CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B10.00 Onderbouwing Kleefslagsestraat 1, Wehl

beeldvormende raad 14 oktober 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2026-1G19.406 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarover wordt geschreven in het nieuws, zowel landelijk, provinciaal als lokaal. Die vraagstukken spelen ook bij in Doetinchem. Daarom benoemt de gemeente opgaven die hoge prioriteit hebben en waar als eerst mee aan de slag gaan gegaan wordt. Het gaat om de volgende opgaven: • Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor Doetinchem woonstad en woondorpen richting 70.000 inwoners in 2036. Deze opgave is verwerkt in het opstellen van een woonvisie; • Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor de spoorzone (omgeving rond station Doetinchem, eerder bekend onder de naam ‘stationsgebied’); • Het opstellen van een procesaanpak landelijk gebied voor de Slangenburg en omgeving en Gaanderen en omgeving; • Het opstellen van een ontwikkelstrategie voor een toekomstbestendig centrum. 38 Deze vier opgaven vormen de kern van de visie op onze leefomgeving. Daarom is de visie op de leefomgeving opgebouwd aan de hand van de vier thema’s: • Woongemeente voor iedereen; • Werkgemeente met ruimte voor talent en innovatie; • Landelijk gebied in balans; • Mensen en ontmoeten. Ten aanzien van dit project geldt dat het project goed aansluit bij de doelstellingen van de Omgevingsvisie van de gemeente Doetinchem voor een gezond, veerkrachtig en evenwichtig landelijk gebied.

De sloop van de huidige varkenshouderij en de herbestemming van de locatie naar wonen draagt bij aan een verbetering van de omgevingskwaliteit door het verminderen van geur-, geluid- en milieudruk en het creëren van ruimte voor rust en natuur. De nieuwe woonfunctie wordt gezien als een passende invulling van het landelijk gebied, die de ruimtelijke kwaliteit en schaal van het landschap ten goede komt. De transformatie bevordert een duurzame ruimtelijke ontwikkeling door zorgvuldige landschappelijke inpassing, aandacht voor ecologische waarden en mogelijkheden voor natuurinclusieve maatregelen zoals groene bufferzones en biodiversiteitsversterking. Daarnaast ondersteunt het project de gemeentelijke doelen voor klimaatadaptatie en waterbeheer, onder meer door het tegengaan van droogte en het creëren van een groene woonomgeving. 5.5.2 Wonen landelijk gebied gemeente Doetinchem Sinds 2019 zijn binnen de regio Achterhoek de afspraken over het maximaal aantal nieuwe woningen vervangen door afspraken die gemeenten meer ruimte geven om nieuwe woningen toe te staan. Dit betekent ook dat er meer ruimte is dan voorheen om mee te kunnen werken aan nieuwe woningen in het landelijk gebied. Uitgangspunt is dat het toevoegen van een nieuwe woning in het landelijk gebied geen doel op zich is.

Het toevoegen van een nieuwe woning kan bij uitstek bijdragen aan het waarborgen en versterken van de sociale en fysieke kwaliteit van het landelijk gebie d. Zo biedt woningsplitsing bijvoorbeeld de mogelijkheid om een cultuurhistorisch waardevol of monumentaal pand te behouden, om met zorg en ondersteuning van (klein)kinderen in de eigen buurtgemeenschap te blijven wonen, om bedrijfsovername van ouder op kind mogelijk te maken en/of de mogelijkheid om de kwaliteit van het te splitsen pand, bijbehorend erf en landschap te verbeteren. Daarnaast kan de sloop van vrijgekomen (agrarische) bedrijfsbebouwing in ruil voor het terugbouwen van één of meerdere woningen ten behoeve van wonen bijdragen aan het verwijderen van asbest, het voorkomen van leegstand en verval/verpaupering en 39 bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van het erf en het landschap, waarmee het ook een maatschappelijk belang vervult. Deze benadering is de leidraad voor de voorwaarden die in de notitie zijn opgenomen om mee te werken aan nieuwe woningen in het landelijk gebied.

VOORWAARDEN FUNCTIEVERANDERING VOORMALIGE (AGRARISCHE) BEDRIJFSGEBOUWEN NAAR WONEN VOORWAARDEN TOETSING 1A Aangetoond is dat de te slopen opstallen legaal tot stand zijn gekomen en gedurende minimaal 3 jaar in gebruik zijn geweest ten dienste van de (agrarische) bedrijfsbestemming; De te slopen opstallen zijn legaal tot stand gekomen en zijn gedurende een langere periode in gebruik geweest ten dienste van de agrarische bedrijfsvoering. Het voormalige bedrijf beschikte over de vereiste milieu- en natuurvergunningen, die in het kader van deelname aan de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijen (LBV) inmiddels zijn ingetrokken. 1B Vaststaat dat de bedrijfsvoering is of wordt beëindigd. Dit betekent ook dat een verzoek om intrekken van een omgevingsvergunning activiteit milieu of melding Activiteitenbesluit milieu moet zijn ingediend uiterlijk binnen 1 maand na onherroepelijk worden van het ruimtelijk plan dat functieverandering mogelijk maakt. In het kader van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (LBV+) is een verzoek tot intrekking van de omgevingsvergunning milieu ingediend. Per brief van de Provincie Gelderland d.d. 15 mei is bevestigd dat wordt ingestemd met het volledig intrekken van deze vergunning.

