B11.00 Onderbouwing Haitinkweg 15 Doetinchem
Tekst van het document
35 lage bebouwingsdichtheid, boerderijen direct langs de wegen gelegen, overwegend graslandgebruik. Hoewel de planlocatie volgens bovenstaande kaart als komgrond wordt gekwalificeerd, is de grens tussen de landschapstypen in de praktijk niet zo scherp te trekken. Deze locatie in het buurtschap Wassinkbrink is feitelijk gelegen aan de rand van een es en heeft nog wel de beslotenheid van het coulisselandschap, maar is al wel wat lager gelegen en het betreft ook al wat armere gronden. De projectlocatie sluit dan ook beter aan bij de karakteristiek van het kampenlandschap of het heide- ontginningslandschap. Het kampenlandschap is een coulisselandschap met een voortdurende afwisseling van essen, houtwallen, bosjes, laantjes, beken, boerderijen, met een bijzondere beslotenheid en kleinschaligheid als gevolg. Het heide- ontginningslandschap wordt gekenmerkt als een kleinschalig, halfopen landschap. Deze van oorsprong voedselarme en nattere zandgronden zijn pas later ontgonnen toen meststoffen opkwamen en kennen veelal een rechtlijnige verkaveling. Het streven voor de gewenste landschappelijke ontwikkeling is gericht op het versterken van de aanwezige kwaliteiten. Qua functionele ontwikkelingsmogelijkheden geldt dat in het landelijk gebied in het algemeen geen nieuwe bouwlocaties voor niet-agrarische functies wenselijk worden geacht.
Functieverandering van VAB of andere vrijgekomen/vrijkomende complexen naar woon-, werk- of recreatiefuncties kan binnen dit landschapstype wel worden toegestaan. De voorgenomen nieuwbouw van de bestaande woonboerderij met woningsplitsing is zowel passend binnen de functionele ontwikkelingsmogelijkheden van het heideontginningslandschap als het kampenlandschap. Het in paragraaf 3.1 uitgewerkte en opgenomen Landschappelijk inrichtingsplan sluit aan bij de gewenste landschappelijke ontwikkeling door het behoud van de bestaande landschapselementen evenals de aanleg van diverse kleine landschapselementen. Infrastructuur: Bereikbaarheid van en in de regio is van groot belang. De infrastructuur is derhalve wel functioneel van belang. Deze is voor de toekomst maar zeer beperkt ruimtelijk ordenend, niet meer dan het nu al is. De pijlen geven de verbindingen aan waar verbetering noodzakelijk-wenselijk is. Dit kleinschalige initiatief heeft geen invloed op en wordt niet beïnvloed door de regionale infrastructuur. Wel is de ontsluiting van het plangebied goed te noemen door de nabije ligging van de provinciale weg N315 op circa 400 m afstand.
Dorpenlandschap: Voorzieningen worden in een bepaalde mate geconcentreerd in bestaande grotere kernen, te weten Doetinchem, Winterswijk, Vorden, Hengelo, Borculo, Eibergen, Ruurlo, Neede, Lichtenvoorde, Groenlo, Aalten, Dinxperlo, 36 Varsseveld, Gendringen, Steenderen, Wehl, Didam, 's-Heerenberg, Zelhem, Ulft /Gendringen en Silvolde/Gaanderen/Terborg. Dit betekent echter niet dat overal hetzelfde voorzieningenniveau wordt nagestreefd. In eerste instantie bepalen lokale behoefte en initiatief het niveau van de voorzieningen. Regionaal wordt afstemming gezocht om overaanbod en/of concurrentie door nabijheid te voorkomen. Het uitkristalliseren van deze afstemming is nog in voorbereiding. De projectlocatie is in het buitengebied gelegen. De initiatiefnemers zijn voor hun voorzieningen afhankelijk van de omliggende kernen, waarbij het centrum van Doetinchem op circa 4 kilometer rijafstand over een uitstekend voorzieningenniveau beschikt. Voor de dagelijkse boodschappen is het centrum van Zelhem op circa 3 km afstand prima bereikbaar. Ook kan gekozen worden voor het winkelcentrum in de wijk Overstegen op circa 2 km afstand van de planlocatie. Overige speerpunten, zoals duurzame energie, toerisme enzovoort: Deze speerpunten gelden regionaal en zijn in banners in de zijkant weergegeven. Er zijn geen specifieke locaties voor aangewezen. Wel wordt regionale afstemming nagestreefd.
Hoewel initiatiefnemers bij deze nieuwbouw met woningsplitsing ook zorgdragen voor het opwekken van duurzame energie om te voorzien in de eigen energiebehoefte, zal dit kleinschalige initiatief geen noemenswaardige bijdrage leveren aan de speerpunten van de Structuurvisie. Ten aanzien van dit project zijn er geen belemmeringen met de beleidsuitgangspunten en speerpunten van de Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012. 5.3.2 Regionale woonagenda Achterhoek 2023-2030 In februari/maart 2023 hebben de Achterhoekse gemeenten en de provincie een nieuwe Regionale Woonagenda 2023-2030 vastgesteld waarin langs 4 programmalijnen de woondoelen uit de Achterhoek Visie 2030 verder zijn uitgewerkt. In Doetinchem is deze agenda op 2 maart 2023 vastgesteld. Deze agenda bevat het volgende: • De Achterhoek wil in 2 stappen 8.390 tot 11.500 nieuwe woningen toevoegen, waarvan 60% betaalbaar, inclusief 28% sociale huur. • De Achterhoek investeert in de kwaliteit van de bestaande voorraad, onder andere door verbetering van 7.000 sociale huurwoningen en 24.000 particuliere woningen. • De Achterhoek wil een plek zijn voor iedereen, voor starters, ouderen, werknemers en arbeidsmigranten en andere aandachtsgroepen. • De Achterhoek wil dit realiseren via gebiedsgerichte integrale opgaven: 37 1. Vergroten differentiatie woningaanbod in vitale kernen en buurten 2.
