CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 01_03_B1_Toelichting_Ruimtelijke onderbouwing.pdf

beeldvormende raad 13 maart 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan Holterhoek ong. - 202315.427 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

31

Daarom is in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de omliggende 30 km-wegen (Holterweg, Spoorstraat en Julianaplein). De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de omliggende 30 km-wegen bedraagt 31 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Spoorlijn Ten oosten van de nieuwe woningen ligt de spoorlijn Winterswijk - Zevenaar. Het geluidsproductieplafond (GPP) van deze spoorlijn ter hoogte van de nieuwe woningen bedraagt maximaal 52 dB, blijkt uit het geluidsregister. Deze spoorlijn heeft een zone van 100 meter. De nieuwe woningen liggen buiten de zone van de spoorlijn Winterswijk - Zevenaar. Akoestisch onderzoek naar deze spoorlijn is niet noodzakelijk. Industrieterreinen Gezoneerde industrieterreinen zijn in de nabijheid van de nieuwe woningen niet aanwezig. Het plangebied ligt dan ook niet in de zones van gezoneerde industrieterreinen. Akoestisch onderzoek naar gezoneerde industrieterreinen is dan ook niet nodig. Gevelgeluidwering Op grond van het Bouwbesluit 2012 dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB bij woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai gegarandeerd te worden. De hoogste cumulatieve geluidsbelasting bedraagt 50 dB, exclusief aftrek ex artikel 110g.

Om de binnenwaarde bij de woningen te halen, moet een minimale geluidsisolatie van (49-33=) 16 dB worden bereikt. Volgens artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. Als de gevels van de nieuwe woningen voldoen aan het Bouwbesluit 2012, dan worden de binnenwaarden van 33 dB (wegverkeer) en 35 dB(A) (industrie) ook gehaald. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.4

Luchtkwaliteit

Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht

32

programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 øg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Toetsing Voorliggend ontwikkeling voorziet in de realisatie van vier vrijstaande woningen. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2020 en 2030. De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Beide typen scenario's laten in de toekomst een afname van de concentraties zien.

Dit komt doordat bedrijven en het verkeer steeds schoner worden door technologische verbeteringen. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.5

Externe veiligheid

Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en

33

activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. Het bevoegd gezag wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 160 meter tot zeer kwetsbare objecten. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

34

Toetsing Ten behoeve van de toetsing is de risicokaart geraadpleegd, waarvan een uitsnede in onderstaande afbeelding is weergegeven. Onderhavig ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van vier vrijstaande woningen . Het plangebied is blauw omcirkeld.

Uitsnede Risicokaart Nederland (plangebied blauw omcirkeld) Gasontvangststation Op circa 600 meter ten westen van het plangebied ligt een gasdrukmeet- en regelstation van Gasunie. De afstand van het PR10-6 contour bedraagt 15 meter voor dit gasdrukmeet- en regelstation. Het plangebied bevindt zich ruim buiten de PR10-6 contour. Buisleidingen Op circa 620 meter ten westen van het plangebied ligt een gasleiding van Gasunie. Het plaatsgebonden risicocontour ligt op de leidingen. De leiding heeft de volgende kenmerken: Naam leiding

Uitwendige diameter

Werkdruk

N-566-12

4,49 inch

40,00 bar

Invloedsgebied Groepsrisico 61

Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van het groepsrisico voor voorgenoemde leiding. Een nadere beoordeling van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk.

35

Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor en de weg Op circa 1650 meter ten zuiden van het plangebied ligt de snelweg A18. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd volgens de Regeling Basisnet. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de weg. Nadere toetsing is daarom niet noodzaak. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Algemeen Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies of milieuhinderveroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu binnen en buiten het plangebied mogelijk is. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd.

