bestemmingsplan Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021 bijlage 1 bij de toelichting ROB.pdf
Tekst van het document
5.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag, de productie van gevaarlijke stoffen en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij gevaarlijke stoffen kennen we twee verschillende bronnen: stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een LPG vulpunt; mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' van belang. In dit besluit wordt externe veiligheid omschreven als 'de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof bij betrokken is'. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een groepsrisico en een plaatsgebonden risico. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het plaatsgebonden risico biedt de burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Op de volgende afbeelding is te zien dat er geen risicovolle inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied liggen.
Uitsnede risicokaart
32
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
Wat betreft transportroutes voor gevaarlijke stoffen ligt het plangebied op circa 400 meter van de A18 waar dergelijke transporten plaatsvinden. Het plangebied is echter buiten de plaatsgebonden risicocontour en het aandachtsgebied van 200 meter van deze weg gelegen. Bovendien brengt de ontwikkeling geen toename van het aantal mensen op het terrein van Slangenburg met zich mee, waardoor het groepsrisico niet toeneemt. Verder zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen transportroutes of buisleidingen voor gevaarlijke stoffen die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling. Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.
5.6
Bedrijven
Gekeken moet worden of in de omgeving geen bedrijven in hun bedrijfsvoering worden belemmerd als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Ook moet duidelijk zijn of bestaande functies in de omgeving de ontwikkeling al dan niet belemmeren. Er bevinden zich geen milieubelastende functies in de directe omgeving van het plangebied. Er is dus geen sprake van belemmering in de bedrijfsvoering van bedrijven. Voor begraafplaatsen en uitvaartcentra wordt op basis van de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' een richtafstand van 10 meter geadviseerd op basis van het aspect geluid. Aangezien er binnen een afstand van 10 meter geen milieugevoelige objecten zoals woningen aanwezig zijn, wordt aan de richtafstand voldaan. Bestaande milieugevoelige functies in de omgeving van het plangebied belemmeren de ontwikkeling dus ook niet. Het aspect bedrijvigheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.7
Flora en fauna
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Voor het plangebied is in 2012 een quickscan flora en fauna uitgevoerd, geactualiseerd in 2016 en opnieuw geactualiseerd in 2020. Het meest recente onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 5. Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn de Rijnstrangen op circa 15 kilometer afstand. Vanwege deze afstand en de aard van het plan zijn externe effecten als gevolg van het
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
33
voorgenomen plan niet te verwachten. Een toename van de stikstofdepositie als gevolg van voorliggend plan is niet aan de orde. Daarnaast heeft het plan geen negatief effect op beschermde soorten die (potentieel) in het plangebied aanwezig zijn. Het plan wordt dus uitvoerbaar geacht op het gebied van ecologie.
Op het terrein is een torenvalkkast aanwezig op ca. 40 meter van het toekomstige ceremoniepaviljoen. Aanbevolen wordt om deze buiten het broedseizoen te verplaatsen naar een locatie naar de zuidelijke rand van de nieuwe begraafplaats. De torenvalkkast wordt in het winterseizoen 2020-2021 verplaatst in zuidelijke richting. Voorts bevindt zich in de ruigterand tussen de huidige en toekomstige natuurbegraafplaats een leefgebied voor (naar verwachting) amfibieën, muizen en mogelijk kleine marters zoals de wezel. Het plan voorziet echter niet in ingrepen in dit terreindeel.
5.8
Water
5.8.1 Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan 2016-2021 zijn door het Waterschap Rijn en IJssel opgestelde uitgangspunten voor water-, waterkeringen- en waterwegbeheer vastgelegd. Kernbegrippen zijn schoon, levend en functioneel water. Het waterschap streeft samen met gemeenten naar een vorm van duurzaam stedelijk waterbeheer en verbetering van de waterkwaliteit, door afkoppelen van schoon regenwater, het minimaliseren van de verontreiniging van oppervlaktewater en waterbodem en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. Met betrekking tot de chemische en ecologische waterkwaliteit van oppervlaktewater wordt gewerkt aan nadere invulling van doelstellingen en maatregelen op basis van de normstelling uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Bij de ontwikkeling is rekening gehouden met de voorgenoemde doelstellingen. 5.8.2 Watersysteem Het plangebied grenst aan de noordzijde aan een sloot. Aan de zuidkant ligt op enige afstand de watergang Benedenslinge. 5.8.3 Waterplan Het Waterplan Doetinchem bundelt op lokaal niveau het inzicht in de huidige situatie en geeft in de streefbeelden en ambities aan hoe duurzaamheids- en gidsprincipes van integraal waterbeheer in plannen vertaald kunnen worden. Hierin zijn belangen van ruimtelijke ordening, milieu, natuur en toerisme meegewogen.