1C De (agrarische) bestemming ter plaatse geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’, met dien verstande dat het (agrarisch) bouwvlak in elk geval is verwijderd; De agrarische activiteiten op het erf zijn beëindigd in het kader van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (LBV). De gronden krijgen een woonbestemming, waarbij het bestaande agrarische bouwvlak volledig is verwijderd. 1D Aangetoond is dat het realiseren van de woning(en) met bijbehorende bouwwerken niet leidt aantasting van de Gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bedrijven, Gronden en bouwwerken en dat een aanvaardbaar woon-en leefklimaat is gewaarborgd. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. De realisatie van de woning en de bijbehorende bouwwerken leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van omliggende bedrijven, gronden of bouwwerken. Ook is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Dit 40 blijkt uit de in paragraaf 6.1 (geluid) en paragraaf 6.3 (geur). 2 De behoefte aan de te realiseren woning(en) moet zijn aangetoond. Daarom moet een onderbouwd verzoek om medewerking gezamenlijk worden ingediend door de eigenaar van locatie en de potentiële koper(s) van de te realiseren woning(en) Niet van toepassing.

De beoogde woning betreft de nieuwbouw van een woning ter vervanging van de voormalige bedrijfswoning, die in het kader van de beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering zal worden gesloopt. De nieuwe woning is bestemd voor de huidige eigenaar van het perceel. 3 Voor het realiseren van de woning(en) wordt een termijn gesteld van maximaal 1 jaar. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. De initiatiefnemer is voornemens om zo spoedig mogelijk na vaststelling van het wijzigingsplan te starten met de bouw van de nieuwe woning. 4A Alle (agrarische) bedrijfsgebouwen moeten worden gesloopt met uitzondering van monumentale en/of gebouwen met een cultuurhistorische waarde. Deze kunnen worden ingezet als bijbehorend bouwwerk en/ of woning. De oppervlakte van de bebouwing wordt wel meegerekend met het totaal aantal te slopen bebouwing. Onder de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen valt ook het verwijderen van bouwwerken geen gebouwen zijnde (bijv. Mest-/sleuf- en voersilo’s, erfverharding/-afscheiding). Het aantal m2 dat aan bouwwerken geen gebouwen zijnde wordt verwijderd wordt niet meegerekend in de benodigde m2 sloop voor de realisatie van één of meerdere woningen; Alle agrarische bedrijfsgebouwen op het erf zijn inmiddels volledig gesloopt, met uitzondering van de voormalige bedrijfswoning, die eveneens zal worden verwijderd in het kader van de herontwikkeling.

In totaal is ongeveer 7.424 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. 4B In ruil voor de sloop van alle voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen kunnen maximaal vier zelfstandige woningen worden toegestaan verdeeld over maximaal twee woongebouwen (elk woongebouw maximaal 2 woningen) binnen de contouren van het voormalig (agrarisch) bouwvlak. Op basis van de sloop van alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen zou het beleidskader in beginsel de mogelijkheid bieden om een extra woning te realiseren. In overleg met de gemeente is echter gekozen voor de bouw van één vrijstaande woning met een maximale inhoud van ongeveer 750 m³ en een verruiming van de toegestane oppervlakte aan bijbehorende 41 bouwwerken in ruil voor deze compensatiewoning. 4C Met inachtneming van 4a, het maximaal aantal woningen zoals genoemd in 4b en het één-erfprincipe is hergebruik van monumentale en/of gebouwen met cultuurhistorische waarden als woning of bijgebouw mogelijk. Voor de maximale inhoud per woning/woongebouw geldt als maximum de bestaande inhoud Er is geen sprake van bebouwing met cultuurhistorische waarden en/of monumentale bebouwing. 4D De oppervlakte gesloopte bebouwing dat niet benodigd is voor de bouw van één of meerdere woningen, mag niet op een locatie elders worden ingezet. Voldoet. Er worden geen restant van sloopmeters in gezet voor ontwikkelingen elders.

5A Als om redenen de nieuwbouw van een woning niet kan plaatsvinden binnen de contouren van het voormalig (agrarisch) bouwvlak, dan kan realisatie van de woning: plaatsvinden op een perceel aansluitend op het voormalig (agrarisch) bouwvlak; Niet van toepassing. De nieuwbouw van de woning vindt plaats binnen het eigen perceel en binnen de contouren van het voormalig agrarisch bouwvlak. Verplaatsing of situering op een aangrenzend perceel is niet aan de orde. 5B Als om redenen de nieuwbouw van een woning niet kan plaatsvinden binnen de contouren van het voormalig (agrarisch) bouwvlak, dan kan realisatie van de woning: Plaatsvinden op een andere VAB-locatie als realisatie op een perceel aansluitend op het (agrarisch) bouwvlak ook niet kan plaatsvinden; Niet van toepassing. De nieuwbouw van de woning vindt plaats binnen het eigen perceel en binnen de contouren van het voormalig agrarisch bouwvlak. Verplaatsing of situering op een aangrenzend perceel is niet aan de orde. 6 De benodigde sloop voor de realisatie van het aantal gewenste woningen kan verdeeld over meerdere locaties plaatsvinden. Voor een slooplocatie geldt een sloopondergrens van minimaal 300 m2. De bouw van de woning(en) vindt plaats op één locatie Voor deze locatie geldt een sloopondergrens van 500 m2.

