Bijlage 1c: Bestemmingsplan Onderstation Angerlo - Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Toelichting
Onderstation Angerlo Vastgesteld
DNS Planvorming BV Amsterdam, 21 Januari 2021 NL.IMRO.0221.BPL20005HBE-VA01
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Inleiding ......................................................................................................................... 1 Aanleiding ..................................................................................................................... 1 Ligging........................................................................................................................... 1 Geldend bestemmingsplan ........................................................................................... 2 Leeswijzer ..................................................................................................................... 4 Begrippenlijst................................................................................................................. 4
2 2.1 2.2
Het plan ......................................................................................................................... 6 Bestaande situatie ........................................................................................................ 6 Toekomstige situatie ..................................................................................................... 7
3 3.1 3.2 3.3 3.4
Beleidskader ............................................................................................................... 10 Inleiding ....................................................................................................................... 10 Rijksbeleid ................................................................................................................... 10 Provinciaal beleid ........................................................................................................ 11 Gemeentelijk beleid .................................................................................................... 11
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
Omgevingsaspecten ................................................................................................... 13 Inleiding ....................................................................................................................... 13 Archeologie ................................................................................................................. 13 Bodemkwaliteit ............................................................................................................ 13 Water........................................................................................................................... 14 Natuur ......................................................................................................................... 16 Verkeer en parkeren ................................................................................................... 19 Bedrijven en Milieuzonering ........................................................................................ 19 Geluid .......................................................................................................................... 23 EM velden ...................................................................................................................
24 Luchtkwaliteit............................................................................................................... 25 Externe veiligheid ........................................................................................................ 25 Besluit milieueffectrapportage..................................................................................... 26
5 5.1 5.2
Toelichting op de regels .............................................................................................. 27 Algemeen .................................................................................................................... 27 Nadere toelichting op de regels .................................................................................. 27
6
Economische uitvoerbaarheid..................................................................................... 30
7 7.1 7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 31 Vooroverleg artikel 3.1.1. Bro ..................................................................................... 31 Zienswijzen ................................................................................................................. 31
Bijlagen Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Bijlage 8.
Archeologisch onderzoek Verkennend bodemonderzoek Quickscan ecologie Stikstofdepositieberekening Ecologische voortoets Akoestisch onderzoek Landschappelijke inpassing Nota Zienswijzen
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Liander is verantwoordelijk voor het aanleggen, onderhouden en beheren van gas- en elektriciteitsnetten in (delen van) de provincies Gelderland, Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Friesland. Binnen dit verzorgingsgebied transporteert Liander elektriciteit naar ruim 3 miljoen huishoudens, bedrijven en instellingen (peil 31 dec. 2016). Liander werkt iedere dag aan een energievoorziening die iedereen onder gelijke condities toegang geeft tot betrouwbare, betaalbare en duurzame energie. Om dat voor elkaar te krijgen, is het belangrijk om de veiligheid, kwaliteit en capaciteit van de netten hoog op orde te houden. De netinfrastructuur moet nu en in de toekomst aan de capaciteitsbehoefte van de klanten voldoen. Vanwege toenemende vraag naar elektriciteit in de omgeving is Liander van plan om het onderstation Angerlo aan de Didamseweg 2 in Doesburg uit te breiden. De uitbreiding is nodig om de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk te vergroten. Het onderstation is gelegen binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan Beinum 2012, vastgesteld op 26 juni 2013. Het huidige onderstation is gesitueerd op gronden met de bestemming ‘Bedrijf-Nutsvoorziening’. Het onderstation bestaat in de huidige situatie uit een 10 kV-installatie in een gesloten gebouw (1955), twee 50/10 kV-transformatoren van elk 30 MVA en een 50 kV-schakeltuin.
Aan de zuidzijde van het perceel staat een clubgebouw van de duivenvereniging, welke is bestemd met de bestemming ‘Maatschappelijk’. De overige gronden hebben de bestemming ‘Groen’. Er is onvoldoende ruimte binnen de grenzen van het huidige onderstation om de benodigde capaciteit te realiseren. Direct aan de zuidzijde van de huidige installaties is wel voldoende ruimte. Het plan is om het onderstation uit te breiden met een nieuw 20/10kV regelstation ten zuiden van de schakeltuin op de gronden met de bestemming Groen. Het regelstation kent een hoogte van ca 4,5 meter. De drie transformatoren komen elk in een transformatorruimte, waarvan de wanden ca. 5,5 meter hoog worden. Er komen drie 20 MVA transformatoren. Het nieuwe regelstation past niet in de groenbestemming zowel qua gebruik als de bouwregels. Met het voorliggende nieuwe bestemmingsplan wordt de nieuwe bebouwing en het gebruik mogelijk gemaakt.
1.2
Ligging
Het onderstation is gelegen aan de Didamseweg 2, kadastraal perceel DBG02 - E - 1607. Aan de oostzijde grenst het perceel aan de Bingerdenseweg. Aan de zuidzijde aan de Berkumshof en aan de westzijde grenst het perceel aan een boomgaard en een woonperceel met appartementencomplex. In hoofdstuk 2 is de huidige inrichting van het terrein nader beschreven.
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
1/31
Inleiding
afbeelding 1: ligging plangebied (aangeduid met rode stippellijn)
1.3
Geldend bestemmingsplan
1.3.1 Analyse Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Beinum 2012’ van de gemeente Doesburg (vastgesteld op 26 juni 2013 (zie afbeelding 2). Het huidige onderstation is gesitueerd op gronden met de bestemming ‘Bedrijf-Nutsvoorziening’. Het onderstation bestaat in de huidige situatie uit een 10 kV-installatie in een gesloten gebouw (1955), twee 50/10 kV-transformatoren van elk 30 MVA en een 50 kV-schakeltuin. Aan de zuidzijde van het perceel staat een clubgebouw van de Duivenvereniging, welke is bestemd met de bestemming ‘Maatschappelijk’. De overige gronden hebben de bestemming ‘Groen’. Bestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ De voor 'Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor openbare nutsvoorzieningen met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en onbebouwde gronden. Gebouwen zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak en de bestaande goot- en/of bouwhoogte gelden als maximum. Bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan. De hoogte binnen het bouwvlak mag maximaal 2,5m zijn en buiten het bouwvlak maximaal 1 m. Er is echter op het perceel van het bestaande onderstation geen bouwvlak neergelegd. Het bestaande gebouw zal dan ook een bouwvlak moeten krijgen.
