Bijlage 1_00 Bestemmingsplan 'Wehl_Fokkenkamp-2023'.pdf
Tekst van het document
Parkeernormen hebben tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen voor te schrijven, dat voorzien wordt in de in te schatten parkeervraag. Dat aantal voorkomt dat door de aanleg van te weinig plaatsen er een tekort ontstaat. Ook voorkomt het toepassen van de normen dat er teveel plaatsen komen, waardoor de automobiliteit gestimuleerd wordt en de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en bereikbaarheid nadelig worden beïnvloed. De nota wil
79
ook de toepassing van de normen voor burgers, bedrijven, gebouweigenaren, ontwikkelaars, e.d. inzichtelijk maken. Onderzoek en conclusie In de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' staan per situatie de parkeernormen. Het parkeerbeleid is voor het plangebied nader uitgewerkt in paragraaf 4.12.
80
4 Haalbaarheid 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de haarbaarheid en uitgevoerde onderzoeken met betrekking tot de volgende aspecten: • Vormvrije m.e.r.-beoordeling; • Bodem; • Ontplofbare oorlogsresten • Akoestiek (wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai/bedrijfszonering); • Luchtkwaliteit; • Externe veiligheid; • Bedrijven en milieuzonering; • Flora en fauna; • Water; • Archeologie en cultuurhistorie; • Verkeer en parkeren; • Veehouderijen en gezondheid. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is te concluderen dat de beoogde ontwikkeling geen problemen oplevert ten aanzien van de onderzochte aspecten, mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden zijn hierna opgenomen/toegelicht. • Voorwaardelijke verplichting ontheffing Wet natuurbescherming vleermuis en steenuil als algemene gebruiksregel (art. 13.3) Uit de resultaten van aanvullend natuuronderzoek is gebleken dat door de geplande woningbouw in het plangebied sprake is van aantasting van de functionaliteit van vaste rust- en verblijfplaatsen van de vleermuis en steenuil. Om die reden is een ontheffing nodig in het kader van hoofdstuk 3 van de Wnb op grond van artikel 3.1 lid 2 voor het vernielen, beschadigen ofwegnemen van nesten, rustplaatsen of eieren van de vleermuis en de steenuil.
De ontheffing is 5 juli 2023 aangevraagd en er is een redelijke verwachting dat de ontheffing verleend gaat worden. De ontheffing en daaraan verbonden uit te voeren mitigerende maatregelen en gebiedscompensatie zijn doorvertaald in een voorwaardelijke verplichting zoals opgenomen in artikel 13.3 van de regels. • Toepassen vleermuisvriendelijke verlichting ter bescherming van het leefgebied van de vleermuis als specifieke gebruiksregel (art. 4.5.1 en art. 6.5.1) Op basis van aanvullend natuuronderzoek zijn vier soorten vleermuizen aangetroffen en zijn belangrijke leefgebieden binnen het plangebied in kaart gebracht. De aangevraagde ontheffing Wet natuurbescherming is niet van toepassing op deze soort vleermuizen. Dit betekent dat de functionaliteit van het leefgebied van vleermuizen gegarandeerd dient te worden. In dit kader moet aantasting door een toename kunstlicht voorkomen worden en er mag geen sprake zijn van strooilicht op boomkronen. Middels specifieke gebruiksregels in voorliggend bestemmingsplan wordt (publiekrechtelijk) gewaarborgd dat uitsluitend vleermuisvriendelijke verlichting mag worden toegepast bij openbare buitenverlichting. • Besluit hogere waarde geluid Vanwege het wegverkeerslawaai op de Broekhuizerstraat (N813) is een besluit hogere waarde geluid van ten hoogste 52 dB noodzakelijk voor 10 woningen in het plan.
Het besluit hogere waarde geluid wordt parallel aan de procedure voor het bestemmingsplan genomen.
4.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats indeze integrale afweging te geven. Op basis van de volgende grondslagen kan een milieueffectrapportage dan wel m.e.r.
81
(beoordelings)plicht van toepassing zijn: a. op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm: er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. b. op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3): er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen) c. op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings) plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. zijn aan de activiteiten drempelwaarden (de gevallen) verbonden. Deze drempelwaarden zijn echter indicatief. Dit betekent dat als een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, er sprake is een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Onderzoek en conclusie Voorliggend bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn of waarvoor op basis van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling nodig is.
Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: a. een oppervlakte van 100 hectare of meer; b. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of c. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van ca. 53 woningen mogelijk. Daarmee worden de drempelwaarden niet overschreden en is in dit geval geen sprake van een m.e.r.beoordelingsplicht. Wel dient het bevoegd gezag, ondanks dat de drempelwaarden niet worden behaald, zich er van te vergewissen of activiteiten geen belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben (vormvrije m.e.r.-beoordeling). Uit de uitgevoerde onderzoeken om de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan te onderbouwen (paragraaf 1.4), kan geconcludeerd worden dat geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. En dat daarmee geen milieueffect(beoordelings)rapportage hoeft te worden opgesteld.
