Bijlage - Regionale Energiestrategie 2.0, inclusief plan MER
Tekst van het document
De drie samenvattende milieubeoordelingskaarten zijn in hoge resolutie te
of ongeschikt voor de ontwikkeling van ten minste 1,62 TWh duurzame
vinden op de planMER webpagina. Het gaat om de volgende kaarten:
elektriciteitsambitie en regionale warmtebronnen in de Groene
• Milieubeoordeling voor de ontwikkeling van zonnevelden.
Metropoolregio. En hoe kan dit - naast de referentie RES 1.0 - worden
• Milieubeoordeling voor de ontwikkeling van windturbines met een lage
ingevuld aan de hand van drie thematische alternatieven?
geluidsemissie. • Milieubeoordeling voor de ontwikkeling van windturbines met een hoge geluidsemissie.
Deze vraag is in drie stappen beantwoord: 1. Door ongeschikte gebieden op basis van wet- en regelgeving uit te sluiten en op de kaart onderscheid te maken tussen geschikte en geschikt te maken gebieden. 2. Door vanuit de RES en de thema’s natuur, landschap en leefomgeving de geschikte en geschikt te maken gebieden te bekijken. 3. Door vanuit milieueffecten te komen tot mogelijke zoekgebieden in de geschikte en geschikt te maken gebieden. Uit het onderzoek blijkt dat de zoekgebieden voor windturbines in de RES 1.0 vanuit milieuperspectief goed mogelijk zijn. Ook blijkt dat zonne-energie qua milieuaspecten bijna overal mogelijk is. Voor windenergie liggen er goede kansen langs grote doorgaande wegen en in een aantal buitengebieden die niet zijn aangemerkt als cultuurhistorische plek of natuurgebied.
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 24
Een nadere uitwerking op gebiedsniveau vindt lokaal plaats op het moment dat projecten concreet worden in een projectMER. Aan de hand van het advies van de Commissie m.e.r om de samenhang tussen gebieden te bewaken, geven we gehoor door nieuwe RES-projecten altijd eerst op de regionale tafel te bespreken. Op basis van de uitkomsten van de PlanMER werken gemeenten aan eigen plannen om windlocaties ruimtelijk te borgen vanuit hun eigen, door raden vastgestelde, beleidsdoelstellingen. Dit proces loopt parallel aan deze rapportage.
Effect van Veluws wespendiefbeleid op de mogelijkheden voor windenergie De provincie Gelderland beschermt diersoorten in het kader van de Omgevingswet, waarin de voormalige Wet natuurbeheer (Wnb) is opgenomen. Een van die diersoorten is de wespendief, een roofvogel die op de Veluwe broedt. Daarom besloten Gedeputeerde Staten eind 2022 dat er geen windturbines mogen komen op de Veluwe en in een zone van 1 kilometer daaromheen. In een cirkel van 1 tot 8 kilometer om de Veluwe zijn (tijdelijk) Figuur 7: Geschiktheidskaart voor windturbines met een lage geluidsemissie in de regio.
beperkt windturbines toegestaan met een stilstandsvoorziening in juli en augustus.
Op 2 november 2023 bracht de Commissie m.e.r. haar advies uit op de planMER. Daarin stelt de commissie twee adviezen centraal:
In de 1 kilometerzone rondom de Veluwe was in onze regio één windproject
• De informatie over natuur en landschap was volgens de Commissie nog van
in voorbereiding. Dit project bevond zich in de idee-fase en is daarom voor
onvoldoende kwaliteit. Natuurgevolgen waren mogelijk onderschat. Voor
0% meegerekend in de RES 1.0. In de 1 tot 8 kilometerzone zijn meerdere
landschap was niet duidelijk of alle voorgestelde zoekgebieden wel ‘geschikt’
windprojecten in voorbereiding. Deze windprojecten kunnen beperkt doorgang
waren. De commissie miste een uitwerking op gebiedsniveau: waarom is
vinden op basis van een stilstandsvoorziening van 4,5 maanden per jaar.
een gebied qua natuur en landschap beter geschikt voor de opwekking van
Ook vinden op de Veluwe twee onderzoeken plaats. Eén om wespendieven
duurzame elektriciteit of warmte dan een ander gebied?
te herkennen via cameradetectie en een ander onderzoek om wespendieven
• Ook vroeg de Commissie bij de gemeenten aandacht voor het bewaken
individueel te volgen via een zender. Als een of beide onderzoeken gunstige
van de samenhang tussen gebieden voor duurzame energieproductie. Dit
resultaten opleveren, worden in de 1 tot 8 kilometerzone meer windprojecten
is belangrijk om bijvoorbeeld onbedoelde opeenstapeling van negatieve
mogelijk met minder stilstand. De resultaten van deze onderzoeken worden in
milieueffecten te voorkomen.
2026 verwacht.
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 25
3.4 V oldoende mogelijkheden voor windenergie binnen de regio De gemeenten Arnhem en Nijmegen zijn sterk verstedelijkt en hebben daardoor beperkte mogelijkheden voor de ontwikkeling van windturbines. Toch hebben beide gemeenten het afgelopen decennium mogelijkheden gevonden om windplannen te ontwikkelen. In Arnhem gaat het om het windproject Koningspleij met vier windturbines. In Nijmegen gaat het om twee windprojecten: Nijmegen-Betuwe met vier turbines en De Groene Delta met twee turbines. Naast de grote steden zijn er acht gemeenten met goede mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie. Naast Arnhem gaat het in het noordelijke deel van de regio om de gemeenten Duiven en Zevenaar. In het middengebied hebben beide gemeenten, Lingewaard en Overbetuwe, goede mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie. Ten zuiden van de Waal liggen die mogelijkheden, naast de ontwikkelde windplannen in Nijmegen, vooral in Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen. De gemeente Berg & Dal tenslotte kent een zeer gevarieerd landschap
Figuur 8: Tien gemeenten met goede mogelijkheden voor windenergie om gemeentelijke beleidsdoelen te faciliteren
met veel natuurwaarden, diersoorten, bos- en heuvelgebieden en drinkwaterwingebieden. Er zijn geen snelwegen of landelijk gelegen provinciale wegen die de gemeente Berg & Dal doorkruisen en waarlangs windturbines kunnen worden ontwikkeld. Dit maakt dat de relatief grote en landelijke gemeente Berg & Dal nagenoeg geen geschikte gebieden heeft voor de ontwikkeling van windenergie. Er zijn wel enkele gebieden die mogelijk geschikt te maken zijn. Windenergie in Berg & Dal is daarmee niet uitgesloten, maar vanuit regioperspectief ligt het ook niet direct voor de hand. Dit leidt tot het volgende beeld van gemeenten met goede mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie. Met in het blauw de noordelijke gemeenten Arnhem, Duiven en Zevenaar, in het paars Lingewaard en Overbetuwe in het middengebied en de zuidelijke gemeenten Beuningen, Druten, Heumen, Nijmegen en Wijchen in het groen.
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 26
Windenergie om gemeentelijke beleidsdoelen te faciliteren
Zevenaar (vier turbines) en de gemeenten Druten en Heumen die nog geen
Binnen deze tien gemeenten zijn er grote verschillen in mogelijkheden,
windprojecten gepland hebben. Voor alle vier de gemeenten geldt dat de potentie
gerealiseerde windprojecten, vergunde windplannen en aangewezen
aan geschikte en geschikt te maken gebieden relatief groot is.
zoekgebieden voor windenergie. In onderstaande tabel staat een overzicht van het aantal windturbines in concrete plannen per gemeente.
Heumen beraadt zich op windenergie De gemeente Heumen streeft ernaar om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Als belangrijke tussenstap wil de gemeente in 2030 elektriciteitsneutraal zijn. Heumen heeft de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om dit gemeentelijke duurzaamheidsdoel te behalen. Zo zijn eerst de mogelijkheden voor waterkracht onderzocht en vervolgens die van grootschalige zonne-energie. Tenslotte heeft de gemeente onderzoek gedaan naar windenergie, waarbij twee mogelijke gebieden in het oog sprongen. Enerzijds het gebied tussen de Hatertse/Overasseltse Vennen en de dorpen Overasselt en Nederasselt; het zogenoemde ‘Kommengebied’. Anderzijds de zone tussen de A73 en het Maas-Waalkanaal. In februari 2025 heeft de gemeenteraad gekozen voor het Kommengebied als zoekgebied voor windenergie. Zowel het Kommengebied, als de A73 zone hebben een potentie van 2 tot 3 windturbines.
