Bijlage 01_10 Toelichting bijlage 1 - RO Supermarkt Julianastraat Koningin Wilhelminastraat te Wehl_20240404.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
27
1
2
3
4
5 6
Figuur 4.2: Meetpunten NSL-monitoringstool ten opzichte van plangebied Id 1 15569216 2 15569218 3 15569220 4 15569222 5 15577683 6 15577685 Norm
NO2 ug/m3 17.5 17.5 17.5 17.7 18.6 18.7 40
PM10 ug/m3 18.0 18.0 18.0 18.0 18.6 18.6 40
PM10 overschrijdingsdagen 6.3 6.3 6.3 6.3 6.6 6.6 35
PM2.5 11.5 11.5 11.5 11.5 11.7 11.7 25
4.4.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen.
4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt
Hoofdstuk 4
28
een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart ter plaatse van het dorp Wehl
4.5.2 Onderzoek
Hoofdstuk 4
29
Om de (eventuele) risicobronnen in de omgeving te inventariseren kan gebruik worden gemaakt van de Risicokaart. Na een analyse van de planlocatie op de risicokaart (zie uitsnede kaart), kan geconcludeerd worden dat het plangebied niet is gelegen binnen risicocontouren of invloedsgebieden m.b.t. het groepsrisico van risicobronnen. Er is daarom sprake van een goed werk- en leefklimaat ter plaatse van de toekomstige supermarkt. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk. 4.5.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.6 Bedrijven en milieuzonering 4.6.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.
3
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
30
4.6.2 Onderzoek Omgevingstype Het plangebied is gelegen in het centrum van Wehl. In de omgeving van het plangebied liggen verschillende centrumfuncties, maatschappelijke functies en woningen. Dit gedeelte van Wehl kan daarom niet gezien worden als een ‘rustige woonwijk’, maar als een ‘gemengd gebied’. Om deze reden kunnen de richtafstanden van bedrijven en andere milieubelastende functies (en dus tevens deze supermarkt) die hierna worden behandeld, met één stap worden verlaagd. Invloed omgeving op initiatief Om te bepalen of sprake is van een goed werk- en verblijfsklimaat in de nieuwe supermarkt, is gekeken naar bedrijven en andere milieubelastende functies in de omgeving. In de omgeving zijn geen bedrijfsbestemmingen gelegen. De verder afgelegen bedrijven in het dorp Wehl hebben geen richtafstand die tot aan het plangebied rijkt. In de omgeving van de supermarkt liggen wel enkele maatschappelijke functies en centrumfuncties. Voor de centrumfuncties geldt een maximale milieucategorie 1. Hiervoor geldt een richtafstand van 0 meter (in een gemengd gebied). Hieraan wordt voldaan. Voor de maatschappelijke functies geldt een maximale milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter (in een gemengd gebied). Ook hieraan wordt voldaan. Om deze redenen kan worden geconcludeerd dat sprake is van een goed werk- en verblijfsklimaat ter plaatse van de nieuwe supermarkt.
Invloed initiatief op omgeving Met dit initiatief worden een bibliotheek en enkelen woningen gesloopt en wordt een supermarkt gerealiseerd. Een supermarkt heeft conform de VNG-brochure met richtafstanden de milieucategorie 1. In een gemengd gebied geldt daarom voor een supermarkt een richtafstand van 0 meter. Hieraan wordt uiteraard voldaan. In het kader van ‘goede ruimtelijke ordening’ is het wel van belang dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de geluidsgevoelige woningen in de omgeving. Om deze reden is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten van dit onderzoek. Akoestisch onderzoek industrielawaai Er is door Econsultancy een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied4. Hierin zijn de effecten berekend vanwege de vrachtwagens (bevoorrading), de personenauto’s op de openbare weg en eigen terrein, de winkelwagens en installaties. Hieronder worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De realisatie van een nieuwe supermarkt op de beoogde locatie leidt tot een overschrijding van de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie met betrekking tot indirecte hinder. De te realiseren bestemming fungeert als verbindende schakel tussen het centrum en maatschappelijke en zorgfuncties.
Daarom worden de richtwaarden uit stap 3 van toepassing geacht, zonder dat daarbij een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat. Wanneer wordt getoetst aan stap 3 wordt het maximale geluidniveau als gevolg van aan- en afrijdend verkeer buiten beschouwing gelaten. Het parkeren van personenauto’s valt hier onder, zodat volgens stap 3 geen overschrijdingen van de richtwaarde worden geconstateerd. Bovendien wordt beargumenteerd dat het woon- en leefklimaat in de betreffende woningen aanvaardbaar is te noemen.
4
Akoestisch onderzoek industrielawaai Julianastraat/Wilhelminastraat te Wehl, Econsultancy, 3 april 2024
Hoofdstuk 4
31
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau als gevolg van de supermarkt voldoen aan richt- en grenswaarden. 4.6.3 Conclusie De aspecten ‘bedrijven en milieuzonering’ en ‘industrielawaai’ zorgen niet voor belemmeringen.
