CConstaterende datDoesburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Warmtetransitievisie definitief

Gemeenteraad 21 oktober 2021, gemeente DoesburgBij agendapunt: Warmtetransitie Visie ‘Doesburg aardgasvrij’.17.058 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Doesburg aardgasvrij | 19266

25

Figuur - Koppelkansen opgeteld

5.4

Koppelkans bij de koppelkans

Vanuit de stakeholdersessie werd ons meegegeven om niet alleen te zoeken naar koppelkansen om de warmtetransitie te starten, maar ook naar kansen die kunnen meekoppelen mét de warmtetransitie. ‘Als we dan toch aan de slag gaan…’ was het idee. Daarbij kwamen de volgende thema’s naar voren. Biodiversiteit, die zou moeten toenemen als gevolg van de maatregelen die we gaan treffen in de openbare ruimte. Aanpassingen in de openbare ruimte geeft een kans om de biodiversiteit te versterken. Naast de versterking van biodiversiteit heeft een gevarieerde natuur in de openbare ruimte invloed op schoon water, vruchtbare grond en een stabiel klimaat. Met name bij collectieve warmtebronnen zijn er veel aanpassingen in de

Doesburg aardgasvrij | 19266

26

openbare ruimte nodig waarin er op drie niveaus naar de omgeving wordt gekeken. Biodiversiteit stimuleren kan ‘in de woning’ (door het plaatsen van nestkasten, verblijf- en broedplaatsen), ‘om de woning’ (groene daken, groene gevels, geveltuintjes, verharding/tegels verwijderen) en met ‘natuur in de buurt’ (aanleg van groenstroken, ‘groen en blauwe verbindingsroutes’, terrein bestaat niet alleen uit gazons, maximaal vijf per soort beplanting, veel variatie). Bij bestaande bouw zou biodiversiteit in de woning lastig worden met het plaatsen van nestkasten. Bij nieuwbouwprojecten en ontwikkellocaties kan biodiversiteit en natuurinclusiviteit worden opgenomen in de bouwkundige schil. Bij maatregelen rondom de woning en in de buurt kan zowel in de bestaande omgeving als bij nieuwbouwprojecten worden uitgevoerd. Hittestress, waar we met name in de dichtbebouwde (‘versteende’) binnenstad last van hebben. Bij voorkeur treffen we maatregelen die bijvoorbeeld meer groen en meer water de binnenstad in brengen. In de binnenstad bij omgeving van de begraafplaats, is te zien dat de gevoelstemperatuur en hitte eiland effect (hittestress) minder is. De verbinding van het omliggende blauw en groen verlaagt de temperatuur en creëert vergrotende capaciteit voor het opvangen van regenwater.

Daar waar grote kans is op overstroming bij regenbuien 1:100 jaar en 1:1.000 jaar dit soort groene en blauwe maatregelen plaatsen. Deze maatregelen hebben ook een positief effect op het hitte eiland effect. Gelijktijdig bewoners stimuleren voor het plaatsen van geveltuintjes, groene daken en groene achtertuinen. Naast het vergroenen ook bloeiende planten toevoegen om de biodiversiteit te versterken. De plekken in de openbare ruimte die voornamelijk bestaan uit dichte materialen, zoals beton en asfalt, bij natuurlijke vervangmomenten gaan vergroenen. Zoals ecologische parkeerplaatsen in de binnenstad. Sociale veiligheid was een thema dat ook terugkwam. Iedereen moet kunnen meedoen en voor veel bewoners is energietransitie een thema dat niet bovenaan hun prioriteitenlijst staat. Wijken waar problemen afspelen geven ook kansen voor een wijkaanpak. De leefkwaliteit van de wijk verbeteren, vergroenen en naar de bewoners luisteren waar zij behoefte aan hebben. Het inzetten van energiecoaches zal hierin helpen om ook te helpen bij mogelijke financieringsconstructies. Andere vraagstukken komen hierbij ook aan het licht, waar met een integraal team naar gekeken moet worden. Een logische samenwerking is tussen de woningcorporatie, gemeente en de bewoners. De samenwerking is stabiel en nauw en er kan daardoor gekeken worden naar lokale oplossingen.

Het gaat om aansluiten aan de behoefte die bewoners in de wijk hebben. We gaan ervan uit dat, zodra we een stap dichter naar de wijkwarmte- of wijkuitvoeringsplannen gaan, het aantal thema’s die we kunnen koppelen aan de warmtetransitie nog verder zal toenemen. En andersom: de koppelkansen bij koppelkansen kunnen een reden zijn voor bewoners om juist aan de slag te gaan.

Doesburg aardgasvrij | 19266

27

6 Kosten en betaalbaarheid In het Klimaatakkoord staat dat de verduurzaming voor iedereen betaalbaar moet zijn, maar ook gefinancierd (moet) kunnen worden. Het kabinet maakt de komende periode middelen vrij om gemeenten te ondersteunen bij de transitie naar aardgasvrije gebieden. Die financieringsconstructies kunnen de drempel tot het treffen van verduurzamingsmaatregelen voor bewoners een stuk verlagen. Wat uiteindelijk de kosten worden voor woning- en gebouweigenaren weten we op dit moment nog niet. Dit hangt ook af van een aantal factoren, waaronder: •

het type gebouw: oppervlakte en het aantal buitenmuren van een woning zijn van invloed op de investeringskosten en maandlasten;

•

de huidige staat van het gebouw: afhankelijk van de leeftijd van de woning en de mate van onderhoud en renovatie (inclusief de mate van isolatie);

•

het warmtealternatief: het ene alternatief zal duurder zijn dan het andere. Ook de kostenopbouw verschilt: in de ene optie gaat het vooral om kosten in de woning (all-electric: isolatie, installatie) in de andere optie gaat het vooral om kosten buiten de woning (warmtelevering: infrastructuur). Daarmee komen de investeringen bij verschillende partijen terecht;

•

ook zijn er externe factoren die de kosten van verduurzaming van een gebouw beïnvloeden, waarvan de belangrijkste marktwerking is. De Transitievisie Warmte wordt om de vijf jaar herzien. Gedurende die periode kunnen er ook op de markt dingen veranderen, waar we dan rekening mee kunnen houden.

Figuur - Globale indicatie van de verdeling van kosten van de warmtetransitie

Doesburg aardgasvrij | 19266

28

6.1

Subsidies en leningen

Subsidies zijn er met name om de ‘onrendabele top’ van een investering af te dekken. Een nieuwe maatregel levert vaak besparing op, of meerwaarde voor de woning. Soms is dit niet genoeg om de maatregel terug te kunnen betalen, of is het goed om deze maatregel extra te stimuleren. Er zijn verschillende subsidies: •

subsidies voor particulieren bij het doen van maatregelen of aanschaf van installaties (ISDE, SEEH, et cetera);

•

subsidies voor energieproducenten voor het produceren van duurzame energie (SDE+, SDE++);

•

proeftuinsubsidie aardgasvrije wijken voor gemeenten (PAW);

•

provinciale subsidies.

