CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

6.2 Laborijn, 02-02-2026, Kadernota 2027-2030.pdf

gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 6: Ingekomen brieven19.045 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Denk hierbij aan ontwikkelingen – die ook kosten met zich meebrengen zoals de P-wet in balans, de toenemende relevantie van het maatschappelijke thema ‘veiligheid’ met de beveiligingsmaatregelen die dit vraagt, de invloed van AI waarbij we ervoor hebben te zorgen dat we veilig blijven werken én de voordelen van de nieuwe technieken benutten, de toenemende verantwoordingsdruk waardoor databeheer en -gebruik moet worden geborgd en toenemende vereisten vanuit wet- en regelgeving, zoals NIS en BIO2 voor informatieveiligheid en de archiefwet. Het is van belang dat – naast de trap op trap af systematiek op basis van de klantaantallen (zie H4) - ook de bedrijfsvoering continu meebeweegt met (inhoudelijke en maatschappelijke) ontwikkelingen en veranderingen voor en in de aard en de omvang van de opdracht. Zodanig dat (de omvang van) de bedrijfsvoering passend blijft bij de opgave waar we als organisatie voor staan opgesteld. Dit onder andere ook vanuit de verantwoordelijkheid van goed werkgeverschap en goed partnerschap. De afgelopen jaren hebben we als gevolg van de financiële situatie van de gemeenten, met “het ravijnjaar” in aantocht en de noodzakelijke besparingsmaatregelen die daarvoor zelfs aan de kant van de dienstverlening nodig waren en zijn doorgevoerd, de keuze gemaakt om (de omvang van) de bedrijfsvoering niet mee te laten groeien met de ontwikkelingen.

Dit heeft een extra versterkend effect op de (inmiddels bovenmatige) druk op de organisatie veroorzaakt. De hierboven genoemde voorbeelden illustreren dat het wel degelijk nodig is 20

om de bedrijfsvoering mee te laten groeien met de dagelijkse werkelijkheid, zowel qua personele inzet (loonkosten) als de budgetten van het programma overhead. Kaderstellend (nr.17): bij nieuwe ontwikkelingen en nieuwe dienstverlening brengen we de bedrijfsvoering in lijn met de business case, zodanig dat (de omvang van) de bedrijfsvoering passend blijft bij de aard en omvang van de opgave, vanuit onder andere goed werkgeverschap en goed partnerschap. Indien het effect op gemeenteniveau onvoldoende aansluit bij de wens tot beheersing van de kosten, worden keuzescenario’s voorgelegd. Afwegingskader voor nieuwe dienstverleningsverzoeken In het proces om te komen tot de vorige kadernota is geconcludeerd dat het wenselijk is om met elkaar te komen tot een afwegingskader voor het kunnen beoordelen van nieuwe verzoeken tot het leveren van dienstverlening. Nieuwe dienstverleningsverzoeken dienen immers een bijdrage te leveren aan Laborijn, waarbij de dienstverlening aan de deelnemende gemeenten prioriteit heeft en niet in het gedrang mag komen. Met de 3 huidige GR-gemeenten zijn we het unaniem met elkaar eens over dat het van belang is dat we gezamenlijk een gedeelde visie met elkaar hebben én houden waarin de kernbegrippen ‘de inwoner centraal’ en ‘integraliteit’ expliciet centraal staan. We willen de krachtige identiteit en positie van Laborijn behouden.

Om dit te bereiken, is een richtinggevend inhoudelijk afwegingskader opgesteld, zowel voor DVO-dienstverlening als voor toetreding tot de GR Laborijn. Toekomstige dienstverleningsverzoeken worden aan dit kader getoetst. Kaderstellend (nr.18): verzoeken voor dienstverlening worden getoetst aan ons richtinggevend inhoudelijk ‘afwegingskader voor nieuwe dienstverleningsverzoeken’. De dienstverlening aan de deelnemende gemeenten heeft daarbij prioriteit en mag niet in het gedrang komen. Dilemma’s en keuzes m.b.t. trends en ontwikkelingen t.a.v. migratie en inburgering Zoals in het eerste hoofdstuk is beschreven, vinden er op het gebied van migratie en inburgering landelijk diverse (mogelijke) ontwikkelingen plaats. De aangekondigde plannen gaan in meer of mindere mate effect hebben op onder andere de instroom en omvang van de inwoners met een inburgerverplichting in onze dienstverlening. Met het instrumentarium dat Laborijn heeft ontwikkeld voor de uitvoering van de Wet Inburgering 2021 hebben wij een goed werkend antwoord op mogelijke ontwikkelingen in instroom en volume van inwoners met een inburgerverplichting. De inburgermodules zijn flexibel in te zetten, in frequentie en omvang op- en af te schalen en op inhoud aan te passen aan een wijzigende ondersteuningsvraag.

Voor Laborijn brengen het (landelijke) politieke klimaat en de aangekondigde wetsvoorstellen onzekerheid over waar het naartoe gaat binnen migratie en inburgering en welke (mogelijke) impact dit voor Laborijn heeft of kan gaan hebben. Het risico zit vooral op het aantrekken (en afstoten) van personeel als gevolg van volumeveranderingen. Laborijn ziet hier een eenvoudig te beheersen risico door het werken met een flexibele schil in combinatie met het zorgen voor brede(re) inzetbaarheid van personeel. Tevens hanteren we bij dienstverlening voor andere niet-GR-partijen een risico-opslag. Kaderstellend (nr.19): in regionaal overleg blijven alle colleges t.a.v. migratie en inburgering bij het standpunt van het doorgaan met de plannen en aantallen van de Provincie Gelderland. Dit betekent voor Laborijn dat we op inhoud vol met deze ambitie doorgaan. Van belang is wel om wendbaar en flexibel te blijven om zodoende goed om te kunnen gaan met (volume)veranderingen.

21

4.

De taak, opdracht en pijlers van Laborijn

In dit inhoudelijke hoofdstuk nemen we u mee in de (overige) inhoud van de taak en opdracht van Laborijn. We behandelen achtereenvolgens de verschillende pijlers (in de begroting ook wel programma's genoemd): mensontwikkeling, inkomenszekerheid, inburgering en de Wsw. We geven per pijler de inhoudelijke kaderstellende items aan die in de eerdere hoofdstukken nog niet zijn geraakt. Ook is er aandacht voor de kaders ten aanzien van de overhead die voor de begroting relevant zijn. 4.1 Mensontwikkeling In deze paragraaf beschrijven wij ten aanzien van de pijler Mensontwikkeling de kader stellende items, die bepalend zijn voor het opstellen van de ontwerpbegroting 2027 en meerjarenraming 2028 – 2030. Faciliteren van ontwikkeling staat centraal Onze professionals leveren dagelijks een bijdrage om inwoners mee te laten doen op de voor hen best passende plek in de maatschappij. Wij helpen de inwoner aan betaald werk en als dat (nog) niet lukt bieden we ondersteuning bij het participeren in de samenleving. We zetten hierbij vooral in op het faciliteren van de ontwikkeling van onze inwoners. Kaderstellend (nr.20): alle inwoners met een Participatiewet-uitkering zijn in beeld. Daarbij hebben alle inwoners met ontwikkelpotentieel een actief traject en aanbod om ontwikkeling mogelijk te maken.

Met de overige inwoners is er één keer per jaar een contactmoment, gericht op de leefgebieden en ondersteuningsvragen, met nadruk op doorverwijzing en samenwerking met ketenpartners. Indien blijkt dat inwoners re-integratiestappen kunnen maken, krijgen zij alsnog een actief traject gericht op ontwikkeling aangeboden. Doorlopende ontwikkellijn “van Zorg naar Werk” Om alle inwoners te kunnen bedienen op basis van zowel hun ondersteuningsbehoefte als ontwikkelpotentieel is het van belang om breder te kunnen kijken dan alleen de eigen organisatie, en juist verbinding te zoeken met de verschillende partners die hier een rol in spelen vanuit de verschillende disciplines en specialisaties. Naast de ontschotting van de dienstverlening vraagt dit ook om een ontschotting van budgetten. Deze visie vertaalt zich in de pilot "van Zorg naar Werk", waarmee we (in eerste instantie) vanuit het ‘Plan Beschut werk’ hier op het snijvlak van onderwijs, zorg en arbeid, verder vorm en inhoud aan gaan geven voor specifiek de doelgroep jongeren, met mogelijk een verbreding met andere doelgroepen op de langere termijn.