De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies. Toetsing Het plangebied en haar omgeving maakt gezien de omliggende functies, een school, een zorginstelling en wonen, deel uit van een 'gemengd gebied'. Bedrijvigheid in het plangebied Voorliggend ontwikkeling voorziet in de nieuwbouw van vier vrijstaande woningen in de bebouwde kom van Doetinchem. Er wordt geen milieuhinderveroorzakende functie mogelijk gemaakt. Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het plangebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied. In de omgeving van het plangebied komen een aantal milieubelastende functies voor, zoals een school en zorginstelling. Deze functies zijn in onderstaande tabel opgenomen, waarbij de locatie, de milieucategorie, de grootste richtafstand en de feitelijke afstand tot de dichtstbijzijnde woningen wordt vermeld:

36

Locatie

Omschrijving

Milieucategorie

Prakticon (Spoorstraat Scholen voor 2.0 11B) beroeps-, hoger en overig onderwijs Tandartspraktijk Dr. Artsenpraktijken, 1.0 Van der Linden BV klinieken en (Julianaplein 31) dagverblijven Elver Zorgwonen Verpleeghuizen 2.0 (Holterweg 142)

Grootste richtafstand VNG

Daadwerkelijke afstand tot dichtstbijzijnde woning

30 meter (geluid)

circa 10 meter

10 meter (geluid)

circa 65 meter

30 meter (geluid)

circa 20 meter

Het gebied kan worden aangemerkt als een gemengd gebied. Hierdoor kan de richtafstand met één trede worden verlaagd. Voor de afstand tot de school en de zorgwoningen betekent dit dat de grootste richtafstand 10 meter is. Voor zowel de school, de zorgwoningen en de tandartsenpraktijk wordt daardoor voldaan aan de richtafstanden. Transformatorhuisje Bij de productie van stroom is er sprake van elektromagnetische straling in een elektromagnetisch veld. Uit onderzoek van het RIVM over gezondheid en elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations is geconcludeerd dat de sterkte van de velden afneemt wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Uit dit onderzoek blijkt dat 0,4 ìT (jaargemiddelde) wordt bereikt op een afstand van 7 meter van het transformatorstation. Dit wordt door de Rijksoverheid als grenswaarde aangenomen bij situaties van langdurige blootstelling. Het transformatorhuisje staat op circa 7 meter van de dichtstbijzijnde geplande woning en voldoet derhalve aan de richtafstand. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat de woningen goed ingepast kunnen worden in de omgeving van het plangebied. Hiermee is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect bedrijven en milieu vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.7

Ecologie

Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing Quickscan natuurtoets Door Buro Ontwerp & Omgeving is in augustus 2022 een quickscan natuurtoets uitgevoerd, het onderzoek is in juni 2023 geupdate. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. De belangrijkste resultaten zijn in de navolgende alinea's samengevat.

37

Soortenbescherming Er zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten geconstateerd. Het kan wel zijn dat er tijdens de werkzaamheden algemene diersoorten op de locatie voorkomen. Bij het uitvoeren van werkzaamheden moet de algemene zorgplicht in acht worden genomen (artikel 1.11 Wnb). Handelingen die nadelige effecten hebben moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is moe-ten maatregelen worden genomen om negatieve effecten te beperken of ongedaan te maken. Overigens moeten de werkzaamheden plaatsvinden buiten het vogelbroedseizoen omwille de aanwezigheid van algemene broedvogelsoorten. Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de begrenzing van de bebouwde kom en er zijn geen houtopstanden aanwezig. Hierdoor is er geen sprake van een meld- en herbeplantingsplicht zoals bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Indien het noodzakelijk is om de vrijstaande boom te kappen, moet echter rekening worden gehouden met een gemeentelijke kapvergunning. Gebiedsbescherming Er bevinden zich geen Natura 2000-gebieden binnen 10 kilometer afstand van het projectgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is namelijk gelegen op circa 12,1 kilometer afstand van het plangebied en betreft Rijntakken.

Gezien het type werkzaamheden en de ligging ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. Door het gebruik van werktuigen kunnen er wel indirecte gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat 19 Natura 2000-gebieden op minder dan 25 km afstand van het projectgebied liggen, vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen van deze gebieden. Om de effecten van de stikstofuitstoot op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Het plangebied ligt op circa 440 meter van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en circa 570 meter van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Ter waarborging van de natte landnatuur in de GNN en GO ligt de Beschermingszone natte landnatuur rondom de GNN en GO. Het plangebied valt buiten deze zone. Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast. Effectenbeoordeling stikstofdepositie In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie.