Duurzaamheidsleningen maken het mogelijk om duurzame maatregelen te treffen, zonder dat iemand bij de start een grote investering uit eigen geld moet doen. Een maatregel kan namelijk een voordelige keus zijn, maar niet direct te financieren. Een duurzaamheidslening moet worden terugbetaald, maar kent in de regel een lage rente. Er zijn verschillende duurzaamheidsleningen, waaronder: •

Energiebespaarfondsen voor particulieren. Deze bestaan er op nationaal (Nationaal Warmtefonds) en provinciaal niveau, maar ook op lokaal niveau: zo mag in de starterslening en blijverslening een deel worden gebruikt voor duurzame maatregelen;

•

Energiefondsen voor initiatieven/organisatie (regionaal). Met het Duurzaamheidsfonds Doesburg kunnen nieuwe, duurzame initiatieven uit de samenleving van Doesburg mogelijk worden gemaakt.

Het kabinet informeert de Tweede Kamer regelmatig over bestaande en nieuwe regelingen die er zijn in dit licht 3. Gelders Warmte- en infrabedrijf (GWIB) Met een GWIB wil de provincie Gelderland vaart maken met de overschakeling van aardgas naar duurzame warmte. Door de infrastructuur van warmtenetten publiek te maken, hoopt de provincie op een versnelling in de ontwikkeling van rendabele warmtenetten. Het is de bedoeling dat het Gelders Warmte Infra Bedrijf de transporten distributienetten van stadsverwarming gaat aanleggen en beheren. De productie en levering van warmte moet van andere, private partijen komen. Het probleem dat het GWIB oplost is dat de risico’s die genomen (en daarmee de kosten die gemaakt) moeten worden voor transport en distributie niet of slechts met heel veel moeite genomen worden door private partijen. Bovendien vinden afnemers het soms onprettig om – langjarig – met een private monopolist te maken te krijgen. Voor Doesburg zou dit interessant kunnen zijn voor het project in De Ooi. Voor meer informatie over de ordening en de ontwikkeling van warmtenetten, zie ook de TKI-brochure Warmtenetten georganiseerd4.

6.2

Soorten kosten

Maatschappelijke kosten zijn de totale financiële kosten in Nederland van alle maatregelen die nodig zijn om in een wijk of dorp van het aardgas af te gaan, ongeacht wie die kosten betaalt. Dit is inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Het gaat hier onder andere om de aanleg van een warmtenet, de verzwaring van het elektriciteitsnet, verwijderen van het gasnet en onderhoud van infrastructuur. Ook de investeringen van de bewoners zitten hierin. De maatschappelijke kosten zijn meegenomen in de afweging om te komen tot de technische oplossingen per gebied, zoals beschreven in hoofdstuk 4. Kosten voor de bewoners of ‘eindgebruikers’ kunnen worden onderverdeeld in investeringskosten en jaarlijkse kosten per woning. De investeringskosten zijn eenmalige (aanschaf)kosten voor een duurzamere warmtetechniek, zoals een warmtepomp of isolatiemateriaal. De jaarlijkse kosten zijn de kosten voor de bewoner

3

www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/klimaatverandering/documenten/brieven/2021/01/12/stand-van-zaken-klimaatakkoord-

gebouwde-omgeving 4 www.topsectorenergie.nl/sites/default/files/uploads/Urban%20energy/publicaties/TKI_Warmtenetten%20georganiseerd.pdf

Doesburg aardgasvrij | 19266

29

die jaarlijks betaald moeten worden voor bijvoorbeeld onderhoud van de techniek en/of de warmte zelf. Deze kosten komen in plaats van onderhoudskosten voor de cv of de rekening voor het aardgas. Verschillende technieken brengen andere kosten met zich mee als het gaat om investeringen en de maandelijkse kosten voor eindgebruikers. Deze kosten worden verder uitgewerkt in een volgende fase, die van de uitvoeringsplannen. De globale kosten voor woningeigenaren zijn te vinden op www.milieucentraal.nl en te berekenen met hun rekentool Verbeterjehuis.nl. Tot slot zijn, naast energiebesparing en onderhoud, comfort en kwaliteitsverbetering van de woning ook argumenten om rekening mee te houden bij het opstellen van een verdienmodel. Als gemeente gaan we op zoek naar de maatschappelijk goedkoopste oplossing op basis van een optimale afstemming met de stakeholders en werken we aan financieringsconstructies en betaalbare proposities voor woningeigenaren. Er is geen ‘one-sizefits-all’ oplossing.

Doesburg aardgasvrij | 19266

30

7 Bewoners betrekken De warmtetransitie is een uitdaging die ons allemaal raakt. Daarbij is er sprake van wederzijdse afhankelijkheid van gemeente en bewoners om de warmtetransitie voor elkaar te krijgen. Bewoners kunnen niet alleen een aardgasvrije woning realiseren. Daarvoor zijn de ingrepen te duur en technisch vaak te complex. Omgekeerd heeft de gemeente de bewoners, verhuurders en ondernemers nodig om de overstap naar aardgasvrije woningen, straten en buurten te maken. Dit hoofdstuk gaat over hoe we daarover gaan communiceren, en op welke manier we willen omgaan met participatie. Participeren betekent in deze context het betrekken van belanghebbenden (onder andere bewoners, gebouweigenaren, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden) bij de besluitvorming over een project of activiteit. Participatie is belangrijk om in de volgende fase te komen tot een gedragen uitvoeringsplan voor het aardgasvrij maken van een wijk. We sluiten hiervoor graag aan bij de participatie-uitgangspunten die vanuit het nationale programma Aardgasvrije Wijken opgesteld worden.

De participatie-uitgangspunten zijn bruikbaar voor alle betrokkenen bij de transitie; voor de gemeente zelf, voor netwerkbedrijven, energieleveranciers, woningcorporaties, andere verhuurders, bewonersorganisaties, energiecoöperaties, energieloketten en voor bouw- en installatiebedrijven die betrokken zijn bij de uitvoering van deze TVW. Ook bewonersinitiatieven kunnen het voortouw nemen in het aardgasvrij maken van een wijk, waar de gemeente ruimte aan kan geven. Waar gaan we dan voor?

7.1 •

We maken het procesontwerp samen met bewoners en andere partners We maken ruimte voor bewoners (en VvE’s en andere bewonersplatforms) om mee te denken over hoe zij betrokken worden in het proces.

•

We nemen de waarden en belangen van de bewoners mee in het proces, zoals veiligheid, groen in de wijk of speelvoorzieningen, en kijk of je die kunt verbinden met de energietransitie. Wanneer vinden bewoners de transitie de moeite waard?

•

We betrekken degenen die zeggenschap hebben bij het ontwerpen van het proces. We verwachten vooral betrokkenheid en verantwoordelijkheid als degenen met zeggenschap, zoals eigenaar-bewoners en gebouweigenaren, mede kunnen bepalen hoe het proces er uitziet en wat relevante afwegingscriteria zijn.

•

De gemeente heeft een regierol en zorgt voor heldere afstemming over de participatie en communicatie tussen de verschillende lokale partijen. Rollen kunnen tijdens het proces veranderen. Het is dus belangrijk de rollen te blijven evalueren.

•

We maken tijdig en gedurende het hele proces helder waarop bewoners wel of geen invloed kunnen uitoefenen, waarover de participatie gaat, de looptijd, wanneer er wordt besloten, wat de afwegingscriteria zijn, hoe de besluitvorming er uitziet en welke kaders er zijn (bijvoorbeeld in de transitievisie warmte of het participatiebeleid). Tijdig houdt in voordat concrete plannen uitgewerkt zijn.

•

Participatie is een continu proces. We blijven periodiek met alle betrokkenen de aanpak herijken.