In dit kader moet nog wel een ontheffing worden aangevraagd op basis van de Wet natuurbescherming en de eventueel te nemen mitigerende en compenserende maatregelen.
4.3 Bodem Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming. De eisen die worden gesteld aan de bodemkwaliteit en de noodzaak tot het uitvoeren van een bodemonderzoek staan vermeld in onder meer de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, de Woningwet en het Bouwbesluit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Ook mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door bijvoorbeeld grondverzet (het zogenaamde stand still-beginsel). Onderzoek en conclusie Voor de voorgenomen ontwikkeling is in 2021 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd door Buro Antares (bijlage 2). In augustus 2022 is door Buro Antares een aanvullend verkennend bodem- en astbestonderzoek (bijlage 3) uitgevoerd voor het noordelijk deel van het projectgebied, omdat het projectgebied in noordelijke richting was uitgebreid. Verkennend bodem en asbestonderzoek
82
Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek zijn geen bijmengingen waargenomen welke op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging zal kunnen duiden. Ook zijn er geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Wel is waargenomen dat de ondergrond zwak roesthoudend is en sporen oer bevat. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond plaatselijk een licht verhoogd gehalte PAK is gemeten.In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Het grondwater binnen de projectlocatie bevat licht verhoogde concentraties barium. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit voldoet de bovengrond ter plaatse van de akker en het hondenlosloopveld op basis van het gemeten gehalte PAK aan de klasse ‘wonen’. De overig onderzochtebodemlagen worden ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘achtergrondwaarde’.De bovengrond binnen het projectgebied is aanvullend onderzocht op PFAS. Uit de analyseresultaten blijktdat de bovengrond plaatselijk een licht verhoogd gehalte PFOS bevat waardoor de grond wordt ingedeeld in de klasse ‘wonen’. De overige mengmonsters voldoen aan de klasse ‘landbouw/natuur’.
De lichtverhoogde waarden voortkomend uit het bodemonderzoek zijn dusdanig gering verhoogd dat risico`s voor de volksgezondheid en hetmilieu als verwaarloosbaar mogen worden beschouwd.Ter plaatse van puinverharding zijn op het maaiveld en inhet vrijgekomen materiaal visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Uit de analyseresultatenblijkt dat in het mengmonster van het puin geen asbest is gemeten. Ten noorden van het voormalige clubgebouw van de scouting is een bodemverontreiniging aanwezig met zink en barium. Voor de ontwikkeling van het gebied dient deze gesaneerd teworden. Gezien de beperkte omvang (3 m³) is de gemeente Doetinchem het bevoegd gezag Aanvullend verkennend bodem en asbestonderzoek Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek zijn in de bovengrond plaatselijk sporen baksteen aangetroffen. In de ondergrond zijn sporen roest waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond met sporen baksteen licht verhoogde gehalten kwik en lood zijn gemeten. In de zintuigelijk schone boven- en ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde gemeten. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium gemeten. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit voldoet de boven- en ondergrond aan de klasse ‘achtergrondwaarde’.
De bovengrond binnen het projectgebied is aanvullend onderzocht op PFAS. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond een marginaal verhoogd gehalte aan PFOS en PFOA bevat. Op basis van het gehaal aan onderzoeksresultaten zijn geen milieukundige belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen binnen de onderhavige onderzoekslocatie, c.q. bestemmingsplanwijziging. Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek blijkt dat er maximaal licht verhoogd gehalten en concentraties zijn gemeten. De licht verhoogde waarden zijn dusdanig gering verhoogd dat risico`s voor de volksgezondheid en het milieu als verwaarloosbaar mogen worden beschouwd. Grondverzet Bij afvoer, aanvoer en hergebruik van grond gelden de regels uit het Besluit bodemkwaliteit en de Nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaart Regio Achterhoek 2020. Voor eventuele aan- en of afvoer van grond kan een partijkeuring nodig zijn.
4.4 Ontplofbare oorlogsresten Explosive Clearance Group heeft een historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. De resultaten van het vooronderzoek zijn vastgelegd in een rapport d.d. 11-5-2021 (zie bijlage 4 Onderzoek Ontplofbare Oorlogsresten). Middels het literatuur- en archiefonderzoek en de luchtfotointerpretatie zijn er binnen het onderzoeksgebied geen indicaties achterhaald voor een verhoogde kans op de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten. Het onderzoeksgebied is derhalve onverdacht op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten. Het advies is om de geplande werkzaamheden op reguliere wijze uit te voeren en het opsporingsproces niet verder voort te zetten. Hoewel er geen feitelijke aanleiding is om het onderzoeksgebied als verdacht te verklaren, zal het uitvoerend personeel voorafgaand aan werkzaamheden worden geinstrueerd aan de hand van bijlage 3 van het Protocol Toevalsvondst. In het uitgevoerde vooronderzoek zoals opgenomen als bijlage 4 Onderzoek Ontplofbare Oorlogsresten ontbreekt in het onderzoeksgebied een deel van het plangebied. Explosive Clearance Group heeft te kennen gegeven dat het onbrekende gebied dermate dichtbij het wel onderzochte gebied ligt dat het in de analyse is meegenomen. In het ontbrekende gebied zijn op basis van de anlyse geen indicaties
83
achterhaald die leiden tot verdacht gebied.
