CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B11.0 Onderbouwing Rijksweg 288 Gaanderen.pdf

beeldvormende raad 12 maart 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-2G17.230 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

31

luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Het rekenpunt (09215668_15993896) dat het dichtst bij het projectgebied ligt kent de volgende gemeten waarden voor NO2, PM10 en PM2,5 in 2022: NO2: 14,9672 µg/m3 PM10: 17,1717 µg/m3 PM2,5: 9,4859 µg/m3 Voor NO2 en PM10 verbindingen geldt een grenswaarde van 40 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 20 µg/m3. De hoeveelheid NO2, PM10 en PM2,5 in het projectgebied blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarden. De monitoringstool maakt dus duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. 6.2.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.3

Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1

(Wettelijk) kader

De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 6.3.2

Onderzoek

In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt aan de Akkermansweg 10 te Gaanderen. Deze veehouderij heeft een vaste richtafstand van 100 meter. De afstand tussen de veehouderij en het projectgebied bedraagt circa 700 meter. Het is niet noodzakelijk het aspect geur nader te onderzoeken. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. 6.3.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

32

6.4

Bodemkwaliteit

Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.4.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. 6.4.2

Onderzoek

Door Montferland Milieu is in november 2023 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. Hieronder worden kort de belangrijkste resultaten uit dit onderzoek besproken. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Onder de grindverharding zijn sporen baksteen, glas en kolengruis waargenomen. In de bovengrond van het zuidelijk deel van de locatie is een licht verhoogd gehalte aan koper, kwik en lood aangetoond. In de bovengrond, direct onder de grindverharding, van het noordelijk deel van de locatie is een licht verhoogd gehalte aan koper, lood, zink, PCB en PAK aangetoond. In de ondergrond en ter plaatse van de vml. ontluchtingspijp zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden. Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locaties geen ernstige bodemof grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en/ of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen.

De tevoren gestelde hypothese 'De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd' dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond en in het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen directe risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.

33

6.4.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.5

Mobiliteit en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.5.1

(Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Doetinchem heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. 6.5.2

Onderzoek

Verkeer De realisatie van de tien woningen in het projectgebied zorgt voor een verkeersaantrekkende werking. In de voormalige situatie was er sprake van een dansstudio. Volgens de kengetallen van het CROW is het aantal verkeersbewegingen, uitgaande van de verstedelijkingsgraad 'matig stedelijk' en het gebiedstype 'rest bebouwde kom', maximaal 22,5 per 100 m2 bvo per dag. Dit komt voor de huidige situatie, uitgaande van circa 400 m2 bvo, neer op circa 90 verkeersbewegingen per dag. In de toekomstige situatie is er sprake van tien woningen. Uitgaande van de verstedelijkingsgraad 'matig stedelijk', het gebiedstype 'rest bebouwde kom' is het aantal verkeersbewegingen maximaal 7,5 per woning. Dit komt voor de toekomstige situatie, uitgaande van tien wooneenheden, neer op 75 verkeersbewegingen per dag. Dit betekent dat met het initiatief het aantal verkeersbewegingen sterk afneemt. De woningen worden ontsloten op de Rijksweg. Dit is een doorgaande route door Gaanderen heen. Deze weg heeft voldoende capaciteit om de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen op te vangen. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Volgens de 'Nota Parkeernormen 2024' van de gemeente Doetinchem is het benodigde aantal parkeerplaatsen maximaal 1,9 per woning.

In de toekomstige situatie is er sprake van tien woningen. Volgens het beleid van de gemeente Doetinchem zijn er in totaal 19 parkeerplaatsen benodigd. De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 20 parkeerplaatsen op eigen terrein. Hiermee worden er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om aan de behoefte te voldoen.

34

6.5.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect mobiliteit en parkeren geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied

6.6

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.6.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.6.2

Onderzoek

Het voorgenomen initiatief voorziet in de realisatie van tien woningen. Deze woningen worden aangemerkt als 'kwetsbaar object'. Hiermee voorziet de ontwikkeling in nieuw kwetsbare objecten. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de Risicokaart Nederland. De globale ligging van het projectgebied is hierop aangeduid met een groen vierkant.