Doesburg aardgasvrij | 19266

31

7.2

We geven iedereen de mogelijkheid om mee te doen

•

We houden bewoners gedurende het hele proces op de hoogte van de mogelijkheden om te participeren.

•

We gebruiken verschillende manieren en methodes om mensen te bereiken. We maken gebruik van sociale structuren, bewonersgroepen en georganiseerde bewoners zoals huurdersverenigingen en VvE’s.

•

We zorgen voor een inclusieve aanpak door rekening te houden met diverse culturele achtergronden en leeftijden. Houd rekening met groepen die moeilijk kunnen participeren vanwege een gebrek aan tijd, kennis en vaardigheden of andere belemmeringen.

•

We maken informatie over proces en over techniek begrijpelijk en behapbaar voor iedereen.

•

We denken bewust na over de onderwerpen waarover je het gesprek voert. Energie is niet voor iedereen een aansprekend thema. We sluiten aan bij de leefwereld van bewoners.

•

We laten mensen op hun eigen manier meedoen. Voor sommigen betekent dat zelf doen, voor anderen meedenken of op de hoogte gehouden worden.

•

De betrokkenheid kan verschillen per fase van het wijkproces: de oriëntatie-, ontwikkel, realisatie- en beheerfase. Bij iedere fase horen andere activiteiten waarbij de trede op de participatieladder kan verschillen.

7.3 •

We zorgen dat iedereen gehoord wordt We zorgen dat iedereen gehoord wordt, wat betekent dat mensen hun inbreng herkennen, direct of via een ander (representatie). Representatie kan bijvoorbeeld worden vormgegeven door stemmen, burgerpanels, gebouwvertegenwoordigers, huurdersorganisaties of straatambassadeurs.

•

De gemeente waakt over een zo volledig mogelijke representatie van de bewoners.

•

We laten weten wat er met de inbreng van bewoners en andere partijen is gedaan en beargumenteren waarom er wel of niet iets met de ingebrachte (tegen)argumenten is gedaan.

•

We zorgen tijdens het hele proces voor een laagdrempelig contactpunt met goede bereikbaarheid (bijvoorbeeld op locatie, telefonisch en/of via e-mail) waar elke bewoner vragen kan stellen over het proces en met initiatieven kan komen om mee te doen.

7.4 •

We werken aan een betrouwbare kennisbasis We werken aan een kennisbasis die voor alle betrokkenen betrouwbaar is. Het gezamenlijk ontwikkelen van kennis (‘joint fact finding’) kan daarbij helpen.

•

We ontwikkelen en benutten verschillende vormen van kennis. Zowel kennis die bijdraagt aan de besluitvorming als praktische kennis over welke maatregelen te treffen op woningniveau.

•

We zorgen ook hier weer voor transparantie over proces, inhoud en kosten. Deel informatie over de verschillende (collectieve en individuele) warmtealternatieven.

•

7.5

We bieden georganiseerde bewoners of bewonersgroepen de ruimte om onafhankelijk advies in te winnen.

Ondersteun bewoners om de stap te maken

•

Door kleine stappen te nemen, kunnen bewoners meegenomen worden in hun eigen tempo.

•

We hebben aandacht voor de ontzorging van groepen mensen die niet mee kunnen of willen, vanwege belemmeringen op het gebied van tijd, geld, kennis- en vaardigheden of andere (specifieke persoonlijke) omstandigheden.

•

We informeren alle bewoners over de mogelijkheden en het besluit over een warmte-alternatief.

•

We ondersteunen bewoners en gebouweigenaren bij hun keuzen over welke maatregelen te nemen in de woning. Advies organiseren we ook via een onafhankelijk (regionaal) energieloket, een bewonersinitiatief of anderszins, ook voor de wijze waarop de gebouweigenaar naast bovenstaande punten nog meer ontzorgd kan worden bijvoorbeeld met financiering en/of collectieve inkoop.

Doesburg aardgasvrij | 19266

32

7.6

Hoe nu verder?

De ervaring gaat het leren We hebben hiermee alles op tafel liggen om het gesprek met de stad aan te gaan over de warmtetransitie. We hebben het over uitgangspunten en over kansen, en over de werkelijkheid op papier. Nu de uitvoering nog. We gaan de komende periode ervaren hoe dit werkt, dat doen we overal in Nederland. Er gaan ook lastige vragen komen, zoals: hebben we wel voldoende uitvoeringscapaciteit om eventuele bewonersinitiatieven direct te ondersteunen en faciliteren. Komende jaren zal er vanuit de Rijksoverheid aanvullend uitvoeringsbudget uitgekeerd worden aan de gemeenten, maar daarmee hebben we nieuwe collega’s ook nog niet meteen geworven. Dit (uitvoerings)vraagstuk geldt immers voor elke gemeente. Zoals vaak geldt: de ervaring gaat het ons leren. Herijken elke vijf jaar Gemeenten actualiseren in eerste instantie de Transitievisie Warmte elke vijf jaar. VNG en Rijk evalueren uiterlijk in 2022 of deze actualisatietermijn van iedere vijf jaar de juiste is. Daarbij wordt ook aangesloten bij het kennisen leerprogramma van het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW). Ondertussen kan het zijn dat er de komende periode initiatieven ontstaan in de buurten die nu voor na 2030 op de rol staan. Daar wachten we dan niet mee, want we vinden het belangrijk om dáár aan de slag te gaan waar er energie is in de stad.

Van project naar Wijkuitvoeringsplan Bij twee startprojecten zien we een hele wijk, De Ooi, en een individueel project; de IJsselkade. In een wijk noemen we de lokale verduurzaming een project. Starten met een hele wijk, dan hebben we het al snel over een wijkuitvoeringsprogramma of een ‘WUP’. En om het nog ingewikkelder te maken: een project kan ook leiden tot een WUP. Want waarom niet de gehele wijk meenemen als we toch gaan isoleren? We hebben scherp wat de route is, dus laten we daar samen naartoe werken. Het opstellen van een uitvoeringsplan is een afspraak uit het Klimaatakkoord. Het is een logische vervolgstap voor de wijkgerichte aanpak en een concretisering van deze Transitievisie. Met een uitvoeringsplan geven we zoveel mogelijk bewoners en betrokken partijen zoveel mogelijk duidelijkheid. Hoe zo’n WUP tot stand zou kunnen komen, schetsen we in de flowchart hierna. De gemeenteraad stelt uiteindelijk de WUP voor een wijk vast. In het volgende hoofdstuk beschrijven we hoe we alle relevante partijen hierbij betrekken.

Figuur - Opzet voor het proces om te komen tot een wijkuitvoeringsplan

Doesburg aardgasvrij | 19266

33

Bijlage 1. Potentie bronnen en technieken Wanneer we kijken naar de warmte-alternatieven voor aardgas kunnen we deze onderverdelen naar temperatuurniveau. Warmtebronnen met een temperatuur onder de 40°C noemen we laagtemperatuurwarmtebronnen. Deze warmte zal met een warmtepomp opgewaardeerd moeten worden om een woning mee te verwarmen. Warmtebronnen met een temperatuur boven de 70°C noemen we hoogtemperatuurbronnen. Deze bronnen kunnen rechtstreeks in de woning toe worden gepast. Warmtebronnen tussen deze temperatuurniveaus in, noemen we middentemperatuur bronnen. Het is afhankelijk van de isolatiegraad van de woning of deze warmte rechtstreeks of via een warmtepomp ingezet kan worden. Het potentieel van de laagtemperatuurbronnen in de volgende paragrafen is de warmte die de bron leveren kan in combinatie met een warmtepomp. Voor aquathermie, ondiepe geothermie, wko en (laag- of middentemperatuur) restwarmte is uitgegaan van de toepassing met hoogtemperatuur collectieve warmtepompen omdat dit de meest voorkomende combinatie is5. Het potentieel van de bodemlus (ondiepe bodemwarmte) is berekend op de toepassing met een individuele warmtepomp. Zie voor een overzicht de afbeelding achterin dit hoofdstuk. 1 Omgevingswarmte Met omgevingswarmte bedoelen we de warmte in de buitenlucht.

