CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 01_03_B1_Toelichting_Ruimtelijke onderbouwing.pdf

beeldvormende raad 13 maart 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan Holterhoek ong. - 202315.427 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Omgevingsvergunning Woningbouw Holterhoek te Doetinchem

Gemeente Doetinchem

Projectnummer: 3625.01 Datum: 16 oktober 2023 Versie: ontwerp

Ruimtelijke onderbouwing

3

4

Inhoudsopgave Ruimtelijke onderbouwing

3

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

Aanleiding Ligging plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

6 6 7 7

1.1 1.2 1.3 1.4

Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3

Bouwgeschiedenis en ruimtelijke structuur Huidige situatie plangebied Toekomstige situatie plangebied

Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4

8 8 10 12

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

12 14 16 17

Haalbaarheid

29

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bodem Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bedrijven en milieuzonering Ecologie Water Archeologie en cultuurhistorie Verkeer en parkeren

29 29 31 32 33 36 37 39 42 44

Hoofdstuk 5 5.1 5.2

8

Beleidskader

Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

Planbeschrijving

Uitvoerbaarheid

46

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

46 46

Hoofdstuk 6

Conclusie

48

5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Holterhoek in Doetinchem ligt een bedrijfslocatie. De bedrijfsbebouwing is reeds gesloopt. Initiatiefnemer is voornemens om op de locatie vier vrijstaande woningen te realiseren. Het plangebied valt onder de werking van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021'. Op de locatie geldt hoofdzakelijk de bestemming 'Bedrijf' en voor een klein gedeelte de bestemming 'Wonen'. De functie wonen is op basis van de bestemming 'Bedrijf' niet toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling past daardoor niet binnen het voor de locatie geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Door middel van een principeverzoek is medio 2022 om planologische medewerking gevraagd. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing voorziet in de onderbouwing voor een goede ruimtelijke ordening en haalbaarheid van het plan.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied betreft een bedrijfslocatie aan de Holterhoek binnen de bebouwde kom van Doetinchem. De locatie ligt op korte afstand van de binnenstad van Doetinchem, net buiten het centrum, in de wijk Schöneveld. Het perceel is globaal gelegen tussen het Julianaplein, de J.F. Kennedylaan, de Holterweg en de Holterhoek. Aan de zuidkant grenst het plangebied aan het Prakticon en Woonzorgcomplex Elver. Aan de noord, oost-, en westkant wordt het plangebied omringd door woningen. Op de navolgende afbeelding is de globale ligging van het plangebied weergegeven met een rood kader.

Globale ligging plangebied

6

1.3

Geldend bestemmingsplan

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de onderbouwing voor de gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van de gemeente Doetinchem op 24 juni 2021. In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied hoofdzakelijk de bestemming 'Bedrijf' en voor een klein gedeelte de bestemming 'Wonen'. Daarnaast heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Binnen de bestemming 'Bedrijf' is een bouwvlak aanwezig. Verder is de gebiedsaanduiding 'overige zone - nieuwe risicobronnen uitgesloten' van toepassing. Het nieuwe plan voorziet in de realisatie van vier vrijstaande woningen. Wonen is niet toegestaan binnen de bedrijfsbestemming. Hierdoor past het plan niet in het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan weergegeven.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' (plangebied rood omkaderd)

1.4

Leeswijzer

Deze ruimtelijke onderbouwing is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in Hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie. Hierin wordt tevens ingegaan op de planologische afwegingen die hieraan ten grondslag liggen. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader. In Hoofdstuk 4 komt de haalbaarheid van het plan aan de orde. Vanuit de verschillende van invloed zijnde haalbaarheidsaspecten, waaronder milieu en archeologie, wordt in dit hoofdstuk beschreven waarom het voorliggende plan kan worden vastgesteld. In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Het laatste hoofdstuk, Hoofdstuk 6 is gewijd aan de concluderende afweging.

7

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling omschreven. Hierbij wordt als eerste ingegaan op de bouwgeschiedenis, waarna de bestaande situatie in het plangebied en de beoogde ontwikkeling nader worden toegelicht.

2.1

Bouwgeschiedenis en ruimtelijke structuur

De wijk Schöneveld is gelegen in Doetinchem Oost. Doetinchem is omstreeks 838 ontstaan aan de Oude IJssel waaraan 'Villa Duttinghe' was gebouwd. Deze bebouwing trok meer mensen aan en zo ontstond langzamerhand Doetinchem. Rond 1100 kreeg Doetinchem 'muurrecht' en anno 1236 stadsrechten. Doetinchem ontwikkelde zich in de jaren verder. Het gebied Schöneveld maakte in het verleden deel uit van het Ambt Doetinchem. Het Ambt Doetinchem had een overwegend agrarisch karakter, dat zeker behouden is gebleven tot de samenvoeging van de gemeenten Ambt Doetinchem en de Stad Doetinchem op 1 januari 1920. Schöneveld is een naoorlogse wijk met hoofdzakelijk laagbouwwoningen dichtbij het centrum en kent qua bebouwing geen specifieke wijkdelen. De eerste woningen in de wijk Schöneveld zijn gebouwd begin jaren ’50 als gevolg van de naoorlogse behoefte aan meer gezinswoningen. De Van Hogendorplaan splitst de wijk in een gedeelte van met name koopwoningen (Schöneveld Zuid) en een gedeelte sociale huurwoningen (Schöneveld Noord). Het woonzorgcentrum Schavenweide vervult een multifunctionele rol en is centraal in de wijk gesitueerd. Bij de stedenbouwkundige opzet van Schöneveld werd de keuze gemaakt om de woonwijken achter de bebouwing langs de uitvalswegen te bouwen. Voor Schöneveld betreft het de lintbebouwing van de Holterweg en de Varsseveldseweg.

Bij de planning van de wijk was de Zuivelweg als een randweg voorzien. Die functie heeft het niet gekregen. De voormalige spoorlijn naar Ruurlo, nu fietspad, is een harde scheiding tussen stad en buitengebied. Een deel van de Van Limburg Stirumlaan is aangelegd op een landweg langs de kwekerij (nu tuincentrum). In de jaren ’70 zijn de woningen aan de Schimmelpennincklaan e.o. gebouwd, medio jaren ’80 de woningen aan de Willem Dreeslaan en in 1997 de inbreiding van het Den Uylplein.

2.2

Huidige situatie plangebied

Het plangebied betreft een bedrijfslocatie. De bedrijfsbebouwing is reeds gesloopt, het perceel is in de huidige situatie een braakliggend terrein. Het plangebied wordt aan de west-, noord- en oostkant omringd door woningen en aan de zuidkant door een school (het Prakticon) en zorgwoningen (Elver). Het plangebied is ontsloten via de J.F. Kennedylaan en de Holterhoek. Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van het plangebied in de huidige situatie.