4.7 Flora en fauna 4.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan of omgevingsvergunning in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Hoofdstuk 4
32
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.
Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.7.2 Onderzoek Er is in november 2018 een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied5. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
Resultaten quickscan Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Bij uitvoering van de (sloop)plannen zijn negatieve effecten op nestlocaties van huismus en gierzwaluw, en vaste verblijfplaatsen van een vleermuizensoort niet uitgesloten. Protocollair veldonderzoek naar de functionaliteit van de bebouwing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen wordt noodzakelijk geacht.
5
Quickscan flora en fauna ‘Supermarkt Wehl’ te Wehl, gemeente Doetinchem, BRO, 23 november 2018, P00721
Hoofdstuk 4
33
Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.
Op basis van de quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde natuurgebieden (NNN of Natura 2000) niet noodzakelijk geacht met uitzondering van een aanvullend stikstofonderzoek. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Stikstofdepositie Om op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar de berekening in de bijlagen. Er is zowel een berekening gedaan voor de gebruiksfase van het plan als voor de bouwfase. Hieruit blijkt dat er bij beide fases geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. In de bijlagen is het stikstofonderzoek opgenomen met de door AERIUS gegenereerde rapportages. Geconcludeerd wordt dat daarmee op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten kunnen worden. Vervolgonderzoek Naar aanleiding van de quickscan is een vervolgonderzoek 6 uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. Hiervoor wordt verwezen naar de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. In de gebouwen binnen het plangebied zijn 4 zomer- en 4 paarverblijfplaatsen aangetroffen van de gewone dwergvleermuis.
Bij vernielen of beschadigen van verblijfplaatsen van deze soort wordt een overtreding begaan op de Wet natuurbescherming. Alvorens aan deze werkzaamheden kan worden begonnen dient een ontheffing verkregen te worden. Deze dient te worden aangevraagd bij de provincie Gelderland, onderbouwd met een activiteitenplan. In een activiteitenplan moet onder andere beschreven worden welke compenserende en mitigerende maatregelen genomen worden, welk wettelijk belang wordt gebruikt, welke alternatieven overwogen zijn en of de gunstige staat van instandhouding in het geding komt.
Overzicht aanwezigheid beschermde soorten en te nemen type maatregelen
6
Vervolgonderzoek huismus, gierzwaluw en vleermuizen – Kerkplein Raadhuisplein – Wehl, BRO 5 november 2019, P00721
Hoofdstuk 4
34
Voor het mogen vernietigen van de huidige verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Gelderland. Een ontheffingsaanvraag dient te worden onderbouwd met een activiteitplan. Na het verkrijgen van de ontheffing kunnen de sloopwerkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de ontheffing wordt voldaan, zoals het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen en het ontzien van de gevoelige periodes. De provincie neemt binnen 20 weken een besluit over de aanvraag. Bij de aanwezigheid van een vaste verblijfplaats van een gewone dwergvleermuis is één van de onderdelen van de noodzakelijke maatregelen het tijdig aanbieden van (temporele) alternatieve verblijfplaatsen (bijvoorbeeld (inbouw) vleermuiskasten). Per verloren verblijfplaats dienen er voor de gewone dwergvleermuis minimaal 4 alternatieve verblijfplaatsen te worden aangeboden in de directe omgeving (binnen 100 meter, maar bij voorkeur dichterbij). Alternatieve paarverblijfplaatsen hebben een gewenningsperiode van 6 maanden voor de start van het paarseizoen. Alternatieve zomerverblijfplaatsen hebben een gewenningsperiode van 4 zomermaanden. Indien de alternatieve verblijfplaatsen voor half februari 2020 opgehangen worden, dan wordt per augustus 2020 aan deze gewenningsperiodes voldaan.
Hieronder zijn de overige algemene voorwaarden van de alternatieve verblijfplaatsen weergegeven. Vervangende paarverblijfplaatsen moeten bij voorkeur: Bestaan uit een (kast)ruimte van 50 centimeter hoog, 20-30 centimeter breed en minimaal 1 compartiment. Wat betreft de nieuwe locaties worden afgestemd met functies die het gebied tot geschikt paargebied maken: (massa-)winterverblijfplaatsen, vliegroutes, foerageergebieden en met al bestaande territoria van mannetjes. Een gewenningsperiode van minimaal 6 maanden voorafgaand aan de start van het paarseizoen kennen. Dit betekent dat vervangende paarverblijfplaatsen uiterlijk half februari aanwezig moeten zijn. Voor vervangende zomerverblijfplaatsen geldt grotendeels hetzelfde. De gewenningsperiode is anders: Een gewenningsperiode kennen van minimaal 3 maanden (waarbij alleen de maanden april tot en met oktober meetellen) waarin de gewone dwergvleermuizen in staat zijn om de nieuwe verblijfplaatsen te vinden en te inspecteren omdat ze niet in winterrust zijn. Probeer zoveel mogelijk de oude oorspronkelijke dakpannen te hergebruiken in plaats van vervanging door sneldekpannen. Ontheffing Wet natuurbescherming Voor het mogen vernietigen van de huidige verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis is een ontheffing aangevraagd bij de provincie Gelderland. Deze ontheffing is op 21 september 2020 verleend.
De sloopwerkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats kunnen worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de ontheffing wordt voldaan, zoals het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen en het ontzien van de gevoelige periodes. De bebouwing wordt onklaar gemaakt voordat de sloop plaats zal vinden. Update quickscan flora en fauna In juni 2022 is een actualisatie gedaan op basis van de eerdere quickscan. Bij het veldbezoek werd gecontroleerd of de conclusies uit de eerdere quickscan in 2018 nog geldend en kloppend zijn. Er is voor deze actualisatie een oplegnotitie gemaakt. Deze is opgenomen in de bijlagen. De conclusie luidt als volgt:
Hoofdstuk 4
35
De conclusies volgend uit de Quickscan Flora en Fauna d.d. 23 november 2018 zijn compleet en voldoende actueel. Wijzigingen hieromtrent zijn niet aan de orde. De bebouwing is inmiddels onklaar gemaakt (d.d. 10 oktober 2022). Een laatste ecologische check (17 oktober 2022) heeft dit bevestigd. De bebouwing is daarom gereed om gesloopt te worden. 4.7.3 Conclusie Het onderdeel ‘flora en fauna’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.8 Water 4.8.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit te laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Nederland is onderdeel van vier internationale stroomgebied districten: Rijndelta, Maas, Schelde en Eems. Tot een stroomgebied district behoort niet alleen het water van de hoofdrivier, maar al het water in het betreffende gebied. In 2009 zijn de eerste stroomgebiedbeheerplannen vastgesteld.
Per 22 december 2015 gelden geactualiseerde stroomgebiedbeheerplannen (sgbp'en) voor de periode 20162021 waarin is opgenomen hoe de waterkwaliteit per district verbeterd kan worden. Binnen elk district werken provincies, gemeenten, waterschappen en Rijkswaterstaat samen aan schoner water. Naast de stroomgebiedbeheerplannen 2016-2021 zijn maatregelenprogramma’s opgesteld. Hierin is op hoofdlijnen te vinden welke maatregelen de komende 6 jaar worden uitgevoerd. Door de Nota Ruimte krijgt met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie: van reageren naar anticiperen. De laatste jaren dient in ruimtelijke plannen steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Door o.a. de invoering van de watervergunning wordt het aantal regels, vergunningstelsels en administratieve lasten vermindert. Totdat de Omgevingswet in werking treedt blijft de Waterwet van kracht. Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Gelderse Omgevingsvisie. In de vastgestelde Omgevingsvisie staan de maatschappelijke opgaven in Gelderland, die zijn ontstaan in gesprekken tussen overheden, organisaties en particulieren. Vanuit dat perspectief zijn in de Omgevingsvisie ‘het speelveld en
Hoofdstuk 4
36
de spelregels’ beschreven. Doelen en kwaliteit staan centraal, niet de exacte middelen. De regels behorend bij de Omgevingsvisie zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening. In Nederland zijn diverse Waterschappen opgericht die integraal samen werken met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en van de openbare ruimte hebben. In het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven. In het waterbeheerplan staat beschreven welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten/prioriteiten van belang zijn. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid beschreven voor de primaire taakgebieden: Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. De gemeente Doetinchem heeft samen met het waterschap Rijn en IJssel, waterbedrijf, vertegenwoordigers van natuur en milieubelangen, inwoners en bedrijfsleven het Waterplan opgesteld.
In dit beleidsdocument is de integrale omgang met water in stedelijk en landelijk gebied aangegeven ter ondersteuning van het streven te komen tot veerkrachtige watersystemen en het scheiden van vuil- en schoonwaterstromen als principe. Het Waterplan Doetinchem bundelt op lokaal niveau het inzicht in de huidige situatie en geeft in de streefbeelden en ambities aan hoe duurzaamheids- en gidsprincipes van integraal waterbeheer in plannen vertaald kunnen worden. Hierin zijn belangen van ruimtelijke ordening, milieu, natuur en toerisme meegewogen. Het Waterplan uit 2003 en het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormen samen de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. De gemeente is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de openbare ruimte en het woon- en leefmilieu. De voorzieningen voor stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater zijn daar een onderdeel van.
Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang: het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren; water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling); met water de identiteit van een plek zichtbaar maken; een goede communicatie opzetten (intern en extern); water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen; samenwerken en afstemmen; balans in watersysteem en waterketen. Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen, gecombineerd met een aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings- en gebruiksmogelijkheden van het water. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. Naast de gemeentelijke inspanningen om de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen, zullen ook inwoners maatregelen moeten nemen om de leefbaarheid onder extremere weersomstandigheden op peil te houden. Middels de wensen in het rioleringsplan 2016-2020 van de gemeente Doetinchem wordt voor de komende vijf jaar nadrukkelijk een tandje bijgeschakeld.