Luchtwarmtepompen onttrekken warmte uit de buitenlucht en waarderen deze warmte elektrisch op naar een temperatuur van minimaal 40°C. Dit doet het onder een gunstig rendement; gemiddeld levert één deel elektriciteit, vier tot vijf delen warmte op. Voor de luchtwarmtepomp neemt dit rendement af bij koude winters. De warmte wordt afgegeven in de woning via lucht of water (radiatoren). Bij een temperatuur van 40°C moet de woning goed geïsoleerd zijn om warmteverlies/-verval te beperken en ook bij koude winterdagen een comfortabel binnenklimaat te hebben. Voor alle nieuwbouwwoningen vanaf 2015 is de techniek, zonder aanvullende maatregelen, toepasbaar. Woningen die gebouwd zijn na 19926, zijn met beperkte maatregelen geschikt te maken voor toepassing van deze techniek. Dit betekent veelal het vullen van de spouwmuur en het vergroten van de oppervlakte aan warmteafgifte doormiddel van vloerverwarming of grotere radiatoren of convectoren. Wanneer een pand oud is en het gecompliceerd en duur is om te isoleren tot een label A, kan worden gekozen voor een hybride warmtepomp, waarbij de piekvragen met (duurzaam) gas worden ingevuld. Het pand blijft bij een hybride warmtepomp dus aangesloten op het gasnet. De energiebesparing met een hybridewarmtepomp is lager, maar de techniek kan een goede tussenstap zijn in de transitie naar aardgasvrij.

De potentie van omgevingswarmte is in principe ongelimiteerd. 2 Aquathermie Aquathermie is het benutten van warmte uit water. Op dit moment zijn er technieken beschikbaar of ontwikkeling voor de benutting van warmte uit oppervlaktewater (TEO), warmte uit afvalwater (TEA) en warmte uit drinkwater (TED). Onderstaand wordt op deze drie warmtebronnen nader ingegaan.

5

Voor de hoogtemperatuurwarmtenet varianten is 20% aan (duurzaam)gas gerekend voor het opvangen van de piekvraag.

Voor de laagtemperatuur varianten is 20% aan elektriciteit gerekend voor tapwaterverhitting. 6

In 1992 is in het Bouwbesluit een isolatiewaarde (Rc 2,5 voor gevel, ramen en vloer) vastgelegd voor nieuwbouw.

Doesburg aardgasvrij | 19266

34

2a

TEO

Bij thermische energy uit oppervlaktewater (TEO) wordt warmte onttrokken uit een rivier, kanaal of meer. In Nederland zijn open waterlichamen alleen in de zomer voldoende warm (>15°) om warmte aan te onttrekken. Er is daarom seizoensopslag nodig om de warmte in de winter te kunnen gebruiken. Dit wordt veelal gedaan in een wko-systeem (lees 0). Ook bij TEO wordt een warmtepomp gebruikt om de warmte op te waarderen voordat het naar de woning gaat. TEO wordt meestal toegepast met een collectieve hoogtemperatuur warmtepomp en via een warmtenet naar de woningen/panden getransporteerd. Omdat TEO dus vraagt om 1) een warmtenet vanaf de waterbron, 2) opslag, 3) een warmtepomp en 4) een warmtenet naar de woning, is het een duur warmtealternatief. Alleen voor gebieden met hoge bebouwingsdichtheid en oude bebouwing waar geen andere hoogtemperatuurbron is, kan een hoogtemperatuur TEO warmtenet een goede optie zijn; in een dergelijk gebied is er geen ruimte voor individuele systemen en de kosten van isolatie liggen vaak te hoog om met een laagtemperatuurtechniek te verwarmen. Daarnaast wordt warmte uit oppervlaktewater benut om de thermische balans in een wko te realiseren door toevoeging van warmte uit oppervlaktewater. Bij TEO is de locatie van de warmtebron van groot belang. Deze kan niet te ver liggen van de afzet omdat er warmteverlies optreedt in het transport.

Daarnaast is een grotere afstand ongunstig voor de businesscase door een toename in de infrastructurele investeringskosten voor het warmtenet. Een afstand van 500 – 1.000 meter is algemeen aanvaard. De theoretische potentie aan thermische energie uit oppervlaktewater in Doesburg is 6.486 TeraJoule (TJ), dit is goed voor meer dan 162.000 woningen (STOWA, 20187). Hierbij is de limiterende factor van opslagcapaciteit (wko of buffervat) niet meegenomen. Deze potentie is voldoende om de nabijgelegen buurten Noorderlijk Molenveld, Oude Stad, Beinum en De Ooi van warmte te voorzien. 2b

TEA

Bij thermische energie uit afvalwater wordt - zoals de naam doet vermoeden- warmte onttrokken aan afvalwater. Er zijn verschillende bronnen van afvalwater waarvan de grootste ons rioolsysteem. De warmte kan op verschillende plekken gewonnen worden zoals rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), pompgemalen of rioolbuizen of bij de bron zelf zoals een productiebedrijf. TEA lijkt in vele opzichten op TEO maar onderscheidt zich op één belangrijk punt: de temperatuur van het afvalwater is veel stabieler gedurende het jaar - 12 graden in de winter tot 20 graden in de zomer bij de RWZI. Dit betekent dat opslag geen vereiste is. Kortetermijn opslag is vaak wel een vereiste wanneer de momenten van afvalwaterproductie niet overeenkomen met de momenten van warmtevraag. Er zijn drie rioolwaterzuiveringsinstallaties in Doesburg: Rioolgemaal Doesburg, Angerlo en RWZI Olburgen. Met een potentie van 300 TJ per jaar (in combinatie met een collectieve warmtepomp) levert de RWZI Olburgen de meeste warmte. De warmte van de RWZI kan met een collectieve warmtepomp worden opgewaardeerd en via een warmtenet naar de woningen worden getransporteerd. De RWZI Olburgen heeft echter een grote afstand tot de gemeente Doesburg. Hoe groter de afstand hoe meer warmte er verloren gaat. Het is daarom effectiever om naar warmtebronnen in de gemeente te onderzoeken.

Rioolgemaal Doesburg is daarna de grootste RWZI in de omgeving met 5 TJ aan capaciteit. Rioolgemaal Angerlo heeft een kleinere potentie va 0,5 TJ per jaar. De theoretische potentie aan thermische energie uit afvalwater in Doesburg is 5 TJ. Dit gaat om het Rioolgemaal Doesburg en genoeg voor 200 woningen om te verwarmen.

7

www.omgevingswarmte.nl/geldersewaterschappen.