De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden betreffen de in Nederland gelegen Rijntakken en de in Duitsland gelegen ‘NSG Hetter-Millinger Bruch’ en ‘VSG Unterer Niederrhein’ die allen op een afstand van circa 12,1 km van het projectgebied liggen. Andere Natura 2000-gebieden op minder dan 15 km afstand zijn ‘Klevsche Landwehr, Anholtsche IJssel, Feldschlaggraben und Regnieter Bach’, (ca. 12,2 km), ‘NSG Emmericher Ward’ (ca. 14,3 km) en ‘Dornicksche Ward’ (ca. 14,9 km). Volgens de Wet natuurbescherming moet worden uitgesloten dat significante negatieve effecten kunnen optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of andere handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Een verdere toename van de stikstofdepositie is alleen toegestaan met een vergunning Wet natuurbescherming (Wnb). Daarom dient voor nieuwe plannen en projecten onderzocht te worden of er sprake is van een significante depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden.

38

Uit de uitgevoerde effectbeoordeling stikstofdepositie (Bijlage 7) blijkt dat de ontwikkeling aan de Holterhoek te Doetinchem zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Hierbij is uitgegaan van een worst-case situatie met vijf vrijstaande woningen. Met betrekking tot stikstofdepositie kan worden opgemerkt dat er geen vergunning van de Wet natuurbescherming nodig is om de ontwikkeling mogelijk te maken. Natuurinclusief Er zijn geen nadelige effecten voor wat betreft ecologie. Het voornemen bestaat om onderhoudsarme materialen te gebruiken en natuurinclusief te bouwen. Bij natuurinclusief bouwen wordt bij de bouw en inrichting van het plangebied maatregelen genomen die een positief effect zullen hebben op de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. Om de natuurwaarden te verhogen zullen de woningen worden voorzien van ingemetselde nestkasten voor vleermuizen en vogels. De groenstrook zal worden ingeplant met vogel-, vlinder- en bijvriendelijke bloemen en struiken. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het ontwikkeling.

4.8

Water

Beleid Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. Voor het waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap weergegeven in vier thema's. Klimaatrobuust gebied De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied. Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst.

Dat wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen.

39

Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd. Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Watertoets Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. Voor het doorlopen van de watertoets gebruikt dit waterschap de website www.dewatertoets.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Op basis van de ingevulde digitale watertoets wordt door het waterschap geconcludeerd dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt. Er geldt een normale procedure, dit houdt in dat nader overleg met waterschap Rijn en IJssel dient plaats te vinden.

Voor de volledigheid is door Buro Ontwerp & Omgeving een waterhuishoudkundige analyse uitgevoerd, zie Bijlage 8. De watertoets is bijgevoegd als bijlage bij de waterhuishoudkundige analyse. Uit de digitale watertoets is het volgende advies naar voren gekomen: Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt van het Waterschap is dat het plan minimaal hydrologisch neutraal is, of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. De toename van verharding moet gecompenseerd worden door een waterbergende voorziening aan te leggen. Hierin wordt het hemelwater verzameld en geïnfiltreerd in de ondergrond of vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor ontwikkelingen binnen de (nieuwe) bebouwde kom moet het volume van de waterbergende voorziening zodanig groot zijn dat een bui T100+10% kan worden geborgen, zonder dat schade aan gebouwen ontstaat. Het benodigde volume kan berekend worden door het oppervlak aan nieuw verhard gebied (m 2) te vermenigvuldigen met 80 mm.

Voor ontwikkelingen in het buitengebied moet een bui T10+10% kunnen worden geborgen, dit komt overeen met een benodigd bergingsvolume van 55 mm per m2 nieuw verhard oppervlak. Het watersysteem moet zo ingericht zijn, dat het beter bestand is tegen de effecten van de verwachte klimaatverandering, zoals zwaardere buien en langere droge perioden. Het waterschap streeft naar een doelmatige werking van de gehele afvalwaterketen. Ze treden daarom graag in een vroeg stadium in gesprek over nieuwe ontwikkelingen. Hemelwater wordt zo min mogelijk afgevoerd naar de afvalwaterzuivering, zodat meer water in de bodem wordt vastgehouden, de efficiëntie van de waterzuivering vergroot wordt, en het aantal riooloverstorten op het oppervlaktewater wordt teruggedrongen. Een toename van afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de rioolgemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) dienen de toename te kunnen verwerken, zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Verder streeft het waterschap naar doelmatig waterbeheer dat optimaal de functies en het huidige gebruik ondersteunt. Nieuwe functies moeten aansluiten bij het gewenste grond- en oppervlaktewaterregime. Hiermee wil het Waterschap een structurele overlast door te hoog grondwater voorkomen en verdroging door te laag water tegengaan. 40