Vergroten aanbod van stedelijke woonmilieus 3. Goed en bereikbaar wonen rondom mobiliteits-knooppunten 4. Ruimte voor nieuwe woonconcepten in een toekomstbestendig landelijk gebied Voorliggend initiatief van vervangende nieuwbouw met woningsplitsing in het landelijk gebied sluit aan op deze agenda. De woonagenda geeft aan dat bij projecten met minder dan 20 woningen maatwerk mogelijk is. Wel met inachtneming van de gewenste kwaliteit zoals opgenomen in de woonagenda. In dit geval van vervangende nieuwbouw met woningsplitsing in het buitengebied, leidt de woningbouw tot versterking van de kwaliteit van het buitengebied. Dit is voor de gemeente ook belangrijk en reden om niet vast te houden aan de eis van betaalbare woningen of een nieuw woonconcept. 5.3.3 Conclusie regionaal beleid Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven, past het project binnen de doelstellingen en het beleid van de regio Achterhoek. 5.4 Beleid waterschap 5.4.1 Waterschapsverordening De eerste versie van de Waterschapsverordening Rijn en IJssel is van rechtswege ontstaan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Die Waterschapsverordening bevat (op basis van artikel 22.14 van de Omgevingswet en artikel 4.7 van de Invoeringswet Omgevingswet): • De regels die zijn opgenomen in de Keur Waterschap Rijn en IJssel 2009, met uitzondering van hoofdstuk 2 (over de onderhoudsplichten); • De regels die zijn opgenomen in de Aansluitverordening Rijn en IJssel; • De regels die zijn opgenomen in de Algemene regels, nadere regels en verplichtingen i.v.m. Keur Waterschap Rijn en IJssel 2009; • Artikel 8 Verkeersbesluit Oude IJssel; • De zones rond waterstaatswerken, die zijn opgenomen in de legger op grond van artikel 5.1 van de Waterwet; • De zogeheten ‘bruidsschat’: voormalige rijksregels (met name over lozingsactiviteiten), die onder de Omgevingswet niet op rijksniveau terugkeren. 38 De eerste wijziging van de Waterschapsverordening Rijn en IJssel heeft tot doel om de Waterschapsverordening die van rechtswege is ontstaan te integreren tot een goed geordende versie, die conform de toepasselijke standaarden is vormgegeven en van de benodigde annotaties en digitale werkingsgebieden is voorzien. De Waterschapsverordening brengt geen wijzingen voor de projectlocatie met zich mee.
5.4.2 Waterbeheerprogramma 2022-2027 In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema’s: - Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. - Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. - Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. - Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied.
Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. 39 5.4.3 Weging van het waterbelang De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 2.
Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een wateradvies voorzien. 3. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding. In de toelichting op de omgevingsplanwijziging moet een stapsgewijze benadering van het huidige en toekomstige watersysteem worden opgenomen. Deze bestaat uit de volgende stappen: 1. Omschrijf het huidig watersysteem; 2. Omschrijf de visie op het watersysteem in het plangebied. Houdt hierbij rekening klimaatontwikkeling en benut uitkomsten uit stresstesten voor wateroverlast, droogte, hitte en overstroming; 3. Omschrijf de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling op het watersysteem; 4. Omschrijf welke maatregelen worden genomen om met de gevolgen om te gaan. Hierbij geldt als uitgangspunt, dat de ontwikkeling waterneutraal en klimaatrobuust is. In de weging van het waterbelang komen de in onderstaande tabel opgenomen thema’s en vragen aan de orde.
Als het antwoord op één of meer van onderstaande vragen ‘ja’ is, raakt het plan een waterbelang (resultaat 2 of 3). Neem dan contact op 40 met het waterschap. Als het antwoord op alle vragen ‘nee’ is, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang, en kan volstaan worden met de standaard waterparagraaf (resultaat 1). De vragenlijst kan ook digitaal doorlopen worden op https://hetwateradvies.nl. Deze digitale watertoets is doorlopen (zie bijlage 2), waarbij het resultaat zowel ‘een normale procedure’ als ‘een korte procedure’ is. Daarnaast zijn een tweetal adviezen gegeven: • Advies afvalwaterketen; • Advies beheer en onderhoud van oppervlaktewater. Ten aanzien van het Advies afvalwaterketen streeft het waterschap naar een doelmatige werking van de gehele afvalwaterketen. Hemelwater dient daarbij zo min mogelijk te worden afgevoerd naar de afvalwaterzuivering, zodat meer water in de bodem wordt vastgehouden, de efficiëntie van de waterzuivering vergroot wordt, en het aantal riooloverstorten op het oppervlaktewater wordt teruggedrongen. In de huidige situatie wordt het hemelwater reeds geïnfiltreerd in de bodem Ook in de nieuwe situatie zal het hemelwater infiltreren in de bodem binnen het plangebied en worden benut door de beplanting. Het hemelwater komt niet in de gemeentelijke riolering en dus ook niet in de afvalwaterketen terecht.