Hoofdstuk 4
37
Stedelijke (her)ontwikkelingen dienen ‘waterneutraal’ plaats te vinden waarbij het hemelwater op eigen terrein verwerkt dient te worden. Ingrepen mogen in principe geen veranderingen aan het watersysteem teweegbrengen. Ruimtelijke ordening en water zijn hierbij onlosmakelijk met elkaar verbonden. Middels het watertoetsproces kan het bevoegd gezag vroegtijdig meedenken over de rol van het water in de ruimtelijke ontwikkeling en op zoek naar een bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. In tegenstelling tot het stedelijk afvalwater is het niet vanzelfsprekend dat de gemeente al het hemelwater inzamelt. De wet gaat uit van doelmatigheid: de perceeleigenaar is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het hemelwater dat op zijn perceel valt. Kan hij dit goed in de bodem of het oppervlaktewater kwijt, dan hoeft de gemeente dit niet in te zamelen. Bij uitbreidingen of herontwikkelingen dient onderzocht te worden hoe het hemelwater verwerkt kan worden. Bij de bouwaanvraag moet de eigenaar aangeven hoe het hemelwater verwerkt of afgevoerd wordt. 4.8.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een beknopte waterparagraaf opgesteld voor het plangebied7. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Hemel- en afvalwater Ter plaatse zijn enkele woningen en een bibliotheek aanwezig.
Het beheer en onderhoud van de openbare ruimte binnen de gemeente Doetinchem wordt uitgevoerd door Buha. Onder de Julianastraat en de Koningin Wilhelminastraat is een gescheiden stelsel aanwezig. De openbare ruimte is afgekoppeld. Zover bekend bij de rioolbeheerder zijn alleen de woningen aan de Julianastraat voor de helft afgekoppeld (ca. 120 m²). Het afvalwater van de bestaande bebouwing wordt verzameld in het vrijvervalstelsel en afgevoerd naar de zuiveringsinstallatie van het waterschap Rijn en IJssel aan de Keppelseweg te Wehl. Bij de nieuwbouw wordt een gescheiden stelsel aangelegd. Door de nieuwbouw van een supermarkt neemt de hoeveelheid afvalwater uit het plangebied af. Het afvalwater zal via een DWA-leiding aangesloten worden op de bestaande uitlegger(s). De exacte aansluiting wordt in een later stadium uitgewerkt in samenspraak met de rioolbeheerder. Voor de nieuwbouw dient een hemelwatervoorziening op eigen terrein aangelegd te worden afhankelijk van de toekomstige planontwikkeling.
Op basis van PDOK-viewer en de conceptplantekening zijn de volgende (toekomstige) gegevens ingeschat: Huidige verharding Woningen: 480 m2 Bibliotheek: 900 m2 Terreinverharding (ontsluiting en gedeelten van voor- en achtertuinen): 710 m2 Totaal: 2.090 m2 Toekomstige verharding: Supermarkt: 1.610 m2 (dakoppervlak circa) Terreinverharding/parkeerplaats: 1.730 m2 Totaal: 3.340 m2
7
Waterparagraaf Koningin Wilhelminastraat Wehl, Aeres Milieu, 18 december 2018, AM18364
Hoofdstuk 4
38
In de huidige situatie is circa 120 m 2 dakoppervlak en ca. 360 m 2 overige verharding aangesloten op het gemeentelijk hemelwaterstelsel. Door het planvoornemen zal het verhard oppervlak toenemen met circa 1.250 m2. De gemeente heeft aangegeven dat de neerslag van het totaal toekomstig verhard oppervlak in een aan te leggen hemelwatervoorziening verwerkt dient te worden. Vanuit het waterschap wordt de eis gesteld dat bij een toename van meer dan 500 m 2 verhard oppervlak in stedelijk gebied gecompenseerd dient te worden. Voor het nieuw verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden voor een bui T=100+10% (80 mm) welke geen overlast mag veroorzaken. Hergebruik van hemelwater is gezien het gewenste planontwikkeling moeilijk inpasbaar. Eventueel kan op de winkel een groendak aangelegd worden. Bij toepassing hiervan dient hiermee rekening gehouden te worden bij de constructieberekening en dient aan de bijhorende randvoorwaarden voldaan te worden. Bovengronds verwerken is moeilijk inpasbaar. Gezien het groot toekomstig oppervlak parkeren is ondergrondse waterverwerking ter plaatse realiseerbaar. Ter plaatse is infiltratie naar verwachting goed toepasbaar op basis van de bodemopbouw (5-10 meter per dag). Gezien de diepte van het grondwater kan ondergrondse infiltratie aangelegd worden.