Doesburg aardgasvrij | 19266

35

2c

TED

De laatste vorm van aquathermie is thermische energie uit drinkwater (TED). Dit is een nieuwe techniek die nog niet veel is toegepast. De potentie van TED per regio of de bijdrage die TED leveren kan aan de energietransitie is onbekend. Er is op het moment geen praktische potentie voor TED in de gemeente. 3 Restwarmte Restwarmtebronnen komen in vele vormen en maten voor. Het is de warmte die “overblijft” na bijvoorbeeld een productieproces. Deze warmte kan zich bevinden in een gas of vloeibare stroom en de temperatuur verschilt per bron. Restwarmte wordt via een warmtenet getransporteerd naar de woningen. Restwarmte van een hoge temperatuur kan direct worden toegepast in woningen zonder gebruik van een warmtepomp en vraagt weinig tot geen aanpassingen in de woning. Dit is financieel dus een heel gunstig scenario (bij een voldoende hoge bebouwingsdichtheid). Bij een lagere temperatuur restwarmte moet deze eerst met een (individuele of centrale) warmtepomp worden opgewaardeerd. Een risico bij het gebruik van restwarmte is dat bij vertrek van het bedrijf, de bron dus ook verdwijnt. Niet alle bedrijven zijn bereid een overeenkomst aan te gaan met betrekking tot levergarantie voor een specifiek aantal jaren. Er wordt nu onderzoek gedaan met Eteck naar de restwarmte van de ijzergieterij. Het dichtbij zijnde appartementencomplex de IJsselkade kan gebruik maken van deze warmte.

Naast deze grote restwarmtebronnen zijn er enkele laagtemperatuurrestwarmtebronnen - zoals supermarkten - met beperkte capaciteit die alleen zeer lokaal kunnen worden ingezet. Zodoende kunnen we concluderen dat er in de gemeente geen verdere potentie is aan restwarmte om in te zetten voor de gebouwde omgeving. De theoretische potentie aan restwarmte in Doesburg is 2 TJ. Deze restwarmte komt van supermarkten (Aldi, Coop, Have supermarkt) en genoeg voor 75 woningen om te verwarmen. 4 Bodem- en aardwarmte Warmte uit de bodem kan met behulp van diverse technieken gewonnen worden, afhankelijk van de bodemgesteldheid en beschikbaarheid van warmte. Onderstaand wordt op deze technieken ingegaan. 4a

Bodemwarmte

Een bodemlus is een techniek om warmte te winnen uit de ondiepe boden 1-100 meter diep. Hierbij wordt een gesloten buis de bodem in geboord, ofwel horizontaal, ofwel verticaal, en gevuld met een water en antivries mengsel. De vloeistof in de buis neemt de temperatuur over van haar omgeving, de bodem. De bodemtemperatuur is gedurende het jaar betrekkelijk constant en rond de 12°C. Zo kan er met een bodemlus in de winter warmte worden gewonnen en in de zomer koude. Een warmtepomp waardeert de warmte op naar 40°C of hoger om de woning te verwarmen. Een groot voordeel van een bodemlus gekoppelde warmtepomp ten opzichte van een luchtwarmtepomp (zie 2.1), is dat het rendement hoger ligt en er in de zomer (passief) gekoeld kan worden, zonder elektriciteitsverbruik. Een nadeel van de techniek is dat er voor bestaande bouw vaak twee bodemlussen per woning nodig zijn met een onderlinge afstand van acht meter om interferentie te voorkomen. Dit vraagt om voldoende tuinoppervlak per woning. Daarnaast resulteert het boren van de buizen in het overhoop halen van de tuin, wat niet iedere bewoner wil. Bodemlussen zijn een individuele techniek; voor hoogbouw, of industriegebieden met een grote warmtevraag zijn bodemlussen minder geschikt dan een open wko-systeem, omdat de bodem dan overmatig aangeboord wordt (geperforeerd).

Er zijn gebieden waar de bodem helemaal niet aangeboord mag worden en slechts tot een bepaalde diepte om vervuiling van drinkwaterbuffers te voorkomen. De potentie voor het toepassen van bodemlussen in Doesburg is in kaart gebracht door de provincie en is rond de 1.500 TJ, meer dan de warmtevraag van de gebouwde omgeving in Doesburg.

Doesburg aardgasvrij | 19266

36

4b

Wko

Bij warmte-koudeopslag wordt warmte en koude gewonnen uit een afgesloten waterpakket in de bodem op een diepte tussen de 100-500 meter en via een warmtenet getransporteerd naar de woningen/panden. Het temperatuurniveau is tussen de 8°C en 15°C. Het is gunstig wanneer de panden aangesloten op dit warmtenet zowel koude- als een warmtevraag hebben. Bij een wko-systeem moet namelijk evenveel warmte onttrokken worden aan de bodem als er in wordt teruggebracht. Is dit niet het geval, dan raakt de bron uitgeput. Wanneer er een onbalans is tussen de warmte- en koudevraag, kan deze worden hersteld door warmte en/of koude toe te voegen uit een externe bron, bijvoorbeeld oppervlaktewater of elektrisch. Dit noemen we regeneratie. Als de benodigde regeneratie omvangrijk is, is een wko-systeem minder rendabel. Hoe dichter de warmte- en koudevraag dus bij elkaar liggen, hoe gunstiger de businesscase. Bij goed beheer gaan wko-systemen dertig jaar mee. Een wko-warmtenet wordt dus toegepast daar waar zowel een warmte- als koudevraag is. Dit geldt bijvoorbeeld voor kantoorpanden, verzorghuizen of hotels maar ook sommige industrie. Ook goed geïsoleerde nieuwbouwwoningen hebben een grotere koudevraag dan bestaande woningen. Maar het aandeel aan koudevraag ten opzichte van warmte blijft klein.

Let op: Waterschap Vallei en Veluwe en Vitens hebben zorgen over de sterke toename van warmtekoudeopslagsystemen (wko). Doorboringen van waterscheidende lagen in de ondergrond leiden tot een grotere kwetsbaarheid van het (grond)watersysteem voor verontreinigingen en wateroverlast. Ze roepen op tot terughoudendheid bij boringen in het algemeen, eerst andere bronnen verkennen die geen boringen behoeven en om de registratie van (bestaande) boringen en wko-systemen te verbeteren, met aandacht voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Zie het volledige statement in Bijlage 5. Waterschap Rijn en IJssel (relevant voor Doesburg) heeft hier nog geen uitspraak over gedaan, maar heeft samen met WVV de zorgen geagendeerd bij de Unie van Waterschappen. Het potentieel voor wko in Doesburg is in kaart gebracht door de provincie en is groter dan de gemeentelijke warmtevraag voor de gebouwde omgeving8. De technische potentie is 1.200 TJ. De toepassing wordt echter bepaald door de financiële rendabiliteit van het systeem. 4c

Ondiepe geothermie

Ondiepe geothermie is het boren tot een diepte tussen de 500 en 1.500 meter. Op deze diepte wordt grondwarmte onttrokken met een temperatuur tussen de 15°C en 40°C. Wanneer het water 40°C is, kan de warmte via een warmtenet rechtstreek worden gebruikt voor het verwarmen van goed geïsoleerde woningen in combinatie met individuele boilers voor het tapwater. Bij andere temperaturen of woningtypen zal de warmte eerst opgewaardeerd worden met een (centrale) warmtepomp. In tegenstelling tot een wko-systeem hoeft er bij ondiepe geothermie geen balans te zijn in de koude- en warmteonttrekking. Omdat ondiepe geothermie hoge investeringskosten vraagt, is er een minimale gegarandeerde afzet nodig om de techniek financieel haalbaar te laten zijn. Voor ondiepe geothermie is de minimale schaalgrootte tussen de 1.000 en 2.500 woningen afhankelijk van de brondiepte. Daarnaast is een hoge woningdichtheid (oftewel warmtevraagdichtheid) een vereiste om de kosten van het warmtenet te beperken. In deze analyse is de grens gesteld op een minimum van veertig woonequivalenten per hectare. De potentie voor het toepassen van geothermie in Doesburg is in kaart gebracht door de provincie en is rond de 600 TJ, meer dan de warmtevraag van de gebouwde omgeving in Doesburg. De toepassing wordt echter bepaald door de financiële rendabiliteit van het systeem.

