CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B11.04 Bijlage 4 onderbouwing - QuickScan natuurwaardenonderzoek

beeldvormende raad 14 oktober 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2026-1G12.090 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ringslangen komen voor in waterrijke gebieden omdat ze hier kunnen jagen op amfibieën en vissen. Daarnaast zijn er in het plangebied geen geschikte ei-afzetplekken aanwezig zoals een composthoop of andere plekken waar broei aanwezig is. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen reptiel gedood en wordt er geen voortplantingsplaats en/of rustplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: Geen ; - Rode-lijstsoorten Het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van Rode-lijstsoorten. Het plangebied wordt als geschikt leefgebied voor grauwe vliegenvanger , huismus , laatvlieger en haas beschouwd. Er zijn geen nesten van grauwe vliegenvanger of haas aangetroffen. Mogelijk zijn er wel verblijfplaatsen van laatvliegers en nesten van huismus aanwezig , daarom moet er nader onderzoek vleermuizen en huismussen uitgevoerd worden. 26 Er worden geen andere Rode-lijstsoorten in het plangebied verwacht zoals planten , paddenstoelen of korstmossen. Deze zijn namelijk (grotendeels) gebonden aan plekken met specifieke standplaatsfactoren zoals Natura 2000-gebied. Vrijwel alle Rode-lijst-planten , -paddenstoelen en -korstmossen stellen kritische eisen aan de standplaats/substraat (vochtgehalte , zuurgraad en voedselrijkdom) en eventueel bijbehorend beheer.

Dergelijke standplaatsen zijn niet aanwezig op voedselrijke plekken waar het beheer ontbreekt of niet gericht is op verschraling. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden en er geen Rode-lijstsoorten gedood en neemt het foerageergebied van Rode-lijstsoorten niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: Nader onderzoek vleermuizen en huismussen ; - Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. 6. 4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk vogels in het plangebied. Op het erf nestelen mogelijk de categorie 5 soorten zwarte roodstaart , gekraagde roodstaart , grauwe vliegenvanger en spreeuw. Door de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een nestplaats van deze soorten negatief beïnvloed. Voor categorie 5 soorten geldt dat deze beschermd zijn , tenzij is aangetoond dat er voor de betreffende soort voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen.

Voor de soorten gekraagde roodstaart , zwarte roodstaart , grauwe vliegenvanger en spreeuw blijft het erf ook na de ruimtelijke ingreep geschikt en is er geen negatieve invloed op de regionale populatie. Daarnaast nestelen er mogelijk huismussen en steenuilen in de woning en schuur die tegen de woning is aangebouwd. Aangezien nesten van huismussen en steenuilen jaarrond beschermd zijn moet er nader onderzoek uitgevoerd worden naar de functie van de woning en schuur die tegen de woning is aangebouwd voor huismussen en steenuilen om vast te stellen of er nesten aanwezig zijn , hoeveel nesten er aanwezig zijn en of er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd moet worden voor het slopen van deze bebouwing. Door het rooien van beplanting en het slopen van de bebouwing tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de soorten die in het plangebied nestelen is , afgezien van huismus en steenuil , uitsluitend het bezette nest beschermd , niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd.

Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen , mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels , dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Het slopen van de woning en schuur die tegen de woning is aangebouwd mag indien er huismussen en/of steenuilen nestelen pas uitgevoerd worden nadat er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd. De kapschuur aan de zuidoostzijde van het erf moet buiten de broedtijd gesloopt worden.

27 Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van de woning en schuur die tegen de woning is aangebouwd voor steenuilen en huismussen ; Slopen bebouwing en rooien beplanting buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren) ; - - Grondgebonden zoogdieren Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een voortplantingsplaats en/of rustplaats beschadigd of vernield , als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de bosmuizen , huisspitsmuizen , veldmuizen , rosse woelmuizen en egels die een voortplantingsplaats en/of rustplaats in het plangebied bezetten , geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats’. Deze vrijstelling geldt niet voor steenmarter , voor deze soort dient nader onderzocht te worden of er verblijfplaatsen aanwezig zijn in de schuur die tegen de woning is aangebouwd. Voor de andere beschermde grondgebonden zoogdieren op het erf geldt geen vrijstelling voor het doden. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden , dienen ze weggevangen te worden (zie onderstaande tabel voor toepasbare vangmiddelen) of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken.

Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied. Deze vangmiddelen zijn het hele jaar toepasbaar in de gehele provincie (bron: Omgevingsverordening Gelderland d. d. 20-03-2023). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt , worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Er dient wel nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van rust- en voortplantingsplaatsen van steenmarter in de schuur die tegen de woning is aangebouwd. Het slopen van de schuur die tegen de woning is aangebouwd kan pas doorgaan wanneer het nadere onderzoek op het erf is afgerond en er eventueel een Omgevingsvergunning is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van de schuur die tegen de woning is aangebouwd voor steenmarter ; Geen grondgebonden zoogdieren doden (zorgvuldig werken , wegvangen of werkterrein natuurvrij maken) ; - - Vleermuizen 28 • Verblijfplaatsen Door het slopen van de bebouwing worden mogelijk vleermuizen of verblijfplaatsen van vleermuizen negatief beïnvloed.

Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden , dient de functie van de bebouwing voor vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de bebouwing voor gebouwbewonende vleermuizen , conform het vleermuisprotocol 2021. Dat houdt in dat de bebouwing op het erf meermaals onderzocht dient te worden in de periode half mei – september. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van de bebouwing voor gebouwbewonende vleermuizen ; - • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna- activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: Geen ; - • Essentiële Vliegroute 1 Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes van vleermuizen.

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna- activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: Geen ; - Amfibieën Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën , waarvan mogelijk de (winter)rustplaats negatief beïnvloed wordt , geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën gedood worden , dienen ze weggevangen te worden (zie tabel op pagina 27 voor toepasbare vangmiddelen) , of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden , zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. 1 Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis.

Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 29 Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: Geen amfibieën doden (zorgvuldig werken , wegvangen of werkterrein natuurvrij maken) ; - Reptielen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen reptielen gedood en wordt geen voortplantingsplaats en/of rustplaats beschadigd of vernield. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: Geen - Rode-lijstsoorten Het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van Rode-lijstsoorten. Het plangebied wordt als geschikt leefgebied voor grauwe vliegenvanger , huismus , laatvlieger en haas beschouwd. Er zijn geen nesten van grauwe vliegenvanger of haas aangetroffen. Of er verblijfplaatsen van laatvliegers en nesten van huismus aanwezig zijn moet nader onderzoek uitwijzen. Er worden geen andere Rode-lijstsoorten in het plangebied verwacht zoals planten , paddenstoelen of korstmossen. Deze zijn namelijk (grotendeels) gebonden aan plekken met specifieke standplaatsfactoren zoals Natura 2000-gebied.

Vrijwel alle Rode-lijst-planten , -paddenstoelen en -korstmossen stellen kritische eisen aan de standplaats/substraat (vochtgehalte , zuurgraad en voedselrijkdom) en eventueel bijbehorend beheer. Dergelijke standplaatsen zijn niet aanwezig op voedselrijke plekken waar het beheer ontbreekt of niet gericht is op verschraling. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden en er geen Rode-lijstsoorten gedood en neemt het foerageergebied van Rode-lijstsoorten niet af. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: Nader onderzoek vleermuizen en huismussen ; - Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een Omgevingsvergunning flora- en fauna- activiteit is niet noodzakelijk. 30 In | onderstaande | tabel | worden | de | wettelijke | consequenties | samengevat | weergegeven. Soortgroep | Functie | Beschermde | Verbodsbepalingen | Aandachtspunt soorten planlocatie Grondgebonden | Foerageergebied | Diverse | soorten | Art. | 11. 54 | lid 1b Bal | Nader | onderzoek zoogdieren | uitvoeren Grondgebonden | Vaste | rust- | en | Diverse | soorten | Art. | 11.

54 | lid 1b Bal | Nader | onderzoek zoogdieren | voortplantingsplaats | uitvoeren Grondgebonden | Doden | van | dieren | Diverse | soorten | Art. | 11. 54 | lid 1a Bal | Nader | onderzoek zoogdieren | uitvoeren Vogels | Foerageergebied | Diverse | soorten | Niet | van | toepassing | ; functie | Geen wordt | niet | aangetast Vogels | Bezette | nesten | (niet | Diverse | soorten | Art. | 11. 37 | lid 1b Bal | Geen | bezette | nesten jaarrond | beschermd) | negatief | beïnvloeden Vogels | Jaarrond | beschermde | Huismus | en | Art. | 11. 37 | lid 1b Bal | Nader | onderzoek nest- | en | rustplaats | steenuil | uitvoeren Vogels | Doden | van | dieren | Diverse | soorten | Art. | 11. 37 | lid 1a Bal | Nader | onderzoek uitvoeren Vleermuizen | Verblijfplaats | Diverse | soorten | Art. | 11. 46 | lid 1b Bal | Nader | onderzoek uitvoeren Vleermuizen | Foerageergebied | Diverse | soorten | Niet | van | toepassing | ; er wordt | Geen geen | essentieel | foerageergebied aangetast Vleermuizen | Vliegroute | Niet | aanwezig | Niet | van | toepassing | Geen Vleermuizen | Doden | van | dieren | Diverse | soorten | Art. | 11. 46 | lid 1a Bal | Nader | onderzoek uitvoeren Amfibieën | Foerageergebied | Diverse | soorten | Niet | van | toepassing | ; vrijstelling | Geen i. v. m.