Het doel daarbij is dat inwoners worden ingezet op de voor hen best passende plek en dat de ontschotting van zowel de dienstverlening als budgetten vervolgens ook gaat leiden tot een hoger maatschappelijk rendement en daarmee ook meer opbrengsten en/of besparingen binnen andere delen van het sociaal domein. Kaderstellend (nr.21): voor Laborijn zijn het ontwikkelen van onbenut arbeidspotentieel en het faciliteren van ontwikkeling van inwoners met een Participatiewet-uitkering door middel van een doorlopende ontwikkellijn belangrijke instrumenten om inwoners te brengen naar de voor hen best passende plek in de maatschappij. De Participatieladder De Participatieladder is een landelijke methode waarmee zowel de individuele ontwikkelfase van de inwoner als de afstand tot betaald werk / intensieve begeleidingsbehoefte inzichtelijk wordt gemaakt. Met het gebruik van de Participatieladder ontstaat inzicht in (de ontwikkeling van) het inwonersbestand van Laborijn, waarbij niet iedere stap in ontwikkeling die wordt gezet direct leidt tot zichtbare stappen op de Participatieladder. Ook blijvend binnen een trede van de ladder kan sprake zijn van ontwikkeling. De Participatieladder bevordert de 22

integrale samenwerking van professionals vanuit de verschillende samenwerkingspartijen in het sociaal domein doordat de ladder voorziet in een ‘eenheid in taal’.

Het methodisch werken en de Participatieladder biedt inzicht in de behoefte van inwoners voor wat betreft het benodigde aanbod en levert ons tevens waardevolle informatie op voor een gewenste bijstelling of ontwikkeling van (nieuw) instrumentarium. Kaderstellend (nr.22): we maken de ontwikkeling van inwoners met een Participatiewetuitkering inzichtelijk, onder andere door het gebruik van de Participatieladder. Jobcoaching voor inwoners met een doelgroepindicatie Het is van belang om balans te vinden tussen de begeleidingsbehoefte van een inwoner en de intensiteit en duur van de inzet van deze (tijdelijke) begeleiding in de vorm van jobcoaching. Dit met als doel om de inwoner duurzaam en zo zelfstandig mogelijk te kunnen laten werken bij een reguliere werkgever. Hierbij bieden wij maatwerk passend bij de specifieke behoeften van de betreffende inwoner en werkgever. Kaderstellend (nr.23): het doel is om inwoners met een doelgroepindicatie duurzaam te laten werken bij reguliere werkgevers. Jobcoaching is hierbij een belangrijk instrument. Bij onze inzet van jobcoaching leveren we maatwerk en kijken we per inwoner wat er nodig is. Onze inzet met (tijdelijke) jobcoaching is gericht op inwoners zo zelfstandig en duurzaam mogelijk aan het werk te helpen en houden.

Daarnaast is onze inzet gericht op het faciliteren van werkgevers om op de langere termijn de benodigde begeleiding zelf te kunnen bieden. Werkgeversdienstverlening en -benadering Het aantal Wsw-medewerkers dat extern gedetacheerd is of middels begeleid werken werkzaamheden verricht bij reguliere werkgevers neemt de komende jaren gestaag af. Daartegenover staat dat het aantal inwoners met een arbeidsbeperking / intensieve begeleidingsbehoefte - en juist graag wil toetreden tot de arbeidsmarkt - de komende jaren steeds verder zal groeien. Zij maken sinds het stopzetten van de instroom in de Wsw gebruik van andere regelingen en een deel is ook niet altijd in beeld voor de stap naar zo regulier mogelijk werk. Onze werkgeversdienstverlening en -benadering als partner van het Werkcentrum Achterhoek (voorheen: het WerkgeversServicepunt Achterhoek) is er dan ook op gericht om werkgevers te (blijven) stimuleren om invulling te (blijven) geven aan inclusief werkgeverschap en hen te adviseren en ondersteunen bij het realiseren van deze belangrijke maatschappelijke werkgeversopgave. Denk hierbij aan jobcarving, functiecreatie, loonwaardemeting, jobcoaching en HR-expertises zoals verzuim, Arbo en strategische personeelsplanning. 23

Daarbij hebben wij zelf proactief aandacht voor de eigen strategische personeelsplanning ten aanzien van de Wsw-dienstverbanden, zodat we tijdig anticiperen op de aanstaande uitstroom van Wsw-collega's en de voor de brede doelgroep geschikte werkplekken op de reguliere arbeidsmarkt niet verloren laten gaan, maar voor de nieuwe doelgroepen behouden blijven. Kaderstellend (nr.24): als partner van het Werkcentrum Achterhoek blijven wij investeren in het stimuleren van werkgevers om invulling te (blijven) geven aan inclusief werkgeverschap en adviseren en ondersteunen hen bij het realiseren van deze belangrijke maatschappelijke werkgeversopgave. Hierbij streven we ernaar dat de huidige werkplekken op de reguliere arbeidsmarkt die geschikt zijn voor de brede doelgroep niet verloren gaan, maar voor de nieuwe doelgroepen behouden blijven. DGI-werkwijze ingebed in de reguliere dienstverlening De DGI-pilot/werkwijze heeft in de voorgaande jaren al aangetoond dat het bieden van een (tijdelijk) dienstverband bij ons werkontwikkelbedrijf een effectief instrument kan zijn om inwoners met een doelgroepindicatie te laten landen op de voor hen best passende plek. Het dienstverband is een waardevolle aanvulling op de al bestaande ontwikkel- en re-integratie instrumenten. Dit blijkt niet alleen succesvol voor inwoners met een bijstandsuitkering.

Ook voor (jonge) inwoners die (nog) geen bijstandsondersteuning ontvangen en van school komen met weinig concreet perspectief op een duurzaam betaalde baan en inkomensafhankelijk zijn (van hun ouders). Voor deze VSO/PRO-jongeren biedt het arbeidscontract de mogelijkheid voor een naadloze overgang vanuit school direct naar een zelfstandig en inkomensonafhankelijk perspectief. Daarom is deze aanpak en werkwijze, van een tijdelijk arbeidscontract voor de duur van maximaal twee jaar onder de voorwaarden van de cao Aan de Slag, voor deze groeiende doelgroep structureel in onze reguliere dienstverlening geborgd. We zien tegelijkertijd ook dat een DGI-dienstverband voor een aantal inwoners met een extra ondersteuningsbehoefte nog een stap te ver is. DGI is, net als beschut werk, slechts één van de instrumenten en schakels in een doorlopende ontwikkellijn van dagbesteding naar werk, waarvoor met name een goede verbinding (en regie) nodig is om dit met de andere dienstverleners in de keten efficiënt en duurzaam in te vullen. Daarvoor starten we in 2026 met de pilot “van Zorg naar Werk” om dit verder vorm en inhoud te gaan geven en de huidige werkwijze hierin verder te verfijnen. Kaderstellend (nr.25): de detacheringsfaciliteit heeft zich bewezen als een effectief instrument en is een fundamenteel onderdeel van onze dienstverlening.

Hiermee biedt Laborijn structureel en doorlopend aan een groep inwoners met een doelgroep indicatie een werkplek met een tijdelijk dienstverband. Op basis van het klantenpotentieel en het beschikbare budget wordt de mate van inzet van dit instrument voor ieder begrotingsjaar bepaald. De huidige waarde en toepassing van dit instrument zal verder worden doorontwikkeld en verfijnd in de pilot "van Zorg naar Werk” waarmee een doorlopende ontwikkellijn op het snijvlak van onderwijs, zorg en arbeid wordt beoogd. 4.2 Inkomenszekerheid In deze paragraaf beschrijven wij ten aanzien van de pijler Inkomenszekerheid de kader stellende items, die bepalend zijn voor het opstellen van de ontwerpbegroting 2027 en meerjarenraming 2028 – 2030. BUIG De bijstandsuitgaven worden voor 2026 geraamd op € 7,9 miljard. Op basis van de CPBraming van de werkloosheid wordt de bijstandsraming naar boven bijgesteld in 2026. Daarnaast leiden een aantal (eerdere) wetswijzigingen tot een oploop in de raming van de 24

bijstandsuitgaven. Dit betreft onder andere de invoering van maatregelen uit het wetsvoorstel Participatiewet in balans, de afloop van de IOAW en de ingroei van de nieuwe doelgroep als gevolg van de invoering van de Participatiewet in 2015. Per saldo een toename van het aantal bijstandsgerechtigden (landelijk een toename van 6.000 huishoudens in 2026). Voor de (financiële) toelichting zie paragraaf 5.1. Kaderstellend (nr.26): de doelstelling is om met de uitgaven bijstand en langdurige loonkostensubsidies binnen het door het Rijk gestelde BUIG budget te blijven voor beide gemeenten. Geldzorgen, armoede en schulden De aanpak van geldzorgen, armoede en schulden is nauw verweven met het thema bestaanszekerheid. Binnen dit thema vervult Laborijn een belangrijke rol met betrekking tot inkomenszekerheid. Inkomenszekerheid en stabiliteit (in inkomen) zijn geen idealen maar voorwaarden om geldzorgen en het ontstaan van (verdere) schulden te voorkomen. Laborijn zoekt hiertoe, vanuit het oogpunt van wat goed is voor onze inwoners, steeds naar verbeteringen in haar dienstverlening. De Participatiewet in balans gaat ons hierbij verder ondersteunen. Zo worden bijverdienmogelijkheden verruimd, worden inkomsten uit werk uniform verrekend en wordt de mogelijkheid van een bufferbudget geïntroduceerd.

