CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B09.00 Onderbouwing Nieuwestraat 5, Wehl

beeldvormende raad 14 oktober 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2026-1G10.762 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

36 6.9 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.9.1 (Wettelijk) kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Het gemeentelijk beleid voor cultureel erfgoed in Doetinchem is vastgelegd in de Cultuurvisie Doetinchem 2024-2036 en de bijbehorende Uitvoeringsagenda Cultuur, die doelen en acties bevat voor de periode 2025-2027.

De gemeente streeft naar een rijke, vitale en toekomstbestendige culturele infrastructuur, waarin kunst en cultuur een centrale rol spelen, ook op het gebied van talentontwikkeling, innovatie en economie. 6.9.2 Onderzoek De projectlocatie heeft grotendeels de dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 6 (WR-A6), zie onderstaande afbeelding. Dit houdt in dag bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 5000 m2 en een bodemverstoring van dieper dan 0,3 meter een rapport overlegd moet worden waaruit blijkt dat archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgelegd. 37 Voor een kleiner deel van de projectlocatie geldt de dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 5 (WR-A5). Dit houdt in dag bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 1000 m2 en een bodemverstoring van dieper dan 0,3 meter een rapport overlegd moet worden waaruit blijkt dat archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgelegd. Figuur 7 aanduiding archeologische verwachtingsgebieden Voor een groot deel van het projectgebied heeft in mei 2012 een archeologisch bureau- en booronderzoek plaatsgevonden. In het hieronder met blauw omgeven plangebied zijn destijds geen archeologische resten aangetroffen.

Figuur 8 Archeologisch onderzocht terrein WR-A6 WR-A5 38 De te slopen gebouwen zijn relatief modern, en in elk geval niet van monumentale waarde. De herbouw van de berging vindt plaats op de plek waar gebouwen hebben gestaan, en de grond al in een vroeger stadium over vrijwel de gehele oppervlakte geroerd is geweest tot ruim een meter beneden maaiveld. Voor de nieuwe bebouwing, die minder dan 2000 m2 beslaat, is de aanlegdiepte ca 80 cm beneden maaiveld, dus in de reeds geroerde en in 2012 onderzochte grond. Een archeologisch onderzoek ten aanzien van cultureel erfgoed is derhalve niet aan de orde. De woning en voormalige schuur zijn in 2010 als cultuurhistorisch waardevol geïnventariseerd, maar zijn niet aangemerkt als beschermde objecten. De schuur is rond 2019 gesloopt en vervangen. Voor de woning geldt dat initiatiefnemer deze ook wil vervangen vanwege de erg slechte bouwkundige staat en de energetisch slechte score. De slechte bouwkundige staat werd in 2010 reeds opgetekend bij de inventarisatie. 6.9.3 Conclusie Ten aanzien van dit project speelt Cultureel erfgoed geen rol. 6.10 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen.

Gemeente Doetinchem refereert in haar beleid ten aanzien van duurzaamheid aan de definitie die de VN-commissie Brundtland in 1987 formuleerde : “een duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden, zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien, in gevaar te brengen.” Daarom wil de gemeente Doetinchem zorgen dat het leefklimaat in Doetinchem van hoge kwaliteit is.

39 In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’. 6.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Doetinchem staat aan de vooravond van een grote omslag in haar energiegebruik en – opwekking. We hebben de ambitie uitgesproken om in 2030 energieneutraal te zijn.

Waar we nu nog vooral gebruik maken van fossiele brandstoffen, maken we in 2030 alleen nog gebruik van duurzame energiebronnen zoals zon, wind en biomassa. Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. In 2050 wil gemeente Doetinchem helemaal circulair zijn. Dat betekent dat we dan bijna geen nieuwe grondstoffen meer nodig hebben. In 2030 willen we al 50% minder nieuwe materialen gebruiken. Samen met inwoners, ondernemers en andere lokale en regionale partners hebben we een Plan van Aanpak Circulaire Economie 2024-2030 gemaakt. 40 Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5). 6.10.2 Onderzoek energietransitie Voor de bouw van de nieuwe berging/ opslag zal de omgevingsvergunning aangevraagd worden, waarbij rekening wordt gehouden met duurzaamheidsaspecten. Er wordt gebruik gemaakt van geïsoleerde daken en wanden, zodat het verwarmen of koelen van de ruimte tot een minimum beperkt wordt.

6.10.3 Onderzoek circulariteit Het gebouw heeft geen functie als woon of kantoorgebouw, of daaraan verwant, dus is een onderzoek naar circulariteit niet relevant. Wel wordt het gebouw geheel als systeembouw opgericht. Mocht het gebouw ooit moeten verdwijnen of aangepast worden, dan zijn alle materialen herbruikbaar of recyclebaar. Het dak wordt geschikt gemaakt voor het leggen van zonnepanelen om in de energiebehoefte van het bedrijf te kunnen voorzien. 6.10.4 Onderzoek klimaatadaptatie en water Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit verhoogt het risico op wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress in dorpen, steden en in het landelijk gebied. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen. In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie hebben rijk, provincies, gemeenten en waterschappen als mijlpaal bepaald dat in 2050 sprake moet zijn van een klimaatbestendige inrichting van de omgeving. Hierin hebben overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners ieder hun eigen verantwoordelijkheid.