Tabel 3: Aantal windturbines per gemeente. Bron: NINOX, 2025
Van de tien gemeenten heeft de helft al vijf of meer windturbines gerealiseerd, vergund of gepland. Met name van Nijmegen is dat een behoorlijke prestatie, omdat het van de tien gemeenten feitelijk de minst geschikte, of geschikt te maken gebieden kent. Arnhem zit met vier gerealiseerde turbines weliswaar net onder de grens van vijf, maar ook voor die gemeente geldt dat het aantal geschikte of geschikt te maken gebieden zeer beperkt is. Voor de gemeente Duiven geldt dat in het vastgestelde RES 1.0 zoekgebied W.5 nog potentie is voor 1 tot 2 windturbines. Naast Arnhem zijn er vier andere gemeenten met minder dan vijf gerealiseerde, vergunde of geplande windturbines. Het gaat om Wijchen (drie turbines),
Figuur 9: Geschiktheidskaart Heumen voor windenergie met een lage geluidsemissie.
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 27
De vraag is echter hoe realistisch de keuze voor het Kommengebied is. Dit gebied
Het college van Zevenaar heeft op 19 augustus 2025, in lijn met de gestelde
ligt namelijk volledig in het ‘CNS-vlak’ van het militaire vliegveld Volkel. CNS
kaders van de Omgevingsvisie, een drietal zoekgebieden aangewezen voor de
staat voor Communicatie, Navigatie en Surveillance. In essentie betekent het
ontwikkeling van windenergie. Het gaat om drie gebieden die aansluiten op
CNS-beschermingsvlak dat de verkeerstoren zijn werk kan doen en daarbij niet
bestaande windlocaties, namelijk:
door hoge bouwwerken gehinderd wordt. Dit gebied wordt ook wel aangeduid
1. Het Zevenaarse gebied aansluitend op het RES-windzoekgebied W.5 bij
als CTR-zone of Militaire Control Zone. In het regionale milieueffectonderzoek zijn deze luchtvaartbeperkingen niet meegenomen.
Innofase in de buurgemeente Duiven. 2. Het gebied rond het bestaande windpark Byvanck. 3. Het gebied ten noorden van de A12 en de kern Zevenaar.
In december 2025 is een onderzoek naar de haalbaarheid van het
Daarmee wijst het Zevenaarse college de gebieden in de bouwsteenkaart
Kommengebied als zoekgebied voor windenergie afgerond. Uit het onderzoek blijkt dat het Kommengebied ongeschikt is voor windenergie vanwege de
Leefomgeving van de Omgevingsvisie Zevenaar (2025) aan als
radarcontour en de afstand tot een onderstation. De gemeenteraad van Heumen
windzoekgebieden binnen de gemeente. De zoekgebieden liggen grotendeels in
heeft daarom op 29 januari 2026 besloten het Kommengebied niet langer als
lijn met de voorkeursgebieden van het Zevenaarse ‘Toets- en afwegingskader
zoekgebied voor windenergie aan te wijzen.
grootschalige duurzame energieopwekking’ uit 2020. In de komende periode actualiseert het college dit Toets- en afwegingskader en brengt dit in lijn met
Zevenaar kiest drie nieuwe zoekgebieden windenergie
de Omgevingsvisie en de aangewezen zoekgebieden voor de ontwikkeling
De gemeente Zevenaar hanteert de volgende duurzaamheidsdoelen: Zevenaar
van windenergie. Dit vergt geen volledig nieuw afwegingskader, maar een
wil in 2030 de gemeentelijke CO2-uitstoot met 55% hebben verminderd ten
aanscherping van de uitgangspunten naar de huidige situatie.
opzichte van het jaar 1990. In 2040 wil de gemeente Zevenaar aardgasvrij zijn en in 2050 energieneutraal. Begin 2025 heeft Zevenaar haar Omgevingsvisie richting 2040 vastgesteld. De gemeente beschrijft daarin acht samenhangende ambities. Ambitie 5 gaat in op een klimaatneutrale gemeente. Daarin geeft Zevenaar aan: “Voor windenergie (als onderdeel van de RES-opgave) zien we mogelijkheden nabij bestaande locaties en langs de A12 (energiecorridor).” … “We geven zoekzones aan waar we mogelijkheden zien voor grootschalige opwek. We zetten in op zon op daken. Ook op windturbines, mits goed ingepast eventueel in combinatie met zon.” Met die tekst geeft de gemeenteraad van Zevenaar haar kaders mee voor de ontwikkeling en uitwerking van windenergie binnen de gemeentegrenzen.
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 28
De gemeente Druten heeft eind 2025 haar Lokale Energiestrategie (LES) vastgesteld. Hierin wordt met het Energy Transition Model (ETM) uitgerekend hoeveel energie de gemeente in 2040 moet opwekken om energieneutraal te zijn. De zeven zonneparken die Druten inbracht voor de RES 1.0 zijn hiervoor niet voldoende. De gemeente heeft dus ook nog een aanzienlijke opgave om haar doel van een energieneutrale gemeente in 2040 te bereiken. De planMER laat zien dat er in de gemeente Druten verschillende gebieden zijn waar windenergie technisch mogelijk is. Of en hoe deze mogelijkheden worden benut, wordt lokaal bepaald in een nog vast te stellen visie op windenergie door de gemeenteraad.
Figuur 10: Drie vastgestelde windzoekgebieden Zevenaar op basis van de Omgevingsvisie (2025).
Druten: lokale afweging in visie op wind- en zonne-energie De gemeente Druten heeft het doel om in 2040 energieneutraal te zijn. Dat betekent dat de gemeente over 15 jaar lokaal net zoveel schone energie
Figuur 11: Geschiktheidskaart Druten voor windenergie met een lage geluidsemissie.
opwekt als dat ze gebruikt. De gemeente heeft dit in 2024 vastgelegd in haar toekomstvisie ‘Samen Sterk, Samen Druten’. Druten richt zich daarbij vooral op zonne-energie. Dat heeft de gemeente in de afgelopen jaren ver gebracht. Zo is in figuur 5 aan het begin van dit hoofdstuk te zien dat Druten binnen de RES-regio de derde plaats inneemt bij duurzame elektriciteitsopwek.
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 29
Wijchen: tender tussen drie mogelijke windzoekgebieden
In december 2025 heeft de gemeenteraad van Wijchen het "Gebiedsraamwerk
De gemeente Wijchen wil, in lijn met het Klimaatakkoord, de CO2-uitstoot
Buitengebied Batenburg, Niftrik, Hernen, Bergharen en Leur" vastgesteld. Dit
terugbrengen en op termijn energieneutraal worden. Energieneutraal betekent
gebiedsraamwerk, en de daaruit voortkomende gebiedsvisie, worden betrokken
dat in de gemeente evenveel energie duurzaam wordt opgewekt, als dat er op
bij de verdere regionale uitwerking en afstemming in en rond dit gebied, zodat
jaarbasis wordt verbruikt. Uitgesloten hierbij is de energie die gepaard gaat met
bij keuzes over energie-opwek, netcongestie en energie-infrastructuur steeds
mobiliteit van en naar de gemeente.
wordt gekeken naar het totaalbeeld en de optelsom van effecten voor natuur, landschap en leefomgeving.