4.5 Akoestiek 4.5.1 Wegverkeerslawaai Wegverkeer kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen opgenomen. In het kader van de Wgh bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrooks wegen die aan weerszijden van de weg gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 250 meter. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 200 meter. Ingeval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone moet een akoestisch onderzoek plaatsvinden. Daar waar geen sprake is van een wettelijke onderzoekszone moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening het aspect akoestiek ook afgewogen worden. Onderzoek en conclusie De ontwikkeling ligt binnen de bebouwde kom van Wehl binnen de geluidzone van de Broekhuizerstraat (N813/80 km weg) op ten minste 49 meter uit de as van de weg, de Doesburgseweg op ten minste 122 meter uit de as van de weg en de Keppelseweg (N814) op tenminste 245 meter uit de as van de weg. De locatie grenst in het zuiden aan het 30 km deel van de Doesburgseweg. In de nabijheid van de locatie liggen nog enkele 30 km wegen zonder geluidzone.
Derhalve is een onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeer (bijlage 5 Geluidbelasting wegverkeer op woninglocatie Fokkenkamp Wehl). De geluidbelasting door wegverkeer op de Broekhuizerstraat (N813) bedraagt op de gevels van de hoogst geluidbelaste woningen ten hoogste 52 dB na aftrek van 2 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee met 4 dB overschreden. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Er dienen voor de geluidbelaste gevels van de hoogst geluidbelaste woningen hogere waarden te worden aangevraagd. De geluidbelasting door wegverkeer op de Doesburgseweg en de Keppelseweg (N814) bedraagt op alle woningen minder dan 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Hogere waarden voor de geluidbelasting door deze wegen zijn niet nodig. De geluidbelasting door wegverkeer op 30 km wegen bedraagt ten hoogste 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Er zijn geen hogere waarden nodig voor de geluidbelasting door wegverkeer op nietgeluidgezoneerde wegen (30 km/u). Vanwege het wegverkeerslawaai op de Broekhuizerstraat (N813) is een besluit hogere waarde geluid van ten hoogste 52 dB noodzakelijk voor tien woningen in het plan.
De betreffende woningen zijn op onderstaande kaart geel gearceerd. Het besluit hogere waarde geluid wordt parallel aan de procedure voor voorliggend bestemmingsplan genomen. Het aspect wegverkeerslawaai vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
84
4.5.2 Railverkeerslawaai Voor railverkeerslawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Er is van rechtswege (Wgh) een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk heeft een zone van 100 meter. Onderzoek en conclusie Het plangebied ligt op minimaal 800 meter afstand van de spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk. Aanvullend onderzoek is in het kader van railverkeerslawaai dus niet nodig. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.5.3 Industrielawaai/bedrijfszonering In de Wgh is bepaald dat rond industrieterreinen waarop bepaalde, krachtens Het Besluit omgevingsrecht (BOR) aangewezen, inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (grote lawaaimakers), een geluidzone moet zijn vastgesteld. Met deze zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel lawaaimakers als aan woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, te veel oprukken naar de lawaaimakers. Buiten deze geluidzone mag de geluidsbelasting door industrielawaai niet meer bedragen dan 50 dB(A) (de voorkeursgrenswaarde industrielawaai). In de Wet geluidhinder is vastgelegd dat het vastleggen, opheffen of wijzigen van een geluidzone moet plaatsvinden via het vaststellen van een bestemmingsplan. Niet is vastgelegd dat bestaande geluidzones opnieuw overgenomen moeten worden. Het opnemen van de geluidzone heeft dan ook vooral een signaleringsfunctie en is niet nodig vanuit het oogpunt van rechtszekerheid. Onderzoek en conclusie In Wehl liggen de bedrijventerreinen Diepenbroek-Zuid en A18 Bedrijvenpark.
De afstand tot het (niet-gezoneerde) bedrijventerrein Diepenbroek-Zuid is dusdanig (ca. 1 km) dat dit bedrijventerrein en de ontwikkeling van Wehl Fokkenkamp niet op elkaar van invloed zijn. Daarnaast ligt Wehl Fokkenkamp ruim buiten de geluidzone van het gezoneerde bedrijventerrein A18 Bedrijvenpark (zie onderstaande afbeelding). Daarmee vormt het aspect industrielawaai geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
85
4.6 Luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2020 en 2030. De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Beide typen scenario's laten in de toekomst een afname van de concentraties zien. Dit komt doordat bedrijven en het verkeer steeds schoner worden door technologische verbeteringen. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.
Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk.” Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wetmilieubeheer (Wm). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen(grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer ('Wet luchtkwaliteit') zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen om onder andere de verkeersgerelateerde emissies (onder andere fijnstof en stikstofdioxide) te reguleren. Bij ieder (ruimtelijk) project moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben
86
op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool wordt de toename van de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) bepaald. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als de luchtkwaliteit als gevolg van het project met ten hoogste 3% verslechtert. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Onderzoek en conclusie Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld. Daarmee kan worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Voor deze berekening is uitgegaan van 53 woningen (worstcase 40 vrijstaande woningen en 13 sociale huurwoningen). Op basis van de bijbehorende CROW normen voor verkeersgeneratie wordt een toename van 401 voortuigbewegingen per etmaal verwacht.
Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt een toename van 1,2 µg/m3 stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Daarmee overschrijdt plan Fokkenkamp niet de grens van de toegestande 3% verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor het plan geldt daarom dat het niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van stikstofdioxide en fijnstof in de buitenlucht. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.
Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame
87
personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: a. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied. b. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. c.
In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten. d. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. e. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. f. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. g. Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico. Voor punten 1 t/m 5 heeft de gemeente een apart bestemmingsplan 'Parapluherziening Externe veiligheid - 2020' opgesteld. Dit bestemmingsplan is op 25 maart 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. Met dit bestemmingsplan is uitvoering gegeven aan punten 1 t/m 5. De parapluherziening is integraal verwerkt in het voorliggende bestemmingsplan.
Onderzoek en conclusie Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Onderstaande figuur is een uitsnede van de risicokaart rondom het plangebied.
88
Hieruit blijkt dat: a. In het plangebied geen stationaire bronnen en/of mobiele bronnen aanwezig zijn; b. In het plangebied geen buisleidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn; c. Het plangebied zich niet bevindt binnen de risicocontour en invloedsgebied van een Brzo-inrichting; d. In de directe omgeving geen inrichtingen (Bevi) aanwezig zijn waar de opslag van LPG plaatsvindt; e. In de directe omgeving zich geen infrastructuur bevindt dat onderdeel is van het Basisnet waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De A18 (onderdeel van Basisnet) bevindt zich op ca. 2 km afstand. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Daarnaast wordt met de aanduiding 'overige zone - nieuwe risicobronnen uitgesloten' (art. PM) uitgesloten dat zich risicobronnen binnen het plangebied vestigen.
4.8 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier
89
richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Onderzoek en conclusie Met voorliggend bestemmingsplan worden geen milieubelastende functies/activiteiten mogelijk gemaakt. Daarmee worden de bestaande woningen grenzend aan/in de omgeving van het plangebied niet belemmerd c.q. vindt geen toename van hinder en gevaar bij deze woningen plaats. Daarnaast zijn aangrenzend aan het plangebied geen bedrijven gelegen waar een richtafstand voor van toepassing is. Het meest nabij gelegen bedrijf is gelegen aan de Keppelseweg 21. Dit betreft een bedrijf in (tuin)meubelen. De afstand tot het plangebied bedraagt ruim 100 m. Op basis daarvan hebben Wehl Fokkenkamp en het bedrijf geen invloed op elkaar. Agrarisch bedrijf Broekhuizerstraat 10a Wehl Aan de Broekhuizerstraat 10a, ter hoogte van het plangebied aan de overzijde van de Broekhuizerstraat, is een agrarisch bedrijf gevestigd. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij en de locatie geldt een minimumafstand van 100 meter tussen de veehouder en een geurgevoelig object.
Een deel van het plangebied Wehl Fokkenkamp ligt binnen die afstand van 100 meter. Dat deel is in eigendom van de eigenaar van de Broekhuizerstraat 10a en wordt door henzelf in ontwikkeling gebracht. De realisatie van woningen (geurgevoelig object) is binnen de afstand van 100 meter niet toegestaan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening/een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om die reden zijn de gronden die binnen de geurcontour van 100 meter vallen voorzien van een voorwaardelijke verplichting. Die houdt in dat op deze gronden de bestemming Wonen gerealiseerd en in stand gehouden mag worden als ze niet meer liggen binnen een geurcontour. Daarmee is een goede ruimtelijke ordening/een aanvaardbaar woonen leefklimaat geborgd. Paardrijvereniging In het plan Fokkenkamp wordt een paardrijvereniging ingepast. Het is geen manege. Het betreft enkel een paardenbak om in te rijden. De paardenbak is geen dierenverblijf waarvoor de Wet geurhinder en veehouderij geldt. Er hoeft vanwege het aspect geur dus geen minimale afstand te worden gehouden tot geurgevoelige objecten zoals woningen. Gezien de afstand tussen de paardenbak en de nieuwe woningen wordt geur niet gezien als mogelijke hinderbron. De paardenbak is wel verlicht. Deze verlichting moet zodanig zijn gericht dat lichthinder bij woningen wordt voorkomen.