Bestemming ‘Groen’ De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: plantsoenen, groenstroken, (fiets-)paden, uitritten, bermen met beplanting, waterpartijen en speelvoorzieningen, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, en onbebouwde gronden.
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
2/31
Inleiding
Gebouwen mogen niet worden gebouwd, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De maximale hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2,5 m. In afwijking hiervan is voor lichtmasten een maximum hoogte van 6 m toegestaan en voor een voetbalkooi en sport- en speeltoestellen een maximum hoogte van 5 m. Bestemming ‘Maatschappelijk’ De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen. Gebouwen zijn alleen toegestaan binnen een bouwvlak en de bestaande goot- en/of bouwhoogte geldt als maximum.
afbeelding 2: uitsnede verbeelding bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl). Met rode stippellijn is de grens van het plangebied aangeduid.
Overige plannen Behalve het bestemmingsplan Beinum 2012 geldt ook het bestemmingsplan 'Archeologie Doesburg 2009'. Hierin is het verreweg het grootste deel van het plangebied aangegeven als ''specifieke vorm van waarde – archeologische verwachtingswaarde hoog'', wat inhoudt dat het verboden is om zonder vergunning van Burgermeester en Wethouders bodemingrepen uit te voeren groter dan 50 m² en dieper dan 0,50 m onder maaiveld. Ook gelden het 'Parapluplan Parkeren' (vastgesteld d.d. 28-06-2018), waarin de regel is gesteld dat bij bouwplannen of wijziging van gebruik voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid, en de 'Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden o.g.v. artikel 4 van bijlage II Bor'. 1.3.2 Conclusie beoordeling bestemmingsplan De locatie van het nieuwe regelstation is geprojecteerd op gronden met de bestemming ‘Groen’. Zowel de gebruiksregels als de bouwregels van deze bestemming bieden geen ruimte om de gewenste situatie mogelijk te maken. Er zijn geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden om het plan alsnog mogelijk te maken. Ook ontbreekt er op het bestaande deel van het ondersta-
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
3/31
Inleiding
tion een bouwvlak. Daarom is een nieuw bestemmingsplan opgesteld om het nieuwe regelstation mogelijk te maken en de bestaande bebouwing van een bouwvlak te voorzien. Het nieuwe bestemmingsplan zal het bestaande gebouw en de nieuwe bebouwing omvatten. In hoofdstuk 2 is het plan nader beschreven.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het plan beschreven, waarbij eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie en vervolgens op de toekomstige situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 gaat in op de milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt toegelicht hoe de planuitgangspunten zijn vertaald naar de bestemmingsregels. De economische uitvoerbaarheid van het plan is beschreven in hoofdstuk 6 en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 7.
1.5
Begrippenlijst
In het bestemmingsplan worden verschillende begrippen gebruikt, welke vrij technisch en specialistisch van aard zijn. Daarom is hieronder een begrippenlijst opgenomen waarin de meest belangrijke termen zijn toegelicht. Onderstation (50kV en hoger) Op een onderstation, ook wel transformator of elektriciteitsstation, komt elektriciteit met een hogere spanning binnen en wordt omgezet in een lagere spanning. De elektriciteit met een lagere spanning wordt vervolgens getransporteerd naar de verschillende wijken of gebieden in een dorp of stad. Regelstation (lager dan 50 kV) Een regelstation heeft dezelfde functie als een onderstation, echter is er sprake van een lagere spanning van <50 kV. Transformator Een transformator zet elektriciteit om van de ene spanning naar een andere spanning. Transformatorvermogen Het vermogen ofwel capaciteit van de transformator, uitgedrukt in MVA. Transformatorruimten De transformator komt in een bouwwerk te staan, bestaande uit 3 dichte wanden. De bovenzijde is open. MVA Aanduiding van het vermogen ofwel capaciteit van de transformator om elektriciteit te kunnen transporteren en transformeren. De capaciteit wordt uitgedrukt in VoltAmpère (VA). 1 MVA (MegaVoltAmpère) is 1.000.000 VA. Middenspanning Middenspanning is de verzamelnaam voor de spanningen tussen de hoogste en laagste spanningen in het elektriciteitsnet.
Alle spanningen van hoger dan 1kV en lager dan 25kV vallen hieronder. Laagspanning Laagspanning is de verzamelnaam voor de lage spanningen in het elektriciteitsnet en betekent spanning onder de 1kV (1.000 Volt). kV De hoogte van de spanning uitgedrukt in Volt, 10kV is 10.000Volt.
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
4/31
Inleiding
Middenspanningsinstallatie De installatie zorgt ervoor dat de elektriciteit gedistribueerd wordt over verschillende kabels naar de transformatorhuisjes in de wijk of naar bedrijven. De middenspanningsinstallatie is de “groepenkast” van een (onder)station.
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
5/31
Het plan
2
Het plan
2.1
Bestaande situatie
Het huidige transformatorgebouw staat aan de noordzijde (zie afbeelding 3). Hier is rondom verharding aanwezig. Op het onderstation staat een 10 kV-installatie in een gesloten gebouw, twee 50/10 kV-transformatoren van elk 30 MVA en een 50 kV-schakeltuin. Het huidige gebouw is ca. 4,5 m hoog. De installaties in de schakeltuin zijn ca. 6 m hoog. Bij de schakeltuin zijn voorzieningen voor bliksemafleiding aanwezig (bliksemspitsen) van ca. 12m hoog. Aan de zuidkant van het perceel staat het clubgebouw van de duivenvereniging. De rest van het plangebied bestaat uit grasveld met enkele bomen en struikgewas.