De gemeente Wijchen heeft in 2024 een Visie Zon en Wind opgesteld. Op basis van de planMER RES GMR heeft de gemeente acht gebieden onderzocht, die misschien geschikt zijn om windmolens te plaatsen. Daarvan zijn drie gebieden overgebleven: 1. Bij Batenburg 2. Tussen de A50 en de Wezelse Plas 3. Ten westen van de A50 bij Niftrik In een van deze gebieden komt dus een windpark. In figuur 12 staan de drie mogelijke windzoekgebieden van Wijchen genummerd. Waar de windmolens precies komen, hangt af van de plek waar het hoogspanningsstation van TenneT komt. Op dit moment werkt de landelijke netbeheerder TenneT aan een locatiekeuze voor een hoogspanningsstation, in afstemming met de gemeente Wijchen en de provincie Gelderland. Dit hoogspanningsstation kent een aanzienlijke ruimteclaim van circa 26 hectare (exclusief natuur- en watercompensatie). Het ministerie van Klimaat, Groene Groei en Energie (KGG) is het bevoegd gezag voor de besluitvorming over dit station. De precieze locatie van het hoogspanningsstation is nog niet bekend en concurreert met de zoekgebieden voor windenergie. De locatiekeuze voor het hoogspanningsstation gaat voor
Figuur 12: Drie mogelijke windzoekgebieden windenergie Wijchen. Bron: Visie wind- en zonne-energie Wijchen, 2024
de aanwijzing van een windzoekgebied. De keuze voor het uiteindelijke
Samenvatting zoekgebieden RES 2.0
windzoekgebied wacht daarmee de komende jaren op duidelijkheid over de
Figuur 13 geeft een samenvatting van de zoekgebieden voor zonne- en
locatie en impact van het hoogspanningsstation. De gemeente Wijchen en de
windenergie in de regio. Hierin zijn de RES 1.0 zoekgebieden opgenomen,
GMR onderstrepen het nationale belang van het hoogspanningsstation. Tegelijk
aangevuld met de vastgestelde windzoekgebieden in de gemeente Zevenaar.
betekent het ruimtebeslag dat er in het gebied minder ruimte beschikbaar is
Voor de gemeente Overbetuwe geldt ten opzichte van de RES 1.0 een aanpassing
voor andere ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder windenergie.
van de zoekgebieden langs de A15. RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 30
3.5 Gedragscode Acceptatie & participatie windenergie op land Om acceptatie van windenergie te bevorderen, hebben verschillende organisaties de ‘Gedragscode Acceptatie & Participatie windenergie op land’ opgesteld. De Gedragscode is een initiatief van Greenpeace, Milieudefensie, NedZero, Natuur & Milieu, de Natuur- en Milieufederaties, de Nederlandse Vereniging omwonenden windturbines (NLVOW) en EnergieSamen. De kern van de gedragscode is dat de omgeving in een zo vroeg mogelijk stadium bij windprojecten wordt betrokken. Voor ieder project wordt in overleg met belanghebbenden en het bevoegd gezag een participatieplan opgesteld, waarmee afspraken over participatie door inwoners vast komen te liggen. Hierbij staat maatwerk centraal. De Gedragscode bindt de leden van NedZero (voorheen NWEA) aan een aantal basisprincipes ten aanzien van participatie, communicatie en het leveren van een bijdrage aan het versterken van acceptatie. Ook de natuuren milieuorganisaties, de NLVOW en de energiecoöperaties binden zich door ondertekening van de code aan het verbeteren van participatie waardoor Figuur 13: Samenvattende kaart met RES 2.0 zoekgebieden wind en zon
acceptatie van windenergie wordt vergroot. De gedragscode verbindt alle ondertekenaars aan de basisprincipes voor lokale betrokkenheid en werd in 2014 positief gewaardeerd door de minister van Economische Zaken. In 2020 is de Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land herzien. Zo zijn de afspraken uit het Klimaatakkoord over het streven naar minimaal 50% lokaal eigendom toegevoegd en is een paragraaf opgenomen over natuur en landschap. We onderschrijven het belang van deze gedragscode en de randvoorwaarden die daarmee gelden voor alle initiatiefnemers en projectontwikkelaars. We spreken af om deze gedragscode bij windprojecten in de regio te hanteren. Dit is bij de vaststelling van de Verrijking RES 2024 benoemd als wens vanuit de gemeente Wijchen. Het staat gemeenten en provincie vrij om hierop zelf aanvullend beleid te maken.
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 31
3.6 Lokaal eigendom in de RES
productie van wind- en zon-op-landstroom gehalveerd; van 20% naar 10%. Als het om nog te verwezenlijken plannen gaat is het aandeel van de coöperaties in
In de RES 1.0 is afgesproken om te streven naar minimaal 50% lokaal eigendom
onze regio veel groter: 34%. Van andere vormen van lokaal eigendom zijn geen
bij de ontwikkeling van wind- en zonprojecten in de regio. Dit streven sluit aan
cijfers beschikbaar.
bij het Klimaatakkoord van 2019. De motivatie is dat de energietransitie meer kans op succes heeft als de lokale bevolking er actief bij betrokken is en er ook
De energiecoöperaties hebben nog veel plannen en staan klaar om de
de vruchten van plukt. Dat is belangrijk omdat windturbines en zonneparken
gemeenten te helpen naar 50% lokaal eigendom toe te werken. Netcongestie
worden ingepast in de leefomgeving van mensen. Een goede betrokkenheid
speelt hen ook parten, en in sommige gevallen hardnekkige weerstand van
van de omgeving leidt daarbij tot beter ingepaste projecten, waar een gebrek aan
enkelen die tot in de Raad van State doorvechten.
betrokkenheid juist weerstand oproept. De doelstelling te streven naar minimaal 50% lokaal eigendom blijft relevant en Lokaal eigendom kent diverse vormen. Individuele lokale eigenaren horen
nodig. Daar waar het belang van decentrale oplossingen in het energiesysteem
daarbij, inclusief lokale bedrijven en agrariërs. In dat geval blijft de opbrengst
groeit, gaat ook het belang van lokaal eigendom groeien. Bij lokaal eigendom
van de projecten in de lokale gemeenschap. Maar als het gaat om betrokkenheid
worden middelen en opbrengsten voor een belangrijk deel ingezet ten dienste
bij de besluitvorming zijn bredere samenwerkingsverbanden, zoals
van de lokale inwoners en partners. Gemeenten kunnen een cruciale rol spelen
energiecoöperaties een betere oplossing. Energiecoöperaties bestaan in vrijwel
in het realiseren daarvan. Zij kunnen onverbloemd voor lokaal eigendom kiezen
alle gemeenten in onze regio, zij het in verschillende stadia van ontwikkeling
en dat ook in woord en daad uitdragen. Daar zijn goede voorbeelden van, ook in
en realisatie van projecten.
onze regio. Zoals de gemeente Beuningen, die dit niet alleen als voorwaarde had gesteld voor de realisatie van een flink windpark, maar ook de vorming van een
Die lokale betrokkenheid is in de meeste gevallen bij zon-op-dak projecten van
lokale coöperatie heeft gesteund en nog steeds doet. De provincie heeft in juni
meer dan 15 kWP (de minimum omvang om mee te tellen voor het halen van
een beleidsregel uitgevaardigd om dit concreet te maken (Beleidsregel lokaal
de RES-doelen) gewaarborgd. Meestal is de eigenaar van het dak ook eigenaar
eigendom en participatie bij duurzame energie. Lokale wet- en regelgeving).
van het project en in veel gevallen kan die eigenaar beschouwd worden
Maar gemeenten kunnen nog verder gaan, zoals in enkele delen van Nederland
als onderdeel van de lokale gemeenschap. In een aantal gevallen wordt het
al gebeurt, door het zelf gaan deelnemen in lokale projecten, samen met
project beheerd door een energiecoöperatie. Bovendien is het belang van lokaal
coöperaties. Dat betekent enerzijds een organisatorische en institutionele
eigendom bij zon-op-dakprojecten wat minder relevant, gezien de beperkte
versterking en waarborgt anderzijds dat de lokale bevolking, voor zover die dat
impact op de leefomgeving.
wil, via de coöperatie veel meer kan betekenen dan wanneer het een traditionele gemeentelijke activiteit zou zijn.
Belangrijker is lokaal eigendom bij windturbines en zon-op-landprojecten. Voor beide typen projecten is helaas sprake van een relatief dalende trend, in
Voor meer info over dit onderwerp zie de webpagina lokaal eigendom op de
elk geval voor zover het de bijdrage van energiecoöperaties betreft. Hoewel in
GMR website.
absolute zin de coöperatieve productie van zon- en windenergie tussen 2020 en 2024 in onze regio met bijna 150% is toegenomen, is het aandeel in de totale
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 32
4 Warmte
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 33
4 Warmte 4.1 Doelstellingen, bod en afspraken RES 1.0
Individuele of collectieve aanpak Bij de overstap naar aardgasvrije alternatieven onderscheiden we een individuele en een collectieve aanpak. Bij een individuele aanpak vervangen woningeigenaren zelf hun cv-ketel, bijvoorbeeld door een warmtepomp. Vaak gebeurt dit op een natuurlijk moment, zoals een verhuizing of verbouwing. Bij een collectieve aanpak schakelt een heel gebied, in een projectmatige
Doelstellingen warmtetransitie bestaande woningvoorraad
aanpak, over naar een duurzame warmteoplossing. Dat kan een warmtenet zijn,
De regionale doelstellingen voor warmte zijn afgeleid uit het Nationaal
maar ook een collectieve actie om warmtepompen te installeren. Hier kan de
Klimaatakkoord (2019) en de Europese klimaatwet (2021). Deze leiden tot:
aanwijsbevoegdheid van de gemeente een rol spelen.
