaartmateriaal laat zien dat het noordwestelijke deel van het plangebied sinds in ieder geval het einde van de 18e eeuw gebruikt is voor landbouw, waarschijnlijk met plaggenbemesting. Het zuidoostelijke deel van het plangebied maakte deel uit van woeste gronden. Deze verdeling houdt aan tot in 1950 wanneer de Augustinusschool wordt gebouwd in het plangebied. Sindsdien wordt het gehele plangebied gebruikt door de school. Diverse uitgevoerde archeologische onderzoeken in het onderzoeksgebied hebben zelden geresulteerd in het aantreffen een archeologische vindplaats en geven aan dat er diverse bodemverstorende ingrepen hebben plaatsgevonden.
Ten westen van en aangrenzend aan het plangebied heeft een booronderzoek er toe geleidt tot het vinden van een archeologische vindplaats met vondsten daterend uit de Bronstijd – LateMiddeleeuwen. Het plangebied heeft een hoge verwachtingen op het voorkomen van archeologische resten voor de perioden (Laat-)Paleolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen. Voor de periode Nieuwe tijd geldt een lage verwachting. Voornamelijk in het noordwestelijke deel van het plangebied geldt een hoge verwachting dankzij de conserverende werking van het plaggendek. Er worden geen resten verwacht uit de Tweede Wereldoorlog. De resultaten van het verkennende booronderzoek laten zien dat in gehele plangebied de bodem is verstoord. De diepte waartoe de bodem is verstoord is verschillend in het plangebied. Onder de tegelverharding van het voormalige schoolplein blijken de bodemverstoringen beperkt te zijn. Hier ligt, onder de tegelverharding, een verstoorde laag van gemiddeld 70 cm. Hierbij komen de grootste verstoringen dicht bij de Augustinusschool voor. Onder de verstoorde laag ligt een intacte plaggendek tot gemiddeld 130 cm -mv. Alleen in het noordwestelijke deel van het voormalige schoolplein zijn de verstoorde laag en het plaggendek dunner. De verstoorde laag komt hier tot circa 50 cm -mv. en het intacte plaggendek tot circa 80 cm -mv.
Onder het intacte plaggendek bevindt zich de C-horizont, bestaande uit rivierduinafzettingen. In de westelijke en noordwestelijke delen van het planbied reiken de bodemverstoringen het diepste, namelijk tot minimaal 60 cm in de C-horizont. De aanwezige plaggenlaag is hier volledig verstoord en geroerd met cunet-/bouwzand, betonpuin en/of de top van de rivierduinafzettingen. In de overige delen van het plangebied lopen de bodem verstoringen door tot aan de C-horizont, waardoor de top van de C-horizont nog (merendeels) intact is.
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 21 van 26
In de delen van het plangebied waar de top van de C-horizont nog intact is, geldt dat ook het archeologische potentiële sporenniveau nog (merendeel) intact is. Het eventuele aanwezige vondstmateriaal zal opgenomen zijn in de (top van de) rivierduinafzettingen en/of onder het plaggendek daar waar deze nog intact aanwezig is. De top van de rivierduinafzettingen en het archeologische sporenniveau liggen in deze delen van het plangebied op circa 14,0 m +NAP, circa 130 cm -mv. Alleen in de westelijke en noordwestelijke delen van het plangebied is de bodem tot (diep) in de rivierduinafzettingen verstoord. Hier kan worden verwacht dat het archeologische potentiële sporenniveau niet meer intact aanwezig is en dat de eventuele archeologische waarden niet meer in situ zijn. Op basis van de resultaten uit het bureauonderzoek en het verkennende booronderzoek wordt geconcludeerd dat in de delen van het plangebied waar de top van de C-horizont nog intact is, geldt dat ook het archeologische potentiële sporenniveau nog (merendeel) intact is. Het eventuele aanwezige vondstmateriaal zal opgenomen zijn in de (top van de) rivierduinafzettingen en/of onder het plaggendek daar waar deze nog intact aanwezig is. De top van de rivierduinafzettingen en het archeologische sporenniveau liggen in deze delen van het plangebied op circa 130 cm -mv, circa 14,0 m +NAP.
In het noordwestelijke deel van de tegelverharding ligt het archeologisch relevante niveau ondieper, namelijk op circa 80 cm -mv. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een hoge verwachting geldt voor de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Middeleeuwen en een lage verwachting voor de Nieuwe tijd, blijft op dit deel van het plangebied behouden. Op basis van de resultaten uit het verkennend booronderzoek wordt geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn om restanten van een archeologische vindplaats te verwachten in de westelijke en noordwestelijke delen van het plangebied. Hier zijn (diep) verstoorde bodems aangetroffen waardoor zowel het archeologisch potentiële vondst- als het sporenniveau aangetast, zo niet volledig verstoord/vergraven. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek kan worden bijgesteld naar geen verwachting voor alle perioden. 4.2
Advies
Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek en het verkennend booronderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het deel van het plangebied met een nog intacte Chorizont een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Het archeologische niveau wordt in de top van de intacte C-horizont verwacht en ligt in het grootste deel van het plangebied op circa 130 cm -mv, circa 14,0 m +NAP. Alleen in het noordoostelijke deel van het voormalige schoolplein ligt de top van de Chorizont en daarmee het archeologische niveau ondieper, namelijk op 80 cm -mv. Er dient een dikte van circa 30 cm behouden te blijven als bufferzone en conserveringslaag van de onderliggende vondsten- en sporenlaag die in de top van de C-horizont nog merendeels intact wordt verwacht. Behoud van de mogelijk aanwezige archeologische vindplaats is daarom alleen mogelijk als mogelijke bodemingrepen niet dieper gaan dan circa 100 cm onder het huidige maaiveld in het grootste deel van het plangebied en 50 cm -mv in het noordoosten van het schoolplein. Wanneer er plannen zijn om diepere bodemverstorende ingrepen te realiseren over een oppervlakte van meer dan 250 m 2 wordt geadviseerd om een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuven onderzoek (IVO-P).
Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 22 van 26
Op basis van de al in sterke mate aangetaste/verstoorde bodemopbouw binnen de westelijke en noordwestelijke delen van het plangebied adviseert Econsultancy, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. De mogelijke ingrepen kunnen, voor zover het archeologische waarden betreft, zonder beperkingen worden uitgevoerd. Bovenstaand betreft adviezen (zie figuur 19), opgesteld door Econsultancy. Het bevoegd gezag (gemeente Doetinchem) neemt het advies voor een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek niet over. Het adviseert om een vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van een karterend booronderzoek rondom boringen 2, 4, 7 en 5. Tijdens dit onderzoek wordt het opgeboorde materiaal in het veld bodemkundig beschreven en de archeologisch relevante bodemlagen dienen te worden gezeefd met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu dienen te worden geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Door middel van het karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode.
De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het geadviseerde vrijgegeven deel van het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden daar toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed29).
29 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 23 van 26
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bakker, H. de & J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland De hogere niveaus. Wageningen. Barends, S., Baas, H.G., Harde, M.J. de, Renes, J., Stol. T., Triest, J.C. van, Vries, R.J. de, Woudenberg, F.J. van, 2005: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A. 2005: Fysische Geografie van Nederland, deel 4: Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio's. Van Gorcum, Assen. Boogman, J.C., & Oosterhaven, S., 1986: Geschiedenis van Doetinchem. De Walburg Pers, Zutphen. Oudheidkundige Kring 'Deutekom', Doetinchem. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Cohen, K.M., Stouthamer, E., Hoek, W.Z., Berendsen†, H.J.A. & Kempen, H.F.J., 2009: Zand in banen. Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Provincie Gelderland. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.
‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & Bakker, H. de, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg Den Bosch, 2e druk. Maas, G.J., Delft, S.P.J. van & Heidema, A.H., 2017: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2017). Web publication/site, Wageningen Environmental Research. http://legendageomorfologie.wur.nl. Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E. & Wong, T.E., 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Oosterhout, F. van, 2008: Archeologische monumentenzorg in het stedelijk gebied van Doetinchem. Toelichting op de archeologische waarden- en verwachtingskaart en beleidskaart. RAAP-rapport 1835, deel 1. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Stichting voor Bodemkartering, 1966: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 40 Oost/Arnhem.
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 24 van 26
Versfelt, H.J., 2003: De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland 1773-1794. Heveskes Uitgevers, Groningen. ISBN 90-806727-4-2. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Willemse, N.W., Keunen, L.J., Kok, R.S., Wijnen J.A.T., & Van der Veen, S., 2019: Archeologie in de gemeente Doetinchem. Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart. RAAP-rapport 2877- tweede herziene versie. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Willemse, N.W. & Kocken, M.H.J.M., 2013: Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek. RAAP-rapport 2501. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Vries, F. de, Groot, W. J. M. de, Hoogland, T., & Denneboom, J., 2003: De Bodemkaart van Nederland digitaal; toelichting bij inhoud, actualiteit en methodiek en korte beschrijving van additionele informatie. Alterra-rapport; No. 811, Alterra. https://edepot.wur.nl/21850 Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 25 van 26
BRONNEN AHN; internetsite, september 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, september 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, september 2021. http://bagviewer.kadaster.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, september 2021 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemverontreinigingen provincie Gelderland: internetsite, september 2021. https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase=http://geoweb.gelderland.nl/Geocort ex/Essentials/REST/sites/Bodemverontreinigingen/viewers/test/virtualdirectory/Resources/Config/Def ault Dinoloket; internetsite, september 2021. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, september 2021. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, september 2021. http://www.topotijdreis.nl/ Omgevingsdienst Achterhoek (ODA); internetsite, september 2021. https://www.odachterhoek.nl/onderwerp/cultureel-erfgoed-en-archeologie/cultureel-erfgoed-enarcheologie/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, september 2021. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, september 2021. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, september 2021.
http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, september 2021. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, september 2021. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
RAPPORT 15425.003 versie 2
Pagina 26 van 26
Figuur 1.
Situering van het plangebied binnen Nederland
Figuur 2.
Detailkaart van het plangebied
Figuur 3.
Luchtfoto van het plangebied
Figuur 4.
Situering van het plangebied binnen de (geactualiseerde) archeologische beleidskaart gemeente Doetinchem
Figuur 5.
Situering van het plangebied binnen de binnen de (geactualiseerde) archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Doetinchem
Figuur 6.
Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Figuur 7.
Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland
Figuur 8.
Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met als achtergrond het AHN
Figuur 9.
Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794 vanuit kaartblad 83
Figuur 10.
Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1822 (Minuutplan)
Figuur 11.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1888 (Bonneblad)
Figuur 12.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1927 (Bonneblad)
Figuur 13.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1936
Figuur 14.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1954
Figuur 15.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1966
Figuur 16.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1994
Figuur 17.
Boorpuntenkaart plangebied met als achtergrond de luchtfoto
Figuur 18.
Resultaten van het verkennend booronderzoek met als achtergrond de luchtfoto
Figuur 19.
Advies voor vervolgonderzoek op basis van de resultaten met als achtergrond de luchtfoto
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr. 1950
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Bijlage 2
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat zich voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, dat plaats maakte voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine spitse vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.
Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.
Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.
Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.
De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de 3e eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de 5e eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.
Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e - 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adelijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling wat zich uit in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.
Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Bijlage 3
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.