afbeelding 3: luchtfoto van het terrein met projectlocatie in rood aangeduid (bron: Qirion)
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
6/31
Het plan
2.2
Toekomstige situatie
Vanwege toenemende vraag naar elektriciteit in de omgeving is het nodig om de capaciteit van onderstation Doesburg te vergroten. Hiervoor dienen de huidige transformatoren te worden vervangen door nieuwe transformatoren met een hoger vermogen. Er is onvoldoende ruimte binnen de grenzen van het huidige onderstation om dit te realiseren. De huidige installatie moeten in werking blijven terwijl de nieuwe installatie wordt gerealiseerd en wordt aangesloten op het elektriciteitsnetwerk. Daarom is gekozen voor de locatie aan de zuidzijde van de huidige installaties, waar voldoende ruimte is en waar de nieuwe installaties direct op het netwerk aangesloten kunnen worden. Het plan is om ten zuiden van de bestaande schakeltuin een nieuw 20/10kV regelstation te plaatsen. Het nieuwe regelstation bestaat uit een gebouw van ca 4,5 meter hoog en een hekwerk van ca. 1 meter hier boven op. De drie nieuwe transformatoren komen elk in een transformatorruimte, waarvan de wanden ca. 4,5 a 5 meter hoog worden en waar ook nog een hek van 1 meter op komt. Ook kent het regelstation bliksemspitsen van ca. 2 à 3 meter hoog die boven op de wanden van de transformatoren komen. Er komen drie 20 MVA transformatoren. Wat betekent dat sprake is van een totaal opgesteld vermogen van 60 MVA (milieucategorie 3.1, zie paragraaf 4.7).
In afbeelding 4 hieronder is een tekening van de plattegrond van het nieuwe regelstation getoond. En in afbeelding 5 is de situering op het perceel getoond.
afbeelding 4: plattegrond 20/10 kV regelstation
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
7/31
Het plan
afbeelding 5: situering nieuwe regelstation
Het nieuwe station wordt ten zuiden van de huidige schakeltuin geplaatst en via ondergrondse kabels verbonden met het bestaande onderstation. Hiervoor zal het clubgebouw van de duivenvereniging worden afgebroken en zullen enkele bomen op het perceel worden verwijderd. Het nieuwe regelstation zal via de bestaande toegang van het terrein van de duivenvereniging worden ontsloten. Langs de randen van het plangebied zijn in het openbare gebied groenstroken te vinden. Hierdoor is het huidige perceel langs het Berkumshof en Bingerdenseweg afgeschermd van de openbare weg. Deze groene afscherming is het vertrekpunt geweest voor de inrichting van de randen van het perceel na realisatie van het regelstation. Er is een studie naar de landschappelijke inpassing uitgevoerd (zie bijlage 7). Het plan is om een afschermende groenstrook aan de kant van de Berkumshof en de Bingerdenseweg te realiseren. In afbeelding 6 is de plattegrond getoond. In de nieuwe groenstrook komen streekeigen bomen die goed aansluiten op het karakter van de bestaande beplanting in en rondom het plangebied. Gedacht wordt aan een afwisseling van wilgen en essen aan de randen en in de groenstrook een afwisseling van haagbeuken en taxus (winter groenblijvend). De afwisseling tussen de soorten draagt bij aan een gevarieerd landschappelijk beeld en zorgt voor een dichte groene afschermde rand van het nieuwe gebouw.
De realisatie van de landschappelijke inpassing is met een voorwaardelijke verplichting opgenomen het bestemmingsplan. Door de inpassing van een nieuwe groenstrook met streekeigen beplanting ontstaat er nieuw foerageer- en schuilgebied. Hier zullen diverse soorten vogels gebruik van gaan maken zoals de huismus en de zwarte kraai.
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
8/31
Het plan
afbeelding 6: landschappelijke inpassing (bron: ErvenConsulenten.nl)
afbeelding 7: principedoorsneden van de landschappelijke inpassing (bron: ErvenConsulenten.nl)
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
9/31
Beleidskader
3
Beleidskader
3.1
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk schaalniveau. Dit beleid vormt het kader waarbinnen de nieuwe ontwikkeling plaats dienen te vinden.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Betekenis voor het plan In de 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' zijn nationale belangen opgenomen die zorgen voor een gegarandeerde basiskwaliteit voor alle bewoners van Nederland. De SVIR en het Barro zijn van beperkte betekenis voor onderhavig bestemmingsplan. Dit plan voorziet in de aanpassing van een nutsvoorziening. Voor dit initiatief is in de SVIR geen specifiek ruimtelijk beleid van toepassing.
3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening Sinds 1 juli 2017 is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' aangepast in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6. lid 2 Bro). Het artikel luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het artikel heeft tot doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en over-programmering te voorkomen. Eerst moet worden beoordeeld of sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd in artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro. Deze luidt: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventuin of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Volgend uit jurisprudentie wordt een nieuw transformatorstation niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling beschouwd (zie uitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1123 (Hollands Kroon)).
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
10/31
Beleidskader
Betekenis voor het plan Gelet op de jurisprudentie is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing aan de ladder niet nodig. Daar komt bij dat de gewenste ontwikkeling nodig is om in de toekomst te kunnen voorzien in de vraag naar elektrisch vermogen in de omgeving. Dit is van belang voor een goed functionerend en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk. De ontwikkeling is bij het bestaande onderstation voorzien om zo met een relatief eenvoudige aanpassing het elektriciteitsnetwerk toekomstbestendig te maken. Indien gekozen zou worden voor een andere locatie zijn er hogere maatschappelijke kosten voorzien en is er sprake van een complexere uitbreiding.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en Omgevingsverordening Gelderland De gemeente Doesburg is gelegen in de provincie Gelderland. De provincie heeft haar beleid beschreven in de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’. Provinciale Staten hebben op 19 december 2018 ingestemd met de nieuwe Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie heeft de ambitie om een Gaaf Gelderland te zijn voor bewoners, ondernemers en bezoekers. Zodat het prettig wonen, werken, studeren en ontspannen is. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. Het betekent ‘mooi’ en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Maar ‘gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Om Gelderland in de toekomst ‘gaaf’ te houden, is nu inzet nodig. Energietransitie en duurzame energie In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland staat in het hoofdstuk over Energietransitie dat opwekking van energie middels wind en zon belangrijk en nodig zijn. Voor deze twee vormen van duurzame opwekking is een visieschets opgenomen. Deze visieschets geeft meer gedetailleerde informatie over waar wind en zon mogelijk zijn en onder welke voorwaarden realisatie mogelijk is. De schets is gebaseerd op het beleid van januari 2018.