Door dit gegeven in combinatie met de afstand tussen de paardenbak en de nieuwe woningen vormt het aspect licht geen belemmering. Begraafplaats Net buiten het plangebied ligt een begraafplaats. Voor begraafplaatsen geldt op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' een richtafstand van 10 meter in verband met het eerbiedigen van de piëteit. Deze afstand wordt in het plan meer als voldoende gerespecteerd en vormt dus geen belemmering voor het plan.
4.9 Flora en fauna 4.9.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de nieuwe wet
90
is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving. Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort (groep)en zijn jaarrond beschermd.
Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her) inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project. Onderzoek en conclusie Voor voorliggend bestemmingsplan is een quickscan natuurtoets uitgevoerd (bijlage 6 Quickscan natuurtoets Wehl Fokkenkamp). In navolging van de quickscan is aanvullend steenuilonderzoek uitgevoerd (bijlage 7 Aanvullend steenuilonderzoek) en aanvullend onderzoek naar vleermuizen, ransuil en kleine marterachtigen (bijlage 8 Aanvullend onderzoek vleermuizen, ransuil en kleine marterachtigen Wehl Fokkenkamp). Quickscan natuurtoets Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat aanvullend onderzoek naar ransuil, steenuil en foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen noodzakelijk is.
Aanvullend onderzoek naar overige beschermde soort(groep)en flora of fauna is niet noodzakelijk.Bij werkzaamheden en activiteiten dient altijd rekening te worden gehouden met (overige) broedvogels. Indien werkzaamheden en activiteiten plaatsvinden buiten het broedseizoen is de kans op conflicten met broedende vogels het kleinst. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord. Een AERIUSberekening is noodzakelijk om vast te stellen of een vergunningsaanvraag met betrekking tot stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied “Rijntakken” en andere Natura 2000-gebieden noodzakelijk is. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor het Gelders Natuurnetwerk is niet aan de orde. Een aantal van de opgaande groenstructuren binnen het plangebied voldoet aan de criteria voor beschermde houtopstanden. Indien er sprake is van het verwijderen van deze groenstructuren is een kapmelding bij de provincie Gelderland noodzakelijk. Aanvullend steenuilonderzoek Uit het gericht onderzoek naar de steenuil blijkt er door dat de geplande woningbouw een essentieel gedeelte van het foerageergebied van de steenuil verdwijnt. Om het verlies aan foerageergebied te compenseren moet het overgebleven leefgebied versterkt worden. Het compensatieplan dient door de provincie Gelderland goedgekeurd te worden middels een ontheffingsaanvraag.
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, ransuil en kleine marterachtigen Uit het flora- en faunaonderzoek is naar voren gekomen dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en steenmarter. Als gevolg van de geplande werkzaamheden worden tijdelijk negatieve effecten verwacht en treedt verstoring op voor deze soorten.
91
Voor de laatvlieger geldt dat indien in het westelijk deel van het plangebied (zie paragraaf 5.1) een woonwijk wordt ontwikkeld een overtreding niet kan worden voorkomen. Voor de gewone dwergvleermuis geldt dat de aanwezige vliegroute zoals getoond in bijlage 2 behouden moet blijven. Voor de laatvlieger en mogelijk de gewone dwergvleermuis dient een ontheffing aangevraagd te worden. Deze soorten kunnen gezamenlijk in een aanvraag ingediend worden. Conclusie Voor voorliggend bestemmingsplan is een AERIUS-berekening gemaakt (zie 4.9.2). Een ontheffingaanvraag voor de steenuil is bij de Provincie Gelderland aangevraagd. Evenals een ontheffing voor de vleermuis. Het stedenbouwkundig plan is zodanig opgesteld dat de aanwezige vliegroute voor de gewone dwergvleermuis behouden blijft. Zie daarvoor onderstaande afbeelding waarin de vliegroute van de gewone dwergvleermuis is opgenomen.
Onheffing Wnb vleermuis en steenuil Uit de resultaten van aanvullend natuuronderzoek is gebleken dat door de geplande woningbouw in het plangebied
92
sprake is van aantasting van de functionaliteit van vaste rust- en verblijfplaatsen van de vleermuis en steenuil. Om die reden heeft de gemeente Doetinchem op 5 juli 2023, op basis van het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid, een aanvraag bij de Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland ingediend voor een ontheffing in het kader van hoofdstuk 3 van de Wnb op grond van artikel 3.1 lid 2 voor het vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten, rustplaatsen of eieren van de steenuil en buizerd. De ontheffing en daaraan verbonden uit te voeren mitigerende maatregelen en gebiedscompensatie zijn doorvertaald in een voorwaardelijke verplichting zoals opgenomen in artikel 13.3 van de regels. Vleermuizen Uit het uitgevoerde natuuronderzoek blijkt dat als de functionaliteit van het leefgebied van vleermuizen gegarandeerd kan worden, het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is voor de aangetroffen vleermuissoorten. De functionaliteit van het leefgebied kan worden gegarandeerd door bij de inrichting van het plangebied opgaande groenstructuren te behouden en verstoring door een toename van kunstlicht te voorkomen. Door het handhaven van bomen/groen die gelden als mitigatieroute of foerageergebied is geen ontheffing Wnb voor wat betreft vleermuizen nodig.