Waterhuishoudkundige analyse Door Buro Ontwerp & Omgeving is voor het plangebied in september 2022 een waterhuishoudkundige analyse uitgevoerd. Naar aanleiding van het aangepaste verkavelingsplan is in juni 2023 de waterhuishoudkundige analyse geupdate. Het onderzoek is als Bijlage 8 bijgevoegd. Initiatiefnemer is voornemens om vier vrijstaande woningen te realiseren op een bedrijfslocatie. Voor de benodigde herziening van het bestemmingsplan is een analyse van de waterhuishouding uitgevoerd. De conclusies uit het onderzoek worden hierna kort behandeld. Uit de analyse blijkt dat: De bodemopbouw van het plangebied uit matig fijn tot matig grof zand bestaat; Het maaiveld gelegen is op een hoogte van gemiddeld circa 13,5 m +NAP; De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied ingeschat wordt op circa 2,9 m-mv (circa 11,0 m +NAP); Op basis van het doorlatendheidsonderzoek wordt de infiltratie van hemelwater in de ondergrond binnen het plangebied als ‘kansrijk’ bestempeld; Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met de humeuze bovengrond (naar verwachting minder doorlaatbaar) en de aanwezige kleilagen midden in het plangebied; Op basis van het beleid van het waterschap circa 50 m3 water geborgen en geïnfiltreerd dient te worden; Berging dient, indien mogelijk, bij voorkeur, gerealiseerd te worden in een bovengrondse infiltratievoorziening; Middels de

realisatie van de woningen rekening gehouden dient te worden met een toename van DWA van circa 1,2 m3 per dag. Gezien de resultaten van de waterhuishoudkundige analyse worden er met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied geen negatieve gevolgen verwacht voor de waterhuishouding ter plaatse. Uit het infiltratieonderzoek blijkt dat de doorlatendheid van de bodem op een diepte van circa 1,0 tot 2,0 m-mv (ruim) voldoende is voor de infiltratie van hemelwater. Gezien de humeuze lagen in de ondiepere bodem zal deze naar verwachting minder doorlatend zijn. Bij het ontwerp dient in eerste instantie uitgegaan te worden van bovengrondse bergingsvoorzieningen. Situatie plangebied In de nieuwe situatie zal het plangebied bestaan uit circa 2.490 m2 verhard oppervlak. Tot aan de sloop van de voormalige bedrijfsbebouwing was er circa 3.300 m2 verharding aanwezig. Ten opzichte van de tot begin deze eeuw aanwezige verharding is er bij de voorgenomen ontwikkeling een afname van de hoeveelheid verharding. De uiteindelijke wijze van berging is afgestemd met het waterschap. Binnen het plangebied dient minimaal 50 m3 hemelwater geborgen en geïnfiltreerd te worden. De hemelwaterinfiltratie zal op eigen terrein worden opgelost. Bij het ontwerp is uitgegaan van ondergrondse bergingsvoorziening middels de toepassing van rockflow elementen met een oppervlakte van (2,25 x 24,00 = ) 54,00 m2.

De elementen zijn 1 meter hoog en hebben een absorptiecapaciteit van 95% van het volume. De elementen worden op een NAP hoogte van +12.05 m aangebracht, de aanvoer van de rockflow zit op +12,15 m. Dit is boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (11,0 m+NAP), ze worden dus geheel benut. Totaal kan er in de elementen (54,00 x 1,00 x 95%) = 51,30 m3 hemelwater geborgen worden. Hiermee wordt voldaan aan de minimale eis van 50 m3. De overstort van het systeem vindt plaats op de HWA-riolering.

