B11.0 Onderbouwing Rijksweg 288 Gaanderen.pdf
Tekst van het document
Rijksweg 288 te Gaanderen Motivering voor het wijzigen van het omgevingsplan
Gemeente Doetinchem
Projectnummer: 4061.02 Datum: 23-07-2025 Versie: ontwerp
Motivering
3
4
Inhoudsopgave Motivering Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3
3 Inleiding
Aanleiding en doel Projectgebied Leeswijzer
7 7 7 9
Hoofdstuk 2
Beschrijving huidige situatie
10
Hoofdstuk 3
Voorgenomen ontwikkeling
12
Wat houdt de ontwikkeling in? Strijdigheid geldend omgevingsplan Medewerking opheffen strijdigheid Conclusie
12 13 14 14
3.1 3.2 3.3 3.4
Hoofdstuk 4 4.1
Participatie omgeving
Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
15 15
Beleid en regelgeving
16
Rijksbeleid en Rijksregels Provinciaal beleid en provinciale regels Regionaal beleid Beleid waterschap Gemeentelijk beleid Omgevingswaarden
16 18 20 23 25 28
Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11 6.12 6.13 6.14
Voorbereiding en participatie
Omgevingsaspecten
29
Geluid Luchtkwaliteit Geur Bodemkwaliteit Mobiliteit en parkeren Omgevingsveiligheid Natuur Cultureel erfgoed Duurzaamheid Trillingshinder M.e.r.-beoordeling Ladder voor duurzame verstedelijking Milieubelastende activiteiten Gezondheid
29 30 32 33 34 35 36 38 40 43 44 44 45 46
Hoofdstuk 7
Beperkingengebieden
50
Hoofdstuk 8
Uitvoerbaarheid
51
5
8.1 8.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
51 51
Bijlagen
Bijlage 1 – Kaart besluitgebied Bijlage 2 – Inrichtingsplan Bijlage 3 – Principebesluit Bijlage 4 – Verslag participatieavond Bijlage 5 – Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Bijlage 6 – Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7 – Quickscan Flora en Fauna Bijlage 8 – AERIUS-berekening Bijlage 9 – Bomeninventarisatie Bijlage 10 – Nader onderzoek huismus en gierzwaluw Bijlage 11 – Nader onderzoek vleermuizen Bijlage 12 – Bureauonderzoek, Verkennend en Karterend Booronderzoek Archeologie Bijlage 13 – Quickscan water Bijlage 14 – Digitale watertoets Bijlage 15 – Quickscan trillingshinder Bijlage 16 – Project-mer-beoordeling
6
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Op de locatie aan de Rijksweg 288 te Gaanderen is een bedrijfsperceel gelegen. Op deze locatie is de voormalige dansschool 'Berentsen' met naastgelegen bedrijfswoning gevestigd. De eigenaren van de dansschool zijn in 2021 gestopt met de dansschool, waarna het pand niet meer in gebruik was. Initiatiefnemer is voornemens de voormalige dansschool te slopen en de locatie te herontwikkelen. Hierbij worden tien woningen gerealiseerd. Volgens de Woonvisie kunnen in het kader van transformatie nieuwe woningen worden toegevoegd. Aan de Rijksweg liggen kansen voor transformatie en verdichten. Het voorliggende initiatief sluit hier naadloos op aan. Het projectgebied valt binnen het woonmilieu 'dorps wonen' waarbinnen een dergelijke ontwikkeling door de gemeente als kansrijk wordt gezien. Voor het projectgebied geldt het (tijdelijke deel van het) 'Omgevingsplan gemeente Doetinchem', met onderliggend het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021'. Op basis van het omgevingsplan is de locatie bestemd als 'cultuur en ontspanning'. Op grond van de huidige bestemming is de voorgenomen ontwikkeling niet toegestaan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Onderhavige motivering voorziet in de onderbouwing om aan te tonen dat de ontwikkeling ruimtelijk wenselijk is, zodat de gemeente Doetinchem het omgevingsplan kan wijzigen.
1.2
Projectgebied
Het projectgebied is gelegen aan de oostkant van Gaanderen, aan de doorgaande weg Rijksweg welke overgaat in de Doetinchemseweg. Het straatbeeld kenmerkt zich als kernrandzone waarin de bebouwing een steeds opener karakter kent en langzaam overgaat in het buitengebied. Het projectgebied wordt aan de noord- en oostzijde begrensd door reeds aanwezige bebouwing. Aan de westzijde bevindt zich een groenstrook welke een natuurlijke afscheiding vormt tussen het projectgebied en een woning. Tot slot grenst de oostzijde aan agrarische percelen. Het projectgebied staat kadastraal bekend als gemeente Ambt-Doetinchem, Sectie I, nummer 5733. Op de navolgende afbeelding is globaal de ligging en begrenzing van het projectgebied met een rode markering weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het projectgebied wordt verwezen naar Bijlage 1 bij deze motivering.
7
Globale ligging projectgebied
Globale begrenzing projectgebied
8
1.3
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de omgevingsplanwijziging die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk-functionele situatie. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de voorbereiding en participatie van onderhavig plan. In Hoofdstuk 5 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt inzicht gegeven in diverse planologische en milieuaspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In Hoofdstuk 7 wordt ingegaan op mogelijke beperkingengebieden die in het projectgebied gelden. Tot slot wordt in Hoofdstuk 8 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
9
Hoofdstuk 2
Beschrijving huidige situatie
Het projectgebied bestaat in de huidige situatie uit een bedrijfswoning met daaraan vastgebouwd een grote hal waar voorheen dansles werd gegeven. Onderstaande afbeelding toont een luchtfoto, waarbij het projectgebied met een gele stippellijn is omlijnd.
