CConstaterende datDoesburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c: Bestemmingsplan Onderstation Angerlo - Toelichting

Gemeenteraad 25 februari 2021, gemeente DoesburgBij agendapunt: Bestemmingsplan Onderstation Angerlo11.368 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De olie die in uit de gescheurde behuizing loopt, wordt veilig opgevangen in de lekbak onder de transformator. Een dergelijke storing is wel hoorbaar, maar er is geen gevaar voor de omgeving. 4.7.4 Conclusie Binnen de richtafstanden van geluid en gevaar zijn woningen gelegen. Ten aanzien van de beoordeling van het aspect gevaar is toegelicht wat de mogelijke risico’s zijn en is geconcludeerd dat er geen gevaar is voor de omgeving. Ten aanzien van de beoordeling van het aspect geluid, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat kan worden voldaan aan de grenswaarden en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Vanuit milieuzonering is er geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.8

Geluid

4.8.1 Inleiding De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid en bevat een stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie.

Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld

23/31

Omgevingsaspecten

Het bestemmingsplan maakt geen ‘grote lawaaimakers’1 mogelijk en zal dan ook geen geluidzone bevatten. Ook is een nutsvoorziening geen geluidgevoelige functie. Vanuit de Wet geluidhinder is geen onderzoek naar wegverkeerslawaai of industrielawaai nodig en volstaat de milieuzonering die in paragraaf 4.7 is beschreven. 4.8.2 Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek (zie par. 4.7) is geconcludeerd dat er in de toekomstige situatie wordt voldaan aan de geldende grenswaarden voor de geluidbelasting op de omliggende woningen. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Vanuit het aspect geluidhinder is er geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.9

EM velden

Voor de blootstelling - kortdurend of langdurend - aan magnetische velden zijn in Nederland geen wettelijke grenswaarden vastgesteld. Voor onder andere transformatorstations, heeft de Europese Unie (EU) een richtwaarde voor maximale blootstelling van 100 T (micro tesla) geadviseerd. Nederland heeft deze richtwaarde overgenomen. De richtwaarde houdt in dat burgers in de openbare ruimte niet blootgesteld mogen worden aan magneetvelden ten gevolge van de elektriciteitsvoorziening van meer dan 100 T. Vanwege onder andere de ongerustheid over een relatie tussen blootstelling aan magnetische velden van bovengrondse hoogspanningslijnen en kinderleukemie, heeft de Nederlandse overheid in 2005 beleid opgesteld voor magnetische velden van hoogspanningslijnen. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt aangeraden om zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit geldt voor ‘gevoelige locaties’[1], zoals woningen, scholen en crèches waarbij als voorzorg een maximaal jaargemiddelde magnetische veldsterkte van 0,4 T wordt gebruikt. Het voorzorgsbeleid geldt voor magnetische velden van bovengrondse hoogspanningslijnen.

Dit voorzorgsbeleid geldt dus niet voor andere infrastructuur zoals, elektriciteitskabels, transformatorstations en middenspanningsruimten. In april 2018 heeft de Gezondheidsraad advies uitgebracht. In dit advies wordt de beleidsverantwoordelijke staatssecretaris van I&W ter overweging mee gegeven, het voorzorgsbeleid ten aanzien van magnetische velden voor bovengrondse hoogspanningslijnen, ook toe te passen op ondergrondse elektriciteitskabels en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magnetische velden uit het elektriciteitsnetwerk. Naar aanleiding van dit advies heeft de minister van Economische zaken de heer Verdaas verzocht om te onderzoeken welk voorzorgsbeleid nodig is inzake de (niet uitgesloten) gezondheidsrisico’s van magneetvelden die samenhangen met de elektriciteitsinfrastructuur. De heer Verdaas trekt de conclusie dat voorzorgbeleid ten aanzien van de mogelijke gezondheidsrisico’s van magneetvelden niet noodzakelijk is, omdat er nooit een oorzakelijk verband tussen magneetvelden en gezondheidsklachten is aangetoond. Hij vindt voorzorgbeleid wel nuttig, met name om maatschappelijke onrust en disproportionele maatregelen te voorkomen. De heer Verdaas adviseert om terug te keren naar het oorspronkelijke doel van het voorzorgbeleid.