41

Situatietekening ondergrondse voorzieningen

Doorsnede ondergrondse voorzieningen Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

42

4.9 Archeologie en cultuurhistorie Algemeen Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet in een toelichting van een bestemmingsplan bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met de aspecten archeologie en cultuurhistorie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. Toetsing archeologie Het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, versterking bescherming en/of het herstel van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Voor het uitvoeren van bodemingrepen groter dan 250 m2 en met een bodemverstoring dieper dan 40 cm zal archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden. De voorgenomen ingreep overschrijdt de vrijstellingsgrens voor onderzoek. Derhalve is in september 2022 door Hamaland Advies een archeologisch bureau en booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 9. Bureauonderzoek Rivierduinen zijn gebieden die wat betreft hoogteligging, reliëf en bodemvochtigheid een hoge positie innemen in het landschap.

Ze zijn geschikt als tijdelijke vestigingsplek voor jagers-verzamelaars, aangezien ze vaak op de overgang tussen hoge en natte gebieden liggen. In het plangebied worden op grond van de beschikbare gegevens rivierduinen verwacht. De waarnemingen in Archis3 geven een indicatie dat er in de directe omgeving vanaf de prehistorie al bewoning voorkomt. De kans op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd wordt, gezien de landschappelijke ligging, hoog geacht. De vondsten die worden verwacht zijn losse (strooi)vondsten en nederzettingsterreinen. Hierbij kan gedacht worden aan afvaldumps, rituele dumps en haardkuilen. Indien er eventueel archeologische resten aanwezig zijn komen deze direct aan of onder het maaiveld voor, in de antropogene plaggendekken en/of cultuurlagen of in de top van de C-horizont. Booronderzoek Het verkennend booronderzoek heeft aangetoond dat de ondergrond vanaf het maaiveld bestaat uit één of meerdere opgebrachte en/of geroerde pakketten. Boring 2 is op een diepte van 65 cm-mv gestuit op een betonbuis. In boring 3 en boring 4 is onder de subrecente ophogingen met betonpuin, keramiektegels en baksteenpuin sprake van een restant van een bruine eerdlaag waarvan de top is aangetroffen op respectievelijk 75 cm-mv en 95 cm-mv.

De onderkant van de eerdlaag bevindt zich op respectievelijk 110 cm-mv en 115 cmmv. Dit is tevens het niveau waarop de top van het dekzand aangetroffen is in deze boringen. In boring 5(b) bevindt de top van het dekzand zich op een diepte van 85 cm-mv. Selectieadvies Vanwege de grote mate van bodemverstoring en het ontbreken van intacte bodems in boring 2 en 5 wordt geadviseerd om alleen vervolgonderzoek te laten uitvoeren rond boring 3 en 4 indien bodemingrepen dieper reiken dan 75 cm-mv. Over de mate van intactheid van de bodemopbouw ter plaats van boring 1 (asfaltweg) kunnen geen uitspraken gedaan worden, omdat hier niet geboord kon worden. Op basis van de KLIC gegevens mag verondersteld worden dat de bodem onder de asfaltweg grotendeels verstoord zal zijn tot in de top van het dekzand.

43

Selectiebesluit Het conceptrapport is op 10 oktober 2022 namens de gemeente Doetinchem beoordeeld door de Regioarcheoloog van de Omgevingdienst Achterhoek (ODA). De Regioarcheoloog is akkoord met het rapport maar kan het selectieadvies niet geheel onderschrijven. De conclusie dat ter hoogte van boring 1 hoogstwaarschijnlijk sprake zal zijn van diepgaande verstoringen ten gevolge van de aanwezige kabels en leidingen kan de Regioarcheoloog onderschrijven. De conclusie dat ook de omgeving van boring 5 dermate diep verstoord is dat geen sprake meer kan zijn van grootschalige archeologische resten vindt de Regioarcheoloog te voorbarig. Het klopt dat er geen afdekkend plaggendek meer aanwezig is en dat daardoor mogelijk iets van het archeologisch sporenvlak verloren is gegaan. Gezien de NAP hoogte waarop de top van de C is aangetroffen lijkt dit niet al te veel te zijn. Dat ligt namelijk met 13,35 +NAP hoger dan dat van de boringen waarbij wel een restant plaggendek is aangetroffen. Mogelijk is de bodem in het verleden wat geëgaliseerd. De hoogte van 13,35 is ook hoger dan die van het sporenvlak van de aangrenzende opgraving uit 2014. Daardoor is het niet uit te sluiten dat eventuele grondsporen toch goed bewaard zijn gebleven. Met uitzondering van de smalle strook bij boring 2 dient in het overige deel rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische resten.

Vervolgonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen opgesteld welke getoetst is door het bevoegd gezag. Proefsleuvenonderzoek Laagland Archeologie heeft op 28 februari 2023 een Inventariserend veldonderzoek - proefsleuven uitgevoerd aan de Holterhoek te Doetinchem, gemeente Doetinchem (GD). Het inventariserend veldonderzoek - proefsleuven is bijgevoegd als Bijlage 10. Op basis van de bevindingen van het proefsleuvenonderzoek en de waardering van de vindplaats wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren binnen het plangebied. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor de geplande ontwikkeling en geen randvoorwaarden te stellen voor het aspect archeologie. Op basis van dit advies heeft de bevoegde overheid, de gemeente Doetinchem, geconcludeerd dat er weliswaar archeologische resten aanwezig zijn maar dat deze qua omvang en inhoudelijke waarde onvoldoende zijn om een vervolgonderzoek te rechtvaardigen. Toetsing cultuurhistorie In het plangebied zijn geen monumenten of andere cultuurhistorische waarden aanwezig. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.10 Verkeer en parkeren Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat het ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse. Verkeer In de huidige situatie is er sprake van een bedrijfslocatie. De bedrijfsbebouwing is reeds gesloopt. In de toekomstige situatie is er sprake van vier vrijstaande woningen. Volgens de kengetallen van het CROW is het aantal verkeersbewegingen, uitgaande van de verstedelijkingsgraad 'matig stedelijk' en het

44

gebiedstype 'rest bebouwde kom', gemiddeld 8,2 per woning. Dit komt voor de toekomstige situatie, uitgaande van vier vrijstaande woningen, neer op (4 x 8,2 =) 32,8 verkeersbewegingen per dag. De realisatie van de vier woningen zal mede gezien de huidige bedrijfsbestemming niet leiden tot een substantiële toename van het aantal verkeersbewegingen in de omgeving van het plangebied. Derhalve is er ook geen geluidseffect te verwachten door de verkeersbewegingen op de omliggende wegen. Het toekomstig woonperceel wordt ontsloten via de Holterhoek op de Holterweg. Deze wegen hebben voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen op te vangen. De openbare toegankelijkheid voor voetgangers en fietsers wordt notarieel gewaarborgd. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Voorliggend ontwikkeling voorziet in de realisatie van vier vrijstaande woningen. De gemeente Doetinchem wordt volgens het CBS getypeerd als 'matig stedelijk'. De gemeente Doetinchem heeft de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' vastgesteld. Volgens deze nota is het gemiddeld benodigde aantal parkeerplaatsen uitgaande van 'rest bebouwde kom' voor vrijstaande woningen (4 x 2,2 =) 8,8 parkeerplaatsen.

De gemeente gaat voor deze ontwikkeling echter uit van de norm van 2 parkeerplaatsen per woning (4 x 2 =) 8 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied wordt voorzien in vier parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Alle woningen beschikken daarnaast over een eigen oprit met garage, met uitzondering van kavel 1 welke beschikt over een dubbele oprit met garage. Voor de gemeente Doetinchem geldt dat een oprit naar de parkeergarage die voldoet aan de minimale afmetingen van een parkeerplaats wordt gezien als parkeerplaats op eigen terrein. Daarnaast zit binnen de parkeernorm 0,3 parkeerplaats per woning voor bezoekers. Zij kunnen bij tijdelijke parkeerdrukte eenvoudig parkeren op het naastgelegen openbare parkeerterrein aan de Holterhoek, zodat 8 parkeerplaatsen volstaan. Binnen het plangebied is dus voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van de ontwikkeling. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

45

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel toelichting onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. Bij het tweede gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.

5.1

Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening maakt met het bepaalde in afdeling 6.4 het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten, wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan. De zogenaamde “aangewezen bouwplannen” waarbij een exploitatieplan verplicht is en welke zijn opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1000 m² of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1000 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van tenminste 1000 m².