De opgave voor Gelderland is om in 2050 energieneutraal te zijn door grootschalig te besparen, door opwekking uit duurzame energiebronnen en door te innoveren. Het tussendoel is om te komen tot 49% CO2 reductie in 2030. Betekenis voor het plan De provinciale ambities op duurzame energie vragen om een robuust elektriciteitsnetwerk. De benodigde aanpassing van het onderstation is daar noodzakelijk voor en zorgt er voor dat ook in de toekomst het elektriciteitsnetwerk goed kan blijven functioneren. Het project sluit aan bij de provinciale ambities op het gebied van duurzame energie. 3.3.2 Omgevingsverordening Gelderland In de Omgevingsverordening staan de regels en bepalingen waar in dit plan mee rekening moet worden gehouden. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Betekenis voor het plan De provinciale Omgevingsverordening stelt geen specifieke eisen aan voorliggende locatie die relevant zijn voor de uitbreiding van het onderstation.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief past binnen het provinciale beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie “Doesburg 2030” In de Structuurvisie "Doesburg 2030' zet Doesburg de koers uit voor de toekomst. De hoofdstructuur van Doesburg ligt vast, maar nieuwe initiatieven borrelen op en op diverse plekken zijn ontwikkelingen gaande. Het plangebied is in de structuurvisie niet specifiek aangewezen als
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
11/31
Beleidskader
ontwikkellocatie. Voor de duurzame ruimtelijk-economische ontwikkeling van de gemeente is een goed functionerend elektriciteitsnetwerk een vereiste. De ambities op het gebied van opwekking van duurzame energie vragen om een robuust elektriciteitsnetwerk. De benodigde uitbreiding van het onderstation is daar noodzakelijk voor. Het bestemmingsplan past daarmee in het beleid van de gemeente en faciliteert de ambities op het gebied van duurzaamheid. De landschappelijke inpassing van het station met een groenzone van inheemse beplanting draagt bij aan een versterking van de lokale groenstructuur. 3.4.2 Nota ruimtelijke kwaliteit Doesburg 2017 De Nota ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Doesburg vormt de basis voor het kwaliteitsbeleid van de gemeente voor de publieke ruimte. Binnen deze Nota wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende deelgebieden in de kern. Het plangebied valt in het deelgebied 4 "Beinum". Een belangrijk aandachtspunt in Beinum is de vormgeving van de overgangen van groen/water naar privéterrein. Knelpunten zijn de schuttingen en het in privégebruik nemen van stukjes openbaar groen/water. Het plangebied grenst aan openbaar gebied en kent in de huidige situatie aan de zuidkant een wat rommelige indruk.
Voor het bestemmingsplan is een plan voor de landschappelijke inpassing gemaakt om deze overgang tussen het privé terrein en de weg en het openbare groen netjes vorm te geven. Door het gebruik van inheemse beplanting wordt de lokale groenstructuur versterkt. Door de groenzone ontstaat een zorgvuldige inpassing en afscherming van de nieuwbouw.
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
12/31
Omgevingsaspecten
4
Omgevingsaspecten
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is de uitvoering van het project verantwoord aan de hand van de relevante omgevingsaspecten.
4.2
Archeologie
4.2.1 Algemeen In de Erfgoedwet (2016) is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. 4.2.2 Archeologisch onderzoek Het plangebied is in het bestemmingsplan 'Archeologie Doesburg 2009' aangeduid als een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Er is door de Steekproef een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd (Archeologisch Bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O), De Steekproef, 7 augustus 2020). Het rapport is opgenomen als Bijlage 1. Hieronder is de conclusie beschreven. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is voor het plangebied een specifieke archeologische verwachting geformuleerd voor de prehistorie, de middeleeuwen en de nieuwe tijd. Het veldonderzoek heeft echter geen bewoningslagen / afvallagen opgeleverd en evenmin indicatoren die eenduidig gedateerd kunnen worden in de middeleeuwen of vroege nieuwe tijd. Er zijn zodoende geen aanwijzingen voor een archeologische vindplaats uit die tijd. Daarom kan voor zowel de prehistorie als voor de middeleeuwen en vroege nieuwe tijd de archeologische verwachting naar beneden toe worden bijgesteld.
Er is geen nader archeologisch onderzoek nodig en er zijn voor de planontwikkeling aan de Didamseweg 2 op archeologische gronden geen beperkingen. Het onderzoek is op 15 juni 2020 goedgekeurd. 4.2.3 Conclusie Uit onderzoek is gebleken dat er geen archeologische resten te verwachten zijn. Er is geen nader onderzoek nodig. Er is voor het plangebied geen archeologische dubbelbestemming opgenomen, aangezien uit het veldonderzoek is gebleken dat de archeologische verwachting naar beneden toe kan worden bijgesteld. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect archeologie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
4.3
Bodemkwaliteit
4.3.1 Algemeen In het kader van goede ruimtelijke ordening dient aandacht te worden besteed aan de bodemkwaliteit en de betekenis voor de haalbaarheid van het plan. Er is door IDDS een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. (Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie Didamseweg 2 te Doesburg, IDDS, 14 augustus 2020). Het rapport is opgenomen als bijlage 2. Hieronder is de conclusie beschreven.
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
13/31
Omgevingsaspecten
4.3.2 Bodemonderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het navolgende geconcludeerd: • In de bodem zijn zintuiglijk geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen. • De zandige ondergrond is overwegend licht verontreinigd met enkele zware metalen en PCB. • De ondergrond, zand en klei, is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. • Het grondwater is licht verontreinigd met barium. • Ter plaatse van de transformatoren is het grondwater niet verontreinigd met minerale olie. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en/of de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende streefwaarden (grondwater) dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. 4.3.3 Betekenis voor het project Uit onderzoek is gebleken dat er geen aanvullend noodzakelijk is. Beperkingen inzake de voorgenomen bestemmingsplanwijziging worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
4.4
Water
4.4.1 Beleid en regelgeving Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik, bijvoorbeeld door de landbouw, natuur of recreatie, hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Waterschap Rijn en IJssel werkt hierbij vanuit het Waterbeheerplan 2016-2021 waarin het taakgebied, de doelen en de maatregelen die het waterschap t/m 2021 voor ogen heeft, staan beschreven. Een kompas voor de langere termijn biedt de Watervisie 2030. Beide documenten bieden een samenwerkingsagenda voor ieder die op het gebied van water een belang of betrokkenheid heeft. Het waterschap laat in het waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten in de samenwerking met de partners belangrijk zijn.