Het advies beheer en onderhoud van oppervlaktewater komt voor uit de westelijk van de projectlocatie gelegen watergang. Deze watergang is een bestaand oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Waterschap Rijn en IJssel. Het beheer en onderhoud van het watersysteem dient met het reguliere onderhoudsmaterieel van het waterschap (of zijn aannemers) mogelijk te zijn. De onderhoudsstroken dienen vrij gehouden te worden van obstakels. Met dit initiatief vinden geen wijzigingen plaats die van invloed zijn op deze watergang, omdat de ontwikkelingen meer oostelijk plaatsvinden. De onderhoudsstroken worden blijvend vrijgehouden van obstakels. Dit laatste advies komt overeen met de positieve beantwoording van de vragen in onderstaande tabel. Thema Vraag Relevant 1. Algemeen • Maakt het plan deel uit van een groter plan, zoals een masterplan/ stedenbouwkundige visie? Nee • Wordt water aangelegd, gedempt of aangepast? Nee 41 2. Beheer en onderhoud • Ligt in of nabij het plangebied een watergang? Ja 3. Veiligheid • Ligt in of nabij het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering, overige kering of kade)? Nee • Ligt het plangebied in een overstromingsgevoelig gebied of winterbed van een rivier? Nee 4.
Klimaatadaptat ie • Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 500m2? Nee • Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bestrating toe met meer dan 1500m2? Nee • Bevindt het plan zich in een waterbergingsgebied, laaggelegen gebied of beekdal? Nee • Is er in of rondom het gebied wel eens sprake (geweest) van wateroverlast of blijkt er gevoeligheid voor wateroverlast uit de klimaatatlas (https://www.weetvanwater.nl/klimaatatlas) Nee • Is het plangebied gevoelig voor hittestress? (bekijk hiervoor de klimaatatlas) Nee • Is het verschil tussen de hoogte van de weg en de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30 centimeter? Nee 5. Waterkwaliteit • Is in of nabij het plangebied oppervlaktewater aanwezig of gepland? Ja • Bevindt het plan zich in een gebied met speciale functie (zoals KRW, EVZ, N2000, natte landnatuur, zwemwater)? Nee 6.
Afvalwaterkete n • Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd? Nee • Ligt in of nabij het plangebied een rioolwaterzuiveringsinstallatie/ rioolgemaal/ persleiding/ gemengde overstort? Nee • Wordt regenwater afgevoerd naar de rioolwaterzuivering? Nee • Vinden er activiteiten plaats op het verharde oppervlak waardoor verontreinigingen kunnen afspoelen en het oppervlaktewater mogelijk vervuild raakt? Nee • Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? Nee 42 7. Grondwater- beheer • Bevindt het plan zich in een kwelgebied? Nee • Is afstand tussen GHG en bovenkant vloer kleiner dan 80 cm? Nee • Ligt het plan in beschermingszone of intrekgebied van een (drink)wateronttrekking? Nee • Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? Nee • Worden drainagevoorzieningen aangelegd binnen een beperkingengebied voor drainage? nee 8. Recreatie en beleving • Wordt recreatief medegebruik van wateren en oevers mogelijk gemaakt? Nee • Ligt in het plangebied een beschermd watererfgoed? Nee 5.4.4 Conclusie beleid waterschap Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van het waterschap Rijn en IJssel. Deze ruimtelijke onderbouwing is voor advies voorgelegd aan het Waterschap. Voor de reactie van het Waterschap wordt verwezen naar 6.9.4.
5.5 Gemeentelijk beleid 5.5.1 Omgevingsvisie Doetinchem, kloppend hart van de Achterhoek Op 30 november 2023 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Omgevingsvisie ‘Doetinchem, kloppend hart van de Achterhoek’ vastgesteld. Daarin is de ambitie voor Doetinchem 2036 verwoord. Er spelen grote vraagstukken op het gebied van wonen, werken, landelijk gebied en leefbaarheid. Daarover wordt geschreven in het nieuws, zowel landelijk, provinciaal als lokaal. Die vraagstukken spelen ook bij in Doetinchem. Daarom benoemt de gemeente opgaven die hoge prioriteit hebben en waar als eerst mee aan de slag gaan gegaan wordt. Het gaat om de volgende opgaven: • Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor Doetinchem woonstad en woondorpen richting 70.000 inwoners in 2036. Deze opgave is verwerkt in het opstellen van een woonvisie; • Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor de spoorzone (omgeving rond station Doetinchem, eerder bekend onder de naam ‘stationsgebied’); 43 • Het opstellen van een procesaanpak landelijk gebied voor de Slangenburg en omgeving en Gaanderen en omgeving; • Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor een toekomstbestendig centrum. Deze vier opgaven vormen de kern van de visie op onze leefomgeving.
Daarom is de visie op de leefomgeving opgebouwd aan de hand van de vier thema’s: • Woongemeente voor iedereen; • Werkgemeente met ruimte voor talent en innovatie; • Landelijk gebied in balans; • Mensen en ontmoeten. Van deze vier opgaven is voor de projectlocatie uiteraard het ‘Landelijk gebied in balans’ het meest relevant. Op onderstaand kaartbeeld bij dit thema staan feitelijk de huidige en reeds in gang gezette beleidsdoelstellingen weergegeven. Voor de projectlocatie zijn geen aanvullende doelstellingen geformuleerd. Om dit omvangrijke thema nader uit te werken zijn keuzes nodig en moeten koppelkansen benut worden. Op landelijk en ook provinciaal niveau zijn daarin nog geen keuzes gemaakt, die op gemeentelijk niveau kunnen worden uitgewerkt. De gemeente Doetinchem kiest ervoor die landelijke en provinciale keuzes af te wachten, waardoor de Omgevingsvisie nog niet heel concreet is uitgewerkt.