De activiteiten van de initiatiefnemer hebben betrekking op het bouwen van een of meer woningen waarvoor een verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan geldt. Het kostenverhaal wordt echter op een andere wijze verzekerd, art. 6.12, lid 2. onder a, van de Wro, namelijk via de anterieure overeenkomst. Het vaststellen van een exploitatieplan kan daarom achterwegen blijven. Het plan zal door de initiatiefnemer worden gerealiseerd. Alle kosten van de planrealisatie worden gedragen door de initiatiefnemer. De verplichting tot betaling van alle kosten door de initiatiefnemer is vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Hoewel geen planschade wordt verwacht, zal over het kostenverhaal wel een bepaling worden opgenomen in de anterieure overeenkomst. De economische uitvoerbaarheid van het plan wordt daarmee geacht te zijn aangetoond.

5.2

Maatschappelijkeuitvoerbaarheid

Het ontwerp bestemmingsplan zal zes weken in ontwerp ter inzage worden gelegd. Publicatie hiervan vindt plaats via de officiële richtlijn. Tijdens deze termijn wordt de mogelijkheid geboden voor het indienen van zienswijzen. Vervolgens zal het vastgestelde bestemmingsplan nogmaals zes weken ter inzage liggen. Gedurende deze periode is er mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de rechtbank.

46

Participatie Op 3 februari 2022 zijn omwonenden middels een informatiebrief op de hoogte gebracht van de plannen op het perceel tussen de J.F. Kennedylaan en de Holterhoek. In deze brief is aangegeven dat het voornemen bestaat om vier vrijstaande woningen te realiseren. Naar aanleiding van deze brief hebben er meerdere geïnteresseerden contact opgenomen met de initiatiefnemer over hun interesse. Nadien is het plan verder uitgewerkt en heeft de gemeente positief gereageerd op de plannen. Naar aanleiding van deze principemedewerking zijn de benodigde onderzoeken uitgevoerd. Middels een informatiebrief van 24 november 2022 zijn omwonenden op de hoogte gebracht van de stand van zaken en uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst op 6 december 2022. Tijdens een vrije inloop werden omwonenden op de hoogte gesteld van de plannen en werden hun vragen waar mogelijk beantwoord. Er werden verschillende vragen gesteld betreft onderwerpen als bouw- en goothoogte, inrichting openbare ruimte, afstandsmaten tot perceelsgrenzen en de planning. De sfeer tijdens de informatiebijeenkomst was over het algemeen positief. Naar aanleiding van de informatiebijeenkomst is het ontwerp aangepast, waarbij rekening is gehouden met de wensen van omwonenden.

Nadat bleek dat het verkavelingsplan aangepast moest worden ten behoeve van de ontsluiting van het naastgelegen transformatorhuisje, is het plan nogmaals aangepast. In een informatiebrief van 7 juni 2023 zijn de omwonenden op de hoogte gebracht van de wijzigingen en de nieuwe verkaveling. Het volledige participatieverslag is bijgevoegd als Bijlage 11. Omwonenden worden op de hoogte gehouden over het vervolgproces. Belangrijke stappen hierbij zijn het in procedure brengen van het bestemmingsplan, aanvraag omgevingsvergunningen en het plaatsvinden van de nulmeting. De directe omwonenden zullen hierover per brief geïnformeerd worden. Initiatiefnemer is daarnaast bereikbaar voor vragen. Tijdens de bouw is de uitvoerder het aanspreekpunt voor omwonenden.

47

Hoofdstuk 6

Conclusie

In voorgaande hoofdstukken is de realisatie van vier vrijstaande woningen op een bedrijfslocatie beschreven. de bedrijfsbebouwing is reeds gesloopt. In voorliggende ruimtelijke onderbouwing is een toets naar de relevante beleids-, milieu-, en omgevingsaspecten uitgevoerd. Uit toetsing aan de verschillende milieu- en haalbaarheidsaspecten blijkt dat er voldaan wordt aan de wet- en regelgeving en er geen nadelige effecten op de bestaande situatie in en in de omgeving van het besluitgebied te verwachten zijn.

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8091/documents/45839