8

Weergave plangebied op luchtfoto

Aanzicht vanaf de zuidoostkant

9

Aanzicht vanaf de J.F. Kennedylaan

2.3

Toekomstige situatie plangebied

Het plan voorziet in een nieuwe invulling van de locatie met vier vrijstaande koopwoningen. De locatie zal gaan bestaan uit vier ruim opgezette kavels. De nieuwbouw zal aansluiten op de omliggende bebouwing. De inrichting en situering van de woningen krijgen het karakter van een woonerf. De gronden krijgen een woonbestemming. Het perceel sluit aan de zuidzijde aan op de Holterhoek. Op dit moment ligt er een doodlopende straat waarop het woonerf met de vrijstaande woningen op aan kan sluiten. Op het perceel zullen voldoende parkeervoorzieningen gerealiseerd worden, namelijk 2 per woning. De ontwikkeling van de vier vrijstaande woningen zal er niet toe leiden dat bestaande infrastructuur dient te worden aangepast. Daarnaast zullen de vier vrijstaande percelen ter voet of per fiets bereikbaar zijn vanaf de J.F. Kennedylaan door middel van een pad. Tussen de vier vrijstaande woningen en de onderwijsinstelling wordt een groenstrook gerealiseerd. In de groenstrook worden openbare parkeerplekken gerealiseerd. De groenstrook zorgt voor een groene afscheiding tussen de vrijstaande woningen en het Prakticon en wordt ingeplant met bomen en laagblijvend groen, conform het goed te keuren inrichtingsplan. De navolgende afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie in het plangebied.

10

Situatietekening plangebied Inrichtingsplan Voor de landschappelijke inpassing van het plan is een afzonderlijk inrichtingsplan gemaakt. Het inrichtingsplan is bijgevoegd als Bijlage 1. In het inrichtingsplan is tevens de inrichting van het toegankelijke gebied opgenomen, waaronder het pad vanaf de J.F. Kennedylaan. De uitvoering van het inrichtingsplan wordt als voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan opgenomen.

11

Hoofdstuk 3

Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt een analyse gegeven van het relevante overheidsbeleid. De beleidsnota's die direct of indirect doorwerken in voorliggend plan, worden in deze paragraaf behandeld. Gezien de aard en de schaal van de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied is het relevante beleid op Europees niveau buiten beschouwing gelaten en op Rijksniveau beperkt gehouden. Per bestuurslaag is een korte samenvatting gegeven van de meest relevante aspecten uit de verschillende beleidsnota's, alsmede de consequenties voor het voorliggende plan.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Onderdeel van de Omgevingswet is een visie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI neemt het Rijk het voortouw voor een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Nederland. De NOVI richt zich op de volgende vier prioriteiten die onderling veel met elkaar te maken hebben en gevolgen hebben voor het inrichten van de fysieke leefomgeving: Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; Steden en regio's sterker en gezonder maken; Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau, maar in veel gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en/of provincies. Op basis van drie uitgangspunten helpt de NOVI bij het wegen van belangen en het maken van keuzes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen. De nationale belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het gaat bijvoorbeeld om rijksvaarwegen, defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen.

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Met de ontwikeling wordt er, al zij het op micro-niveau, een bijdrage geleverd aan het sterker en leefbaarder maken van steden en regio's. De woningen die op de locatie worden gerealiseerd, dragen bij aan de behoefte aan de ondersteuning van het voorzieningenniveau van Doetinchem. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. Tevens zijn er geen overige nationale belangen mee gemoeid.

12

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goed systeem van ruimtelijke ordening. Met de ladder worden eisen gesteld aan de motivering van onder meer bestemmingsplannen en toelichtingen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. De toelichting bij een bestemmingsplan of toelichting voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien die ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Voorliggend ontwikkeling zou kunnen worden aangemerkt als een woningbouwlocatie. Deze term is echter niet gedefinieerd in het Bro. Uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4) blijkt dat woningbouwplannen met elf woningen niet hoeven te worden aangemerkt als woningbouwlocatie, maar grotere woningbouwplannen wel. Toetsing Voorliggende ontwikkeling ziet toe op de realisatie van vier woningen. In de huidige situatie zijn er geen woningen mogelijk. Ten opzichte van de vigerende planologische situatie neemt het aantal woningen in het plangebied daardoor toe met vier woningen. De ontwikkeling wordt daarmee niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Om die reden kan toetsing aan de ladder achterwege blijven. 3.1.3

Nationale woon- en bouwagenda

In de Nationale Woon- en Bouwagenda (11 maart 2022) worden de oorzaken van de wooncrisis, de doelstellingen en de programmatische aanpak voor de komende jaren geschetst. Het doel van de Nationale Woon- en Bouwagenda is het bevorderen van de beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod in Nederland. De afgelopen jaren heeft de Rijksoverheid zijn eigen rol voor het grondrecht wonen te klein gemaakt. Te veel is gedacht dat de markt als vanzelf en alleen een oplossing zou bieden voor de woningnood. Te lang is geloofd dat de optelsom van alle gedecentraliseerde keuzes zou leiden tot de oplossing. Regie is nu des te gewenster, omdat er – mede als gevolg van de bevolkingstoename – een enorme schaarste aan huizen is. Die maakt dat de overheid nu met meer tempo en meer regie aan de slag moet. De huidige situatie vergt de bouw van veel meer huizen. De ambitie gaat omhoog naar 100.000 nieuwe woningen per jaar. De Rijksoverheid wil ook duidelijk kunnen sturen op voor wie er wordt gebouwd, op het bouwen van goede en betaalbare woningen op de plek waar ze gewenst zijn. Toetsing Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realistaie van vier vrijstaande woningen in Doetinchem. De woningen worden binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. De woningen dragen bij aan de ambitie om 100.000 nieuwe woningen per jaar te bouwen.