Luchtfoto huidige situatie projectgebied
De huidige bedrijfswoning bestaat uit drie bouwlagen, waarvan de bovenste twee bouwlagen zich onder een kap bevinden. De aangebouwde dansschool bestaat uit één bouwlaag met een plat dak. In 2021 zijn de vorige eigenaren gestopt met de dansschool. Hierdoor staat de dansschool al enige tijd leeg. De dansschool is sterk verouderd. Tevens oogt het geheel op het perceel wat rommelig. Een ruimtelijke ingreep op de locatie is wenselijk om verpaupering van de locatie te voorkomen en ondermijning tegen te gaan, nu de dansschool niet langer gebruikt wordt. Binnen het projectgebied bevinden zich solitaire bomen en een aantal groenstroken. Aangrenzend aan het projectgebied en verspreid op de kavel en kavelgrenzen zijn bomen, hagen, heesterbeplanting en diverse kruidachtige begroeiing aanwezig. Diverse maatgevende bomen zullen in de toekomstige situatie behouden blijven. Onderstaande afbeeldingen tonen de huidige situatie in het projectgebied.
10
Huidige situatie projectgebied (bron: BNL advies)
11
Hoofdstuk 3 3.1
Voorgenomen ontwikkeling
Wat houdt de ontwikkeling in?
De ontwikkeling voorziet in de volledige sloop van de huidige bebouwing. Zowel de bedrijfswoning als dansschool zullen verdwijnen. Daarna voorziet de ontwikkeling in de realisatie van tien woningen van het type aaneengebouwd. Het volledige inrichtingsplan is als Bijlage 2 bijgevoegd. Onderstaande afbeelding toont een impressie van de toekomstige situatie ter plaatse van het projectgebied.
Impressie toekomstige situatie projectgebied
De nieuwe woningen worden opgedeeld in twee blokken van vijf aaneengebouwde woningen per blok. De woningen bestaan uit 3 bouwlagen (2 bouwlagen en een kap). De woningen hebben aan de achterzijde een lagere goot. Dit heeft een gunstig effect op de privacy en inkijk richting de omliggende woningen (geen volledige verdiepingshoogte aan de achterzijde). De gebouwen hebben een heldere opzet met een kapschuur als hoofdvorm. De oriëntatie van de kavels volgt de perceelsgrenzen aan de noord- en zuidzijde. Hierdoor ontstaat een gerende werking dat zorgt voor openheid richting het landschap aan de zuid-west zijde van het gebied.
12
Impressie toekomstige woningen projectgebied
Aan de noordoost zijde van het projectgebied zijn twintig parkeerplaatsen gesitueerd. Hiermee kan worden voorzien in de parkeernorm. Alle parkeerplaatsen worden uitgevoerd met halfverharding. Dit zorgt voor minder hittestress op warme dagen, maar ook voor een vertraagde afvoer van hemelwater. Dit wordt namelijk deels geïnfiltreerd ter plaatse van de halfverharding. Tevens wordt door de initiatiefnemer een nieuwe bluswatervoorziening gerealiseerd. In het plan zal ruim aandacht worden besteed aan natuurinclusief bouwen. Zo zullen er diverse nestkasten worden geplaatst voor zowel vogels als vleermuizen. In de groene hagen worden op diverse plekken faunapassages gerealiseerd. Deze zorgen ervoor dat dieren de tuinen in en uit kunnen. Rondom de parkeerplaatsen en woningen worden groene hagen geplaatst. Op diverse plekken worden nieuwe bomen geplaatst. Waar mogelijk zullen bestaand groen en bomen worden behouden (zie Bijlage 9). Daarnaast is tussen de woningen een grote wadi aanwezig die zorgt voor de opvang en infiltratie van hemelwater.
3.2
Strijdigheid geldend omgevingsplan
Voor het projectgebied geldt het (tijdelijke deel van het) 'Omgevingsplan gemeente Doetinchem', met onderliggend het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied - 2021'. Op basis van het Omgevingsplan is de locatie van het projectgebied bestemd als 'Cultuur en ontspanning'. De gronden zijn volgens artikel 9 van het bestemmingsplan hoofdzakelijk bedoeld voor instellingen voor cultuur en ontspanning, met uitzondering van attractieparken, seksinrichtingen en casino's/speelautomatenhallen. Tevens is detailhandel, dienstverlening en horeca toegestaan, maar uitsluitend ten dienste van en ondergeschikt aan de voorgenoemde functie. Tot slot zijn bestaande bedrijfswoningen en groen- en nutsvoorzieningen toegestaan. De bouwregels stellen tevens dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd. Tevens gelden er een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4m en 9m. De nieuw te realiseren woningen zijn geen bedrijfswoningen en tevens niet bestaand. Hiermee ontstaat er een strijdigheid met het geldende omgevingsplan. Daarnaast zijn woningen geen instelling voor cultuur en ontspanning. Tevens zal er grotendeels buiten het bestaande bouwvlak worden gebouwd en zullen de goot- en bouwhoogte moeten worden verruimd om het initiatief mogelijk te maken. Om het initiatief mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.
13
3.3
Medewerking opheffen strijdigheid
Op 26 maart 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem een principebesluit genomen om medewerking te verlenen aan de functiewijziging van een dansschool naar tien grondgebonden woningen. Gezien het plan niet in het geldende omgevingsplan past, dient een motivering te worden opgesteld welke aantoont dat het initiatief op de locatie passend is en voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het principebesluit is aangegeven dat een aantal zaken verder uitgewerkt dienen te worden: Bereikbaarheid voor hulpdiensten aantonen; Voldoen aan de woonvisie gemeente Doetinchem 2023-2036; Inrichtingsplan; Aandacht voor natuur; Aandacht voor participatie. Het volledige principebesluit is bijgevoegd als Bijlage 3. Bovenstaande punten zijn nader uitgewerkt en worden nader toegelicht in deze motivering of worden nader toegelicht/bijgevoegd bij de aanvraag van de omgevingsvergunningen bij de technische bouwactiviteit. Aanpassing naar tien woningen Initiatiefnemer heeft bij de gemeente Doetinchem aangegeven graag tien woningen te realiseren in plaats van acht. De gemeente heeft aangegeven hier tevens medewerking aan te willen verlenen.
Hierbij zijn nog een tweetal opmerkingen meegegeven: Vanuit planologie wordt aangegeven dat er bij de uitwerking aandacht zal moeten zijn voor mogelijke spuitzones en voor trillinghinder van de spoorlijn. Vanuit groen wordt positief geadviseerd, alleen is de bomeninventarisatie een aandachtspunt. Bovenstaande punten zijn nader uitgewerkt en worden nader toegelicht in deze motivering of worden nader toegelicht/bijgevoegd bij de aanvraag van de omgevingsvergunningen bij de technische bouwactiviteit.
