CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 01_07_Bijlagen toelichting_Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing.pdf

beeldvormende raad 13 maart 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 2: Bestemmingsplan Vulcaanstraat 1-3 - 202318.310 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De Klinker Milieu Adviesbureau. Verkennend bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek Vulcaanstraat 1-3 Gaanderen. K2220180, 23 augustus 2022 30

• • •

• • •

zowel visueel als analytisch is geen asbest aangetoond; in de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten lood, koper, kobalt, kwik, zink, PAK (10 van VROM) en PCB aangetoond; de parameter barium is sterk verhoogd aangetroffen in monster MMBG04. Monster MMBG04 betreft de bodemlaag 0,15-0,35 m-mv van boring 09 en heeft als bijmenging resten kooldeeltjes; in de ondergrond zijn licht verhoogde gehalten cadmium, kwik, kobalt, lood, zink en PAK (10 van VROM) aangetoond boven de achtergrondwaard; in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten naftaleen, tetrachlooretheen en barium aangetoond boven de streefwaarde; de deklaag van de asfaltverharding is plaatselijk teerhoudend. De onderliggende profiellaag is niet teerhoudend.

Door de aangetroffen lichte verontreinigingen in het grondwater dient de hypothese ‘verdachte locatie’ formeel aangenomen te worden. De aangetroffen stoffen in het grondwater zijn al eerder in beeld gebracht vanwege de verontreiniging van Senten. De aangetroffen gehalten blijven echter onder de interventiewaarde en zodoende hoeft er geen sanering op dit punt plaats te vinden. Zowel visueel als zintuiglijk is geen asbest aangetoond in het monster met bijmengingen ter plaatse van de betonverharding. De deklaag van de asfaltverharding is plaatselijk teerhoudend. De onderliggende profiellaag is niet teerhoudend. Door de aangetroffen lichte en sterke verontreiniging(en) in de grond dient de hypothese ‘onverdachte locatie’ voor de gehele onderzoekslocatie formeel verworpen te worden. Het terrein is ons inziens op basis van de milieuhygiënische kwaliteit niet geschikt voor het voorgenomen gebruik. Aanbeveling Vanwege het aangetroffen verhoogde gehalten aan barium ter plaatse van boring 09 dient een nader bodemonderzoek uitgevoerd te worden om zo de aanwezige verontreiniging in horizontale en verticale richting af te perken. Algemeen Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond op een locatie buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk).

De conclusies hebben uitsluitend betrekking op de geselecteerde deellocaties en de geanalyseerde componenten. Gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Nader onderzoek Het plangebied maakt onderdeel uit van het terrein van Senten, waar eerder uit bodemonderzoek is gebleken dat sprake is van een verontreiniging. Ook uit het verken-

31

nend bodemonderzoek is gebleken dat er een te hoog gehalte aan barium is aangetroffen. Vanwege het te hoog aangetroffen gehalte aan barium ter plaatse van boring 09 uit het verkennend bodemonderzoek, is een nader onderzoek uitgevoerd5. Bij het nader onderzoek zijn geen overschrijdingen van de interventiewaarde voor barium aangetroffen. De omvang van de aangetroffen sterke verontreiniging met barium is hiermee afgeperkt. Op basis van het nader onderzoek kan worden gesteld dat er sprake is van met een sterk verhoogd gehalte barium ter plaatse van boring 9 uit het verkennend bodemonderzoek. Omdat er in de afperkende boringen geen sterk verhoogde gehalten zijn aangetroffen, betreft het een beperkte spot van enkele m3’s en is er geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging, gezien minder dan 25 m3 grond is verontreinigd. Derhalve geldt geen saneringsplicht conform de Wet Bodenbescherming. Aanbevelingen Voor de verontreinigingen bestaat er geen saneringsplicht. Bij het huidige gebruik is de verontreiniging afgedekt en zijn er ook geen risico’s. Bij eventuele grondwerken dient wel rekening met de verontreiniging te worden gehouden. Indien met de verontreinigde grond wil roeren of ontgraven, dient hiervoor een plan van aanpak worden ingediend bij de gemeente Doetinchem.

Naast de gemeente Doetinchem dient ook op grond van de Wet bodembescherming de provincie Gelderland op de hoogte gebracht worden wanneer er werkzaamheden en/of gebruikswijziging plaats vinden, hier valt ook het oppompen/bemaling van grondwater onder. Na goedkeuring op het plan van aanpak en na goedkeuring van de provincie Gelderland kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd. Conclusie Bij grondwerken dient ter plaatse van de verontreinigde grond een goedgekeurd plan van aanpak opgesteld te worden en de provincie op de hoogte gebracht worden. Voor de overige gronden vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het gevoelige functies mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een appartementencomplex, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn formeel uitgesloten van akoestisch onderzoek.