Maatregelen die bijdragen aan de financiële hulpverlening die gemeenten bieden om de bestaanszekerheid van haar inwoners te verbeteren. Laborijn en gemeenten benutten daarbij maximaal de mogelijkheden om activiteiten op elkaar af te stemmen. Hierbij kan het voorstel Wet proactieve dienstverlening in de toekomst helpend zijn. Kaderstellend (nr.27): Laborijn richt zich als belangrijke vindplaats van en samenwerkingsen uitvoeringspartner ten aanzien van geldzorgen, armoede en schulden met name op preventie en vroegsignalering en werkt daarin proactief samen met het Bureau voor Financiële Ondersteuning (BvFO). Ondernemerssteunpunt De activiteiten en vraagstukken van het Ondernemerssteunpunt (OSP) zijn de afgelopen jaren in aantal, verscheidenheid en complexiteit gegroeid. En zijn daarmee een directe afspiegeling van de actualiteit binnen ondernemersland en de verandering van de bevolkingssamenstelling. De doelgroep zelfstandigen kent een groeiend sociaal en economisch kwetsbare groep. Een groep zelfstandigen waarvoor geen voorliggende voorzieningen beschikbaar zijn, die niet interessant zijn voor commerciële partijen en veelal tegen de bestaande kaders van het sociaal domein aan schuren. Het ontbreekt vaak aan (weerstands-)vermogen, er is een permanente dreiging van het ontstaan van schulden en er is sprake van een inkomen rondom (of soms onder) bijstandsniveau.

Het OSP is voor deze groep zelfstandigen uitgegroeid tot steunpunt voor bredere (financiële) vraagstukken over het zelfstandig ondernemerschap. Hierbij voert Laborijn de taken uit die onder de Participatiewet, het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) vallen en verzorgt het Bureau voor Financiële Ondersteuning (BvFO) op basis van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (WGS) de schuldhulpverlening voor de ondernemer. Daarnaast biedt Buurtplein ondersteuning met vrijwilligers die zelfstandigen begeleiden met hun financiële administratie. Door deze verbinding binnen het OSP versterken we elkaars dienstverlening en zijn we beter in staat naar duurzame oplossingen te werken. Kaderstellend (nr.28): we blijven ons middels het Ondernemerssteunpunt inzetten als integraal dienstverlener voor ondernemers, in het bijzonder voor kleine zelfstandigen binnen de reikwijdte van het sociaal domein. Als partner bij het (door)starten of stoppen als ondernemer. Met een directe verbinding naar inkomensvoorziening, screening, re-integratie en loopbaan (her)oriëntatie en -ontwikkeling. 25

Parttime werken en aanvullende bijstand Gezien de krappe arbeidsmarkt is iedereen met arbeidsvermogen hard nodig. Het is niet zozeer de vraag óf inwoners met onbenut arbeidspotentieel wel of niet deelnemen aan de arbeidsmarkt, maar vooral hóe we dat zo optimaal mogelijk maken. Het is daarbij van belang dat we op zoek blijven naar mogelijkheden, nieuwe wegen en experimenten waarmee we parttime werken stimuleren, en vooral ook vergemakkelijken voor onze inwoners. Parttime werken wordt naar verwachting voor een steeds groter wordende groep inwoners het hoogst haalbare. Wij blijven daarom investeren in het optimaliseren van onze dienstverlening voor deze groep inwoners, zodat zij vanwege de fluctuaties in arbeidsuren, en daarmee een wisselend inkomen uit werk, geen zorgen hoeven te hebben over voldoende inkomen aan het eind van de maand. Zoals hierboven onder ‘Geldzorgen, armoede en schulden’ al vermeld, geeft de Participatiewet in balans hiervoor aanvullende mogelijkheden, zoals het verruimen van de inkomstenvrijlating bij werk voor inwoners voor wie (het gerealiseerde) parttime werk het maximaal haalbare is. Het is goed te zien dat de wetgeving daarbij aansluit op de roep vanuit de praktijk. Want gelet op de grote en voortdurende vraag naar arbeidskrachten blijft het faciliteren van parttime werk voor onze inwoners en ook voor de werkgevers van groot belang.

Kaderstellend (nr.29): we blijven op zoek naar mogelijkheden, nieuwe wegen en experimenten om parttime werken te blijven stimuleren, optimaal mogelijk maken en vergemakkelijken voor onze inwoners waardoor de bestaanszekerheid ook verbetert voor inwoners waarvoor volledige uitstroom uit de bijstand door werk niet haalbaar is. 4.3 Inburgering In deze paragraaf beschrijven wij ten aanzien van de pijler Inburgering het kader stellende item, die bepalend is voor het opstellen van de ontwerpbegroting 2027 en meerjarenraming 2028 – 2030. Wet Inburgering 2021 De uitvoering van de Wet Inburgering 2021 is op innovatieve wijze volledig ingericht, met een verdeling van taken tussen Laborijn en samenwerkingspartners. Laborijn voert de volledige regie, waarbij naast regisseurs inburgering de cultuurvertalers een centrale rol vervullen. Zij dragen bij aan de directe dienstverlening voor inburgeraars en vervullen een rol in de begeleiding van activiteiten binnen het participatieprogramma van Laborijn (‘de trein’). De eindhalte van de trein is het maken van de stap naar betaald werk of participatie. De samenwerkingspartners vervullen verschillende onderdelen van de verplichte inburgering en daarnaast dragen zij bij aan het participatieprogramma. Vanuit het totale gecombineerde aanbod kan Laborijn iedere inburgeraar een passend inburger- en participatieaanbod bieden.

Aandacht voor jongeren Landelijk en regionaal is veel aandacht voor het verbreden en versterken van het inburgeraanbod voor jonge inburgeraars. Deze groep heeft een specifieke ondersteuningsvraag waar regionaal nog onvoldoende op kan worden aangeboden. In 2026 worden regionale projecten en pilots gestart voor de doelgroep jonge inburgeraars. Vakgericht inburgeren Z-route, B1 entree route jongeren en startbanen jongeren zijn daar voorbeelden van. Laborijn heeft een sturende rol in deze regionale projecten en ondersteunt het belang van een specifiek inburgeraanbod voor deze kwetsbare groep inburgeraars. Vroege start inburgering COA Zoals in het eerste hoofdstuk is beschreven, vinden er op het gebied van migratie en inburgering landelijk diverse (mogelijke) ontwikkelingen plaats. De aangekondigde plannen 26

gaan in meer of mindere mate effect hebben op onder andere de instroom en omvang van de inwoners met een inburgerverplichting in onze dienstverlening. We zien op dit moment dat asielstatushouders lang moeten wachten op huisvesting in de gemeente waar ze aan gekoppeld zijn. Deze wachttijd kan een nadelig effect hebben op het welzijn en op de ontwikkeling van gekoppelde asielstatushouders. Door een recente wetswijziging kunnen reiskosten voor vroege inburgering vergoed worden door het COA en is vroege start inburgering vanaf het COA een verlengingsgrond van de inburgertermijn. Deze wijzigingen bieden mogelijkheden voor de start van vroege inburgering binnen het COA. Laborijn heeft werkafspraken met COA Zutphen, Winterswijk en Arnhem voor vroege inburgering van de asielstatushouders die gekoppeld zijn aan de gemeenten Aalten en Doetinchem. Aan de vroege inburgering worden voorwaarden gesteld als motivatie, betrouwbaarheid en belastbaarheid. Met inzet van een goede screening op deze voorwaarden kunnen gekoppelde asielstatushouders al binnen het COA starten met inburgering bij Laborijn. Versterkte inzet van LKS voor asielstatushouders Loonkostensubsidie (LKS) kan ingezet worden als effectief instrument om asielstatushouders duurzaam aan het werk te helpen.