Vanuit die verkenning is er beleid gemaakt voor de periode 2016-2021, voor de volgende taakgebieden: - Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. - Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. - Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. - Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. - Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. Het waterschap werkt met de gemeente samen aan een goede ruimtelijke ordening via het proces van de Watertoets. In de watertoetstabel zijn de taakgebieden van het waterschap nader uitgewerkt. Hieronder is de watertoetstabel ingevuld voor het project.
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
14/31
Omgevingsaspecten
Tabel 1: Watertoetstabel Thema
Toetsvraag
Relevant
Veiligheid
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?
Nee
Riolering en Afvalwaterketen Wateroverlast (oppervlaktewater)
Oppervlaktewaterkwaliteit GrondwaterOverlast
Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer Volksgezondheid
Natte natuur
Recreatie Cultuurhistorie
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 3. Is in het plangebied sprake van kwel? 4. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 5. Beoogt het plan aanleg van drainage? 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Intensiteit
Nee Nee Nee Nee
2 1 1
Nee
2
Nee
1
Nee
1
Nee Nee
1 1
Nee
1
Nee Nee Nee Nee
1 1 1 1
Nee
1
Nee Nee
2 1
Nee 1 Nee Nee Nee Nee
2 2 1 1
Nee Nee
2 1
Er zijn geen vragen waar ja op is geantwoord. Als er alleen met ‘nee’ is geantwoord dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden. Hieronder is ingegaan op de situatie voor het plangebied en hoe is omgegaan met het waterbelang. 4.4.2 Situatie plangebied Het kadastrale perceel heeft een oppervlakte van ca. 5.100 m2. Rond het huidige gebouw en bij de schakeltuin is het terrein grotendeels verhard. De beoogde plek van het nieuwe Regelstation is deels onverhard grasland en deels verhard (ca. 610 m2) en bebouwd (125 m2) bij het clubhuis
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
15/31
Omgevingsaspecten
van de duivenvereniging. In het plangebied of in de directe nabijheid is geen oppervlaktewater aanwezig. Hemelwater kan de grond in infiltreren of afvloeien naar de naastgelegen bermen. Het plangebied ligt niet in de beschermingszone van een waterkering. Het nieuwe regelstation is ca. 650 m2. Hier omheen komt aan verhard oppervlak ca. 500 m2. In totaal is sprake van een toename van ca. 415 m2 ten opzichte van de bestaande verharding en bebouwing die wordt weggehaald. Er worden voor de gevels en dakbedekking geen uitlogende materialen gebruikt. Het hemelwater dat valt op het dak en het verhard terrein rond het station is schoon en kan afvloeien naar het gras en de groenzones. De transformatorruimten zijn aan de bovenkant open. Hemelwater dat in contact kan komen met transformatoren kan verontreinigd zijn met olie. Er wordt een hemelwatersysteem met oliedetectie toegepast zodat er geen vervuild hemelwater wordt afgevoerd naar de groenzones. Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe met 415 m2. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Het hemelwater wordt ter plaatse geinfiltreerd in de nieuw aan te leggen groenzone aan de zuidkant van het nieuwe regelstation.
Voor dergelijke kleine oppervlaktetoenames stelt het waterschap geen eisen aan de capaciteit voor het bergen en infiltreren van hemelwater op het terrein. 4.4.3 Resultaat Watertoets Er is op 10 juni 2020 contact gelegd met het waterschap Rijn en IJssel. De uitgangspunten zijn toegezonden en in de waterparagraaf verwerkt. Er is uit de watertoetstabel naar voren gekomen dat er geen waterbelangen zijn. Het bestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan het waterschap ter beoordeling en om het proces van de watertoets af te ronden. In het kader van het vooroverleg heeft het waterschap gereageerd op het bestemmingsplan. Er is aangegeven dat de toename aan verharding onder de 500 m2 blijft en daarmee er geen eisen worden gesteld aan de waterberging. Geadviseerd is om in het kader van de in de groenstroken rond de verharding voldoende ruimte op te nemen voor het afvloeiien van hemelwater. In het kader van de uitwerking van de terreininrichting wordt hier verder aandacht aan besteed. Voor het bestemmingsplan is de watertoets afgerond en zijn er geen belemmeringen voor vaststelling van het plan. 4.4.4 Conclusie De watertoets is doorlopen. Op basis hiervan is te concluderen dat er geen waterbelangen spelen. Het plan leidt niet tot een toename van meer dan 500 m2 verhard oppervlak. Ook zijn er geen bestaande watergangen in of rond het plangebied.
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect water geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
4.5
Natuur
4.5.1 Wettelijk kader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Dit betekent, dat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet- en regelgeving de uitvoering van de ontwikkeling al dan niet in de weg staat. De gebiedsbescherming en de soortenbescherming zijn per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. 4.5.2 Onderzoek Voor het bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd (Quickscan Wet natuurbescherming – Didamseweg 2, Doesburg, IDDS, 6 juli 2020, kenmerk R&O/RSL/rap1). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 3. In het onderzoek is ingegaan op effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten.
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
16/31
Omgevingsaspecten
4.5.2.1 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), een ander beschermd gebied, zoals Natura-2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Stikstofdepositie berekening Binnen een straal van 10 kilometer liggen wel twee Natura 2000-gebieden, te weten Rijntakken op ca. 300 meter en Veluwe op ca. 5 kilometer afstand. Beide gebieden zijn stikstofgevoelig. Daarom is een stikstofdepositie berekening (aeriusberekening) uitgevoerd voor het plan (Stikstofonderzoek regelstation Didamseweg 2, Doesburg, IDDS, 30 april 2020, kenmerk 20032565/JLA/rap1). De rapportage is opgenomen als bijlage 4. Bij een onderstation is er in de gebruiksfase geen sprake van uitstoot van stikstof, omdat het station niet bemand is en elektrisch verwarmd wordt. De aanlegfase (bouwfase) leidt wel tot uitstoot, vanwege de in te zetten machines en het bouwverkeer. Uit het onderzoek volgt dat er in het bouwjaar 2021 en 2022 sprake zal zijn van een minimale depositie op een klein deel van het Natura-2000 gebied Rijntakkenmaal worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft voor beide bouwjaren een rekenresultaten van 0,01 mol/ha/j. Het betreft 0,2 ha van het habitattype ZGLg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied met een KDW van 1.429 mol/ha/jr.