5

De Klinker Milieu Adviesbureau. Nader bodemonderzoek Vulcaanstraat 1-3 Gaanderen. K2220242, 28 september 2022 32

Toetsing Vanwege de realisatie van nieuwe geluidgevoelige objecten in de vorm van appartementen is het noodzakelijk om een onderzoek te verrichten naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Uit dit onderzoek 6 wordt het volgende geconcludeerd. Gezoneerde Rijksweg (50 km/uur) Als gevolg van de gezoneerde Rijksweg wordt voldaan aan de Wet geluidhinder. Omliggende 30 km/uur wegen Als gevolg van de 30 km/uur wegen Hoofdstraat, de Rijksweg en de Vulcaanstraat vinden er overschrijdingen plaats van de gehanteerde voorkeursgrenswaarde van 48 dB bij de beoogde woningen van de in dit onderzoek benoemde gebouwen A en B. Voor alle overige gebouwen vinden er geen overschrijdingen plaats. Een hogere grenswaarde aanvraag procedure is niet van toepassing gezien sprake is van een, volgens de Wgh, niet gezoneerde weg. Als gevolg van de 30 km/uur Leuverink, Beekstraat, Gieterijstraat en de Vormerijstraat wordt de gehanteerde voorkeursgrenswaarde van 48 dB in totaliteit niet overschreden. Er is daardoor sprake van een goede ruimtelijke ordening. Toetsing gemeentelijk beleid Op basis van het gemeentelijk beleid dient voor de aanvraag van een hogere grenswaarde sprake te zijn van ten minste een geluidsluwe gevel per woning.

Van een hogere grenswaarde is echter geen sprake, en daarmee hoeft formeel geen rekening te worden gehouden met de Beleidsregels Hogere Waarden Wet geluidhinder Doetinchem 2008. Op basis van een goede ruimtelijke ordening zouden echter geluidsluwe gevels kunnen worden gecreëerd door middel van afscherming op appartement niveau. Dit kan bijvoorbeeld door toepassing van balkons met een dichte borstwering, waardoor de achterliggende gevel dusdanig kan worden afgeschermd dat deze geluidsluw is. Een en ander kan nader worden beschouwd in een bouwakoestisch onderzoek. Cumulatie en nadere maatregelen bij de ontvanger Voor onderhavig plan is een hoogste gecumuleerde geluidbelasting waarneembaar van 63 dB, exclusief aftrek artikel 110g Wgh. Bij de aanvraag van een ‘Omgevingsvergunning bouwen’ kan, op basis van een goede ruimtelijke ordening, door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek worden aangetoond dat de binnenwaarde uit het Bouwbesluit 2012 wordt gewaarborgd. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

6

SAB. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Vulcaanstraat 1-3 te Gaanderen. 220287, 30 september 2022. 33

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen

34

zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2021 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen NO2 concentratie PM10 concentratie PM2,5 concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

2021 10 – 15 µg/m3 16 – 18 µg/m3 12 – 14 µg/m3

2030 10 – 15 µg/m3 14 – 16 µg/m3 6 – 8 µg/m3

Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het

35

buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Vanwege de realisatie van het appartementencomplex moet worden aangetoond dat de ontwikkeling in lijn is met een ‘goede ruimtelijke ordening’. Om de haalbaarheid van deze ontwikkeling aan te tonen dient onder meer getoetst te worden aan het aspect bedrijven en milieuzonering, de toetsing is uitgewerkt in een memo 7. Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling De beoogde ontwikkeling maakt woningen mogelijk. Alhoewel er met deze functie sprake is van hindergevoeligheid is dit echter geen hinderveroorzakende functie. Het feit dat het plan hinder zou veroorzaken door nieuwe functies is hier dus niet van toepassing. Hinder van bestaande bedrijvigheid op de ontwikkeling Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies uit de omgeving. Wonen is geen milieuhinderveroorzakende functie, maar juist milieuhindergevoelig.

Er kan hinder ontstaan van de bestaande omliggende functies Ten aanzien van hinder van bestaande bedrijvigheid op de beoogde ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er bijna aan alle richtafstanden voor gemengd gebied wordt voldaan. Deze afstanden worden in bijna alle gevallen in de maximaal planologische situatie voldaan. Er wordt alleen niet voldaan aan de maximaal planologische richtafstand voor de bestemming ‘Centrum’ en ‘Bedrijf’. Voor deze bestemmingen volgt een nadere beschouwing. Nadere beschouwing ‘Centrum’: Er wordt niet voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van het perceel I 6630 (Rijksweg nummer 148A). In de feitelijke situatie was dit gebouw al lange tijd de werkplaats van een fietswinkel.