35

Het projectgebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 risicocontour. Tevens is het projectgebied niet gelegen in een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied. Er is daarom geen (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. 6.6.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.7

Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.7.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.7.2

Onderzoek

Door BNL Advies is in mei 2024 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 7 bijgevoegd. De belangrijkste resultaten uit het onderzoek zijn in de navolgende alinea's samengevat. Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het Duitse 'Hetter-Millinger Bruch, mit Erweiterung', dat gelegen is op een afstand van circa 9 kilometer ten zuiden van het projectgebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het projectgebied. Op circa 15 kilometer van het projectgebied ligt het Nederlandse Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. Door het gebruik van werktuigen kunnen er wel indirecte gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht.

36

Om deze reden is door Buro Ontwerp & Omgeving in april 2025 een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze berekening is bijgevoegd als Bijlage 8. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar plaatsvindt in de gebruiksfase. Er is dus geen significante toename als gevolg van het initiatief. Er is ook voor de realisatiefase een AERIUS-berekening uitgevoerd. Ook in de realisatiefase blijkt dat er geen depositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar plaatsvindt. Het projectgebied ligt op circa 790 meter afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en circa 675 meter van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast. Bomeninventarisatie Er is een bomeninventarisatie uitgevoerd. Deze inventarisatie toont welke bomen behouden blijven en welke bomen zullen worden verwijderd ten behoeve van het initiatief. De bomeninventarisatie is bijgevoegd als Bijlage 9. Soortenbescherming Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het projectgebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Alle onderstaande soorten dienen nader onderzocht te worden. Huismuis: De bebouwing is beoordeeld op de aanwezigheid van huismussen.

Tijdens het onderzoek waren er geen huismussen hoor- en zichtbaar aanwezig op of rond de woning. Het dak zelf is wel geschikt als nest- of rust- en verblijfplaats. Er is zijn ruimtes onder pannen en overstekken waar huismussen zich kunnen vestigen. Gierzwaluw: Voor gierzwaluwen is het projectgebied geschikt. Gierzwaluwen hebben de voorkeur voor lintbebouwing in dorpen en steden en maken vaak van dezelfde nestmogelijkheden gebruik als huismussen, nader onderzoek naar de gierzwaluw in de te slopen bebouwing wordt dan ook nodig geacht. Vleermuizen: De te slopen bebouwing is gezien het bureauonderzoek potentieel geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Te denken valt dan aan de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Nader onderzoek naar vleermuizen in de te slopen bebouwing wordt dan ook nodig geacht. Nader onderzoek Huismus en Gierzwaluw Door Van der Molen Groenconsult is in augustus 2024 een nader onderzoek uitgevoerd naar de huismus en gierzwaluw. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 10. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen huismussen of gierzwaluwen zich ophouden in het projectgebied. Daarnaast blijkt dat er geen nestlocaties zijn in het projectgebied. Een omgevingsvergunning vanuit de Omgevingswet, onderdeel soortbescherming, is voor deze soorten niet aan de orde.

Vleermuizen Door Van der Molen Groenconsult is in april 2025 een nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 11. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen vleermuizen een verblijfplaats bezetten in het projectgebied. Tevens gaat er geen foerageergebied verloren met de ontwikkeling. Een omgevingsvergunning vanuit de Omgevingswet, onderdeel soortbescherming, is voor deze soorten niet aan de orde.

37

6.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.8

Cultureel erfgoed

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.8.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.8.2

Onderzoek

Archeologie Archeologische bescherming zorgt ervoor dat archeologische waarden van gronden worden behouden en beschermd. In de regels horende bij het 'Omgevingsplan gemeente Doetinchem' wordt de bescherming en het gebruik verder geregeld. Het projectgebied ligt volgens het geldende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021' (als onderdeel van het 'Omgevingsplan gemeente Doetinchem') in een zone met de dubbelbestemming 'Waarde Archeologische verwachting 3' en 'Waarde - Archeologische verwachting 6'. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 250 m2 en 5.000 m2 en indien deze dieper dan 0,4 m onder het maaiveld plaatsvinden. Vanwege de archeologische bescherming ter plaatse van de locatie is door Hamaland advies een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 12. Hieronder worden de conclusies uit dit onderzoek kort behandeld. Bureauonderzoek Het projectgebied is aan de noordzijde gelegen op een hoge rivierterras met dekzand. De archeologische overblijfselen kunnen in dit deel mogelijk bedekt zijn met deze laag stuifzand van vermoedelijk 50 cm of dikker. Dit heeft een positief effect op de conservering van eventuele archeologische resten. In dit noordelijke gedeelte van het projectgebied is in de jaren '50 van de vorige eeuw bebouwing gerealiseerd in de vorm van een dansschool.

