CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

10 Toelichting Bijlage 1-1 Ruimtelijke onderbouwing.pdf

gemeenteraad 23 december 2021, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.4: Bestemmingsplan Doetinchemseweg naast 19 Doetinchem - 202113.533 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Binnen de gemeente Doetinchem zijn de Bedrijventerreinen Hamburgerbroek, Verheulsweide, Langerak, De Huet en A18 Bedrijvenpark gezoneerd

26

Rapportnummer PBO 20042801.6, 19 november 2020, definitief

Ruimtelijke Onderbouwing bouwplan Doetinchemseweg perceel Ambt-Doetinchem, sectie P, nr. 499 Hamburgerbroek en Verheulsweide De geluidzones van Hamburgerbroek en Verheulsweide zijn vastgelegd in de bestemmingsplannen 'Parapluherziening Geluidzone Hamburgerbroek' en 'Parapluherziening Geluidzone Verheulsweide'. Deze parapluplannen liggen over de bestaande bestemmingsplannen heen en worden niet door het voorliggende plan vervangen. De geluidzones hoeven daarom dus niet opnieuw opgenomen te worden in bestemmingsplannen. De onderstaande afbeeldingen geven de ligging van de geluidzones weer.

Bouwplan P499

Ligging geluidzones Hamburgerbroek en Verheulsweide Onderzoek en conclusie Het voorliggende initiatief valt net buiten de geluidzones van Hamburgerbroek en Verheulsweide.

6.5

Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.

Rapportnummer PBO 20042801.6, definitief

27

Ruimtelijke Onderbouwing bouwplan Doetinchemseweg perceel Ambt-Doetinchem, sectie P, nr. 499 Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Onderzoek Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald.

Uitkomstberekening met behulp van NIBM-tool 2020 Conclusie Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

6.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico.

28

Rapportnummer PBO 20042801.6, 19 november 2020, definitief

Ruimtelijke Onderbouwing bouwplan Doetinchemseweg perceel Ambt-Doetinchem, sectie P, nr. 499

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013.

De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: 1. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied. 2. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. 3. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten. 4. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. 5. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. 6. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. 7.

Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico.

Onderzoek In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen stationaire bronnen en/of mobiele bronnen aanwezig.

Rapportnummer PBO 20042801.6, definitief

29

Ruimtelijke Onderbouwing bouwplan Doetinchemseweg perceel Ambt-Doetinchem, sectie P, nr. 499

Bouwplan P499

Het meest nabije LPG-vulstation van fa. Fokko Meijer ligt op 225 m. en vormt geen belemmering. Er bestaat een theoretisch kans op overstroming als gevolg van verhoogde afvoer van water in de Oude IJssel. Op basis hiervan worden eisen gesteld aan de maaiveldhoogte en vloerpeil van een bouwplan. Dit wordt in de omgevingsvergunning geregeld. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling

6.7

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:  het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;  het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Onderzoek en conclusie In het voorliggende geval betekent dit dat beoordeeld moet worden of de woning hinder kan 30

Rapportnummer PBO 20042801.6, 19 november 2020, definitief

Ruimtelijke Onderbouwing bouwplan Doetinchemseweg perceel Ambt-Doetinchem, sectie P, nr. 499 ondervinden van bestaande bedrijvigheid. Het meest nabije bedrijf is de chiropractie praktijk (VNG tabel gezondheids – en welzijnszorg) van Leonie Engelaar op nummer 17. Deze heeft een hindercirkel met een richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. Het bouwplan P499 ligt niet nabij en heeft geen invloed op deze bedrijvigheid en andersom. Het bouwplan P499 geeft geen belemmering voor het aspect bedrijven en milieuzonering/

6.8

Flora en fauna

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de nieuwe wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving.

Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project.

Onderzoek en conclusie De locatie is onderzocht middels een quickscan Flora en Fauna onderzocht door bureau BNL. Het rapport met nummer 20060.QFF01 d.d. 19 juni 2020 is als bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. Er zijn geen belemmeringen voor de realisatie van het initiatief.