Dat wil zeggen: zoveel als redelijkerwijs mogelijk voorkomen dat kinderen (tot 16 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden. De externe adviseur krijgt de opdracht om in 2020 met een overzicht van ALARA-maatregelen en afstanden te komen, die redelijk, proportioneel en praktisch realiseerbaar zijn. Vooralsnog is niet bekend wat het advies zal zijn en wanneer dit wordt uitgebracht. Er is voor het bestemmingsplan dan ook van het huidige beleid uitgegaan.

1

inrichtingen zoals genoemd in onderdeel D van bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht. Voor definitie gevoelige bestemmingen zie brief VROM ‘Verduidelijking van het advies met betrekking tot hoogspanningslijnen’ van 4 november 2008. [1]

Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld

24/31

Omgevingsaspecten

4.9.1 Beoordeling en conclusie Liander zorgt dat alle installaties die ze in beheer heeft voldoen aan de richtwaarden en dat burgers niet worden blootgesteld aan magnetische velden van meer dan 100 µT. De 100 µT contour ligt gemiddeld genomen direct rond de transformatoren. Het ontwerp voor het regelstation Angerlo voldoet aan de grenswaarde van 100 T voor blootstelling in de openbare ruimte.

4.10

Luchtkwaliteit

4.10.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekenende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m 2 en één ontsluitingsweg ofwel niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen vallen onder deze categorieën. 4.10.2 Conclusie voor het plan Het bestemmingsplan leidt niet tot een toename aan verkeersbewegingen. Het project draagt zodoende niet-in-betekenende-mate bij en er is geen luchtkwaliteitonderzoek nodig.

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.11

Externe veiligheid

4.11.1 Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt.

Kantoorgebouwen groter dan 1.500 m2 bvo zijn op grond van artikel 1, eerste lid, sub l Bevi een kwetsbaar object. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde

Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld

25/31

Omgevingsaspecten

geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.11.2 Betekenis voor het plan Voor het bestemmingsplan is de risicokaart geraadpleegd (www.risicokaart.nl). Er zijn geen transportroutes van gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plan. Ook zijn er geen inrichtingen met een risicocontour nabij het plangebied. Het bestemmingsplan maakt een nieuw regelstation mogelijk. Een regelstation is geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Er verblijven geen mensen voor langere duur. Er is geen sprake van een wijziging in het groepsrisico door het bestemmingsplan. Ook heeft een regelstation geen veiligheidscontour voor omliggende functies. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.

4.12

Besluit milieueffectrapportage

Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 zijn er twee vormen van m.e.r.-beoordelingen: 1.) projecten die vallen onder bijlage D van het Besluit m.e.r. en 2.) de vormvrije m.e.r.-beoordeling ook wel vergewisplicht genoemd. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: • het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. • de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Aanpassen of realiseren van een regelstation is geen activiteit die is genoemd in de C of D-lijsten van het Besluit m.e.r.. Er is geen (vormvrije) m.e.r. beoordeling voor het plan nodig.

Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld

26/31

Toelichting op de regels

5

Toelichting op de regels

5.1

Algemeen

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.

5.2

Nadere toelichting op de regels

De bij dit plan behorende planregels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012), onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 is de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Daarbij worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. In hoofdstuk 3 is een aantal algemene regels opgenomen. In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht en bevat tot slot de citeertitel van het plan. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik.

Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld

27/31

Toelichting op de regels

Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden en gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels Bedrijf-Nutsvoorzieningen (artikel 3) Het bestemmingsplan is op maat gemaakt voor het regelstation en bevat hoofdzakelijk de enkelbestemming ‘Bedrijf-Nutsvoorzieningen’. In de bestemming is geregeld dat een elektriciteitsdistributiebedrijf mogelijk is van maximaal milieucategorie 3.1 (maximaal opgesteld transformatorvermogen van 100 MVA). Het bestemmingsplan houdt rekening met de bestaande gebouwen en bouwwerken en de nieuwe bebouwing. Gebouwen mogen binnen het bouwvlak worden gebouwd. De nieuwe bebouwing mag maximaal 5,5 m hoog zijn. Voor het bestaande gebouw is de bestaande hoogte als maximum vastgelegd. Het bouwvlak is zo neergelegd dat het bestaande gebouw en het nieuwe regelstation er binnen valt. Er geldt een maximum bebouwingspercentage van 40%. Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn verschillende bouwhoogtes opgenomen. Omdat de bestaande voorziening voor bliksemafleiding al 12 m is, is dit als maximum aangehouden. Voor erf- en terreinafscheidingen geldt een maximumhoogte van 3 m. De transformatorruimten zijn van boven open en zijn daarom geen gebouw, maar een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Hiervoor geldt een maximumhoogte van 6 m.

De plek waar de nieuwe transformatoren komen is aangeduid met de functie aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – transformatoren’. Voor overige bouwwerken, waaronder ook de bestaande schakeltuin, geldt een maximum bouwhoogte van 6 m. Tevens is in de bestemming de voorwaarde opgenomen om te komen tot realisatie en instandhouding van de beoogde landschappelijke inpassing rond de nieuwbouw. Groen (artikel 4) Aan de zuidzijde van het perceel, aan de zijde van het Berkumshof en aan de Bingerdenseweg is een deel van het plangebied bestemd met de bestemming ‘Groen’. Deels is dit de bestaande groenstrook en deels is dit een nieuw aan te leggen groene zone vanwege de landschappelijke afscherming. Verkeer (artikel 5) Aan de zuidzijde loopt over de gronden van het kadastrale perceel een voetpad. Dit pad heeft in het huidige bestemmingsplan de bestemming ‘Verkeer’. Omdat er geen wijzigingen gepland zijn, is deze bestemming weer overgenomen. 5.2.3 Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen de algemene bepalingen aan de orde. Het gaat om: Anti-dubbeltelregel (artikel 6) In dit artikel is opgenomen dat grond, welke eenmaal in aanmerking is of moest worden genomen bij het verlenen van een bouwvergunning, waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van een andere aanvraag buiten beschouwing dient te blijven.

Algemene bouwregels (artikel 7) In dit artikel zijn regels opgenomen voor ondergronds bouwen. Alleen binnen het bouwvlak mag ondergronds gebouwd worden en uitsluitend één bouwlaag diep. Algemene gebruiksregels (artikel 8) In dit artikel is bepaald welke vormen van gebruik in elk geval strijdig zijn.

Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld

28/31

Toelichting op de regels

Algemene afwijkingsregels (artikel 9) De algemene afwijkingsregels zijn hierin opgenomen. Het gaat om minimale afwijkingen van maatvoering, bouwvlakken, e.d. wanneer dit in de uitvoering nodig blijkt vanwege bijvoorbeeld een meetverschil. Overige regels (artikel 10) De gemeente kent paraplubestemmingsplannen die voor de hele gemeente gelden. Met dit artikel is geregeld dat de volgende paraplubestemmingsplannen van toepassing blijven ook na vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan voor het perceel van het onderstation: 1. Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden o.g.v. artikel 4 van bijlage II Bor, zoals vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 9 september 2014, en; 2. Parapluplan parkeren, zoals vastgesteld op 28 juni 2018; 5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 11) Met betrekking tot bouwwerken en het gebruik van grond en bouwwerken wordt in dit artikel ingegaan op het daarop toepasselijke overgangsrecht. Slotregel (artikel 12) Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het bestemmingsplan.

Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld

29/31

Economische uitvoerbaarheid

6

Economische uitvoerbaarheid

Bij een bestemmingsplan dient op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (verder: Wro) in de plantoelichting inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wro de verplichting ontstaan dat bepaalde plankosten op de initiatiefnemer kunnen worden verhaald. Het gaat hierbij om de plankosten en de kosten van ontwikkelingen die gemeente redelijkerwijs moet maken, zoals de aanleg van voorzieningen van openbaar nut. Het betreft een particulier voornemen waarvan de lasten door initiatiefnemer zullen worden gedragen. Er zijn geen verhaalbare kosten. Hiermee is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. De economische uitvoerbaarheid door initiatiefnemer is voorts voldoende aangetoond. Gezien het ontbreken van verhaalbare kosten voor de gemeente, wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld

30/31

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1

Vooroverleg artikel 3.1.1. Bro

Ten behoeve van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de provincie Gelderland, het Waterschap Rijn en IJssel en omliggende gemeenten. Alleen het waterschap heeft een inhoudelijke reactie gegeven, welke in paragraaf 4.4.3 is beschreven. Daarmee is het vooroverleg afgerond.

7.2

Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 5 november 2020 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen voor een ieder om te reageren. Op het bestemmingsplan is een zienswijze ingediend. In de Nota zienswijzen (zie bijlage 8) is deze samengevat en is een reactie gegeven. De zienswijze heeft niet geleid tot wijziging van het bestemmingsplan.

Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld

31/31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Doesburg&id=61c13226-f0a6-4be0-ac9e-f7a5ea5ed4f4