Deze is sinds de jaren '60 onveranderd gebleven en nog steeds zichtbaar in de huidige vorm van bebouwing. De bouwkundige tekeningen laten zien dat mogelijk vlakdekkend is gefundeerd tot een diepte van circa 80 cm-mv. Op circa 100 meter ten zuidwesten van het projectgebied zijn gefragmenteerde archeologische resten gevonden welke gezien kunnen worden als een aanwijzing voor mogelijke archeologische sites op de hoger gelegen rivierduinen. Deze hoger gelegen delen bevinden zich ten noordwesten van het projectgebied. De zuidzijde van het projectgebied bevindt zich op een iets lager gelegen rivierterrasvlakte. De nieuwbouwactiviteiten zullen

38

grotendeels plaatsvinden in dit deel van het projectgebied. Dit gebied heeft een lage archeologische verwachting voor nederzettingsresten maar een hoge verwachting voor watergerelateerde archeologische resten. Eveneens is het mogelijk dat op deze voorheen natte gebiedsdelen goed geconserveerde, kwalitatief hoogwaardige en vaak zeldzame archeologische resten (o.a. organisch materiaal) kunnen voor komen. Er is een mogelijke verstoring van de bodem tot een diepte van maximaal 30 tot 50 cm-mv door eerdere agrarische activiteiten in dit gebied. Dit resulteert in een hoge archeologische verwachting voor resten van het Neolithicum tot de Vroege Middeleeuwen. Hierbij speelt de mate van intactheid van de bodem een belangrijke rol. Er wordt dan ook geadviseerd om een verkennend booronderzoek uit te voeren om de veronderstelde bodemopbouw en de daarmee samenhangende archeologische verwachtingen te toetsen. Booronderzoek In het projectgebied is sprake van een bouwvoor van grijsbruin gevlekt fijn zand met puin en kiezels en in boring 1 en 2 onder de bouwvoor sprake van een subrecente ophoging van grijsbruin, bruingrijs en geelgrijs gevlekt fijn zand waarin baksteenpuin, betonpuin en kiezels aanwezig zijn. In boring 3 tot en met 5 ontbreekt deze ophooglaag. Onder de bouwvoor en onder de ophooglaag (boring 1 en 2) is een 30 tot 45 cm dikke akkerlaag aangetroffen van bruin gevlekt fijn zand.

In alle boringen gaat deze akkerlaag scherp over in een menglaag (A/C-horizont) van sterk gevlekt geelbruin fijn zand met kiezels. De top van deze menglaag is aangetroffen op dieptes variërend van 65 cm-mv in boring 4 tot 90 cm-mv in boring 5. De basis van het bodemprofiel bestaat uit geel fijn sterk siltig dekzand waarvan de top is aangetroffen op dieptes variërend van 100 cm-mv in boring 2 en 115 cm-mv in boring 1 en boring 5. De overgangen tussen de afzonderlijke bodemlagen is scherp. Karterend booronderzoek De resultaten van de karterende boringen komen vrijwel overeen met de resultaten van het verkennend booronderzoek. In het plangebied is sprake van een subrecente bouwvoor van grijsbruin gevlekt fijn zand met puin en kiezels. Onder de bouwvoor is een akkerlaag aangetroffen van bruingrijs gevlekt fijn zand. Tijdens het uitzeven van de akkerlaag zijn meerdere archeologische indicatoren verzameld waaronder brokjes steenkool, zilverpapier, aardewerk, hoogovenslak van de DRU en betonpuin. De datering van het vondstmateriaal is 19e en 20e eeuw. Het fragment faience aardewerk in boring 7 dateert uit de tweede helft van de 18e eeuw, maar zal vermoedelijk pas in de 19e eeuw in de bodem zijn beland als bemestingskeramiek.