Als gebruik wordt gemaakt van meerdere locaties, dan wordt voor die locaties met één planologisch procedure Niet van toepassing. De benodigde sloop heeft volledig plaatsgevonden op het eigen perceel, waarbij ruimschoots is voldaan aan de vereiste sloopondergrens van 500 m² voor de bouwlocatie. 42 vastgelegd dat gesloopte bebouwing niet kan worden teruggebouwd. 7A Als op basis van een Rijks-of provinciale regeling een financiële vergoeding is of wordt toegekend voor het beëindigen van agrarische bedrijfsactiviteiten, dan moet worden aangetoond dat de realisatie van één of meerdere woningen noodzakelijk is om de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen te kunnen bekostigen. Initiatiefnemer ontvangt een financiële vergoeding voor het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten. De vergoeding wordt niet toegekend voor sloop- en herbouw van de bedrijfswoning. De bedrijfswoning maakt geen onderdeel uit van de grondslag voor de toegekende vergoeding. De grondslag ziet op de verwijdering van productiecapaciteit, zijn de bedrijfsgebouwen en overige bouwwerken. Het initiatief ziet daarmee niet op het toevoegen van woningen om de bedrijfsbeëindiging kostendekkend te maken.

7B Voor bedrijven die deelnemen aan een beëindigingsregeling vanwege de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden, hun bedrijfsvoering volledig beëindigen en alle bedrijfsbebouwing volledig verwijderen, kan op verzoek in afwijking van artikel 7a een bouwmogelijkheid voor één woning van maximaal 750 m3 worden toegekend. Mocht blijken dat de vergoeding vanuit deze Rijks- of provinciale regeling en deze toegekende bouwmogelijkheid niet voldoende is om de resterende kosten te dekken, dan kan één of meerdere aanvullende woningen daarvoor nog uitkomst bieden. De resterende, niet gecompenseerde kosten moeten met een financiële onderbouwing inzichtelijk worden gemaakt. Voor de kostendekkende woningen blijven de regels voor functieverandering overeenkomstig van toepassing. Initiatiefnemer heeft in eerste instantie verzocht om een in afwijking van artikel 7a de bouwmogelijkheid voor één woning op toe te kennen. Het betreft een bedrijf dat deelneemt aan de hiernaast genoemde Rijksregeling. Hierna heeft initiatiefnemer verzocht om de bouwmogelijkheid voor een extra woning om te zetten naar een bouwmogelijkheid voor een ruimere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij de te herbouwen woning. In overleg en na bestudering van de ruimtelijke impact die één extra woning op het erf gehad zou hebben, is de maximale oppervlakte aan bijgebouwen vastgesteld op 500 m2.

Initiatiefnemer maakt geen aanspraak op verdere bouwmogelijkheden voor kostendekking. 8 De te realiseren woning(en) moet(en) aardgasloos, levensloopbestendig, natuurinclusief en (bijna) energieneutraal Aan deze voorwaarde wordt voldaan. De nieuwe woning wordt aardgasloos, (bijna) energieneutraal en natuurinclusief gerealiseerd, volgens de eisen uit het 43 zijn gebouwd en in ieder geval voldoen aan het Bouwbesluit. Bouwbesluit en de actuele duurzaamheidsambities van de gemeente Doetinchem. 9 De herontwikkeling van het erf wordt benut om ook de bestaande woning te verduurzamen naar bij voorkeur minimaal energielabel B. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. In het kader van de herontwikkeling wordt de nieuwe woning verduurzaamd naar ten minste energielabel B. Hierbij worden isolerende maatregelen toegepast en energiezuinige installaties gerealiseerd. 10A Elke zelfstandige woning (bestaand en nieuw) heeft recht op maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken of maximaal 150 m2 als voldaan wordt aan de (landelijke) regels voor vergunningsvrij bouwen. Als monumentale bebouwing en/of met een cultuurhistorische waarde op het erf aanwezig zijn, dan moeten deze gebruikt worden als bijbehorende bouwwerken.

In het inrichtingsplan wordt uitgegaan van de maximale (vergunningsvrije) mogelijkheden aan bijbehorende bouwwerken In overleg met de gemeente is echter gekozen voor de bouw van één vrijstaande woning met een maximale inhoud van ongeveer 750 m³ en een maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken van 500 m². Hierin zijn de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen verdisconteerd. 10B Hergebruik van bestaande bebouwing als bijbehorende bouwwerken is mogelijk tot bij de woningen behorende maximum, mits passend in/bij het inrichtingsplan voor de gehele locatie. Niet van toepassing. 11 Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige ruimtelijke (landschappelijke en stedenbouwkundige) inpassing. Daarvoor moet een door de gemeente goedgekeurd (samenhangend) erfen landschappelijk inrichtingsplan worden opgesteld, welke voldoet aan bijlage 1, 2, 3 en 4. De landschappelijke inpassing moet gerealiseerd zijn binnen 1 jaar na ingebruikname van de nieuwe bestemming (Wonen) en dient vervolgens in stand te worden gehouden. Sloop op een andere locatie die onderdeel uitmaakt van het initiatief, mag niet leiden tot een Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Voor het erf is een erf- en landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de nieuwe bebouwing, erfstructuur en landschappelijke elementen op een zorgvuldige en samenhangende wijze zijn ingepast.