Tot en met 2030 wil de gemeente Doetinchem minimaal 2.470 woningen toevoegen, waarvan 33% dure koopwoningen (boven € 355.000), zoals ook blijkt uit paragraaf 3.4.2. Het plan draagt hier aan bij. Daarnaast zorgt het plan, door het realiseren van vier vrijstaande woningen in het duurdere segment, voor doorstroom op de woningmarkt, waardoor er

13

andere woningen vrijkomen in de gemeente Doetinchem. Het plan speelt daarmee in op een passend en betaalbaar aanbod voor alle doelgroepen. Het plan is hiermee in overeenstemming met de nationale woon- en bouwagenda.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 is de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie welke richting de provincie op wil op het gebied van energie, klimaat, water, voedsel en ook hoe de provincie de omgeving wil inrichten. Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan: energietransitie; klimaatadaptatie; circulaire economie; biodiversiteit; bereikbaarheid; economisch vestigingsklimaat; woon- en leefklimaat. Voor deze ruimtelijke onderbouwing zijn de ambities voor het 'woon- en leefklimaat' en 'klimaatadaptatie' van toepassing. De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen, en naar een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid. Zo wordt Gelderland versterkt, nu en in de toekomst. Woon- en leefklimaat Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij.

Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand stedelijk gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en gaat voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan worden uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen. Klimaatadaptatie Het klimaat verandert merkbaar. Hoosbuien, stijgende temperaturen, extreme hitte, langdurige droogte, de uitdroging van land- en tuinbouwgronden, bodemdaling, bosbranden en toenemende overstromingsrisico’s. Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van onze omgeving. Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn. De provincie zet daarom vooral en eerst in op het tegengaan van de risico’s en gevaren van de klimaatverandering.

Dit heeft prioriteit: dat wij in 2050 in Gelderland optimaal beschermd zijn en kunnen meebewegen met het veranderend klimaat. Overtollig water moet dan zonder problemen

14

kunnen worden opgevangen, wegstromen en in de bodem kunnen zakken en verdroging van land- en tuinbouwgebieden en bossen moet worden tegengaan. De provincie werkt hier vooral aan vanuit haar betrokkenheid bij waterveiligheid, waterkwaliteit, bodem en natuur en houdt daarbij rekening met de variatie van de Gelderse streken. In tijden van overvloed wordt het water opgevangen en voor langere tijd vast gehouden in de beken. En: de provincie zorgt voor voldoende schoon en gezond grond- en oppervlaktewater voor de Gelderse natuur en land- en tuinbouw. En: voldoende schoon en gezond drinkwater voor mens en dier. Toetsing Bouwen binnen stedelijk gebied is vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en gaat voor concentraties van bebouwing. De locatie voor de realisatie van de vier vrijstaande woningen betreft een inbreidingslocatie. De ontwikkeling zorgt ervoor dat een lege plek in het bestaand stedelijk gebied wordt opgevuld. Met de inrichting wordt tevens rekening gehouden met klimaatadaptatie, meer hierover in paragraaf 3.4.4. De ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met de Omgevingsvisie. 3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland

De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De Omgevingsverordening is op 19 december 2018 door de Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. Nadien is de verordening een aantal keren op onderdelen geactualiseerd. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

Ten aanzien van voorliggende ontwikkeling zijn de regels van de onderwerpen 'woonlocaties en recreatiewoningen' en 'klimaatadaptatie' relevant. Woonlocaties en recreatiewoningen In de verordening is aangegeven dat gemeentebesturen per regio een regionale woonagenda opstellen. Gedeputeerde Staten stellen de regionale woonagenda vast als de agenda in overeenstemming is met de regionale opgave en het meest recente provinciale beleid. Conform artikel 2.2 (instructieregel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda), maakt een bestemmingsplan nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet past binnen de vigerende regionale woonagenda, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda nieuwe woningen toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden: a. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking; b. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid; c. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, en

15

Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling. Klimaatadaptatie De verordening schrijft voor (artikel 2.65 b klimaatadaptatie) dat in een bestemmingsplan dat nieuwe activiteiten of ontwikkelingen mogelijk maakt, een toelichting wordt opgenomen met een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving moeten de aspecten waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte worden betrokken. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Toetsing Getoetst is aan de consolideerde versie van 14 januari 2023. Met de realisatie van vier vrijstaande woningen wordt voorzien in een actuele behoefte aan woningen. Door deze locatie te ontwikkelen kan worden voorzien in de marktvraag door doorstromers een woning te bieden. Er is sprake van een inbreidingslocatie. De ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de 'Regionale woonagenda Achterhoek 2023 - 2030' (meer hierover in paragraaf 3.3). Met de inrichting wordt tevens rekening gehouden met klimaatadaptatie, meer hierover in paragraaf 3.4.4. De ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030

In februari/maart 2023 hebben de Achterhoekse gemeenten en de provincie een nieuwe Regionale Woonagenda 2023-2030 vastgesteld waarin langs vier programmalijnen de woondoelen uit de Achterhoek Visie 2030 verder zijn uitgewerkt. In Doetinchem is deze agenda op 2 maart 2023 vastgesteld. Gedeputeerde Staten hebben deze vastgesteld op 24 januari 2023. Deze agenda bevat het volgende: De Achterhoek wil in 2 stappen 8.390 tot 11.500 nieuwe woningen toevoegen, waarvan 60% betaalbaar, inclusief 28% sociale huur. De Achterhoek investeert in de kwaliteit van de bestaande voorraad, onder andere door verbetering van 7.000 sociale huurwoningen en 24.000 particuliere woningen. De Achterhoek wil een plek zijn voor iedereen, voor starters, ouderen, werknemers en arbeidsmigranten en andere aandachtsgroepen. De Achterhoek wil dit realiseren via gebiedsgerichte integrale opgaven: 1. Vergroten differentiatie woningaanbod in vitale kernen en buurten; 2. Vergroten aanbod van stedelijke woonmilieus; 3. Goed en bereikbaar wonen rondom mobiliteits-knooppunten; 4. Ruimte voor nieuwe woonconcepten in een toekomstbestendig landelijk gebied. Kwalitatieve toetsingscriteria woningbouw Achterhoek Er wordt een nieuwe invulling gegeven aan de regionale kwalitatieve toetsingscriteria. Deze criteria waren: 1. de behoefte is aangetoond; 2.

voorrang voor transformatie van leegstaand vastgoed (verbouw of nieuwbouw na sloop); 3. inbreiding gaat voor uitbreiding; 4. de realisatietermijn van goedgekeurde plannen. In de regionale woonvisie is de woningbouwambitie opgenomen en wordt benoemd hoe deze ambitie

16

over de verschillende woningzoekende is verdeeld. Zoals gezegd worden 11.500 woningen toegevoegd, waarvan er tot en met 2030 8.390 gerealiseerd worden onder de tussen gemeenten, provincie en het Rijk te maken afspraken. Door deze afspraken hoeft de behoefte niet meer per project aangetoond te worden. Transformatie van bestaand vastgoed is nog steeds belangrijk en wordt ondersteund. Er wordt daarom pragmatisch omgegaan met de keuze tussen inbreiding en transformatie enerzijds en uitbreiding anderzijds. Elke gemeente in de regio is vrij in de invulling van de eigen ambitie en verdeelt deze naar behoefte over de kernen. Voor nieuwbouwprojecten kleiner dan 20 woningen kan maatwerk worden toegepast, met in achtneming van de gewenste kwaliteit zoals opgenomen in de regionale woonagenda. Elke gemeente is verantwoordelijk dat over het gemeentelijk totaal de verdeling in betaalbaarheid gehaald wordt. Toetsing De ontwikkeling betreft de realisatie van vier vrijstaande woningen. Het plan wijkt af van het gewenste woningbouwprogramma van 28% sociale huur en 32% betaalbare koop. Echter betreft het een nieuwbouwproject kleiner dan 20 woningen, waardoor er maatwerk toegepast kan worden. De woningen worden gerealiseerd op een voormalige bedrijfslocatie in Doetinchem. Het betreft transformatie op een inbreidingslocatie.