7

Functie

Omschrijving VNG

Werkplaats fietswinkel

Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en motorfietsen)

Richtafstanden in meters (gemengd gebied – met één stap terug) Geur Stof Geluid Gevaar 0 0 0 10

SAB. Quick scan bedrijven en milieuzonering woningbouwontwikkeling Vulcaanstraat 1-3 te Gaanderen. 220287, 11-8-2022 36

Gemeten afstand (m) 1

Er wordt niet voldaan aan de richtafstand voor het aspect ‘gevaar’. Op 9 augustus 2022 staat op de website van de fietswinkel dat de zaak gesloten is. De werkplaats is niet meer in gebruik. Hiermee is een nadere beschouwing niet noodzakelijk. Op het adres Rijksweg 148A geeft het handelsregister echter aan dat een cateringbedrijf momenteel aanwezig is. Dit bedrijf is gespecialiseerd in het organiseren van evenementen en feesten met barbecues. Dit bedrijf valt onder milieucategorie 2. Functie

Omschrijving VNG

Cateringbedrijf

Cateringbedrijven

Richtafstanden in meters (gemengd gebied – met één stap terug) Geur Stof Geluid Gevaar 0 0 10 10

Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de richtafstand voor een dusdanig bedrijf in gemengd gebied maximaal 10 meter. Op basis van de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt niet voldaan aan een goed woon-en leefklimaat en is een nadere beschouwing noodzakelijk. De VNG heeft echter een specifieke lijst opgesteld voor gebieden waar naar functiemenging wordt gestreefd. Voor de Rijksweg is deze lijst goed toepasbaar. De cateringbedrijven vallen onder categorie B. De categorie B omvat activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Het cateringbedrijf is bouwkundig afgescheiden van de beoogde ontwikkeling. Aangezien de locatie en het cateringbedrijf bouwkundig afgescheiden zijn van elkaar, zijn nadere onderzoeken niet benodigd. Nadere beschouwing ‘Bedrijf’: Er wordt niet voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van het perceel I 6620 (Rijksweg nummer 154). In de feitelijke situatie was dit gebouw in gebruik genomen door een antiekzaak. Op 9 augustus 2022 blijkt dat dit bedrijf uitgeschreven is uit het handelsregister. Dit gebouw staat momenteel leeg, echter is het planologisch mogelijk om hier wederom een bedrijf te starten binnen milieucategorie 1 en 2.

De maximale richtafstand voor een categorie 2 bedrijf in gemengd gebied is 10 meter. Deze afstand wordt met een enkele meter overschreden. Deze locatie wordt in de toekomst echter eveneens omgevormd tot woongebied als onderdeel van de ‘Ormellocatie’. Het is dus niet aannemelijk dat er hier nog een bedrijf zal vestigen. Een nadere beschouwing kan zodoende achterwege blijven. Conclusie Een nadere beschouwing laat zien dat er aan de feitelijke situaties wordt voldaan. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de omliggende functies geen hinder voor de woningen zullen veroorzaken. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

37

Gemeten afstand (m) 1

4.6

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toevoeging van kwetsbare objecten in de vorm van woningen. Voor de toetsing van de externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd.

Uitsnede risicokaart, plangebied weergegeven met rode ster (bron: atlasleefomgeving.nl)

38

In de omgeving van het plangebied liggen geen risicovolle bedrijven. Er hoeft geen toets aan het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen plaats te vinden. Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van buisleidingen. Er hoeft geen toets aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen plaats te vinden. Op enige afstand vanaf het plangebied is de rijksweg A18 gelegen met een invloedsgebied van 355 meter, het plangebied is echter niet binnen het invloedsgebied gelegen. Er hoeft geen toets aan het Besluit externe veiligheid transportroutes plaats te vinden. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.7

Water Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling afgewogen. Beleid Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: - waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); - waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; - waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; - in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; - realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; - Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; - Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van

(inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen

39

2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid; 3. Zoetwater; 4. Grondwater; 5. Scheepvaart.

Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden.

Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de op-

40

gaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1. Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2. Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. 3. Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q.

wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel Op 21 december 2021 is het waterbeheerprogramma van waterschap (WPB) Rijn en IJssel vastgesteld en vervangt het Waterbeheerplan 2016-2021. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap Rijn en IJssel voor de periode 2022 – 2027 op welke wijze gezorgd wordt voor: een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater Het waterbeheerprogramma zoekt verbinding met het werk van de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk. Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders.

Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor de primaire taakgebieden van het waterschap: • Naar een betere balans tussen nat en droog en gebiedsgerichte aanpak: klimaat robuust gebied; • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; • Afstemming van functies op de draagkracht van het systeem en een gezond watersysteem: gezonde leefomgeving; • Afvalvermindering, wendbare keten: Circulaire economie en energietransitie.

41

Het programma is, naast in deze thema’s, ook in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De kenmerken, de ontwikkelingen en de opgaven die gebiedsspecifiek zijn worden achter elkaar weergegeven. Het beleid is verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap, zoals de verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Toetsing Met onderhavig plan wordt binnen bestaand stedelijk gebied een tweetal gebouwen gesloopt en een nieuw appartementencomplex gerealiseerd. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen watergangen gelegen. Voor het plan is de digitale watertoets8 doorlopen. Daaruit volgt dat het plan waterschapsbelangen raakt. Advies bij het waterschap Rijn en IJssel is opgevraagd. Verhard oppervlak Binnen het plangebied is sprake van een bestaand verhard oppervlak en toekomstig verhard oppervlak. In navolgende tabel is inzicht gegeven in deze oppervlaktes.