Voor een goede klimaatadaptieve omgeving is onderstaande overzichtstabel opgesteld: 41 Figuur 9 overzichtstabel klimaatadaptieve omgeving Provincie Gelderland, en ook gemeente Doetinchem heeft de ambitie om in 2050 klimaatbestendig te zijn, door goed voorbereid en toegerust te zijn op de gevolgen van klimaatverandering: Wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. Deze aspecten worden ook genoemd in de klimaateffectatlas van de gemeente Doetinchem. De atlas toont de gevolgen van klimaatverandering voor de gemeente, en laat voor de projectlocatie met name effecten zien als gevolg van wateroverlast en hitte. Het project omvat de sloop van een grote varkenshouderij en de herbouw van een loods met een gereduceerde oppervlakte. Deze omschakeling past ook al binnen het huidige omgevingsplan. De hoeveelheid hemelwater die in de nieuwe situatie geborgen en afgevoerd moet worden daalt hierdoor, hetgeen positief is in relatie tot het beleid van het waterschap (zie ook paragraaf 6.10.4. Gelet de lage grondwaterstand in dit gebied zal het hemelwater op maaiveldhoogte geloosd worden en infiltreren in de bodem op eigen terrein. De voorgenomen wijziging (geen landbouwhuisdieren meer kunnen houden) heeft geen directe invloed op de waterhuishouding.

42 Wateroverlast en schade aan gebouwen bij hevige regen wordt op de projectlocatie voorkomen door het peil van de gebouwen ruim boven het omliggende maaiveld aan te leggen. De activiteiten op de locatie; het stallen van werktuigen en het opslaan van akker- en weidebouwproducten kenmerken zich door een zeer beperkte waterbehoefte. Er zal geen sprake zijn van invloed van wateroverlast, droogte en / of overstroming. Hoge temperaturen zijn niet van invloed op het gebruik van het gebouw door het gebruik van geïsoleerde daken en wanden. Door meer groen op het erf te maken wordt de buitenruimte gekoeld, hetgeen positief is voor het beperken van de hitte. De donkerrode plek waarmee de locatie nu wordt aangemerkt in de Klimaatatlas van Doetinchem zal door de wijziging van de bedrijfssituatie verdwijnen. 6.10.5 Conclusie Ten aanzien van het aspect duurzaamheid wordt er in het project goed ingespeeld op de eisen van de tijd en de komende tijd. 6.11 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.

Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.11.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: 43 • Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project- m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of; • Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.- (beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.

6.11.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling is niet te categoriseren als een activiteit als genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit waarvoor een mer(-beoordeling) benodigd is. 6.11.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potenti ële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. 6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het project wordt niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Derhalve is de ladder niet van toepassing. 6.13 Milieubelastende activiteiten 44 Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: • Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja; • Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; • Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.

6.13.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld.

6.13.2 Onderzoek Voor de beoogde activiteiten zal in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) de volgende mba gemeld worden bij de gemeente Doetinchem: - informatie over het telen van gewassen in de openlucht, § 3.6.3, artikel 3.208 Bal; 45 Omdat de activiteiten een voorzetting van de bestaande situatie inhouden, is te verwachten dat de melding zonder opmerkingen geaccepteerd wordt. 6.13.3 Conclusie Voor de beoogde ontwikkelingen zijn de milieubelastende activiteiten geen beperking voor het wijzigen van het omgevingsplan. 6.14 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); • Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 6.14.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet.

De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. 6.14.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in het voorgoed beëindigen van een varkenshouderij en het voorzetten van een akker- en weidebouwbedrijf. Door deze ontwikkeling zal de kwaliteit van de leefomgeving (geur, ammoniak, fijnstof) verbeteren. De woning is een bestaande woning, en er zijn geen nieuwe gevoelige functies voorzien. Het aspect spuitzones speelt in deze situatie derhalve geen rol. 46 6.14.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft positieve effecten op de leefomgeving, en dus positief voor de wijziging van het omgevingsplan. 7. Beperkingengebieden Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. 7.1 Onderzoek In de directe omgeving van de projectlocatie bevinden zich geen beperkingengebieden.

Het plan ligt wel in een aandachtsgebied van de A18. Aangezien er verder geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties worden toegevoegd, heeft dit verder geen impact. 7.2 Conclusie Het project wordt niet belemmerd omdat er geen beperkingengebieden in de omgeving aanwezig zijn, en het plan geen impact heeft op het aandachtsgebied van de A18. 47 8. Uitvoerbaarheid 8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.1.1 Financieel economische haalbaarheid De economische haalbaarheid is geen item voor de gemeente. De gehele exploitatie van het project komt voor rekening van initiatiefnemer. 8.1.2 Kostenverhaal De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van en voor rekening en risico van initiatiefnemers. Het initiatief wordt gerealiseerd op het eigen perceel van de initiatiefnemers, dat zij in eigendom hebben. Er is geen sprake van kosten die voor verhaal in aanmerking komen, anders dan de kosten in verband met nadeelcompensatie (zie hierna onder 8.1.2). Het verplichte kostenverhaal wordt verzekerd met een verhaalsovereenkomst nadeelcompensatie. De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond.

8.1.3 Nadeelcompensatie In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden. Naar verwachting van initiatiefnemer zal geen sprake zal zijn van voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie. Ondanks deze verwachting heeft de gemeente met initiatiefnemer een verhaalsovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3c Ow gesloten ter zake van een mogelijke nadeelcompensatie die voor vergoeding in aanmerking komt. Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd. 48 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.2.1 Participatie De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling.

Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8370/documents/53120