De reeds aanwezige achtergronddepositie van 2.724 mol/ha/jr. overschrijdt deze KDW al fors. De verwachte bijdrage van de werkzaamheden in het plangebied is 0,01 mol/N/ha/jr. De berekening van de gebruiksfase komt op 0,00 mol/ha/j uit en vormt geen belemmering. Ecologische voortoets Om te beoordelen wat het effect is van de geringe depositie is een ecologische voortoets uitgevoerd (Ecologische voortoets, Didamseweg 2, Doesburg, IDDS, 14 mei 2020, kenmerk R&O20032565/REI/rap1). De rapportage is opgenomen als bijlage 5. De conclusie van deze ecologische voortoets is dat de tijdelijke stikstofdepositie door de voorgenomen werkzaamheden t.b.v. Didamseweg 2 geen significant negatieve invloed hebben op beschermde habitattypen en daarmee de uitvoering van de plannen aan de Didamseweg 2 niet in de weg staat. Er kan worden geconcludeerd dat de gebiedsbescherming geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. 4.5.2.2 Soortenbescherming Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het mogelijk is dat met de plannen vaste rustplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde huismus. Voor huismus geldt dat het groen rond gebouw 3 (clubhuis duivenvereniging) essentieel leefgebied is.
Bij verwijdering van dit groen blijft in de omgeving onvoldoende schuilmogelijkheid over, waardoor het mogelijk is dat de populatie huismussen in de omgeving verkleint of verdwijnt. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Voor het verwijderen van het groen is daarom een ontheffing noodzakelijk. Deze ontheffing wordt aangevraagd in het kader van de uitvoering. Voor de ontheffing is van belang dat er in de toekomst voldoende alternatieven in de omgeving worden aangeplant. In het landschapsplan is ruimte opgenomen voor beplanting met bomen en struiken aan de zuidzijde ongeveer ter hoogte van het gebied dat in de quickscan is aangeduid als kansrijke locatie voor nieuw en vervangend foerageer- en schuilgebied. Ook is het is mogelijk dat vogels in en rond het plangebied gaan broeden, met name in het braamstruweel en in de bomen. Alle vogels zijn tijdens het broeden beschermd. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen (globaal van half maart tot half juli), mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Tot de mogelijkheden behoort aanvangen voor het broedseizoen en doorwerken met continue verstoring tijdens het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen.
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
17/31
Omgevingsaspecten
Uit het veldbezoek is naar voren gekomen dat er in gebouw 2 (het bestaande onderstation vooraan op het perceel) geschikte verblijfplaatsen (zomer en paar) voor vleermuizen zijn in het plangebied aanwezig in de open stootvoegen van het gebouw. Deze zijn alleen toegankelijk voor kleinere soorten vleermuizen en zijn niet geschikt als winterverblijf of kraamverblijf. Gebouw 2 blijft behouden, waardoor de functie die het gebouw mogelijk heeft voor vleermuizen na de werkzaamheden blijft bestaan. Vanwege de korte duur en aard van de werkzaamheden zullen deze een verwaarloosbaar effect hebben op een mogelijk zomer –en/of paarverblijfplaats van de gewone –en/of ruige dwergvleermuis tijdens uitvoering van de werkzaamheden. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is niet noodzakelijk. Om een negatief effect te voorkomen dient er bij de werkzaamheden tussen zonsondergang en zonsopgang geen fel licht te worden geschenen in de richting van het bestaande gebouw (gebouw 2).
Tabel 2: Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied (bron: IDDS)
4.5.3 Conclusie Uit het ecologisch onderzoek en de voortoets is gebleken dat er geen significante effecten zijn op beschermde natuurgebieden. Uit de biotooptoets is naar voren gekomen dat mogelijk leefgebied wordt aangetast van de huismus. Voor het verwijderen van de struiken zal in het kader van de uitvoering van de werkzaamheden een ontheffing van de Wnb nodig zijn. Onderdeel van het plan is de realisatie van een nieuwe groenstrook, welke zal kunnen dienen als alternatief leef- en foerageergebied voor de huismus. De zorgplicht uit de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Gelet op het resultaat van het onderzoek dient met de bouw- en aanlegwerkzaamheden rekening te worden gehouden met het broedseizoen voor vogels. Ook dient tijdens de werkzaamheden voorkomen te worden dat er tussen zonsondergang en zonsopgang fel licht schijnt in de richting van het bestaande gebouw vooraan op het terrein. Dit om een negatief effect op verblijfplaatsen van vleermuizen te voorkomen. Borging hiervan vindt plaats via de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
18/31
Omgevingsaspecten
4.6
Verkeer en parkeren
De uitbreiding van het onderstation heeft geen gevolgen voor de verkeerssituatie. Een onderstation is niet bemand en er vindt alleen af en toe controle en onderhoud plaats. de bestaande toegang van het terrein van de Duivenvereniging aan de Bingerdenseweg zal worden gebruikt voor de toegang tot het nieuwe station. Op het terrein komt voldoende ruimte voor het parkeren bij onderhoudswerkzaamheden. Het plan leidt niet tot een wijziging in de verkeersaantrekkende werking of in de parkeerbehoefte. Er is geen onderzoek nodig. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
4.7
Bedrijven en Milieuzonering
4.7.1 Inleiding De ruimtelijke ordening stelt zich tot doel een goede kwaliteit van leefomgeving te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende afstand tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Doesburg de VNGuitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie. Onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk en gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot een omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Milieucategorie 1 2
Richtafstand (rustige woonwijk) 10 m 30 m
Richtafstand (gemengd gebied) 0m 10 m
3.1 3.2
50 m 100 m
30 m 50 m
4.1 4.2
200 m 300 m
100 m 200 m
5.1 5.2
500 m 700 m
300 m 500 m
5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Tabel 3: Bedrijven en milieuzonering (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)
In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering is een stappenplan omschreven voor de toetsing van het aspect geluid. Hieronder zijn de stappen beschreven. Stap 1 Indien de richtafstand voor de gewenste bedrijfscategorie voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven en is het plan inpasbaar geacht.