Een nadere toelichting op de landschappelijke inpassing is opgenomen in paragraaf 3.1 van deze toelichting. de nieuwe bebouwing wordt in het kader van de ruimtelijke bouwactiviteit getoetst door de Welstandscommissie. 44 substantiële afbreuk van de uitstraling op de omgeving. Bijlage 4 voor wat betreft het onderdeel ‘bebouwing’ maakt onderdeel uit van de welstandsnota en initiatieven worden daar door de Welstandscommissie aan getoetst 12 Als een woning op basis van functieverandering wordt/is gerealiseerd, dan komt deze niet aanmerking voor splitsing. Niet van toepassing. In het kader van dit initiatief wordt één nieuwe woning gerealiseerd ter vervanging van de voormalige bedrijfswoning. Er wordt geen woning gesplitsts. 5.5.3 Conclusie gemeentelijk beleid Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem. De uitwerking gemeentelijk beleid klimaatadaptatie staat in 6.10.4 5.6 Omgevingswaarden De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk. 45 6. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect. 6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. 6.1.1 (Wettelijk) kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven.

Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • Het bevorderen van bronmaatregelen; • Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; • Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. 46 Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden.

6.1.2 Onderzoek Als een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan moet worden gekeken of kan worden voldaan aan de normen die zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan. Geluidgevoelig gebouw Bij het initiatief worden geluidgevoelige gebouwen of functies opgericht. Het betreft herbouw van een bestaande woning. De positie van de nieuwe woning verschuift naar een grotere afstand vanaf de Kleefslagsestraat. Geluidsaandachtsgebied De locatie is in een aandachtsgebied voor wegen, spoorwegen en industrieterreinen gelegen. Gelet op de afstand van de nieuwe woning tot de weg is het aannemelijk dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning niet zal overschrijden. Het geluidgevoelig gebouw bevindt zich in de zone met de verwachte geluidsbelasting van 46-50 Db. Het voorgeschreven Lden niveau in artikel 5.78u en artikel 5.78t is 53 (standaardwaarde) en 70 (grenswaarde). Beide waarden worden niet overschreden ter plaatse van het geluidgevoelig gebouw. 47 Uitsnede kaart geluid wegverkeer Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM. Uitsnede tabel standaard- en grenswaarden Bkl. Bron: IPLO Daarnaast is de nieuwe woning bewust op grotere afstand van de weg gesitueerd dan de bestaande woning.

Door deze ruimere positionering neemt de invloed van wegverkeersgeluid af en wordt een beter woon- en leefklimaat gerealiseerd. Bedrijfs- en milieuzonering Met het project wordt een nieuwe burgerwoning opgericht, ter vervanging van de bestaande bedrijfswoning die behoort bij de beëindigde varkenshouderij. Het is daarom van belang om te kijken welke soort functies en activiteiten in de omgeving aanwezig zijn die mogelijk zouden kunnen worden beperkt door een nieuw of gewijzigd gevoelig gebouw. In de nabije omgeving van de locatie zijn de volgende

48 functies en/of bedrijven gelegen die beperkt zouden kunnen worden door een nieuw of gewijzigd gevoelig gebouw: Type functie/bedrijf Adres Afstand tot de locatie Agrarische functie met aanduiding niet- grondgebonden Monseigneur Hendriksenstraat 24 470 meter Agrarische functie met aanduiding niet- grondgebonden Monseigneur Hendriksenstraat 20/20a/20b 350 meter Niet- agrarisch bedrijf, metaalconstructiebedrijf Doesburgseweg 54b/ 54c 250 meter Zoals te zien in de voorgaande tabel is de locatie niet binnen een afstand van 200 meter van de functies en/of bedrijven in de nabije omgeving. Het is daarmee niet te verwachten dat ter plaatse van de locatie sprake zal zijn van een overschrijding van de maximale waarden voor geluid die ter plaatse van het gevoelig gebouw op de locatie mag worden ondervonden. Daarmee wordt op de locatie aan de normen voor geluid zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan voldaan en zullen geen van de functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. 6.1.3 Conclusie Ten aanzien van dit project wordt geconcludeerd dat de functiewijziging van intensieve veehouderij naar wonen geen geluidhinder veroorzaakt. Het nieuwe geluidgevoelige ligt buiten de geluidruimtezones van omliggende functies en bedrijven, waardoor de geluidsnormen uit het geldende omgevingsplan niet zullen worden overschreden.

Het project beperkt de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies ni et. De nieuwe woning wordt bewust op grotere afstand van de weg gesitueerd dan de voormalige bedrijfswoning, waardoor de geluidbelasting op de gevels verder afneemt. De geluidsbelasting voldoet aan de instructieregels van het Bkl. 6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 49 6.2.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats.

Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM - grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. 50 Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2 Onderzoek Luchtkwaliteit door activiteiten Gemeenten moeten voor een aantal activiteiten de zogenaamde rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten: ▪ die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking); of ▪ waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied. Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied. • De locatie is niet gelegen in een aandachtsgebied. Met het project wordt de herontwikkeling van een agrarisch erf met varkenshouderij naar een woonfunctie mogelijk gemaakt. De uitgevoerde activiteiten van het initiatief zijn aan te merken als een zogenaamde NIBM ontwikkeling, zoals weergegeven in onderstaand figuur, waarmee deze niet zullen leiden tot een verhoging van de concentraties in de buitenlucht. Daarnaast verbetert de luchtkwaliteit ten opzichte van de voormalige situatie, doordat de emissies uit de varkenshouderij volledig verdwijnen en het aantal verkeersbewegingen aanzienlijk afneemt. 51 NIBM berekening Bron: IPLO NIBM tool • Het project is NIBM ten aanzien van de gevolgen op luchtkwaliteit. Het heeft een afnemende invloed op de luchtkwaliteit ten opzichte van de huidige situatie. Luchtkwaliteit op de locatie Vanuit het geldende omgevingsplan geldt ter plaatse van de locatie dat de achtergrondconcentraties van fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NO2) op gevoelige gebouwen niet meer dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) bedragen.

Volgens gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de actuele concentraties zijn opgenomen, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden ter plaatse van de locatie 14,73 µg/m³ (fijnstof) en 8,02 µg/m³ (stikstofoxiden). Dit is in de volgende afbeeldingen weergegeven. Jaar van planrealisatie 2025 Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) 7,8 Aandeel vrachtverkeer 0,0% Maximale bijdrage extra verkeer NO2 in μg/m3 0,00 PM10 in μg/m3 0,00 1,2 Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2024 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

52 Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM10). Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM. Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden (NO2). Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM. Voor de kleinere fijnstof deeltjes (PM2,5) geldt echter een aangepaste norm dan voor de deeltjes met een grotere omvang (PM10). Voor de kleinere fijnstof deeltjes geldt een norm van 25 µg/m³. Het aandeel van kleinere fijnstof deeltjes (PM2,5) is meegenomen in de achtergrondconcentratie van fijnstof deeltjes met een grotere omvang (PM 10). De achtergrondconcentratie van de fijnstofdeeltjes PM 10 is al lager dan de norm voor fijnstofdeeltjes PM2,5, waarmee de achtergrondconcentratie van fijnstofdeeltjes PM 2,5 ook lager is dan de norm. Daarmee wordt ook voor de fijnstofdeeltjes PM 2,5 aan de norm voldaan. 6.2.3 Conclusie Ten aanzien van het project geldt dat deze niet in een aangewezen aandachtsgebied of in de buurt van een aangewezen aandachtsgebied gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een activiteit die kan leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnsto f en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden. De uitgevoerde activiteiten van het initiatief zijn aan te merken als een zogenaamde NIBM ontwikkeling, waarmee deze niet zullen leiden tot een verhoging van de concentraties in de buitenlucht.

53 Ten aanzien van het project geldt dat er sprake is van nieuwe gevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande gevoelige gebouwen. Echter kan ter plaatse aan de normen voor luchtkwaliteit worden voldaan, waarmee een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voldoende is afgewogen. 6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1 (Wettelijk) kader De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is.

6.3.2 Onderzoek De invloed van activiteiten uit het plan op de omgeving Met het project wordt de herontwikkeling van een agrarisch erf met varkenshouderij naar een woonfunctie mogelijk gemaakt. Een woonfunctie veroorzaakt geen geurhinder op geurgevoelige gebouwen. Het project zal daarmee niet leiden tot geurhinder aan geurgevoelige gebouwen in de omgeving. De invloed van activiteiten uit de omgeving op het plan In de omgeving van de locatie (binnen ongeveer 500 meter) zijn de volgende functies en/of bedrijven gelegen die beperkt zouden kunnen worden door een nieuw of gewijzigd gevoelig gebouw: Type functie/bedrijf Adres Afstand tot de locatie 54 Agrarische functie met aanduiding niet-grondgebonden Monseigneur Hendriksenstraat 24 470 meter Agrarische functie met aanduiding niet-grondgebonden Monseigneur Hendriksenstraat 20/20a/20b 350 meter Niet- agrarisch bedrijf, metaalconstructiebedrijf Doesburgseweg 54b/ 54c 250 meter Monseigneur Hendriksenstraat 20/20a/20b Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf betreft het agrarische bedrijf aan de Monseigneur Hendriksenstraat 20/20a/20b (rundvee en paarden). Dit betreft een diercategorie waarvoor vaste afstanden gelden. De afstand tussen de dichtstbijzijnde beoogde woning en het bouwvlak bedraagt ongeveer 350 meter. De locatie ligt buiten de bebouwde kom.