Door deze locatie te ontwikkelen wordt voorzien in een actuele behoefte aan woningen in het duurdere segment. Hiermee kan worden voorzien in de marktvraag door doorstromers een woning te bieden in de woningmarkt. De ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met de 'Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030' en voldoet daarmee aan het regionale beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Structuurvisie Doetinchem 2035

Op 26 september 2013 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Structuurvisie Doetinchem 2035 vastgesteld. Deze structuurvisie schetst kaders waarbinnen de gemeente Doetinchem de komende jaren wil gaan werken. In de vier thema's wordt verantwoording afgelegd voor gemaakte keuzes die leiden tot de kaders. De vier thema's zijn: beherend ontwikkelen van stad en land; kwaliteit en beleving; economische kansen; Doetinchem en haar omgeving. Daarnaast houdt Doetinchem zich de komende jaren bezig met de volgende overkoepelende opgaven: acupunctuur in de stad; beleef het land; ruimte voor het water; de groene waas. Voor de ontwikkeling in het plangebied zijn de thema's 'beherend ontwikkelen van stad en land' en 'kwaliteit en beleving van belang' en de opgave 'acupunctuur in de stad'. Beherend ontwikkelen van stad en land Het accent verschuift van ontwikkeling naar beheer als gevolg van de te verwachten vergrijzing van de bevolking en daling van het aantal inwoners. De focus komt te liggen op het verbeteren van bestaande

17

gebieden en functies. Wat goed is vraagt om goed beheer en behoud. Wat niet langer voldoet vraagt om aanpassing of, in het uiterste geval, om vervanging door iets anders. Denkbaar is de sloop van bebouwing en het transformeren van stukken stad naar natuur of stadspark. Kwaliteit en beleving De verschuiving van het accent naar beheer biedt kansen voor kwalitatieve ontwikkeling. Doetinchem moet aantrekkelijk zijn voor bewoners, bezoekers en bedrijven. In de structuurvisie ligt de focus op de beleving en ruimtelijke kwaliteit. De structuurvisie streeft een hoge ruimtelijke kwaliteit na. De kwaliteit zal er overal weer anders uitzien en is op verschillende manieren te realiseren. Acupunctuur in de stad Doelstelling van deze opgave is het in harmonie doorontwikkelen van de stad op basis van bestaande kwaliteiten. Nieuwe omstandigheden vragen om relatief kleine en gedoseerde aanpassingen. Grootscheepse ontwikkelingen zullen nu niet het eerste instrument zijn. Eerder wordt gedacht aan kleine aanpassingen, renovaties en structuurverbeteringen. Het is niet uitgesloten dat er een moment komt waarop kleinere delen van een wijk of één specifiek gebouw worden gesloopt. Evenmin is het ondenkbaar dat er wordt geïnvesteerd in de renovatie van karakteristieke gebouwen of het maken van een passende toevoeging aan dergelijke gebouwen.

Het belangrijkste is, dat iedere ingreep weloverwogen gebeurt en op veel draagvlak kan rekenen. De ingreep moet iets bijdragen aan z’n omgeving en bij voorkeur een kwaliteit toevoegen. Dat kan nieuwe architectuur zijn, maar het kan ook een wijziging zijn die het mogelijk maakt om een wijk te verrijken met een nieuwe functie. Het helen, repareren en versterken van de uitgebreide groenstructuren in Doetinchem is zeker ook één van de kwaliteiten die kan worden opgepakt op plekken waar sprake is van een bebouwingsoverschot. Toetsing Voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambitie om de stad verder te ontwikkelen door kleine aanpassingen, renovaties en structuurverbeteringen. De bedrijfslocatie maakt plaats voor nieuwe woningen. Er is sprake van een inbreidingslocatie. De ontwikkeling speelt daardoor in op het verbeteren van bestaande gebieden en functies en de ruimtelijke kwaliteit. Daarmee is de ontwikkeling in overeenstemming met de structuurvisie. 3.4.2

Woonvisie Doetinchem 2023-2036'Stadse allure - dorpse gemoedelijkheid'

De Woonvisie Doetinchem 2023-2036 'Stadse allure - dorpse gemoedelijkheid' is op 20 april 2023 vastgesteld. In de nieuwe woonvisie zijn de woningbouwstrategie voor nieuwbouwprojecten en de woonvisie voor het volkshuisvestingsbeleid samengevoegd. Ook is er samenhang met de regionale woonagenda. De hoofdpunten van de Woonvisie Doetinchem 2023-2036 zijn: 1. Groeien in kwaliteit Doetinchem heeft de ambitie om te groeien naar 70.000 inwoners in 2036. Dit hoofdpunt is gekoppeld aan Programmalijn 1: Vergroten woningvoorraad en versnelling productie. Met deze programmalijn wordt ingegaan op de bouw van nieuwe woningen en de noodzaak om de plancapaciteit te vergroten en adaptief te programmeren. Deze groeiambitie is geen doel op zich, maar een middel om de centrumfunctie van Doetinchem met de daarbij behorende voorzieningen te kunnen behouden en om de omgevingskwaliteit te versterken. 2. Kwalitatief goed wonen Dit punt draait om de kwaliteit van de huidige woningvoorraad. Programmalijn 2: Investeren in de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad beschrijft hoe wordt gewerkt aan een toekomstbestendige woningvoorraad. Denk hierbij aan duurzaamheid, levensloopbestendige

18

woningen maar ook aan transformatie van kantoren of winkels naar woningen. 3. Een passende woning voor iedereen Doel is een compleet en divers woningaanbod waarbij het bevorderen van beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod centraal staat. Programmalijn 3: Doetinchem, een plek voor iedereen beschrijft hoe aan dit doel gewerkt wordt. Tot en met 2030 wil de gemeente minimaal 2.470 woningen toevoegen in de hele gemeente via het onderstaande programma. Dit gewenste programma is opgenomen in de regionale woonagenda en vastgelegd in de woondeal met de provincie en het rijk. Totaal: minimaal 2.470 woningen, onderverdeeld in: a. 28% sociale huur tot € 808,06, eventueel te vervangen door goedkope koopwoningen tot € 225.000; b. 8% middenhuur tot € 1.000, eventueel te vervangen door betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000; c. 14% betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen tot € 1.000; d. 17% betaalbare koopwoningen (categorie 2) tot € 355.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen (tot € 1.000,00); e. 33% dure koopwoningen (boven € 355.000) of dure huur (boven € 1.000). Plannen van meer dan 20 woningen moeten in principe voldoen aan de gegeven verdeling over de segmenten van het gewenste programma, tenzij de ligging in een bepaalde wijk een andere verdeling rechtvaardigt.