3.4
Conclusie
Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Alles overwegende draagt de ontwikkeling bij aan een goede fysieke leefomgeving. Uit voorliggende onderbouwing blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met het Besluit kwaliteit leefomgeving, Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Uit de toetsing aan de verschillende milieu- en haalbaarheidsaspecten blijkt dat er voldaan wordt aan de wet- en regelgeving. Er zijn geen nadelige effecten te verwachten ten aanzien van de bestaande situatie in en in de omgeving van het plangebied. Wel dient een belangenafweging te worden gemaakt in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, conform het Besluit kwaliteit leefomgeving met betrekking tot het aspect geluid. Dit aangezien de berekende geluidbelasting op de gevel van de nieuw te realiseren woning 57 dB bedraagt, wat boven de standaardwaarde ligt. Daarnaast zullen regels over doelgroepenverordening en woningdifferentiatie (10 betaalbare koop categorie 2) worden opgenomen in het
14
Hoofdstuk 4
Voorbereiding en participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van het wijzigen van het omgevingsplan. Dit komt omdat een omgevingsplan niet alleen invloed heeft op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In dit hoofdstuk zal hier verder op worden ingegaan.
4.1
Participatie omgeving
Op dinsdag 16 april 2024 is een participatieavond gehouden voor omwonenden van het projectgebied. Hierbij is gesproken over het plan. Het volledige participatieverslag is bijgevoegd als Bijlage 4. Er zijn tijdens de avond vier punten naar voren gebracht. 1. Zorgen over verkeersveiligheid Rijksweg/Kerkstraat. Afgezien van de ontwikkeling in het projectgebied hebben omwonenden zorgen over deze t-splitsing. Het is onduidelijk welke inrit gebruikt moet worden en op welke plek men veilig de doorgaande weg op kan rijden. Verder is het bij het oprijden van de doorgaande weg slecht te zien of er fietsers de inrit passeren. Omwonenden vragen zich af of de gemeente hier in de toekomst nog iets aan gaat veranderen. Initiatiefnemer zal de zorg voorleggen aan de gemeente. 2. Levensloopbestendige woningen. De leden van de Dorpsraad en Informatiepunt Wonen vragen zich af of de woningen ook geschikt zijn voor levensloopbestendig wonen. Levensloopbestendige woningen vragen echter over het algemeen wat meer ruimte op de begane grond en minder ruimte op de 1e verdieping en een kleine perceel. De verkaveling zoals nu is uitgewerkt is hier minder voor geschikt. 3. Recht van overpad.
Aanwezigen attenderen erop dat op het pad behorende bij de woning aan de Rijksweg 294 wellicht een recht van overpad zit en vragen zich af of het pad als ontsluiting voor de toekomstige ontwikkeling zal worden gebruikt. Het pad maakt echter geen deel uit van het plan of de nieuwe ontsluiting. Wellicht zal moeten worden onderzocht of er mogelijkheden zijn om de inrit aan de noordzijde van het perceel te verbreden om een veiligere situatie te creëren. 4. Gestapelde woningbouw. Aanwezigen vragen zich af of er ook is gekeken naar gestapelde woningen met bijvoorbeeld een woning op de begane grond en een woning op de 1e verdieping. Hier is echter niet naar gekeken, gezien een kleinschalige opzet met tien grondgebonden woningen een beter passende invulling is voor de locatie. In het kader van de zorgen over de verkeersveiligheid is een kleine aanpassing doorgevoerd: de inrit naar de nieuwe woningen wordt verbreed. Met de bewoners van Rijksweg 292 zijn afspraken gemaakt over de ruil van gronden. Zij krijgen aan de achterzijde van hun perceel een strook grond erbij, terwijl de initiatiefnemer een strook grond ontvangt ter hoogte van de inrit. Hierdoor kan een bredere inrit worden gerealiseerd. Er zijn geen verdere punten naar voren gebracht die aanleiding geven om het plan aan te passen.
Bovendien is het verschil tussen acht en tien woningen in het projectgebied niet zodanig groot dat hiervoor opnieuw een participatieavond gehouden hoeft te worden. De woningen worden nog steeds op dezelfde locatie geprojecteerd.
15
Hoofdstuk 5
Beleid en regelgeving
5.1
Rijksbeleid en Rijksregels
5.1.1
Beleid: Nationale omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De NOVI is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan: periodes van droogte afgewisseld met extreme regenval; de zeespiegelstijging; de overgang naar duurzame energie; de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen; de bouw van nieuwe woningen om het nationale woningtekort op te lossen; de groei en het bereikbaar houden van steden; plekken voor distributiecentra; het versterken van de natuur en biodiversiteit; het behoud van het landschap; de vitaliteit van de landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen.
Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk dus een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken met als doel om het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Toetsing Ten aanzien van dit project wordt er ingespeeld op de opgave van het bouwen van nieuwe woningen om het nationale woningtekort op te lossen. Met de realisatie van het initiatief worden tien nieuwe woningen gerealiseerd, waarbij de doelgroep doorstromers op de woningmarkt bedraagt. Tevens wordt er, al zij het op micro-niveau, een bijdrage geleverd aan het sterker en leefbaarder maken van steden/dorpen en regio's. Met het initiatief wordt een verouderd en leegstand pand gesaneerd, waardoor de uitstraling ter plaatse wordt verbeterd. De woningen die op de locatie worden gebouwd dragen bij aan de behoefte aan en ondersteuning van het voorzieningenniveau in Gaanderen en omgeving. Met de ontwikkelingen binnen het projectgebied zijn geen overige nationale belangen gemoeid.