44 Het kaartbeeld behorend bij het thema ‘Landelijk gebied in balans op weg naar 2036’ met ter plaatse van de projectlocatie de aanduiding ‘Agrarisch met waarden’. Met de vaststelling van deze Omgevingsvisie is tevens de gebiedsdekkende Structuurvisie Doetinchem 2035 uit 2013 ingetrokken. Dit project voor vervangende nieuwbouw met woningsplitsing is niet strijdig met de doelstellingen van de Omgevingsvisie. Wel draagt dit initiatief bij aan een verbetering van de leefbaarheid en door de landschappelijke inpassing ook aan de verbetering en versterking van de natuurwaarden. 5.5.2 Notitie ‘Wonen landelijk gebied gemeente Doetinchem’ Op 17 december 2020 heeft de gemeente Doetinchem de notitie ‘Wonen landelijk gebied gemeente Doetinchem’ vastgesteld. Deze notitie is op 2 maart 2023 geactualiseerd en op 28 september 2023 gecorrigeerd. Deze notitie is opgesteld in navolging van het besluit van 28 november 2019 woningbouwstrategie 2019 waarin het toevoegen van woningen in het landelijk gebied niet expliciet is opgenomen. Deze notitie biedt meer duidelijkheid over nieuwe woningen in het landelijk gebied. Centraal daarbij staat dat het toevoegen van nieuwe woningen geen doel op zich moet zijn, maar een middel om bij te dragen aan het waarborgen en versterken van de sociale en fysieke kwaliteit van het landelijk gebied.
Daarnaast staat centraal dat het landelijk gebied kortgezegd ook het landelijk gebied moet blijven. Voornoemde maakt dat ruimte wordt geboden voor het splitsen van bestaande burger- en bedrijfswoningen en voor het toevoegen van woningen als daarvoor agrarische bebouwing wordt gesloopt (functieverandering VAB (vrijkomende agrarische bebouwing) naar wonen). De voorwaarden die in deze notitie zijn opgenomen voor woningsplitsing en functieverandering van VAB naar wonen zijn waar mogelijk gebaseerd op bestaande regelingen/voorwaarden die daarmee een relatie kennen. Een belangrijke basis ligt in de nota van uitgangspunten die ten grondslag heeft gelegen aan het (vernietigde) bestemmingsplan ‘Buitengebied – 2012’. Daarnaast zijn de voorwaarden ook zodanig opgesteld dat de juiste kwaliteit woningen worden toegevoegd met name als het gaat om de levensloopbestendigheid en duurzaamheid van de woning. Wat betreft het laatste wordt de wens uitgesproken dat het besef dat een duurzame woning bijdraagt aan het wooncomfort, het verminderen van de energielasten, het verhogen dan wel behouden van de waarde en het verbeteren van het milieu leidt tot initiatieven die verder gaan dan wat nodig zou zijn.
45 Tot slot is binnen de voorwaarden in het bijzonder ook aandacht voor een goede ruimtelijke (landschappelijk en stedenbouwkundige) inpassing van de situatie na woningsplitsing of functieverandering van VAB naar wonen met ook aandacht voor een thema als natuurinclusiviteit. De voorwaarden zijn tegelijkertijd geen blijvend vaststaand gegeven. Er is, met in achtneming, van het doel en de uitgangspunten van voorliggende notitie onderbouwd maatwerk mogelijk en aanpassing van de voorwaarden is mogelijk als daar op basis van de uitvoering aanleiding voor zou zijn. In paragraaf 3.3 van deze onderbouwing zijn de voorwaarden voor woningsplitsing van een burgerwoning, zoals opgenomen in de notitie, benoemd. Punt voor punt wordt aldaar getoetst en gemotiveerd dat de projectlocatie voldoet aan de voorwaarden van deze notitie. 5.5.3 Woonvisie gemeente Doetinchem 2023-2036 De Woonvisie Doetinchem 2023-2036 ‘Stadse allure - dorpse gemoedelijkheid’ is op 20 april 2023 vastgesteld door de gemeenteraad. In de nieuwe woonvisie zijn de woningbouwstrategie voor nieuwbouwprojecten en de woonvisie voor het volkshuisvestingsbeleid samengevoegd. Ook is er samenhang met de regionale woonagenda. De hoofdpunten van de Woonvisie Doetinchem 2023-2036 zijn: 1. Groeien in kwaliteit. Doetinchem heeft de ambitie om te groeien naar 70.000 inwoners in 2036.
Dit hoofdpunt is gekoppeld aan Programmalijn 1: Vergroten woningvoorraad en versnelling productie. Met deze programmalijn wordt ingegaan op de bouw van nieuwe woningen en de noodzaak om de plancapaciteit te vergroten en adaptief te programmeren. Deze groeiambitie is geen doel op zich, maar een middel om de centrumfunctie van Doetinchem met de daarbij behorende voorzieningen te kunnen behouden en om de omgevingskwaliteit te versterken. 2. Kwalitatief goed wonen. Dit punt draait om de kwaliteit van de huidige woningvoorraad. Programmalijn 2: Investeren in de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad beschrijft hoe wordt gewerkt aan een toekomstbestendige woningvoorraad. Denk hierbij aan duurzaamheid, levensloopbestendige woningen maar ook aan transformatie van kantoren of winkels naar woningen. 3. Een passende woning voor iedereen. Doel is een compleet en divers woningaanbod waarbij het bevorderen van beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod centraal staat. Programmalijn 3: Doetinchem, een plek voor iedereen beschrijft hoe aan dit doel gewerkt wordt. Tot en met 2030 wil de gemeente minimaal 2.470 woningen toevoegen in de hele gemeente via het onderstaande programma. Dit gewenste programma is opgenomen in de regionale woonagenda en vastgelegd in de woondeal met de provincie en het rijk.