Plannen van minder dan 20 woningen die bijdragen aan het realiseren van het gewenste programma hebben een pré. Voor bestaande woningbouwprojecten geldt een overgangsperiode. 4. Wonen als onderdeel van integrale gebiedsopgaven Wonen gaat ook over leefbaarheid, naoberschap en vitaliteit. Ook de inrichting van de buitenruimte is een belangrijk onderdeel. De woonomgeving draagt bij aan de gezondheid en het welbevinden van de inwoners. Programmalijn 4: Wonen als integrale gebiedsopgave beschrijft hoe dit bereikt kan worden, onder andere door koppelkansen te benutten en via programmering te zorgen voor een beter mix aan woningen in de wijk. Overgangsperiode ontwikkelingen De verdeling van de nieuwe woningen volgens aangegeven programma bij punt 3 geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. De gemeente gaat in overleg met ontwikkelaars om het woningbouwprogramma meer in lijn te brengen met de woonvisie en meer betaalbare woningen toe te voegen. Maar door de gestegen bouwkosten, ontwikkelingen die al enige tijd in procedure zitten, al gemaakte afspraken en plankosten is dit niet altijd mogelijk. Het ruimtelijk streefbeeld voor nieuwe woningbouwontwikkelingen Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair moet worden ingezet op inbreiding en transformatie.

Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stads- en dorpsranden. Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit vijf speerpunten en één kaartbeeld. De vijf speerpunten zijn: Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA Bouwen in en aan buurten Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes Waar nodig stadsranden en dorpsranden Woonmilieus voor ontwikkelingen

19

Kaart ruimtelijk streefbeeld (plangebied blauw omcirkeld) De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn. Voor het plangebied geld het woonmilieu 'Dorps wonen'. Het woonmilieu ‘Dorps wonen’ is van toepassing op alle bestaande woonwijken in de stad Doetinchem en de dorpen. Nieuwe woningen kunnen worden toegevoegd als een transformatiekans zich voordoet. Het woonmilieu gaat uit van ruim wonen in een groene en dorpse sfeer op korte afstand van zowel het landelijk gebied als voorzieningen. De dichtheid is relatief laag en sluit aan bij de omliggende dichtheden. Op sommige plekken zijn er kansen om de groenstructuur te versterken. Het programma betreft vooral grondgebonden woningen of appartementen in kleinschalige vorm voor verschillende doelgroepen. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van vier vrijstaande koopwoningen. De vier vrijstaande woningen bevinden zich in de categorie 'koopwoning - duur boven € 355.000,-'. Het betreft een woningbouwontwikkeling kleiner dan 20 woningen, waardoor afgeweken kan worden van de verdeling van het woningbouwprogramma zoals aangegeven in Programmalijn 3: Doetinchem, een plek voor iedereen.

Tot en met 2030 wil de gemeente minimaal 2.470 woningen toevoegen, waarvan 33% dure koopwoningen (boven € 355.000). Het plan draagt hier aan bij. Daarnaast zorgt het plan, door het realiseren van vier vrijstaande woningen in het duurdere segment, voor doorstroom op de woningmarkt, waardoor er andere woningen vrijkomen in de gemeente Doetinchem. Het plan speelt daarmee in op een passend en betaalbaar aanbod voor alle doelgroepen. De ontwikkeling wordt gerealiseerd op basis van een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO). De toekomstige bewoners hebben veel invloed op de ontwikkeling van hun toekomstige woning. Daarnaast is het voor kopers mogelijk om een toegankelijke woning te realiseren waarbij het complete 20

programma (de woonkamer, keuken, badkamer en slaapkamer) zich op de begane grond bevindt. Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair moet worden ingezet op inbreiding en transformatie. De woningen worden gerealiseerd op een voormalige bedrijfslocatie in Doetinchem. Het betreft transformatie op een inbreidingslocatie. Door de ontwikkeling wordt de kwaliteit in de directe omgeving verbeterd. Op dit moment is de locatie een braakliggend terrein. De omliggende percelen bevatten veelal vrijstaande en twee-onder-een-kap woningen. De vier nieuwe vrijstaande woningen sluiten daardoor aan op de omliggende bebouwing. De ontwikkeling past hiermee binnen het ruimtelijk streefbeeld en het woonmilieu 'Dorps wonen'. Hierdoor wordt voldaan aan de uitgangspunten uit de Woonvisie Doetinchem 2023 - 2036. 3.4.3

Koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam

Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument 'Doetinchem Natuurlijk Duurzaam' vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om die duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug in de beleidsvelden: energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De koers is erop gericht om de leefkwaliteit in de gemeente op een hoog niveau te houden. De gemeente ziet zichzelf als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Toetsing De woningen worden goed geïsoleerd, voorzien van energiezuinige installaties en gasloos opgeleverd.

De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het koersdocument 'Doetinchem Natuurlijk Duurzaam'. 3.4.4

Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem

De gemeenteraad heeft op 7 juli 2022 de 'Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem' vastgesteld. De basis voor de Klimaatadaptatiestrategie is de stresstest: een analyse van de te verwachten effecten van klimaatverandering in Doetinchem. Hiervoor zijn kaarten ontwikkeld met daarop de te verwachten effecten bij hevige neerslag, langdurige droogte, extreme hitte en overstromingen, uitgaande van de KNMI-klimaatscenario’s voor 2050. De resultaten van deze stresstest staan in de online Klimaatatlas van Doetinchem. In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie hebben rijk, provincies, gemeenten en waterschappen als mijlpaal bepaald dat in 2050 sprake moet zijn van een klimaatbestendige inrichting van de omgeving. Hierin hebben overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners ieder hun eigen verantwoordelijkheid. De gemeente Doetinchem heeft in samenwerking met Waterschap Rijn en IJssel een klimaatatlas opgesteld. De klimaatatlas maakt duidelijk op welke klimaateffecten we ons moeten instellen. De getoonde effecten zijn gebaseerd op de klimaatscenario’s voor 2050 van het KNMI. De gemeente en het waterschap stellen met deze atlas een klimaatagenda op, in overleg met vertegenwoordigers uit de omgeving. Daarnaast biedt de atlas inzicht in mogelijke effecten zodat maatschappelijke organisaties, inwoners en bedrijven hun leefomgeving hierop kunnen aanpassen.