16
5.1.2
Beleid: Nationale woon- en bouwagenda
In de Nationale Woon- en Bouwagenda (vastgesteld 11 maart 2022) worden de oorzaken van de wooncrisis, de doelstellingen en de programmatische aanpak voor de komende jaren geschetst. Het doel van de Nationale Woon- en Bouwagenda is het bevorderen van de beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod in Nederland. De beschikbaarheid van een passende woning staat voor veel mensen onder druk: mensen zijn onvoldoende in staat om snel een woning te vinden die bij hen past. Dit hangt sterk samen met de betaalbaarheid van wonen: veel mensen hebben moeite met hun woonlasten of kunnen geen voor hen betaalbare woning vinden. Daarnaast is de kwaliteit in toenemende mate een probleem: veel woningen passen niet bij de levensfase of woonbehoefte, zijn niet duurzaam of staan in een wijk waar sprake is van slecht onderhoud of waar de kwaliteit van de leefomgeving onder druk staat. Het doel is om te groeien naar het realiseren van 100.000 woningen per jaar. Het lange termijn doel is om 900.000 woningen tot en met 2030 te realiseren. Van de nieuwe huur- en koopwoningen is het streven twee derde betaalbare woningen, waarvan de helft door corporaties wordt gebouwd. Om de al in gang gezette woningbouwprojecten geen vertraging te laten oplopen door nieuwe betaalbaarheidsvereisten, zal dit streven gelden voor nieuwe projecten.
De minister heeft in regionale woondeals met provincies en gemeenten de afspraken verder vastgelegd. Toetsing Met het plan is sprake van ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Er worden per saldo negen woningen in het projectgebied gerealiseerd. De extra woningen dragen, zij het beperkt, bij aan de ambitie om 100.000 nieuwe woningen per jaar te bouwen. 5.1.3
Regels: Instructieregels Rijk (AMvB's)
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's): 1. het Omgevingsbesluit (Ob); 2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); 4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels: De dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl); Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl); Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl); Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl); Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl); Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl); Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl); Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke
17
leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Toetsing Voor het plan zijn, anders dan de instructieregels die in deze motivering aan bod komen, geen specifieke instructieregels van toepassing. De mogelijke belemmeringen vanuit de instructieregels op het plan, worden in de verschillende milieu paragrafen in Hoofdstuk 6 afzonderlijk getoetst. Op basis van deze paragrafen wordt geconcludeerd dat de instructieregels geen belemmering op het plan vormen. 5.1.4
Conclusie rijksbeleid
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid en de regels van het Rijk.
5.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
5.2.1
Beleid: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. De visie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in Gelderland. De provincie streeft naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wil de provincie bereiken door de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Hiervoor zijn zeven ambities benoemd om richting te geven: Energietransitie; Klimaatadaptatie; Circulaire economie; Biodiversiteit; Bereikbaarheid; Vestigingsklimaat; Woon- en leefklimaat. Themakaarten Bij de visie is een aantal themakaarten aanwezig. Deze hebben betrekking op de volgende hoofdonderwerpen: ruimtelijk beleid; waterbeleid; milieubeleid; natuur- en landschapsbeleid. Daarmee is voor een aantal onderwerpen specifiek beleid vastgelegd. Op de themakaart milieubeleid staan geen aspecten die betrekking hebben op de gemeente Doetinchem. Uitvoering beleid In het kader van de uitvoering van de visie, zijn ook drie beleidsdocumenten vastgesteld: Regionaal waterprogramma; Handreiking plussenbeleid;
18
Beleidslijn windenergie. Toetsing Ten aanzien van dit project voorziet het initiatief in de sloop van een oude bedrijfswoning met aangebouwde dansschool en de realisatie van tien grondgebonden woningen. De nieuwe woningen worden duurzaam en gasloos uitgevoerd. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de energietransitie. Omdat de woningen doorstromers op de woningmarkt als doelgroep heeft, wordt er voldaan aan de vraag naar dit type woningen binnen de gemeente Doetinchem. De realisatie van de woningen draagt bij aan het verbeteren van de woon- en leefomgeving. Het huidige pand is sterk verouderd. De sloop en realisatie van de woningen draagt bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van het projectgebied en sluit de ontwikkeling aan bij de provinciale Omgevingsvisie. 5.2.2
Regels: Omgevingsverordening provincie Gelderland
De Omgevingsverordening is op 21 december 2022 door de Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en is in werking getreden na invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024. De meest actuele versie is van 25 april 2025. In de verordening staan alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening is onderdeel van de beleidscyclus van de provincie en één van de instrumenten waarmee wordt gewerkt aan de ambities uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Die beleidscyclus en daarmee ook de verordening is gericht op zowel het beschermen als het (duurzaam) benutten van de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Telkens wordt er gelet op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in een bepaald gebied binnen de provincie. Daarbij worden ook belangrijke waarden als het Gelders Natuurnetwerk en grondwaterbeschermingsgebieden voor de openbare drinkwatervoorziening beschermd. Voor de volgende onderwerpen gelden er provinciale instructieregels: Algemeen (afd. 5.1 Omgevingsverordening); Natuur (afd. 5.2 Omgevingsverordening); Landschap (afd. 5.3 Omgevingsverordening); Erfgoed (afd. 5.4 Omgevingsverordening); Milieu (afd. 5.5 Omgevingsverordening); Provinciale wegen (afd. 5.6 Omgevingsverordening); Ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking (afd. 5.7 Omgevingsverordening).
Ten aanzien van dit project zijn de regels ten aanzien van de onderwerpen 'woonlocaties' en 'klimaatadaptatie' relevant, welke beide vallen onder onder het onderwerp 'Ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking'. Hieronder volgt een nadere toelichting op deze onderwerpen. Paragraaf 5.7.1 'Woonlocaties en recreatiewoningen', doorwerking regionale woonagenda (art. 5.64) In de verordening wordt aangegeven dat een omgevingsplan alleen nieuwe woningen toe laat als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet past binnen de regionale woonagenda, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda die ontwikkeling toch toelaten als: de gemeentebesturen in de regio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen.
19
Paragraaf 5.7.6 'Klimaatadaptatie', instructieregel klimaatadaptatie (art. 5.85) De provinciale omgevingsverordening die op 2 januari 2024 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptatie (art. 5.85). Voor zover een motivering een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting bij de motivering een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Toetsing Ten aanzien van dit project zijn dus de regels ten aanzien van woonlocaties en klimaatadaptatie relevant. Omdat er tien woningen worden gerealiseerd, dient te worden voldaan aan artikel 5.64. Het initiatief past binnen de regionale woonagenda, zoals verder toegelicht zal worden in paragraaf 5.3. Ten aanzien van artikel 5.85 wordt verwezen naar paragraaf 6.9.4. Er hoeven geen specifieke maatregelen te worden getroffen.