Nationale Doelstelling
Beide aanpakken brengen aanzienlijke kosten met zich mee voor
• 2050: 7 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen
woningeigenaren, ook al kunnen ze deze deels of geheel terugverdienen.
zijn van het aardgas af. • 2030: de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen zijn verduurzaamd.
Investeringen in isolatie en vervanging van verwarmingsinstallaties zijn niet altijd eenvoudig te financieren. Ook woningcorporaties kunnen een collectieve aanpak hanteren; zij hebben hierover met het Rijk prestatieafspraken gemaakt.
Regionale Doelstelling Groene Metropoolregio Vertaling van deze doelstellingen naar het aantal woningen in de Groene Metropoolregio leidt tot: • 2050: alle woningen verduurzaamd en aardgasvrij (347.000 woningen). • 2030: de eerste 20% (75.000 woningen) verduurzaamd en aardgasvrij. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 alle woningen en utiliteitsbouw (zoals scholen, winkels en kantoren) goed geïsoleerd zijn en dat aardgas niet langer de standaard is om gebouwen te verwarmen. Dit noemen we de warmtetransitie van de gebouwde omgeving. In de RES 2.0 richten we ons specifiek op de warmtetransitie van de bestaande woningvoorraad. De relatie tussen de warmtetransities van de gebouwde omgeving, industrie en bedrijventerreinen en de ontwikkeling van warmtebronnen wordt onderzocht in het kader van het uitvoeringsplan energiesysteem van de regio. In deze RES komen utiliteitsbouw en nieuwbouw alleen aan bod als deze relevant zijn voor de warmtetransitie van de bestaande woningvoorraad. Voor nieuwbouw geldt dat deze op basis van het bouwbesluit gasloos en duurzaam wordt gerealiseerd.
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 34
4.2 De rol van gemeenten
Nieuwe wetgeving Om gemeenten te ondersteunen in hun regierol wordt een nieuw wettelijk kader
Gemeenten hebben de regierol in de wijkgerichte aanpak van de
ontwikkeld:
warmtetransitie. Uiterlijk eind 2021 hebben zij daarvoor een Transitievisie
• De Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (WGIW) is een
Warmte (TVW) opgesteld. Voor eind 2026 stellen gemeenten daarnaast een
aanvulling op de omgevingswet die gemeenten in staat stelt om, binnen
warmteprogramma vast waarin zij minimaal tien jaar vooruitkijken en een
strikte regels, te bepalen waar en wanneer wijken van het gas af gaan. Dit
visie geven op de lange termijn. Dit warmteprogramma moet elke vijf jaar
wordt vastgelegd in een warmteprogramma, dat uiterlijk 31 december 2026
geactualiseerd worden. De provincie Gelderland geeft in haar Beleidskader Energiesysteem richting aan deze leidende principes: focus op energiebesparing,
moet zijn vastgesteld. • De Wet collectieve warmte (Wcw) geeft gemeenten de regie bij
focus op lokale decentrale inrichting van het energiesysteem en focus op een
de ontwikkeling en exploitatie van warmtenetten en beschermt
diverse energiemix. In de warmteprogramma’s wordt per wijk aangegeven
woningeigenaren door middel van gereguleerde tarieven en toezicht op
wanneer deze overstapt op een andere warmtevoorziening dan aardgas.
warmtebedrijven. In de wet staat dat warmtebedrijven voor meer dan 50%
Daarmee helpen gemeenten de woningeigenaar met de keuze en ondersteunen
in handen dienen te zijn van publieke partijen. De Wet collectieve warmte
ze bij de overschakeling naar aardgasvrij verwarmen.
(Wcw) is op 3 juli 2025 aangenomen door de Tweede Kamer en treedt naar verwachting op 1 januari 2026 in werking, na behandeling en goedkeuring door de Eerste Kamer.
Figuur 14: Tijdlijn warmtetransitie. RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 35
4.3 Waar staan we nu in de regionale warmtetransitie? De warmtetransitie is in de regio Arnhem-Nijmegen een grote uitdaging. Van de 350.000 woningen wordt circa 85% nog verwarmd met aardgas2. Bij de resterende 15% is het hoofdverwarmingssysteem een warmtenet, warmtepomp of ontbreekt informatie. In onze regio zijn ongeveer 28.000 woningen aangesloten op warmtenetten van Vattenfall. In de TVW’s maakten de gemeenten nog weinig keuzes voor warmteoplossingen op de lange termijn. Er werden veelal no regret-maatregelen aangekondigd zoals isolatie, vaak met een gemeentebrede aanpak. In enkele gevallen werd de keuze gemaakt voor een warmtenet of onderzoek aangekondigd naar de haalbaarheid ervan. Tijdens het opstellen van de TVW’s ontbrak het veel gemeenten aan benodigde kennis en capaciteit. Inmiddels zijn sommige plannen bijgesteld of (tijdelijk) stilgelegd. In de afgelopen jaren is de kennis over de warmtetransitie bij gemeenten en hun partners aanzienlijk gegroeid, onder meer door deelname aan het nationale Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) en het provinciale programma ‘Wijk van de Toekomst’. Landelijke organisaties zoals NPRES en NPLW bieden hierbij ondersteuning. Hierdoor zijn gemeenten steeds beter in staat om in hun warmteprogramma’s duidelijke keuzes te maken.
Omdat iedereen mee moet kunnen in de warmtetransitie, doen gemeenten onderzoek naar de haalbaarheid en betaalbaarheid van hun aanpak en zijn zij in gesprek met betrokken buurten en wijken.
Figuur 15: S tatus ontwikkeling warmtenetten in Transitievisies Warmte gemeenten. Bron: Analyse van GMR warmteteam.
2 https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/energie-installaties
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 36
4.4 De maatschappelijk gewenste warmteoplossing Bij de overstap naar aardgasloos verwarmen maken we onderscheid tussen individuele warmteoplossingen, bijvoorbeeld met een individuele warmtepomp, en collectieve warmteoplossingen met bijvoorbeeld een warmtenet dat met restwarmte, geothermie, WKO of andere warmte-/koudebron gevoed wordt. Welke oplossing in financieel opzicht het beste is, hangt niet alleen af van het financiële plaatje voor de woningeigenaar maar ook van de nationale meerkosten. Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar de noodzakelijke verzwaring van het elektriciteitsnet. Deze kosten zijn voor bewoners niet direct zichtbaar, omdat ze landelijk worden gesocialiseerd en dus gedeeld door alle gebruikers. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in haar startanalyse van 2021 voor alle buurten en wijken in Nederland een inschatting gemaakt van de maatschappelijk wenselijke warmte-oplossing. In 2025 is deze analyse verrijkt. De uitkomsten schetsen een beeld van de aardgasvrije technische opties in 2050, maar zijn nadrukkelijk geen eindbeeld. Lokale factoren spelen namelijk een grote rol en zijn niet overal in de analyse meegenomen. De PBL-analyse vormt daarom vooral een startpunt voor het gesprek.
Binnen de GMR is samen met gemeenten, op basis van de startanalyse uit 2020 en aanvullend onderzoek door het provinciaal Expertteam warmte, een inschatting gemaakt van de wenselijke warmteoplossing voor de bestaande woningvoorraad van de regio, zie figuur 16. We gaan nog steeds uit van deze grove inschatting waar warmtenetten mogelijk zijn. Ook klimaatneutraal gas
Figuur 16: R egionale analyse van wenselijke warmteoplossing. Bron: Provinciaal expertteam warmte met aanvullend onderzoek GMR.
wordt gezien als individuele oplossing. • Voor circa 180.000 woningen is een warmtenet wenselijk. • Voor 124.150 woningen is de individuele warmte-oplossing wenselijk. Wat uiteindelijk de oplossing gaat worden, zullen gemeenten in samenspraak met wijken en buurten besluiten in warmteprogramma’s en wijkuitvoeringsplannen.