De klimaatadaptatiestrategie (met visie en ambities) is gebaseerd op vijf pijlers:

21

1. 2. 3. 4. 5.

Stad en dorp gezond en groen; Adaptief landelijk gebied; Robuuste vitale infrastructuur; Ontwikkelingen klimaatbestendig; Betrokken en actieve mensen.

Voor het plangebied is pijler 4 van belang 'Ontwikkelingen klimaatbestendig': “We bouwen met het oog op de toekomst. Als we nu iets ontwikkelen, houden we rekening met het klimaat van de toekomst. Dit betekent dat we nieuwbouw en herinrichtingen alleen nog maar klimaatbestendig realiseren. En dat we daarbij de effecten op de bestaande woon- en leefomgeving expliciet meenemen". Voor deze pijler is de ambitie om voor 2050: Wordt een 'basisveiligheidsniveau' gehanteerd om nieuwbouw en herinrichtingen alleen nog maar klimaatbestendig te realiseren; Werken we regionaal samen op dit thema; Benutten we meekoppelkansen maximaal totdat het 'basisveiligheidsniveau er is'. De leidende principes om de ambities waar te maken zijn: Neerslag vasthouden daar waar het valt; De bodem inzetten als spons; Meer schaduw door meer groen; Minder verharding door meer groen; Bebouwing en vitale objecten hoog en droog. Kansen worden gezien in: Aanleg groene daken op bezit woningbouwcorporaties; Klimaatadaptatie als randvoorwaarde in aanbestedingen voor nieuwbouw en herinrichting; Betere communicatie over klimaatadaptatie richting bewoners, ondernemers en organisaties. Toetsing Om aan de klimaatambities te voldoen worden een aantal maatregelen en voorzieningen getroffen. Hierbij zijn de aspecten wateroverlast, droogte, hitte en waterveiligheid van belang.

Onderstaand wordt per aspect beschreven wat de situatie in het plangebied is en welke maatregelen of voorzieningen er worden getroffen. Hierbij is tevens rekening gehouden met het advies en de eisen van het waterschap, welke naar voren zijn gekomen uit de digitale watertoets en zijn verwerkt in de waterhuishoudkundige analyse (zie paragraaf 4.8). Wateroverlast Een extreem hevige regenbui kan wateroverlast veroorzaken. Op onderstaande afbeeldingen is het risico van wateroverlast in beeld gebracht voor een klimaatbui met respectievelijk een kans van eens per 100 jaar (70 mm in één uur) en eens per 1.000 jaar (160 mm in twee uur). Het laat zien waar een korte extreem hevige bui leidt tot grote plassen water op straat, in tuinen en op het land. Hoe donkerder de blauwe kleur, hoe dieper de plas.

22

Uitsnede klimaatatlas na korte bui 70 mm / 1 uur (plangebied rood omcirkeld)

Uitsnede Klimaatatlas plasvorming na korte bui 160 mm / 2 uur (plangebied rood omcirkeld)

23

Op de afbeeldingen is te zien dat het plangebied beperkt gevoelig is voor wateroverlast als gevolg van extreme neerslag. De Holterweg en de J.F. Kennedylaan blijven begaanbaar. De Holterhoek is voor beide klimaatbuien begaanbaar voor calamiteitenbeheer. Om effecten van wateroverlast tegen te gaan worden de volgende maatregelen en voorzieningen getroffen: Het regenwater wordt opgevangen en geïnfiltreerd op eigen terrein, waarbij rekening wordt gehouden met de eisen zoals beschreven in de waterhuishoudkundige analyse (zie paragraaf 4.8); Verharding, waaronder parkeerplaatsen en wegen, worden waterdoorlatend of waterpasserend uitgevoerd; Nieuwe bewoners worden gestimuleerd hun particuliere terrein waterrobuust in te richten; In de koopovereenkomst wordt een onderhouds- en instandhoudingsplicht opgenomen, waarbij een eis is dat maximaal 40% van de kavel verhard mag worden; Bij de inrichting van de openbare ruimte wordt rekening gehouden met een natuurlijke inrichting, waarbij gebruik wordt gemaakt van zoveel mogelijk groen en inheemse flora; Er wordt een bouwpeil gehanteerd van minimaal 20 cm boven straatniveau. Hitte Door de stijging van de temperatuur van de lucht, zullen ook huizen, wegen en wateren sneller opwarmen. Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier.

De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. In onderstaande afbeelding is het risico van hitte in beeld gebracht. De kaart geeft aan in welke gebieden het op warme dagen extra heet aanvoelt, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van veel bebouwing en verharding. Ook zijn de koelere plekken in de omgeving zichtbaar, zoals wegen met laanbeplanting, parken en bosgebieden. Of er in de gebouwen zelf ook hittestress ervaren wordt is onder andere afhankelijk van de isolatie van gebouwen.

Uitsnede Klimaatatlas hittestress (plangebied blauw omcirkeld)

24

Verharde gebieden als wegen en huizen warmen overdag op en blijven 's nachts beduidend warmer dan landelijke gebieden. Dit wordt het stedelijk hitte-eiland effect genoemd. Groen vermindert het hitte-eiland effect. Groen zorgt voor verdampingskoeling en biedt schaduw. Naast het verminderen van hitte kan groen ook water bergen en hiermee wateroverlast tegen gaan. Om de effecten van hittestress tegen te gaan worden de volgende maatregelen en voorzieningen getroffen: Zo weinig mogelijk verharding. In de koopovereenkomst wordt een onderhouds- en instandhoudingsplicht opgenomen, waarbij een eis is dat maximaal 40% van de kavel verhard mag worden; Bij de inrichting van de openbare ruimte wordt rekening gehouden met een natuurlijke inrichting, waarbij gebruik wordt gemaakt van zoveel mogelijk groen en inheemse flora. Met name bomen spelen een rol in het beperken van hittestress, door schaduw en verdamping. Droogte We zijn afhankelijk van de beschikbaarheid van zoetwater. Tijdelijke watertekorten kunnen optreden als de hoeveelheid neerslag kleiner is dan de vraag. In (droge) zomers ontstaan dan tekorten, met schade aan de landbouw en de natuur als gevolg. Ook kunnen belangrijke beken droog vallen, waardoor vissen sterven, en er kunnen risico's op bosbranden ontstaan. In Liemers, Twente en de Achterhoek is meestal geen wateraanvoer mogelijk vanuit bijvoorbeeld grote rivieren.