Vanuit het gemeentelijk beleid is bij nieuwbouw geen aansluiting van hemelwater op het riool toegestaan maar dient dit via een infiltratievoorziening op eigen terrein verwerkt te worden. Bij een perceeloppervlak vanaf 500 m2 is de te realiseren berging in de infiltratievoorziening afhankelijk van de Kwaarde (doorlatendheid) van de grond. Bij een K-waarde groter dan 1 moet er minimaal 10 mm berging aanwezig zijn, gerekend over het aangesloten verharde oppervlak. Bij een K-waarde van 0,75 is deze berging 25 mm en bij een K-waarde van 0,5 is deze berging 40 mm. Ter plaatse is derhalve een goede infiltratiesnelheid aanwezig. Voor het gehele plangebied is vanuit de gemeente een voorziening van ca. 33,4 m 3 noodzakelijk geacht. Vanuit het waterschapsbeleid dient om waterneutraal te ontwikkelen minimaal de toename aan verharding zijnde ca. (1.250 m2 * 80 mm =) 100 m3 verwerkt te worden op eigen terrein zodat toekomstige wateroverlast vermeden wordt. Deze verwerking zal gezien de toekomstige invulling eenvoudig onder het parkeerterrein ingepast worden. Deze voorziening dient boven de ingeschatte GHG van 11,8 m +NAP aangelegd te worden. Hieronder zijn drie ondergrondse mogelijkheden genoemd. 1) Aanleg van een waterbergende funderingslaag van lava of grind of IT-kratten (infiltratieveld).
Als alternatief kan ook voor Rockflow gekozen worden (hoge draagkracht en goed infiltratievermogen). 2) Aanleg van enkele IT-leidingen, deze kan eenvoudig aangesloten worden op de parallel aan de Koningin Wilhelminastraat aanwezige leiding. 3) Afstroom naar parkeervakken met een waterpasserende bestrating. Dit kan met klinkers met brede voeg of groene grasdallen aangevuld met een onderliggende waterbergende bodemlaag. Ter plaatse is voldoende ruimte aanwezig om dit in te passen. Bij twijfel over de lokale grondslag worden voorafgaand enkele infiltratiemetingen op het plangebied geadviseerd om de leegloop te kunnen borgen. Indien de onverzadigde bodem minder goed doorlatend blijkt, zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk zoals bijvoorbeeld grondverbetering of een grotere waterretentie.
Hoofdstuk 4
39
Voor de nieuwbouw wordt een bouwpeil zoals bestaand en/of minimaal 20 cm boven de weg (minimaal 13,3 m +NAP) geadviseerd. Het grondwater vormt ter plaatse geen belemmering door de bestaande diepteligging. Door de hogere ligging wordt ook het risico op eventuele instroom vanaf het openbaar gebied beperkt. Bij de nieuwbouw dient rekening gehouden te worden met de genoemde aandachtspunten in hoofdstuk 3 van de waterparagraaf. Voorafgaand aan de vergunningsaanvraag dient een definitieve keuze nader uitgewerkt en getoetst te worden. Door bij de herontwikkeling rekening te houden met de genoemde aandachtspunten en minimaal de uitbreiding aan verhard oppervlak te compenseren (ca. 100 m 3) wordt hemelwaterneutraal ontwikkeld en voldaan aan de voorwaarden van het waterschap en de gemeente. Door rekening te houden met de hierboven genoemde randvoorwaarden is geen verhoogd risico op (grond)wateroverlast te verwachten binnen het plangebied en de directe omgeving te verwachten door het planvoornemen. Grondwater Op basis van het kaartmateriaal van de provincie Gelderland is ter plaatse van het plangebied en de omgeving matige kwel te verwachten. Uit de gekende bodem- en grondwatergegevens op en nabij het plangebied (bodemdata Nederland en DINO-loket) blijkt dat het plangebied op een dekzandrug met esdek ligt. Het grondwater is ter plaatse op ca. 10,5-11,8 meter +NAP (ca.
1,2-2,5 m-mv) te verwachten. Door de ligging op rand van een dekzandrug is ter plaatse naar verwachting sprake van infiltratie. De bovengrond tot ca. 1,5 m-mv bestaat uit een middenfijn tot grof zandpakket met soms siltigere lagen. Deze toplaag behoort tot de Formatie van Boxtel en zijn overwegend matig tot goed doorlatend. Hieronder zijn goed doorlatende, grofzandige tot grindige bodemlagen van de Formatie van Kreftenheye aanwezig. In het stedelijke gebied is de waterhuishouding in eerste instantie gericht op het voorkomen van (grond)wateroverlast. Door de hoogteligging van het plangebied is er geen grondwateroverlast bekend of te verwachten. De lokale freatische grondwaterstroming is noord(west)elijk gericht. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen een attentie- of beschermingsgebied behorend tot een waterwingebied. Zover bekend vormt de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Binnen het plangebied wordt een winkel met parkeerterrein gerealiseerd. De dreiging van een eventuele grondwaterverontreiniging zal daarom minimaal zijn. Voor zover bekend vinden in de directe omgeving van het plangebied geen grootschalige grondwateronttrekkingen plaats. Klimaatadaptatie De gemeenteraad van de gemeente Doetinchem heeft op 7 juli 2022 de ‘Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem’ vastgesteld.
De strategie (met visie en ambities) is gebaseerd op vijf pijlers. Pijler 4 gaat over “Ontwikkelingen klimaatbestendig”: “We bouwen met het oog op de toekomst. Als we nu iets ontwikkelen, houden we rekening met het klimaat van de toekomst. Dit betekent dat we nieuwbouw en herinrichtingen alleen nog maar klimaatbestendig realiseren. En dat we daarbij de effecten op de bestaande woon- en leefomgeving expliciet meenemen.” De gemeente houdt bij nieuwe en lopende projecten rekening met het veranderende klimaat. Dat betekent kansen benutten en maatregelen treffen.