Selectieadvies Op basis van de onderzoeksresultaten van zowel het verkennend als het karterend booronderzoek, de relatief jonge datering van de akkerlaag (19e en 20e eeuw) en de aanwezigheid van een verstoorde bodem onder de akkerlaag, acht Hamaland advies vervolgonderzoek niet noodzakelijk. De kans op intacte archeologische vindplaatsen is nihil. Cultuurhistorie De bestaande bedrijfswoning en dansschool hebben geen specifieke cultuurhistorische waarde. Het voorgenomen initiatief heeft eveneens geen negatief effect op eventuele cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving. Om deze reden is verdere toetsing aan het aspect cultuurhistorie niet noodzakelijk.

39

6.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect cultureel erfgoed geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.9

Duurzaamheid

Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; 'energietransitie', 'circulariteit' en 'klimaatadaptatie en water'. 6.9.1

(Wettelijk) kader

Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.

Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie 5.4). 6.9.2

Onderzoek energietransitie

De woningen zullen gasloos worden uitgevoerd en met een (lucht)warmtepomp worden uitgerust. Deze warmtepomp zal zorgen voor het verwarmingssysteem. Daarnaast zullen op de woningen zonnepanelen worden geplaatst. Hiermee zijn de woningen klaar voor de energietransitie. 6.9.3

Onderzoek circulariteit

De woningen zullen traditioneel worden gebouwd met systeemvloeren. De dragende wanden zullen van kalkzandsteen worden gebouwd. Kalkzandsteen is een duurzaam materiaal dat wordt gemaakt van kalk, water en zand. Kalkzandsteen is in principe 100% recyclebaar, en heeft een zeer lage MKI- en MPG-score. Tot slot wordt een prefab kapconstructie toegepast.

40

6.9.4

Onderzoek klimaatadaptatie en water

In Nederland krijgen we steeds vaker te maken met zware buien, langdurige droogte en extreme hitte. Dat betekent ook dat we anders moeten gaan bouwen. De Maatlat klimaatadaptieve groene gebouwde omgeving maakt duidelijk hoe klimaatadaptief bouwen en inrichten eruitziet. Deze maatlat geeft uitvoering aan het landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid. Ten aanzien van artikel 5.85 van de provinciale omgevingsverordening is, op basis van de klimaatatlas gemeente Doetinchem, in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het projectgebied als gevolg van klimaatverandering. Wateroverlast. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van het projectgebied geen tot weinig plasvorming wordt verwacht na een korte of lange bui. Vooral aan de randen van het projectgebied kan wat plasvorming ontstaan. Hittestress. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur in het projectgebied warmer zal zijn op warme dagen. Dit is naar waarschijnlijkheid gebaseerd op de huidige situatie. De geplande nieuwbouwwoningen zijn goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee zijn de woningen ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode. Tevens bevindt het projectgebied zich tegen de rand van agrarisch gebied, waar geen sprake is van hittestress. Droogte.

De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 geen verandering zien ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft in het projectgebied sprake van lagere grondwaterstanden en van grotere droogtegevoeligheid. Door het hemelwater binnen het projectgebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf zoals dat in feite in de huidige, deels onbebouwde situatie ook zo is. Het projectgebied ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. In het projectgebied zijn geen waterpartijen en beken aanwezig die stil kunnen komen te staan of droog kunnen vallen. Daarmee is geen sprake van een risico voor de volksgezondheid. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico's door droogte als gevolg van klimaatverandering. Overstroming. De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat er geen watergangen in nabijheid van het projectgebied liggen. Mocht ergens de dijk van de IJssel of de Rijn bezwijken, dan vormt overstroming een klein risico voor het projectgebied. Er zal dan tussen de 20 en 50 cm water in het projectgebied staan. Bij nieuwbouw zal rekening moeten worden gehouden met hogere drempelhoogten, en elektricitetisaansluitingen moeten hoger worden gerealiseerd.

De kans op overstroming is klein. Gezien de geringe kans hierop zijn verdere maatregelen niet noodzakelijk. Quickscan water en digitale watertoets Voor het initiatief is door Buro Ontwerp & Omgeving een quickscan water uitgevoerd. Deze quickscan is bijgevoegd als Bijlage 13. Hieronder worden de conclusies van dit onderzoek besproken. De bodem van onderhavig projectgebied bestaat uit matig fijn en matig siltig zand, waarbij de bovengrond zwak tot matig humeus is; De humeuze bovengrond wordt niet geschikt geacht voor infiltratie van hemelwater, de ondergrond is naar verwachting wel geschikt voor de infiltratie van hemelwater; Ter plaatse van de voorgenomen wadi bedraagt de doorlatendheid van de bodem circa 3 m/dag, en is hiermee voldoende voor een succesvolle infiltratie van hemelwater; Het maaiveld van het projectgebied varieert tussen de circa 14,2 m en 14,9 m +NAP; De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het projectgebied wordt ingeschat op circa 13,2 m +NAP (tussen de 1,0 en 1,7 m-mv); Op basis van het beleid van het Waterschap Rijn en IJssel dient er binnen het projectgebied maximaal circa 148 m3 water (tijdelijk) geborgen en geïnfiltreerd te worden;