Deze gebieden zijn altijd aangewezen op neerslag en grondwater. Te lage grondwaterstanden vormen voor veel functies een bedreiging. Natuurterreinen, landbouwgewassen en funderingen van gebouwen kunnen ernstige schade oplopen. Ook leidt een lage grondwaterstand tot droogval van beken en andere waterpartijen. In extreem droge situaties zijn er niet alleen lokale effecten, maar ontstaat er in het hele gebied schade aan landbouw, plantsoenen en natuur. Grondgebruikers zullen zich op deze situatie moeten gaan instellen. Drogere omstandigheden hebben gevolgen voor de soortensamenstelling in de natuur en gewaskeuze in plantsoenen. In de landbouw vraagt droogte om geschikte gewassen, het verbeteren van het vochthoudende vermogen van de grond en het inschatten of beregening kan helpen. Grondgebruikers zullen zich op droogte kunnen voorbereiden door andere vormen van beregening te kiezen. Daarnaast kunnen ze bodemverbetering toe passen waardoor het vochtvasthoudend vermogen van de bodem toeneemt of meer droogteresistente gewassoorten telen. Droogval van beken leidt tot sterfte onder het waterleven. Ook als in beekjes de stroming stopt kunnen zeldzame stromingsminnende soorten niet overleven. Een geringe waterdiepte door droogte in combinatie met hitte leidt tot waterkwaliteitsproblemen met risico’s voor het waterleven en voor de volksgezondheid.

Op onderstaande afbeelding is te zien hoe diep het grondwater in een gemiddelde zomer weg kan zakken in het plangebied.

25

Uitsnede klimaatatlas droogte (plangebied blauw omcirkeld) Maatregelen tegen wateroverlast helpen ook tegen droogte. Om effecten van wateroverlast tegen te gaan worden de volgende maatregelen en voorzieningen getroffen: Het regenwater wordt opgevangen en geïnfiltreerd op eigen terrein, waarbij rekening wordt gehouden met de eisen zoals beschreven in de waterhuishoudkundige analyse (zie paragraaf 4.8); Verharding, waaronder parkeerplaatsen en wegen, worden waterdoorlatend of waterpasserend uitgevoerd; Nieuwe bewoners worden gestimuleerd hun particuliere terrein waterrobuust in te richten; In de koopovereenkomst wordt een onderhouds- en instandhoudingsplicht opgenomen, waarbij een eis is dat maximaal 40% van de kavel verhard mag worden; Bij de inrichting van de openbare ruimte wordt rekening gehouden met een natuurlijke inrichting, waarbij gebruik wordt gemaakt van zoveel mogelijk groen en inheemse flora. Met name bomen spelen een rol in het beperken van hittestress, door schaduw en verdamping. Overstroming De kans op overstroming vanuit de grote rivieren is niet groot, maar het kán gebeuren dat een dijk overstroomt of zelfs doorbreekt. Dan zijn de gevolgen meestal groot omdat er in korte tijd heel veel water het gebied binnenstroomt. Onderstaande afbeeldingen tonen de waterhoogte in het plangebied als ergens een dijk van de IJssel of de Rijn bezwijkt.

De waterhoogte bepaalt hoeveel land er overstroomt. Hoe hoger het water, hoe groter de schade en het aantal slachtoffers. De kans op een overstroming is niet overal even groot. Dit verschilt per gebied. Daarom verschilt de noodzaak om maatregelen te nemen per gebied.

26

Uitsnede klimaatatlas overstromingskaart (plangebied rood omcirkeld)

Legenda overstromingskaart

27

Voor het plangebied geldt in 2050 een kans van 1 op 300 tot 3.000 jaar op meer dan 50 cm water bij overstroming. Er is geen significante overstromingskans op meer dan 200 cm water. Om wateroverlast tegen te gaan worden de volgende maatregelen getroffen: Er wordt een bouwpeil gehanteerd van minimaal 20 cm boven straatniveau. De ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met de klimaatadaptatiestrategie.

28

Hoofdstuk 4

Haalbaarheid

In voorgaande hoofdstukken is de beoogde realisatie van vier vrijstaande woningen aan de Holterhoek in Doetinchem besproken. In dit hoofdstuk wordt getoetst in hoeverre de ontwikkeling haalbaar is in het kader van milieu- en omgevingsaspecten.

4.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (M.E.R.) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling een activiteit is als opgenomen in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. Het onderscheid tussen deze twee bijlagen is dat in bijlage C er direct sprake is van een m.e.r.-plicht voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden en besluiten onder de drempelwaarden zijn niet m.e.r.-plichtig. Onderdeel D geeft aan of er voor besluiten beoordeeld moet worden of er m.e.r. noodzakelijk is. Voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Pas na het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r-beoordeling is duidelijk of er een M.E.R. moet worden opgesteld. Toetsing Het initiatief voorziet in de realisatie van vier vrijstaande woningen op een bedrijfslocatie. De bedrijfsbebouwing is reeds gesloopt. In de huidige situatie is er planologisch een bouwvlak aanwezig met een oppervlakte van circa 2.265 m2, waarvan maximaal 50% bebouwd mag worden. In de toekomstige situatie bedraagt het totale bouwvlak circa 446 m2. Van de kavels mag maximaal 40% verhard worden.

Ten opzichte van de voormalige en planologische situatie neemt de oppervlakte aan bebouwing en verharding daarmee af. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Gezien de aard en omvang van de nieuwe ontwikkeling en de voorheen aanwezige functie- en bebouwing op deze locatie, wordt voorliggend initiatief niet als een nieuw 'stedelijk ontwikkelingsproject' beschouwd. Er is daarom geen aanleiding voor een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Conclusie Het aspect m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.2

Bodem

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet aangetoond worden dat de bodem- en grondwaterkwaliteit ter plaatse van het plangebied geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Toetsing Door Ecopart BV is in december 2018 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 2 bijgevoegd. De conclusies uit het onderzoek worden hierna kort behandeld. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat de bovengrond op de onderhavige locatie plaatselijk licht is verontreinigd met enkele zware metalen, met polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10) en minerale olie. De ondergrond voldoet aan de generieke Achtergrondwaarde. In het grondwater is voor Barium een licht verhoogd gehalte gemeten.