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
19/31
Omgevingsaspecten
Stap 2 Indien 'stap 1' niet toereikend is, is het nodig om de geluidbelasting te berekenen. Hiervoor gelden de volgende grenswaarden: • Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype 'rustige woonwijk' van maximaal: o 45 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde) o 65 dB(A) maximaal (piekgeluiden, etmaalwaarde) o 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). • Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype 'gemengd gebied' van maximaal: o 50 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde) o 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden, etmaalwaarde) o 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde): Stap 3 en 4 Indien 'stap 2' niet toereikend is, is in de VNG-uitgave nog een stap 3 en zelfs een stap 4 beschreven. In voorliggend rapport wordt hier vooralsnog niet verder op ingegaan. 4.7.2 Geluidbeleid gemeente Doesburg Door de gemeente Doesburg is in 2007 geluidbeleid vastgesteld ('Nota Bedrijven en Geluid', rapport M.2005.0287.09.R003, 15 maart 2007). In deze nota zijn, afhankelijk van het betreffende gebiedstype, ambitiewaarden voor de vanwege bedrijven optredende geluidniveaus ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen aangegeven.
Volgens de kaart 'Gebiedstypering Doesburg' wordt de directe omgeving van het onderstation Angerlo aangeduid als gebiedstype 'Woongebieden in Doesburg'. Voor industrielawaai geldt hier een ambitiewaarde van 45 dB(A) (klasse rustig) met als bovengrens 50 dB(A) (klasse redelijk rustig). Gezien de ligging van de betreffende woningen nabij de drukke Didamseweg / Barend Ubbinkweg en nabij het huidige transformatorstation van Liander (gelet ook op de vigerende geluidvoorschriften voor het station waarbij een geluidbelasting tot 53 dB(A) is vergund), lijkt het reëel en verdedigbaar om in onderhavig geval uit te gaan van de 'bovengrens' van 50 dB(A) als aan te houden grenswaarde voor de geluidbelasting van de woningen. Bij een grenswaarde van 50 dB(A) is zelfs sprake van een verbetering ten opzichte van de huidige geluidsituatie. Hierbij kan worden opgemerkt dat ook bij de afweging in 2009 om een maatwerkvoorschrift toe te kennen (met grenswaarden tot 53 dB(A)) reeds een toets heeft plaatsgevonden aan het gemeentelijk geluidbeleid. 4.7.3 Betekenis voor het plan 4.7.3.1 Van toepassing zijnde richtafstanden Rond het plangebied staan appartementen en grondgebonden woningen. De appartementen aan de Didamseweg staan op ca. 17m van de perceelgrens. De dichtstbijzijnde woning aan de Bingerdamseweg staat op ca. 27 m. En de dichtstbijzijnde woning aan de Berkumshof staat op ca.
21 m van de perceelgrens. De ligging van de woningen is in afbeelding 8 getoond. Het plan maakt de plaatsing van het nieuwe regelstation mogelijk, bestaande uit drie nieuwe 20 MVA transformatoren, een 20kV-gebouw en twee 10kV-installaties. De nieuwe transformatoren vervangen de thans aanwezige transformatoren op het perceel. In de toekomstige situatie is sprake van 60 MVA opgesteld vermogen. Een station met een transformatorvermogen van 60 MVA valt in milieucategorie 3.1 (elektriciteitsdistributiebedrijven met een transformatorvermogen van 10 t/m 100 MVA, zie Tabel 4). De aspecten geluidhinder en gevaar zijn bepalend voor de toetsing van de inpasbaarheid. De woningen aan de Bingerdenseweg en de Hermaat en de appartementen Didamseweg kunnen worden beschouwd als liggend in gemengd gebied vanwege de ligging dichtbij de Didamseweg en het onderstation. De woningen aan Berkumshof en aan Broekhuizen liggen alleen in de omgeving van het onderstation. Dit is niet te beschouwen als gemengd gebied maar als een rustige woonwijk.
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
20/31
Omgevingsaspecten
Voor het plan (milieucategorie 3.1: elektriciteitsdistributiebedrijf, met transformatorvermogen van 10 - 100 MVA) gelden de volgende richtafstanden: • Voor de woningen langs de Berkumshof en Broekhuizen (woonwijk): 50 meter voor geluid en 30 meter voor gevaar. • Voor de woningen aan de Bingerdenseweg en aan de Didamseweg (gemengd gebied): 30 meter voor geluid en 30 meter voor gevaar. Binnen deze afstanden zijn woningen gelegen, zie afbeelding 8. Verder bevinden zich nog woningen op grotere afstand ten westen, zuiden en oosten van het station. In onderstaande paragrafen zijn de aspecten ‘geluid’ (par. 4.7.3.2) en ‘gevaar’ (par. 4.7.3.3) beoordeeld voor de woningen in de richtafstanden. Appartementen Didamseweg
Woningen Broekhuizen
17 m
(bedrijfs)woning 75 m 0m
plangebied
25 m
Woningen Berkumshof
20 m
Woningen Bingerdenseweg / Hermaat
afbeelding 8: woningen (geel) rond het plangebied (rode lijn)
Tabel 4: Milieucategorie van een elektriciteitsdistributiebedrijf (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
21/31
Omgevingsaspecten
4.7.3.2 Beoordeling aspect geluid Voor de beoordeling van de inpasbaarheid van een ontwikkeling hanteert de VNG-richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering' een stapsgewijze benadering. Er is door Peutz een akoestisch onderzoek uitgevoerd (‘Liander onderstation Angerlo, Akoestisch onderzoek in verband met ombouw naar 20/10 kV-station’, Peutz, rapportnr. FA 18180-4-RA-002, d.d. 20 januari 2021). Het rapport is opgenomen als bijlage 6. In dit onderzoek is de geluidbeoordeling uitgevoerd. Hieronder is het resultaat samengevat. Huidig maatwerkvoorschrift Medio 2008 is door de toenmalige netbeheerder (Nuon Tecno) een maatwerkvoorschrift aangevraagd met betrekking tot de geluidimmissie vanwege het bestaande transformatorstation (met de huidige bedrijfsvoering). Gevraagd werd in het maatwerkvoorschrift een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau nabij geluidgevoelige bestemmingen vast te stellen van maximaal 53 dB(A) (etmaalwaarde). Deze waarde is 3 dB hoger dan de 'standaardgrenswaarde' uit het Activiteitenbesluit. Dit maatwerkvoorschrift is nog steeds van kracht. Toets aan geluidbeleid gemeente Doesburg Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting aan de gevel van de nabij gesitueerde woningen 36 à 50 dB(A) (etmaalwaarde) zal bedragen. Voor veel woningen wordt hiermee voldaan aan de ambitiewaarde van 45 dB(A) zoals genoemd in het geluidbeleid van de gemeente.