ruimtelijke | ontwikkeling Amfibieën | Vaste | rustplaats | Diverse | soorten | Niet | van | toepassing | ; vrijstelling | Geen i. v. m. ruimtelijke | ontwikkeling Amfibieën | Voortplantingsplaats | Niet | aanwezig | Niet | van | toepassing | Geen Amfibieën | Doden | van | dieren | Diverse | soorten | Art. | 11. 54 | lid 1a Bal | Geen | amfibieën | doden Reptielen | Foerageergebied | Niet | aanwezig | Niet | van | toepassing | Geen Reptielen | Rust- | en | Niet | aanwezig | Niet | van | toepassing | Geen voortplantingsplaats Reptielen | Doden | van | dieren | Niet | van | Niet | van | toepassing | Geen toepassing Overige | soorten | Dieren | en overige | Niet | aanwezig | Niet | van | toepassing | Geen functies Samenvatting | van | de | wettelijke | consequenties. Soortgroep | Rustplaats | Voortplan- | Vliegroute | Essentieel | Wettelijke | Nader | Omgevingsvergunning tingsplaats | (vleermuizen) | foerageer- | consequenties | onderzoek | flora- | en fauna-activiteit gebied | vereist | vereist Grondgebonden | Ja | Ja | n. v. t. | Nee | Ja | Ja | Mogelijk | (voor zoogdieren | steenmarter) Vogels | Ja | Ja | n. v. t. | Nee | Ja | Ja | Mogelijk | (voor | huismus en | steenuil) Vleermuizen | Ja | Ja | Nee | Nee | Ja | Ja | Mogelijk | (diverse soorten) Amfibieën | Ja | Ja | n. v. t. | Nee | Ja | Nee | Nee | , tenzij | amfibieën gedood | worden Reptielen | Nee | Nee | n. v. t.

| Nee | Nee | Nee | Nee 6. 5 | Historische | gegevens | en | overige | bronnen Er | zijn | geen | historische | gegevens | van | het | plangebied | bekend. 6. 6 | Volledigheid | van | het | onderzoek Het | onderzoek | is volledig | uitgevoerd | met | geschikte | weersomstandigheden. 31 HOOFDSTUK 7 CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ’opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’ , als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Voor beschermde soorten waarvoor deze vrijstelling niet geldt , is een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist om ze te mogen doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd , waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied.

Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk , hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het GNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied , kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden , op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied , zoals geluid , trillingen of optische verstoring , kunnen ook worden uitgesloten. Soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten , maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten benut als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren , vleermuizen en amfibieën er een rust- en/of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied voor reptielen beschouwd. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk vogels in het plangebied. Op het erf nestelen mogelijk de categorie 5 soorten zwarte roodstaart , gekraagde roodstaart , grauwe vliegenvanger en spreeuw.

Door de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een nestplaats van deze soorten negatief beïnvloed. Voor categorie 5 soorten geldt dat deze beschermd zijn , tenzij is aangetoond dat er voor de betreffende soort voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen. Voor de soorten gekraagde roodstaart , zwarte roodstaart , grauwe vliegenvanger en spreeuw blijft het erf ook na de ruimtelijke ingreep geschikt en is er geen negatieve invloed op de regionale populatie. Daarnaast nestelen er mogelijk huismussen en steenuilen in de woning en schuur die tegen de woning is aangebouwd. Aangezien nesten van huismussen en steenuilen jaarrond beschermd zijn moet er nader onderzoek uitgevoerd worden naar de functie van de woning en schuur die tegen de woning is aangebouwd voor huismussen en steenuilen om vast te stellen of er nesten aanwezig zijn , hoeveel nesten er aanwezig zijn en of er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd moet worden voor het slopen van deze bebouwing. Door het rooien van beplanting en het slopen van de bebouwing tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de soorten die in het plangebied nestelen is , afgezien van huismus en steenuil , uitsluitend het bezette nest beschermd , niet het oude nest of de nestplaats.

Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen , mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen 32 activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels , dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Het slopen van de woning en schuur die tegen de woning is aangebouwd mag indien er huismussen en/of steenuilen nestelen pas uitgevoerd worden nadat er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd. De kapschuur aan de zuidoostzijde van het erf moet buiten de broedtijd gesloopt worden.

Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een voortplantingsplaats en/of rustplaats beschadigd of vernield , als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de bosmuizen , huisspitsmuizen , veldmuizen , rosse woelmuizen en egels die een voortplantingsplaats en/of rustplaats in het plangebied bezetten , geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats’. Deze vrijstelling geldt niet voor steenmarter , voor deze soort dient nader onderzocht te worden of er verblijfplaatsen aanwezig zijn in de schuur die tegen de woning is aangebouwd. Voor de andere beschermde grondgebonden zoogdieren op het erf geldt geen vrijstelling voor het doden. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden , dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna- activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt , worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Er dient wel nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van rust- en voortplantingsplaatsen van steenmarter in de schuur die tegen de woning is aangebouwd.

Het slopen van de schuur die tegen de woning is aangebouwd kan pas doorgaan wanneer het nadere onderzoek op het erf is afgerond en er eventueel een Omgevingsvergunning is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd. Door het slopen van de bebouwing worden mogelijk vleermuizen of verblijfplaatsen van vleermuizen negatief beïnvloed. Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden , dient de functie van de bebouwing voor vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de bebouwing voor gebouwbewonende vleermuizen , conform het vleermuisprotocol 2021. Dat houdt in dat de bebouwing op het erf meermaals onderzocht dient te worden in de periode half mei – september. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën , waarvan mogelijk de (winter)rustplaats negatief beïnvloed wordt , geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling.

Om te voorkomen dat beschermde amfibieën gedood worden , dienen ze weggevangen te worden , of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden , zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. 33 Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Omgevingswet Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: 34 Bijlage 2 Toelichting Omgevingswet flora- en fauna-activiteit Drie beschermingsregimes De Omgevingswet kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn , een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten , die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of Omgevingsvergunning. Alle vogels (ruim 700 soorten) , zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd.

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een Omgevingsvergunning moet aan drie criteria zijn voldaan: - Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. - - Als aan deze drie vereisten voldaan is , kan een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk , bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee , tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Omgevingswet sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet , iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. In het Besluit activiteit leefomgeving is het als volgt verwoord: Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1°. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten , genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn , en niet in die bijlage genoemde , geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 , tweede lid , van die richtlijn ; 2°. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten , genoemd in de bijlagen II , IV en V bij de habitatrichtlijn ; 3°. dieren of planten van soorten , genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten , bedoeld in artikel 2.19 , vierde lid , onder a , onder 4° , van de wet ; en 4°. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats ; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten , hun nesten , hun voortplantingsplaatsen , hun rustplaatsen en hun eieren , of voor planten van die soorten ; c.

als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten , hun nesten , hun voortplantingsplaatsen , hun rustplaatsen en hun eieren , of voor planten van die soorten ; 35 d. alle passende | preventieve | maatregelen | worden | getroffen | om | die | nadelige | gevolgen | te voorkomen | ; e. tijdens | en | na | het | verrichten | van | de | activiteit | wordt | nagegaan | of de | getroffen | maatregelen | de | beoogde effecten | hebben | ; en f. het | verrichten | van | de | activiteit | wordt | gestaakt | als | de | nadelige | gevolgen | toch | niet worden | voorkomen | , of , als | staken | van | de | activiteit | redelijkerwijs | niet | meer | mogelijk | is , passende | herstelmaatregelen | worden getroffen. Vrijstelling | regelgeving Onder | de | Omgevingswet | is niet | altijd | een | Omgevingsvergunning | flora- | en | fauna-activiteit | nodig | bij handelingen | met | gevolgen | voor | beschermde | plant- | en | diersoorten. | In (veel) | gevallen | kunt | u gebruik | maken van | een | vrijstelling. | Een | vrijstelling | is een | uitzondering | op | een | wettelijk | verbod | , die wordt | vastgesteld | voor een | van | te voren | bepaalde | categorie | van | gevallen. | Er zijn | verschillende | vrijstellingen | van | de | verboden | voor beschermde | soorten | mogelijk.