8

Zie de kaarten wko in de kaartenbijlage.

Doesburg aardgasvrij | 19266

37

4d

Diepe (en ultradiepe) geothermie

Wanneer er nog dieper wordt geboord spreekt men van diepe geothermie (1.500 tot 4.000 meter) en ultra diepe geothermie (dieper dan 4.000 meter). Diepe geothermie wordt al langer toegepast in sectoren met een continue, hoge warmtevraag zoals de glastuinbouw en kan temperaturen leveren tot 100°C (stoom). Net als bij ondiepe geothermie, is een minimale afzet een vereiste voor het ontwikkelen van een geothermische boring. Woningen lenen zich al minder voor deze techniek omdat de warmtevraag sterk fluctueert tussen de zomer en winter. Voor een geothermische boring wordt in het algemeen uitgegaan van een minimale afzet van 4.000 tot 5.000 woningen. Omdat er veel verlies optreedt in transport en een hoogtemperatuurwarmtenet duur is, moeten deze woningen dicht bij elkaar en dicht bij de bron staan. Een serie van galerijflats in een stadscentrum is dan ook het meest gunstige scenario voor het toepassen van geothermie voor woningen (40-50 woningen per hectare). Omdat de minimale schaalgrootte niet bereikt kan worden in Doesburg, is het potentieel voor diepe en ultradiepe geothermie nul. 5 Biomassa Vaste biomassa zoals hout gebruiken voor het verwarmen van woningen is omstreden. Het is een goedkope optie (bij resthout en snoeiafval) en levert hoogtemperatuurwarmte maar er komt fijnstof en CO2 vrij bij verbranding.

Er zijn vraagtekens over het effect op de CO2-uitstoot door biomassa: op papier is dit energieneutraal, maar onder andere het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving) en de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) waarschuwen dat biomassa in de praktijk een grotere uitstoot dan kolen kan hebben, met name als niet alleen snoeiafval wordt verbrand.9 Daarnaast is er in Nederland veel te weinig biomassa beschikbaar om in onze warmtevraag te kunnen voorzien. Met name in stedelijk gebied is het zeer de vraag waar de biomassa vandaan komt. Bij het ontwikkelen van een biomassacentrale is het dan ook van groot belang dat over een lange periode een toestroom van lokale restbiomassa gegarandeerd kan worden. Zo moet voorkomen worden dat er biomassa uit andere landen moet worden gehaald of minder duurzame biomassa wordt gebruikt. Het geschatte potentieel aan warmte uit huishoudelijk snoeiafval in Doesburg is 3 TJ (Georegister 2010, met een correctiefactor van 0,5). Met houtkachels kunnen hiermee rond de vijftig woningen worden verwarmd. Dit is een schatting gebaseerd op een verouderde bron bij gebrek aan meer recente informatie. Bij voorgenomen gebruik van biomassa moet realistisch gekeken worden naar de wenselijkheid van het gebruik van deze bron. 6 Groengas Biogas is het gas dat vrijkomt bij de vergisting van natte biomassa zoals mest en GFT-afval.

Biogas zelf kan niet worden gebruikt met onze huidige apparatuur omdat er naar ratio te veel koolstofdioxide, stikstof- en zwaveloxiden in het gas zitten. Deze kunnen worden verwijderd om zo biogas om te zetten naar groengas: gas dat 1:1 aardgas kan vervangen. Dit opwaarderen van biogas naar groengas kost ongeveer 5% van de energetische waarde van het totale volume aan groengas en de kosten van een dergelijke installatie zijn hoog. Maar hiermee kan het gas worden gebruikt in onze bestaande aardgasleidingen, wat logischerwijs veel voordelen oplevert.

9

Zie onder andere Visiedocument KNAW (2015), Biobrandstof en hout als energiebronnen – Effect op uitstoot van

broeikasgassen, en PBL (2013), Climate effects of wood used for bio-energy.-- KNAW heeft bevestigd dat rapport ook in 2020 nog steeds relevant is.

Doesburg aardgasvrij | 19266

38

Het aanbod aan biogas is op dit moment zeer beperkt en zal volgens de sector in 2030 ongeveer 5% van onze huidige gasconsumptie kunnen vervullen.10 Dit stelt de grootste discussie rondom groengas aan de kaak: moeten we dit gas in willen zetten voor de gebouwde omgeving? Met de energietransitie (en een stijgende CO2-belasting) zal straks ook de industrie, die nu aardgas gebruikt voor verhitting of als grondstof, een alternatief gaan zoeken. En ook mobiliteit is een sector waar biogas goed gebruikt kan worden: zwaar transport is nog steeds moeilijk te verwezenlijken met een elektrische motor. Deze sectoren hebben weinig tot geen alternatieven omdat zij de hoge ontbranding van gas nodig hebben. Woningen daarentegen kunnen al verwarmd worden met een temperatuur van 40°C. Het is daarom de vraag of het verstandig is om deze beperkte bron nu al in zijn geheel te reserveren voor de gebouwde omgeving. De invloed van een verhoogde vraag naar biogas vanuit de industrie kan ook gevolgen hebben voor de marktprijs van biogas waardoor dit straks niet meer betaalbaar is voor woningeigenaren. Groengas vanaf 2030 inzetten via het bestaande aardgasnet als transitiewarmtebron is mogelijk kansrijk, afhankelijk van de daadwerkelijke beschikbaarheid. We denken daarbij in eerste instantie aan woningen in bijvoorbeeld het buitengebied en/of lastig te isoleren woningen.

Dat doen we dan in combinatie met een hybride warmtepomp. Dit maakt het mogelijk om woningen die zich niet in één keer laten verduurzamen, of waarvoor er nu nog geen betaalbare warmtetechnieken zijn, toch van het aardgas af te halen. De warmtepomp vermindert het totale energieverbruik. In Doesburg is het geschatte potentieel aan groengas 70 TJ (Georegister 2010, met een correctiefactor van 0,5). Wanneer dit groengas wordt gebruikt in een gasketel staat deze potentie gelijk aan 1.200 woningen. Dit is een schatting gebaseerd op een verouderde bron bij gebrek aan meer recente informatie. Het merendeel is afkomstig van akkerbouw reststromen. Het is onduidelijk wat er nu wordt gedaan met deze reststromen.

Figuur – Overzicht bronnen, dragers, infra en aansluiting

10

Green gas Roadmap Netherlands, juli 2014. De geraamde hoeveelheid is het equivalent van 2,2 miljard m³ aardgas.

Woningen en de industrie gebruiken allebei ongeveer 20 miljard m³ aardgas per jaar, samen ruim 40 miljard m³.