Daarnaast is als specifieke gebruiksregels in de betreffende artikelen opgenomen dat uitsluitend vleermuisvriendelijke openbare en buitenverlichting mag worden toegepast binnen het plangebied. Door voor te schrijven dat in ieder geval uitsluitend niet-uitstralende verlichting/armaturen wordt toegepast, geen sprake is van verlichting van boomkronen en uitsluitend UV-vrije (led)lampen met een vleermuisvriendelijke lichtkleur worden toegepast.
4.9.2 Stikstofdepositie Niet alle Habitattypen in Natura 2000-gebieden zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar grote delen van Natura 2000-gebied Rijntakken bestaan uit stikstofgevoelige Habitattypen. Als gevolg van het stopzetten van de PAS-systematiek, mogen plannen niet leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura 2000-gebieden, niet in uitvoering gebracht worden zonder een vergunning Wet natuurbescherming. In het kader van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), die op 1 juli 2021 in werking is getreden, is onderzoek in relatie tot de aanlegfase van ontwikkelingen niet meer noodzakelijk. In de Wsn is namelijk een partiële vrijstelling voor de bouwsector opgenomen. Dit houdt in dat de door debouw mogelijk veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij een natuurvergunning. De vrijstelling geldt slechts voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw-, sloop en aanleg, en ander werkzaamheden en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van utiliteitsbouw of verkeer dat over een weg rijdt. Concreet betekent dit dat de aanlegfase sinds het inwerking treden van de Wsn niet meer berekend hoeft te worden. Voor de gebruiksfase dient wel een berekening gemaakt te worden.
Onderzoek en conclusie Om de uitstoot van stikstof te bepalen, en daarmee het effect als gevolg van depositie op Natura 2000-gebieden, is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de aanlegfase (bijlage 11) als de gebruiksfase (bijlage 10). Voor de berekening is gebruik gemaakt van een landelijke standaard van woningtypen met bijbehorende emissiefactoren. Voor voorliggend bestemmingsplan is er voor gekozen zekerheidshalve uit te gaan van het woningtype met de grootste emissiefactor, namelijk een (gasloze) vrijstaande woning. Met een aantal van 53. Daarnaast is in de berekening ook de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen meegenomen. Uit de berekening is op te maken dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is in de aanlegfase en gebruiksfase dan ook geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000gebieden. Het aspect stikstof i.r.t Natura 2000-gebieden vormt daarmee geen belemming voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.10 Water 4.10.1 Waterbeheerplan 2016-2021
93
Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn. Vanuit de primaire taakgebieden zijn dit in de planperiode 2016-2021: • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water; • Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water; • Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater; • Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. Voor het plangebied staan in het beheerplan geen specifieke doelstellingen beschreven.
4.10.2 Watersysteem Het Waterschap Rijn en IJssel heeft een legger. De legger is een set met kaarten van het beheergebied. Daarop staat o.a. welke rivieren, watergangen, dijken, kaden, stuwen en sluizen het waterschap beheert en waar ze liggen. Langs al deze wateren en bouwwerken zijn zones aangegeven waarin niet zomaar alles mag. Zo beschermt het Waterschap Rijn en IJssel de wateren en de dijken. In de legger (kaart met watergangen, afmetingen en onderhoudsafspraken die hoort bij de keur) staat ook wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Onderzoek en conclusie Onderstaand kaartbeeld laat zien dat binnen het plangebied bijv. geen rivieren, watergangen, dijken, kaden, stuwen en sluizen aanwezig zijn.
94
4.10.3 Gemeentelijk Rioleringsplan In paragraaf 3.5.8 is het rioleringsplan van de gemeente Doetinchem behandeld. Het beleid dat daarin is verwoord komt terug in deze waterparagraaf.
4.10.4 Watertoets Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Onderzoek en conclusie Voor voorliggend bestemmingsplan is een watertoets (Bijlage 9 Watertoets Wehl Fokkenkamp) uitgevoerd. De watertoetstabel is in de navolgende tabel opgenomen. Daarop volgend wordt een toelichting gegeven op de behandelde thema's die relevant zijn. Deze toets is in de navolgende tabel opgenomen. Thema
Toetsvraag
Relevant
Hoofdthema's 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering Veiligheid
(primaire, regionale waterkering of kader) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?