Totaal: minimaal 2.470 woningen, onderverdeeld in: • | 28% sociale huur tot € 808,06, eventueel te vervangen door goedkope koopwoningen tot € 225.000; • | 8% middenhuur tot € 1.000, eventueel te vervangen door betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000; • | 14% betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen tot € 1.000; • | 17% betaalbare koopwoningen (categorie 2) tot € 355.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen (tot € 1.000,00); • | 33% dure koopwoningen (boven € 355.000) of dure huur (boven € 1.000). Plannen van meer dan 20 woningen moeten in principe voldoen aan de gegeven verdeling over de segmenten van het gewenste programma, tenzij de ligging in een bepaalde wijk een andere verdeling rechtvaardigt. Plannen van minder dan 20 woningen die bijdragen aan het realiseren van het gewenste programma hebben een pré. Voor bestaande woningbouwprojecten geldt een overgangsperiode. 4. Wonen als onderdeel van integrale gebiedsopgaven. Wonen gaat ook over leefbaarheid, naoberschap en vitaliteit. Ook de inrichting van de buitenruimte is een belangrijk onderdeel. De woonomgeving draagt bij aan de gezondheid en het welbevinden van de inwoners.
Programmalijn 4: Wonen als integrale gebiedsopgave beschrijft hoe dit bereikt kan worden, onder andere door koppelkansen te benutten en via programmering te zorgen voor een beter mix aan woningen in de wijk. Overgangsperiode ontwikkelingen De verdeling van de nieuwe woningen volgens aangegeven programma bij punt 3 geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. In de woonvisie is daarvoor de volgende tekst opgenomen voor plannen die al in ontwikkeling waren: Het bovenstaande geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. We gaan in overleg met ontwikkelaars om het woningbouwprogramma meer in lijn te brengen met de woonvisie en meer betaalbare woningen toe te voegen. Door de gestegen bouwkosten, 46 47 ontwikkelingen die al enige tijd in procedure zitten, reeds gemaakte afspraken en plankosten is dit niet altijd mogelijk. Het ruimtelijk streefbeeld voor nieuwe woningbouwontwikkelingen. Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair moet worden ingezet op inbreiding en transformatie. Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stads- en dorpsranden. Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit 5 speerpunten en 1 kaartbeeld. De vijf speerpunten zijn: 1. Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA; 2.
Bouwen in en aan buurten; 3. Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes; 4. Waar nodig stadsranden en dorpsranden; 5. Woonmilieus voor ontwikkelingen. De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn. Toetsing Voorliggend initiatief betreft vervangende nieuwbouw met een woningsplitsing, waarbij één woning wordt toegevoegd. Plannen van meer dan 20 woningen moeten -in principe- voldoen aan de verdeling over de segmenten van het gewenste programma
48 uit de woonvisie. Plannen van minder dan 20 woningen, die hieraan bijdragen hebben een pré. Omdat het hier om een plan van minder dan 20 woningen gaat, kan maatwerk worden toegepast. Vanwege de ligging in het buitengebied en het type woning zal de tweede woning vallen in de categorie dure koopwoningen (boven € 355.000) of dure huur (boven € 1.000). Doordat twee huishoudens levensloopbestendig op het erf samen kunnen wonen, draagt het planinitiatief wel bij aan het behoud van de leefbaarheid, naoberschap en vitaliteit. Hierdoor wordt de gezondheid en het welbevinden van de bewoners vergroot. Dit initiatief voldoet aan de Woonvisie Doetinchem 2023-2036. 5.5.4 Klimaatadaptatiestrategie Op 7 juli 2022 heeft de gemeenteraad de Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem vastgesteld. Deze strategie beschrijft hoe de Gemeente Doetinchem in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust wil zijn. Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen. Het klimaatadaptatiebeleid beschrijft twee stappen: 1) De verwachte klimaateffecten in onze gemeente (zie Klimaateffectatlas Doetinchem: Klimaatatlas - Weet van Water); 2) De visie en ambities voor een klimaatbestendige inrichting (de Klimaatadaptatiestrategie).
De klimaatadaptatiestrategie beschrijft de ambities voor 2050 aan de hand van vijf pijlers: • Stad en dorp gezond en groen; • Adaptief landelijk beleid; • Robuuste vitale infrastructuur; • Ontwikkelingen klimaatbestendig; • Betrokken en actieve mensen. Om onze ambities en doelen voor 2050 te bereiken heeft de gemeente een eerste uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie 2022-2026 vastgesteld. Hierin staan per pijler uitvoeringsacties om ons doel te bereiken. In 2026 volgt een nieuwe stresstest en uitvoeringsagenda. Het klimaat verandert en we moeten ons voorbereiden op extremer weer in 2050. Zo willen we bij de Gemeente Doetinchem buiten aan de slag: • Neerslag vasthouden waar het valt (bodem als ‘spons’ gebruiken); 49 • Meer schaduw en minder verharding door meer groen en bomen; • Bebouwing en vitale infra en objecten hoog en droog. De onderstaande opgaven hebben de hoogste prioriteit gekregen. Voor de projectlocatie zijn de risico’s in paragraaf 6.9.4 Klimaatadaptatie in beeld gebracht. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat in voorliggend project voldoende aandacht wordt besteed aan klimaatadaptieve maatregelen ter voorkoming of beperking van mogelijke risico's als gevolg van klimaatverandering. 5.5.5 Maatschappelijke behoefte Dit project voorziet in vervangende nieuwbouw met een woningsplitsing. Hierdoor wordt 1 woning in het buitengebied toegevoegd.