De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de provinciale Omgevingsvisie en de regels op het gebied van 'woonlocaties' en 'klimaatadaptatie'. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het provinciaal beleid. 5.2.3
Conclusie provinciaal beleid en provinciale regels
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen, beleid en regels van de provincie Gelderland.
5.3
Regionaal beleid
5.3.1
Beleid: Regionale structuurvisie Achterhoek 2012
Op 26 april 2012 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 vastgesteld. Dit is een actualisatie van de Regionale structuurvisie uit 2004. Als basis voor ruimtelijk beleid is er een aantal speerpunten voor de regio benoemd. Dat zijn: omgaan met de krimp; externe relaties; veranderingen in het landelijk gebied; overstap naar duurzame energie.
20
Visiekaart Achterhoek
Huidige kwaliteit als basis voor de toekomst Bovenstaande kaart geeft de regionale structuren en kwaliteiten weer. Landschap: De verschillen in landschapstypen zijn een belangrijke identiteitsdrager van de Achterhoek. De Achterhoekse gemeenten willen die kenmerken en landschappelijke verschillen in de toekomst behouden, versterken of herstellen. Het gaat er daarbij niet om, om terug te keren naar het verleden, maar om het opdoen van inspiratie uit het verleden bij de toekomstige inpassing van nieuwe ontwikkelingen. De karakteristieken van deze landschapstypen bieden aanknopingspunten voor de inpassing van nieuwe ontwikkelingen. Het Achterhoekse landschap kan veel functies absorberen. De 'landschapstypekaart' (bijlage 5 van de structuurvisie) geeft het regionale kader weer. De aanbevelingen met betrekking tot lokale wijze van inpassing staan hier ook verder beschreven. Het projectgebied ligt in het landschapstype 'Stedenband Oude IJssel'. Dit is een verstedelijkte zone langs Oude IJssel, bestaande uit een kralensnoer van landelijke en stedelijke gebieden. Er is een sterke afwisseling tussen verschillende landelijke milieus door variatie in open en meer besloten gebieden, en in natuurlijke, agrarische en recreatieve gebieden. Er zijn scherpe overgangen tussen stedelijk en landelijk gebied.
Gezien het projectgebied binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd, zijn de uitgangspunten voor de gewenste landschappelijke ontwikkelingen niet van toepassing. Infrastructuur: Bereikbaarheid van en in de regio is van groot belang. De infrastructuur is derhalve wel functioneel van belang. Deze is voor de toekomst maar zeer beperkt ruimtelijk ordenend, niet meer dan het nu al is. De pijlen geven de verbindingen aan waar verbetering noodzakelijk-wenselijk is. Dorpenlandschap: Voorzieningen worden in een bepaalde mate geconcentreerd in bestaande grotere kernen, te weten Doetinchem, Winterswijk, Vorden, Hengelo, Borculo, Eibergen, Ruurlo, Neede, Lichtenvoorde, Groenlo, Aalten, Dinxperlo, Varsseveld, Gendringen, Steenderen, Wehl, Didam, 's-Heerenberg, Zelhem, Ulft /Gendringen en Silvolde/Gaanderen/Terborg. Dit betekent echter niet dat
21
overal hetzelfde voorzieningenniveau wordt nagestreefd. In eerste instantie bepalen lokale behoefte en initiatief het niveau van de voorzieningen. Regionaal wordt afstemming gezocht om overaanbod en/of concurrentie door nabijheid te voorkomen. Het uitkristalliseren van deze afstemming is nog in voorbereiding. Overige speerpunten, zoals duurzame energie, toerisme enzovoort: Deze speerpunten gelden regionaal en zijn in banners in de zijkant weergegeven. Er zijn geen specifieke locaties voor aangewezen. Wel wordt regionale afstemming nagestreefd. Toetsing De Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 gaat uit van krimp in de regio. Recenter onderzoek toont echter aan dat er wel een actuele vraag is naar meer woningen en dat er van krimp geen sprake meer is. Desalniettemin is dit beleidsstuk opgenomen, omdat deze onderdeel is van het geldende beleid. De ontwikkeling past wel binnen de regionale structuurvisie. Zo is er in onderhavig plan sprake van een plan wat bijdraagt aan vitale kernen en het toevoegen van kwaliteit in de regio. Door het realiseren van doorstroomwoningen, is het voor deze doelgroep mogelijk zich in de Achterhoek te vestigen of te blijven wonen. 5.3.2
Beleid: Regionale woonagenda 2023 - 2030
In februari/maart 2023 hebben de Achterhoekse gemeenten en de provincie een nieuwe Regionale Woonagenda 2023-2030 vastgesteld waarin langs 4 programmalijnen de woondoelen uit de Achterhoek Visie 2030 verder zijn uitgewerkt. In Doetinchem is deze agenda op 2 maart 2023 vastgesteld. Deze agenda bevat het volgende: De Achterhoek wil in 2 stappen 8.390 tot 11.500 nieuwe woningen toevoegen, waarvan 60% betaalbaar, inclusief 28% sociale huur. De Achterhoek investeert in de kwaliteit van de bestaande voorraad, onder andere door verbetering van 7.000 sociale huurwoningen en 24.000 particuliere woningen. De Achterhoek wil een plek zijn voor iedereen, voor starters, ouderen, werknemers en arbeidsmigranten en andere aandachtsgroepen. De Achterhoek wil dit realiseren via gebiedsgerichte integrale opgaven: 1. Vergroten differentiatie woningaanbod in vitale kernen en buurten 2. Vergroten aanbod van stedelijke woonmilieus 3. Goed en bereikbaar wonen rondom mobiliteits-knooppunten 4. Ruimte voor nieuwe woonconcepten in een toekomstbestendig landelijk gebied Toetsing Dit initiatief sluit aan op deze agenda, omdat met voorliggend initiatief tien doorstroomwoningen worden gerealiseerd. Alle woningen zullen vallen onder de noemer 'Betaalbare koopwoningen categorie 2', met een prijs tot € 355.000,-. Er is grote behoefte aan woningen in de regio. De ontwikkeling voorziet dan ook in deze behoefte.