41

Hiervan dient circa 21 m3 geborgen te worden op het eigen (particuliere) terrein, gebaseerd op het beleid van de gemeente Doetinchem; Berging en infiltratie van hemelwater vindt plaats in infiltratiekratten (particuliere percelen en parkeerplaatsen), een IT riool onder de inrit en het verlagen van de centrale groenstrook; In de toekomstige situatie dient rekening gehouden te worden met een geringemtoename van DWA (droog-weerafvoer). De piekbelasting bedraagt naar inschatting circa 0,05 m3/uur. Realisatie waterberging Bij deze ontwikkeling zal de waterberging gerealiseerd worden middels: 1. infiltratiekratjes op de particuliere percelen; 2. het verlaagd aanleggen van de groenstrook; 3. infiltratiekratjes onder de parkeerplaatsen; 4. een IT riool onder de oprit. De dynamische berging wordt vastgesteld middels de wet van Darcy, waarbij het debiet van de leegloop bepaald wordt door de doorlatendheid van de bodem te vermenigvuldigen met het infiltrerend oppervlak en het verhang. Het verhang bedraagt voor zowel de IT riolering als de kratjes 1, de dynamische berging wordt dus bepaald door de doorlatendheid te vermenigvuldigen met het infiltrerend oppervlak. De exacte berekeningen per voorziening staan in paragraaf 5.5 van de quickscan water. Onderstaande tabel toont voorzieningen.

zowel de statische als de dynamische bergingscapaciteit van de

Uit de tabel blijkt dat de statische en dynamische bergingscapaciteit van de voorzieningen circa 171 m3 bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de bergingseis die is opgesteld door het waterschap (148 m3). Aanbevelingen Gezien de resultaten van onderhavige analyse worden er met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het projectgebied geen negatieve gevolgen verwacht voor de waterhuishouding ter plaatse. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. In overleg met de gemeente Doetinchem dient te worden bepaald op welke wijze het vuilwater aangesloten kan worden op riolering onder de Rijksweg. Het hemelwatersysteem dient in een latere fase verder gedimensioneerd en civieltechnisch uitgewerkt te worden, waarbij met name de aansluiting van de systemen onderling aandacht vereist. Omdat de gemeente de inrit en parkeerplaatsen aan de voorzijde over zal nemen, zal er nog afstemming plaats moeten vinden over het onderhoud van de IT riolering en het krattensysteem onder de parkeerplaatsen. Aandachtspunt bij de verdere ontwikkeling is het hoogteverschil binnen het projectgebied. Aanbevolen wordt om het vloerpeil van de woningen minimaal 20 cm hoger te realiseren dan de aangrenzende

42

verhardingen. Hiermee wordt voorkomen dat water de woning binnenstroomt bij heftige buien. Digitale watertoets Door Buro Ontwerp & Omgeving is in februari 2024 een digitale watertoets ingevuld. Deze is als Bijlage 14 bijgevoegd. Via de Digitale Watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het initiatief in het projectgebied relevant zijn. Ten aanzien van het wateradvies geldt dat de normale procedure doorlopen dient te worden. De verharding in het projectgebied neemt toe met circa 360 m2. Het hemelwater dient in de toekomstige situatie te worden geïnfiltreerd binnen het projectgebied. In april 2024 heeft het waterschap aangegeven verder geen opmerkingen op het plan of de quickscan water te hebben. Gezien er met het nieuwe plan sprake is van een kleinere toevoeging van de verharding ten opzichte van het plan dat in februari 2024 is ingediend, is het niet noodzakelijk opnieuw de digitale watertoets te doorlopen. 6.9.5

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect duurzaamheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.10 Trillingshinder 6.10.1 Algemeen In Nederland bestaat tot op heden geen wet voor het voorkomen van hinder door trillingen, zoals die wel bestaat voor geluidhinder (Wet geluidhinder). Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is in de afwegingen. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (dan wel art. 4.2 Omgevingswet), waarin de zorg voor een goede ruimtelijke ordening (dan wel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties) is voorgeschreven. 6.10.2 Toetsing De beoogde woningen worden binnen 100 meter van de spoorlijn Winterswijk - Zevenaar - Arnhem gerealiseerd. Om die reden is door We-Boost in mei 2025 een quickscan trillingshinderonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 15 bijgevoegd. Uit de quickscan volgt dat de trillingen voldoen aan het beoordelingskader. Door de grote afstand tot het spoor, de lichte treinen en de lage rijsnelheid (treinen stoppen op nabijgelegen station Gaanderen) is sprake van relatief lage trillingen. Er is geen nader onderzoek of maatregelen nodig. Er is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat t.a.v. trillingen, en daarom ook van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 Ow).

6.10.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect trillingshinder geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

43

6.11 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.11.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of; Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen.

Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 6.11.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen', zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een plan-m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 16 bijgevoegd. 6.11.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.

44

6.12.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4). Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 6.12.2 Onderzoek In voorliggend plan worden tien nieuwe woningen gerealiseerd, en één bestaande woning gesloopt. Ten opzichte van de vigerende planologische situatie neemt het aantal woningen in het projectgebied dus toe met negen woningen. De ontwikkeling wordt dus niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Om die reden is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. Daarnaast is de ontwikkeling goed passend binnen de omgeving. De omgeving kenmerkt zich hoofdzakelijk door de aanwezigheid van woningen. Daarnaast past het initiatief binnen de gestelde kaders van het regionaal en gemeentelijk woonbeleid. 6.12.3 Conclusie De nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen initiatief binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee wel aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Bkl.

6.13 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba's) mogelijk maakt, en zo ja; Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. 6.13.1 (Wettelijk) kader Het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.

activiteiten,

ook

In dit gedeelte worden regels over mba's bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van

45

rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld 'Milieubelastende activiteiten' en bevat gemeentelijke regels over mba's. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van 'activiteiten'. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee 'milieubelastende activiteiten' worden bedoeld. 6.13.2 Onderzoek intern Het initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het initiatief richt zich voornamelijk op de functie wonen binnen een omgeving waar de functie wonen de boventoon voert. Daarbij worden kleinschalige bedrijfsfuncties toegestaan door het toestaan van bedrijven/beroepen aan huis. Dit is echter tevens passend binnen de functie wonen en een omgeving waar de functie wonen de boventoon voert. Deze activiteiten zullen bovendien niet tot nauwelijks milieubelastend zijn. 6.13.3 Onderzoek extern Het naastgelegen perceel (Rijksweg 282) heeft de bestemming 'Gemengd - 2'.

Specifiek voor deze locatie gelden de volgende regels: detailhandel, niet zijnde detailhandel in de vorm van een supermarkt; horeca in de vorm van een dagzaak, restaurant en/of snackbar/cafetaria, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - 1'; dienstverlening; bestaande woningen; groen- en nutsvoorzieningen; en bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen. Er is detailhandel en horeca toegestaan op het aangrenzende perceel, wat betekent dat hier een bedrijf tot en met categorie 2 gevestigd mag worden. Volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ geldt hiervoor een richtafstand van 30 meter. Aangezien het projectgebied en de directe omgeving als gemengd gebied kunnen worden aangemerkt, mag deze afstand met één stap worden verlaagd. Daardoor geldt een aangepaste richtafstand van 10 meter tot het naastgelegen perceel. De nieuwbouwwoningen worden op circa 8,6 meter van de perceelsgrens gerealiseerd. De aangrenzende zijde van het naastgelegen perceel wordt momenteel gebruikt als woonhuis en tuin, en niet voor bedrijfsmatige activiteiten die mogelijk hinder zouden kunnen veroorzaken. Het gebouw waarin de bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden, bevindt zich op circa 26,5 meter afstand van de nieuw te bouwen woningen. In de toekomstige situatie is daarom geen sprake van mogelijke hinder vanaf het perceel aan de Rijksweg 282.