Rapportnummer PBO 20042801.6, definitief

31

Ruimtelijke Onderbouwing bouwplan Doetinchemseweg perceel Ambt-Doetinchem, sectie P, nr. 499 Het bouwplan wordt ingepast op een bestaande kavel met rondom een (bestaande) veldesdoornhaag. De haag blijft behouden en aanvullend worden tuinbeplantingen aangebracht. Per saldo is er een neutrale situatie voor flora en fauna. Aanvullend wordt een vleermuiskast geplaatst en nestelgelegenheid geboden voor vogels een en ander conform de aanbevelingen in het flora en fauna rapport. Daarmee wordt ook voldaan aan de verplichtingen ten aanzien van natuurinclusief bouwen. Stikstof Het initiatief is ook middels een zogenaamde “Aerius berekening” getoetst aan de normen ten aanzien van stikstofdepositie. De berekeningen en rapport van bureau Lycens zijn als bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. Er is zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen sprake van overschrijding van de drempelwaarde van 0,0 mol/ha/jr en daarmee zijn er geen significante negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden. Het initiatief past in het beleid ten aanzien van natuurinclusief bouwen en er zijn geen belemmeringen ten aanzien van flora en fauna en voor stikstofdepositie.

6.9

Water

6.9.1

Waterbeheerplan 2016-2021

Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn. Vanuit de primaire taakgebieden zijn dit in de planperiode 2016-2021:  Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water;  Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water;  Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water;  Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater;  Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. 6.9.2

Watersysteem

Het bouwplan ligt op de zandige oeverwal van de Oude IJssel direct grenzen aan de rivier. De afwatering is richting Oude IJssel. 6.9.3

Gemeentelijk Rioleringsplan

In paragraaf 5.5.9 Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 is het rioleringsplan van de gemeente Doetinchem behandeld. Het beleid dat daarin is verwoord komt terug in deze waterparagraaf. 6.9.4

Watertoets

Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Deze toets is in de navolgende tabel opgenomen. Thema

Toetsvraag

Relevant

1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?

1. Ja

1. Is er een toename van het afvalwater (DWA)?

1. Ja

Hoofdthema's Veiligheid

Riolering en

32

2. Nee

Rapportnummer PBO 20042801.6, 19 november 2020, definitief

Ruimtelijke Onderbouwing bouwplan Doetinchemseweg perceel Ambt-Doetinchem, sectie P, nr. 499 afvalwaterketen

2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van waterschap?

2. Nee 3. Nee

Wateroverlast (oppervlaktewater)

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak? 1. Ja 2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard 2. Nee oppervlak? 3. Nee 3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

Grondwater- overlast 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de 1. Nee ondergrond? 2. Ja 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of 3. Nee IJssel? 4. Nee 3. Is in het plangebied sprake van kwel? 4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? Oppervlaktewaterkwaliteit

1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied?

1. Nee 2. Nee 3. Nee

Grondwaterkwaliteit

Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?

Nee

Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het 1. Nee gemengde of verbeterde stelsel? 2. Nee 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieu hygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

Verdroging

Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor Nee natte natuur?

Natte natuur

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?

1. Ja 2. Nee

Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

1. Ja 2. Nee

Recreatie

Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Nee

Cultuurhistorie

Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Nee

Aandachtsthema's

Toelichting per relevant waterhuishoudkundig aspect Het initiatief betreft de realisatie van 1 nieuwe woning met dakoppervlak en oprit met beperkt gevolg voor de waterhuishoudkundige situatie. Het hemelwater wordt op eigen tuin geloosd en infiltreert in de zandige ondergrond. Het initiatief heeft geen invloed op de waterkering en op de EVZ Oude IJssel. Het plan voegt zich in de bestaande woonbuurt aan het insteekweggetje vanaf de Doetinchemseweg.

6.10

Archeologie en cultuurhistorie

Rapportnummer PBO 20042801.6, definitief

33

Ruimtelijke Onderbouwing bouwplan Doetinchemseweg perceel Ambt-Doetinchem, sectie P, nr. 499 Het gemeentelijke beleid van archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid van deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie. 6.10.1 Archeologisch erfgoed Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden moeten als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de Erfgoedwet is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen.

Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep. De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. Een betere bescherming van de archeologie en het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om goed inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het archeologisch bodemarchief. Daarom heeft de gemeente Doetinchem een archeologische beleidskaart laten opstellen door adviesbureau RAAP, waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een gebied zal het beschermingsregime meer of minder streng zijn. De meest recente versies van de archeologische beleidskaarten zijn op 31 maart 2020 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld. De archeologische beleidskaarten worden periodiek geactualiseerd aan de hand van uitgevoerd archeologisch onderzoek.