Voor de woningen die het dichtst bij het transformatorstation zijn gesitueerd wordt voldaan aan de 'bovengrens' voor gebiedstype 'Woongebieden in Doesburg'. Mede gelet op de optredende geluidniveaus in de huidige situatie (tot 53 dB(A) toegestaan op basis van het maatwerkvoorschrift), lijkt een aan te houden grenswaarde van 50 dB(A) reëel en verdedigbaar voor de woningen het dichtst bij het onderstation. Bovendien is ten opzichte van de huidige situatie sprake van een verbetering van de geluidsituatie. Toets aan stappenplan VNG handreiking Stap 1 van de toetsing betreft de beoordeling op basis van de richtafstand zoals hier boven beschreven. Binnen de richtafstand voor geluid zijn woningen gelegen. Zodoende is stap 2 uitgevoerd. Stap 2 betreft een beoordeling van de geluidbelasting op de gevels. In het akoestisch onderzoek zijn de geluidbelastingen op de gevels van de omliggende woningen bepaald. De resultaten zijn getoetst aan de geldende geluidnormen en geldende waarden per dagdeel (dagperiode, avondperiode en nachtperiode). Voor de beoordeling wordt onderscheid gemaakt tussen de woningen in het gebiedstype ‘gemengd gebied’ en ‘rustige woonwijk’. Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting op de gevels van de woningen aan de Bingerdenseweg, Hermaat en de appartementen Didamseweg voldoet aan de grenswaarden voor gemengd gebied (etmaalwaarde van 50 dB(A) (i.e.
50 dB(A) in de dagperiode, 45 dB(A) in de avondperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode)). De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 50 dB(A) etmaalwaarde op de zijgevel van de woning Hermaat 27. De andere gevels kennen een lagere geluidbelasting. Opgemerkt wordt dat het gebouw, direct grenzend aan het terrein van het transformatorstation (adres: Didamseweg 2a / Broekhuizerweg 4) tot voor kort alleen in gebruik was als garage (voor het stallen van auto's) en als bedrijfsruimte (praktijk voor fysiotherapie). Er is door de gemeente Doesburg een omgevingsvergunning verleend om een deel van het gebouw te verbouwen tot (bedrijfs)woning (zie de aanduiding '(bedrijfs)woning' in afbeelding 8). Van deze omgevingsvergunning is tot op heden geen gebruik gemaakt. Bij de verleende vergunning voor deze ontwikkeling is echter aangegeven dat de gevels van de woning die worden belast door het geluid vanwege het transformatorstation moeten worden uitgevoerd als een 'dove gevel'. Een ‘dove gevel' is een gevel zonder te openen delen en hier gelden de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit niet voor. In het akoestisch onderzoek is voor de volledigheid de geluidbelasting berekend zowel op de dove gevel die grenst aan het plangebied als op de gevel aan de andere zijde.
De berekende geluidbelasting op de gevels van de woningen aan Berkumshof en Broekhuizen voldoet aan de grenswaarden voor een rustige woonwijk (etmaalwaarde van 45 dB(A) (i.e. 45
Bestemmingsplan Onderstation Angerlo Doesburg, Vastgesteld
22/31
Omgevingsaspecten
dB(A) in de dagperiode, 40 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode)). De hoogste berekende geluidbelasting bedraagt 45 dB(A) etmaalwaarde op de zijgevel van de woning Hermaat 1. Op de overige posities zijn lagere geluidniveaus berekend. Op basis van het bovenstaande wordt vastgesteld dat een 'buitenplanse inpassing' mogelijk is en dat ook na realisatie van de gewenste wijziging nog steeds sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat de geluidbelasting vanwege het transformatorstation zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie. In de huidige situatie bedraagt de geluidbelasting op de gevel van de nabijgelegen woningen maximaal 53 dB(A). In de situatie na ombouw wordt de geluidbelasting beperkt tot maximaal 50 dB(A). Uit de geluidberekeningen die zijn uitgevoerd volgt dat om te voldoen aan de genoemde grenswaarden het geluidvermogen van de transformatoren maximaal 71,5 dB(A) mag bedragen. Hier wordt bij de keuze van de te plaatsen transformatoren mee rekening gehouden (afhankelijk van het type en merk). Via de toetsing aan het Activiteitenbesluit (Wet milieubeheer) is geborgd dat de grenswaarden niet worden overschreden.
Op basis van het bovenstaande wordt vastgesteld dat de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en dat ook na realisatie van de gewenste wijziging nog steeds sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4.7.3.3 Beoordeling aspect gevaar In Tabel 4 is aangegeven dat er een richtafstand vanwege gevaar is bij een elektriciteitsdistributiebedrijf. De richtafstand bedraagt 30 m voor een elektriciteitsdistributiebedrijf met een transformatorvermogen van 10 - 100 MVA. Binnen 30 m rond het plangebied zijn meerdere woningen gelegen. Het gevaar dat kan optreden op een transformatorstation is wanneer een mogelijke storing plaatsvindt. Storingen ontstaan wanneer er in een transformator kortsluiting ontstaat. Van de vijfhonderd transformatoren in het net van Liander is er per jaar ongeveer één waar een storing optreedt. Door de keten van opeenvolgende veiligheidsmechanismen schakelt de transformator meteen uit. Eens per tien jaar komt het voor dat een transformator een dusdanige storing heeft dat hij zichtbaar kapot is. Zo’n destructieve storing is in de directe omgeving van de transformator te horen. De klap is het gevolg van de stalen behuizing die wordt ontzet. De behuizing is zo ontworpen dat hij gecontroleerd scheurt en niet uit elkaar barst. Het is niet mogelijk dat bij een destructieve storing stukken metaal of olie buiten de transformatorbox terecht komen.