6.13.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect milieubelastende activiteiten geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.14 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

46

6.14.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. 6.14.2 Gezondheid binnen projectgebied Gelet op de aard en schaal van het initiatief zullen er geen overige aspecten worden geraakt die rondom het thema gezondheid belangrijk zijn. Gelet op de overige omgevingsaspecten is er sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. 6.14.3 Spuitzonering Initiatiefnemer is voornemens de voormalige dansschool te slopen en de locatie te herontwikkelen. Hierbij worden tien woningen gerealiseerd. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locatie (ETFAL) is het, gelet op de risico's van drift, van belang om voldoende afstand te houden tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij bestrijdingsmiddelen mogen worden gebruikt. In beginsel dient een afstand van 50 meter te worden aangehouden, tenzij bijvoorbeeld met een locatie specifiek onderzoek een deugdelijke motivering kan worden gegeven voor een kleinere afstand.

Percelen Aan de zuidzijde van de het projectgebied op circa 14 meter en op circa 62 meter van het projectgebied ligt een grootschalig agrarisch perceel. Volgens Boer&Bunder zijn deze percelen de afgelopen decennia gebruikt als blijvend grasland. Blijvend grasland bestaat uit natuurlijke of ingezaaide vegetatie van meer dan 50 procent grassen of kruidachtige voedergewassen dat minimaal vijf jaar niet is opgenomen in de vruchtwisseling. Percelen die als blijvend grasland zijn aangemerkt, mits ze niet op veengronden of in Natura 2000-gebieden (kwetsbare gebieden), kunnen vooralsnog omgezet worden naar bouwland, waarop gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden. De percelen zijn tevens in eigendom van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) en worden beheerd door Collectief Rivierenland, waardoor aanvullende verplichtingen gelden op basis van de beheerovereenkomst. Zo is omzetting van blijvend grasland naar bouwland alleen toegestaan na toestemming en is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan strikte voorwaarden gebonden. De percelen zijn sinds ten minste 2013 in gebruik als blijvend grasland, zonder gewaswisseling. Daarnaast heeft een van de percelen de bestemming 'Natuur', waardoor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen daar is uitgesloten. Het andere perceel ligt op meer dan 50 meter afstand, waardoor nadere toetsing niet noodzakelijk.

Het perceel direct ten oosten van het projectgebied heeft de bestemming 'Wonen'. Het perceel daar ten oosten van heeft echter een agrarische bestemming. Daarnaast ligt direct ten zuiden van het projectgebied een perceel met de bestemming 'Agrarisch'. Deze percelen worden al decennialang gebruikt als paardenweide. Met de beoogde situatie wordt blijft dit gebruik behouden. Door het decennialange hobbymatig gebruik als paardenweide, is de kans op omzetting naar andere teelten nagenoeg nihil. Voor alle percelen geldt dat het niet aannemelijk is dat de agrarische gronden zullen wijzigen van grasland of snijmaïs naar andere (hoogwaardiger) teelten, zoals bloementeelt of fruitteelt. De gronden zijn verdeeld over verschillende eigenaren en bestaan uit afzonderlijke percelen met een beperkte oppervlakte. Door deze versnippering ontbreekt de schaalgrootte en samenhang die doorgaans nodig is om een omschakeling naar dergelijke teelten economisch rendabel te maken, mede gelet op de hogere investeringen en intensievere bedrijfsvoering die daarmee gepaard gaan. Hierdoor ligt een dergelijke

47

functiewijziging niet voor de hand. is. Gezien de aard en het langdurige gebruik van de percelen is de kans op omzetting naar andere teelten nagenoeg nihil. De overige percelen binnen een straal van 50 meter van het projectgebied hebben geen agrarische functie. Gewasbeschermingsmiddelen De kans op drift van gewasbeschermingsmiddelen is het grootst bij het open teelten van sierplanten, bomen, boomgaarden en fruit. Bij het telen van overige gewassen worden veel minder gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, en wordt er over het algemeen niet op- en zijwaarts gespoten, wat de kans op drift drastisch verkleint. In vergelijking met akkerbouwgewassen is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op blijvend grasland beperkt tot niet aanwezig. In 2024 werd in de landbouw gemiddeld 5,6 kg werkzame stof per hectare gebruikt, terwijl op melkveebedrijven (die grotendeels uit grasland en voedergewassen bestaan) het gebruik in 2023 rond 0,4 kg/ha ligt met een zichtbaar dalende trend. Die lage intensiteit betekent ook dat het totale pesticidengebruik op grasland zeer laag is. Herbiciden (onkruidbestrijdingsmiddelen) vormen veruit de belangrijkste categorie op grasland. Insecticiden en schimmelbestrijdingsmiddelen spelen op grasland een verwaarloosbare rol.