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 37
4.5 Regionale synergie door samenwerking
ondersteunen met subsidies, leningen, energieloketten en advies. Gemeenten kunnen gezamenlijk slimme oplossingen ontwikkelen, van elkaar leren en
De collectieve, maar ook de individuele warmteoplossingen zijn ingrijpende
schaalvoordelen bereiken. De regio kan hierbij ondersteunen.
transities met veel knelpunten. Gemeenten kunnen de haalbaarheid vergroten en de kosten verlagen door samen te werken bij de aanleg en exploitatie van
Samenwerking bij aanpak warmtepompen
warmtenetten, bronnen en transportleidingen. Schaalgrootte, standaardisatie en
Volgens de regionale analyse is voor ongeveer 124.500 woningen een elektrische
financiering helpen daarbij. Voor individuele oplossingen kan een gezamenlijke
verwarming met een individuele verwarmingsinstallatie (warmtepomp)
aanpak van gemeenten zich richten op kostprijsverlaging, ontzorging en
wenselijk. Er zijn ook woningeigenaren in warmtenetgebieden die de voorkeur
handelingsperspectief. Hierdoor wordt het voor woningeigenaren betaalbaar
geven aan een individuele verwarmingsinstallatie. Voor de woningeigenaar
en aantrekkelijk gemaakt. Woningisolatie is bij beide routes een noodzakelijke
is het vervangen van een CV door een warmtepomp een complexe en kostbare
stap. Ook hier kunnen gemeenten samenwerken aan slimme aanpakken om
operatie, ondanks subsidies. De woning vereist een sterkere isolatie en vaak
kosten naar beneden te krijgen en inwoners te ontzorgen.
moeten radiatoren worden vervangen of is de aanleg van vloerverwarming nodig. Deze maatregelen zijn kostbaar en ingrijpend. Bovendien maakt het
Knelpunten
op grote schaal aansluiten van warmtepompen het noodzakelijk om het
De gemeenten hebben aangegeven dat ze aanlopen tegen knelpunten: gebrek
elektriciteitsnet te verzwaren.
aan capaciteit, beperkte juridische, organisatorische en financiële kennis, beperkte financiële middelen, onzekerheid over hun rol en gebrek aan ervaring
Ook hier geldt dat gemeenten gezamenlijk slimme oplossingen kunnen
met grootschalige transitieprocessen. Op deze knelpunten werken de gemeenten
ontwikkelen waarbij ze van elkaar leren en schaalvoordelen behalen. Dit is
samen, bijvoorbeeld met ondersteuning van middelen van de SPUK (Specifieke
in het bijzonder nodig om inwoners een haalbaar en betaalbaar alternatief te
Uitkering) regionale structuur warmte in de periode 2024-2027.
kunnen bieden wanneer gemeenten wijkgericht aan de slag gaan met een allelectric oplossing.
Samenwerking bij isolatie-aanpak Vanwege kosten en netcongestie is het wenselijk om de warmtevraag
Samenwerking bij warmtenetten
van woningen naar beneden te brengen. Dat betekent isoleren. Voor
Bij de regionale analyse is geschat dat voor ongeveer 180.000 woningen een
woningeigenaren zijn isolatiemaatregelen vaak ingrijpend. Ze vereisen een
middentemperatuur warmtenet mogelijk is. Voor woningeigenaren biedt
flinke verbouwing, forse investeringen en ecologisch onderzoek. De kosten
een middentemperatuur warmtenet in principe een eenvoudige en zorgeloze
daarvan zijn niet door alle woningeigenaren op te brengen. Ook verdienen ze
overschakeling: zware isolatie is minder nodig en radiatoren hoeven
zich niet altijd binnen een redelijke termijn terug, ondanks de subsidies die
meestal niet vervangen te worden. Vergeleken met de warmtepomp zijn de
het Rijk en gemeenten verstrekken. Door te isoleren op natuurlijke momenten
investeringen voor de woningeigenaar lager en is er minder overlast. Echter
zoals verhuizing of verbouwing worden de kosten van isoleren verlaagd,
maken woningeigenaren zich zorgen over de kosten van een warmtenet en
meegefinancierd en daarmee betaalbaar gemaakt. Maar niet iedereen heeft
is het voor hen onduidelijk wat ze zelf aan werk moeten doen in hun woning.
die kans, het zijn vaak specifieke groepen die bij het isoleren van de woning in
Bovendien willen ze ook keuzevrijheid hebben. Ze gaan dus niet altijd voor de
de knel komen. Veel gemeenten hebben een aanpak om woningeigenaren te
warmteoplossing met de laagste maatschappelijke kosten.
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 38
Wanneer woningeigenaren zelf overstappen op een individuele warmtepomp,
4.6 Warmtebronnen in regio
daalt het aantal potentiële aansluitingen op een warmtenet. Dit maakt de businesscase voor een warmtenet in dat gebied minder haalbaar. Het is dus niet vanzelfsprekend dat een wijk met een aangewezen warmtekavel ook daadwerkelijk een warmtenet krijgt. De collectieve aanpak vraagt daarom om nieuwe inzichten en het delen van ervaringen door gemeenten. De gemeenten in de regio willen dan ook nadrukkelijk samenwerken om te leren van de verschillende aanpakken. Ook kunnen ze een rol spelen bij de ondersteuning van woningeigenaren door ontzorging en financiering. De laagtemperatuur (LT) en de zeer laagtemperatuur (ZLT) warmtenetten komen steeds meer in beeld als alternatief voor de middentemperatuur warmtenetten en de individuele oplossingen. In de regio zijn er nog geen voorbeelden van deze ontwikkeling en het kennisniveau is nog laag. ZLT warmtenetten zijn mogelijk een alternatief en kunnen ook koeling bieden. In de regio wordt dit verder onderzocht.
Figuur 17: Warmteproductie voor de warmtenetten in 2022 en verwachting 2030. Bron: Rapport ‘Verduurzaming bronnen voor warmtenetten’, 2023, CE Delft
Warmtenetten worden gevoed met duurzame bronnen. Figuur 17 geeft een inschatting van de warmtebronnen in Nederland. Voor de toekomstige warmtenetten in onze regio is er een aantal opties voor duurzame bronnen: • De twee afvalverwerkers AVR en ARN • De rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) • Geothermiebronnen • Warmtebuffers HTO’s (en overige boven- en ondergrondse opslag) • Aquathermie • Zonthermie op daken • Bodemwarmte (WKO) • Restwarmte
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 39
Op basis van deze bronnen onderscheiden we in de regio verschillende clusters
Ontwikkelingen
van gemeenten:
De gemeenten zijn in mei 2024 een actieplan overeengekomen waarin
• Het AVR-cluster bestaat uit vijf gemeenten die samen in gesprek gaan over
bestuurlijke afspraken zijn gemaakt om de bestaande AVR-warmte in te zetten
de ontwikkeling van een robuust warmtenet op basis van AVR-warmte en
voor de meest concrete en actuele projecten. Daarin is de realisatie van de
andere nog te ontwikkelen bronnen zoals de rwzi Nieuwgraaf en het ‘warmte
prioritaire projecten opgenomen die de overstap mogelijk maakt van 31.300
uit water’ project van Arnhem en Lingewaard.
woningen met een warmtevraag van 1.115 TJ, op grootschalige collectieve
• Het ARN-cluster telt drie gemeenten die warmtenetten ontwikkelen voor delen van hun gemeenten. • Bij het LOAN geothermie initiatief onderzoeken vier gemeenten de
warmte (op basis van een inventarisatie en analyse van november 2023 en maart 2024). Het gaat hierbij om woningen in Malburgen-Oost, de Startwijken, Velp en de eerste wijken van stad-Zevenaar.
haalbaarheid van geothermie waarbij nadrukkelijk het tuinbouwcluster
De gemeenten zijn nu in gesprek over de doorontwikkeling van het bestaande
NEXTgarden in Lingewaard en later ook de gebouwde omgeving van warmte
warmtenet tot een meerbronnensysteem dat betaalbaarheid, maatschappelijke
kunnen worden voorzien.
kosten, CO2-reductie, leveringszekerheid en technische en organisatorische uitvoerbaarheid combineert. Daarbij staan een aantal opgaven centraal:
In 2025 wordt binnen de regio een warmtebronnenstrategie ontwikkeld die op
• Voortzetten van nu al lopende ontwikkelingen met in totaal 26.000 nieuwe
een later moment aanleiding kan geven om de clustering van gemeenten naar
aansluitingen van bestaande woningen in het cluster. Hiermee wordt de
warmtebron bij te stellen.