Soort verharding Bebouwing (erf) verharding Totaal

Bestaand 247 m2 695 m2 942 m2

Beoogd 877 m2 1.335 m2 2.212 m2

Verschil + 630 m2 + 640 m2 + 1.270 m2

Hemelwaterberging Voor ontwikkelingen binnen de (nieuwe) bebouwde kom moet het volume van de waterbergende voorziening zodanig groot zijn dat een bui T100+10% kan worden geborgen, zonder dat schade aan gebouwen ontstaat. Het benodigde volume in m 3 kan berekend worden door het oppervlak aan nieuw verhard gebied (m2) te vermenigvuldigen met 80 mm (0,08 m). Het bestaande oppervlak aan verhard oppervlak dient met te worden vermenigvuldigd met 20 mm (0,02 m). Met onderhavig initiatief zal er sprake zijn van 2.212 m2 aan verhard oppervlak, bestaande uit 942 m2 aan bestaand oppervlak en 1.270 m2 aan toename in verhard oppervlak. Er dient zodoende (942 x 0,02 = 18,84 m3) + (1.270 x 0,08 = 101,6 m3) = 120,44 m3 aan infiltratievoorziening aangelegd te worden. De infiltratievoorziening dient boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand gelegen te zijn. De buitenbergingen worden voorzien van een sedumdak. De waterberging wordt onder de parkeervoorziening gerealiseerd in de vorm infiltratiekratten. De exacte uitwer8

Digitale Watertoets, Resultaat van de check gedaan op 1-9-2022 42

king wordt in afstemming met het waterschap opgesteld. Mochten er te weinig infiltratiemogelijkheden zijn op de locatie dan wordt mogelijk een deel van de erfverharding voorzien van een halfverharding. Riolering Bij de nieuwbouw wordt hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd. Het afvalwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin is uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per persoon. Op basis van maximaal 22 appartementen en een maximale bezetting van 2 personen/woning, wordt uitgegaan van 44 bewoners. Dit betekent dat er dus 44 x 120 liter = 5.280 liter per dag wordt geloosd. Aangezien er nu geen gebruik gemaakt wordt van de riolering binnen het plangebied komt dit overeen met een toename van circa 5,3 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van gemiddelden en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Beheer en onderhoud Het afvalwater komt via het riool in de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Hier zorgt het Waterschap Rijn en IJssel dat het afvalwater wordt gezuiverd, voordat het naar het oppervlaktewater stroomt.

Het afvalwater van de 130.000 inwoners van Doetinchem, Oude IJsselstreek en Montferland stroomt naar de rioolwaterzuivering Etten. In het afvalwaterteam Etten werkt Buha, namens gemeente Doetinchem, samen met de andere gemeenten en het Waterschap Rijn en IJssel. Klimaatadaptatie/Verdroging Een van de effecten van klimaatverandering is dat er vaker langere periodes zijn van droog en warm weer, alsmede nattere periodes met hevige regenval. Ook in de regio Achterhoek speelt het probleem droogte, hierom is het wenselijk om tijdens droge dan wel natte periodes water vast te kunnen houden in de openbare ruimte. De bodem zelf heeft goede waterretentiemogelijkheden. Maar er moet wel een mogelijkheid zijn tot infiltratie; bij verharde grond is dat niet zomaar het geval. Daarom wordt de verwezenlijking van onverharde grond óf infiltratie mogelijkheden in verharde grond geadviseerd om klimaat- en toekomstgericht te ontwikkelen. Het is daarnaast mogelijk om opvangreservoirs, zoals infiltratiekratten, of waterberging te realiseren. Het verwezenlijken van goede infiltratie heeft daarnaast een positief effect op overstromingen door regenbuien. Wel blijft er een kleine kans op overstromingen in het gebied. Hierom wordt aanbevolen om zo klimaatadaptief mogelijk te bouwen, en zo mogelijke toekomstige schade te mitigeren Een verhoogd vloerpeil t.o.v.

de weg, kruipruimteloos bouwen, en een zo groen mogelijk (onverhard) perceel zijn voorbeelden om wateroverlast te voorkomen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

43

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en houtopstanden. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing quick scan natuur Met onderhavig plan wordt bestaand stedelijk gebied in de kern van Gaanderen omgevormd van een tweetal gebouwen naar een appartementencomplex van 22 woningen. In het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving is gekeken naar eventuele gevolgen voor beschermde gebieden, beschermde soorten en houtopstanden, dit is verwerkt in de quick scan natuur9. Beschermde gebieden In de nabije omgeving zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen. Het Duitse NSG Grietherorter Altrhein is op 8,5 km afstand het dichtstbij gelegen. De nieuwe woningen worden zonder gasaansluiting opgeleverd, zodoende kan alleen de toename van wegverkeer zorgen voor uitstoot van stikstof en de aanlegfase van de ontwikkeling kan zorgen voor uitstoot van stikstof. Het aspect stikstof is behandeld in paragraaf 4.9.