Aangezien de afstand ruim groter is dan de minimaal vereiste 50 meter voor locaties buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de afstandseis van artikel 22.101 Omgevingsplan gemeente Doetinchem. Monseigneur Hendriksenstraat 24 Op deze agrarische locatie is een gecombineerd melk- en pluimveebedrijf gevestigd. H Het pluimvee betreft een diercategorie waarvoor emissiefactoren zijn vastgesteld. Voor het melkvee gelden de vaste afstanden. De bestaande bedrijfswoning was reeds een geurgevoelig gebouw voor de exploitatie van de bedrijfsactiviteiten. De nieuwe woning komt 20 meter dichter bij het bouwvlak van de Monseigneur Hendriksenstraat te liggen. Op de locatie is een vergunning bij de ODA bekend voor het houden van 15.500 legkippen. Er is met het geurprogramma V-stacks een berekening gemaakt voor dit bedrijfsonderdeel. Daarbij is de volledige emissie gemodelleerd op de rand van het bouwvlak. De uitkomst is dat er sprake is op een goede milieukwaliteit. De berekening is bijgevoegd als bijlage bij deze onderbouwing. Er wordt voldaan aan artikel 22.101 en artikel 22.98 van het Omgevingsplan gemeente Doetinchem. 6.3.3 Conclusie Ten aanzien van het project geldt dat woonfunctie mogelijk wordt gemaakt, waarbij de huidige bedrijfswoning wordt vervangen door een nieuw te bouwen woning. Een woonfunctie veroorzaakt geen geurhinder op geurgevoelige gebouwen.

55 Bij het initiatief wordt een geurgevoelige gebouwen of functies opgericht. Het initiatief beperkt omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 6.4 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.4.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. 6.4.2 Onderzoek Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 56 Met het project is geen sprake van activiteiten die kunnen leiden tot een verontreiniging van de bodem en/of van het grondwater. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico’s voor het milieu en/of voor de gezondheid. Het project zal geen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de bodem en van het grondwater.

Met het project wordt de herontwikkeling van een agrarisch erf naar een mogelijk bodemgevoelige functie mogelijk gemaakt. Hierbij wordt de bestaande bedrijfswoning vervangen door een nieuw te bouwen woning. Het is daarom belangrijk na te gaan of de bodem en het grondwater ter plaatse mogelijk verontreinigd zijn. Om te beoordelen of ter plaatse van de locatie sprake is van een mogelijke verontreiniging van de bodem en/of van het grondwater is door een deskundige op het gebied van bodem een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen zorgwerkkende verontreinigingen in de bodem zijn aangetroffen. Het onderzoeksrapport is toegevoegd aan deze onderbouwing in de bijlagen. 6.4.3 Conclusie Voor het project is een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater op de locatie geschikt zijn voor de gewenste functies 6.5 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.5.1 (Wettelijk) kader In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet.

Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). 6.5.2 Onderzoek Parkeren 57 Bij nieuwe ontwikkelingen moet zoveel mogelijk worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Daarbij is het belangrijk dat wordt voldaan aan de parkeernormen uit het geldende omgevingsplan. Met het project wordt de herontwikkeling van een agrarisch erf met varkenshouderij naar woonfunctie mogelijk gemaakt. Dit is aan te merken als een woonfunctie (koophuis vrijstaand). De locatie is gelegen in een gebied dat is aan te merken als buitengebied. Voor een woning in het buitengebied met een matige stedelijkheidsgraad is een parkeernorm van 1,7 opgenomen. Voor een extensief bedrijf geldt een parkeernorm van 0,8 per 100 m² bvo. Zoals te zien is in onderstaand overzicht neemt, met het verdwijnen van het extensieve bedrijf het aantal parkeerplaatsen aanzienlijk af van 61 naar 1,7. In de nieuwe situatie zou er moeten worden voorzien in minimaal 1,7 parkeerplaats. Parkeercijfers Bron: CROW Verkeer Het project betreft de herontwikkeling van een voormalig agrarisch erf naar een woonlocatie met bijbehorende bijgebouwen. Door de beëindiging van de varkenshouderij vervalt het dagelijks vracht- en landbouwverkeer dat voorheen noodzakelijk was voor de bedrijfsvoering.

De nieuwe woonfunctie leidt slechts tot een beperkt aantal reguliere verkeersbewegingen passend bij normaal woongebruik. Voor een woning in het buitengebied met een matige stedelijkheidsgraad is een verkeersgeneratie van 7,8 opgenomen. Voor een extensief bedrijf geldt een verkeersgeneratie van 3,9 per 100 m² bvo. Zoals te zien is in onderstaand overzicht neemt, met het verdwijnen van het extensieve bedrijf het aantal verkeersbewegingen aanzienlijk af van 297,3 naar 7,8. Verkeersgeneratie # Soort object Ligging Stedelijkheidsgraad Parkeernorm 1 Koophuis, vrijstaand Buitengebied Matig stedelijk 1,7 2 Bedrijf bezoekersextensief Buitengebied Matig stedelijk 59,4 per 100m² bvo (totaal 7.424 m²) 61,1 # Soort object Ligging Stedelijkheidsgraad Parkeernorm 1 Koophuis, vrijstaand Buitengebied Matig stedelijk 1,7 1,7 Totaal aantal parkeerplaatsen: Totaal aantal parkeerplaatsen: Adres initiatief: # Soort object Ligging Stedelijkheidsgraad Verkeersgeneratie 1 Koophuis, vrijstaand Buitengebied Matig stedelijk 7,8 2 Bedrijf bezoekersextensief Buitengebied Matig stedelijk 289,5 per 100m² bvo (totaal 7.424 m²) 297,3 # Soort object Ligging Stedelijkheidsgraad Verkeersgeneratie 1 Koophuis, vrijstaand Buitengebied Matig stedelijk 7,8 7,8Totaal aantal verkeersgeneratie: Kleefslagsestraat 1 - Wehl Totaal aantal verkeersgeneratie: 58 Bron: CROW 6.5.3 Conclusie Parkeren Voor het project geldt dat