bestaande capaciteit van AVR benut. • Onderzoek naar de haalbaarheid van nieuwe duurzame bronnen, energie-
Niet alle gemeenten nemen deel aan de bovengenoemde clusters en binnen vrijwel elke gemeenten zijn er kernen die zich er niet voor lenen. In de toekomst kunnen voor deze gemeenten en kernen op basis van behoeften nieuwe clusters
infrastructuur, seizoensopslag en de daarbij behorende warmtenetten. • Concretiseren van de samenwerking tussen de betrokken gemeenten en bedrijven die nu al actief betrokken zijn bij het warmtesysteem.
worden gevormd. Bijvoorbeeld bij de gezamenlijke aanpak van aquathermie, benutting van warmte van rwzi’s en thema’s zoals warmtevraagreductie,
Het verdelingsvraagstuk dat in de RES 1.0 gesignaleerd is bij de AVR wordt
warmtebuffers en koeling.
zo door gemeenten, warmtebedrijven en warmteproducenten bij voorkeur gezamenlijk (publiek en privaat) opgepakt. Dat leidt naar verwachting tot een
AVR-cluster
duurzaam warmtesysteem met de laagste maatschappelijke kosten.
Feiten en cijfers • Arnhem, Duiven, Westervoort, Rheden en Zevenaar • Totaal 135.000 woningen • 110.000 woningen potentieel geschikt voor aansluiting op het warmtenet • Jaarlijks ca. 2,8 PJ nodig • Warmteproductie AVR tot 2030: 1,13 PJ per jaar • Groei tot 2,7 PJ mogelijk door ontwikkeling warmtebronnen (rwzi, geothermie), seizoenswarmtebuffers en aquathermie
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 40
ARN-cluster
zijn dat er op enkele locaties mogelijkheden voor geothermie zijn maar dat die
Feiten en cijfers
omgeven zijn door onzekerheden. Voor het wegnemen van die onzekerheden
• Nijmegen, Wijchen en Beuningen
zijn proefboringen nodig. De gemeenten onderzoeken momenteel Locatie 3
• Totaal 117.000 woningen
(zie figuur 18) boven het dorp Elst. Deze ligt op acceptabele afstand van de wijk
• Ontwikkelgebieden Waalsprong en Waalfront in Nijmegen al aangesloten op
Schuytgraaf (Arnhem), Elst en het tuinbouwcluster NEXTgarden. Op die locatie
warmtenet • Warmtenet in ontwikkeling in wijk Dukenburg, Nijmegen
bevindt zich waarschijnlijk een interessant geothermisch reservoir van ca. 47 à 56 °C op een diepte van 1 à 1,5 kilometer.
• Gemeenten onderzoeken voor ca. 64.300 woningen een warmtenet als oplossing • ARN belangrijkste bron warmtenet • Gemeenten in overleg over benutting ARN-warmte, ontwikkeling van warmtenetten en een bronnenstrategie Ontwikkelingen Het Expertteam Warmte heeft de mogelijkheden van een warmtenet in dit deel van de regio onderzocht. Een eerste inschatting is dat de huidige warmteproductie van ARN, zonder aanvullende duurzame warmtebronnen en warmtebuffers, voldoende is voor de beoogde nieuwe warmtenetten in de gemeenten Beuningen, Wijchen en Nijmegen. In Nijmegen wordt in de wijk Dukenburg gewerkt aan de ontwikkeling van een warmtenet. Voor meer wijken in Nijmegen geldt dat warmtenetten kansrijk zijn. Als alle potentiegebieden in de drie gemeenten van warmte voorzien gaan worden, vraagt dat om de ontwikkeling van extra warmtebronnen en buffers. De ontwikkelingsopgave voor het ARN-cluster bestaat dus uit het zekerstellen van voldoende warmte voor de toekomstige wijken. Gemeenten zullen, na een eventueel besluit tot aanleg van warmtenetten, die uitdaging op termijn gezamenlijk moeten oppakken om tot synergie te komen.
LOAN In vervolg op het in 2022 verschenen ‘Potentie-onderzoek naar geothermie in Gelderland’, onderzoeken vier gemeenten (Lingewaard, Overbetuwe, Arnhem, Nijmegen: LOAN) de potentie van geothermie. In dat kader is door het bedrijf IF-technology aanvullend onderzoek uitgevoerd. De belangrijkste conclusies
Figuur 18: Locaties in de regio met mogelijkheden voor geothermie.
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 41
De gemeenten werken samen toe naar een proefboring en seismisch onderzoek
Gemeenten en kernen buiten de clusters
om daarmee de onzekerheid te verkleinen en inzicht te verkrijgen in de
Kleinere kernen die vanwege hun ligging geen onderdeel zijn van deze clusters
haalbaarheid van een geothermiebron. Een lobbytraject richting het Rijk gericht
hebben vaak nog weinig zicht op de haalbaarheid van warmtenetten. Vaak
op medefinanciering is hier onderdeel van.
omdat ze geen toegang hebben tot regionale warmtebronnen, geen lokale bron hebben of de haalbaarheid daarvan nog niet bepaald is. Ook profiteren ze niet
Hoewel het onderzoek zich richt op de belangen van de vier gemeenten, is
van de voordelen van samenwerking. Met deze gemeenten werken we samen
het van breder regionaal belang. De bron ligt namelijk dichtbij de ARN- en
aan meer lokale oplossingen, zoals een kleine kernen aanpak of kleinschaligere
AVR-clusters en kan bijdragen aan de ontwikkeling van hun warmtenetten.
bronnen. Daar kunnen mogelijk nieuwe concepten voor worden ontwikkeld.
Bovendien biedt dit inzicht in de bredere potentie van geothermie in de regio. Als de diepe ondergrond zich hier voor geothermie leent, dan waarschijnlijk ook op de andere kansrijke locaties.
4.7 Het perspectief voor collectieve warmte
4.8 Uitdagingen bij de gemeentelijke aanpak In de warmtetransitie hebben gemeenten te maken met diverse uitdagingen: technisch, economisch, organisatorisch-juridisch, personele en op het gebied van draagvlak.
De regionale uitdaging voor 2050 is om 180.000 woningen op een warmtenet aan te sluiten. Dit is gebaseerd op een analyse van onderzoeksbureau Haskoning, aangevuld met inschattingen van GMR. Dit wordt in vervolganalyses door gemeenten nader onderzocht. Een meer-bronnen warmteinfrastructuur maakt efficiënt gebruik van schaalvoordelen, heeft het voordeel dat de bronnen als elkaars piek- en backupvoorzieningen kunnen fungeren én biedt de mogelijkheid om in de toekomst bronnen in en uit te faseren. In de komende jaren heeft de restwarmte van de afvalverwerkingsinstallaties een groot aandeel in de regionale bronnenmix. Omdat deze productie naar verwachting richting 2050 afneemt door kleinere afvalstromen, is het noodzakelijk al eerder alternatieve bronnen te ontwikkelen. Ook om de collectieve warmtevoorziening robuuster te maken én om gemeenten alternatieve warmtebronnen te kunnen bieden, is het wenselijk om al ruim voor 2050 te starten met de ontwikkeling van andere duurzame bronnen. Bijvoorbeeld restwarmte van electrolysers of grootschalige toepassing van aquathermie of zonthermie. Verschillende gemeenten werken om die reden aan een bronnenstrategie. Die wordt momenteel verbreed naar een regionale bronnenstrategie. Dit geeft ons inzicht in nog te ontwikkelen regionale bronnen en een tijdspad hiervoor.
Figuur 19: Holarchische benadering van het energiesysteem. Bron: Naar een holarchisch energiesysteem, topsector energie, 2022. RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 42
Technische uitdagingen
veel gemeenten op nummer één. Subsidies zijn vaak onvoldoende om de hoge
In technisch opzicht ligt de focus voor collectieve warmte in de regio op de
kosten te dekken. Het is dan ook noodzakelijk om kosten flink naar beneden te
grootschalige warmtenetten van ARN en AVR. De benodigde bronnen en
brengen. Schaalvergroting en innovatie kunnen voor collectieve en individuele
systeemcomponenten (geothermie, rwzi, aquathermie en warmtebuffers) staan
warmteoplossingen een flinke bijdrage leveren aan kostprijsverlaging. Voor
aan het begin van de opschalings- en kostprijsdalingscurves.
warmtenetten kunnen de kosten van aanleg en exploitatie naar verwachting flink worden verlaagd door vergaande standaardisering en schaalvergroting.