Met dit plan wordt voldaan aan de woonbehoefte van initiatiefnemers. Dit zijn de huidige bewoners die op de planlocatie al sinds 1983 woonachtig zijn en een levensloopbestendige en duurzame woning wensen, zodat zij hier kunnen blijven wonen. Daarnaast is de dochter, die hier is opgegroeid, samen met haar partner al geruime tijd op zoek naar woonruimte en deze prachtige plek hun ook zeker aanspreekt. Ook in sociaal opzicht is dit een goede invulling, omdat de beide huishoudens op één erf elkaar goed kennen, voor elkaar kunnen zorgen en de initiatiefnemers in de buurt actief zijn in het verenigingsleven. Zo draagt dit initiatief bij aan het vergroten van de leefbaarheid op het platteland, waarbij andere functies niet worden belemmerd en landschappelijke waarden door de landschappelijke inpassing worden versterkt. Ten aanzien van dit project is sprake van een maatschappelijke behoefte aan deze extra woning en wordt voorzien in een evenwichtige toedeling van de functies aan deze locatie.
50 5.5.6 Conclusie gemeentelijk beleid Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem. De toetsing aan de notitie ‘Wonen landelijk gebied gemeente Doetinchem’ staat in paragraaf 3.3 en uitwerking gemeentelijk beleid klimaatadaptatie staat in 6.9.4. 5.6 Omgevingswaarden De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk. 51 6. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect. 6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
6.1.1 (Wettelijk) kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • Het bevorderen van bronmaatregelen; • Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; • Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. 52 Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. 6.1.2 Onderzoek In de nabijheid van de projectlocatie aan de Haitinkweg 15 te Doetinchem zijn geen rijkswegen, spoorlijnen of industrieterreinen gelegen.
Wel ligt de projectlocatie nabij een provinciale weg en gemeentelijke wegen. Voor de provinciale weg N 315/Doetinchemseweg is het geluidregister van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) geraadpleegd. Op onderstaande uitsnede is het geluidaandachtsgebied rond deze provinciale weg met de beige kleur aangegeven. Indien zich ontwikkelingen voordoen binnen dit geluidaandachtsgebied dient op basis van akoestisch onderzoek te worden aangetoond dat een goed woon- en leefklimaat bij een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw kan worden gewaarborgd. Nu de planlocatie met de nieuw te bouwen woningen op circa 340 m afstand zijn gelegen van deze provinciale weg en dus buiten het geluidaandachtsgebied van deze weg is gesitueerd, is nader onderzoek niet noodzakelijk. 53 Uitsnede van de kaart van het geluidregister in de omgeving van het plangebied met ter plaatse van de rode stip het beoogde nieuwe geluidgevoelige gebouw (bron: geluidgegevens.nl) Voor de gemeentelijke wegen gelden er momenteel nog vaste afstanden om het geluidsaandachtsgebied te bepalen. In het geval van de Haitinkweg en de Wassinkbrinkweg bedraagt deze afstand 200 meter. De nieuw te bouwen woningen zijn op een afstand van circa 70 m tot de Haitinkweg en circa 150 m tot de Wassinkbrinkweg gelegen. Het plangebied ligt nu dus nog wel in een geluidsaandachtsgebied.
Uit onderstaande uitsnede van het geluid van wegverkeer blijkt dat ter plaatse van het plangebied (door de lage verkeersintensiteiten) een geluidbelasting van 43 dB is berekend. Er is geen sprake van een overschrijding van de standaardwaarde van 50 dB voor geluid.
54 Uitsnede van de geluidbelasting door wegverkeer ter plaatse van de woningbouwlocatie in het plangebied (blauwe druppel met i) en de directe omgeving (bron: atlasleefomgeving.nl) Andere geluidsbronnen dan de weg zijn zeer beperkt van omvang. Zo zijn er geen grote (bedrijfsmatige) geluid belastende activiteiten in de directe nabijheid van de projectlocatie aanwezig. Wel kan de geluidbelasting van een eventueel te plaatsen warmtepomp bij nieuw te bouwen aaneengebouwde woningen op de naastgelegen woning als geluidsbron worden aangemerkt. Hoewel het geluidsvermogen van een buitenunit van een warmtepomp bij de bron 65 dB(A) of zelfs 70 dB(A) op basis van Europese regelgeving mag bedragen, is in 2021 in artikel 3.8, lid 2 van het Bouwbesluit 2012 opgenomen dat een buitenunit maximaal 40 dB(A) mag veroorzaken op de perceelgrens met het aangrenzend perceel waar een woonbestemming geldt. Deze norm is overgenomen in artikel 4.108 van het Bbl. Warmtepompen zijn de afgelopen jaren steeds stiller geworden en daarmee ook het ‘geluidprobleem’. De meeste buitenunits van warmtepompen hebben tegenwoordig een geluidvermogen van tussen de 40 en 50 dB(A). Mochten initiatiefnemers een warmtepomp plaatsen, dan is er ruimte voldoende op het grote erf om geluidhinder van een warmtepomp te vermijden door deze op voldoende afstand van de kadastrale scheiding tussen beide woningen te plaatsen.