Het initiatief draagt bij aan het vergroten van de woningvoorraad binnen de regio Achterhoek en is daarmee in overeenstemming met de Regionale woonagenda Achterhoek. 5.3.3
Conclusie regionaal beleid
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van de regio Achterhoek.
22
5.4
Beleid waterschap
5.4.1
Beleid: Waterbeheerprogramma 2022-2027
In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de doelen van waterschap Rijn en IJssel weergegeven in vier thema's: Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie van het waterschap is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarbij is er aandacht voor een duurzame wijze van beheer en behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil het waterschap in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin ze haar taken klimaatneutraal uitvoert. Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied.
Er wordt naar gestreefd dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. 5.4.2
Beleid: Overig relevant beleid waterschap
De weging van het waterbelang is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. Het heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De weging heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het projectgebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Met behulp van de weging van het waterbelang kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de weging van het waterbelang moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de weging van het waterbelang: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van het waterschap nodig. 2. Korte procedure: het plan past binnen de uitgangspunten van het waterschap. De initiatiefnemer of gemeente ontvangt van het waterschap een standaardwaterparagraaf, en werkt de voor het plan relevante wateraspecten uit. De waterparagraaf wordt vervolgens door het waterschap van een
23
wateradvies voorzien. 3. Normale procedure: er zijn grote of meerdere wateraspecten van belang. De initiatiefnemer overlegt met het waterschap om tot maatwerk te komen. De initiatiefnemer brengt opties in beeld en onderbouwt keuzes m.b.t. de waterhuishouding. In de toelichting op de omgevingsplanwijziging moet een stapsgewijze benadering van het huidige en toekomstige watersysteem worden opgenomen. Deze bestaat uit de volgende stappen: 4. Omschrijf het huidig watersysteem; 5. Omschrijf de visie op het watersysteem in het projectgebied. Houdt hierbij rekening klimaatontwikkeling en benut uitkomsten uit stresstesten voor wateroverlast, droogte, hitte en overstroming; 6. Omschrijf de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling op het watersysteem; 7. Omschrijf welke maatregelen worden genomen om met de gevolgen om te gaan. Hierbij geldt als uitgangspunt, dat de ontwikkeling waterneutraal en klimaatrobuust is. Om te weten of er een waterschapsbelang wordt geraakt, wordt de digitale watertoets ingevuld. Voor de uitwerking/resultaten van de watertoets wordt verwezen naar paragraaf 6.9.4. 5.4.3
Regels: Waterschapsverordening
De eerste versie van de Waterschapsverordening Rijn en IJssel ontstaat van rechtswege bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Die Waterschapsverordening bevat (op basis van artikel 22.14 van de Omgevingswet en artikel 4.7 van de Invoeringswet Omgevingswet): De regels die zijn opgenomen in de Keur Waterschap Rijn en IJssel 2009, met uitzondering van hoofdstuk 2 (over de onderhoudsplichten); De regels die zijn opgenomen in de Aansluitverordening Rijn en IJssel; De regels die zijn opgenomen in de Algemene regels, nadere regels en verplichtingen i.v.m. Keur Waterschap Rijn en IJssel 2009; Artikel 8 Verkeersbesluit Oude IJssel; De zones rond waterstaatswerken, die zijn opgenomen in de legger op grond van artikel 5.1 van de Waterwet; De zogeheten 'bruidsschat': voormalige rijksregels (met name over lozingsactiviteiten), die onder de Omgevingswet niet op rijksniveau terugkeren. De eerste wijziging van de Waterschapsverordening Rijn en IJssel heeft tot doel om de Waterschapsverordening die van rechtswege is ontstaan te integreren tot een goed geordende versie, die conform de toepasselijke standaarden is vormgegeven en van de benodigde annotaties en digitale werkingsgebieden is voorzien. Toetsing Het initiatief dient te voldoen aan de waterschapsverordening. Het initiatief raakt verder geen specifieke onderdelen van de verordening.
Nadere toetsing is om die reden dan ook niet noodzakelijk. 5.4.4
Conclusie beleid waterschap
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van het waterschap Rijn en IJssel. Voor de uitwerking/resultaten van de watertoets wordt verwezen naar paragraaf 6.9.4.
24
5.5
Gemeentelijk beleid
5.5.1
Beleid: Omgevingsvisie Doetinchem, kloppend hart van de Achterhoek
Op 30 november 2023 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Omgevingsvisie 'Doetinchem, kloppend hart van de Achterhoek' vastgesteld. Daarin is de ambitie voor Doetinchem 2036 verwoord. Er spelen grote vraagstukken op het gebied van wonen, werken, landelijk gebied en leefbaarheid. Daarover wordt geschreven in het nieuws, zowel landelijk, provinciaal als lokaal. Die vraagstukken spelen ook in Doetinchem. Daarom benoemt de gemeente opgaven die hoge prioriteit hebben en waar als eerste mee aan de slag gegaan wordt. Het gaat om de volgende opgaven: Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor Doetinchem woonstad en woondorpen richting 70.000 inwoners in 2036. Deze opgave is verwerkt in het opstellen van een woonvisie; Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor de spoorzone (omgeving rond station Doetinchem, eerder bekend onder de naam 'stationsgebied'); Het opstellen van een procesaanpak landelijk gebied voor de Slangenburg en omgeving en Gaanderen en omgeving; Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor een toekomstbestendig centrum. Deze vier opgaven vormen de kern van de visie op onze leefomgeving. Daarom is de visie op de leefomgeving opgebouwd aan de hand van de vier thema's: Woongemeente voor iedereen; Werkgemeente met ruimte voor talent en innovatie; Landelijk gebied in balans; Mensen en ontmoeten.