Binnen, maar ook buiten onze RES, kijken gemeenten naar specifieke
Dat kunnen we alleen maar bereiken met intensieve samenwerking tussen
technieken:
gemeenten, publieke en private partijen. Omdat kostprijsverlaging tijd
• Laagtemperatuur warmtenetten (tussen 10°C en 55°C). Deze warmtenetten
kost, zijn rijkssubsidies vooralsnog onmisbaar en is het ook noodzakelijk
hebben het voordeel dat ze bronnen op lagere temperatuurniveaus kunnen
om warmtetransportnetten buiten de business case van de gemeentelijke
benutten zoals bodemwarmte, lage temperatuur restwarmte, aqua- en
warmtenetten te houden. Voor collectieve warmteoplossingen maakt de GMR
riothermie. Daarvoor is een goede isolatie van de woningen belangrijk. Ze
zich sterk voor aanvullende financiering van onder meer het Rijk. Voor de
bieden soms ook de mogelijkheid om te koelen.
warmtetransportnetten zet de GMR een eerste stap met een maatschappelijke
• Buurtenergiesystemen (BES). Dit zijn kleinschalige warmtenetten gevoed door een collectieve warmtepomp.
kostenbatenstudie. Deze voert ze in het kader van pMIEK, samen met andere regio’s uit.
• De holarchische benadering van Topsector Kennis en Innovatie (TKI). Hierbij wordt de energievraag binnen een gebied integraal aangepakt en zoveel
Juridisch-organisatorische uitdagingen
mogelijk gedekt door lokale bronnen. Zo worden bovenlokale bronnen alleen
Ook de juridisch-organisatorische uitdagingen zijn groot voor gemeenten. De
ingezet voor het in evenwicht houden van vraag en aanbod. Daardoor hoeft
Wet collectieve warmte verandert de markt voor warmtenetten fundamenteel.
de transportinfrastructuur minder verzwaard te worden, wordt het systeem
• De sector verandert van hoofdzakelijk privaat naar publiek. Gemeenten
meer autonoom en robuust en wordt congestie op de transportnetten verlicht.
moeten bepalen hoeveel invloed ze op het warmtenet willen hebben. Voor
Bij een holarchische benadering kunnen energiegemeenschappen een rol
vergaande invloed op de duurzaamheid, tarieven en de activiteiten van het
spelen. Opwek, opslag, verkoop, uitwisseling en afname van energie komen
warmtebedrijf kan een gemeentelijk aandeel in een warmtebedrijf wenselijk
daar in diverse vormen coöperatief binnen één energiegemeenschap samen.
zijn. Verschillende gemeenten richten al gemeentelijke warmtebedrijven op of
Tegelijkertijd kan sturing op energieprofielen plaatsvinden aan de opwek- en
denken na over hun rol.
afnamekant. Hiermee kan de energiegemeenschap bij uitstek de vorm zijn waarin een ‘holon’ (zie figuur 19) kan worden gerealiseerd.
• De warmtetarieven zullen niet langer op de prijs van aardgas gebaseerd zijn, maar op de werkelijke kosten van het betreffende warmtenet. Dat
Door binnen de regio met elkaar deze innovatieve concepten nader te
kan leiden tot prijsverschillen tussen grote en kleine gemeenten, tussen
onderzoeken en pilots uit te voeren, kunnen we sneller leren.
landelijke en stedelijke gebieden en tussen gebieden met goedkope en dure warmtebronnen die de warmtetransitie in de weg kunnen staan.
Economische uitdagingen
In deze sterk veranderende omgeving zoeken veel gemeenten naar de
De economische uitdaging van de warmtetransitie is groot voor gemeenten.
juiste organisatorische vorm. Daarbij bestaat het risico dat gemeenten los
Alle inwoners moeten meekunnen in de warmetransitie. De betaalbaarheid
van elkaar tot andere keuzes komen. Hierdoor kan een lappendeken van
van aansluiting op een warmtenet, een warmtepomp en isolatie staan bij
warmtebedrijven ontstaan die de standaardisatie en schaalvergroting in de RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 43
weg staan. Het is wenselijk dat gemeenten gezamenlijk onderzoeken hoe
1. We streven naar collectieve warmtesystemen waar dat uit het oogpunt van
ze kunnen komen tot een regiobrede organisatie die de warmtetransitie
nationale kosten de beste oplossing is, maar ook waar dat beter past in het
optimaal ondersteunt. Gemeenten kunnen de hulp inroepen van het GWIB
integrale energiesysteem en het beschikbare ‘doen-vermogen’ in een wijk
(Gelders WarmteInfraBedrijf). Het GWIB helpt hen bij de ontwikkeling van een
of buurt. Samen onderzoeken we de technische en financiële kant van de
gemeentelijk warmte-infrabedrijf en kan een rol spelen bij het ontwikkelen van
regionale warmtetransitie.
regionale warmtebedrijven.
2. We ondersteunen de ontwikkeling van gemeentelijke of subregionale warmtebedrijven om te komen tot een betaalbaar aanbod voor onze
Uitdagingen op het gebied van draagvlak
bewoners en de borging van onze publieke waarden.
Draagvlak voor de warmtetransitie bij inwoners en politiek is essentieel.
3. We ontwikkelen samen een visie op een optimaal warmtesysteem waar dat
Gemeenten stellen warmteprogramma’s en wijkuitvoeringsplannen op
gewenst en relevant is. Dat kan op subregionaal niveau zijn. De visie omvat
waarbij ze inwoners intensief betrekken. Betaalbaarheid, ontzorging en
tenminste de technisch-economische, bestuurlijke en sociale aspecten.
handelingsperspectief zijn onmisbare elementen voor het creëren van
Het doel is versnippering te voorkomen en schaal- en efficiencyvoordelen
draagvlak. Daarbij kan socialisatie van kosten tussen dure en minder dure
te benutten, zodat de warmtetransitie betaalbaar en toegankelijk blijft.
warmtenetaansluitingen het draagvlak vergroten. Specifiek voor restwarmte
Gemeenten kunnen in hun eigen tempo en binnen hun eigen mogelijkheden
kan er beperkt draagvlak zijn als het voortbestaan van een vervuilend
aansluiten, waarbij de visie wordt meegenomen in warmteprogramma’s die
bedrijfsproces wordt gelegitimeerd door levering van restwarmte. Sommige gemeenten binnen onze regio hebben aangegeven behoefte te hebben aan
gemeenten momenteel ontwikkelen. 4. We werken waar mogelijk en nodig in gezamenlijkheid aan
intensieve samenwerking om regionaal tot wijkuitvoeringsplannen te komen
bovengemeentelijke oplossingen, wisselen informatie over business cases
die ontzorgen, draagvlak hebben en betaalbaar zijn.
uit en benutten logische koppelkansen. Waar het kan, werken we met lokale warmtebronnen en -buffers (local for local).
4.9 Voorstellen voor gezamenlijke actie
5. We werken regiobreed samen, delen kennis en leren gezamenlijk, hierbij zetten we in op: • Pilots die als voorbeeld voor alle gemeenten kunnen dienen.
