CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

11-11-2025 GreenTrust Bijlage 1 - Windpark Delfzijl Beoordeling lokale normen.pdf

gemeenteraad 27 november 2025, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 4: Principeverzoek beoogd windpark Doetinchem (omgeving Barlhammerweg)24.029 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de cumulatieve geluidbelasting bij derden uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar mogen achten, gelet op de belangen die met de realisatie van het windpark zijn gemoeid en de omstandigheid dat in het betrokken gebied zware, chemische, energie-gerelateerde en zeehaven-gebonden bedrijvigheid is toegestaan en dit gebied is aangewezen voor een bundeling van windenergie. Ook het standpunt van de raad dat de cumulatieve geluidsbelasting bij molenaarswoningen die behoren bij andere windparken door het windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding meer dan 65 dB aanvaardbaar is, gelet op de betrokkenheid van de bewoners van deze woningen bij windparken en het profijt dat zij daar van hebben, acht de Afdeling niet onredelijk. De betogen slagen niet. Woon- en leefklimaat [appellant sub 2] 36. [appellant sub 2] vreest voor gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat en voor waardedaling van zijn onroerend goed. 36.1. Niet in geding is dat het windpark gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] en dat het niet is uitgesloten dat het gevolgen zal hebben voor de waarde van de woning van [appellant sub 2]. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij de afweging van de belangen in het kader van de toetsing van de norm van een goede

35

ruimtelijke ordening een groter gewicht mogen toekennen aan het belang dat is gediend met het realiseren van het windpark dan aan het belang van [appellant sub 2] bij het behoud van de bestaande situatie. Gelet op wat hiervoor over de door [appellant sub 2] aangevoerde beroepsgronden is overwogen, is niet gebleken dat de gevolgen voor [appellant sub 2], waaronder de waardedaling van zijn woning, zo groot zijn dat de raad het plan redelijkerwijs niet heeft mogen vaststellen. Het betoog slaagt niet. Uitvoerbaarheid 37. Oldambt Windmolenvrij en anderen twijfelen aan de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan. Zij wijzen erop dat, omdat aan normen moet worden voldaan, sprake is van een potentieel productieverlies wat zorgt voor minder opbrengsten. Verder is volgens hen onduidelijk in hoeverre het windpark Geefsweer invloed heeft op de rendabiliteit. Hetzelfde geldt voor de invloed van de veranderende overwegende windrichting door klimaatverandering. Oldambt Windmolenvrij en anderen brengen ook naar voren dat planschade een hoge kostenpost is bij windparken vanwege waardedaling van omliggende woningen. Daarbij verwijzen zij naar een Duits onderzoek van 21 januari 2019 van het LeibnizInstitut für Wirtschaftsforschung en naar artikelen op de website van de VPRO, van RTV Noord en de website nu.nl.

Zij stellen dat de raad in dit verband ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het onderzoek "Windturbines, zonneparken en woningprijzen" van december 2019 van de Universiteit van Amsterdam. Volgens hen is niet duidelijk of de initiatiefnemer voldoende geld voor geclaimde planschade heeft gereserveerd. Zij stellen dat daarom inzage moet worden gegeven in de met de initiatiefnemers gesloten anterieure overeenkomst. Het is daarnaast volgens Oldambt Windmolenvrij en anderen niet duidelijk of de voor het windpark benodigde subsidie is of zal worden verleend. Oldambt Windmolenvrij en anderen stellen verder te betwijfelen of het windpark op het elektriciteitsnet kan worden aangesloten. Zij stellen dat de raad het plan niet heeft mogen vaststellen zonder een schriftelijke bevestiging daarover van de netbeheerder. Zij wijzen er ook op dat de samenstelling van de bodem onvoorspelbaar is, waardoor de kosten voor het realiseren van het project kunnen oplopen. Daarnaast stellen zij dat sinds de coronacrisis onderdelen moeilijk verkrijgbaar zijn en investeringen tot een dieptepunt zijn gezakt. 37.1.

Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs op voorhand had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen niet uitvoerbaar is. In artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. 37.2. Koepel en de raad betogen dat het relativiteitsvereiste moet worden tegengeworpen wat betreft de beroepsgronden over de financieel-economische uitvoerbaarheid, omdat Oldambt Windmolenvrij en anderen niet opkomen voor de belangen van grondeigenaren in het plangebied. Verder kunnen Oldambt Windmolenvrij en anderen volgens Koepel niet worden geconfronteerd met nadelige ruimtelijke gevolgen van het plan als het niet wordt uitgevoerd. Deze betogen van Koepel en de raad slagen niet. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 20 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2376, strekt artikel

36

3.1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro er ook toe om te voorkomen dat belanghebbenden worden geconfronteerd met de nadelige ruimtelijke gevolgen van een bestemming die niet uitvoerbaar is. Deze bepaling beoogt de bij het daadwerkelijk realiseren van een bestemming betrokken belangen te beschermen, waaronder in ieder geval begrepen die van grondeigenaren en grondgebruikers in en om het plangebied. Oldambt Windmolenvrij en anderen komen op voor de belangen van grondeigenaren en grondgebruikers in de omgeving van het plangebied. Zij kunnen verder, anders dan Koepel stelt, wel geconfronteerd worden met nadelige ruimtelijke gevolgen van een project dat niet uitvoerbaar is, omdat niet is uitgesloten dat zij bijvoorbeeld zichthinder ervaren van windturbines die wel worden opgericht, maar niet in gebruik worden genomen. Dat betekent dat de Afdeling de beroepsgronden over de uitvoerbaarheid inhoudelijk zal bespreken. 37.3. In hoofdstuk 7 van de plantoelichting is ingegaan op de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan. Daarin staat dat de investeringen en kosten die moeten worden gemaakt, onder meer als gevolg van waardedaling van onroerende zaken, gedragen worden door de initiatiefnemers. Ook staat daarin dat een SDE+ subsidie zal worden gevraagd. 37.4.

De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat ook als later wordt gestart met de bouw van het windpark, de op de inmiddels verleende subsidie gebaseerde rechten niet verloren gaan. Daarnaast hebben initiatiefnemers volgens de raad opbrengstberekeningen gemaakt aan de hand van het langjarig windklimaat, waarin rekening is gehouden met zogeheten zogverliezen door de bestaande windturbines in de omgeving, waaronder het windpark Geefsweer. De effecten van dat windpark hebben geen significant effect op de business case, waardoor het geen gevolgen heeft voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan. De raad heeft er daarbij op gewezen dat het voorliggende windpark het meest zuidelijk gelegen windpark is van de deellocaties binnen het windenergieconcentratiegebied en dat de overheersende windrichting zuidwestelijk is. Ook in het rapport van Pondera dat aan het gewijzigd plan ten grondslag is gelegd, is ingegaan op het productieverlies door de nu gestelde normen. De raad heeft zich op dat rapport gebaseerd en stelt zich nog steeds op het standpunt dat het plan ondanks de geluidmitigerende en slagschaduwbeperkende maatregelen financieel uitvoerbaar is. 37.5. De Afdeling ziet geen aanleiding om het voorgaande voor onjuist te houden.

Alleen de niet nader onderbouwde stelling van Oldambt Windmolenvrij en anderen dat aan de berekeningen over de opbrengsten moet worden getwijfeld, is niet voldoende voor het oordeel dat het standpunt van de raad onjuist moet worden geacht. Het betoog van Oldambt Windmolenvrij en anderen dat de wind door klimaatverandering overwegend vanuit een andere richting waait dan waarvan is uitgegaan, leidt ook niet tot die conclusie, alleen al omdat dit betoog niet nader is onderbouwd. Oldambt Windmolenvrij en anderen hebben niet concreet aangegeven waarom de gegevens waarvan de raad is uitgegaan, niet correct zijn. 37.6. Verder hebben Oldambt Windmolenvrij en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de kosten voor initiatiefnemers in verband met de samenstelling van de bodem en de waardedaling van onroerende zaken zo hoog zullen zijn dat het plan niet zal kunnen worden uitgevoerd. De mededeling van een geoloog dat de bodem onvoorspelbaar is, het genoemde Duitse rapport en het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam acht de Afdeling daarvoor niet voldoende. Dat zich waardedaling zal voordoen door de komst van windturbines, betekent niet dat initiatiefnemers de vergoeding van planschade niet zouden kunnen dragen. Dat Oldambt Windmolenvrij en anderen geen kennis hebben van alle financiële aspecten, zoals de inhoud van de anterieure overeenkomst, is op zichzelf niet

37

voldoende om aan de uitvoerbaarheid te twijfelen. 37.7. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd, ook geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de raad dat de initiatiefnemers een overeenkomst hebben gesloten met de netwerkbeheerder en dat de opdracht is gegeven om de aansluiting van het windpark op het elektriciteitsnetwerk te realiseren en dat deze situatie na het nemen van het herstelbesluit van de raad niet is veranderd. Ten slotte hebben Oldambt Windmolenvrij en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de coronacrisis gevolgen heeft voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Het artikel van 17 april 2020 waar Oldambt Windmolenvrij en anderen naar verwijzen, over het gebrek aan onderdelen voor de bouw van bepaalde windturbines op dat moment, geeft daarvoor onvoldoende grond. De betogen over de financiële uitvoerbaarheid slagen niet. 38. Oldambt Windmolenvrij en anderen betogen dat niet duidelijk is of ter plaatse van het windpark sprake is van met poly- en perfluoralkylstoffen (hierna: PFAS) vervuilde gronden en of wordt voldaan aan het Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. 38.1.

De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die nu niet aan de orde zijn. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft mogen vaststellen als en voor zover hij op voorhand had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 38.2. De afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde woning die niet bij het windpark hoort, is ongeveer 500 m. De normen waar Oldambt Windmolenvrij en anderen zich op beroepen, strekken ter bescherming van de kwaliteit van de bodem. Gelet op de afstand van de windturbines waar de bodemverontreiniging zich zou voordoen, tot woningen die niet behoren tot het windpark, strekken deze normen kennelijk niet ter bescherming van de belangen van Oldambt Windmolenvrij en anderen. Dat betekent dat deze beroepsgrond vanwege het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste niet inhoudelijk wordt besproken. Beroepsgronden over de omgevingsvergunning 39. Hierna zal worden ingegaan op de beroepsgronden die Oldambt Windmolenvrij en anderen naar voren hebben gebracht tegen het besluit van 30 juni 2020, waarbij de omgevingsvergunning is verleend, en dat is gewijzigd bij besluit van 16 februari 2021.

Aan deze beroepsgronden is de Afdeling in de tussenuitspraak niet toegekomen. Procedureel 40. Oldambt Windmolenvrij en anderen betogen dat zich strijd voordoet met de Wabo, omdat de aanvraag om omgevingsvergunning dateert van 6 april 2017 en pas op 13 november 2019 een aanvullende aanvraag is ingediend. Volgens hen had het college de aanvraag moeten weigeren, omdat de gewijzigde aanvraag op een ander project ziet en niet binnen de normale termijnen een besluit is genomen. Zij stellen in hun nader stuk van 1 april 2021 dat de aanvraag van 13 november 2019 geen ondergeschikte wijziging van de oorspronkelijke aanvraag is. 40.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 12

38

december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4089, moet bij de totstandkoming van besluiten op aanvraag die ingevolge artikel 3.10 van de Wabo worden voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Awb, in beginsel op de aanvraag worden beslist zoals die is ingediend en met het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd. Na het ter inzage leggen van het ontwerpbesluit is het niet meer geoorloofd de aanvraag nog te wijzigen en aan te vullen zonder dat een nieuwe ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd, tenzij de wijziging van ondergeschikte aard is of aannemelijk is dat daardoor geen derden worden benadeeld. 40.2. De Afdeling stelt vast dat op 6 april 2017 een aanvraag is ingediend voor het oprichten van 16 windturbines. De aanvraag is op 13 november 2019 aangevuld en gewijzigd. De Afdeling stelt verder vast dat daarover een nieuw ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen van 27 februari 2020 tot en met 8 april 2020. Er is geen wetsregel die ertoe strekt dat de aanvraag moet worden geweigerd, alleen omdat de aanvraag wordt gewijzigd of omdat er tijdsverloop zit tussen de aanvraag en de wijziging van de aanvraag. Het betoog slaagt niet. Activiteit bouwen 41. Oldambt Windmolenvrij en anderen betogen dat in de omgevingsvergunning ten onrechte geen afdwingbare onderhouds- en verwijderingsplicht is opgenomen.

Zij vinden zo’n verplichting nodig, omdat er geen zekerheid is dat de eigenaren van de windturbines de windturbines kunnen onderhouden en op het einde van de levensduur van de windturbines in staat zullen zijn om de sloopkosten te voldoen, bijvoorbeeld door faillissement of liquiditeitsproblemen. In het nader stuk van 1 april 2021 betogen zij dat niet is uitgesloten dat de funderingen blijven liggen. 41.1. Artikel 2.10 van de Wabo bevat de gronden waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo moet worden getoetst. Gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo moet het college uitsluitend beoordelen of zich voor de omgevingsvergunning een van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet de omgevingsvergunning worden verleend. Als dat wel zo is, dan moet deze, als de strijdigheid met artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo niet wordt weggenomen, worden geweigerd. 41.2. In artikel 2.23, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat in een omgevingsvergunning voor een voortdurende activiteit kan worden bepaald dat zij, voor zover zij betrekking heeft op die activiteit, geldt voor een daarbij aangegeven termijn. De Afdeling stelt vast dat in artikel 1.8 van de omgevingsvergunning is bepaald dat deze is verleend voor een periode van 30 jaar.

In artikel 1.8 van de aan de vergunning verbonden voorschriften is bepaald dat, omdat de omgevingsvergunning geldt voor een termijn van 30 jaar, de turbines inclusief bijbehorende voorzieningen, zoals grondplaten en hekwerken, na verloop van deze termijn verwijderd moeten zijn. De fundering maakt daar deel van uit. De bevoegdheid om dit te bepalen staat in artikel 2.23a, eerste lid, van de Wabo. Hieruit volgt dat het na deze periode niet meer is toegestaan dat de vergunde windturbines, met funderingen, worden gebruikt of in het plaatsingsgebied aanwezig zijn. Verder is in artikel 2.2 van de voorschriften bepaald dat van het structureel buiten werking stellen van (delen) van installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten het bevoegd gezag binnen 30 dagen op de hoogte moet worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu

39

kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd, tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden. Gelet hierop mist de beroepsgrond over het ontbreken van een verwijderingsplicht feitelijke grondslag. 41.3. De omstandigheid dat de exploitant in de toekomst mogelijk niet over de middelen kan beschikken om de windturbines te onderhouden en te verwijderen, zoals Oldambt Windmolenvrij en anderen aanvoeren, is verder geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Het betoog slaagt niet. Activiteit milieu 42. Oldambt Windmolenvrij en anderen stellen dat er onvoldoende aandacht is geweest voor de stoffen die worden aan- en afgevoerd bij onderhoud en reparatie. Met verwijzing naar foto’s stellen zij dat de stoffen die worden gebruikt in de gondel, niet altijd kunnen worden opgevangen. 42.1. Het college stelt dat de gondel voldoende capaciteit heeft om eventueel vrijkomend olie of smeermiddel op te vangen. Afvalstoffen die vrijkomen worden volgens het college afgevoerd naar een erkende afvalverwerker. 42.2. Het eerste lid van artikel 2.14 van de Wabo bevat de toetsingsgronden voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet.

Het bevat gronden die in ieder geval bij de beslissing moeten worden betrokken, gronden waarmee in ieder geval rekening moet worden gehouden en gronden die in ieder geval in acht moeten worden genomen. In het derde lid van artikel 2.14 van de Wabo is bepaald dat de omgevingsvergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Dit betekent dat het college een zekere beoordelingsruimte heeft of een omgevingsvergunning al dan niet, in het belang van de bescherming van het milieu, moet worden geweigerd. In artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1˚, van de Wabo is bepaald dat het bevoegd gezag bij zijn beslissing op een aanvraag die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, in ieder geval in acht neemt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT moeten worden toegepast. 42.3. De Afdeling ziet in het weinig concrete betoog van Oldambt Windmolenvrij en anderen geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een meer specifieke beoordeling op dit punt had moeten plaatsvinden. Het betoog slaagt niet. Wijzigingsbesluit van 16 februari 2021 43.

Bij besluit van 16 februari 2021 heeft het college, naar aanleiding van de aanvraag van 9 februari 2021, het besluit van 30 juni 2020 gewijzigd in die zin dat de coördinaten van de inkoopstations met enkele meters zijn gewijzigd en de wijze van meten van de fundatiehoogte van de windturbines in overeenstemming is gebracht met het voor het windpark vastgestelde bestemmingsplan.

40

Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De beroepen van Oldambt Windmolenvrij en anderen en [appellant sub 2] hebben van rechtswege betrekking op dit besluit. [appellant sub 2] heeft aangegeven niet op te komen tegen het besluit, zodat het beroep van rechtswege van [appellant sub 2] geacht wordt te zijn ingetrokken. Oldambt Windmolenvrij en anderen hebben een zienswijze naar voren gebracht over het wijzigingsbesluit van 16 februari 2021. Wat zij daarin hebben aangevoerd, wordt hierna besproken. 44. Oldambt Windmolenvrij en anderen betogen dat geen sprake is van een ondergeschikte wijziging. Zij wijzen erop dat de aanvraag van 9 februari 2021 voortborduurt op de aanvraag van 13 november 2019 en dat zich sinds 2017 veel wijzigingen hebben voorgedaan. Omdat de aanvraag van 13 november 2019 geen ondergeschikte wijziging is ten opzichte van eerdere voor het windpark ingediende aanvragen, is de aanvraag van 9 februari 2021 dat ook niet. 44.1. Zoals hiervoor onder 40 en verder is overwogen, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de aanvraag van 13 november 2019 had moeten worden geweigerd.

Verder heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat de wijziging van 9 februari 2021 een wijziging is van ondergeschikte aard, zodat geen nieuwe aanvraag hoefde te worden ingediend. Het betoog slaagt niet. 45. Oldambt Windmolenvrij en anderen betogen dat niet duidelijk is welke feitelijke gevolgen het gewijzigde voorschrift over de fundering voor hen heeft. Zij wijzen erop dat in de aanvraag van 9 februari 2021 staat dat de fundering 3 m boven het maaiveld kan komen te liggen. Zij stellen verder dat niet duidelijk is wat de bovenkant van de fundering is. 45.1. Voorschrift 1.10 luidde: "De bouwhoogte van de fundering van een windturbine boven maaiveld bedraagt maximaal 1 meter." Het aangepaste voorschrift 1.10 luidt: "De bouwhoogte van de fundering van een windturbine bedraagt maximaal 1 m vanaf het peil tot aan de bovenkant van de fundering." 45.2. In de toelichting bij de omgevingsvergunning zoals op 16 februari 2021 is gewijzigd, staat dat voorschrift 1.10 in overeenstemming is gebracht met wat in de planregels over de wijze van meten is bepaald. In de aanvraag staat dat het praktischer is om te meten vanaf de peilhoogte op wegniveau in plaats van op maaiveldhoogte. Ook is dat in lijn met de planregels, zo staat in de aanvraag. 45.3.

Zoals ook in de tussenuitspraak onder 51.6 is overwogen, is de bouwhoogte van de fundering van een windturbine in artikel 4.1.2, lid a, onder f, van de planregels van het 2020plan beperkt tot 1 m. In artikel 2.1 van de planregels van het 2020-plan is bepaald dat onder de bouwhoogte van een bouwwerk wordt verstaan: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, bliksemafleiders en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

41

In artikel 1 is bepaald dat onder peil wordt verstaan voor windturbines: in geaccidenteerd terrein wordt gemeten vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994. 45.4. Er is naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college de aanvraag van 9 februari 2021 had moeten weigeren. Anders dan Oldambt Windmolenvrij en anderen stellen, staat niet in de aanvraag dat de fundering nu een hoogte zal hebben van 3 m. Wel staat in de aanvraag dat de funderingen door het gewijzigde voorschrift iets hoger kunnen worden uitgevoerd. Onder 51.6 van de tussenuitspraak is overwogen, dat er geen grote verschillen zijn in de hoogte van het omliggende terrein in het plangebied. Het betoog slaagt niet. 46. Oldambt Windmolenvrij en anderen betogen dat niet duidelijk is waarom het nodig is om de locatie van de inkoopstations te wijzigen. Zij stellen verder dat uit deze wijziging duidelijk wordt dat het voorheen vastgestelde plan onjuist was. 46.1. In de aanvraag van 9 februari 2021 staat dat in de omgevingsvergunning die op 30 juni 2020 is verleend, abusievelijk niet de juiste coördinaten van de inkoopstations zijn opgenomen.

Verder wordt verzocht om, uit oogpunt van optimalisatie, een minimale verschuiving van de posities van de inkoopstations ten opzichte van de aanvraag van 13 november 2019, waardoor de inkoopstations dichter bij de windturbines 14 en 15 komen te liggen. 46.2. De Afdeling stelt vast dat het betoog dat niet duidelijk is waarom de locaties zijn gewijzigd, feitelijke grondslag mist. Verder stelt de Afdeling vast dat het betoog van Oldambt Windmolenvrij en anderen over het eerder vastgestelde plan niet is gericht tegen het besluit waarbij de omgevingsvergunning is gewijzigd. Het betoog slaagt niet. Conclusie over beroepsgronden over het plan en de omgevingsvergunning, waarover in de tussenuitspraak niet is geoordeeld 47. De beroepsgronden van Oldambt Windmolenvrij en anderen en [appellant sub 2], waar in de tussenuitspraak niet over is geoordeeld, geven geen grond voor het oordeel dat de raad het plan niet heeft mogen vaststellen. De beroepsgronden van Oldambt Windmolenvrij en anderen geven ook geen grond voor het oordeel dat de aanvraag om een omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd en het wijzigingsbesluit van 16 februari 2021 niet mocht worden genomen. CONCLUSIE 48.

Uit wat hiervoor in deze einduitspraak is overwogen, volgt dat de betogen in de zienswijzen die over de herstelbesluiten van de raad en het college naar voren zijn gebracht niet slagen, behalve voor zover in artikel 4.1.4, onder b, van de planregels en in artikel 2.10, onder a, van de aan de vergunning verbonden voorschriften molenaarswoningen niet zijn uitgezonderd. De in de tussenuitspraak onbesproken gebleven beroepsgronden tegen de besluiten van 25 juni 2020, 30 juni 2020 en 16 februari 2021 slagen niet. 49. Uit wat in de tussenuitspraak is overwogen, volgt dat het bestemmingsplan is vastgesteld en de omgevingsvergunning is verleend in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Dat betekent dat de beroepen van Oldambt Windmolenvrij en anderen en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van 25 juni 2020 en het besluit van het college

42

van 30 juni 2020 gegrond zijn. Deze besluiten moeten daarom worden vernietigd. Het van rechtswege ontstane beroep van Oldambt Windmolenvrij en anderen tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van 16 februari 2021 is ongegrond. Het van rechtswege ontstane beroep van Oldambt Windmolenvrij en anderen tegen het herstelbesluit van de raad van 21 december 2021 en het herstelbesluit van het college van 23 december 2021 is gegrond. Deze besluiten moeten worden vernietigd voor zover in artikel 4.1.4, onder b, van de planregels en in artikel 2.10, onder a, van de vergunningvoorschriften niet is bepaald dat molenaarswoningen van de geluidnormen zijn uitgezonderd. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 2] tegen de herstelbesluiten is ongegrond. De rechtsgevolgen van de besluiten van 25 juni 2020 en 30 juni 2020 laat de Afdeling, voor zover de besluiten niet zijn gewijzigd door de herstelbesluiten, in stand.

Omdat het betoog van Oldambt Windmolenvrij en anderen wat hiervoor onder 34 en verder over de molenaarswoningen is besproken, niet slaagt, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, door artikel 4.1.4, onder b, van de planregels en artikel 2.10, onder a, van de vergunningvoorschriften aan te passen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treeft van de herstelbesluiten, voor zover deze zijn vernietigd. 50. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. 51. De raad en het college moeten de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van Stichting Oldambt Windmolenvrij.nl en anderen en het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellante sub 2C] tegen het besluit van de raad van de gemeente Delfzijl van 25 juni 2020 en het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 30 juni 2020 gegrond; II. vernietigt deze besluiten; III.

bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven, voor zover deze besluiten niet door de besluiten van 21 december 2021 van de raad van de gemeente Eemsdelta en van 23 december 2021 van het college van gedeputeerde staten van Groningen zijn gewijzigd; IV. verklaart het beroep van Stichting Oldambt Windmolenvrij.nl en anderen tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 16 februari 2021 ongegrond; V. verklaart het beroep van Stichting Oldambt Windmolenvrij.nl en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Eemsdelta van 21 december 2021 en het besluit van het college van gedeputeerde staten van 23 december 2021 gegrond, VI. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eemsdelta van 21 december 2021, voor zover het artikel 4.1.4, onder b, van de planregels betreft;

43

VII. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van 23 december 2021, voor zover het vergunningvoorschrift 2.10, onder a, betreft; VIII. bepaalt dat artikel 4.1.4, onder b, van de planregels als volgt komt te luiden: "Het geluidsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen en op de grens van gevoelige terreinen, uitgezonderd molenaarswoningen en daarbij behorende gebouwen en terreinen, veroorzaakt door alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming "Bedrijf Windturbinepark Voorlopig" tezamen mag niet meer bedragen dan 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken mag uitsluitend worden verleend als aan deze geluidsnorm kan worden voldaan. Op deze bepaling is de Handhavingsen rekenmethodiek van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels."; IX. bepaalt dat artikel 2.10, onder a, van de vergunningvoorschriften komt te luiden: "De windturbines van het windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding mogen gezamenlijk niet meer geluid veroorzaken dan 47 dB Lden en 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen en op de grens van gevoelige terreinen, uitgezonderd molenaarswoningen, zoals bedoeld in artikel 1.6 van de regels van het bestemmingsplan "Wijziging Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding 2020", en daarbij behorende gebouwen en terreinen."; X.

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 21 december 2021 van de raad van de gemeente Eemsdelta en van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 23 december 2021; XI. draagt de raad van de gemeente Eemsdelta op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel VIII wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl; XII. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellante sub 2C] tegen het besluit van 21 december 2021 van de raad van de gemeente Eemsdelta en het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 23 december 2021 ongegrond; XIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Groningen en de raad van de gemeente Eemsdelta gezamenlijk tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van: a. € 4.185,00 aan Stichting Oldambt Windmolenvrij.nl en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan; b.

€ 2.092,50 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellante sub 2C], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan; XIV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Groningen en de raad van de gemeente Eemsdelta gezamenlijk aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: a. € 354,00 aan Stichting Oldambt Windmolenvrij.nl en anderen, met dien verstande dat

44

betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan; b. € 354,00 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellante sub 2C], met dien verstande dat betaling van genoemd bedrag aan een van hen de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan. Aldus vastgesteld op 30 maart 2023 door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, griffier. w.g. Van Diepenbeek voorzitter w.g. Duursma griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2023 378

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8322/documents/50946