Toetsing Met de ontwikkeling wordt voorzien in de sloop van een oude bedrijfswoning en bedrijfspand, en de realisatie van tien woningen waarbij doorstromers op de woningmarkt de doelgroep zijn. Het woon- en leefklimaat van de omgeving wordt verbeterd, doordat de oude gebouwen worden gesloopt en het perceel in zijn geheel een kwaliteitsimpuls krijgt. De nieuw te bouwen woningen zorgen voor inbreiding en transformatie binnen het bestaand stedelijk gebied. Met de bouw van de woningen wordt voorzien in de actuele behoefte aan kwalitatief hoogwaardige woningen in de gemeente Doetinchem. 5.5.2
Beleid: Woonvisie Doetinchem 2023-2036'Stadse allure - dorpse gemoedelijkheid'
De Woonvisie Doetinchem 2023-2036 'Stadse allure - dorpse gemoedelijkheid' is op 20 april 2023 vastgesteld door de gemeenteraad. In de nieuwe woonvisie zijn de woningbouwstrategie voor nieuwbouwprojecten en de woonvisie voor het volkshuisvestingsbeleid samengevoegd. Ook is er samenhang met de regionale woonagenda. De hoofdpunten van de Woonvisie Doetinchem 2023-2036 zijn: Groeien in kwaliteit Doetinchem heeft de ambitie om te groeien naar 70.000 inwoners in 2036. Dit hoofdpunt is gekoppeld aan Programmalijn 1: Vergroten woningvoorraad en versnelling productie. Met deze programmalijn wordt ingegaan op de bouw van nieuwe woningen en de noodzaak om de plancapaciteit te vergroten en adaptief te programmeren. Deze groeiambitie is geen doel op zich, maar een middel om de centrumfunctie van Doetinchem met de daarbij behorende voorzieningen te kunnen behouden en om de omgevingskwaliteit te versterken.
25
Kwalitatief goed wonen Dit punt draait om de kwaliteit van de huidige woningvoorraad. Programmalijn 2: Investeren in de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad beschrijft hoe wordt gewerkt aan een toekomstbestendige woningvoorraad. Denk hierbij aan duurzaamheid, levensloopbestendige woningen maar ook aan transformatie van kantoren of winkels naar woningen. Een passende woning voor iedereen Doel is een compleet en divers woningaanbod waarbij het bevorderen van beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod centraal staat. Programmalijn 3: Doetinchem, een plek voor iedereen beschrijft hoe aan dit doel gewerkt wordt. Tot en met 2030 wil de gemeente minimaal 2.470 woningen toevoegen in de hele gemeente via het onderstaande programma. Dit gewenste programma is opgenomen in de regionale woonagenda en vastgelegd in de woondeal met de provincie en het rijk.
Totaal: minimaal 2.470 woningen, onderverdeeld in: 28% sociale huur tot € 808,06, eventueel te vervangen door goedkope koopwoningen tot € 225.000; 8% middenhuur tot € 1.000, eventueel te vervangen door betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000; 14% betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen tot € 1.000; 17% betaalbare koopwoningen (categorie 2) tot € 355.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen (tot € 1.000,00); 33% dure koopwoningen (boven € 355.000) of dure huur (boven € 1.000). Plannen van meer dan 20 woningen moeten in principe voldoen aan de gegeven verdeling over de segmenten van het gewenste programma, tenzij de ligging in een bepaalde wijk een andere verdeling rechtvaardigt. Plannen van minder dan 20 woningen die bijdragen aan het realiseren van het gewenste programma hebben een pré. Voor bestaande woningbouwprojecten geldt een overgangsperiode. Wonen als onderdeel van integrale gebiedsopgaven Wonen gaat ook over leefbaarheid, noaberschap en vitaliteit. Ook de inrichting van de buitenruimte is een belangrijk onderdeel. De woonomgeving draagt bij aan de gezondheid en het welbevinden van de inwoners.
Programmalijn 4: Wonen als integrale gebiedsopgave beschrijft hoe dit bereikt kan worden, onder andere door koppelkansen te benutten en via programmering te zorgen voor een beter mix aan woningen in de wijk. Overgangsperiode ontwikkelingen De verdeling van de nieuwe woningen volgens aangegeven programma bij punt 3 geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. In de woonvisie is daarvoor de volgende tekst opgenomen voor plannen die al in ontwikkeling waren: Het bovenstaande geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. We gaan in overleg met ontwikkelaars om het woningbouwprogramma meer in lijn te brengen met de woonvisie en meer betaalbare woningen toe te voegen. Door de gestegen bouwkosten, ontwikkelingen die al enige tijd in procedure zitten, reeds gemaakte afspraken en plankosten is dit niet altijd mogelijk.
26
Het ruimtelijk streefbeeld voor nieuwe woningbouwontwikkelingen Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair moet worden ingezet op inbreiding en transformatie. Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stads- en dorpsranden. Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit 5 speerpunten en 1 kaartbeeld. De vijf speerpunten zijn: 1. Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA; 2. Bouwen in en aan buurten; 3. Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes; 4. Waar nodig stadsranden en dorpsranden; 5. Woonmilieus voor ontwikkelingen.
Ruimtelijk streefbeeld Woonvisie gemeente Doetinchem
De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn. Toetsing Het initiatief voldoet aan de woonvisie gemeente Doetinchem 2023 - 2036. Alle woningen zullen vallen onder de noemer 'Betaalbare koopwoningen categorie 2', met een prijs tot € 355.000,-. Omdat het gaat om een initiatief van minder dan 20 woningen, hoeft er niet te worden voldaan aan de onderverdeling van type woningen. Desalniettemin zorgt het initiatief voor betaalbare koopwoningen waarmee doorstromers op de woningmarkt een mogelijkheid krijgen een woning te kopen in Gaanderen. Tevens worden de woningen binnen bestaand stedelijk milieu gerealiseerd, waarmee er sprake is van verdichting. Met de ontwikkeling wordt voorzien in de sloop van een oude bedrijfswoning en bedrijfspand, waarmee het projectgebied een kwaliteitsimpuls krijgt.