Door werkgevers te compenseren voor een lagere productiviteit wordt de drempel tot indienstneming verlaagd en worden reguliere banen gecreëerd. Tegelijk krijgen statushouders de kans om via betaald werk taalvaardigheden, werkervaring en zelfredzaamheid op te bouwen. LKS fungeert daarmee als opstap naar volledige arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid. Laborijn zet LKS gerichter en vaker in om asielstatushouders duurzaam toe te leiden naar regulier werk. Door LKS vroegtijdig te combineren met inburgering, taalontwikkeling en begeleiding op de werkvloer wordt de drempel voor werkgevers verlaagd en wordt de kans op duurzame plaatsingen verhoogd. Een actieve werkgeversbenadering, meer focus tijdens de inburgering op LKS als instrument om de stap naar werk te kunnen maken en eenvoudige uitvoeringsprocessen zorgen ervoor dat LKS effectief wordt benut als opstap naar economische zelfstandigheid en volledige arbeidsparticipatie. Taal De huidige regionale inkoopcontracten voor het taalonderwijs binnen de inburgering lopen eind 2026 af. Dit vraagt om een keuze tot het verlengen van de bestaande contracten of het opnieuw (en eventueel regionaal) aanbesteden van de leerroutes. Om deze afweging goed te kunnen maken, heeft Laborijn de afgelopen periode een verkenning taal uitgevoerd.

In deze verkenning is gekeken naar de behoeften en ervaringen van inburgeraars en laaggeletterden met het taalaanbod. Daarbij is ook onderzocht hoe op dit moment kwaliteit, continuïteit en organisatie van het taalonderwijs worden gewaarborgd binnen de leerroutes van de Wet inburgering 2021. Ook is er vanuit de regio een marktconsultatie gehouden om inzicht te krijgen in de beschikbare taalaanbieders, de capaciteit in de regio en de knelpunten die momenteel worden ervaren. De bevindingen uit deze onderzoeken heeft Laborijn samengebracht in een onderzoeksrapport en een adviesrapport, waarin drie verschillende scenario’s voor het taalaanbod binnen de Wet inburgering 2021 zijn uitgewerkt en tegen elkaar zijn afgewogen. Op basis hiervan ligt er een voorstel voor richtinggevende keuzes voor de toekomst van het taalonderwijs binnen Laborijn. De komende periode zal bestuurlijk een keuze voor de toekomst van het taalonderwijs worden gemaakt.

27

Doorontwikkelen aanbod inburgering Laborijn is voortdurend gericht op het door ontwikkelen van het huidige inburgerings- en participatieaanbod, zodat het juiste maatwerk kan worden geboden aan inburgeraars. Het modulaire inburgeraanbod (‘de trein’) biedt een uitstekende basis om de inwoners met een inburgerverplichting op maat, integraal en effectief te ondersteunen bij het behalen van hun inburgering en bij het (zelf)redzaam en duurzaam meedoen in de samenleving. Deze basis wordt versterkt en aangepast op basis van praktijkervaringen met de doelgroep. Zo blijkt in de praktijk dat vitaliteit (fysiek en psychisch welzijn), dualiteit (participeren en leren) en financiële en digitale zelfredzaamheid essentiële onderdelen zijn voor ontwikkeling en zelfredzaamheid. Met inzet van de impulsmiddelen sociale infrastructuur zijn nieuwe modules ontwikkeld met aandacht voor vitaliteit, meedoen en financiële en digitale kennis en vaardigheden. Binnen deze modules wordt samengewerkt met lokale partners (BVFO, Figulus, Stadswerkplaats, Stadsboerin, Sport-ID, sportmakelaar Aalten) om duurzaamheid en een lokaal aanbod optimaal in te regelen.

Kaderstellend (nr.30): Laborijn ontwikkelt het inburgerings- en (duale) participatieaanbod continu door, in nauwe samenwerking met keten- en samenwerkingspartners en de regio, zodat inwoners met een inburgeringsverplichting modulair, integraal op maat en effectief worden ondersteund bij het behalen van hun wettelijke inburgeringstermijnen en het duurzaam meedoen in de samenleving. 4.4 Wsw In deze paragraaf beschrijven wij ten aanzien van de Wsw de kader stellende items, die bepalend zijn voor het opstellen van de ontwerpbegroting 2027 en meerjarenraming 2028 – 2030. Levensloopbestendig werkgeverschap voor Wsw-collega's Ons Wsw-medewerkersbestand kenmerkt zich door een geleidelijke afname van het aantal (werkzame) Wsw-collega's en een stijging van de gemiddelde leeftijd. Dit is een logisch gevolg van het stopzetten van de instroom in de Wet sociale werkvoorziening sinds de komst van de Participatiewet 2015. Steeds nadrukkelijker ligt het accent op een levensloopbestendig personeelsbeleid voor onze Wsw-medewerkers. De stijgende gemiddelde leeftijd van onze Wsw-collega's vraagt vooral om begeleiding en maatwerk voor behoud van vitaliteit en werkplezier. Als gevolg van de stijgende gemiddelde leeftijd daalt de gemiddelde arbeidsproductiviteit geleidelijk en is het een uitdaging om ons relatief lage verzuim op niveau te houden.

Ook maken steeds meer Wsw-collega's gebruik van de Regeling Vervroegde Uittreding (RVU), waardoor zij wel nog arbeidsloon ontvangen maar vrijgesteld zijn van werk. Met deze ontwikkelingen staat de Wsw-omzet alsmede de verhouding tussen kosten en opbrengsten steeds meer onder druk. Individueel Ontwikkelingsplan (IOP) Uiteraard blijven wij met dezelfde inspanning in de ontwikkeling van de Wsw-doelgroep investeren. Zoals de cao Wsw voorschrijft, investeren we onverminderd in een actueel Individueel Ontwikkelingsplan (IOP) voor alle Wsw-collega's. De nadruk verschuift daarbij echter wel steeds meer van inzet op het maken van ontwikkelstappen (bijvoorbeeld naar een zwaardere functie en/of een reguliere werkgever) naar inzet op het behoud van (het functioneren op) de huidige werkplek. Ook alle collega’s met een dienstverband onder de cao Aan de Slag hebben een actueel ontwikkelingsplan Kaderstellend (nr.31): alle Wsw-collega’s en collega’s Aan de Slag hebben een actueel Individueel Ontwikkelingsplan (IOP). 28

‘De best passende plek’ voor de Wsw-collega's Het doel blijft om zoveel mogelijk Wsw-collega's regulier werkzaam te laten zijn. Gezien de ouder wordende populatie met toenemende gezondheidsuitdagingen is het detacheringspercentage niet langer een doel op zichzelf. Ook voor de Wsw-collega's geldt de best passende plek voor deze inwoners. Kaderstellend (nr.32): we investeren in het behoud van een duurzame werkplek voor elke Wsw-collega en ook voor deze specifieke doelgroep geldt de missie van Laborijn als uitgangspunt: ‘de best passende plek’ voor de inwoner. Cao SW en cao Aan de Slag De cao Wsw heeft een looptijd tot eind 2025. Er is vooralsnog geen zicht op verlenging. De onderhandelingen moeten nog plaatsvinden. Daardoor is er nog geen zicht op de loonontwikkeling voor de jaren 2026 t/m 2030. We schatten dit in volgens de standaard prijsontwikkeling die het Rijk verwacht (zie paragraaf 5.8). De cao Aan de Slag heeft ook een looptijd tot eind 2025. En ook voor deze cao is er vooralsnog geen zicht op verlenging. Vooralsnog zullen wij de huidige cao voortzetten en doorrekenen in de begroting. We schatten dit in volgens de standaard prijsontwikkeling die het Rijk verwacht (zie paragraaf 5.8). Kaderstellend (nr.33): we gaan uit van verlenging van de cao’s Wsw en Aan de Slag. We rekenen deze door in de begroting volgens de standaard prijsontwikkeling die het Rijk verwacht.

4.5 Overhead en inzet bestemmingsreserve re-integratie Tenslotte benoemen wij in deze paragraaf eerder gemaakte keuzes die inmiddels een gegeven zijn en een aantal ontwikkelingen ten aanzien van de overhead en reserves die, geformuleerd naar een kader stellend item, bepalend zijn voor het opstellen van de ontwerpbegroting 2027 en meerjarenraming 2028 – 2030. Benodigde formatie & trap op trap af systematiek De benodigde formatie, en de daaruit voortvloeiende loonkosten van het begeleidend personeel, is afhankelijk van het aantal te bedienen inwoners. Als het aantal inwoners dat afhankelijk is van de Participatiewet en/of de Wet Inburgering in de komende periode toeneemt/afneemt, gaan de formatie en de bijbehorende loonkosten begeleidend personeel voor de uitvoering van de Participatiewet en/of de Wet Inburgering ook toenemen/afnemen (trap op trap af systematiek). Voor de Wsw gaan de uitvoeringskosten afnemen in verband met de daling van het aantal Wsw-medewerkers. Hoe dit doorwerkt per individuele deelnemende gemeente verschilt en is afhankelijk van het gemeentelijk aandeel in de Wsw, de Participatiewet en de Wet Inburgering 2021.