1. Nee 2. Nee
95
Riolering en afvalwaterketen
1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
1. Ja 2. Nee
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van waterschap?
3. Nee
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2? Wateroverlast (oppervlaktewater)
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
1. Ja 2. Ja
500 m2? 3. Ja 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. Nee 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de
Grondwater- overlast
Oppervlaktewater- kwaliteit Grondwaterkwaliteit
ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde of verbeterde stelsel?
Volksgezondheid
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieu hygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Verdroging
Natte natuur
3. Nee Nee Nee
1. Nee 2. Ja
Bevindt het plangebied zich in TOP-gebied?
Nee
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
1. Nee
3.Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?
Inrichting en beheer
1. Ja 2. Nee
Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Nee 3. Nee 4. Nee Nee
Aandachtsthema's Recreatie
Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer Nee van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
Cultuurhistorie
Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Nee
Toelichting per relevant waterhuishoudkundig aspect Toelichting riolering en afvalwaterketen Ten gevolge van de ontwikkeling is er sprake van een toename van het afvalwater. Uitgaande van een gemiddelde woningbezetting van 3 inwoners per woning en een vuilwaterproductie van 120 liter per inwoner per etmaal verdeeld over 10 uur wordt een toename aan vuilwater verwacht van (60 woningen x 3,0 inwoner x 12 l/uur) = 2,16 m³/uur. Er wordt vanuit gegaan dat het bestaand gemeentelijks stelsel deze toename kan verwerken. Dit dient bij de nadere uitwerking verder beschouwd te worden. Toelichting wateroverlast (oppervlaktewater) Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe met 11.500 m2. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maarvolgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Binnen het plangebied is veel ruimte aanwezig voor oppervlakkige berging. In het plangebied
96
zijnveel brede groene bermen en een honden uitlaatveld aanwezig welke ruimte bieden voor wadi’s (greppels).De dimensioneringsberekeningen van de diverse voorzieningen zijn opgenomen in hoofdstuk 5.Met de benoemde systeemkeuze kan regenbui T=10+10% (40 mm) worden opgevangen in het plangebied en vertraagd worden afgevoerd. In extreme situaties zou bui T=100+10% (80 mm) totaan maaiveld of op maaiveld geborgen kunnen worden zonder dat er waterschade optreedt. In de Doesburgseweg is een solitair stelsel van infiltratieriolen aanwezig. In de verdere uitwerkingvan het waterhuishoudings- en rioleringsplan, wordt de mogelijkheid om een koppeling te makenmet dit stelsel nader beschouwd. Toelichting oppervlaktewaterkwaliteit Nieuwe ontwikkelingen mogen geen verslechtering van de oppervlaktewaterkwaliteit tot gevolg hebben. Vanuit het plangebied wordt hemelwater via een wadi geloosd op het oppervlaktewatersysteem (zie ook wateroverlast). Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Toelichting grondwateroverlast In het plangebied bevinden zich slecht doorlatende lagen. Om grondwateroverlast in de toekomstige situatie te voorkomen, wordt aanbevolen om slecht doorlatende lagen te doorbreken met bijvoorbeeld verticale zandsleuven. Toelichting volksgezondheid Om het risico op verdrinking te beperken worden flauwe taluds in de wadi’s aangebracht.
4.11 Archeologie en cultuurhistorie Het gemeentelijke beleid van archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid van deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie.
4.11.1 Archeologisch erfgoed Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden moeten als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de Erfgoedwet is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen. Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep.
De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. Een betere bescherming van de archeologie en het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om goed inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het archeologisch bodemarchief. Daarom heeft de gemeente Doetinchem een archeologische beleidskaart laten opstellen door adviesbureau RAAP, waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een gebied zal het
97
beschermingsregime meer of minder streng zijn. De archeologische beleidskaarten zijn op 30 maart 2020 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld. Met de ‘Parapluherziening Archeologie – 2020’, vastgesteld door de gemeenteraad van Doetinchem op 27 mei 2021, is bepaald dat de regels ten aanzien van archeologie, die zijn opgenomen in de geldende plannen, deels vervallen en deels worden vervangen door de geactualiseerde regels. Onderstaande tabel geeft weer welke archeologische gebieden worden onderscheiden, welke uitgangspunten vanuit archeologiebeleid daar bij horen en welke dubbelbestemming wordt gehanteerd. uitgangspunten
dubbelbestemming /
archeologiebeleid
specifieke regels
Archeologische waardevolle gebieden(AWG) AWG categorie 1 (beschermde archeologisch monument met attentiezone 50 m) AWG categorie 2 (archeologische monumenten met attentiezone 50 m) & AWG categorie 4 (historische stads- en dorpskern) Binnenstad Ei AWG categorie 3 (bekende archeologische vindplaats met rondom attentiezone van 50 m & loopgraaf of tankgracht)
altijd vergunningplicht
bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 30 cm
Waarde - Archeologisch monument
Waarde - Archeologie
bij bodemingrepen groter dan 15 m2 Waarde - Archeologische verwachting 1 en dieper dan 30 cm bij bodemingrepen groter dan 100 m en dieper dan 30 cm
Waarde - Archeologische verwachting 2
bij bodemingrepen groter dan 250
Waarde - Archeologische
2
Archeologische waardevol verwachtingsgebieden (AWV) AWV categorie 5 (hoog + afgedekt)
AWV categorie 6 (hoog) AWV categorie 7 (middelmatig)
m en dieper dan 40 cm
verwachting 3
bij bodemingrepen groter dan 250
Waarde - Archeologie
2
2
m en dieper dan 30 cm
verwachting 4
bij bodemingrepen groter dan 1000 Waarde - Archeologische verwachting 5 m 2 en dieper dan 30 cm
AWV categorie 8 (laag) &
bij bodemingrepen dieper dan 30
AWV categorie 9 (laag voor
cm - en bij plangebieden groter dan
nederzettingsresten, hoog voor geïsoleerde water gerelateerde archeologische resten)
5000 m²
AWV categorie 10 (waterpartijen)
n.v.t.