De geldende meest recente versie van de kaarten is terug te vinden op: www.doetinchem.nl/archeologie De uitgangspunten voor het archeologiebeleid sluiten al aan op het nieuwe beleid, die regionaal is opgesteld. Dit beleid staat in de nota 'Archeologie met beleid. Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek' (vastgesteld in 2013). Dit beleid geeft een verlichting van de grenzen voor archeologisch onderzoek. De gebieden zoals deze in de archeologische beleidskaarten onderscheiden zijn, veranderen hier niet door. Wel zijn er nu in de basis 5 verschillende niveaus van bescherming. Deze komen terug in de navolgende tabel. De volgende archeologische gebieden komen (volgens het nieuwe bestemmingplan) in het plangebied voor: uitgangspunten archeologiebeleid

dubbelbestemming

Archeologisch waardevolle gebieden (AWG) AWG categorie 2 (archeologische monumenten met een attentiezone 50 m)

bij bodemingrepen dieper dan 30 Waarde - Archeologie centimeter - Maaiveld en bij plangebieden groter dan 50 m² vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek

AWG categorie 3 (bekende archeologische vindplaats met

bij bodemingrepen dieper dan 30 Waarde die op basis van centimeter - maaiveld en bij omliggende categorieën gegeven

34

Rapportnummer PBO 20042801.6, 19 november 2020, definitief

Ruimtelijke Onderbouwing bouwplan Doetinchemseweg perceel Ambt-Doetinchem, sectie P, nr. 499 rondom attentiezone van 50 m)

plangebieden groter dan 100 m² wordt op grond rond deze vroegtijdig inventariserend categorie; krijgt geen speciale archeologisch onderzoek dubbelbestemming op basis van deze categorie

AWG categorie 4 (historische stadskern)

bij bodemingrepen dieper dan 30 Waarde - Archeologie centimeter - maaiveld en bij plangebieden groter dan 50 m² vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek

Archeologische waardevol verwachtingsgebieden (AWV) AWV categorie 5 (hoog + afgedekt)

bij bodemingrepen dieper dan 40 Waarde - Archeologische centimeter - maaiveld en bij verwachting 1 plangebieden groter dan 250 m2 vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek

AWV categorie 6 (hoog)

bij bodemingrepen dieper dan 30 Waarde - Archeologische centimeter - maaiveld en bij verwachting 2 plangebieden groter dan 250 m² vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek

AWV categorie 7 (middelmatig)

bij bodemingrepen dieper dan 30 Waarde - Archeologische centimeter - maaiveld en bij verwachting 3 plangebieden groter dan 1000 m² vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek

AWV categorie 8 (laag)

bij bodemingrepen dieper dan 30 Waarde - Archeologische centimeter - maaiveld en bij verwachting 4 plangebieden groter dan 5000 m² vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek

AWV categorie 9 (laag voor nederzettingsresten, hoog voor geïsoleerde organische archeologische resten)

bij bodemingrepen dieper dan 30 Waarde - Archeologische centimeter - maaiveld en bij verwachting 4 plangebieden groter dan 5000 m² vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek

Bodemverstoringen bovengrond afgegraven; locatie; n.v.t. op de archeologische beleidskaart:

geen dubbelbestemming nodig

boven- en ondergrond afgegraven; locatie op de archeologische beleidskaart:

n.v.t.

geen dubbelbestemming nodig

vergraven

n.v.t.

dubbelbestemming baseren op AWG- of AWV-categorie

vervolgonderzoek of behoud aanbevolen voor het hele plangebied

n.v.t.

dubbelbestemming baseren op AWG- of AWV-categorie

vervolgonderzoek of behoud aanbevolen voor een deel van

n.v.t.

dubbelbestemming baseren op AWG- of AWV-categorie

Onderzoeksmeldingen

Rapportnummer PBO 20042801.6, definitief

35

Ruimtelijke Onderbouwing bouwplan Doetinchemseweg perceel Ambt-Doetinchem, sectie P, nr. 499 het plangebied geen vervolgonderzoek of behoud aanbevolen

n.v.t.