Verder blijkt dat het plangebied niet binnen het Natuurnetwerk Nederland, andere provinciaal beschermde natuur of gemeentelijke groenstructuur valt.

Uitsnede Natuurnetwerk Nederland, planlocatie is rode ster (bron: Atlas leefomgeving)

9

SAB. Quick scan natuur, Gaanderen Vulcaanstraat 1-3. 220287, 23 mei 2023 44

Uitsnede Gelders natuurnetwerk, planlocatie is rode pointer (bron: ruimtelijke plannen)

De provinciale of gemeentelijke bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Beschermde soorten In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn ook nestplaatsen van de gierzwaluw en nestplaatsen en essentieel leefgebied van de huismus aanwezig. Deze elementen van deze soorten zijn jaarrond beschermd.

Om hierover duidelijkheid te krijgen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied van deze soorten aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk

45

Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Tenslotte is tijdens het veldbezoek een verblijfplaats van de steenmarter op de zolder van de te slopen woning aangetroffen. Een dergelijke verblijfplaats is wettelijk beschermd. Hiervoor dient derhalve een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden, in combinatie met het treffen van voldoende mitigerende maatregelen. We adviseren om eerst het andere nadere onderzoek uit te voeren, om vervolgens voor alle beschermde elementen in één keer een ontheffing aan te vragen. Beschermde houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

Toetsing nader onderzoek gierzwaluw, huismus en vleermuizen Uit de quick scan blijkt dat er mogelijk nestplaatsen van de gierzwaluw, nestplaatsen en essentieel leefgebied van de huismus en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Zodoende is er nader onderzoek10 naar deze soorten uitgevoerd. Huismus In het onderzoeksgebied zijn gedurende het onderzoek geen beschermde nestlocaties van de huismus aangetroffen. In de directe omgeving is één nestlocaties van de huismus aangetroffen. De huismussen buiten het onderzoeksgebied toonde geen binding met de onderzoekslocatie. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de huismus is uitgesloten. Gierzwaluw In het onderzoeksgebied zijn gedurende het onderzoek geen beschermde nestlocaties van de gierzwaluw aangetroffen. In de directe omgeving eveneens geen beschermde nestlocatie van de gierzwaluw aangetroffen. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de gierzwaluw is uitgesloten. Vleermuizen In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Gedurende de onderzoeken zijn enkele passerende gewone dwergvleermuizen en laatvliegers waargenomen, echter toonde deze exemplaren geen binding met de onderzoekslocatie. In de directe omgeving zijn eveneens geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen.

Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is uitgesloten.

10

Econsultancy. Rapport aanvullend onderzoek Vulcaanstraat 1-3, Gaanderen. 22018.001, 17 november 2023 46

Op de onderzoekslocatie zijn geen beschermde functies aangetroffen ten aanzien van de huismus, gierzwaluw of vleermuis. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten is uitgesloten. Werkprotocol Steenmarter Uit de quickscan Wet natuurbescherming blijkt dat op de onderzoekslocatie een beschermde verblijfplaats van de steenmarter aanwezig is. Er is een ecologisch werkprotocol11 opgesteld omdat de initiatiefnemer voornemens is gebruik te maken van de reeds verleende ontheffing voor het verjagen van de steenmarter binnen de gemeente Doetinchem (zaak-nummer: 2020-001121). Door gebruik te maken van de ontheffing verplicht de initiatiefnemer zich tot het werken buiten de gevoelige periodes van de beschermde soort, alsmede het treffen van mitigerende maatregelen. Samenvattend zijn de navolgende acties benodigd volgens het protocol: − Econsultancy inschakelen bij de start van het ongeschikt maken; − Tupoleumzuilen plaatsen in de bebouwing buiten de kraamperiode en twee weken voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden; − Alternatieve verblijfplaats realiseren voor start ongeschikt maken; − Vrijgave door Econsultancy na afloop van controleronde (enkele dagen na het ongeschikt maken), indien nodig aanvullend ongeschikt maken (maatwerk).

Conclusie Indien het werkprotocol gevolgd wordt voor de steenmarter zorgt het aspect natuur niet voor belemmeringen voor onderhavig plan.

4.9

Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten.

11

Econsultancy. Ecologisch werkprotocol Steenmarter Vulcaanstraat 1-3, Gaanderen. 22018.002, 17 november 2023 47

Toetsing In het kader van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk de mogelijke stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk te maken. Dit is inzichtelijk gemaakt in een onderzoek stikstofdepositie12 waarvan de conclusies navolgend gegeven zijn. Aanlegfase Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd.