Onkruidbestrijding in grasland richt zich met name op twee doelen: het vernietigen en vernieuwen van grasland (bijvoorbeeld voor herinzaai of om tijdelijk plaats te maken voor een ander gewas) en het gericht bestrijden van storende onkruiden in bestaande grasmatten. In de praktijk wordt een graslandperceel gemiddeld eens in de 5 à 10 jaar vernieuwd (heringezaaid). Omdat graslanden niet elk jaar worden bespoten, is de gemiddelde herbicideninput per hectare laag. Wagenings onderzoek toont aan dat over het totale graslandareaal de inzet van glyfosaat gemiddeld rond 0,2 kg werkzame stof per hectare ligt. Op basis van de bestemming en het gebruik in de afgelopen tien jaar kan worden vastgesteld dat er geen teeltwijzigingen te verwachten zijn die zouden leiden tot een hogere spuitfrequentie. Buiten graslandvernieuwing beperken melkveehouders het spuiten vaak tot pleksgewijze onkruidbestrijding: alleen de plekken met ongewenste worden behandeld, veelal met een rugspuit of spot-spray, welke zeer weinig tot geen drift veroorzaken. Dit verklaart waarom zelfs van de percelen die wel met gewasbeschermingsmiddelen behandeld worden, de gemiddelde dosis zeer laag blijft (0,1–0,3 kg/ha op de behandelde percelen). Voor graslandvernieuwing bestaan tegenwoordig tevens mechanische alternatieven die in de meeste gevallen glyfosaat kunnen vervangen.

Kortom, op blijvend grasland in Nederland is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zeer gering en neemt het gestaag af. Herbiciden worden het meest toegepast, voornamelijk voor graslandvernieuwing en incidentele onkruidbestrijding, terwijl insecticiden en fungiciden in de melkveegraslanden zo goed als afwezig zijn. De Nederlandse melkveehouderij realiseert met gemiddeld 0,4 kg werkzame stof per hectare een zeer laag middelengebruik. Dit is mogelijk door een combinatie van extensief beheer, alternatieve onkruidbeheersing en beleidsprikkels. De trend wijst tevens in de richting van verdere reductie, in lijn met zowel de nationale als Europese duurzaamheidsdoelen. Driftreducerende maatregelen Naast het zeer geringe gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, speelt de toegepaste spuittechniek een belangrijke rol naast de keuze van het middel en de dosering. Indien er geen gebruik wordt gemaakt van pleksgewijze onkruidbestrijding met een rugspuit of spot-spray, is het gebruik van driftarme doppen is in veel gevallen verplicht. Gezien de grootte van de percelen zal uitsluitend met een rugspuit of spot-spray worden gespoten, als er überhaupt al gespoten wordt. Samenvattend

48

Gezien al deze omstandigheden is er geen sprake van een belemmering voor een goed woon- en leefklimaat (en daarmee een evenwichtige toedeling van functies aan locaties). Op basis van de planologische mogelijkheden, de feitelijke agrarische invulling van de omliggende percelen en de locatie-specifieke omstandigheden kan worden geconcludeerd dat de realisatie van nieuwe woningen aan de Rijksweg 288 ruimtelijk aanvaardbaar is binnen 50 meter van de omliggende agrarische percelen. 6.14.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect gezondheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

49

Hoofdstuk 7

Beperkingengebieden

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones Onderhavig plan raakt geen beperkingsgebieden. Nadere toetsing aan dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.

50

Hoofdstuk 8

Uitvoerbaarheid

8.1

Economische uitvoerbaarheid

8.1.1

Financieel economische haalbaarheid

De gemeente hoeft geen belangrijke voorinversteringen te doen om het plan haalbaar te maken. De overige kosten komen op rekening van de projectontwikkelaar. Hiermee is het plan volledig financieel economisch haalbaar. 8.1.2

Kostenverhaal

De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een projectontwikkelaar. De gemeente en de projectontwikkelaar hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond. 8.1.3

Nadeelcompensatie

In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden.

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.2.1

Participatie

De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel 'Regels op de Kaart' kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8364/documents/51588