Kaderstellend (nr.34): voor het vaststellen van de, op grond van het aantal te bedienen inwoners, benodigde formatie en bijbehorende loonkosten begeleidend personeel voor het uitvoeren van de dienstverlening hanteert Laborijn de ‘trap op trap af systematiek’. Indien het effect op gemeenteniveau onvoldoende aansluit bij de wens tot beheersing van de kosten, worden keuzescenario’s ten aanzien van (de intensiteit en/of kwaliteit van) de dienstverlening uitgewerkt. Re-integratiemiddelen Vanaf 2023 zijn de re-integratiemiddelen bestemd voor het ontwikkelen van inwoners niet meer 1-op-1 herleidbaar vanuit de Rijkscirculaires. Hierin volgen we vanaf het begrotingsjaar 2024 2 lijnen: de hoofdlijn is dat Laborijn een plan maakt voor de re-integratiedienstverlening met de daarvoor benodigde middelen. Daarnaast de lijn van het laatst bekende bedrag 29

indexeren. Eind 2022 is door Cedris en Divosa een opdracht verstrekt aan Berenschot om een rekentool te ontwikkelen waarmee de beschikbare budgetten voor re-integratie berekend kunnen worden. De rekentool is december 2022 beschikbaar gekomen en in september 2023 en daarna in juli 2024 en juni 20255 geactualiseerd. Uit analyse blijkt dat de gemeenten Aalten en Doetinchem meer re-integratiemiddelen ontvangen dan voorheen. Dit komt doordat de maatstaven voor het toekennen van de middelen is veranderd. Tot op heden is met de gemeenten Aalten en Doetinchem afgesproken dat Laborijn enkel de middelen voor re-integratie ontvangt op basis van een indexatie van het budget van het afgelopen jaar. Bij het opmaken van de begroting 2027 en de meerjarenraming 2028 - 2030 betrekt Laborijn de in de afgelopen jaren opgebouwde bestemmingsreserve re-integratie. Deze bestemmingsreserve wordt in de komende jaren afgebouwd. Op de middellange termijn is het geïndexeerde budget onvoldoende om het huidige ambitieniveau te kunnen blijven handhaven. Laborijn is vanaf dat moment genoodzaakt om re-integratie- en participatieactiviteiten te minderen om binnen het financiële kader te blijven. Het huidige niveau van dienstverlening zal Laborijn niet kunnen handhaven; daarvoor zijn aanvullende re-integratiemiddelen nodig.

Wij doen dan ook de aanbeveling om het financiële gat op de middellange termijn te dekken, en tevens om vanaf het begrotingsjaar 2027 niet enkel te indexeren, maar de budgetten te herijken met de klantaantallen, en daarmee terug te gaan naar de oorspronkelijke systematiek. Zodanig dat we ons huidige beleid kunnen continueren en iedere inwoner de kwaliteit van de huidige dienstverlening kunnen blijven bieden. Kaderstellend (nr.35): bij het opmaken van de ontwerpbegroting 2027 en de meerjarenraming 2028 - 2030 betrekt Laborijn de bestemmingsreserve re-integratie. De bestemmingsreserve voorziet naar verwachting nog tot het jaar 2030 om op het huidige ambitieniveau te kunnen blijven investeren en Laborijn zal daarna, bij gelijkblijvende afspraken, genoodzaakt zijn haar ambitieniveau bij te stellen en haar inzet te verminderen.

5 Nieuwe rekentool helpt gelden Participatiewet en Wsw te bepalen

30

5.

De budget ontwikkeling en financiële bijdrage van de GR-gemeenten

Dit laatste vijfde hoofdstuk betreft de financiële context en geeft een beeld van hoe de verschillende budgetten zich de komende jaren naar verwachting zullen ontwikkelen. Dit ook weer gerelateerd aan de te verwachten ontwikkeling van de te bedienen klantstromen. Ook geeft dit hoofdstuk aan welke financiële bijdrage van de GR-gemeenten wordt gevraagd en de gemeenten in hun begroting voor Laborijn dienen op te nemen. 5.1 BUIG-budget (bijstand en langdurige loonkostensubsidie) De ontwikkeling van het BUIG-budget van de individuele gemeenten hangt nauw samen met het landelijke macrobudget. Om een inschatting te kunnen maken van het BUIG-budget voor de jaren 2027 tot en met 2030 is daarom de ontwikkeling van het macrobudget van belang. Budgettaire ontwikkeling algemene bijstand De bijstandsuitgaven worden voor 2026 geraamd op € 7,1 miljard. Op basis van de CPBraming van de werkloosheid wordt de bijstandsraming naar boven bijgesteld in 2026. Daarnaast leiden een aantal (eerdere) wetswijzigingen tot een oploop in de raming van de bijstandsuitgaven. Dit betreft onder andere de invoering van maatregelen uit het wetsvoorstel Participatiewet in balans, de afloop van de IOAW en de ingroei van de nieuwe doelgroep als gevolg van de invoering van de Participatiewet in 2015. Budgettaire ontwikkelingen langdurige loonkostensubsidie De uitgaven voor LKS worden voor 2026 geraamd op € 644,4 miljoen.

De uitgaven aan loonkostensubsidie nemen jaarlijks toe doordat de doelgroep van LKS sinds de invoering van de Participatiewet ingroeit. Budgettaire ontwikkelingen IOAW en IOAZ De uitgaven aan IOAW en IOAZ worden in 2026 geraamd op respectievelijk € 162,1 miljoen en € 34,6 miljoen. De IOAW-uitgaven dalen door de beperkende voorwaarde dat het IOAWrecht alleen geldt voor personen geboren voor 1965. In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de doorstroom vanuit de WW naar de IOAW. Een lager gebruik van de WW door oudere werknemers, zorgt ook voor een lager IOAW gebruik. Daarnaast zorgt de stijging van de AOW-leeftijd en invoering van maatregelen uit het wetsvoorstel Participatiewet in Balans voor hogere uitgaven aan de IOAW en IOAZ. Budgettaire ontwikkelingen Bbz De uitgaven voor Bbz levensonderhoud worden in 2026 geraamd op € 35,7 miljoen. De invoering van maatregelen uit het wetsvoorstel Participatiewet in Balans zorgt naar verwachting voor hogere uitgaven aan het Bbz in 2026. In de Rijksbegroting 2026 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is de ontwikkeling van het macrobudget BUIG als volgt weergegeven6: Overzicht macrobudget BUIG (x € 1.000) Algemene bijstand

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

Raming 2030

7.069.224

7.129.043

7.295.339

7.478.557

7.674.613

Loonkostensubsidie

644.356

702.765

748.308

792.786

837.262

IOAW

162.110

137.274

99.936

67.622

37.535

IOAZ

34.588

35.864

26.345

19.747

13.148

BBZ

35.716

35.716

35.875

35.875

35.875

7.945.994

8.040.662

8.205.803

8.394.587

8.598.433

Macrobudget BUIG totaal

6

Raming 2026

Bron: Rijksbegroting 2025 Sociale Zaken en Werkgelegenheid

31

Verwachte procentuele ontwikkeling uitgaven macrobudget per jaar Algemene bijstand Loonkostensubsidie

Mutatie 2026 Mutatie 2027 t.o.v. Mutatie 2028 t.o.v. Mutatie 2029 t.o.v. Mutatie 2030 t.o.v. t.o.v. definitief raming 2026 raming 2027 raming 2028 raming 2029 2025 2,13% 0,85% 2,33% 2,51% 2,62% 7,25%

9,06%

6,48%

5,94%

5,61%

IOAW

-14,48%

-15,32%

-27,20%

-32,33%

-44,49%

IOAZ

8,30%

3,69%

-26,54%

-25,04%

-33,42%

BBZ

1,00%

0,00%

0,45%

0,00%

0,00%

Macrobudget BUIG totaal

2,12%

1,19%

2,05%

2,30%

2,43%

Het macrobudget 2026 is voorlopig vastgesteld in september 2025 voorafgaand aan het uitvoeringsjaar. Het macrobudget 2026 wordt gedurende het jaar nog bijgesteld naar aanleiding van gewijzigde inzichten in conjunctuur, realisaties, Rijksbeleid en loon- en prijsbijstelling (lpo). Hierover worden gemeenten geïnformeerd bij het nader voorlopig budget in het voorjaar van 2026 en bij de definitieve toekenning van de budgetten in september 2026. Het definitieve macrobudget wordt bepaald door uit te gaan van de gerealiseerde prijs en het gerealiseerde volume in het voorgaande jaar, van een inschatting van de effecten van de conjunctuur en Rijksbeleid in het begrotingsjaar zelf en van een indexering van de gemiddelde prijs. Voor de conjunctuurraming worden de actuele en onafhankelijke rekenregel en de autonome correctie van het Centraal Planbureau (CPB) gevolgd. Het meerjarenbeeld met betrekking tot de ontwikkeling van lasten in de begroting van Laborijn zal in de begroting 2027 – 2030 worden opgesteld aan de hand van bovenstaande gegevens en de werkelijke ontwikkeling t/m ultimo 2025. Het voorlopig BUIG-budget 2026 is in september 2025 bekend geworden (zie hiervoor de tabel onder deze alinea).