Sinds de RES 1.0 zijn er binnen de regio grote stappen gemaakt. De uitdaging
• Het op projectniveau ontdekken van de voordelen van samenwerking om zo
is echter groot: er moeten meer dan 300.000 woningen van het aardgas af
te groeien naar haalbare en betaalbare warmtesystemen.
waarvan idealiter meer dan de helft met een collectieve warmtevoorziening
• Het aansluiten op de energievisie Gelderland waarin wordt opgeroepen tot
wordt verwarmd. Dat vraagt om afspraken over samenwerking en, vanwege
een slim en decentraal energiesysteem met een diverse energiemix en een
de schaarste aan duurzame warmte, over de ontwikkeling en inzet van
flexibel systeem om vraag en aanbod met elkaar te combineren.
warmtebronnen. De gemeenten spreken daarom het volgende af:
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 44
COLOFON Regionale Energie Strategie
Fotoverantwoording
Arnhem-Nijmegen 2026
Rien Ramerman
Publieksversie RES 2.0
Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen
Opdrachtgever
We hebben geprobeerd alle rechthebbenden
• Bestuurlijk Platform Circulaire Regio - RES
met betrekking tot foto’s in het document
• Bestuurlijk Opdrachtgever RES:
te achterhalen. Mocht u desondanks foto’s
Maarten van den Bos, wethouder Ruimtelijke
tegenkomen, waarvan u rechthebbende bent
Ordening, handhaving, duurzaamheid en
en u heeft geen toestemming gegeven voor de
milieu gemeente Lingewaard
publicatie ervan, neemt u dan contact
• Ambtelijk Opdrachtgever RES:
op via res@gmr.nl
Michiel Hustinx, opgavemanager Circulaire Regio
Vormgeving Groep 5700 Meer info www.gmr.nl/res
Proces en contact Ine van den Hurk, procesregisseur RES Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen
Arnhem, februari 2026
res@gmr.nl Opgesteld door Regionaal project team RES in samenwerking met de gemeenten Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen en Zevenaar, de waterschappen Rijn en IJssel, Rivierenland en Vallei en Veluwe, provincie Gelderland en Liander. RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 45
Verklarende afkortingen- en woordenlijst Afkortingen
Verklarende woordenlijst
EZK
= Ministerie van Economische Zaken
Aquathermie
GEA
= Gelders Energieakkoord
Aquathermie is de verzamelnaam voor de winning, opslag en distributie van
GEIS
= Gelderse Energie Infrastructuur
warmte en/of koude uit riool-, afval-, drink- en oppervlaktewater.
GWIB
= Gelders Warmte Infra Bedrijf
HT
= Hoge Temperatuur warmte
Energietransitie
LT
= Lage Temperatuur warmte
Structurele verandering van de samenleving naar een samenleving met
m.e.r.
= Milieueffectrapportage
duurzame fossielvrije energiehuishouding.
MT
= Midden Temperatuur warmte
NPRES
= Nationaal Programma Regionale Energie Strategie
Gebouwde omgeving
OER
= Opwek Energie op Rijksgronden
De verzameling bestaande woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen,
PBL
= Planbureau voor de Leefomgeving
enzovoorts.
PS
= Provinciale Staten
RES
= Regionale Energiestrategie
Gelders Energieakkoord (GEA)
RSW
= Regionale Structuur Warmte
In het netwerk van het Gelders Energie Akkoord werken bijna 250 Gelderse
RVO
= Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
organisaties samen. Inzet: 55% minder CO2- uitstoot in 2030 en een
RWS
= Rijkswaterstaat
klimaatneutrale provincie in 2050.
TVW
= Transitievisie Warmte
WUP
= Wijkuitvoeringsplan
Groene Metropoolregio
TWh
= Terawattuur
De Groene Metropoolregio is een samenwerking tussen 18 gemeenten uit de regio. Vanaf 1 januari 2021 werken zij, vanuit een gezamenlijke visie en een regionale agenda van vijf opgaven, aan een goede balans tussen groei en leefkwaliteit.
Klimaatakkoord De Nederlandse invulling (juni 2019) van het Klimaatakkoord van Parijs, bestaande uit meer dan 600 afspraken tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 te halveren ten opzichte van 1990.
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 46
Lokaal eigendom en zeggenschap
Regionale Energiestrategie (RES)
Bij lokaal eigendom doen lokale partijen (waaronder inwoners) zowel in
De Regionale Energietransitie is een instrument om met maatschappelijke
financieel opzicht als in zeggenschap mee in een vorm van duurzame
betrokkenheid te komen tot regionale keuzes voor:
opwekking. Voor nieuwe grootschalige zonnevelden en windmolens geldt
D e opwekking van duurzame elektriciteit;
vanuit het Klimaatakkoord en de RES Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen
D e warmtetransitie;
een streven naar minimaal 50% lokaal eigendom. Lokaal eigendom is anders
D e daarvoor benodigde energie infrastructuur.
dan alleen financiële participatie. Bij die laatste zijn er geen afspraken over zeggenschap van de omgeving gemaakt. Een voorbeeld van financiële
De RES is ook een manier om de samenwerking tussen alle regionale partijen
participatie zonder zeggenschap is het uitgeven van obligaties aan het eind van
(overheden en maatschappelijke organisaties) te organiseren in voorbereiding
het ontwikkelproces. Andere voorbeelden van financiële participatie zijn het
op concrete projecten die voortkomen uit de RES.
kopen van aandelen in een windpark of zonneveld of een omgevingsfonds.
Tot slot is de RES een product waarin staat beschreven welke strategie de RES-regio hanteert om lokale/regionale energiedoelstellingen te bepalen en te
Nationaal Programma RES (NPRES)
behalen. De RES heeft een horizon van 2030 met een doorkijk naar 2050.
NPRES heeft tot doel om de regio’s zo veel mogelijk te ondersteunen bij het opstellen van hun RES. Het programma wordt getrokken door de drie
RES-deelnemers
koepelorganisaties (VNG, IPO, en Unie van Waterschappen) en de ministeries
De deelnemers die samen de RES vormgeven en daarover besluiten: de
van EZK en BZK
gemeenten Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort,
Omgevingsvisie
Wijchen en Zevenaar, de waterschappen Rijn en IJssel, Rivierenland en Vallei
Rijk, provincies en gemeenten stellen ieder een omgevingsvisie op: een
en Veluwe, provincie Gelderland en Liander. Liander neemt geen besluiten
strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving.
over de RES. Liander (en TenneT) besluiten over de investeringsplannen voor infrastructuur.
Participatie Meedenken, meepraten en meedoen bij de totstandkoming van een plan of
Regionale Structuur Warmte (RSW)
een project door een brede groep van stakeholders. Dit kunnen zijn bewoners,
De Regionale Structuur Warmte brengt de vraag naar, het aanbod aan en de
bedrijven, maatschappelijke organisaties, (semi) overheden die direct te maken
infrastructuur van warmte in kaart. Het is onderdeel van de RES.
krijgen met het plan of het project. Participatie in het kader van de RES kun je onderscheiden in proces- en projectparticipatie.
Terawattuur Terawattuur is een meeteenheid voor energie. In het kader van de RES wordt de term onder andere gebruikt voor de hoeveelheid energie die per jaar wordt gebruikt of opgewekt. 1 terawattuur = 1 miljard kilowattuur = 1.000.000.000 kilowattuur. 1 TWh staat gelijk aan circa 1.000 hectare zonnepanelen of ongeveer 70 windturbines van 4 MW.
RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 47
Transitievisie Warmte In de Transitievisie Warmte leggen gemeenten hun visie vast op de warmtetransitie en lichten ze hun voorziene strategie op inzet van warmtebronnen toe. Ook wordt vastgelegd op welke termijn wijken aardgasvrij worden en welke alternatieve warmtevoorziening voor elke wijk het meest voor de hand ligt.
Warmtecluster In een warmtecluster komen vraag en aanbod van warmte bij elkaar: er is een warmtebron met daar omheen gelegen warmtevraagclusters die interesse hebben in de afname van warmte uit die bron.
Warmtevraagcluster Een cluster van gebouwen (woningen, bedrijven, enzovoorts) met een bepaalde vraag naar warmte. De gebouwen vormen samen een cluster omdat ze dicht bij elkaar liggen en samen een vraag naar warmte hebben ter grootte van minimaal 1.500 woningen. Rondom clusters vanaf die omvang is de aanleg van een grootschalig warmtenet kansrijk.
Zoekgebied Een zoekgebied is een bepaald gebied waar windturbines of zonnevelden zouden kunnen komen. Dit wil dus niet zeggen dat zomaar overal in het zoekgebied turbines of zonnevelden geplaatst gaan worden. Slechts een deel van het totale gebied zal benut worden. Initiatiefnemers kunnen een voorstel voor een wind- of zonnepark indienen bij de gemeente. Of een voorstel uitgevoerd gaat worden, hangt er onder andere van af of er restricties gelden, zoals wetgeving ten aanzien van natuur en veiligheid. Ook speelt het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak een rol. De gemeente, de netwerkbeheerder, ontwikkelaars, inwoners en andere belanghebbenden bepalen samen hoe en waar er gaat worden opgewekt. Voordat de eerste schop de grond in gaat doorloopt elk nieuw project verschillende stappen, zoals een toets op de omgevingsvisie, een milieutoets en een vergunningsaanvraag. Dat biedt inwoners en belanghebbenden meerdere momenten om mee te praten.