27
5.5.3
Regels: Doelgroepenverordening betaalbare woningen Doetinchem 2023
Op 30 november 2023 heeft de gemeenteraad, in navolging van de vaststelling van de woonvisie, van de gemeente Doetinchem, de doelgroepenverordening betaalbare woningen Doetinchem 2023 vastgesteld. In de betreffende verordening definieert de gemeente de doelgroep voor sociale huur en sociale/betaalbare koopwoningen. Daarnaast moet in deze verordening de instandhoudingstermijn voor deze woningen worden bepaald. Om de Doelgroepenverordening toe te passen moet dit in het betreffende wijzigingsplan vastgelegd worden. Alleen dan kan de Doelgroepenverordening worden toegepast. Het toepassen van de verordening is een keuze die afhankelijk van de afwegingen in elk omgevingsplan moet worden gemaakt. De doelgroepenverordening geeft aan voor welke doelgroep de te bouwen sociale huur- en betaalbare koopwoningen bedoeld zijn. De doelgroep wordt bepaald aan de hand van inkomensgrenzen. Ook regelt de verordening dat deze woningen gedurende een bepaalde periode beschikbaar moet blijven voor de daarvoor aangewezen doelgroep. Dit zijn de instandhoudingstermijnen. De aanleiding voor deze uitgangspunten en keuzes in de doelgroepenverordening worden gevormd door de Woonvisie gemeente Doetinchem 2023–2036 “Stadse allure – dorpse gemoedelijkheid”. Het bevorderen van het realiseren van woningen voor starters, senioren en mensen met een laag of middeninkomen is een belangrijk doel van het beleid.
Toetsing Met voorliggende ontwikkeling wordt rekening gehouden met de doelgroepenverordening. In de regels van het omgevingsplan wordt opgenomen welk percentage van de nieuw te realiseren woningen moeten worden gerealiseerd als betaalbare koopwoningen (categorie 2) in de zin van de 'doelgroepenverordening betaalbare woningen Doetinchem 2023' en voor welke doelgroep en voor welke termijn die woningen in stand moeten worden gehouden. Daarmee wordt invulling gegeven aan de doelgroepenverordening. 5.5.4
Maatschappelijke behoefte
Dit initiatief sluit aan op de woonvisie Doetinchem 2023-2036, omdat met voorliggend initiatief tien doorstroomwoningen worden gerealiseerd. Alle woningen zullen vallen onder de noemer 'Betaalbare koopwoningen categorie 2', met een prijs tot € 355.000,-. Er is grote behoefte aan woningen in de regio. De ontwikkeling voorziet dan ook in deze behoefte. Het initiatief draagt bij aan het vergroten van de woningvoorraad binnen gemeentegrenzen van de gemeente Doetinchem. De woningen die op de locatie worden gebouwd dragen tevens bij aan de behoefte aan en ondersteuning van het voorzieningenniveau in Gaanderen, Terborg en omgeving. Daarbij zorgen de woningen er ook voor dat de centrumfunctie van Doetinchem in de regio met de daarbij behorende voorzieningen kan worden behouden. 5.5.5
Conclusie gemeentelijk beleid
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem. De uitwerking gemeentelijk beleid klimaatadaptatie staat in 6.9.4.
5.6
Omgevingswaarden
De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk.
28
Hoofdstuk 6
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.
6.1
Geluid
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. 6.1.1
(Wettelijk) kader
De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; Het bevorderen van bronmaatregelen; Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. 6.1.2
Onderzoek
Door Buro Ontwerp & Omgeving is in april 2025 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5. Hieronder worden de belangrijkste resultaten van het onderzoek behandeld. Selectie van geluidsbronnen
29
De nieuwe woningen staan nabij diverse geluidsbronnen. Aan de hand van de zones rondom de diverse wegen, spoorwegen en gezoneerde bedrijventerreinen kan worden bepaald voor welke geluidsbronnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. In de omgeving van de nieuwe woningen bevinden zich wegen en een spoorlijn. Gezoneerde bedrijventerreinen zijn in de nabijheid van de nieuwe woningen niet aanwezig. De nieuwe woningen liggen buiten het geluidaandachtsgebied van de spoorlijn. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de spoorlijn echter wel meegenomen in het onderzoek. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk naar de geluidhinder afkomstig van de gemeentelijke wegen (Rijksweg en Kerkstraat) en de spoorlijn Winterswijk - Zevenaar - Arnhem. Resultaten De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de gemeentewegen, bedraagt 57 dB. Bij de nieuwe woningen wordt de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl overschreden, echter er wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 70 dB uit het Bkl. De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de spoorlijn, bedraagt 47 dB. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de standaardwaarde van 55 dB uit het Bkl. Eindconclusie Bkl Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de grenswaarde uit het Bkl. De streefwaarde wordt echter niet gehaald.
Omdat er geen geluidreducerende maatregelen mogelijk zijn, moet beoordeel worden of de optredende geluidbelastingen acceptabel zijn. De optredende cumulatieve geluidsbelastingen (LCUM) komen overeen met GES-score van matig. Daarmee zijn de cumulatieve geluidbelastingen acceptabel. De realisatie van de nieuwe woningen is daarmee mogelijk. Eindconclusie Bbl Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB gegarandeerd te worden. Volgens artikel 4.102 van het Bbl bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. De hoogste gezamenlijke geluidsbelasting bedraagt 57 dB. Om de binnenwaarde bij de woningen te halen, moet een minimale geluidsisolatie van (57-33=) 24 dB worden bereikt. Echter door de hogere eisen voor de thermische isolatie voor nieuwe woningen is ook de geluidsisolatie van nieuwe woningen verbeterd. Bij nieuwe woningen is een gevelisolatie van 24 dB zonder extra geluidsisolatie goed mogelijk, wanneer er is gekozen voor goed geluidsgeïsoleerde ventilatievoorzieningen. Naar verwachting wordt de binnenwaarde van 33 dB in de nieuwe woningen gehaald zonder dat er aanvullende geluidsisolerende maatregelen worden getroffen. 6.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied. Bij de aanvraag van een 'Omgevingsvergunning bouwen' (voormalige bouwvergunning) moet door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek worden aangetoond dat de binnenwaarde van 33 dB uit het Bbl wordt gehaald.
6.2
Luchtkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.
30
6.2.1
(Wettelijk) kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier berekend worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.
Ten slotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2
Onderzoek
Het voorgenomen initiatief voorziet in de sloop van een oude bedrijfswoning met aangebouwde dansschool en de realisatie van tien woningen in het projectgebied. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het projectgebied tussen 2023 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan