11-11-2025 GreenTrust Bijlage 1 - Windpark Delfzijl Beoordeling lokale normen.pdf
Tekst van het document
Zij wijzen erop dat ook in het deskundigenbericht van de STAB staat dat gekeken had moeten worden naar bijvoorbeeld afstandsnormen of een geluidniveau gerelateerd aan het type omgeving of een geluidniveau gerelateerd aan het heersende
18
achtergrondgeluid. Daarbij wijzen Oldambt Windmolenvrij en anderen erop dat de omgeving van het plangebied dun bevolkt en dun bebouwd is. Op de zitting hebben Oldambt Windmolenvrij en anderen in dit verband toegelicht dat omwonenden de windturbines van andere windparken in de buurt ook al kunnen horen. Zij wijzen er ook op dat er momenteel onderzoek wordt uitgevoerd naar afstandsnormen. 24.1. In het aanvullend rapport van Pondera staat dat de afweging die is gemaakt, verband houdt met een gebiedsgerichte benadering. Dat komt ten eerste omdat bij het toepassen van de dosishinderrelatie gekeken is naar de spreiding en aanwezigheid van het aantal woningen in de omgeving. Ten tweede is de aard van de omgeving in de afweging betrokken. De omgeving is landelijk, met daarin een concentratie van windturbines en industrie, omdat het gebied daarvoor is aangewezen in het provinciale beleid. Ten derde is gekeken naar het al heersende geluidsniveau, dat is het referentieniveau, omdat ook de cumulatieve geluidbelasting van de windparken samen en van andere geluidbronnen inzichtelijk is gemaakt. In het aanvullend rapport van Pondera staat dat een afstandsnorm niet geschikt is, omdat deze geen rekening houdt met het daadwerkelijk optredende geluidniveau, dat afhangt van het aantal windturbines, het windturbinetype en de typering van de omgeving.
Een normering die alleen is gebaseerd op een gebiedsgerichte benadering, is volgens het aanvullend rapport van Pondera niet goed te onderbouwen, omdat er in ieder geval geen wetenschappelijke basis is om de hinderbeleving aan specifieke gebiedseigenschappen te koppelen. Bij een norm die is gerelateerd aan het al aanwezig achtergrondgeluidniveau, wordt volgens het aanvullend rapport van Pondera genegeerd dat er een dosishinderrelatie is tussen de specifieke geluidbelasting door windturbinegeluid zelf en de ondervonden hinder. 24.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee deugdelijk gemotiveerd dat hij, vanwege het provinciale concentratiebeleid, niet heeft gekozen voor een afstandsnorm, een norm op basis van het type omgeving of een norm op basis van het referentieniveau. In de provinciale "Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl" staat dat voor de bundeling van windenergie in de omgeving van het plangebied is gekozen, omdat het een gebied is waar zware chemische, energie-gerelateerde en zeehaven-gebonden bedrijvigheid is toegestaan. Inpassing van windturbines in deze omgeving zal volgens de structuurvisie tot een relatief geringere toename van gehinderden leiden dan inpassing van windturbines in een stille omgeving.
Daarnaast heeft de raad bij het op basis van de dosishinderrelatie in beeld brengen van het aantal gehinderden juist de spreiding en aanwezigheid van het aantal woningen in de omgeving betrokken. Laagfrequent geluid 25. Oldambt Windmolenvrij en anderen brengen naar voren dat windturbines hinderlijk geluid veroorzaken. Zij stellen dat het aandeel laagfrequent geluid in het geluidspectrum bij windturbines onevenredig groot is, waartegen de dosismaten Lden en Lnight onvoldoende bescherming bieden. Zij vinden dat een afzonderlijke norm voor laagfrequent geluid had moeten worden vastgesteld. Zij wijzen erop dat in het plan-MER dat voor de landelijke bepalingen voor windturbines wordt opgesteld, een norm over laagfrequent geluid zal worden onderzocht. [appellant sub 2] brengt ook naar voren dat onvoldoende duidelijk is of de gestelde normen wel bescherming bieden tegen hinder door laagfrequent geluid. Hij stelt dat daarvoor in andere landen verdergaande normen gelden. 25.1. In de toelichting van het gewijzigd plan staat dat het niet nodig is om een afzonderlijke norm voor hinder vanwege laagfrequent geluid te stellen, omdat het aandeel daarvan niet
19
onevenredig groot is. In het rapport van Pondera is vermeld dat windturbines geluid produceren over het hele spectrum van lage en hoge tonen. Er is geen specifiek groot aandeel in de frequenties onder de 100 Hz en het is niet significant toegenomen bij hogere windturbines. Niettemin is wel een berekening gemaakt volgens de Vercammen-curve, die als bijlage bij het rapport van Pondera is gevoegd. Daaruit volgt dat de curve bij woningen die een geluidbelasting van 47 Lden of minder ervaren, niet zal worden overschreden. De raad stelt in reactie op het deskundigenbericht dat het aandeel laagfrequent geluid niet significant is toegenomen met het formaat van de windturbines. Daarom is er volgens de raad geen aanleiding om aan te nemen dat daardoor meer hinder wordt veroorzaakt dan is verondersteld en is nader onderzoek niet nodig. 25.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat laagfrequent geluid niet zoveel meer hinder veroorzaakt dat in verband daarmee de normstelling had moeten worden aangepast of daarvoor een afzonderlijke norm had moeten worden vastgesteld. Hierbij betrekt de Afdeling dat in het deskundigenbericht staat dat de verwachte toename van laagfrequent geluid bij hogere windturbines gering is en dat laagfrequent geluid niet de voornaamste oorzaak van hinder is.
Ook acht de Afdeling van belang dat voor het gewijzigd plan een berekening is uitgevoerd aan de hand van de Vercammen-curve die de belasting vanwege laagfrequent geluid in beeld heeft gebracht. Uit die berekening volgt dat die curve niet wordt overschreden bij een geluidbelasting van 47 dB Lden of minder. De Afdeling heeft in onder meer de uitspraak van 30 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2308), de Vercammen curve geschikt geacht om de aanvaardbaarheid van laagfrequent geluid te beoordelen. Het betoog van Oldambt Windmolenvrij en anderen en [appellant sub 2] geeft geen aanleiding om daar nu anders over te denken. (Extreme) Amplitudemodulatie 26. Oldambt Windmolenvrij en anderen brengen naar voren dat ook het zogenoemde impulsgeluid zorgt voor extra hinder als het gaat om windturbinegeluid. De Afdeling begrijpt dit betoog van Oldambt Windmolenvrij en anderen zo, dat zij daarmee doelen op het ritmische variërende geluid dat wordt aangeduid als amplitudemodulatie. Oldambt Windmolenvrij en anderen verwijzen naar het deskundigenbericht.
Daarin staat dat in het rapport "Notitie windturbinegeluid en gezondheid" van TNO van 15 maart 2017 (hierna: het TNO-rapport uit 2017) is vermeld dat vooral het ritmische geluid, bestaande uit regelmatige geluidpieken boven op een constante ruis, dat wordt veroorzaakt door de rotorbladen, als hinderlijk wordt ervaren en een mogelijke verklaring is voor de extra hinderlijkheid van windturbinegeluid ten opzichte van bijvoorbeeld wegverkeersgeluid met hetzelfde geluidniveau. In het deskundigenbericht staat dat amplitudemodulatie ook een extreme vorm kan aannemen, waaraan de raad geen aandacht besteed heeft. Daardoor is er een forsere toename van de fluctuatie van het momentane geluidniveau (het geluidniveau dat zich maximaal op een bepaald moment voordoet), waardoor het geluid ritmischer gaat klinken en meer opvalt, vooral ’s nachts, op grotere afstand. Daarbij verwijst de STAB naar de "Factsheet gezondheidseffecten van windturbinegeluid" van het RIVM van juli 2021 (hierna: Factsheet van het RIVM uit 2021). Ook is van belang dat het geluid van andere geluidbronnen in de nacht (deels) wegvalt, zo staat in het deskundigenbericht. Uit het onderzoek "Massachusetts Study on Wind Turbine Acoustics" van RSG en anderen uit 2016, is gebleken dat bij extreme amplitudemodulatie zich een variatie van 4,5 dB in modulatiediepte kan voordoen, zo staat ook in het deskundigenbericht.
Het is lastig te voorspellen wanneer deze extreme situatie zich voordoet, omdat het afhangt van het weer, de lokale situatie en het type windturbine. 26.1. De raad stelt dat de hinder vanwege amplitudemodulatie is betrokken in de
20
dosishinderrelatie en daarmee in de belangenafweging en het stellen van de jaargemiddelde norm is meegenomen. In het aanvullend rapport van Pondera, waarin wordt gereageerd op het deskundigenbericht en waar de raad naar verwijst, wordt er in dit verband op gewezen dat amplitudemodulatie niet een afzonderlijk aspect is van windturbinegeluid, maar juist een kenmerkend onderdeel ervan. Onder verwijzing naar het TNO-rapport uit 2017 stelt Pondera dat de amplitudemodulatie niet in de wettelijke geluidmaten is meegenomen, maar dat via een strengere norm, dat wil zeggen: een lagere getalswaarde aan dB dan bijvoorbeeld bij wegverkeer of railverkeer, met de extra hinder rekening wordt gehouden. In het aanvullend rapport van Pondera staat dat amplitudemodulatie duidelijker hoorbaar kan zijn als er een groter verschil dan normaal is in windsnelheid tussen verschillende luchtlagen op verschillende hoogtes. Dan wordt gesproken van extreme amplitudemodulatie. Daardoor kan het karakter van het geluid veranderen. In het aanvullend rapport van Pondera staat verder dat het niet zo is dat bij een hoge mate van windschering zich altijd een vorm van extreme amplitudemodulatie voordoet. De oorzaak van extreme amplitudemodulatie is ook niet helemaal duidelijk. Extreme amplitudemodulatie is alleen waargenomen bij een beperkt aantal windparken.
Het is voor windturbines en windparken een onregelmatig en atypisch fenomeen. Ook daardoor wordt onderzoek naar extreme amplitudemodulatie bemoeilijkt en is het lastig om maatregelen te treffen om het tegen te gaan. Uit het in het deskundigenbericht genoemde onderzoek uit de Verenigde Staten volgt dat de modulatiediepte op een vlak terrein 91% van de tijd 2 dB of minder was en in 0,13% van de tijd 4,5 dB of meer, wat betekent dat dat laatste slechts sporadisch voorkomt. 26.2. De Afdeling stelt vast dat de raad zich er bij het stellen van de norm rekenschap van heeft gegeven dat het verschijnsel amplitudemodulatie onderdeel is van het karakteristieke geluid dat door windturbines wordt veroorzaakt en daarmee onderdeel is van de hinder die omwonenden ervaren. Dit staat in de rapporten van Pondera, waar de raad zich op baseert. De Afdeling stelt ook vast dat in het deskundigenbericht wordt bevestigd dat dit verschijnsel in beginsel is betrokken in het bronvermogen van de windturbines. De STAB onderschrijft echter niet de stelling van de raad dat in de normering al rekening is gehouden met de extra hinderlijkheid door een lagere grenswaarde aan dB te hanteren dan bij andere geluidbronnen, zoals wegverkeer en railverkeer. Als deze stelling al juist zou zijn, dan is volgens STAB nog niet duidelijk in welke mate de hinderlijkheid van amplitudegeluid in de normstelling is meegenomen.
Uit het deskundigenbericht volgt echter ook dat in verschillende onderzoeken nog geen eenduidige conclusies zijn getrokken over de mate waarin amplitudemodulatie verantwoordelijk is voor hinder door windturbinegeluid en een afzonderlijke normering vergt. In het deskundigenbericht is verder vermeld dat in het rapport van het RIVM uit 2021 staat dat het geen ondubbelzinnige oorzakelijke factor voor hinder is, omdat ook het zicht op de windturbine een belangrijke factor is. 26.3. De Afdeling ziet gelet op het aanvullend rapport van Pondera niet dat de raad het verschijnsel amplitudemodulatie heeft miskend of dat van de raad kon worden gevergd om daarnaar nader onderzoek te doen. Hetzelfde geldt voor het verschijnsel van extreme amplitudemodulatie. Hierbij betrekt de Afdeling dat zij geen aanleiding ziet om eraan te twijfelen dat extreme amplitudemodulatie een niet gebruikelijk en sporadisch voorkomend verschijnsel is. Daarbij komt dat het niet duidelijk is waardoor het wordt veroorzaakt, zodat het treffen van maatregelen erg moeilijk is. De Afdeling tekent verder nog aan dat de door de STAB gemelde variatie in modulatiediepte, zoals ook op de zitting aan de orde is geweest, een variatie in geluidsterkte is en niet een toename daarvan.
Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de amplitudemodulatie had moeten uitgaan van andere dosismaten dan Lden en
21
Lnight. Gezondheid 27. Oldambt Windmolenvrij en anderen vrezen dat het windpark gevolgen heeft voor de gezondheid en betogen dat zich daarom strijd voordoet met het voorzorgsbeginsel. Zij voeren aan dat omwonenden van bestaande windparken veel hinder en gezondheidsklachten ervaren. Zij stellen dat het RIVM heeft vastgesteld dat zich ernstige gezondheidseffecten, zoals coronaire hartziekten, voordoen bij veel lagere geluidniveaus dan eerder is aangenomen. Zij verwijzen ook naar rapporten van M. Alves-Pereira, J. de Laat en anderen en D. Bijl. Zij voeren verder aan dat de WHO aangeeft dat geluid boven de waarde van 45 dB Lden wordt geassocieerd met gezondheidseffecten en ook dat het RIVM al in 2009 een norm van 40 dB heeft geadviseerd. Daarnaast wijzen zij erop dat laagfrequent geluid slaapverstoring veroorzaakt en dat onderzoeken gaande zijn naar de effecten van windturbinegeluid op slaapverstoring. Daarbij stellen zij dat in het TNO-rapport uit 2008 al is aangegeven dat er een mogelijk significant effect is. Ook brengen zij naar voren dat het RIVM een expertisecentrum heeft opgericht om gezondheidsschade vanwege windturbines te monitoren en voeren zij aan dat er momenteel diverse onderzoeken worden uitgevoerd die zich richten op gezondheidseffecten en afstandsnormen. 27.1.
In de toelichting bij het gewijzigd plan staat dat blootstelling aan geluid kan leiden tot hinder of aan stress gerelateerde klachten, met name in de nachtperiode in geval van slaapverstoring. Dat geldt ook voor geluid van windturbines. Daarbij verwijst de toelichting naar het RIVM-rapport uit 2020. In dat rapport staat ook dat niet is gebleken dat laagfrequent geluid bij windturbines zorgt voor extra hinder. Voor andere gezondheidseffecten dan hinder ontbreekt volgens dit rapport consistent bewijs. Dat staat ook in het rapport "Environmental Noise Guidelines for the European Region" van de WHO uit 2018 (hierna: WHO-rapport uit 2018), zo is vermeld in de plantoelichting. In het aanvullend rapport van Pondera staat dat in het WHO-rapport uit 2018 niet staat dat zich onder de advieswaarde van 45 dB Lden geen negatieve gevolgen voordoen. Mogelijk negatieve gezondheidsgevolgen kunnen zich voordoen in verband met ernstige hinder en van die ernstige hinder kan zowel boven als beneden de advieswaarde sprake zijn. Boven de advieswaarde is het aantal ernstig gehinderden hoger dan onder de advieswaarde, maar ook onder de advieswaarde zal sprake zijn van ernstig gehinderden. Uit wetenschappelijke onderzoeken volgt niet dat er een verschil is in de aard van gezondheidseffecten bij een belasting van boven of onder de advieswaarde, zo staat in het aanvullend rapport van Pondera.
Het door de WHO geadviseerde geluidniveau van 45 dB Lden is dan ook een voorwaardelijk advies. In het aanvullend rapport van Pondera wordt er verder op gewezen dat ook de WHO erkent dat het bepalen van een aanvaardbaar geluidsniveau een afweging is van meerdere aspecten. Verder verwijst de raad in de plantoelichting nog naar de Factsheet van het RIVM uit 2021, waarin geen andere inzichten zijn gegeven. 27.2. In het deskundigenbericht wordt een chronologische samenvatting gegeven van de bevindingen van de belangrijkste onderzoeken vanaf 2007. De door Oldambt Windmolenvrij en anderen genoemde publicaties zijn in die samenvatting opgenomen (zoals het rapport van Bijl of de bevindingen van De Laat) of zijn besproken in de opgenomen onderzoeken (AlvesPereira) in die samenvatting. In het deskundigenbericht staat dat er voldoende bewijs is voor hinder, maar dat er geen bewijs is voor andere gezondheidseffecten als gevolg van windturbinegeluid met uitzondering van slaapverstoring. Voor slaapverstoring is er wel een verband gevonden, maar hiervoor zijn maar een beperkt aantal studies gedaan en de resultaten daarvan zijn volgens de STAB niet eenduidig. Er is volgens de STAB geen wetenschappelijk bewijs geleverd voor een causaal verband tussen laagfrequent geluid en
22
infrageluid van windturbines en "Wind Turbine Syndrome" (WTS) of "Vibro Acoustic Disease" (VAD), waar in de door Oldambt Windmolenvrij en anderen bedoelde publicaties op wordt gewezen. 27.3. Zoals is geoordeeld in meerdere uitspraken van de Afdeling over windparken, waaronder de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, strekt het voorzorgsbeginsel niet zover dat de raad op basis van publicaties, waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, van de vaststelling van het plan had behoren af te zien. De omstandigheid dat er publicaties zijn die, om ieder risico bij voorbaat uit te sluiten, een hogere mate van bescherming of een grotere afstand tot windturbines aanbevelen, of dat, zoals in het deskundigenbericht staat, het wenselijk is dat nader onderzoek wordt verricht, betekent dan ook op zichzelf niet dat de raad het plan niet mocht vaststellen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat zulk nader onderzoek jaren vergt en bij voorkeur op landelijke schaal zou moeten worden uitgevoerd. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar haar uitspraak over het windpark Greenport Venlo van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4210, onder 29 en verder.
Daarin is overwogen dat voorzorg van betekenis kan zijn bij de door raad te maken afweging, maar dat het beoordelen van een voor de maatschappij al dan niet aanvaardbaar risico primair een bestuurlijke taak is. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor een andere conclusie over de gevolgen van windturbinegeluid voor de gezondheid dan dat zij in eerdere uitspraken over windparken heeft overwogen. Zoals eerder is overwogen in de uitspraak over het windpark Jacobahaven van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:281, komt aan het advies van de WHO in dit verband geen beslissende betekenis toe, omdat het gaat om een voorwaardelijk advies met, zoals ook in het RIVM rapport uit 2020 staat, als laag te beschouwen bewijs. De Afdeling is dan ook van oordeel dat in de gegeven omstandigheden van de raad nader onderzoek naar gezondheidseffecten van windturbinegeluid niet kan worden gevergd. Het voorgaande betekent dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de raad vanuit het oogpunt van gezondheid niet van de norm van 47 dB Lden had mogen uitgaan. Conclusie geluidnormen 28.
De Afdeling komt wat betreft de geluidnormen tot de slotsom dat de bezwaren en kanttekeningen die Oldambt Windmolenvrij en anderen en [appellant sub 2] hebben gemaakt over de gehanteerde rekenmethode, het in het onderzoek betrokken type windturbine, de gehanteerde dosismaat, de in aanmerking genomen dosishinderrelatie, het in aanmerking nemen van afstandsnormen of een gebiedsgerichte normering, de betekenis van het laagfrequent geluid en die van (extreme) amplitudemodulatie als ook de gevolgen van windturbinegeluid op de gezondheid, niet kunnen leiden tot het oordeel dat de raad niet had mogen kiezen voor de geluidnorm van 47 dB Lden en 41 Lnight. Bij de keuze voor deze norm heeft de raad op basis van de onderzoeken van Pondera een afweging gemaakt tussen het aantal omwonenden dat volgens verschillende inschattingen bij een bepaalde geluidsnorm ernstige hinder zal ondervinden van het windpark enerzijds en de energieproductie die met het windpark kan worden gerealiseerd anderzijds. Daarmee heeft de raad invulling gegeven aan de beoordeling van de evenredigheid, waarbij de nadelige gevolgen van het besluit worden afgewogen tegen de met het besluit te dienen doelen.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in deze situatie tot deze afweging kunnen komen waarbij van belang is dat een strengere geluidsnorm een beperkt effect heeft op het aantal mogelijk ernstig gehinderden maar wel een belangrijk opbrengstverlies tot gevolg heeft. De Afdeling tekent hierbij aan dat de raad in dit verband ook rekening kon en mocht houden met het gegeven dat het betrokken gebied in het provinciaal beleid is aangewezen als concentratiegebied voor windenergie.
23
Dit betekent dat de betogen over de geluidnormen niet slagen. Tot goed begrip van appellanten wijst de Afdeling nog erop dat de raad op de zitting naar voren heeft gebracht dat, mocht in toekomstige onderzoeken aanleiding worden gevonden om een strengere geluidnorm te stellen voor windturbinegeluid, het niet is uitgesloten dat die gewijzigde inzichten aanleiding kunnen geven tot aanpassing van de planregel op dit punt. Slagschaduwnormen in het gewijzigd plan 29. Artikel 4.1.4, onder e, lid c, van de planregels van het 2020-plan, zoals is gewijzigd door het gewijzigd plan, luidt: "1. De slagschaduwduur op ramen binnen de gevel van slagschaduw gevoelige objecten, gelegen binnen 1.810 meter vanaf het middelpunt van een windturbine, veroorzaakt door alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming "Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig" tezamen mag niet meer bedragen dan 0 uur per jaar, uitgezonderd de tijd die noodzakelijk is voor het afschakelen van de windturbines als gevolg van de automatische stilstandvoorziening, en; 2. De slagschaduwduur op ramen binnen de gevel van overige slagschaduw gevoelige objecten, gelegen binnen 1.810 meter vanaf het middelpunt van een windturbine, veroorzaakt door alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming "Bedrijf Windturbinepark Voorlopig" tezamen mag niet meer bedragen dan 6 uur per jaar." 29.1.
In de toelichting van het gewijzigd plan staat dat in de bestaande situatie al sprake is van slagschaduw van de bestaande windparken Delfzijl Zuid en Geefsweer. De raad wil de slagschaduw voor omwonenden niet laten toenemen en heeft daarom in de planregels bepaald dat het windpark geen slagschaduw mag veroorzaken op slagschaduwgevoelige objecten. Omdat het tijd kost om een windmolen stil te zetten als slagschaduw optreedt, zal enige slagschaduw niet te voorkomen zijn. Daarom is bepaald dat gedurende de tijd die nodig is om de windturbines af te schakelen, wel slagschaduw mag worden veroorzaakt. Volgens het rapport van Pondera zal dat niet meer zijn dan in totaal 2 uur per jaar. 29.2. Oldambt Windmolenvrij en anderen hebben op de zitting aangegeven dat hun beroepsgrond over slagschaduw is beperkt tot het betoog dat ten onrechte niet in de planregels is geborgd dat niet meer dan 2 uur per jaar slagschaduw zal optreden op de gevel van slagschaduwgevoelige objecten. Volgens hen kan de veronderstelde maximale slagschaduwduur nu niet worden gehandhaafd. [appellant sub 2] heeft geen gronden aangevoerd over de norm voor slagschaduw. 29.3.
De Afdeling stelt vast dat in artikel 4.1.4, onder e, lid c, sub 1, van de planregels van het 2020-plan, zoals is gewijzigd door het gewijzigd plan, is bepaald dat alleen slagschaduw mag optreden gedurende de tijd die noodzakelijk is om een windturbine stil te zetten. Koepel heeft in een nader stuk toegelicht dat het stilzetten van een windturbine die op vol vermogen draait, wanneer het flink waait, maximaal één minuut in beslag neemt. Het is, zoals Koepel heeft toegelicht, onwaarschijnlijk dat dat voor één slagschaduwgevoelig object vaker dan 120 maal per jaar voorkomt. Daarbij is ook van belang dat een windturbine niet altijd op vol vermogen zal draaien, waardoor het stilzetten ervan ook niet altijd één minuut nodig zal hebben. Oldambt Windmolenvrij en anderen hebben geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waarin aanleiding kan worden gevonden te twijfelen aan de juistheid van deze toelichting. De Afdeling ziet daarom geen reden om ervan uit te gaan dat door het stilzetten van de windturbine meer slagschaduw zal optreden dan waar de raad
24
vanuit is gegaan. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad het niet nodig heeft hoeven achten om in de planregels te bepalen dat de slagschaduw die ontstaat tijdens het stilzetten van de windturbine, niet meer mag zijn dan 2 uur per jaar of dat het stilzetten niet meer dan 1 minuut in beslag mag nemen. Het betoog slaagt niet. Normen voor externe veiligheid in het gewijzigd plan 30. In artikel 4.1 van de planregels van het gewijzigd plan is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding "veiligheidszone - windturbine PR10-5" kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zijn uitgesloten. In artikel 4.2 van de planregels van het gewijzigd plan is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding "veiligheidszone - windturbine PR10-6" kwetsbare objecten zijn uitgesloten. In artikel 1.5 van de planregels van het gewijzigd plan is bepaald dat onder beperkt kwetsbaar object moet worden verstaan objecten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zoals dit luidde ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Onder kwetsbaar object moet volgens dat artikel worden verstaan objecten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder l, van het Bevi zoals dit luidde ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. 30.1.
Oldambt Windmolenvrij en anderen hebben op de zitting toegelicht dat hun betoog over externe veiligheid gaat over de beperkte afstand van de windturbines tot woningen, wegen, een fietspad, tuinen, land en waterwegen, en over het risico op overstromingen en het risico op aardbevingen vanwege de gaswinning in het gebied. Zij stellen dat deze risico’s ten onrechte niet in kaart zijn gebracht en wijzen erop dat niet is uitgesloten dat windturbines door een aardbeving "door het gebied gaan rollen". Volgens hen mocht de raad niet aansluiten bij het Handboek risicozonering windturbines, omdat daarin geen rekening wordt gehouden met deze locatiespecifieke omstandigheden. De gevolgen voor de externe veiligheid zijn daarom onderschat. Zij wijzen er in dit verband ook op dat het plan voorziet in de mogelijkheid om de positie van een aantal windturbines op te schuiven en dat niet duidelijk is welk windturbinetype wordt geplaatst. Zij voeren verder aan dat niet duidelijk is waarom onderscheid wordt gemaakt tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Daarbij wijzen zij erop dat onder kwetsbare objecten verspreid liggende woningen vallen en dat in de omgeving van het windpark woningen staan die daarom niet worden beschermd. Volgens hen is de aanwezigheidsduur van personen in omliggende woningen en schuren en op omliggende percelen onderschat.
[appellant sub 2] stelt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met risico’s voor objecten en activiteiten die niet worden begrepen onder kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Hij wijst op risico’s voor het wegverkeer, zoals fietsers. Hij voert aan dat de keuze voor de gestelde norm niet deugdelijk is gemotiveerd, omdat niet duidelijk is waarom het risico aanmerkelijk lager ligt dan andere algemeen aanvaarde maatschappelijke risico’s, zoals staat in de plantoelichting van het gewijzigd plan. 30.2. In de toelichting van het gewijzigd plan staat dat, hoewel het risico zeer klein is, windturbines kunnen omvallen of dat onderdelen kunnen afbreken. Om personen in de omgeving daartegen te beschermen zijn in het plan veiligheidscontouren opgenomen, die zijn gebaseerd op een risicobenadering.
25
In de plantoelichting van het gewijzigd plan en in het rapport van Pondera, waar in de plantoelichting naar wordt verwezen, wordt nader ingegaan op de keuze voor deze wijze van normstelling. Gekozen is voor een norm op grond van een risicobenadering, omdat deze al sinds lange tijd wordt gehanteerd en aanvaardbaar geacht voor het bepalen van de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat die persoon op die plaats in de omgeving permanent, 24 uur per dag en gedurende 365 dagen, en onbeschermd verblijft. Een norm van PR10-6 betekent dat er een trefkans is van 1 op de miljoen jaar bij continue jaarlang onbeschermd verblijf en een norm van PR 10-5 houdt een trefkans in van 1 op de 100.000 jaar bij continue jaarlang onbeschermd verblijf. Aangegeven is dat passanten op bijvoorbeeld wegen risico’s kunnen ondervinden door de aanwezigheid van windturbines. De verblijfstijden van passerende personen zijn echter, zo staat in het rapport van Pondera, zo klein dat dit geen significante risico’s oplevert in vergelijking met permanent aanwezige personen. In de toelichting van het gewijzigd plan staat dat de PR10-6-contour gelijk is aan de maximale tiphoogte van de windturbine en de PR10-5-contour gelijk is aan de maximale halve rotordiameter van de windturbine. 30.3.
In het aanvullend rapport van Pondera is toegelicht dat bij het bepalen van het plaatsgebonden risico alle faalscenario’s die kunnen optreden en het risico dat deze zich voordoen, zijn berekend aan de hand van de systematiek in het Handboek risicozonering windturbines. In het plan is echter ook rekening gehouden met de omstandigheid dat specifieke windturbines grotere PR-contouren kunnen hebben dan is berekend. Daarom is voor deze contouren in het plan uitgegaan van de maximale effectafstand gelijk aan de tiphoogte in verband met het faalscenario mastfalen en uitgegaan van een maximale effectafstand gelijk aan de rotoroverdraai, dat is de maximale halve rotordiameter, voor het faalscenario gondelfalen. 30.4. Wat betreft de gekozen methode staat in het deskundigenbericht dat het hanteren van een risicobenadering een lange geschiedenis kent en dat een norm voor het plaatsgebonden risico (PR) in de range van 10-4 tot 10-6 veelal wordt gezien als maatschappelijk aanvaardbare range voor het bepalen van ongevalsscenario’s bij risicovolle inrichtingen die zeer weinig voorkomen maar grote effecten kunnen hebben. Ook het Handboek risicozonering windturbines bevat volgens de STAB de meest recente inzichten. De Afdeling ziet geen aanleiding om het deskundigenbericht in zoverre niet te volgen.
In het deskundigenbericht wordt als alternatief voor een risicobenadering het hanteren van een effectbenadering uiteengezet die in een aantal andere landen wordt gehanteerd. Dat in plaats van een risicobenadering ook een effectbenadering mogelijk is, brengt naar het oordeel van de Afdeling gelet op wat daarover in het deskundigenbericht is opgenomen, niet mee dat de raad niet voor de normering uitgaande van een risicobenadering zoals is gesteld in het plan had kunnen kiezen. 30.5. Op de zitting is door de raad naar voren gebracht dat er op basis van het 2020-plan, zoals dat is gewijzigd door het gewijzigd plan, geen ruimte is voor het verschuiven van de positie van de afzonderlijke windturbines. Oldambt Windmolenvrij en anderen hebben niet concreet gemaakt waarom dit niet juist is. 30.6. Zoals in de plantoelichting van het gewijzigd plan staat, is de PR10-6-contour die op de verbeelding is aangegeven, gelijk aan de maximale tiphoogte van de windturbine en de PR105-contour gelijk aan de maximale halve rotordiameter van de windturbine. Dat is ingevolge artikel 4.1.2, onder d en b, van de planregels van het 2020-plan 204 m onderscheidenlijk 68
26
m. Binnen de afstand van 68 m zijn geen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten toegelaten, zo volgt uit artikel 4.1 van de planregels van het gewijzigd plan. Binnen de afstand van 204 m zijn kwetsbare objecten uitgesloten, zo volgt uit artikel 4.2 van het gewijzigd plan. Zoals Oldambt Windmolenvrij en anderen naar voren brengen, betekent dat dat binnen een afstand van 204 m, gelet op artikel 1.5 van de planregels gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, onder b, van het Bevi, verspreid liggende woningen van derden zijn toegelaten. De Afdeling stelt vast dat binnen deze afstand alleen woningen liggen die in het plan zijn aangewezen als molenaarswoningen. Dat zijn volgens het plan geen woningen van derden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Bevi. Voor zover het betoog van Oldambt Windmolenvrij en anderen zo moet worden begrepen dat de molenaarswoningen ten onrechte niet zijn beschermd tegen veiligheidsrisico’s, overweegt de Afdeling dat Oldambt Windmolenvrij en anderen zich in zoverre beroepen op normen die beogen de belangen van omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Het belang van Oldambt Windmolenvrij en anderen is niet gemoeid met de gevolgen voor de externe veiligheid bij de molenaarswoningen, omdat deze in het plan behoren tot de inrichting van het windpark.
Gelet op het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste zal de Afdeling het betoog daarover daarom niet inhoudelijk bespreken. Op het betoog van Oldambt Windmolenvrij en anderen dat moet worden betwijfeld of de woningen die als molenaarswoningen zijn aangewezen als zodanig mochten worden aangewezen, wordt hierna onder 34 en verder ingegaan. 30.7. Binnen de op de verbeelding vastgelegde risicocontouren zijn wegen gesitueerd. Ook zou sprake zijn van een fietspad. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat zich in zoverre geen onaanvaardbare risico’s voordoen, omdat de verblijfstijd van passerende personen op de wegen en het fietspad zo beperkt is, dat dit geen significante risico’s oplevert in vergelijking met permanent aanwezige personen, waar bij het bepalen van de risicocontouren vanuit is gegaan. Daarbij betrekt de Afdeling dat het niet gaat om significante hoeveelheden personenverkeer. De Afdeling ziet, anders Oldambt Windmolenvrij en anderen en [appellant sub 2], geen aanleiding voor het oordeel dat de raad door onderscheid te maken tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen de vastgestelde risicocontouren de gevolgen voor de veiligheid heeft onderschat. 30.8.
Oldambt Windmolenvrij en anderen en [appellant sub 2] vrezen ook voor effecten buiten de op de verbeelding aangegeven risicocontouren, in de omgeving van het windpark waar mensen wonen en ook in tuinen en op het land verblijven. De Afdeling overweegt hierover dat [appellant sub 2] woont aan de locatie] te Nieuwolda, op een afstand van ongeveer 500 m van de PR10-6-contour van 204 m van de dichtstbijzijnde windturbine. Ook andere woningen van derden liggen op ruime afstand van deze risicocontour. In het deskundigenbericht staat dat het risico dat zich buiten de afstand gelijk aan de tiphoogte van de windturbine, die in dit geval overeenkomt met de grootste risicocontour op de verbeelding van 204 m, effecten voordoen, bij de huidige generatie windturbines vrijwel nihil is. De Afdeling ziet geen aanleiding om dit voor onjuist te houden. 30.9. Wat betreft specifieke lokale omstandigheden die volgens Oldambt Windmolenvrij en anderen ervoor zorgen dat zich desondanks op een grotere afstand veiligheidsrisico’s voordoen, overweegt de Afdeling het volgende. In paragraaf 5.8.5 van de plantoelichting van het 2020-plan is ingegaan op de omstandigheid dat in het noorden van Nederland aardbevingen voorkomen. Daarin staat dat de menselijke veiligheid niet in het geding is bij
27
het eventueel falen van een windturbine door een aardbeving, gelet op de afstand van de windturbines tot omliggende woningen en de afwezigheid van mensen in de windturbine zelf. In het deskundigenbericht staat dat de maximale effectafstand bij een aardbeving wordt bepaald door het omvallen van de mast. Deze afstand is daarmee gelijk aan de maximaal toegelaten tiphoogte van 204 m en dus gelijk aan de in het plan opgenomen PR 10-6 contour. Verder staat in paragraaf 5.8.5. van de plantoelichting van het 2020-plan ook dat de fundatie van de windturbine locatiespecifiek wordt gebouwd. Dat betekent dat alle relevante aspecten van en in de omgeving worden betrokken, waaronder de kans op aardbevingen en de kracht van aardbevingen. De Afdeling vindt op grond van wat Oldambt Windmolenvrij en anderen naar voren hebben gebracht het niet aannemelijk dat de kans op het "doorrollen" van een windturbine na het omvallen ervan door een aardbeving desondanks zo groot is dat de raad vanwege de locatiespecifieke omstandigheden andere veiligheidsnormen of grotere veiligheidscontouren had moeten vaststellen. 30.10. In paragraaf 5.7 van de toelichting van het 2020-plan is in aanmerking genomen dat het plangebied deels ligt in overstromingsgevoelig gebied. Ook is ingegaan op de aanwezigheid van watergangen.
Volgens deze paragraaf heeft afstemming plaatsgehad met het waterschap Hunze en Aa’s en zullen de aanbevelingen van het waterschap worden opgevolgd. Verwezen wordt naar de memo "Watertoets Windpark Delfzijl Zuid Zuid Uitbreiding" van 17 januari 2016 en naar de uitgangspunten die het waterschap hanteert. Deze documenten zijn als bijlage 9 bij de plantoelichting van het 2020-plan gevoegd. Oldambt Windmolenvrij en anderen hebben geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die de Afdeling aanleiding geven om eraan te twijfelen dat zich daarom extra risico’s voor de veiligheid voordoen. In zoverre is er dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat de raad andere veiligheidscontouren of andere veiligheidsnormen had moeten vaststellen. 30.11. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad de veiligheidsrisico’s heeft onderschat en daarom andere normen had moeten vaststellen dan hij heeft gedaan. De betogen slagen niet. Planregels voor molenaarswoningen in het gewijzigd plan 31. Oldambt Windmolenvrij en anderen betogen, zoals zij op de zitting hebben toegelicht, dat de raad in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel niet heeft onderbouwd dat molenaarswoningen geen geluidgevoelige objecten zijn, terwijl deze woningen wel als slagschaduwgevoelig zijn aangemerkt. Zij stellen dat de geluidhinder bij molenaarswoningen in kaart moet worden gebracht.
31.1. De raad stelt dat de woningen die in het plan als molenaarswoningen zijn aangewezen, deel uit maken van de inrichting van het windpark en daarom geen geluidgevoelige objecten zijn. 31.2. De Afdeling stelt vast dat aan zes woningen in het plan de aanduiding "overige zone molenaarswoning" is toegekend. 31.3. In artikel 1.6 van het gewijzigd plan is bepaald dat onder molenaarswoning moet worden verstaan: "een woning die verbonden is aan een inrichting die windturbines realiseert en exploiteert doordat: a. de eigenaar van de woning:
28
1. (mede-)initiatiefnemer is voor die inrichting, en/of; 2. eigenaar is van gronden die nodig zijn voor de realisatie van de windturbines en/of bijbehorende civiele en elektrische infrastructuur van die inrichting, en; b. de gebruiker van de woning door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst een functie heeft aanvaard als molenaar en in die hoedanigheid werkzaamheden verricht en zorg draagt voor het toezicht op en onderhoud van één of meerdere turbines van de betreffende inrichting." 31.4. Artikel 4.1.4, onder b, van de planregels van het 2020-plan luidt: "Het geluidsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen en op de grens van gevoelige terreinen veroorzaakt door alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming ‘Bedrijf Windturbinepark Voorlopig’ tezamen mag niet meer bedragen dan 47 dB Lden en 41 dB Lnight. (…)" 31.5. De Afdeling stelt vast dat in de planregels niet is omschreven wat onder gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen moet worden begrepen. Wel zijn in artikel 1 van de planregels van het 2020-plan de begrippen geluidsgevoelige functies onderscheidenlijk geluidsgevoelige objecten omschreven. Onder geluidsgevoelige functies moet worden verstaan: "in een gebouw of op een terrein aanwezige functies die maken dat een gebouw of een terrein als geluidsgevoelig object wordt aangemerkt".
Onder geluidsgevoelige objecten moet worden verstaan: "gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder". 31.6. De Afdeling overweegt dat in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder niet is bepaald dat woningen die tot de inrichting behoren, geen geluidsgevoelige gebouwen zijn. Dat betekent dat, anders dan waar de raad vanuit is gegaan, op de gevels van de in het plan aangewezen molenaarswoningen moet worden voldaan aan de in artikel 4.1.4, onder b, van de planregels opgenomen geluidnormen. Omdat de raad dit, zoals hij op de zitting heeft gesteld, niet heeft beoogd, slaagt het betoog van Oldambt Windmolenvrij en anderen dat het herstelbesluit van de raad op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 31.7. De raad heeft de Afdeling verzocht om op dit punt zelf in de zaak te voorzien, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. De beroepsgronden over de molenaarswoningen waarop in de tussenuitspraak niet is ingegaan, zullen hierna onder 34 en verder worden besproken. Na de bespreking daarvan zal de Afdeling aan het slot van deze einduitspraak beoordelen of zij gevolg zal geven aan het verzoek van de raad. Gewijzigde omgevingsvergunning 32.
Voor zover de betogen van Oldambt Windmolenvrij en anderen en [appellant sub 2] ook zijn gericht tegen de normen die zijn opgenomen in de voorschriften die met het herstelbesluit van 23 december 2021 van het college aan de gewijzigde omgevingsvergunning zijn verbonden, overweegt de Afdeling het volgende. 32.1. De Afdeling stelt vast dat in de voorschriften die aan de gewijzigde
29
omgevingsvergunning zijn verbonden, dezelfde normen voor geluid en slagschaduw zijn opgenomen als in de planregels van het 2020-plan, zoals is gewijzigd bij het gewijzigd plan. In voorschrift 2.10, onder a, is bepaald dat de windturbines van het windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding gezamenlijk niet meer geluid mogen veroorzaken dan 47 dB Lden en 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen en op de grens van gevoelige terreinen. Net als in de planregels is in de voorschriften in zoverre geen uitzondering gemaakt voor molenaarswoningen, terwijl dat wel door het college is beoogd. Dat betekent dat het betoog van Oldambt Windmolenvrij en anderen in zoverre slaagt. 32.2. Gelet op wat hiervoor voor het overige over deze normen in het gewijzigd plan van de raad is overwogen, slagen de betogen voor het overige niet. Daarbij betrekt de Afdeling dat Oldambt Windmolenvrij en anderen op de zitting hebben verduidelijkt dat wat zij voor het overige in hun zienswijzen naar voren hebben gebracht, niet moet worden begrepen als zelfstandig betoog gericht tegen de bij het herstelbesluit van 23 december 2021 gewijzigde omgevingsvergunning en dat [appellant sub 2] ook geen specifieke beroepsgronden over dit herstelbesluit naar voren heeft gebracht. 32.3.
Het college heeft de Afdeling verzocht om op het punt van de molenaarswoningen zelf in de zaak te voorzien, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. De beroepsgronden over de molenaarswoningen waar in de tussenuitspraak niet over is geoordeeld, zullen hierna onder 34 en verder worden besproken. Na de bespreking daarvan zal de Afdeling aan het slot van deze einduitspraak beoordelen of zij gevolg zal geven aan het verzoek van het college. Conclusie gewijzigd plan en gewijzigde omgevingsvergunning 33. Gelet op wat hiervoor is overwogen, geven de betogen van Oldambt Windmolenvrij en anderen en [appellant sub 2] geen grond voor het oordeel dat de raad met het herstelbesluit geen actuele, deugdelijke op zichzelf staande en op de lokale situatie toegesneden motivering voor de gestelde normen heeft gegeven, zoals bedoeld in de tussenuitspraak. De Afdeling ziet in het licht van de aan de raad toekomende beslisruimte dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad niet tot de door hem zelf gekozen normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid heeft mogen besluiten. Er is ook geen grond voor het oordeel dat het college de aanvraag van Koepel vanwege het belang van de bescherming van het milieu had moeten weigeren.
De herstelbesluiten van de raad en het college zijn wel in strijd met de vereiste zorgvuldigheid genomen, voor zover het gaat om het ontbreken van een specifieke uitzondering voor molenaarswoningen in artikel 4.1.4, onder b, van de planregels van het 2020-plan en in artikel 2.10, onder a, van de voorschriften van de gewijzigde omgevingsvergunning. BEROEPSGRONDEN OVER HET PLAN EN DE OMGEVINGSVERGUNNING WAAROVER IN DE TUSSENUITSPRAAK NIET IS GEOORDEELD Beroepsgronden over het plan Molenaarswoningen 34. Oldambt Windmolenvrij en anderen brengen naar voren dat niet duidelijk is hoeveel molenaarswoningen er zijn, omdat niet van alle woningen in het plangebied duidelijk is of de bewoning ervan zal worden beëindigd. Zij wijzen er verder op dat een bouwvlak tegenover Zomerdijk 3 is aangewezen als molenaarswoning, terwijl daar geen woning staat. Ook voeren zij aan dat, omdat in artikel 8.1 van de planregels is bepaald dat bedrijfswoningen zijn uitgesloten, niet duidelijk is wat dan wel is toegelaten. Dat is volgens hen in strijd met het
30
rechtszekerheidsbeginsel. Oldambt Windmolenvrij en anderen betogen verder dat de in het plan als molenaarswoningen aangeduide woningen niet tot de inrichting van het windpark kunnen worden gerekend. Deze woningen moeten daarom worden aangemerkt als gevoelige objecten. Zij voeren aan dat onvoldoende is aangetoond dat er technische, organisatorische of functionele bindingen tussen deze woningen en de windturbines bestaan. Zij stellen dat onduidelijk is of de woningen daadwerkelijk in eigendom zijn van en worden bewoond door initiatiefnemers of grondeigenaren. Zij stellen daarnaast dat toezicht op de windturbines niet noodzakelijk is. Volgens hen zal er al continue toezicht op afstand plaatsvinden, zijn de windturbines voorzien van een ijsdetectiesysteem, zijn kans op vandalisme en diefstal geen goede argumenten, zijn de windturbines niet goed te bereiken vanaf de molenaarswoningen, is de afstand tussen die woningen en de windturbines te groot om goed toezicht te kunnen uitoefenen en is het zicht vanuit de woningen vaak beperkt door tussenliggende bedrijfsbebouwing en groen. Zij verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:889, over het Windpark en zonneveld Koningspleij Noord. Ten slotte betogen zij dat de molenaarsactiviteiten ten onrechte niet in de planregels zijn opgenomen, omdat de overeenkomsten kunnen worden opgezegd. 34.1.
Koepel stelt dat het in artikel 8:69 van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het besluit van de raad vanwege de beroepsgronden over molenaarswoningen. Dit betoog slaagt niet. De Afdeling verwijst in dit verband naar de eerdere uitspraak van 18 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4180, onder 18 en verder, over het eerder voor het voorliggende windpark vastgestelde plan. Een geslaagd betoog zou kunnen betekenen dat omwonenden kunnen profiteren van een strengere normstelling voor geluid en slagschaduw ter plaatse van de molenaarswoningen, zoals ook is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2018, ECLI:NL:RVS:2020:2226, onder 17.2, over het "Windplan Groen". Naar het oordeel van de Afdeling is op voorhand in dit geval niet uitgesloten dat omwonenden van een strengere normstelling zouden kunnen profiteren. Het betoog van Koepel dat ook zonder de molenaarswoningen sprake is van een uitvoerbaar plan ter plaatse van de molenaarswoningen en dat daar aan de gestelde normen voor gevoelige objecten kan worden voldaan, maakt dat niet anders. De woningen zijn namelijk wel als molenaarswoningen aangeduid en beschouwd in het plan. Dat betekent dat hierna inhoudelijk zal worden ingegaan op de door Oldambt Windmolenvrij en anderen opgeworpen vragen over de molenaarswoningen. 34.2.
Aan zes woningen is de aanduiding "overige zone-molenaarswoning" toegekend. Het gaat om de woningen aan de Kloosterlaan 23, Kloosterlaan 21b, Zomerdijk 3, Zomerdijk 4, Zomerdijk 7 en Scheve Klap 6. Verder is aan een aantal locaties de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" toegekend. 34.3. Over het betoog over de locatie Zomerdijk 3 overweegt de Afdeling het volgende. In artikel 4.2.2, onder a, van de planregels van het onderliggende plan "Buitengebied-Zuid" is bepaald dat het aantal bedrijfswoningen ten hoogste één per bouwperceel is. In artikel 1, lid 26, van de planregels van dit plan is bepaald dat onder bouwperceel moet worden verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Op de verbeelding van dit plan is bij Zomerdijk 3 de aanduiding "relatie" tussen de op de
31
verbeelding aangewezen bouwpercelen aan beide zijden van de weg aangegeven. Dat betekent naar het oordeel van de Afdeling dat sprake is van één bouwperceel ook al is het doorsneden door een weg. Daarop is ingevolge artikel 4.2.2, onder a, van de planregels maximaal één bedrijfswoning toegelaten, die in het nu voorliggende plan als molenaarswoning is aangewezen. Anders dan Oldambt Windmolenvrij en anderen kennelijk menen voorziet het nu voorliggende plan dus niet in de mogelijkheid om een tweede woning op het perceel op te richten. Het betoog daarover slaagt niet. 34.4. In artikel 1 van de planregels van het 2020-plan is bepaald dat onder molenaarswoning wordt verstaan: een woning die verbonden is aan een inrichting die windturbines realiseert en exploiteert doordat: a. de eigenaar van de woning: 1. (mede-)initiatiefnemer is voor die inrichting, en/of; 2. eigenaar is van gronden die nodig zijn voor de realisatie van de windturbines en/of bijbehorende civiele en elektrische infrastructuur van die inrichting, en; b. de gebruiker van de woning door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst een functie heeft aanvaard als molenaar en in die hoedanigheid werkzaamheden verricht en zorg draagt voor het toezicht op en onderhoud van één of meerdere turbines van de betreffende inrichting.
In artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels van het 2020-plan is bepaald dat op de voor "Bedrijf-1" aangewezen gronden bedrijfswoningen niet zijn toegestaan. In artikel 4.1.4, onder d, van de planregels van het 2020-plan is bepaald dat tot een met de bestemming strijdig gebruik van de windturbines wordt gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van de windturbines zonder de feitelijke beëindiging van bewoning of het doen beëindigen van de bewoning in de met het plan wegbestemde woningen. Deze woningen zijn in een tabel bij deze bepaling opgenomen. In artikel 8.1 van de planregels van het 2020-plan is bepaald dat ter plaatse van aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" als uitzondering op de onderliggende bestemming geen (agrarische) bedrijfswoning is toegestaan. In artikel 8.4 van de planregels van het 2020-plan is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding "overige zone-molenaarswoning" de woningen tevens worden aangemerkt als een woning behorende tot het windturbinepark. In artikel 9.1, onder b, van de planregels van het 2020-plan is bepaald dat voor zover de functieaanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" in artikel 8.1 samenvalt met bestemmingen uit onderliggende bestemmingsplannen de regels in artikel 8.1 als uitzondering gelden op de regels van de bestemmingen uit onderliggende bestemmingsplannen. 34.5.
Aan vier locaties is op de planverbeelding van het 2020-plan de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" toegekend. Gelet op wat in artikel 8.1 en in artikel 9.1, onder b, van de planregels van het 2020-plan is bepaald, mag op deze locaties geen molenaarswoning worden gerealiseerd. Dat geldt ook voor de locaties waaraan de bestemming "Bedrijf-1" is
32
toegekend, omdat in artikel 3.1, onder b, van het 2020-plan is bepaald dat bedrijfswoningen daar niet zijn toegestaan. Verder voorkomt artikel 4.1.4, onder d, van de planregels van het 2020-plan dat het windpark in gebruik wordt genomen als de bewoning van de wegbestemde woningen nog niet is beëindigd. De Afdeling ziet niet in waarom dit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het betoog daarover slaagt niet. 34.6. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 19 december 2018 zijn, gelet op artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voor de beoordeling van de vraag of een woning deel uitmaakt van de inrichting van het windpark de technische, organisatorische of functionele bindingen tussen de woning en de inrichting van belang. Het moet gaan om zodanige bindingen tussen de woning en de inrichting die het windpark vormt, dat de woning tot de inrichting kan worden gerekend. Die bindingen tussen de woning en de inrichting dienen reëel en van voldoende betekenis te zijn. 34.7. Volgens paragraaf 4.4. van de plantoelichting van het 2020-plan achten initiatiefnemers het nodig dat nabij de windturbines toezicht wordt gehouden, omdat er geen personeel aanwezig is bij de windturbines.
Koepel heeft in dit verband ook naar voren gebracht dat de bewoners en eigenaren van de woningen als initiatiefnemer of opstalverlener belang hebben bij het goed functioneren van het windpark. In de plantoelichting staat dat er tussen de molenaarswoningen en het windpark organisatorische, functionele en technische relaties zijn tussen de eigenaren van de woningen en de initiatiefnemers van het windpark. Volgens de plantoelichting vervullen de bewoners vanuit hun woning diverse functies voor de exploitatie van de windturbines. De bewoners van de molenaarswoningen zijn ook grondeigenaar en opstalverlener van de gronden waarop de windmolens worden geplaatst. Dat geldt alleen niet voor de woning aan de Zomerdijk 4. De bewoner van deze woning is geen eigenaar van de woning en geen opstalverlener. De bewoner van deze woning heeft echter een maatschap met de eigenaar van de woning die ook opstalverlener is en vertegenwoordigt hem. Vanwege de betrokkenheid van grondeigenaren en opstalverleners van de betrokken woningen is volgens de plantoelichting sprake van een organisatorische binding. Tussen de bewoners van de woningen en de drijver van de inrichting zijn daarnaast overeenkomsten gesloten die ertoe strekken dat beheer- en onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd.