| Een | bekende | en | reeds | in de | praktijk | toegepaste | vorm | van | vrijstelling | is die van | de | gedragscode. | Ook | zijn | voor | beschermde | soorten | andere | vormen | van | vrijstelling | geïntroduceerd | , zoals | door | middel | van | een | Programmatische | Aanpak | of via | een | provinciale | verordening. | Overigens | is ook een | vrijstelling | in de | vorm | van | een | ministeriële | regeling | mogelijk. Provinciale | staten | kunnen | vrijstelling | van | de verbodsbepalingen | verlenen. | Dit moet | worden | geregeld | in een provinciale | verordening. Welke | soorten | zijn beschermd? De | Omgevingswet | kent | drie | categorieën | beschermde | soorten: 1. Ten | eerste | worden | alle | van | nature | in | Nederland | in | het | wild | levende | vogels | beschermd | volgens | het beschermingsregime | van | de Vogelrichtlijn. 2. Ten | tweede | worden | soorten | beschermd | op | grond | van | de | Habitatrichtlijn | , het | Verdrag | van | Bern | en | het Verdrag | van | Bonn. 3. | Tenslotte | is | er | een | beschermingsregime | voor | ‘andere | soorten’ | (Nationaal | beschermde | soorten) waaronder | soorten | vallen | die | vanuit | nationaal | oogpunt | bescherming | behoeven. Beschermingsregime | soortenBeschermingsregime | soortenBeschermingsregimeanderesoorten. | Art. Vogelrichtlijn. | Art. 11. 37 Bal | Habitatrichtlijn. | Art. 11. 46.

Bal | 11. 54 Bal Art. | 11. 37lid1a. | Hetisverboden | art. 11. 46lid1a. | HetverbodensoorteninArt. | 11. 54lid1a. | Hetisverbodensoorten opzettelijkinhetwildlevendevogelstehun | natuurlijke | verspreidingsgebiedopzettelijk | te doden | of te vangen doden | en vangen. | opzettelijk | te doden | of te vangen. art. | 11. 37lid1b. | Hetisverboden | Art. | 11. 46lid1d. | HetisverbodendeArt. | 11. 54lid1b. | Hetisverbodendevaste opzettelijknesteneneierentevernielen | voortplantingsplaatsenofrustplaatsenvanvoortplantingsplaatsenofrustplaatsenvan en te beschadigen | dieren | te beschadigen | of te vernielen. | dierenopzettelijktebeschadigenofte vernielen art. | 11. 37lid1b. | Hetisverboden | art. 11. 46lid1Bal. | Hetisverbodeneierenniet | van toepassing opzettelijkeierenterapenofbijzichte | vandierenindenatuuropzettelijkte hebben | vernielen | of te rapen Art. 11. 37lidd. | HetisverbodenvogelsArt. | 11. 46lid1b. | Hetisverbodendierenniet | van toepassing opzettelijktestorentenzijdestoringopzettelijk , | te verstoren. nietvanwezenlijkeinvloedisopdestaat van | instandhouding | van | de desbetreffende | vogelsoort niet van toepassing | Art. | 11. 46lide. | Hetis | verbodenArt. | 11. 54lidc.

| Hetis | verboden plantensoorten | in | hun | natuurlijkeplantensoorten | in | hun | natuurlijke verspreidingsgebiedopzettelijkteplukkenverspreidingsgebiedopzettelijkteplukken enteverzamelenafte | , | snijdenteenteverzamelenafte , | , | snijdente , ontwortelen | of te vernielen | ontwortelen | of te vernielen Verbodsbepalingen | omgevingswet 36 Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden is het toegestaan om van de onderstaande soorten de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het opzettelijk ‘doden’ van onderstaande soorten is in sommige provincies eveneens toegestaan. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: - de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden , daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied ; of waterkeringen , watergangen , vaarwegen , aan onderhoud beheer bestendig het waterstaatswerken , oevers , vliegvelden , wegen , spoorwegen of bermen , of in het kader van natuurbeheer. - 37 38 Legenda ‘Overzicht algemene vrijstelling soorten per provincie’. 39 Bijlage 3. Fotobijlage 40 41 42 Bijlage Bronnen: Geraadpleegde 4. https://www. verspreidingsatlas. nl https://www. synbiosys. alterra. nl/natura2000/ https://calculator. aerius. nl http://www.

ruimtelijkeplannen. nl https://pdokviewer. pdok. nl/ https://www. ndff. nl/ 43 Bijlage 5. Jaarrond beschermde vogelnesten in Gelderland 44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8370/documents/52974