geen dubbelbestemming nodig als de opgraving is afgerond

definitief onderzoek afgerond

n.v.t.

geen dubbelbestemming nodig als de opgraving is afgerond

status onbekend

n.v.t.

dubbelbestemming baseren op AWG- of AWV-categorie

Onderzoek en conclusie: De volgende archeologische gebieden komen in het plangebied voor: Waarde archeologische verwachting 2. Dit betekent dat het perceel in een gebied met hoge verwachting ligt. Bij bodemingrepen bij plangebieden groter dan 250m2 en dieper dan 30 cm -mv (of dieper dan de bekende bodemverstoring is vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek vereist, conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek gemeenten Regio Achterhoek (vigerende versies). Het initiatief vergt een bodemingreep kleiner dan 250 m2 (bouwput woning 14x9 + bijgebouw 41 = ca. 177 m2). Het grondwerk voor het bouwplan is kleiner dan 250 m2 in oppervlakte en dan is een inventariserend archeologisch onderzoek niet nodig. Te allen tijde moet rekening worden gehouden met de wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten (Erfgoedwet, art. 5.10): Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 6.10.2 Cultuurhistorisch erfgoed De cultuurhistorie is in Doetinchem vastgelegd in de nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' (vastgesteld 21 september 2017) en de Erfgoedverordening gemeente Doetinchem 2013 (vastgesteld 30 mei 2013).

Onderzoek en conclusie Het perceel ligt nabij Doetinchemseweg 19, de voormalige onderwijzerswoning, een gemeentelijk monument. Het bouwplan P499 beïnvloedt dit cultuurhistorisch erfgoed niet negatief. Het bouwplan voegt zich ook in de lintbebouwing langs de Doetinchemseweg in de buurtschap Wijnbergen. Het initiatief voegt zich in de lintbebouwing en heeft geen negatieve invloed op waardevol cultuurhistorisch erfgoed.

6.11

Verkeer en parkeren

Wegcategoriseringplan In het wegcategoriseringsprogramma zijn de verschillende wegen (binnen en buiten de bebouwde kom) in Doetinchem ingedeeld in een drietal categorieën.  Stroomwegen (autosnelweg A18)  Gebied ontsluitingswegen (50 km wegen)  Erftoegangswegen 30 km wegen) Uitgangspunten bij de inrichting van de wegen binnen de gemeente Doetinchem zijn bepaald in het Wegcategoriseringsplan:  de inrichting van de weg (het wegbeeld) moet het gewenste rijgedrag en de rijsnelheid 'afdwingen';  herkenbare inrichting van de verschillende verkeersruimtes door materiaal/kleur;  de (kwaliteit van de) leefomgeving staat centraal;

36

Rapportnummer PBO 20042801.6, 19 november 2020, definitief

Ruimtelijke Onderbouwing bouwplan Doetinchemseweg perceel Ambt-Doetinchem, sectie P, nr. 499  

de weg moet na realisatie goed te beheren zijn (beheerbewust ontwerpen); snelheidsremmende maatregelen worden getroffen in erftoegangsstraten en op gebiedsontsluitingswegen waar kwetsbare verkeersdeelnemers de weg moeten kruisen.

De meeste woonstraten in de gemeente Doetinchem zijn inmiddels aangewezen tot 30 km/uur gebied. Niet alle straten voldoen al helemaal aan de bijbehorende inrichtingseisen. De komende jaren zullen bij groot onderhoud steeds meer woonstraten worden ingericht tot 30 km/uur straat. De gebiedsontsluitingswegen zijn bedoeld om het verkeer uit de woongebieden verwerken richting bijvoorbeeld de snelweg A18. Het is duidelijk welke wegen dit zijn maar ook deze voldoen nog niet allemaal aan de gestelde eisen. Niet alle gebiedsontsluitingswegen hebben bijvoorbeeld aparte fietspaden.

De gebiedsontsluitingswegen in Doetinchem Voor beide categorieën geldt dat de kwaliteit van de leefomgeving centraal moet staan. Een duidelijk onderscheid aanbrengen tussen de verschillende verkeersruimtes zorgt er voor dat de verkeersdeelnemer duidelijk zijn plek en die van anderen op de weg weet en zo de verkeersruimte op de juiste wijze gebruikt. Op drukke erftoegangsstraten is het belangrijk dat voetgangers veilig kunnen lopen op een trottoir. Voor rustige erftoegangsstraten kan worden overwogen alle verkeersdeelnemers gebruik te laten maken van dezelfde ruimte. Een smalle weg die gebruikt wordt door iedereen leidt tot een lagere rijsnelheid. Fysieke maatregelen als drempels ondervinden een steeds grotere weerstand bij de gebruikers en omwonenden en hulpdiensten. Ze leiden tot trillinghinder en toename van de geluidsoverlast. Bij voorkeur wordt gezocht naar maatregelen die een lagere snelheid afdwingen, maar die geen of beperkte bijeffecten hebben voor de leefomgeving en hulpdiensten. Parkeren De normering uit de Nota Parkeernormen Auto- en Fiets Gemeente Doetinchem, zal aangehouden worden. Hierbij is gekozen voor een dynamische verwijzing naar dit beleidsdocument (in lijn met jurisprudentie van de ABRS, ECLI:NL:RVS:2015:2837). Het moet met een voorwaardelijke verplichting in de regels vastgelegd worden.

Het beleid van de gemeente is erop gericht dat parkeeroplossingen bij woningen meer worden gezocht op eigen terrein of in clusters. Voorwaarde is wel dat de kwaliteit van de openbare ruimte gewaarborgd blijft. De parkeernorm voort een vrijstaande woning is 2,2 parkeerplaatsen. Het bouwplan voorziet in de realisatie van ca. 5 parkeerplaatsen (incl. garage) op eigen terrein. Onderzoek en conclusie

Rapportnummer PBO 20042801.6, definitief

37

Ruimtelijke Onderbouwing bouwplan Doetinchemseweg perceel Ambt-Doetinchem, sectie P, nr. 499 In het plangebied is ruimte voor meer dan 5 parkeerplaatsen en derhalve is de parkeernorm geen belemmering.

6.12

Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling van het onderhavige bouwplan P499 is een particulier initiatief. De initiatiefnemer neemt dan ook alle bijbehorende uitvoeringskosten voor zijn rekening. Middels de gemeentelijke legesverordening zullen de kosten voor het opstellen van een herziening van het bestemmingsplan en de bijbehorende ruimtelijk-juridische procedure aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Een en ander zal in een anterieure overeenkomst worden vastgelegd. Voor de gemeente Doetinchem zijn aan de ontwikkeling en uitvoering van dit project geen kosten en/of financiële risico’s verbonden. Eventueel uit het initiatief voortvloeiende planschade blijft voor rekening van aanvragers. Hiervoor zal een planschadeovereenkomst met de gemeente worden afgesloten. De financiële uitvoerbaarheid is gegarandeerd en er is een dekkende exploitatie. Conclusie: De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht voldoende te zijn aangetoond.

6.13

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het initiatief is een al langer bestaand voornemen voor de bouw van een woning op dit perceel P499. In het voorgaande bestemmingsplan Wijnbergen- 2000-1 (zie paragraaf 1.2) was deze bouwlocatie al bestemd. De omwonenden zijn vanaf het begin bekend met dit planvoornemen. Met de buren van de ten oosten van het plangebied gelegen woning is het voorliggende bouwplan besproken en het heeft hun instemming. De verdere omwonenden zijn middels een brief geïnformeerd dat het planvoornemen weer actueel is en in procedure komt.

Conclusie: Er zijn (op voorhand) geen maatschappelijke belemmeringen voor de realisatie van het initiatief.

Bijlagen Bijlage 1

Quickscan flora en fauna, bureau BNL, rapportnr. 20060.QFF01 dd. 19 06 2020;

Bijlage 2

Bodemonderzoek, bureau Lycens, rapportnr.2020-0278 dd 24 juni 2020;

Bijlage 3

Aeriusberekening, bureau Lycens, kenmerk 2020-0278, v2 dd. 17 november 2020;

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek, bureau K+ Adviesgroep, rapportnr. Rm200449aaA0 dd 09 juli 2020.

38

Rapportnummer PBO 20042801.6, 19 november 2020, definitief

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7543/documents/38928