29

Geconcludeerd kan worden dat de in het voorgaande onderzoek aangetroffen licht verhoogde gehalten, in het actualiserend verkennende onderzoek zijn bevestigd. Het is niet aannemelijk dat de geconstateerde verontreiniging in de bodem risico's voor de volksgezondheid met zich meebrengen. Uit milieu hygiënisch oogpunt is de aanwezigheid van verontreinigende stoffen ongewenst. Indien het geheel aan onderzoeksresultaten echter wordt beoordeeld in het licht van de geplande terreinbestemming c.q. -inrichting, lijkt hier sprake van een aanvaardbare situatie. De overwegingen hierbij zijn onder andere de slechts licht verhoogde, gehaltes, de te verrichten inspanning om te komen tot een strikt multifunctioneel bodemkwaliteitsniveau en een zienswijze vanuit een risicobenadering (ontbreken blootstellings- of verspreidingsroutes in de toekomstige situatie). Gelet op het bovenstaande is er vanuit milieu hygiënisch oogpunt geen bezwaar tegen het gebruik van de locatie inzake de geprojecteerde nieuwbouw. Omdat er tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is gebleken dat er, met name in de bovengrond, sprake is van bijmenging met bodemvreemde stoffen (met name puinbijmenging), vergt het de nodige energie om deze als tuin bouwrijp op te kunnen leveren. In de staat waarin deze momenteel verkeerd is bouwtechnisch gezien geen sprake van bouwrijpe grond.

Verder is geadviseerd om bij de ontwikkeling zoveel mogelijk te werken met een gesloten grondbalans. de aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond kunnen bij eventuele afvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond. Voor hergebruik van de grond op een andere locatie, is het Besluit Bodemkwaliteit van kracht. Afhankelijk van de kwaliteit, de hoeveelheid en de beoogde bestemming van de vrijkomende grond, kan worden overwogen om een partijkeuring conform het gestelde in de BRL-SIKB 1001 uit te laten voeren. Hierbij worden de kwaliteitsklasse en de hergebruikmogelijkheden van de af te voeren grond conform het gestelde in het Besluit Bodemkwaliteit vastgesteld. Verkennend asbestonderzoek Door Ecopart BV is in december 2018 een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 3 bijgevoegd. De conclusies uit het onderzoek worden hierna kort behandeld. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat de gekozen onderzoeksstrategie niet juist bleek te zijn. Er zijn aanwijzingen die erop wijzen dat er sprake is van de aanwezigheid van bijmenging in de bovengrond met asbestverdacht materiaal. Er kan gezien de aangetroffen hoeveelheden echter worden gesteld dat er, gebaseerd op de geanalyseerde gehalten, geen sprake zal zijn van een blootstellingsrisico aan asbestverdacht materiaal in de bodem.

Verder kan worden gesteld dat er geen sprake is van een locatie waarvoor een nader onderzoek dient te worden uitgevoerd. Gelet op het bovenstaande is er vanuit milieu hygiënisch oogpunt (vooralsnog) geen bezwaar tegen het gebruik van de locatie inzake de geprojecteerde woningbouw. Er is geadviseerd om een aanvullende inspectie te doen in verband met begroeiing. Partijkeuring Om de kwaliteitsklasse en de hergebruikmogelijkheden van grond vast te stellen is in april 2022 een partijkeuring uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4. Op basis van vooronderzoek en visuele waarnemingen is de partij onderzocht op het standaardstoffenpakket (variant A). Aanvullend is geanalyseerd op arseen en PFAS (advieslijst 30 stoffen) en is het westelijke deel van de partij (bovengrond) onderzocht op asbest in grond. De onderhavige partij grond (zand) heeft een ingemeten omvang van 2.173 m3. Geconcludeerd is dat de partij in aanmerking komt voor hergebruik. Er zijn geen aantoonbare gehaltes

30

aan asbest aangetroffen. De concentratie asbest is derhalve lager dan de restconcentratienorm van 100 mg/kg.ds uit het Besluit bodemkwaliteit. De partij voldoet in het kader van het Besluit bodemkwaliteit aan de eisen voor Achtergrondwaarde voor toepassing op of in de landbodem. Uit de toetsing blijkt dat alle parameters voldoen aan de emissietoetswaarden. Aanvullend uitloogonderzoek is niet noodzakelijk. PFAS is niet aangetroffen boven de bepalingsgrens (0,1 µg/kg.ds). De partij kan worden toegepast in een grootschalige toepassing op landbodem en is geschikt voor toepassing in oppervlaktewater (zonder toepassingsbeperkingen voor PFAS). In de opgeboorde grond is geen (plastic) zwerfafval aangetroffen. Wel is er aan de oppervlakte van de onderzoekslocatie bodemvreemd materiaal aanwezig. In de Regeling bodemkwaliteit wordt aangegeven dat in de grond en baggerspecie die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit wordt toegepast alleen sporadisch ander bodemvreemd materiaal dan steenachtig materiaal of hout mag voorkomen. Conclusie Het aspect bodem vormt op basis van de huidige informatie geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.3

Geluid

Algemeen De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door industrie, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Onderhavige ontwikkeling betreft de bouw van vier nieuwe woningen. Woningen zijn geluidsgevoelige bestemmingen. De nieuwe woningen staan nabij diverse geluidsbronnen. Aan de hand van de zones rondom de diverse wegen, spoorwegen en gezoneerde bedrijventerreinen kan worden bepaald voor welke geluidsbronnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Om de haalbaarheid van het plan te beoordelen is in december 2022 door Buro Ontwerp & Omgeving een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dit onderzoek is naar aanleiding van het aangepaste verkavelingsplan in juni 2023 geupdate. Het onderzoek is als Bijlage 5 opgenomen. J.F. Kennedylaan De J.F. Kennedylaan ligt ten noordwesten van de nieuwe woningen. Deze weg ligt in de bebouwde kom en heeft twee rijstroken.

De zone van deze weg bedraagt 200 meter op basis van de Wgh. De nieuwe woningen liggen in de zone van de J.F. Kennedylaan. De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de J.F. Kennedylaan bedraagt 44 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Omliggende 30 km-wegen Rondom de ontwikkeling liggen de Holterweg, de Spoorstraat en het Julianaplein. Deze wegen hebben een 30 km-regime. Formeel geldt voor deze weg volgens de Wgh geen onderzoeksplicht, omdat de maximaal toegestane snelheid 30 km/uur bedraagt. De verkeersintensiteit op deze wegen zijn dusdanig hoog dat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet kan worden uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8091/documents/45839