Doesburg aardgasvrij | 19266

39

Bijlage 2. Startanalyse van het PBL Voor elke gemeente is door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een analyse uitgevoerd welke techniek (door PBL strategie genoemd) de laagste kosten per vermeden CO2 geeft. In deze paragraaf vergelijken wij de uitkomsten, zoals weergegeven in de volgende tabel met de uitkomsten van de Startanalyse om na te gaan hoe robuust die zijn. In deze zogenoemde Startanalyse wordt uitgegaan van de volgende technieken/strategieën: s1

individuele combiwarmtepomp;

s2

warmtenet met middentemperatuurbron (N.B. bedoeld wordt 70℃);

s3

warmtenet met laagtemperatuurbron;

s4

groengas met hybride warmtepomp of ketel;

s5

waterstof met hybride warmtepomp of ketel.

De analyse is dus op kosten gebaseerd maar houdt ook (tot op zeker hoogte) rekening met technische uitvoerbaarheid. Zo kijkt het model naar de aanwezigheid van warmtebronnen. Om de resultaten goed te kunnen duiden is het echter belangrijk om bekend te zijn met de uitgangspunten, aannames en werkwijze van het model.

Individuele elektrische warmtepomp Warmtenet met MT- of HT-bron Warmtenet met LT-bron Groengas Waterstof

Figuur - Startanalyse PBL voor “strategie met laagste nationale kosten”

Doesburg aardgasvrij | 19266

40

Hier vóór een ‘snapshot’ van het model van PBL; de Startanalyse. Het model berekent op buurtniveau de nationale kosten per oplossingsrichting (of strategie) en kiest vervolgens de strategie met de laagst nationale kosten. Het figuur laat zien dat er in Doesburg vier strategieën uit het model komen. Het model kiest bij gemeenten met veel buitengebied vaak voor de groengas strategie. Dit heeft mogelijk te maken met uitgangspunten waar het model mee rekent. Het is opvallend, gezien de beperkte beschikbaarheid van groengas, dat het model zo vaak voor dat scenario kiest. Het groengas scenario wordt door het model gekozen voor de buurten in heel Nederland waar het kostenverschil tussen het groengas scenario en het eerstvolgende goedkoopste alternatief het grootst is. Dit doet het model totdat het aantal m3 groengas op is. De buurten in Doesburg die uitkomen op de strategie groengas zijn dus kostbaar aardgasvrij te maken met de overige strategieën (s1 – s3). Als we ervan uitgaan dat groengas voor 2030 in beperkte mate beschikbaar is voor de gebouwde omgeving in Doesburg, dan is het niet logisch om in de buurten waar het model groengas kiest vóór 2030 te beginnen aardgasvrij te maken. De Startanalyse maakt per buurt een keuze voor één techniek, waar wij per buurt soms meerdere technieken als kansrijk zien. Wij zoomen verder in dan de Startanalyse.

In onderstaande tabel is de analyse opgenomen van de verschillen tussen de Startanalyse en de voorkeurstechniek op basis van lokale kennis, beschikbare bronnen en langjarige expertise binnen adviesbureau DWA. Tabel 3 - Vergelijking met Startanalyse (PBL)

1

Buurt

Techniek (DWA)

Techniek (PBL)

Vergelijking

De oude Stad binnen de Gracht

Groengas LT individueel bij grootschalige renovatie

Warmtenet met LT-bron

• • •

Geen logische keuze Bij LT-warmtenet zijn er grote investeringskosten voor isoleren Groot verschil in bouwjaren, collectief daardoor lastig

2

Noorderlijk Molenveld

MT-/HT-warmtenet

Warmtenet met MT- of HTbron

•

Logische keuze

3

Zuidelijk Molenveld

Individueel

Warmtenet met MT- of HTbron

• • •

Geen logische keuze Geen directe warmtebron in de buurt De type bebouwing en bouwjaren geschikter voor individuele warmtebron dan collectief

4

De Ooi

MT-/HT-warmtenet

Warmtenet met MT- of HTbron

•

Logische keuze

5

Beinum I

Individueel

Groengas

• •

Geen logische keuze Bouwjaar en type woning kan naar allelectric met warmtepomp, geen groengas nodig Collectief warmtenet niet financieel haalbaar

•

6

Beinum II

Individueel

Groengas

• •

•

7

Bedrijventerrein Beinum

Individueel

Doesburg aardgasvrij | 19266

Individuele elektrische warmtepomp

•

Geen logische keuze Bouwjaar en type woning kan naar allelectric met warmtepomp, geen groengas nodig Collectief warmtenet niet financieel haalbaar Logische keuze

41

Buurt

Techniek (DWA)

Techniek (PBL)

Vergelijking

8

Bedrijventerrein Verhuellweg

Individueel

Individuele elektrische warmtepomp

•

Logische keuze

9

Verspreide huizen Noordoost

Individueel

Groengas

•

Logische keuze

10

Verspreide huizen Fraterswaard-Oost

Individueel

Groengas

•

Logische keuze

11

Verspreide huizen IJssel en Oude IJssel

Individueel

Groengas

•

Logische keuze

Doesburg aardgasvrij | 19266

42

Bijlage 3. Handelingsperspectief Hoe kom je als woningeigenaar nu tot een keuze voor aardgasvrij? Duidelijk is dat er een grote verscheidenheid in technieken en warmtebronnen is. De eerste stap in de warmtetransitie is om te bepalen welke techniek en warmtebron geschikt zijn voor een bepaald gebied. In de figuren hierna geven we de verschillende kansen weer voor aardgasvrij, beredeneerd vanuit verschillende gezichtspunten. In de praktijk zal vaak een combinatie van verschillende technieken in de verschillende delen binnen een wijk nodig zijn. Gezien de diversiteit van de gebouwde omgeving gaan we per gebied op zoek naar een ideale mix (energieconcept) voor de overstap naar duurzame warmte

De start: isoleren Hoe beter de isolatie van een gebouw, hoe minder het warmteverlies. Hoe lager de warmtevraag van woningen, hoe meer woningen verwarmd kunnen worden vanuit dezelfde warmtebron. Daarnaast zorgt isoleren voor een lagere piekvraag (de vraag naar energie op momenten dat het erg koud is), wat belangrijk is om de kosten van energienetten en duurzame bronnen beperkt te houden. Woningen van na 1992 zijn relatief goed geïsoleerd of relatief makkelijk te isoleren. Dit heeft te maken met het Bouwbesluit 1992, waar een eis is opgenomen voor de isolatiewaarde van een nieuwbouwwoning. Bij woningen gebouwd vóór 1992 zijn er sterke verschillen in isolatiewaarde en moet deze per woning worden vastgesteld. Meer informatie over bouwjaren en isolatiegraden staat op de volgende pagina’s.