Deze werkzaamheden bestaan uit toezicht, onder meer visueel en auditief toezicht ter plaatse en via een windturbinebeheersysteem. Daarnaast gaat het om het nagaan van aanwezigheid van onbevoegden, het zelf hebben van toegang tot het windpark en tot het windturbinebeheersysteem, sleutelbeheer, aanspreekpunt, technisch beheer, bijvoorbeeld bij een storing, en visuele inspectie in geval van stilstand, bijvoorbeeld bij ijsvorming. Deze overeenkomst is volgens de plantoelichting de functionele binding. De technische binding is er, zo volgt uit de plantoelichting, omdat er monitoringsapparatuur in de woningen wordt geplaatst. In een door Koepel overgelegde notitie van Pondera van 5 oktober 2020 staat dat het toezicht en onderhoud van de windturbines is verdeeld in zes toezichtsgebieden, bestaande uit elk twee of drie windturbines. Het visueel toezicht op de windturbines vanuit de woning en vanaf het erf is in beeld gebracht evenals de afstanden tussen de woningen en de windturbines en de tijd die nodig is om van een woning bij een windturbine te komen. Daaruit volgt dat er vanuit de woningen en vanaf de erven zicht is op de windturbines en dat de afstanden van de woningen tot de dichtstbijzijnde windturbines in het toezichtgebied variëren van 90 m tot 370 m.
33
34.8. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens over de eigendom van de gronden en bewoning van afzonderlijke woningen, zoals is vermeld in de plantoelichting van het 2020-plan en de overeenkomsten. Het enkele betoog van Oldambt Windmolenvrij en anderen dat onduidelijk is of de woningen daadwerkelijk in eigendom zijn van en worden bewoond door grondeigenaren en initiatiefnemers, slaagt daarom niet. Ook is er geen aanleiding om te twijfelen aan wat in de notitie van Pondera van 5 oktober 2020 staat over het zicht op en afstanden tot de windturbines. De Afdeling is van oordeel dat met het voorgaande deugdelijk is onderbouwd dat er zodanige technische, organisatorische en functionele bindingen zijn tussen de zes aangewezen molenaarswoningen en het windpark, dat deze woningen kunnen worden gerekend tot het windpark. Daarmee is de situatie niet vergelijkbaar met de situatie die aan de orde was in de uitspraak over het Windpark en zonneveld Koningspleij Noord, waar Oldambt Windmolenvrij en anderen op wijzen. Anders dan bij het nu voorliggende windpark was er in het plan voor het Windpark en zonneveld Koningspleij Noord buiten het overeengekomen toezicht op de windturbines vanuit een van de als beheerderswoningen aangewezen woning, niets gesteld over een binding met het windpark.
Anders dan Oldambt Windmolenvrij en anderen stellen, is het, ook gelet op de begripsomschrijving van het begrip molenaarswoning in de planregels van het 2020-plan, zoals dat is gewijzigd door het gewijzigd plan, niet nodig om nadere planregels op te nemen om te voorkomen dat molenaarswoningen geen onderdeel uit gaan maken van de inrichting. Het betoog van Oldambt Windmolenvrij en anderen slaagt niet. Cumulatieve geluidbelasting 35. Oldambt Windmolenvrij en anderen stellen dat de geluidbelasting van meerdere windparken, hoewel wordt voldaan aan de provinciale Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl, negatieve gevolgen voor de leefomgeving heeft. Zij brengen naar voren dat de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de molenaarswoningen en de woningen aan de Ideweersterweg 1 en 2, die zijn aangewezen als molenaarswoningen bij het windpark Geefsweer, niet aanvaardbaar is. [appellant sub 2] betwijfelt of de raad rekening heeft gehouden met de geluidhinder die hij van het windmolenpark zal ondervinden. Hij wijst er daarbij op dat de provinciale Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl niet in gaat op de cumulatieve geluidhinder in zijn omgeving. 35.1.
In artikel 4.1.4, onder c, van de planregels van het 2020-plan is bepaald dat de gecumuleerde geluidbelasting op de gevel van gevoelige gebouwen en op de grens van gevoelige terreinen, mede veroorzaakt door alle windturbines die zijn aangeduid met de bestemming "Bedrijf-Windturbinepark Voorlopig", niet meer mag bedragen dan Lcum 65 dB(A) tenzij er sprake is van een molenaarswoning. 35.2. Zoals volgt uit wat hiervoor onder 30.6 is overwogen, staat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgrond over het woon- en leefklimaat ter plaatse van de molenaarswoningen die tot het nu voorliggende windpark behoren. Het belang van Oldambt Windmolenvrij en anderen is niet gemoeid met het tegengaan van hinder bij deze woningen. Aan de inhoudelijke bespreking van de beroepsgrond over de cumulatieve geluidhinder ter plaatse van deze woningen komt de Afdeling daarom niet toe.
34
35.3. In paragraaf 3.4.2 en paragraaf 5.2 van de plantoelichting van het 2020-plan staat dat bij de vraag of het cumulatieve windturbinegeluid aanvaardbaar is, wordt gekeken naar het totale cumulatieve geluidniveau van alle geluidbronnen in de omgeving. In de provinciale Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl is een ruimtelijk kader opgenomen voor planvorming van grote ruimtelijke projecten in het gebied Eemsdelta, waaronder windparken. In paragraaf 5.2.3 van deze structuurvisie is vermeld dat de norm voor de cumulatieve geluidbelasting in het Eemsdelta-gebied wordt vastgesteld op 65 dB Lcum. Volgens de structuurvisie is deze norm acceptabel, omdat het Eemsdelta-gebied het enige gebied is in de provincie waar zware, chemische, energie-gerelateerde en zeehaven-gebonden bedrijvigheid is toegestaan en waar een bundeling met windenergie is voorzien. Voor deze bundeling is gekozen, omdat inpassing van windturbines nabij woningen in een meer lawaaiige (industriële) omgeving tot een relatief geringere toename van gehinderden leidt dan inpassing van diezelfde windturbines nabij woningen in een stille (landelijke) omgeving, zo staat in de structuurvisie. Daarin staat ook het oogmerk om voor woningen die aan een hogere geluidbelasting van 66 tot en met 70 dB Lcum worden blootgesteld, een acceptabel woon- en leefklimaat in de woning te creëren.
Woningen waar de belasting nog hoger is, moeten worden verwijderd, zo is vermeld in de structuurvisie. Voor woningen die onderdeel zijn of worden van een windpark, wordt de bijdrage van geluid van windturbines niet betrokken. 35.4. Uit de plantoelichting van het 2020-plan volgt dat bij woningen van derden, die niet zijn aangewezen als molenaarswoningen, wordt gebleven onder het cumulatieve geluidniveau van maximaal 65 dB Lcum. Dat geldt ook voor de woning van [appellant sub 2]. Bij de molenaarswoningen van het windpark Geefsweer is dat niet het geval. De raad acht de overschrijding van deze waarde bij deze molenaarswoningen echter aanvaardbaar, omdat deze woningen betrokken zijn bij een windpark en omdat de bewoners ervan eigenaar zijn van gronden waarop windturbines staan of toezichthouder zijn op windturbines en economisch profijt daarvan ondervinden. 35.5. De Afdeling ziet in wat Oldambt Windmolenvrij en anderen hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het beleid uit de structuurvisie in dit geval niet mocht toepassen.