4.10

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Het plangebied is gelegen op een archeologisch en bouwhistorisch kansrijke locatie. In december 2011 is een archeologisch bureauonderzoek en op 6 januari 2012 een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd13. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Gespecificeerde archeologische verwachting

12 13

SAB. Onderzoek stikstofdepositie, Gaanderen Vulcaanstraat 1-3. 220287, 9 november 2023 Ecosultancy. Archeologisch bureauonderzoek en gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, Rijksweg – Vulcaanstraat te Gaanderen. 10085956, 20 augustus 2014 48

Vanwege de ligging op het rivierduin, in de nabijheid van de Holocene riviervlakte, zal het plangebied gedurende het Holoceen een gunstige (tijdelijke) nederzettingslocatie hebben gevormd, met name voor landbouwers. Dit wordt tevens bevestigd door de bekende archeologische waarden in de nabijheid van het plangebied. De kans op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Neolithicum – Nieuwe tijd wordt dan ook hoog geacht. Vanwege het ontbreken van bekende archeologische waarden van jagers/verzamelaars in de omgeving van het plangebied, en de ligging van hogere rivierduinen in de directe nabijheid, wordt de kans op het aantreffen van resten uit de perioden Laat-Paleolithicum – Mesolithicum middelhoog geacht. Archeologische resten worden verwacht in de top van de rivierduinzanden. Indien verstuiving heeft plaatsgevonden ter plaatse van het plangebied, dan zouden archeologische resten jonger dan de verstuiving zich ook in de verstoven zanden kunnen bevinden. Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw is grotendeels intact en komt overeen met de verwachtingen op basis van het bureauonderzoek. In het opgeboorde sediment zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van archeologische waarden.

Conclusie De gespecificeerde archeologische verwachting kan op basis van de resultaten van het booronderzoek worden bijgesteld, het plangebied kan op grond van dit onderzoek worden vrijgesteld van archeologisch vervolgonderzoek. Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Doetinchem hiervan per direct in kennis te stellen. Conclusie Het aspect archeologie zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig plan.

4.11

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Er bevinden zich in het plangebied, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland, geen Rijks- en/of gemeentelijke monumenten. De bestaande woning en het oude postkantoor worden echter aangemerkt als potentieel cultuurhistorisch waardevol. De sloop van de gebouwen is zodoende in principe niet

49

wenselijk. De realisatie van het appartementencomplex brengt echter een enorme kwaliteitsverbetering met zich mee. De gebouwen staan al geruime tijd leeg en worden niet meer onderhouden. Door de realisatie van het nieuwe appartementencomplex krijgt het gehele gebied een upgrade en wordt leegstand tegengegaan. Inpassing van de bestaande woning en het oude postkantoor is in het onderhavige plan niet mogelijk. Met het nieuwe gebouw wordt door middel van vormgeving en materialisatie een verwijzing gemaakt naar de cultuurhistorie. Er wordt gebruik gemaakt van oude rode gevelstenen, groen en blauwstaal. Hiermee wordt verwezen naar industriële geschiedenis van Gaanderen. Het belang van het realiseren van de gewenste woningbouw en de kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte weegt op deze locatie zwaarder dan het verlies van de potentieel aanwezige cultuurhistorische waarden. De aanwezige historische wegwijzer welke aanwezig is op de hoek van de Vulcaanstraat en de Rijksweg blijft binnen onderhavig plan behouden. De kwaliteitsimpuls die de omgeving krijgt en de zojuist genoemde verwijzingen zorgt voor compensatie ten opzichte van het behouden van de vervallen bestaande gebouwen. Conclusie Het aspect cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig plan.

4.12

Verkeer en parkeren Algemeen Met voorliggend plan wordt een appartementencomplex gerealiseerd van maximaal 22 appartementen waarvan 20% in het goedkope segment. Deze ontwikkeling zorgt voor een toename in verkeersintensiteit en benodigde parkeergelegenheid. Binnen de gemeente Doetinchem geldt de Nota Parkeernormen Auto- en Fiets. Uit de nota blijkt dat Doetinchem valt onder ‘Matig stedelijk’ en dat de kern Gaanderen gezien wordt als ‘Rest bebouwde kom’. De benodigde parkeergelegenheid is gebaseerd op de normen uit de nota en voor de verkeersgeneratie is gebruikgemaakt van de gemiddelde normen zoals gegeven in CROW (versie P381). Van de 22 appartementen worden 17 woningen beschouwd als dure koopappartement en 5 woningen als goedkopen koopappartement. Verkeer De verkeersgeneratie wordt bepaald per woning per etmaal. Voor het dure segment wordt in de CROW een norm gehanteerd van 7,1 bewegingen per woning in ‘rest bebouwde kom’ in ‘matig stedelijk gebied’. Voor het goedkope segment wordt een norm gehanteerd van 5,6. Voor onderhavig plan betekent dat de volgende verkeersgeneratie: 17 dure appartementen x 7,1 bewegingen = 120,7 bewegingen 5 goedkope appartementen x 5,6 bewegingen = 28 bewegingen