Het waterplan is door de gemeente in samenwerking met waterschap, waterbedrijf, vertegenwoordigers van natuur en milieubelangen, inwoners en bedrijfsleven tot stand gekomen. In het waterplan zijn Rijksbeleid, provinciaal beleid en het beleid van het waterschap als fundamentele elementen opgenomen. Het Waterplan uit 2003 en het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormen samen de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang: Het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren; Water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling); Met water de identiteit van een plek zichtbaar maken; Een goede communicatie opzetten (intern en extern); Water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen; Samenwerken en afstemmen; Balans in watersysteem en waterketen. Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen, gecombineerd met een aantrekkelijke woonomgeving met
34
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
optimale belevings- en gebruiksmogelijkheden van het water. Er is een goede samenwerking en afstemming tussen alle bij het waterbeheer betrokken partijen, en er vindt geen bestuurlijke, financiële of ruimtelijke afwenteling plaats. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. In het waterplan wordt het algemene streefbeeld per functie en thema nader uitgewerkt. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op het gestelde in het waterplan. 5.8.4 Watertoets Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Deze toets is opgenomen in de waterparagraaf die voor het initiatief is opgesteld. De waterparagraaf is opgenomen in Bijlage 7.
De conclusies daarvan zijn in deze paragraaf verwerkt. Het dak van het ceremoniepaviljoen wordt voorzien van een sedumdak. Dit geldt niet als verhard oppervlak, wat betekent dat het verhard oppervlak niet toeneemt. Het is voor een gecontroleerde lijkvertering van belang dat er begraven wordt op 0,3 meter boven de GHG. Wanneer aan deze afstand wordt voldaan is, heeft de dichtheid en de frequentie van het begraven een verwaarloosbare invloed op de bodem, grond- en oppervlaktewaterbelasting. Er wordt aanbevolen om een grondwateranalyse uit te voeren om per locatie de GHG te bepalen. Op het gebied van water is het plan uitvoerbaar.
5.9
Cultuurhistorie
5.9.1 Historisch erfgoed De cultuurhistorie is in Doetinchem vastgelegd in de structuurvisie "Doetinchem, cultuurhistorierijk!" (vastgesteld 3 november 2008) en de Erfgoedverordening gemeente Doetinchem 2013 (vastgesteld 30 mei 2013). In het plangebied komen geen cultuurhistorische waarden voor. Op het gebied van cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan. Noemenswaardig is dat onderhavig plan gebaseerd is op de oorspronkelijke verkaveling van het gebied. Er wordt daardoor respectvol omgegaan met de ontstaansgeschiedenis van het gebied. Dit geldt ook voor gebiedskarakteristieke elementen zoals de steilranden die in het plan terugkomen. 5.9.2 Archeologisch erfgoed Het archeologiebeleid van de gemeente Doetinchem is er op gericht om het bodemarchief zoveel mogelijk te ontzien. Indien dat niet mogelijk is, wordt voorafgaande aan de bodemverstoring archeologisch onderzoek verricht. De wijze van onderzoek wordt bepaald op basis van de vast te stellen archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingrepen. De archeologische (in bredere zin: cultuurhistorische) kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen.
Een betere bescherming van het bodemarchief en vooral ook het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om een zo goed mogelijk inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het bodemarchief. De gemeente Doetinchem heeft (mede als uitvoering van de nota cultuurhistorie) een
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
35
archeologische beleidskaart laten opstellen waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een (deel)gebied is het beschermingsregime meer of minder streng. De archeologische beleidskaarten zijn samen met de erfgoedverordening op 18 november 2010 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld.
Uitsnede archeologische beleidskaart. Rood = AWV categorie 5. Groen = AWV categorie 8.