Om een inschatting te maken van het BUIG-budget voor de jaren 2026 tot en met 2029 is het aandeel per gemeente in het macrobudget aangepast op basis van de inschatting van het rijk bij het voorlopig budget 2026. Doordat het macrobudget vanaf 2026 toeneemt, zal naar verwachting het BUIG-budget per gemeente vanaf 2026 ook toenemen. In onderstaande tabel is de verwachte ontwikkeling van het BUIG-budget weergegeven. Ontwikkeling BUIG-budget (x € 1.000) Aalten

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

Raming 2030

6.675

6.754

6.893

7.051

7.223

Doetinchem

28.049

28.384

28.966

29.633

30.352

Totaal

34.724

35.138

35.859

36.684

37.575

Voor de ontwikkeling van de lasten hanteren we dezelfde trend. Er is echter een aantal elementen dat het moeilijk maakt om in te schatten hoe de lasten zich ontwikkelen: • • •

steeds vaker gaan mensen met loonkostensubsidie aan het werk. De uitkeringslasten nemen daardoor af, maar er komt een LKS-betaling voor terug de samenstelling van huishoudens kan wijzigen waardoor de hoogte van de uitkeringen (gemiddelde prijs) kan wijzigen de inkomsten uit parttime werk en overige inkomsten kunnen fluctueren waardoor de gemiddelde prijs van een uitkering moeilijk te ramen is

5.2 Re-integratie en participatie budget Tot op heden is met de gemeenten Aalten en Doetinchem afgesproken dat Laborijn enkel de middelen voor re-integratie ontvangt op basis van een indexatie van het budget van het afgelopen jaar. Bij het opmaken van de begroting 2027 en de meerjarenraming 2028 tot en met 2030 betrekt Laborijn de in de afgelopen jaren opgebouwde bestemmingsreserve reintegratie. De bestemmingsreserve re-integratie wordt binnen de komende jaren afgebouwd. Vanaf naar verwachting het jaar 2030 is het geïndexeerde budget onvoldoende om het huidige ambitieniveau te handhaven. Laborijn zal re-integratie en participatie activiteiten 32

moeten minderen om binnen het financiële kader te blijven of er moeten meer reintegratiemiddelen beschikbaar worden gesteld. De oorzaak hiervan ligt in de toename van het aantal te bedienen klanten binnen de Participatiewet in combinatie met de inhoudelijke wens om nagenoeg alle klanten in de Participatiewet actief te blijven begeleiden. Het beschikbare re-integratiebudget bestond tot en met 2022 uit inzichtelijke budgetten voor de verschillende doelgroepen. Bij het laatst bekende budget in 2022 was circa € 2.000 per klant beschikbaar voor re-integratie- en participatieactiviteiten. Door het loslaten van de systematiek uit 2022, de financiële keuze om alleen het laatst bekende budget te indexeren en geen rekening meer te houden met de ontwikkeling van de klantaantallen, daalt het beschikbare budget per klant met ruim 10% naar circa € 1.800 per inwoner. Re-integratiebudget (x € 1.000) Aalten

Vastgestelde begroting 2026 412

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

Raming 2030

421

432

442

453

Doetinchem

2.818

2.880

2.952

3.025

3.098

Totaal

3.230

3.301

3.383

3.468

3.551

5.3 Budget beschut werk De middelen voor beschut werk worden separaat beschikbaar gesteld aan gemeenten via de integratie uitkering Participatie. Deze middelen zijn gebaseerd op basis van de taakstelling beschut werk en zijn bedoeld om de beschut werk inwoners te begeleiden. De middelen zijn voor de periode 2025 t/m 2027 kortdurend verhoogd door een aanstaande wetswijziging in de loonkostensubsidie (LKS) methodiek voor beschut werk. De LKS gaat naar verwachting standaard naar 68% toe. Vanaf 2028 zijn deze middelen om gemeenten hiervoor te compenseren overgebracht naar het BUIG budget en niet meer in de integratie uitkering Participatie. De gemeenten storten deze middelen en de bijstellingen daarop integraal door naar Laborijn. Hierover is in het bestuur afgesproken dat Laborijn op basis van de ‘verbeteragenda beschut werk’, die door het Rijk is uitgebracht, een plan maakt en na vaststelling vervolgens uitvoert voor de inzet en onderbouwing van de toekomstige besteding van dit budget voor deze doelgroep. Het betreft de volgende definitieve middelen voor de gemeenten Aalten en Doetinchem: Budget beschut werk (x € 1.000) Aalten

Vastgestelde begroting 2026 139

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

Raming 2030

180

193

166

176

Doetinchem

648

841

899

774

822

188 877

Totaal

787

1.021

1.092

940

998

1.064

5.4 Inburgering Voor de financiering van de inburgeringsvoorzieningen ontvangen gemeenten een uitkering via de Specifieke Uitkering (SPUK) inburgeringsvoorzieningen. Deze is onder andere bedoeld voor de inkoop van leertrajecten, het Participatieverklaringstraject (PVT), de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) en de kosten van tolken. Jaarlijks ontvangen gemeenten een voorschot dat is afgeleid van de taakstelling. Na afloop van het jaar vindt een definitieve toekenning plaats op basis van het werkelijke aantal gehuisveste asielstatushouders en gezins- en overige migranten op 31 december. Dit op basis van jaarlijks vastgestelde normbedragen per persoon. Voor de inkoop van de onderwijsroute ontvangen gemeenten een aanvullende uitkering via de SPUK onderwijsroute. Hiervoor wordt jaarlijks een landelijk bedrag beschikbaar gesteld. De SPUK onderwijsroute gaat op in de SPUK inburgeringsvoorzieningen. Dit bedrag wordt in eerste instantie over de gemeenten verdeeld op basis van het aantal inwoners. De definitieve verdeling vindt plaats op basis van het aantal gehuisveste asielstatushouders op 33

31 december in een gemeente, die de onderwijsroute volgt en waarvoor nog niet eerder een bedrag is uitgekeerd in het kader van deze uitkering. Aangezien de middelen niet meerjarig bekend zijn, is de aanname dat deze gelijk zijn aan de inschatting uit de vastgestelde begroting 2026. Specifieke uitkering Wet Inburgering incl. Onderwijsroute (x € 1.000) Aalten

Vastgestelde begroting 2026 577

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

Raming 2030

577

577

577

577

577

Doetinchem

1.264

1.264

1.264

1.264

1.264

1.264

Totaal

1.841

1.841

1.841

1.841

1.841

1.841

5.5 Rijksbijdrage Wsw De Rijksbijdrage Wsw per standaard eenheid (se) stijgt vanaf 2024. Daarbij moet wel de kanttekening worden geplaatst dat de blijfkansen moeilijker zijn in te schatten over een periode van 5 jaar. Hierdoor kan de Rijksbijdrage Wsw per se in die jaren nog zowel positief als negatief muteren. Omschrijving

Ultimo 2024

Voorlopig 2025

Voorlopig 2026

Voorlopig 2027

Voorlopig 2028

Voorlopig 2029

Voorlopig 2030

Se Wsw landelijk

50.828

47.363

43.996

40.706

37.708

34.755

31.952

Blijfkans t.o.v. 2024 Verwachte ontwikkeling afname se's (op basis van blijfkans jaar daardoor) Macrobudget Wsw

100,00%

93,18%

86,56%

80,09%

74,19%

68,38%

62,86%

6,82%

6,63%

6,47%

5,90%

5,81%

€

1.949.790.000 €

1.926.748.000 €

1.836.882.000 €

1.756.020.000 €

1.675.868.000 €

1.595.718.000 €

1.515.632.000

Rijksbijdrage per se

€

38.361 €

40.680 €

41.752 €

43.140 €

44.443 €

45.913 €

47.435

€

2.320 €

1.071 €

1.388 €

1.304 €

1.470 €

1.522

Mutatie rijksbijdrage per se

5,52%

In onderstaande tabel is de totale Rijksbijdrage per gemeente weergegeven: Rijksbijdrage Wsw ( x € 1.000) Aalten

Vastgestelde begroting 2026 6.105

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

Raming 2030

6.306

6.047

5.628

5.217

4.833

Doetinchem

7.852

8.181

7.925

7.651

7.240

6.826

Montferland

4.186

4.382

4.117

3.946

3.816

3.685

Het absolute bedrag neemt af doordat het aantal Wsw-medewerkers afneemt. Dit komt met name door pensionering, arbeidsongeschiktheid en overlijden. Het Rijk schat de blijfkansen van de Wsw-medewerkers per gemeente in. Voor de deelnemende gemeenten ziet dat er als volgt uit: Gemeente

Aantal se's

Geschatte blijfkans t.o.v. definitieve stand 2023

ultimo 2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Aalten

178

93,10%

84,80%

78,70%

71,10%

63,80%

57,20%

Doetinchem

222

93,20%

88,10%

82,60%

77,40%

70,90%

64,70%

Montferland

121

93,30%

87,00%

79,10%

73,60%

68,90%

64,40%

Aantal se's ultimo 2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Aalten

178

166

151

140

127

114

102

Doetinchem

222

207

196

184

172

158

144

Montferland

121

113

105

95

89

83

78

Totaal

521

486

452

419

388

354

323

93,19%

93,06%

92,78%

92,43%

91,45%

91,26%

-35

-34

-33

-32

-33

-31

Gemeente

Gemiddelde blijfkans jaar t.o.v. jaar ervoor Afname per jaar

Op basis van de realisatie in 2025 en de bijgestelde ontwikkeling van het aantal Wswmedewerkers, zal in de begroting 2027 - 2030 het totale Wsw-resultaat worden doorgerekend. 5.6 Impulsbudget sociale infrastructuur7 Door de toekenning van de loon- en prijsontwikkeling (LPO) wijzigt de omvang van de decentralisatie-uitkering ‘Impulsbudget sociale infrastructuur’. Ook is de verdeling vanaf 2026 bijgewerkt op basis van veranderingen in samenwerkingsverbanden en de nieuwste 7 Recente toevoeging o.b.v. gemeentenieuws SZW-5 (24 oktober 2024)

34

gegevens voor de verdeelmaatstaf. Deze decentralisatie-uitkering loopt van 2025 tot en met 2034 (zie ook paragraaf 3.2.3 van de meicirculaire 2025). In 2025 gaat het om € 1,7 miljoen en vanaf 2026 tot en met 2034 om € 1,5 miljoen. Impulsbudget sociaal ontwikkelbedrijven (x € 1.000) Aalten

Vastgestelde begroting 2026

2026

2027

2028

2029

2030

52

Doetinchem (inclusief Aalten)

178

Montferland

96

Totaal

326

243 ntb

243 ntb

243

243 ntb

243

243 ntb

243

243 ntb

243

243

5.7 Rijksbijdrage sociale infrastructuur In de Voorjaarsnota 2024 heeft het Kabinet de voorgenomen infrastructurele opslag bevestigd. In het bestuurlijk overleg tussen VNG en SZW van 11 september 2024 is besloten om de infrastructurele opslag onder de naam ‘Rijksbijdrage sociale infrastructuur’ als apart budget via de Integratie-uitkering Participatie uit te keren aan gemeenten, net als de middelen voor de Rijksbijdrage Beschut Werk en de Rijksbijdrage Wsw. Daarnaast is besloten om het budget te verdelen op basis van de maatstaf ‘doelgroepenregister gemeentelijke doelgroep’. De Rijksbijdrage sociale infrastructuur wordt aan alle gemeenten uitgekeerd. Bij de meicirculaire 2025 is het budget voor het eerst toegekend. Dit betreft een oplopende reeks van € 19,8 miljoen in 2025 tot structureel € 35,9 miljoen vanaf 2035. In de oploop van deze middelen wordt uitgegaan van een groei van het aantal banen van zo’n 5.000 (2024) tot 10.000 (2035). Rijksbijdrage sociale infrastructuur x (€ 1.000) Aalten

Vastgestelde begroting 2026 35

2026

2027

2028

2029

2030

36

38

41

44

47

Doetinchem

120

122

131

140

150

160

Totaal

156

157

169

181

193

206

5.8 Overige technische uitgangspunten Prijsontwikkeling kosten algemene overhead De prijsontwikkeling is gebaseerd op de prijsontwikkeling van het bruto binnenlands product (BBP), zoals opgenomen in de miljoenennota 2026 (zie onderstaande tabel). Prijsontwikkeling

Voorlopig 2026

Voorlopig 2027

Voorlopig 2028

Voorlopig 2029

Voorlopig 2030

% aanpassing

2,5%

2,5%

2,7%

2,5%

2,4%

Loonontwikkeling ambtelijke medewerkers Bij het opstellen van de begroting gaan we uit van de bekende cao-afspraken en ramingen van de ontwikkelingen in de sociale lasten. Indien er nog geen ontwikkelingen bekend zijn, gaan we uit van de meest recente raming uit de circulaires van het Rijk. De cao gemeenten is afgesloten tot en met maart 2027. Voor de periode daarna zullen wij een aanname doen.

35

5.9 Samenvattende prognose bijdragen deelnemende gemeenten Samenvattende prognose bijdrage per gemeente Aalten (x €1.000)

Vastgestelde begroting 2026

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

Raming 2030

Inkomenszekerheid BUIG budget Resultaat op BUIG budget

6.523 pm

6.275 pm

6.350 pm

6.480 pm

6.629 pm

6.790 pm

Bijzondere bijstand**

60

60

62

64

66

68

Individuele Inkomenstoeslag**

113

113

116

119

122

125

Studietoeslag**

35

35

38

41

43

45

Bbz kapitaalverstrekkingen**

13

13

13

7

2

2

Tozo**

-23

-23

-23

-3

-2

-2

Re-integratiemiddelen

412

412

421

432

442

453

Beschut werk

139

180

193

166

176

188

6.105

6.306

6.047

5.628

5.217

4.833

577

577

577

577

577

-

-

-

-

-

-

35

36

38

41

44

47

Overhead*

2.709

2.709

2.865

3.149

3.306

pm

Raming totaal

16.698

16.692

16.697

16.701

16.623

pm

Mensontwikkeling

Wsw Rijksbijdrage Inburgering Spuk incl. onderwijsroute* Impulsmiddelen sociaal ontwikkelbedrijven*** Rijksbijdrage sociale infrastructuur

pm

* = bedragen op basis van vastgestelde begroting 2026-2029. De bedragen moeten nog worden geupdatet en voor 2030 opnieuw berekend. ** = bedragen op basis van prognose 2025 *** = bedragen via gemeente Doetinchem als centrumgemeente

Samenvattende prognose bijdrage per gemeente Doetinchem (x €1.000)

Vastgestelde begroting 2026

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

Raming 2030

Inkomenszekerheid BUIG budget Resultaat op BUIG budget

23.445 pm

25.101 pm

25.400

25.921

pm

26.518 pm

27.162 pm

Bijzondere bijstand**

287

287

297

307

317

327

Individuele Inkomenstoeslag**

450

450

460

470

480

490

Studietoeslag**

170

170

185

200

215

230

Bbz kapitaalverstrekkingen**

-12

-12

-17

-20

-25

-30

Tozo**

-152

-152

-140

-12

-12

-12

2.818

2.818

2.880

2.952

3.025

3.098

648

841

899

774

822

877

7.852

8.181

7.925

7.651

7.240

6.826

1.264

1.264

1.264

1.264

1.264

Impulsmiddelen sociaal ontwikkelbedrijven***

230

243

243

243

243

243

Rijksbijdrage sociale infrastructuur

120

122

131

140

150

160

Overhead*

7.431

7.431

7.951

8.623

9.044

9.257

Raming totaal

44.552

46.743

47.478

48.513

49.280

Mensontwikkeling Re-integratiemiddelen Beschut werk Wsw Rijksbijdrage Inburgering Spuk incl. onderwijsroute*

pm

pm

* = bedragen op basis van vastgestelde begroting 2026-2029. De bedragen moeten nog worden geupdatet en voor 2030 opnieuw berekend. ** = bedragen op basis van prognose 2025 *** = bedragen via gemeente Doetinchem als centrumgemeente

36

Samenvattende prognose bijdrage per gemeente Montferland (x €1.000) Inkomenszekerheid

Vastgestelde begroting 2026

Raming 2026

Raming 2027

Raming 2028

Raming 2029

Raming 2030

BUIG budget Resultaat op BUIG budget Bijzondere bijstand** Individuele Inkomenstoeslag** Studietoeslag** Bbz kapitaalverstrekkingen** Tozo** Mensontwikkeling Re-integratiemiddelen Beschut werk Wsw Rijksbijdrage

4.186

4.382

4.117

3.946

3.816

3.685

96

94

94

94

94

94

24

24

-13

39

45

46

4.306

4.500

4.197

4.079

3.955

3.825

Inburgering Spuk incl. onderwijsroute* Impulsmiddelen sociaal ontwikkelbedrijven Rijksbijdrage sociale infrastructuur Overhead* Raming totaal

De raming totaal neemt af, omdat de Wsw populatie afneemt.

37

Bijlage: Samenvattend kaderstellend overzicht In deze kadernota komen schuin gedrukt alle voor de verdere invulling en uitwerking van de P&C-cyclus relevante kaderstellende items naar voren. Voor een totaaloverzicht zijn in de onderstaande tabel de kader stellende items opgesomd.

1. 2.

De focus van Laborijn ligt op haar basisopdracht: Laborijn is er om iedere inwoner te helpen aan betaald werk en als dat (nog) niet lukt hem/haar te ondersteunen bij het participeren in de samenleving. Laborijn heeft daarbij de taak het beheersen en waar mogelijk terugdringen van het uitkeringsvolume. De uitvoeringskosten moeten zoveel mogelijk beperkt worden.

3.

Het uitgangspunt van indexatie van het huidige beschikbare re-integratiebudget blijft gehandhaafd.

4.

Voor Laborijn liggen de aanpassingen in de Participatiewet op grond van de ‘Participatiewet in balans’ in de lijn met de doelstelling en al gehanteerde werkwijze. Laborijn zal zich in deze richting verder blijven doorontwikkelen. Op basis van het vastgestelde ‘Visiedocument preventie & handhaving’ geeft Laborijn invulling en uitvoering aan haar taken. Dit doen we vanuit een integrale benadering van de inwoner en in lijn met de uitgangspunten van de Participatiewet in balans: meer evenwicht tussen bestaanszekerheid, participatie en handhaving. Laborijn is een actieve partner van het Werkcentrum Achterhoek. Aan de doorontwikkeling van het centrum leveren wij onze kennis en expertise als het gaat om de ondersteuningsbehoefte van inwoners die niet zelfstandig in staat zijn de stap richting de arbeidsmarkt te maken en/of te behouden. Laborijn investeert in een adequate regionale samenwerking om te komen tot en in een passende dienstverlening gericht op een sluitende aanpak ten aanzien van een soepele overgang van school naar duurzaam werk voor jongeren tot 27 jaar. Vanuit Laborijn ligt daarbij de focus op de ontwikkeling van een doorlopende ontwikkellijn met de samenwerkingspartners op het snijvlak van onderwijs, zorg en werk.

Dit op basis van zowel de ondersteuningsbehoefte van jongeren op de verschillende leefgebieden als de ontschotting van dienstverlening en de bijbehorende budgetten. Het belang van en de best passende plek voor de inwoner blijft voorop staan, waarbij de realisatie van de taakstelling beschut werk geen doel op zich is. Laborijn heeft zich te verhouden tot de huidige wetgeving en het landelijk beleid op het gebied van migratie en inburgering en zal mee moeten bewegen met aangepaste wet- en regelgeving, aangepast beleid en de beschikbare financiële middelen. Laborijn versterkt de inzet op taalonderwijs in de komende jaren, waarbij de WEB-middelen en het bestaande voorliggende aanbod leidend zijn. Eventuele extra rijksmiddelen worden aanvullend ingezet om inwoners met een PW-uitkering en/of een Wsw-dienstverband gericht te ondersteunen bij het behalen van het vereiste taalniveau, in samenhang met participatie en werk. Laborijn anticipeert op het aflopen van de Europese Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) door zo maximaal mogelijk in te zetten op arbeidsparticipatie om instroom in de Participatiewet zoveel als mogelijk te beperken. Laborijn benut het ‘Impulsbudget sociale infrastructuur’ van de jaren tot 2035 om haar infrastructuur door te ontwikkelen en toekomstbestendig te houden.

Hiervoor maken wij gebruik van de bestemmingsreserve ‘doorontwikkeling infrastructuur werkontwikkelbedrijf Laborijn’. Jaarlijks wordt het extra budget toegevoegd aan deze bestemmingsreserve. De ‘Rijksbijdrage sociale infrastructuur’ is een structurele extra basisfinanciering voor de bedrijfskosten van sociaal ontwikkelbedrijven. De bedoeling van deze structurele infrastructurele middelen is meer ruimte voor banen voor mensen die tijdelijk of langdurig moeten terugvallen op de infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven. Laborijn zet deze middelen in ten behoeve van tijdelijke dienstverbanden voor de DGI-doelgroep. De landelijke verwachting is dat het aantal mensen dat afhankelijk is van een Participatiewet-uitkering de komende jaren licht zal stijgen. Deze groei in het aantal inwoners dat we bedienen vanuit de Participatiewet en de Wet Inburgering als grondslag compenseert ruimschoots de afname van het aantal Wsw-collega's met een dienstverband vanuit de Wet sociale werkvoorziening. Per saldo neemt de omvang van de opdracht en taak van Laborijn toe. Hierbij is er de komende jaren sprake van een wezenlijke verschuiving van onze focus en in de aard van ons sociaal ontwikkelbedrijf.

Laborijn geeft invulling aan haar nadrukkelijke wens en inhoudelijke ambitie om voor alle doelgroepen die dit nodig hebben een integrale bijdrage te leveren met inzet van de voor hen gewenste of benodigde (combinatie van) beschikbare functionaliteiten. Laborijn stelt als systeempartij haar instrumentarium en de ondersteuningsinfrastructuur op verzoek van de gemeenten en onze samenwerkingspartners graag ook beschikbaar voor klantstromen die niet

5.

6. 7.

8. 9. 10.

11. 12.

13.

14.

15.a 15.b

38

15.c 15.d

15.e 16.

17.

18. 19.

20.

21.

22. 23.

24.

25.

26. 27.

tot onze wettelijke opgave behoren, maar wel passen in onze inhoudelijke opdracht gericht op ontwikkeling naar werk, en stimuleert daarbij de integrale en overstijgende manier van denken en de wijze van domein brede samenwerking. Laborijn is als 1 van de systeempartijen in het sociaal domein een belangrijke vindplaats die alle inwoners met een ondersteuningsbehoefte die bij Laborijn in het bestand zijn opgenomen in beeld heeft en voortrekker in de samenwerking van alle partijen rondom de ontwikkeling van deze inwoners. Het gedachtengoed ‘Simpel Switchen’ - het vereenvoudigen van het wisselen tussen de verschillende fasen in de participatieketen - is ingebed in onze reguliere werkwijze. Met focus op ‘de inwoner centraal’ wordt de inwoner bediend met een brede, integrale en zo nodig financieel ontschotte dienstverlening. Laborijn is partner binnen de arbeidsmarktregio Achterhoek en levert daarin actief haar bijdrage om de arbeidsmarktinfrastructuur van regio Achterhoek door te ontwikkelen; waar dat kan sluiten we proactief regionaal aan en pakken het in co-creatie samen met onze regionale partners op. De basisopdracht wordt gefinancierd vanuit structurele middelen. Met incidentele middelen kunnen extra, tijdelijke taken en experimenten in pilotvorm worden gefinancierd.

Een inhoudelijk goede en financieel gezonde business case op de langere termijn is de voorwaarde om activiteiten duurzaam te borgen in de basisopdracht. Bij nieuwe ontwikkelingen en nieuwe dienstverlening brengen we de bedrijfsvoering in lijn met de business case, zodanig dat (de omvang van) de bedrijfsvoering passend blijft bij de aard en omvang van de opgave, vanuit onder andere goed werkgeverschap en goed partnerschap. Indien het effect op gemeenteniveau onvoldoende aansluit bij de wens tot beheersing van de kosten, worden keuzescenario’s voorgelegd. Verzoeken voor dienstverlening worden getoetst aan ons richtinggevend inhoudelijk ‘afwegingskader voor nieuwe dienstverleningsverzoeken’. De dienstverlening aan de deelnemende gemeenten heeft daarbij prioriteit en mag niet in het gedrang komen. In regionaal overleg blijven alle colleges t.a.v. migratie en inburgering bij het standpunt van het doorgaan met de plannen en aantallen van de Provincie Gelderland. Dit betekent voor Laborijn dat we op inhoud vol met deze ambitie doorgaan. Van belang is wel om wendbaar en flexibel te blijven om zodoende goed om te kunnen gaan met (volume)veranderingen. Alle inwoners met een Participatiewet-uitkering zijn in beeld. Daarbij hebben alle inwoners met ontwikkelpotentieel een actief traject en aanbod om ontwikkeling mogelijk te maken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8375/documents/51546