50

Totaal 120,7 + 28 = 148,7, afgerond 149 bewegingen per etmaal. In afbeelding welke reeds is weergegeven in paragraaf 2.2 is een tekening op schaal met kadastrale ondergrond weergegeven. Hierop is de doorkijk naar de Ormellocatie weergeven en het aantal parkeerplaatsen is verwerkt. De verkeersgeneratie kan worden opgevangen op de bestaande infrastructuur. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Parkeren Het benodigde aantal parkeerplekken wordt bepaald per woning. Voor het dure segment wordt in de Nota Parkeernormen Auto- en Fiets een norm gehanteerd van 2,0 parkeerplaatsen per woning in ‘rest bebouwde kom’ in ‘matig stedelijk gebied’. Voor het goedkope segment wordt een norm gehanteerd van 1,6 parkeerplaatsen. Voor onderhavig plan betekent dat de volgende parkeerbehoefte: 17 dure appartementen 5 goedkope appartementen

x 2 parkeerplaatsen x 1,6 parkeerplaatsen

= 34 parkeerplaatsen = 8 parkeerplaatsen

Totaal 34 + 8 = 42 parkeerplaatsen. In de nota komt naar voren dat er per woning wordt gerekend met 1 parkeerplaats op eigen terrein. Binnen het plangebied worden 30 parkeerplaatsen gerealiseerd. De parkeerplaatsen voldoen aan de minimale afmetingen (2,50 x 5,00 m). Als de ontwikkeling op de Ormellocatie wordt opgepakt, zullen minimaal 2 parkeerplaatsen vervallen. Deze worden gecompenseerd op de Ormellocatie. Naast de 30 te realiseren parkeerplaatsen dienen 12 personenauto’s in het openbaar gebied te parkeren. In een straal van 150 meter rond het plangebied zijn 137 bestaande parkeerplaatsen aanwezig. Op 4 verschillende tijdstippen per dag zijn de beschikbare parkeerplekken in een meting opgenomen. Daaruit komt naar voren dat op donderdag 21:00 uur de meeste parkeerplekken (112) bezet zijn. Dit is weergegeven in navolgende tabel.

51

Op elk moment van de dag zijn er dus 137 – 112 = 25 vrije parkeerplaatsen beschikbaar. Er is in de directe omgeving van het plangebied dus ruimte voor 12 personenauto’s om in het openbaar gebied te parkeren. Er is in dit specifieke geval sprake van een doelgroep voor deze appartementen (60+), waarbij de kans dat bewoning door alleenstaanden groter is. Daarnaast zit op de huidige functie (postkantoor met woning) ook nog de bestaande parkeercapaciteit, die gesaldeerd mag worden met de nieuwe parkeercapaciteit. Zodoende is de gemeente Doetinchem bereid in te stemmen met het aantal van 30 parkeerplaatsen op eigen terrein. Dat betekent dat voor de overige capaciteit van 12 plaatsen geparkeerd kan worden in openbaar gebied in de omgeving. Als uitgegaan wordt dat de resterende 12 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn voor bezoekers, is dit acceptabel. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.13

Klimaatadaptatie Algemeen Met betrekking tot waterveiligheid en wateroverlast zijn normen vastgesteld met resultaats- en inspanningsverplichtingen voor de waterschappen. Deze normen zijn vastgelegd in de provinciale waterverordeningen voor de waterschappen (Waterverordening Waterschap Rivierenland, Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe en Waterverordening Waterschap Rijn en IJssel). Ruimtelijke ontwikkelingen en weersextremen zijn hierop van grote invloed. Het is daarom van belang dat hiermee bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden en dat het waterschap hierbij wordt betrokken. Daarnaast vormen de effecten en gevolgen van droogte en hitte een belangrijke problematiek om rekening mee te houden. In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie) 1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. waterveiligheid; b. wateroverlast; c. droogte; en d. hitte. 3.

De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.

52

Toetsing Binnen het plangebied wordt een woongebouw gerealiseerd. Zoals eerder in paragraaf 4.7 naar voren is gekomen is er sprake van 2.212 m2 aan verhard oppervlak, bestaande uit 942 m2 aan bestaand oppervlak en 1.270 m2 aan toename in verhard oppervlak. Er dient zodoende (942 x 0,02 = 18,84 m3) + (1.270 x 0,08 = 101,6 m3) = 120,44 m3. De infiltratievoorziening dient boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand gelegen te zijn. Het hemelwater wordt ter plaatse geborgen in infiltratie- of waterbergende voorzieningen, hiermee wordt wateroverlast tegengegaan in natte periode en door het water vast te houden eveneens droogte tegengegaan in een droge periode. Door het verhard oppervlak te beperken en veel groen aan te leggen en te behouden wordt ingespeeld om hitte tegen te gaan. Daarnaast is er rekening gehouden met groen, dit vertaald zich binnen de architectuur door een gezamenlijke groene binnentuin, daktuinen, al dan niet gezamenlijk en tevens de groene borders rondom de nieuwe bebouwing. Daarnaast wordt binnen de parkeerzone groen aangelegd en wordt daar waar mogelijk natuur-inclusieve materialen toegepast. Conclusie Rekening houdend met voorgaande vormt het aspect klimaatadaptatie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

53

5

Conclusie toetsing aan beleid en regelgeving en milieuen omgevingsaspecten Het initiatief betreft: • het slopen van het postkantoor en de woning • het realiseren van een woongebouw met 22 appartementen o in eerste plaats gericht op de leeftijdsgroep 55/60+ o 5 appartementen zijn bestemd voor het goedkope segment o Binnen het plangebied wordt de parkeervoorziening gerealiseerd. Beleid en regelgeving Het initiatief is getoetst aan al de relevante beleidsstukken en regelgeving. Binnen het rijksbeleid is onder andere de ladder voor duurzame verstedelijking positief doorlopen, ook binnen de andere beleidskaders is het initiatief passend. Voor het provinciaal en regionaal beleid is getoetst aan de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland, Kwalitatieve toetsingscriteria woningbouw Achterhoek en de Regionale structuurvisie Achterhoek 2012. Het voorliggende plan is niet in strijd met het provinciaal en regionaalbeleid. Op gemeentelijk niveau is getoetst aan de Structuurvisie Doetinchem 2035, de Woonvisie Doetinchem 2023-2036, waarvoor eveneens de vragenlijst toetsing Woningbouwprojecten Woonvisie gemeente Doetinchem succesvol is doorlopen. Naast het woonbeleid is ook nog getoetst aan de beleidstukken Doetinchem Natuurlijk Duurzaam, Beleidskader Duurzame energieopwekking, Groenstructuurplan Doetinchem 2017, Bomenverordening gemeente Doetinchem 2015 en het Parkeerbeleid.

Uit deze toetsing is gebleken dat voorliggend plan niet in strijd is met het gemeentelijk beleid. Milieu- en omgevingsaspecten Om de haalbaarheid aan te tonen zijn de verschillende milieu- en omgevingsaspecten getoetst. Uit de toetsing blijkt dat er geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld. Uit het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat er een te hoog gehalte aan barium is aangetroffen. Op basis van het nader onderzoek kan worden gesteld dat er sprake is van met een sterk verhoogd gehalte barium ter plaatse van boring 9 uit het verkennend bodemonderzoek. Omdat er in de afperkende boringen geen sterk verhoogde gehalten zijn aangetroffen, betreft het een beperkte spot van enkele m 3’s en is er geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging, gezien minder dan 25 m3 grond is verontreinigd. Derhalve geldt geen saneringsplicht conform de Wet Bodenbescherming. Bij eventuele grondwerken dient wel rekening met de verontreiniging te worden gehouden. Indien met de verontreinigde grond wil roeren of ontgraven, dient hiervoor een plan van aanpak worden ingediend bij de gemeente Doetinchem. Naast de gemeente Doetinchem dient ook op grond van de Wet bodembescherming de provincie Gelderland op de hoogte gebracht worden wanneer er werkzaamheden en/of gebruikswijziging plaats vinden, hier valt ook het oppompen/bemaling van grondwater onder.

Na goedkeuring op het plan van aanpak en na goedkeuring van de provincie Gelderland kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd.

54

Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een te hoge geluidsbelasting op de woningen. De plannen dragen In Niet Betekende Mate bij aan de luchtkwaliteit, ook is er geen sprake van een normoverschrijding van fijnstof. Er worden geen omliggende bedrijven gehinderd en omliggende bedrijven zorgen niet voor hinder op onderhavige ontwikkeling. In de omgeving van het plangebied liggen geen risicovolle bedrijven, er hoeft geen toets aan het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen plaats te vinden en het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van buisleidingen. De digitale watertoets is doorlopen. Met onderhavig initiatief is er een toename van 700 m 2 aan verhard gebied. Er dient zodoende 700 x 0,08 = 56 m3 aan infiltratievoorziening aangelegd te worden. De infiltratievoorziening dient boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand gelegen te zijn. Uit de quick scan natuur blijkt dat er mogelijk nestplaatsen van de gierzwaluw, nestplaatsen en essentieel leefgebied van de huismus en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Alvorens het bestemmingsplan vastgesteld kan worden dient nader onderzoek naar deze soorten zijn uitgevoerd. Daarnaast dient een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden voor de aanwezige verblijfplaats van de steenmarter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8091/documents/45815