In de basis zijn er 5 verschillende niveaus van bescherming. Het gehele plangebied heeft de archeologische verwachting categorie 5. Het archeologiebeleid is juridisch vertaald in het (ontwerp-)bestemmingsplan 'Parapluherziening Archeologie - 2020'. Voor het plangebied geldt het volgende: beleidskaart
uitgangspunten dubbelbestemming archeologiebeleid Archeologische waardevol verwachtingsgebieden (AWV) AWV categorie 5 (hoog + bij bodemingrepen dieper dan Waarde - Archeologische afgedekt) 40 cm – Mv en bij plangebieden verwachting 3 groter dan 250 m2 vroegtijdig inventariseren archeologisch onderzoek In het kader van de uitbreiding van de natuurbegraafplaats is in december 2020 een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 6. Uit het onderzoek blijkt dat er geen archeologische indicatoren aanwezig zijn die aanleiding geven tot vervolgonderzoek. De scherpe overgang naar de C-horizont geeft aan dat potentiële archeologische niveaus niet meer intact (vergraven) zijn. Bovendien zijn de zandbodems in de laaggelegen zones aan de oost- en noordzijde van het plangebied
36
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
ontstaan onder invloed van Slinge. Deze bodems kwamen bij hoog water regelmatig onder water te staan en waren daardoor minder geschikt voor permanente menselijke bewoning. Er is geen archeologisch vervolgonderzoek nodig. Op basis van de Erfgoedwet (art. 5.10) geldt een wettelijke meldingsplicht bij mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem. Op het gebied van cultuurhistorie en archeologie is het plan uitvoerbaar.
5.10
Verkeer en parkeren
Het plangebied is in de toekomstige situatie bereikbaar via de huidige toegangsweg Nutselaer. Vanaf daar gaat de route een stukje over de bestaande begraafplaats en wordt er een nieuw aan te leggen ontsluitingspad aangelegd naar het ceremoniepaviljoen. In de huidige situatie is er reeds sprake van ceremonies voor crematie, begraven en natuurbegraven. Tussen de exploiteerders wordt onderling afgestemd zodat mogelijke overlast wordt voorkomen. Dit wijzigt niet. De ontwikkeling zorgt niet voor een toename van het aantal ceremonies dat plaatsvindt. Er is dus geen sprake van een extra verkeersaantrekkende werking als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Hierdoor hoeft er geen nieuwe verkeerstructuur aangelegd te worden. Voor het parkeren wordt gebruikt gemaakt van de bestaande parkeerplaats. De leerlingen van het Zone college rijden met een trekker naar het terrein via de Kommendijk. Auto's worden geparkeerd aan de Nutselaer. De trekker rijdt het terrein op via de werkpaden. Gemiddeld komen er 85 bezoekers per begrafenis of crematie. Uitgaande van 1,5 persoon per auto betekent dit dat er ongeveer 56 auto's per dienst komen. Gemiddeld worden er 12 begrafenissen/crematies per week gehouden. Een deel van de crematies zijn zonder dienst en dus zonder parkeerdruk. Er worden maximaal 2 natuurbegrafenissen per dag uitgevoerd.
Voor de berekening gaan we uit van een worstcase scenario dat er twee diensten (natuurbegrafenis of regulier) tegelijkertijd plaatsvinden. Dit betekent dat er een maximale parkeerbehoefte is van (2 x 56 =) 104 parkeerplaatsen. De bestaande parkeerplaats aan de Nutselaer heeft 141 plekken (75 op de parkeerplaats en 66 langs de weg). Gezien het aantal parkeerplaatsen is er in de huidige situatie al voldoende parkeerruimte aanwezig voor de uitbreiding van de natuurbegraafplaats. Op het gebied van verkeer en parkeren is het plan dus uitvoerbaar.
5.11
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan of projectbesluit dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. De gemeente is eigenaar en ontwikkelt dit terrein zelf. Met betrekking tot de plankosten, de ontwikkeling en beheer zijn budgetten aanwezig. De uiteindelijke aanleg gaat gepaard met het heffen van leges van grafrechten. Omdat deze inkomsten (leges) jaarlijks fluctueren bestaat er een voorziening begraafplaatsen. In
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
37
jaren met een positief resultaat wordt de voorziening gevuld, in jaren met een negatief resultaat worden er extra middelen uit de voorziening onttrokken. De afgelopen jaren is de voorziening gestegen door extra inkomsten uit de natuurbegraafplaats. Hiermee is het niet nodig een exploitatieplan op te zetten noch een anterieure overeenkomst te sluiten. Er is geen risico op planschade die voor uitkering in aanmerking komt. Een planschadeovereenkomst is niet noodzakelijk omdat Buha BV zorgt voor de uitvoering van het plan en het beheer en de gemeente de gronden in eigendom heeft. Het plan is, gezien de opgave, economisch uitvoerbaar.
38
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
Bijlagen
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
39
40
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
Bijlage 1
Inrichtingsplan
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
41
42
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
Bijlage 2
Beplantingslijst
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
43
44
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
Bijlage 3
Profiel west-oost
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
45
46
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
47
48
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
Bijlage 5
Quick scan flora en fauna
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
49
50
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
Bijlage 6
Archeologisch onderzoek
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
51
52
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
Bijlage 7
Waterparagraaf
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
53
54
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021
55
56
Uitbreiding Natuurbegraafplaats Slangenburg - 2021