Waarde - Archeologische verwachting 6
geen dubbelbestemming nodig
Bodemverstoringen vergraven
n.v.t.
dubbelbestemming baseren op AWG- of AWV-categorie
Onderzoeksgebieden Archeologisch onderzoek
n.v.t.
Na onderzoek vrijgegeven
n.v.t.
dubbelbestemming baseren op AWG- of AWV-categorie geen dubbelbestemming nodig
Te allen tijde moet rekening worden gehouden met de wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten (Erfgoedwet, art. 5.10): Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de
98
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Onderzoek en concusie In 2021 is door Hamaland Advies een archeolisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd (bijlage 12 Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Wehl Fokkenkamp). Het verkennend booronderzoek heeft laten zien dat binnen het plangebied de bodemopbouw vrijwel overal intact is. Verder zijn meerdere archeologische indicatoren aangetroffen. In elf van de achttien boringen zijn fragmenten handgevormd en gedraaid aardewerk uit de periode ijzertijd-late middeleeuwen, alsmede metaalslakken aangetroffen. De vondsten wijzen op de aanwezigheid van verscheidene vindplaatsen, waaronder vermoedelijk een nederzetting, binnen het plangebied. Geadviseerd is een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren. Op basis van de verzamelde informatie, determinatie en ruimtelijke spreiding van het vondstmateriaal is geconcludeerd dat binnen het plangebied potentieel een archeologische vindplaats aanwezig is: een nederzetting die in de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen dateert. Op basis van de vooronderzoeken kon nog geen begrenzing van de vindplaats worden vastgesteld. In 2022 heeft een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) plaatsgevonden (bijlage 13 Proefsleuvenonderzoek (IVO-P) Wehl Fokkenkamp).
In voorliggend bestemmingsplan zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie', 'Waarde - Archeologische verwachting 2', 'Waarde - Archeologische verwachting 3' opgenomen conform dat Parapluherziening Archeologie 2020
4.11.2 Cultuurhistorisch erfgoed De cultuurhistorie is in Doetinchem vastgelegd in de nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' (vastgesteld 21 september 2017) en de Erfgoedverordening gemeente Doetinchem 2013 (vastgesteld 30 mei 2013). In het plangebied zijn geen panden aanwezig die geïnventariseerd zijn als cultuurhistorisch waardevol.
4.12 Verkeer en parkeren Wegcategoriseringplan In het wegcategoriseringsprogramma zijn de verschillende wegen (binnen en buiten de bebouwde kom) in Doetinchem ingedeeld in een drietal categorieën. • Stroomwegen (autosnelweg A18); • Gebied ontsluitingswegen (50 km wegen); • Erftoegangswegen 30 km wegen).
Uitgangspunten bij de inrichting van de wegen binnen de gemeente Doetinchem zijn bepaald in het Wegcategoriseringsplan: • de inrichting van de weg (het wegbeeld) moet het gewenste rijgedrag en de rijsnelheid 'afdwingen'; • herkenbare inrichting van de verschillende verkeersruimtes door materiaal/kleur; • de (kwaliteit van de) leefomgeving staat centraal; • de weg moet na realisatie goed te beheren zijn (beheerbewust ontwerpen); • snelheidsremmende maatregelen worden getroffen in erftoegangsstraten en op gebiedsontsluitingswegen waar kwetsbare verkeersdeelnemers de weg moeten kruisen.
De meeste woonstraten in de gemeente Doetinchem zijn inmiddels aangewezen tot 30 km/uur gebied. Niet alle straten voldoen al helemaal aan de bijbehorende inrichtingseisen. De komende jaren zullen bij groot onderhoud steeds meer woonstraten worden ingericht tot 30 km/uur straat.
99