Andere woningen zijn niet in de nabijheid gelegen. 6.1.3 Conclusie Wegverkeer Er wordt voldaan aan de standaardwaarde voor geluid vanwege wegverkeer.
55 Overige bronnen Mits voldaan wordt aan de norm van 40 dB(A) voor wat betreft warmtepompen op de perceelsgrens wordt ten aanzien van het aspect geluid voor de woningen binnen de projectlocatie een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. 6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.2.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM- grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 56 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2 Onderzoek Binnen de projectlocatie wordt vervangende nieuwbouw met een woningsplitsing voorzien, zodat er één woning wordt toegevoegd. Eén van de ‘standaardgevallen NIBM’ volgens artikel 5.54 Bkl is het toevoegen van ten hoogste 1.500 woningen met één ontsluitingsweg. Het project valt ruimschoots binnen deze getalsmatige grens, zodat de kwaliteit van de buitenlucht niet in betekenende mate wordt beïnvloed door dit initiatief. Omdat rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid, is er bij dit project getoetst aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteits- regelgeving. Voor deze stoffen zijn de volgende omgevingswaarden c.q. grenswaarden vastgesteld (art.
2.4 en 2.5 Bkl): • Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een maximale jaargemiddelde concentratie van 40 microgram/m3; • Voor fijnstof (PM10) geldt een maximale jaargemiddelde concentratie van 40 microgram/m3. Op de RIVM-website https://data.rivm.nl/apps/gcn/ zijn voor het plangebied de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 afgelezen. Voor het jaar 2024 konden de volgende data in de omgeving van het plangebied worden gevonden: • Het jaargemiddelde van de stikstofdioxide-concentratie (NO2) bedraagt ca. 8,3 microgram/m3; 57 • Het jaargemiddelde van de fijnstof-concentratie (PM10) bedraagt ca. 13,0 microgram/m3. Er is geen overschrijding van de grenswaarden ter plaatse van het plangebied, zodat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.2.3 Conclusie De kwaliteit van de buitenlucht wordt niet in betekenende mate beïnvloed door dit kleinschalige initiatief. De luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied is aanvaardbaar om een nieuwe woning te realiseren, zodat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van de activiteit vormt. 6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1 (Wettelijk) kader De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen.
In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 6.3.2 Onderzoek De gemeente Doetinchem heeft geen facultatieve omgevingswaarden vastgesteld, ook niet met betrekking tot het aspect geur. Aanvullend wordt opgemerkt dat de in artikel 5.109 Bkl opgenomen standaardwaarden voor toelaatbare geur op een geurgevoelig gebouw bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor ongewijzigd zijn ten opzichte van de vóór 1 januari 2024 geldende geurnormen 58 volgens de Wet geurhinder en veehouderij. Dit betekent dat de geurnorm c.q. standaardwaarde voor de projectlocatie en de omgeving is gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied, zodat deze waarde 14,0 ouE/m3 mag bedragen.
In de directe nabijheid van de projectlocatie bevinden zich geen agrarische bedrijven, zodat er geen bedrijfsmatige activiteiten zijn die geurhinder kunnen veroorzaken bij de te realiseren geurgevoelige gebouwen binnen de projectlocatie. 6.3.3 Conclusie Ten aanzien van dit project wordt voor het geurgevoelig gebouw met daarin twee woningen voldaan aan de standaardwaarde, zodat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 6.4 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.4.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; 59 • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. 6.4.2 Onderzoek Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. In opdracht van de initiatiefnemer heeft Montferland Milieu B.V. een milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht aan de Haitinkweg 15 te Doetinchem. Het veldonderzoek heeft op 25 augustus 2025 plaatsgevonden, vervolgens is de peilbuis op 1 september 2025 bemonsterd. Het onderzoeksrapport d.d. 30 september 2025 is bijgevoegd in bijlage 3. Uit het uitgevoerde onderzoek heeft Montferland Milieu B.V.
het volgende geconcludeerd: • Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden. • De voormalige locatie van de ondergrondse HBO-tank kon niet worden achterhaald. • Op het maaiveld is geen asbestverdacht (plaat)materiaal waargenomen. • In de inspectieboringen zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. • In de grond(meng)monster ter plaatse van de vml. bovengrondse dieseltank zijn geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie die de klasse ‘Landbouw/natuur’ van de betreffende stof overschrijdt. • In het grondwater ter plaatse van de vml. bovengrondse dieseltank zijn geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie die de ’streefwaarde’ van de betreffende stof overschrijdt. • De tevoren gestelde hypothese ‘De vml. bovengrondse dieseltank kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient te worden verworpen. • Uit milieukundig oogpunt is er naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen planologische procedure. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. 60 6.4.3 Conclusie Uit oogpunt van bodemkwaliteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.5 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.5.1 (Wettelijk) kader In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Doetinchem heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. 6.5.2 Onderzoek Voor de projectlocatie geldt dat deze is gelegen aan de Haitinkweg. Dit is een voor gemotoriseerd verkeer een doodlopende weg in het buitengebied. Alleen de fietsers kunnen via de Haitinkweg rechtstreeks uitkomen op de provinciale weg N315/Doetinchemseweg, waarnaast een vrijliggend fietspad is gelegen.