Bouwperiode en isolatiegraad Het bouwjaar van een woning geeft op hoofdlijnen inzicht in de mate van isolatie en daarmee geschiktheid voor HT- of LT-temperatuuroplossingen. Over het algemeen geldt: hoe ouder de woning, hoe slechter de isolatiewaarde en hoe hoger de benodigde temperatuur om de woning te kunnen verwarmen. Energielabels geven accurater dan het bouwjaar weer wat de isolatiewaarde is, maar van niet alle woningen is het energielabel bekend. Hieronder geven we per bouwperiode weer wat in de basis de benodigde isolatiemaatregelen zijn en welke warmtebron het beste past bij deze woningen. Woningen voor 1980 - Voor woningen van voor 1980 is het nodig om de muren beter te isoleren om van LTwarmte gebruik te kunnen maken. Echter lopen de kosten van isolatie voor dit soort huizen snel op. Hierdoor kan het soms kostenefficiënter zijn om van een andere bron gebruik te maken (HT). Woningen van 1980 tot 1992 - Voor woningen van na 1980, maar voor 1992, is er een minimale isolatie van 5 cm in de spouwmuren aanwezig. De woningen hebben gemiddeld een RC-waarde van 1,5. De RC-waarde geeft het totale isolerende vermogen van een gebouw weer. RC staat voor Resistance of Construction, oftewel warmteweerstand. Bij deze woningen is het vaak voldoende om de vloer, de ramen en het dak te isoleren om naar LT-warmte over te gaan.

Er dient dan ook een groter warmteafgifteoppervlak te worden gecreëerd. Vaak zit de spouwmuur van deze woningen al bijna vol met isolatie waardoor het navullen hiervan wel zinvol is, maar minder bijdraagt dan de reeds aanwezige isolatie. Hierdoor is de terugverdientijd van muurisolatie voor dit soort woningen een stuk langer. Bouwbesluit 1992 - Dankzij de invoer van het Bouwbesluit van 1992 zijn woningen met een bouwjaar van 1992 of later relatief goed geïsoleerd of ‘eenvoudig’ te isoleren. Het Bouwbesluit schrijft minimale isolatiestandaarden voor. Zo is er een minimale RC-waarde voor gevels, ramen en vloeren van 2,5. Dit houdt onder andere in dat panden gebouwd onder het Bouwbesluit 1992 voorzien zijn van een gevulde spouwmuur en dubbelglas. Hierdoor

Doesburg aardgasvrij | 19266

43

is de gevel in orde en is het pand daarom relatief ‘eenvoudig’ geschikt te maken voor een LT-oplossing. Aanpassingen elders in het gebouw zijn wel aan te bevelen. Dit gaat voornamelijk om, wanneer het moment daar is, dubbelglas vervangen door minimaal hr++- en idealiter triple glas. Daarnaast zijn er voldoende grote warmteafgifteoppervlakten nodig (zoals grotere radiatoren, convectoren of vloerverwarming) om LT mogelijk te maken. Nieuwbouw - Per 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energietransitie (VET) in werking getreden en geldt dat alle nieuwbouwwoningen aardgasvrij moeten zijn. Omdat nieuwbouwwoningen zeer goed geïsoleerd zijn, kunnen deze goed aangesloten worden op een LT-warmtenet of retourleiding van een MT- of HT-warmtenet, als deze beschikbaar is. Als een warmtenet niet mogelijk is, dan zijn deze woningen zeer geschikt voor een all-electric oplossing (warmtepomp).

Figuur - Handelingsperspectief beslisboom

Doesburg aardgasvrij | 19266

44

Figuur - Handelingsperspectief voor verschillende bouwjaren

Figuur - Handelingsperspectief voor verschillende warmtetechnieken

Doesburg aardgasvrij | 19266

45

Bijlage 4. Kaarten

Doesburg aardgasvrij | 19266

46

Doesburg aardgasvrij | 19266

47

Doesburg aardgasvrij | 19266

48

Doesburg aardgasvrij | 19266

49

Doesburg aardgasvrij | 19266

50

Doesburg aardgasvrij | 19266

51

Bijlage 5. Positie Waterschap Vallei en Veluwe De ondergrond is van onschatbare waarde. Het is onmisbaar voor ons voedsel, voor ons drinkwater, voor natuur en landbouw. Een samenleving zonder voldoende water van goede kwaliteit op de juiste plek kan economisch niet goed draaien en brengt de eigen gezondheid in gevaar. Nederland ondergaat een warmtetransitie, waarbij de verwarming en koeling van huizen overgaat van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare bronnen. Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO) en Thermische Energie uit Afvalwater (TEA) vormen kansrijke warmtebronnen, die een belangrijke plaats kunnen innemen en een voorkeur hebben boven warmtebronnen in de ondergrond. Waterschap Vallei en Veluwe en Vitens hebben zorgen over de sterke toename van warmte-koudeopslagsystemen (wko). Doorboringen van waterscheidende lagen in de ondergrond leiden tot een grotere kwetsbaarheid van het (grond)watersysteem voor verontreinigingen en wateroverlast.

Gezamenlijke boodschap Vitens en Waterschap Vallei en Veluwe: voorkeur aquathermie boven energie uit de bodem. Ook voor aardwarmte geldt dat er risico’s bestaan voor het grondwater met grote impact op het (grond)watersysteem en de drinkwatervoorziening. Op basis van deze risico’s (onvoldoende putintegriteit, beperkte mogelijkheden voor beheersmaatregelen) wordt voor alle beschermingsgebieden voor drinkwater opgeroepen het voorzorgprincipe toe te passen, dat wil zeggen functiescheiding. Dit geldt in de huidige regelgeving al voor waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. Vanwege de directe relatie tussen natuurgebieden en het watersysteem wordt bepleit om terughoudend te zijn bij het toepassen van geothermie. Waterschap Vallei en Veluwe en Vitens willen graag hun kennis van het (grond)watersysteem delen en beschikbaar stellen en worden bij voorkeur betrokken om een brede afweging van warmtebronnen mogelijk te maken in de gemeentelijke warmtevisies en de volgende RES-plannen. Toelichting In grote delen van het beheergebied van het waterschap zijn er op 10 à 15 meter diepte kleilagen. Door deze afsluitende kleilagen is de ondergrond beschermd tegen mogelijke verontreinigingen uit de bovengrond. Ook houden de waterscheidende lagen de kweldruk uit diepere lagen tegen.

Door niet goed afgedichte wko-boringen kan deze gunstige situatie negatief beïnvloed worden met consequenties voor (grond)waterkwaliteit en -kwantiteit, kwel en wateroverlast in stedelijke gebieden. Ook in gebieden zonder kleilagen of met diepliggende kleilagen vormen gesloten wko-systemen een risico door lekkage en/of het niet leeghalen en afdichten van oude, afgestoten systemen. Vanuit deze optiek geredeneerd is het belangrijk dat: •

terughoudendheid wordt betracht bij boringen in het algemeen, maar met name bij gesloten, individuele wko’s. En dat bij boringen in de ondergrond, deze uitsluitend voor collectieve warmtevraag plaatsvinden met een monitoringssysteem om de kwetsbaarheid van het (grond)watersysteem te beperken;

•

voor warmte- of koudevraag eerst andere bronnen worden verkend die geen boringen behoeven, zoals TEA uit effluentwater, restwarmte, biogas, groengas en zonnecollectoren, en bodemenergie pas als laatste bron aan te spreken;

•

de registratie van (bestaande) boringen en wko-systemen verbetert en meer aandacht wordt besteed aan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Zo dient het toezicht te worden verbeterd op de uitvoering van boringen door gecertificeerde bedrijven.

Doesburg aardgasvrij | 19266

52

Bijlage 6. Strategie Woonservice IJsselland duurzaamheidsbeleid-ingangsdatum-2021-01-1.pdf (woonserviceijsselland.nl) Download (18 pag.) – Ingangsdatum 1 januari 2021

Doesburg aardgasvrij | 19266

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Doesburg&id=5e7d098c-8e07-4a9f-b06b-c809bc982a8a