Hoofdstuk 4
40
Bij de inrichting van het nieuwe watersysteem op de planlocatie wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met klimaatadaptatie. Zo wordt dit watersysteem in ieder geval ingericht dat deze beter bestand is tegen de verwachte klimaatverandering, zoals zwaardere buien en langere droge perioden. Het hemelwater kan op het terrein bijvoorbeeld op verschillende manieren worden verwerkt: 1) Aanleg van een waterbergende funderingslaag van lava of grind of IT-kratten (infiltratieveld). 2) Aanleg van enkele IT-leidingen; 3) Afstroom naar parkeervakken met een waterpasserende bestrating. Op deze manier wordt versnelde afvoer voorkomen en kan de aanwezige goede infiltratiesnelheid optimaal worden benut, wat tevens een positief effect heeft op droogte van de bodem. Op het parkeerterrein wordt daarnaast voorzien in groen en enkele bomen, wat een positief effect heeft op de hittestress. Het toekomstige gebouw wordt daarnaast duurzaam ontworpen. De verschillende duurzame maatregelen zijn in paragraaf 2.2 beschreven. Dit heeft een positief effect op het klimaat in vergelijking met de huidige verouderde bebouwing op het terrein. 4.8.3 Conclusie Rekening houdende met de aanleg van de benodigde waterberging, zorgt het aspect ‘water’ niet voor belemmeringen.
4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de tussenperiode een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.
Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.
Hoofdstuk 4
41
4.9.2 Onderzoek Archeologie In figuur 4.4. hieronder is een uitsnede van de gemeentelijke archeologische beleidskaart opgenomen. Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen een gebied dat is aangeduid als “AWG categorie 3 (bekende archeologische vindplaats met rondom attentiezone van 50 meter)”. Daarnaast is ook een gedeelte gelegen binnen “AWG categorie 4 (historische stads- en dorpskern). De volgende regels gelden hier: AWG categorie 3: Bij bodemingrepen bij plangebieden groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm-Mv of dieper dan de bekende bodemverstoring vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek, conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek gemeenten Regio Achterhoek (vigerende versies). AWG categorie 4: Bij bodemingrepen bij plangebieden groter dan 50 m² en dieper dan 30 cm-Mv of dieper dan de bekende bodemverstoring vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek, conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek gemeenten Regio Achterhoek (vigerende versies).
Figuur 4.4: Uitsnede beleidskaart archeologie Doetinchem (plangebied zwart omrand)
Hoofdstuk 4
42
De onderzoeksgrenzen die op de locatie gelden worden overschreden. Er is daarom door Econsultancy een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied 8. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Uit het bureauonderzoek bleek dat het plangebied gelegen is op een relatief hooggelegen en grootschalige dekzandrug, op enige afstand ten zuiden van het dal van de Oude IJssel. Uit deze landschappelijke ligging blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagersverzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Voor alle periodes vanaf het Laat-Paleolithicum werd dan ook uitgegaan van een hoge archeologische verwachting. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de periode IJzertijd - Nieuwe tijd. Aangezien rondom het plangebied sprake lijkt van een relatief hoge dichtheid van vindplaatsen uit deze periode, diende met name rekening gehouden te worden met vindplaatsen daterend vanaf de IJzertijd. Uit het booronderzoek is gebleken dat inderdaad sprake is van een pakket dekzand (van wisselende dikte) met daarop een plaggendek en een (sub)recente toplaag. De basis van het eerddek lijkt in het merendeel van de boringen intact.
Bovendien is in boring 5 vermoedelijk een grondspoor uit de Middeleeuwen aangeboord. De hoge verwachting uit het bureauonderzoek blijft dan ook behouden voor de periodes Neolithicum - Nieuwe tijd. Eventuele resten van kampementen van jagers-verzamelaars uit de periode Laat-Paleolithicum zullen grotendeels verloren zijn gegaan, aangezien de top van het natuurlijke bodemprofiel niet meer intact is. Op basis van het behoud van de hoge verwachting voor alle periodes vanaf het Neolithicum is geadviseerd om in het kader van de geplande ontwikkeling een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Dit is ook zo opgenomen in het archeologisch onderzoek. Echter is later met de Omgevingsdienst afgestemd dat ook in het vervolg gewerkt kan worden met archeologische begeleiding tijdens de sloopfase (vanaf beneden maaiveld) en bouwfase. Er is een Programma van Eisen hiervoor opgesteld. Dit Programma van Eisen is opgenomen in de bijlagen en wordt besproken met en voorgelegd aan het bevoegd gezag. Cultuurhistorie De cultuurhistorische waarden in Wehl zijn vastgelegd in de kaart ‘Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’ van de provincie Gelderland. Een uitsnede van deze kaart is in figuur 4.5 weergegeven. Het plangebied is gelegen buiten een beschermd dorpsgezicht.