Op de projectlocatie wordt door de woningsplitsing één woning toegevoegd. Voor de extra verkeersgeneratie kan o.b.v. de kengetallen van het CROW (publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie') uitgaande van één koopwoning en het gebiedstype 'buitengebied' uitgegaan worden van maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. De bestaande ontsluiting van de projectlocatie op de Haitinkweg wordt gehandhaafd. Deze weg heeft voldoende capaciteit om dit beperkte aantal van afgerond 9 extra verkeersbewegingen per etmaal zonder problemen op te vangen. 61 De Nota Parkeernormen 2024 vormt het kader waaraan ruimtelijke ontwikkelingen binnen de hele gemeente ten aanzien van parkeren getoetst kunnen worden. De gemeentelijke parkeernormen zijn afgeleid van de landelijke CROW-richtlijn 381 “Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen” (versie december 2018), waarbij Doetinchem als matig stedelijk gebied is aangemerkt. Het beleid van de gemeente is erop gericht dat parkeeroplossingen bij woningen bij voorkeur worden gezocht op eigen terrein, zeker in het buitengebied. Daarnaast wordt het fietsgebruik gestimuleerd. De gemiddelde parkeernorm voor een twee-onder-één- kap woning is volgens bijlage A van de Nota 2,2 parkeerplaatsen per woning in het buitengebied, waarvan 0,3 parkeerplaatsen benodigd zijn voor bezoekers.
Na de woningsplitsing zijn daarom minimaal 4,4 parkeerplaatsen benodigd. Binnen de projectlocatie is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van de ontwikkeling. Voor de fiets zijn geen parkeernormen in het buitengebied opgenomen. Gezien de ruimte voor bijgebouwen wordt uiteraard ook voorzien in voldoende stallingsmogelijkheden voor (elektrische) fietsen. 6.5.3 Conclusie De aspecten mobiliteit en parkeren vormt geen knelpunten voor de realisatie van dit project. 6.6 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.6.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden.
Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; 62 • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan.
In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.6.2 Onderzoek Met de voorgenomen activiteit van vervangende nieuwbouw en woningsplitsing worden geen milieubelastende activiteiten toegestaan. Wel kan de projectlocatie mogelijk blootgesteld zijn aan bestaande veiligheidsrisico’s in de omgeving. Hiervoor is het Register Externe Veiligheid geraadpleegd. Op onderstaande uitsnede is te zien dat de projectlocatie op respectievelijk meer dan 1100, 1600 en 1600 meter afstand tot risicobronnen is gelegen. Deze risicobronnen betreffen locaties waar een propaangastanks, mestvergisting plaatsvindt of zich een tankstation met LPG bevindt. De blauwe cirkels met de stippellijn eromheen geeft het 63 plaatsgebonden risico van PR 10-6 weer.
Dit is de kans van één op de miljoen dat er per jaar een persoon, die altijd aanwezig is op die plaats, overlijdt door een ongeval met een gevaarlijke stof. Dit kleine risico beperkt zich tot de blauwe cirkel met stippellijn, zodat zich er plaatse van de projectlocatie geen risico’s met betrekking de omgevingsveiligheid voordoen. De instructieregels externe veiligheid zijn niet van toepassing op de projectlocatie. Uitsnede kaartbeeld ‘Veilige omgeving’/Register Externe Veiligheid met het projectgebied ter plaatse van de kleine blauwe open cirkel ongeveer in het midden van de kaart (bron: atlasleefomgeving.nl) 6.6.3 Conclusie Met betrekking tot het aspect omgevingsveiligheid voldoet de projectlocatie aan een goed woon- en leefklimaat. 6.7 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.
64 6.7.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.7.2 Onderzoek Om te beoordelen of het project voldoet aan de regels ter bescherming van de natuur is een ‘Quickscan Natuurwaardenonderzoek Haitinkweg 15 Doetinchem’ uitgevoerd door Natuurbank Overijssel. Het volledige rapport d.d. 25 augustus 2025 is bijgevoegd in bijlage 4 Het plangebied is op 21 augustus 2025 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Onderstaand worden de resultaten samengevat weergegeven.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het GNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000- gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, zoals geluid, trillingen of optische verstoring, kunnen ook worden uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten 65 benut als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en amfibieën er een rust- en/of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied voor reptielen beschouwd. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten.
Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen mogelijk vogels in het plangebied. Op het erf nestelen mogelijk de categorie 5 soorten zwarte roodstaart, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger en spreeuw. Door de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een nestplaats van deze soorten negatief beïnvloed. Voor categorie 5 soorten geldt dat deze beschermd zijn, tenzij is aangetoond dat er voor de betreffende soort voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen. Voor de soorten gekraagde roodstaart, zwarte roodstaart, grauwe vliegenvanger en spreeuw blijft het erf ook na de ruimtelijke ingreep geschikt en is er geen negatieve invloed op de regionale populatie. Daarnaast nestelen er mogelijk huismussen en steenuilen in de woning en schuur die tegen de woning is aangebouwd. Aangezien nesten van huismussen en steenuilen jaarrond beschermd zijn moet er nader onderzoek uitgevoerd worden naar de functie van de woning en schuur die tegen de woning is aangebouwd voor huismussen en steenuilen om vast te stellen of er nesten aanwezig zijn, hoeveel nesten er aanwezig zijn en of er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd moet worden voor het slopen van deze bebouwing.
Door het rooien van beplanting en het slopen van de bebouwing tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de soorten die in het plangebied nestelen is, afgezien van huismus en steenuil, uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen, mits geen bezette vogelnesten beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.