door de beëindiging van het varkensbedrijf het aantal benodigde parkeerplaatsen afneemt, en er in de nieuwe situatie minimaal 1,7 parkeerplaats benodigd is. Met het project is sprake van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Verkeersbewegingen Voor het project geldt dat er sprake is van een afname van het aantal verkeersbewegingen per dag van en naar de locatie. Het project zal niet leiden tot verkeershinder in de omgeving, maar eerder een positief effect hebben op het verkeer in de omgeving. 6.6 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.6.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven.

Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. 59 Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.6.2 Onderzoek Plaatsgebonden risico Met het project wordt de herontwikkeling van een agrarisch erf met varkenshouderij naar een woonfunctie mogelijk gemaakt. Een woonfunctie betreft geen activiteit die is opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet als risicovolle activiteit aan te merken. Het project zal voor wat betreft het plaatsgebonden risico daarmee niet leiden tot risico’s voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving. De locatie is niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico’s voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico.

De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen de PR10-6-contour van een risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. 60 Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving. Bron: RIVM. Groepsrisico Met het project wordt de herontwikkeling van een agrarisch erf mogelijk gemaakt. Een woonfunctie betreft geen activiteit die is opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet als risicovolle activiteit aan te merken. De locatie is niet binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico’s voor de veiligheid vanuit het groepsrisico. Het project zal voor wat betreft het groepsrisico daarmee niet leiden tot risico’s voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving. Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving. Bron: RIVM.

61 6.6.3 Conclusie Plaatsgebonden risico Voor het project geldt dat er geen sprake is van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er is daarmee geen sprake van risico’s voor de veiligheid aan de omgeving. De locatie is niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico’s voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Voor het project geldt dat er geen sprake is van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er is daarmee geen sprake van risico’s voor de veiligheid aan de omgeving. De locatie is niet binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico’s voor de veiligheid vanuit het groepsrisico 6.7 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.7.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.

Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.7.2 Onderzoek Natura2000-gebieden 62 Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000 -gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen. Activiteiten die de kwaliteit van de Habitats (leefgebieden) kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant. Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen worden genomen om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen.

Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen. Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een Natura 2000 -gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Rijntakken, is gelegen op een afstand van ongeveer 4,4 kilometer van de locatie. Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius Calculator.

63 Vanwege de grote afstand van de locatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 -gebied zullen de effecten van de eventuele uitstraling van geluid, licht en/of trillingen die de activiteiten op de locatie kunnen veroorzaken niet leiden tot nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden. Deze zullen vanwege de afstand in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. De depositie van stikstof op de betreffende gebieden kan echter ook op grotere afstand leiden tot nadelige effecten. Voor het project zijn met het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt om te bepalen of sprake is van een toename van de depositie van stikstof in de betreffende gebieden. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat geen sprake zal zijn van een toename van de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden. De volledige resultaten van de uitgevoerde berekeningen zijn opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing. Soortenbescherming In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor de bescherming van soorten flora en fauna. Vanuit deze regels moet de uitvoerder van een zogenaamde flora- en fauna activiteit controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn bij het uitvoeren van de activiteit. Het is daarbij van belang of sprake is van een zogenaamde flora- en fauna activiteit.

Een flora- en fauna activiteit is een activiteit die mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft. Concreet betekent dit dat voor iedere activiteit in de fysieke leefomgeving moet worden gecontroleerd of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit dan zijn. Deze controle moet plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd. Nadat deze controle heeft plaatsgevonden moet worden bepaald of nadelige effecten op deze mogelijk aanwezige soorten kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen voor planten en dieren te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen. Voor het project is een Ecologische Preventie Check uitgevoerd, waarin is onderzocht of er ter plaatse mogelijk soorten aanwezig zijn, welke soorten mogelijk aanwezig zijn en wat de eventuele effecten van het project op de (leefgebieden van de) over soorten zijn. Uit deze quickscan blijkt het volgende: ▪ De rondgang heeft geen zichtbare belemmeringen in en rondom de 5 varkensstallen opgeleverd, die een nader ecologisch onderzoek rechtvaardigen.

64 Het volledige onderzoeksrapport van de uitgevoerde Ecologische Preventie Check is opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing 6.7.3 Conclusie Voor het project geldt dat er geen sprake is van het uitvoeren van een Natura 2000 - activteit. Er zal daarmee geen sprake zijn van significant nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Daarnaast is er uit de Ecologische Preventie Check gebleken dat er geen belemmeringen zijn in en rondom de 5 varkensstallen opgeleverd, die een nader ecologisch onderzoek rechtvaardigen. 6.8 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.8.1 (Wettelijk) kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl).

Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.8.2 Onderzoek De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. 65 De planlocatie ligt niet binnen een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen of beschermde structuren. Op en rondom het erf bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten, karakteristieke bebouwing of andere cultuurhistorisch waardevolle objecten. Het initiatief heeft daarmee geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden in de omgeving. Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart. Bron: Provincie Gelderland Archeologie Op de planlocatie geldt de dubbelbestemming of aanduiding ‘Waarde – Archeologie 3’, zoals opgenomen in het geldende omgevingsplan (uitsnede opgenomen in hoofdstuk 3). De vrijstellingsgrens bepaald op 250 m2 én dieper dan 0,4 meter. Deze wordt niet overschreden met het voorgenomen bouwproject. Tevens is er vanwege de voormalige aanwezigheid van varkenstallen met een mestkelder reeds bodemverstoring aanwezig onder 0,4 meter onder maaiveld.

6.8.3 Conclusie Voor het project geldt dat deze niet is gelegen in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen. Er zijn geen gebouwen met monumentale waarden aanwezig op het erf. De vrijstellingsgrenzen voor het archeologisch onderzoek worden niet overschreden. Het project zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen. 6.9 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’.

66 6.9.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.

Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5). 6.9.2 Onderzoek energietransitie Het gebruik van fossiele brandstoffen betekent een eindige bron van energie. Daarnaast komt bij het gebruik ervan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen voor het klimaat vrij als broeikasgassen. Het is daarom van belang te zoeken naar meer duurzame en schone manieren voor het opwekken van energie. Vanuit Europese wetgeving wordt gestuurd op een energie neutrale samenleving, waarbij alle gebruikte energie op een duurzame en schone manier wordt opgewekt. 67 Dit betekent dat er op veel plekken nog een behoorlijke opgave ligt om dit te bereiken. Er is een geleidelijke overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie nodig, een zogenaamde energietransitie. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan. De gemeente Doetinchem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor energietransitie zijn opgenomen.

Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. 6.9.3 Onderzoek klimaatadaptatie en water In Nederland krijgen we steeds vaker te maken met zware buien, langdurige droogte en extreme hitte. Om ons tegen de gevolgen daarvan te beschermen, is het nodig dat we onze omgeving aanpassen. Dat betekent ook dat we anders moeten gaan bouwen. De Maatlat klimaatadaptieve groene gebouwde omgeving maakt duidelijk hoe klimaat adaptief bouwen en inrichten eruitziet. 68 Landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving Bron: Rijksoverheid Biodiversiteit en natuurinclusiviteit Het project voorziet in het slopen van bestaande agrarische bebouwing en het herinrichten van het erf met één nieuwe woning en bijgebouwen. Hierbij wordt ruimte gecreëerd voor groene structuren en erfbeplanting, waarbij streekeigen planten worden toegepast en groene zones rondom de woning worden versterkt.

Droogte Door sloop van verhard oppervlak en aanleg van groene en waterdoorlatende zones wordt infiltratie van regenwater bevorderd. Het ontwerp maakt gebruik van duurzame wateropslag en hergebruik van hemelwater waar mogelijk, waardoor kwetsbare functies worden beschermd tegen droogte. Bodemdaling Vooral in Groningen en in het westen op de klei- en veengebieden spelen menselijke activiteiten een rol bij bodemdaling. Bijvoorbeeld doordat mensen delfstoffen of grondwater winnen, of door drainage. Zoals te zien is op onderstaand kaartbeeld is er op de locatie sprake van een bodemdaling van 1 – 1.5 mm/y.

69 Uitsnede kaart ‘bodemdaling’ Bron: Atlas Leefomgeving Hitte Het ontwerp houdt rekening met passieve en actieve koeling door voldoende groene erfzones, schaduwplekken en verharding te beperken. De oriëntatie van gebouwen en aanplanting bevordert natuurlijke verkoeling en het verminderen van hittestress. Gevolgbeperking overstromingen Een groot deel van Nederland kan bij een overstroming onder water komen te staan. Maar in werkelijkheid zullen de dijken niet allemaal tegelijk doorbreken. De kans op een overstroming wordt groter door klimaatverandering. Rivieren hebben meer piekafvoer en de zeespiegel stijgt. Zoals te zien op onderstaand kaartbeeld is de kans op een overstroming op locatie 1/30 tot 1/300 per jaar.

70 Uitsnede kaart ‘kans op overstroming vanuit zee, meer of rivier Bron: Atlas Leefomgeving Wateroverlast Door het verminderen van verharding en het toepassen van waterdoorlatende materialen op het erf wordt waterinfiltratie bevorderd. Zoals in paragraaf 5.4.3 is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van het waterschap Rijn en IJssel. Voor de uitwerking/resultaten van de watertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.4.3. 6.9.4 Conclusie Energietransitie Voor het project geldt dat de nieuw te realiseren woning en bijbehorende bijgebouwen zullen voldoen aan de actuele energieprestatie-eisen zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het project draagt daarmee bij aan de doelstellingen voor de energietransitie en/of zal deze doelstellingen niet in de weg staan. Landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving Voor het project geldt dat het rekening houdt met relevante milieu- en klimaataspecten. Het betreft het slopen van bestaande agrarische bebouwing en het herinrichten van het erf met één nieuwe woning en bijgebouwen, waarbij ruimte wordt

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8370/documents/52968