Ook zijn binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle panden aanwezig. Op de kaart is te zien dat binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. In de omgeving zijn wel enkele monumentale bouwwerken en gebouwen aanwezig, zoals de kerk ten noordoosten van het plangebied en de pastorie ten noorden van het plangebied (Kerkplein 1 en 4). Dit zijn tevens twee Rijksmonumenten. Ook staat er een gemeentelijk monument ten noorden van het plangebied (Kerkplein 2). De realisatie van de supermarkt zorgt niet voor een onaanvaardbare aantasting van de cultuurhistorische waarden van deze panden. De toekomstige supermarkt krijgt namelijk een beperkte bouwhoogte, waardoor zichtlijnen op de panden niet dusdanig meer worden aangetast dan door de huidige bebouwing in het plangebied. De bestaande lijnstructuur vanaf de Koningin Wilhelminastraat naar het Kerkplein blijft behouden en waar mogelijke versterkt.
8
Archeologisch bureau- en booronderzoek, Econsultancy, 17 december 2018, 7423.002
Hoofdstuk 4
43
Figuur 4.5: Uitsnede kaart ‘Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’ van de provincie Gelderland
4.9.3 Conclusie Ten aanzien van cultuurhistorie en archeologie ontstaan geen belemmeringen. Het opgestelde Programma van Eisen voor archeologie wordt nog voorgelegd aan het bevoegd gezag.
4.10 Molenbiotoop In het kader van het aspect ‘cultuurhistorie’ is bekeken of er molens in de omgeving van het plangebied liggen en of het plangebied binnen een molenbiotoop ligt. Hiervan is geen sprake.
4.11 Verkeer en parkeren Voor het onderdeel ‘verkeer en parkeren’ is door Bono Traffics een onderzoek uitgevoerd9. Voor dit onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Hieronder worden per aspect de belangrijkste conclusies beschreven.
9
Verkeersonderzoek PLUS Wehl, Bono Traffics, 6 maart 2024
Hoofdstuk 4
44
4.11.1 Verkeer Omdat sprake is van een functiewijziging veranderen ook de verkeersstromen op en rondom de ontwikkellocatie. Om een uitspraak te kunnen doen over de verwachte verkeersafwikkeling en het effect van het toevoegen van een supermarkt op de verkeersveiligheid is het van belang om te weten hoe groot de verkeersgeneratie van de PLUS is. Om dit te berekenen is gebruik gemaakt van de CROWpublicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren). De kencijfers zijn afhankelijk van de stedelijkheidsgraad en de stedelijke zone waarin de ontwikkeling zich bevindt. Hiervoor zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd, zoals beschreven in de Nota parkeernormen van de Gemeente Doetinchem: Stedelijkheidsgraad : matig stedelijk; Stedelijke zone : rest bebouwd kom; Functie : full-service supermarkt / huur, huis, sociale huur. De te hanteren kencijfers bevatten een bandbreedte. Afhankelijk van de specifieke situatie kan binnen deze bandbreedte bepaald worden welk kencijfer toegepast kan worden. Er is in dit geval geen reden om aan de boven- of onderzijde van de bandbreedte gaan zitten. Daarnaast hanteert de gemeente in haar Nota Parkeernormen ook voor het parkeervraagstuk het gemiddelde van de bandbreedte. Supermarkt Volgens de CROW-publicatie valt de betreffende supermarkt onder de noemer ‘full-service supermarkt’.
De bandbreedte is in dit geval 92,3 tot 133,9 verkeersbewegingen per 100m2 bruto vloeroppervlak (BVO). Dat betekent dat gerekend wordt met een verkeersgeneratie van 113,1 verkeersbewegingen per 100m2 BVO. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van afgerond 1.949 motorvoertuigbewegingen (mvt) per etmaal op een gemiddelde weekdag. De omrekeningsfactor van weekdag naar werkdag voor supermarkten is 1,11. Dit betekent dat de verkeersgeneratie op een gemiddelde werkdag afgerond 2.163 mvt/etmaal bedraagt. Woningen (bestaand) De bandbreedte voor een huis (sociale huur) betreft 4,5 tot 5,3 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Uitgaande van het gemiddelde in de bandbreedte genereren de bestaande woningen respectievelijk 39,2 mvt/etmaal en 43,5 mvt/etmaal op een weekdag en op een gemiddelde werkdag. Ook hierbij is gerekend met een omrekeningsfactor van 1,11.
In bovenstaande tabel is de toename van het aantal verkeersbewegingen per etmaal (voor een gemiddelde weekdag en werkdag) als gevolg van de ontwikkeling weergegeven. Hiertoe is de verkeersgeneratie van de woningen – omdat deze verdwijnen - verrekend met de verkeersgeneratie van de supermarkt. De verwachting is dat de supermarkt, na aftrek van de verkeersproductie van de bestaande woningen, afgerond 2.120 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde werkdag op de omliggende wegvakken zal genereren.
Hoofdstuk 4
45
Het verkeersaanbod als gevolg van de realisatie van de PLUS neemt toe ten opzichte van de huidige situatie. Op een gemiddelde werkdag worden circa 2.120 motorvoertuigbewegingen per etmaal verwacht. Uitgaande van een evenredige verdeling van het verkeer over de vier takken van het kruispunt Koningin Wilhelminastraat - Julianastraat wordt een verkeerstoename van 530 motorvoertuigbewegingen per etmaal per tak verwacht. De toekomstige intensiteit op de Koningin Wilhelminastraat en Julianastraat bedraagt dan respectievelijk 1.780 mvt/etmaal en 1.452 mvt/etmaal. De Koningin Wilhelminastraat en de Julianastraat hebben de functie en vormgeving van een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. Fietsverkeer wordt gemengd met het autoverkeer afgewikkeld. Op basis van het huidige wegprofiel en menging van auto- en fietsverkeer is een verkeersintensiteit van 4.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal acceptabel. De toekomstige intensiteit ligt daar (ruim) onder. Geconcludeerd kan worden dat ondanks de toename van het verkeer, het gebruik op alle delen van de Koningin Wilhelminastraat en Julianastraat, na realisatie van de supermarkt nog prima in overeenstemming is met functie en vormgeving van de weg. Ook ten aanzien van bevoorradend verkeer worden, omwille van de voorgenomen bevoorradingsroute en de vormgeving van de laad- en losvoorziening, geen problemen verwacht.
4.11.2 Parkeren De parkeervraag van de supermarkt bedraagt op het piekmoment 84,4 parkeerplaatsen. Er worden 56 parkeerplaatsen toegevoegd. Het parkeertekort bedraagt dan, na verrekening met de te vervallen woningen, 20,7 parkeerplaatsen. Uit een parkeerdrukmeting blijkt dat er tijdens het piekmoment (ruim) voldoende capaciteit is in het omliggende openbare gebied. De parkeerdruk neemt toe tot circa 69,9%, daar waar 85% als acceptabele grenswaarde wordt gezien. Deze restcapaciteit kan vooral worden gevonden op het parkeerterrein aan het Raadhuisplein. Het parkeertekort kan dus ruimschoots worden opgevangen. Op de overige momenten van de week voorziet de supermarkt in de parkeerbehoefte op eigen terrein. 4.11.3 Conclusie Het aspect ‘verkeer en parkeren’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.12 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage.
Hoofdstuk 4
46
Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Hoofdstuk 4
47
5.
UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bouw van een supermarkt. Er is derhalve sprake van een of meerdere bouwplannen als bedoeld in het Bro en dus is kostenverhaal aan de orde. De uitvoering van de ontwikkeling is voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer.
De initiatiefnemer zal met de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst sluiten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Het parkeerterrein krijgt een openbaar karakter en is/wordt eigendom van de gemeente. De aanleg en inrichting is voor rekening van de initiatiefnemer, waarbij een bijdrage wordt geleverd door de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Omgevingsdialoog; Vooroverleg; Inspraak; Vaststellingsprocedure.
Hoofdstuk 5
48
Omgevingsdialoog In het kader van de omgevingsdialoog zijn gesprekken gevoegd tussen Plus Vastgoed B.V. en direct omwonenden. Daarnaast is ook met de dorpsraad Wehl gesproken. Vaststellingsprocedure Het bestemmingsplan ‘Plus supermarkt Wehl - 2023’ en de omgevingsvergunning maken de realisatie mogelijk van een nieuwe supermarkt in het centrum van de kern Wehl op de hoek van de Julianastraat / Koningin Wilhelminastraat. Ook zal het bestemmingsplan een supermarkt op de huidige locatie aan de Stationsstraat uitsluiten. De omgevingsvergunning is aangevraagd voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘uitweg’. Voor dit initiatief wordt de coördinatieregeling toegepast, zoals opgenomen in paragraaf 3.6.1. van de Wro. Het ontwerpbestemmingsplan en het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning hebben gelijktijdig ter visie gelegen voor zes weken vanaf donderdag 14 december 2023 t/m woensdag 24 januari 2024. Gedurende deze periode kon iedereen een zienswijze naar voren brengen. Er zijn 8 zienswijzen ingediend. Deze zijn samengevat en beantwoord in de nota van zienswijzen. Deze is als bijlage opgenomen. Op basis hiervan is deze ruimtelijke onderbouwing aangepast op enkele punten. PM
Hoofdstuk 5
49
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladderonderbouwing Bijlage 2: Verkeersonderzoek Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Waterparagraaf Bijlage 5: Archeologisch onderzoek Bijlage 6: Bodemonderzoek Bijlage 7: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 8: Aanmeldnotitie MER Bijlage 9: Nader bodemonderzoek Bijlage 10: Bezonningsstudie Bijlage 11: Vervolgonderzoek ecologie Bijlage 12: Stikstofonderzoek Bijlage 13: Ontheffing Wet natuurbescherming Bijlage 14: Oplegnotitie ecologie Bijlage 15: Programma van Eisen archeologie
Hoofdstuk 5
50
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl