CConstaterende datDoesburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Integraal Handhavingsbeleid 2024-2028 gemeente Doesburg

Commissie VROM 12 juni 2024, gemeente DoesburgBij agendapunt: Integraal handhavingsbeleid 2024-2028, Uitvoeringsprogramma 2024-2025 en Jaarverslagen 2020-2023 (Informatienota)32.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Er geldt in plaats daarvan voor woongebouwen met een totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied van meer dan 600 m² een eis voor de minimum breedte van de trap (1,2 m) in het trappenhuis waardoor de vluchtroute voert. Dit komt overeen met de breedte-eis van een trap volgens «tabel B» in het Bouwbesluit 2003. Evenals bij tabel B het geval was mag het smalle gedeelte van een spiltrap niet worden meegerekend bij het bepalen van de doorstroomcapaciteit. Dit betekent dat niet in alle gevallen een spiltrap kan worden toegepast. Zie ook de toelichting op de artikelen 2.107, negende lid, en 2.108, eerste lid, onder a. Bij woningen worden evenmin als onder het Bouwbesluit 2003 eisen gesteld aan de zelfsluitendheid van voordeuren. Derhalve blijft de kans bestaan dat een vluchtend persoon de voordeur open laat staan zodat vroegtijdig rook in een gemeenschappelijke vluchtroute kan komen met het risico dat deze onbruikbaar wordt. Om deze reden is voorgeschreven dat de enkele (extra beschermde) vluchtroute in een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw niet langs een beweegbaar constructieonderdeel van een andere woonfunctie mag voeren. Deze voorwaarde geldt niet bij een traditionele portiekflat, als vanuit de woning in twee richtingen kan worden gevlucht of als de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute is die door een trappenhuis voert.

Twee of meer vluchtroutes De eisen voor de enkele beschermde vluchtroute, extra beschermde vluchtroute of veiligheidsvluchtroute zijn niet van toepassing indien er een onafhankelijke tweede (alternatieve) vluchtroute aanwezig is. Daarbij geldt als uitgangspunt dat bij brand gedurende voldoende tijd ten minste één vluchtroute beschikbaar blijft om veilig te kunnen vluchten. De tweede vluchtroute is onafhankelijk van de eerste vluchtroute indien de wbdbo tussen deze vluchtroutes voor zover deze door hetzelfde brandcompartiment voeren ten minste 30 minuten bedraagt en deze vluchtroutes na het verlaten van het brandcompartiment door verschillende brandcompartimenten voeren. Uitzondering hierop is dat een vluchtroute in een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 8 m wordt overbrugd altijd, dus ook als er een onafhankelijke tweede vluchtroute is, een extra beschermde vluchtroute moet zijn. Bij gebruik van twee vluchtroutes blijft het mogelijk om een sub-brandcompartiment te ontsluiten door middel van één gang of corridor indien daarin naar twee kanten kan worden gevlucht, de vluchtroutes in die gang of corridor ten minste een beschermde vluchtroute zijn en de twee vluchtroutes buiten die ruimte twee onafhankelijke vluchtroutes zijn. De loopafstand in de gang of corridor mag, indien die ruimte een besloten ruimte is, in beide richtingen niet groter zijn dan 30m.

Bestaande bouw Bij bestaande bouw geldt op een aantal punten een ander niveau van eisen dan de bovenstaande voorschriften voor nieuwbouw. De belangrijkste verschillen hebben betrekking op: 35

-

de beschermde route; de rookdoorgang; de limitering van de loopafstanden; twee onafhankelijke vluchtroutes, de opvang- en doorstroomcapaciteit.

Beschermde route In de voorschriften voor bestaande bouw wordt niet gesproken van een beschermde vluchtroute maar van een beschermde «route». Met dit begrip blijft het niveau van eisen nagenoeg gelijk aan het niveau van eisen voor de voormalige rookvrije vluchtroute en worden verworven rechten in de bestaande bouw niet aangetast. Een beschermde route is vergelijkbaar met de beschermde vluchtroute bij nieuwbouw. Het verschil zit er in dat de beschermde route, zoals voorheen, door een verkeersruimte mag voeren (buiten het sub-brandcompartiment waarin de vluchtroute begint) en door een ander subbrandcompartiment met inbegrip van de daarin gelegen verblijfsgebieden en verblijfsruimten. Zo blijft bijvoorbeeld in de gezondheidszorg een balie of een open wachtruimte aan de verkeersruimte waardoor een vluchtroute voert toegestaan en mag in een penitentiaire inrichting bijvoorbeeld een recreatieruimte in open verbinding met die vluchtroute staan. Ook mag de beschermde route voeren door een ander sub-brandcompartiment dan het compartiment waar de vluchtroute begint. Dit mag natuurlijk niet een brandonveilige situatie veroorzaken of in stand houden. Rookdoorgang Voor nieuwbouw kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden gegeven over de rookdoorlatendheid van een inwendige scheidingsconstructie waarbij voortaan ook rekening wordt gehouden met koude of afgekoelde rook.

Om een verzwaring van eisen voor bestaande gebouwen te voorkomen, blijft daarvoor de op NEN 6075 gebaseerde eis voor de weerstand tegen rookdoorgang (WTRD) van toepassing. Beperkte limitering loopafstanden De eisen aan loopafstanden bestaande bouw zijn niet strenger dan in het Bouwbesluit 2003, bestaande bouw. Twee onafhankelijke vluchtroutes Indien twee vluchtroutes vanaf de uitgang van een sub-brandcompartiment door eenzelfde ruimte voeren, behoeft die ruimte, in tegenstelling tot de nieuwbouweisen, geen beschermde of extra beschermde ruimte te zijn. Wel geldt een maximale loopafstand binnen die ruimte en moet er in twee richtingen kunnen worden gevlucht. Opvang- en doorstroomcapaciteit Voortaan kunnen ook de bestaande bouw eisen worden gesteld aan de opvang- of doorstroomcapaciteit van vluchtroutes. Om te voorkomen dat door die bij ministeriële regeling vast te stellen voorschriften alle eerder verleende vergunningen voor brandveilig gebruik en ingediende gebruiksmeldingen weer tegen het licht moeten worden gehouden, is in hoofdstuk 9 een overgangsbepaling opgenomen zodat situaties die eerder veilig zijn bevonden, bijvoorbeeld blijkens een bouwaanvraag, een melding of een vergunning, zonder aanpassing gehandhaafd kunnen worden.

Beschrijving periodieke controles naleving van de melding: onderdeel werkplan ‘toezicht brandveiligheid’??

36

Bijlage III. Advisering ruimte en veiligheid Maatlat toewijzing advies Ruimte en Veiligheid Doel Het doel van de maatlat is om een adviesaanvraag voor ruimtelijke ontwikkelingen aan de juiste werknemer binnen één van de drie teams te adresseren. Werkwijze Een adviesverzoek voor een ruimtelijke ontwikkeling (zowel wet- en regelgeving, beleid, planvorming, inrichting en realisatie) is niet alleen te typeren aan de hand van aspecten, zoals ligging, bestemming, functie, gebruik, omvang maar ook aan de hand van de aspecten voor de hulpvraag bij incidenten, zoals, bereikbaarheid, bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid (groepen) mensen en benodigde disciplines. De combinatie van deze maakt dat een adviesaanvraag in meer of mindere mate complex is en daarom behandeld moet worden door een werknemer met vereiste kwalificatie. Een werknemer krijgt een adviesaanvraag toegewezen aan de hand van de onderstaande indeling. Adviesaanvraag ruimte/omgeving betrekking op: A

Wet- en regelgeving, beleid

B

Meervoudige omgevingsrisico’s (combinaties van risico’s bijv. natuurbrand & externe veiligheid)

C

Multi aspecten (Politie, RAV, GHOR, Waterschap, Rijkswaterstaat

D

1

Aanpassing infrastructuur/aanrijdroutes hulpdiensten* (provinciale/snelwegen) - projecten betreffende groot onderhoud

2

Aanpassing infrastructuur/aanrijdroutes hulpdiensten* (gemeentelijke wegen)- projecten betreffende groot onderhoud

3

Aanpassing infrastructuur* (gemeentelijke wegen)

E F

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid (innovatieve, complexere vraagstukken) 1

Masterplannen, Stedebouwkundigeplannen, Bestemmingsplan/Inrichtingsplan met Externe Veiligheidsaspect.

2

Masterplannen, Stedebouwkundigeplannen, Bestemmingsplan/Inrichtingsplan (“vlekkenplan”, locatiekeuze)

3

Bestemmingsplan/Inrichtingsplan (waarbij functie en exacte locatie bekend zijn)

4

Herontwikkeling / inrichting (bestaand gebied)

5

Functiewijziging (met wijziging kwetsbaarheid)

6

Functiewijziging (zonder wijziging kwetsbaarheid) * Wegwerkzaamheden, -opbrekingen en tijdelijke voorzieningen aan de weg

37

Werkbeschrijving QuickScan Een gemeente kan van een derde partij (particulier, projectontwikkelaar, etc.) het verzoek krijgen om mee te werken aan nieuwe activiteit (ruimtelijk initiatief). De gemeente kan voor dergelijke aanvragen een QuickScan uitvoeren om de haalbaarheid van het initiatief te toetsen aan geldende wet- en regelgeving, gemeentelijk beleid en (bestuurlijk/ambtelijk) draagvlak. VGGM kan hiervoor een QuickScan veiligheid en gezondheid opstellen als de gemeente over het initiatief minimaal informatie geeft over: De locatie van het initiatief (in bestaand of nieuw bouwwerk/gebouw), De omvang/oppervlakte/begrenzing van de locatie De functie(s) en/of gebruik van de locatie, De omvang en typering (toekomstige) gebruikers (kwetsbaarheid aanwezige personen) en (indien mogelijk) de ruimtelijke verdeling van functie(s) en gebruik(ers) over de locatie. Met de QuickScan veiligheid en gezondheid zijn voor het initiatief vervolgens de omgevingsrisico’s (zoals overstroming, natuurbrand, gevaarlijke stoffen) en haar gevolgen voor de ramp- en incidentbestrijding en de (zelf)redzaamheid in beeld te brengen. Op hoofdlijnen is op basis daarvan aan te geven: Beschouwing van de omgevingsrisico’s (in samenhang met elkaar) Haalbaarheid initiatief op betreffende locatie Maatregelen voor de optimalisatie van de veiligheid en gezondheid (o.a.

bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en (zelf)redzaamheid) Verwachte en vereisten voor (wettelijke) procedures/toetsing (externe veiligheid, bouwplantoetsing) Wijze van betrokkenheid Besluit Een gemeente stelt ruimtelijk/infrastructurele besluiten op en/of actualiseert deze besluiten. Een voorbeeld daarvan is het bestemmingsplan(en tal van varianten daarop) op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij het tot stand komen van het besluit zoekt de gemeente afstemming daarover met haar partners in de geest procedure regels uit Algemene wet bestuursrecht (Awb), de wettelijke grondslag voor het ruimtelijke besluit en/of in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Gegeven het kader óf op grond van haar adviestitel in de Wet op de veiligheidsregio’s kan VGGM aan het bevoegd gezag adviseren over het te nemen besluit. VGGM adviseert daarbij over de omgevingsrisico’s (zoals overstroming, natuurbrand, gevaarlijke stoffen) en de gevolgen van het besluit voor de ramp- en incidentbestrijding en de (zelf)redzaamheid. Afhankelijk van het proces en/of de procedurefase is het advies formeler van aard.

Afgestemd op het beoogde abstractie/detail niveau geeft VGGM aan de gemeente een: • Analyse van de omgeving: o Beschouwing van omgevingsrisico’s op basis van het risicoprofiel, zoals overstroming, natuurbrand, gevaarlijke stoffen; o Scenario(‘s) (worstcase, maatgevend, realistisch) met de effecten (evt. effectafstanden); o Delen van het plangebied die onder invloed van die omgevingsrisico’s staan; o Zelf)redzaamheid van de aanwezigen. Er is daarbij specifiek aandacht voor de gereserveerde (planologische) ruimte voor de aanwezigen (bijv. verdeling, dichtheid, omvang, kwetsbaarheidsfuncties en gebruik); o Rampbestrijding. Specifiek is daarbij aandacht voor de gereserveerde (planologische) ruimte voor bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van incidenten door hulpdiensten;

38

Advies over: o Wijze van betrokkenheid bij proces; o Ruimtelijk relevante maatregelen, ofwel reserveren van planologische ruimte voor maatregelen ter optimalisatie van de veiligheid en gezondheid (o.a. bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en o (zelf)redzaamheid) op de verbeelding en in de regels; o Niet-ruimtelijke relevante maatregelen, ofwel bouwkundige, inrichting/installatie technische en o organisatorische maatregelen die in de beheerfase van het ruimtelijke plan een relevante bijdrage kunnen leveren aan een veilige en gezonde leefomgeving. Deze zijn als actiepunt weg te zetten bij o verantwoordelijke betrokkenen. Het streven is om het advies aan te laten sluiten op het doel van het ruimtelijke besluit (afhankelijk van de planvorm, fasering, flexibiliteit, concreetheid). Variërend van borging aanvullende advies in proces, procedure tot concrete maatregelen. •

39

Bijlage IV. Advisering en toezicht evenementen De gemeente heeft de regie bij evenementen en is als vergunningverlener de eerste partij die toeziet op de naleving van de voorwaarden. De gemeentelijke handhavers, of andere daartoe bevoegde ambtenaren, zijn direct belast met het toezicht op het naleven van de vergunningsvoorwaarden. Op specifieke onderdelen, hebben echter ook de hulpverleningsdiensten een taak. Voor het uitvoeren van het toezicht van brandveiligheidsvoorschriften heeft VGGM een maatlat geschreven. Hierin zijn de werkwijze en de criteria aangegeven bij welk soort evenement de VGGM toezicht noodzakelijk acht. Werkwijze bij verleende vergunningen: 1. Indien een evenementenvergunning is verleend zal de gemeente een afschrift sturen naar evenementen@vggm.nl. De verleende vergunning komt automatisch in het mapje van de betreffende gemeente. 2. De coördinator houdt de ingekomen mails bij en bekijkt aan de hand van deze maatlat: - Of het afschrift ook naar de collega van Incidentbestrijding (IB) doorgestuurd moet worden. Indien tijdens het adviestraject de medewerker IB om advies is gevraagd* of alleen is geïnformeerd* over betreffende aanvraag, dan zal de verleende vergunning ook doorgestuurd moeten worden naar IB. Dus van de aanvragen die niet bij IB zijn voorgelegd hoeven de verleende vergunningen ook niet doorgestuurd te worden.

- Of er toezicht op het evenement gehouden moet worden aan de hand van onderstaande criteria.

40

Toezicht Evenementen Classificatie van evenementen

Gemeld evenement (0)

Regulier evenement (A)

Aandacht evenement (B)

Risicovol evenement (C)

‘Evenement’ waarbij geen risico’s te verwachten zijn voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en die geen maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegd gezag. De organisator kan volstaan met een melding van het evenement.

Meldingsplichtig

‘Evenement’ waarbij het (zeer) onwaarschijnlijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegd gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.

Vergunning (in sommige gemeenten ook ‘meldingsplichtig’)

‘Evenement’ waarbij het mogelijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegd gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.

Vergunning

‘Evenement’ waarbij het (zeer) waarschijnlijk is dat die gebeurtenis leidt tot risico’s voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu en maatregelen of voorzieningen vergen van het daartoe bevoegd gezag om die dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.

Vergunning

A- en B-evenementen:

Voor A-evenementen zie ook bijlage VI Uitgangspunt: Geen toezicht indien er geen bijzonderheden zijn. Bij bijzonderheden, zullen deze wel worden gecontroleerd. Hiervan is er sprake indien: -

-

De gemeente om toezicht gevraagd heeft (dus op verzoek) Er (als onderdeel van het evenement) een gebruiksvergunningsplichtig of meldingsplichtig object staat. Dan zal dit object gecontroleerd worden. Een bouwwerk/inrichting in afwijking van de reeds afgegeven gebruiksvergunning/-melding wordt gebruikt (denk hierbij aan slapen in het gebouw of meerdere personen in het gebouw als dat de vergunning/melding toelaat). Er bijzonderheden zijn met betrekking tot bereikbaarheid hulpdiensten en/of bluswatervoorziening**. Alleen indien er wordt afgeweken van de standaard voorwaarden conform de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid”. (Zie Maatlat Advisering van 24 april 2014 voor de criteria) 41

C-evenementen: Altijd toezicht. De volgende aspecten zullen worden gecontroleerd: -

-

De brandveiligheidsvoorwaarden uit de afgegeven evenementenvergunning. Indien er (als onderdeel van het evenement) een gebruiksvergunningsplichtig of meldingsplichtig object staat. Dan zal dit object gecontroleerd worden. Een bouwwerk/inrichting in afwijking van de reeds afgegeven gebruiksvergunning/-melding wordt gebruikt (denk hierbij aan slapen in het gebouw of meerdere personen in het gebouw als dat de vergunning/melding toelaat). Bijzonderheden zijn met betrekking tot bereikbaarheid hulpdiensten en/of bluswatervoorziening**. Alleen indien er wordt afgeweken van de standaard voorwaarden conform de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid”. ( Zie Maatlat Advisering van 24 april 2014 voor criteria);

* Conform vastgestelde Maatlat Advisering A-evenementen, 24 april 2014. ** Toezicht op bereikbaarheid en bluswatervoorziening wordt door medewerker IB gedaan.

42

Bijlage V. Standaard adviezen A-evenementen Adviesrichtlijn Braderie/Markt 1. ALGEMENE VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

-

Alle aanwijzingen en opdrachten gegeven door of namens het bevoegd gezag in het belang van de openbare orde en (brand)veiligheid, moeten direct worden opgevolgd. Op het evenemententerrein dient een contactpersoon van de organisatie aanwezig te zijn. Een afschrift van de verleende vergunning moet in de inrichting/op de evenementenlocatie aanwezig zijn en op verzoek getoond worden. De hulpverleningsdiensten1 houden zich het recht voor om in aanloop naar het evenementen in het belang van de openbare orde en (brand)veiligheid nadere aanvullende voorwaarden te stellen.

2. OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID

-

-

-

Indien zich tijdens het evenement feiten of omstandigheden voordoen op grond waarvan de politie, in belang van de openbare orde en veiligheid, het voortduren van het evenement niet verantwoord acht, moeten de activiteiten onmiddellijk worden gestaakt. Bij inzet van beveiliging: a. Dienen de beveiligers in dienst te zijn van een beveiligingsbedrijf dat erkend is zoals bedoeld in de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus. b. Het personeel dient in het bezit te zijn van een toestemming van de Korpschef van de Politie. c. De werkzaamheden dienen uiterlijk drie dagen voor aanvang van het evenement te worden aangemeld bij de afdeling Bijzondere Wetten. Indien gebruik wordt gemaakt van verkeersregelaars dienen deze in bezit te zijn van een geldige ‘aanstellingspas verkeersregelaar’.

3. ONTHEFFING ARTIKEL 35 DRANK EN HORECAWET

-

-

Zodra door de gemeente een ontheffing ex artikel 35 van de Drank- en Horecawet voor het verstrekken van zwak-alcoholische dranken is verleend, dan gelden de volgende voorwaarden: Aan personen onder de leeftijd van 18 jaar mag geen alcohol worden verstrekt. Dit dient nabij de plaats waar de zwak-alcoholhoudende dranken worden verstrekt op duidelijk leesbare en zichtbare wijze aan het publiek kenbaar worden gemaakt. Aan personen die kennelijk onder invloed verkeren of die door hun gedrag aanstoot geven, mag geen drank worden verstrekt. Het is niet toegestaan drank met een alcoholpercentage boven de 15% (met uitzondering van wijn) in voorraad te houden op een voor het publiek toegankelijke plaats. Op het terrein moet voor het publiek steeds alcoholvrije drank verkrijgbaar zijn. Een afschrift van de verleende ontheffing, inclusief de gestelde voorwaarden/beperkingen, moet in de inrichting/op het evenemententerrein tijdens de verkoop of verstrekking van alcoholhoudende dranken aanwezig zijn.

4. GENEESKUNDIGE HULPVERLENING

-

Bij evenementen met bezoekers tussen de 100 en 1000 gelijktijdige bezoekers, zijn altijd 2 EHBO’ers aanwezig. Bij voorkeur is er altijd een AED apparaat en een gecertificeerde AED hulpverlener aanwezig 2 Eerste hulpverleners dienen in het bezit te zijn van geldig eerstehulpdiploma, inclusief aantekening AED indien van toepassing. Zij dienen dit te kunnen aantonen tijdens het evenement.

1 Onder hulpverleningsdiensten wordt verstaan; Politie, Brandweer en GHOR 2

Er mag ook gebruik worden gemaakt van een AED op een publieke plaats (zoals bij gemeentehuis, sportcentra, etc.) 43

-

Eerstehulpverleners dienen duidelijk herkenbaar te zijn op het evenemententerrein Over het gehele evenemententerrein dient de EHBO aangeduid te staan met herkenbare symbologie

5. VRIJHOUDEN VAN TERREINGEDEELTEN EN BEREIKBAARHEID

-

Brandkranen moeten worden vrijgehouden.

-

Alle objecten op het terrein dienen onbelemmerd bereikt te kunnen worden. Er dient een doorgang van 3.50 meter breed en 4.20 meter hoog te worden vrijgehouden in verband met de doorgang voor hulpverleningsvoertuigen. Buitenbochtstralen dienen ten minste 10 m te zijn en binnenbochtstralen ten minste 5,5 m. Dit in verband met de draaicurves van de hulpverleningsvoertuigen. Bij een afsluiting van het terrein dient de (brandweer)ingang te zijn aangegeven en het toegangshek snel te openen zijn. Bij wegafsluitingen dient iemand aanwezig te zijn, om de hulpdiensten doorgang te kunnen verlenen.

-

6. (MARKT)KRAMEN

-

Bij de opbouw, aankleding en versiering van kramen, podia e.d. mag geen gebruik worden gemaakt van gemakkelijk ontvlambare materialen. Kramen zijn zo opgesteld dat ze geen gevaar opleveren voor de omgeving. Bij een lintopstelling van de kramen dient er een vrije doorgang te zijn van ten minste 3,5 m breed tussen de luifels gemeten. In de vrije doorgang tussen kramen mogen geen obstakels worden geplaatst. Een kraam dient op maximaal 40 meter door een brandweervoertuig benaderd te kunnen worden. (Tui-)draden, elektriciteitskabels e.d. welke over de weg zijn gespannen dienen minimaal 4,20 meter boven het straatniveau te worden aangebracht.

7. KLEINE BLUSMIDDELEN

-

Bij koken, bakken en/of braden dient een brandblusapparaat met ten minste 6 kg blusmiddel aanwezig te zijn. In een besloten ruimte moeten voldoende kleine blusmiddelen aanwezig zijn. Uitgangspunt hierbij is per 200 m² oppervlakte één handbrandblusser met een inhoud van 6 kg blusmiddel.

-

Een klein blusmiddel moet:

-

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

voor iedereen duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn voor direct gebruik gereed zijn van een geldig Rijkskeurmerk met rangnummer zijn voorzien verzegeld zijn ten minste eenmaal per twee jaar te worden gecontroleerd en onderhouden. van een label of sticker met de laatste controledatum zijn voorzien. onmiddellijk gevuld of vervangen worden na gebruik. Dit geldt ook indien het toestel niet geheel leeg is.

8. ELEKTRISCHE INSTALLATIES

-

Elektrische installaties leveren geen gevaar voor het ontstaan van brand op.

-

Alle voorzieningen t.b.v. de elektra dienen tenminste te voldoen aan normblad NEN 1010

-

(Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties). Het gebruik van andere verlichting dan elektrische verlichting binnen een besloten ruimte is niet toegestaan. Verlengsnoeren dienen geheel afgerold te worden. Een (nood-) stroomaggregaat is op minimaal 5 meter buiten de tent/bouwwerk opgesteld.

44

9. GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN BIJ HET BEREIDEN VAN VOEDSEL GASINSTALLATIES

• •

• • • • • • •

•

Tussen gasfles en verbruikstoestel moet de verbinding bestaan uit een metalen leiding of uit een goedgekeurde GIVEG-slang van maximaal 1 meter lengte. Slangen van een gasfles naar een toestel: o verkeren in goede staat van onderhoud o zijn niet uitgedroogd o vertonen geen andere beschadigingen o zijn niet ouder dan de productspecificatie aangeeft met een maximum van 10 jaar. Een gasfles moet zijn voorzien van een erkend geldig keurmerk. De gasdrukregelaar van een gasfles moet een goedgekeurd type zijn en niet ouder dan 5 jaar. Gasflessen en afsluiters mogen uitsluitend door deskundig personeel worden gerepareerd of veranderd. Gasflessen en gastanks mogen slechts tot 80% worden gevuld. Een lege gasfles moet altijd met gesloten afsluiter worden bewaard. Afsluiters moeten tegen omvallen zijn beschermd. Indien de bescherming bestaat uit een afneembare kop, moet deze bij niet aangesloten flessen zijn afgeschroefd. De ruimte waarin de gasfles(sen) staan: o moet op de buitenlucht zijn geventileerd door tenminste twee ventilatieopeningen nabij, of in de vloer o moet gasdicht zijn gescheiden van de gebruiksruimte o is alleen van buitenaf bereikbaar Gasflessen of de gasflessenopslag mogen in een omtrek van 3 meter niet worden geplaatst nabij rioolputten.

BAKKRAMEN

• • • • •

Een frituurtoestel is thermisch beveiligd zodat de temperatuur niet boven 200°C kan oplopen. Binnen handbereik van het baktoestel is voor iedere bak een passend deksel of een blusdeken aanwezig waarmee de bakken ingeval van brand worden afgedekt. Het blad onder de bak- en braadtoestellen moet tenminste tot 10 centimeter buiten de toestellen onbrandbaar zijn. De wanden, in de buurt van de bak- en braadtoestellen moeten tot 30 centimeter buiten de toestellen onbrandbaar zijn. Voor de opstelling van bakkramen ten opzichte van de omliggende gebouwen geldt het volgende: o Kook- en bakactiviteiten zijn voor geheel blinde gevels toegestaan. o

Kook- en bakactiviteiten zijn voor gevels met ramen slechts toegestaan bij een minimale afstand van 2 meter uit de gevel - Een bakkraam in de omgeving van brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. 10. HEATERS/TERRASVERWARMERS

-

Het gebruik (of de opstelling) van heaters/terrasverwarmers mag geen gevaar opleveren. Heaters/terrasverwarmers dienen volgens de voorschriften van de fabrikant te worden opgesteld, bevestigd en gebruikt. De vloer rondom de heaters/terrasverwarmer moet tot ten minste 2 meter worden vrijgehouden. Op vloeibare brandstof gestookte heaters/terrasverwarmer zijn op minimaal 5 meter buiten de tent/bouwwerk opgesteld.

45

11. AFVAL

-

Afval moet (dagelijks) worden verzameld in veilig opgestelde en goed af te sluiten containers. Asbakken moeten regelmatig worden geleegd in afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. Asverzamelaars mogen alleen in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn voorzien, worden geleegd. De asbakken en/of papierbakken moeten van onbrandbaar materiaal zijn.

12. TOILETVOORZIENINGEN3

-

-

Zorg voor voldoende toiletten met toiletpapier. Bepaal het aantal benodigde toiletten aan de hand van factoren als aantal bezoekers, samenstelling publiek, gemiddelde verblijfstijd, soort evenement, type toiletten, verwachte piekdrukte, consumptieve gedrag. U mag 75 % van de herentoiletten vervangen door urinoirs of plaszuilen. Eén plaskruis of plaszuil geldt als 4 urinoirs. Ook kunnen plasgoten worden gebruikt. 50 cm plasgoot geldt als één urinoir. Zorg voor één of meerdere gehandicapten toiletten inclusief faciliteiten. Plaats direct naast de toiletten een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en wekwerphanddoekjes. Plaats een afvalbak in of direct naast de toiletruimten. Zorg voor voldoende verlichting in de toiletruimten. Voer het afvalwater van toiletten, douches, wasbakken en andere huishoudelijke activiteiten af via bestaande riolering of vang dit op in speciaal daarvoor bestemde opslagtanks (die door een gespecialiseerd bedrijf leeggemaakt moeten worden). Het is verboden om zonder vergunning afvalwater te lozen. Maak de toiletten en wastafels schoon volgens een schoonmaakplan.

13. EXTREEM WEER OF DREIGING

In geval van extreem weer of de dreiging daarvan neemt de vergunningverlener (gemeente) contact op met de organisator over de te nemen maatregelen/afgelasting van evenement.

3 De Vereniging van EvenementenMakers (VVEM) zal, in samenspraak met evenementenorganisatoren en de sanitair leveranciers, een

leidraad gaan opstellen voor de verschillende soorten evenementen (en bezoekersaantallen) met het minimum aantal voorzieningen, op basis van hun ervaringen (best practises). Op het moment van publicatie van deze richtlijn, was deze leidraad nog niet beschikbaar. 46

Adviesrichtlijn Kermis 1. ALGEMENE VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

-

Alle aanwijzingen en opdrachten gegeven door of namens het bevoegd gezag in het belang van de openbare orde en (brand)veiligheid, moeten direct worden opgevolgd. Op het evenemententerrein dient een contactpersoon van de organisatie aanwezig te zijn. Een afschrift van de verleende vergunning moet in de inrichting/op de evenementenlocatie aanwezig zijn en op verzoek getoond worden. De hulpverleningsdiensten4 houden zich het recht voor om in aanloop naar het evenementen in het belang van de openbare orde en (brand)veiligheid nadere aanvullende voorwaarden te stellen.

2. OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID

-

-

-

Indien zich tijdens het evenement feiten of omstandigheden voordoen op grond waarvan de politie, in belang van de openbare orde en veiligheid, het voortduren van het evenement niet verantwoord acht, moeten de activiteiten onmiddellijk worden gestaakt. Bij inzet van beveiliging: a. Dienen de beveiligers in dienst te zijn van een beveiligingsbedrijf dat erkend is zoals bedoeld in de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus. b. Het personeel dient in het bezit te zijn van een toestemming van de Korpschef van de Politie. c. De werkzaamheden dienen uiterlijk drie dagen voor aanvang van het evenement te worden aangemeld bij de afdeling Bijzondere Wetten. Indien gebruik wordt gemaakt van verkeersregelaars dienen deze in bezit te zijn van een geldige ‘aanstellingspas verkeersregelaar’.

3. ONTHEFFING ARTIKEL 35 DRANK EN HORECAWET

-

-

Zodra door de gemeente een ontheffing ex artikel 35 van de Drank- en Horecawet voor het verstrekken van zwak-alcoholische dranken is verleend, dan gelden de volgende voorwaarden: Aan personen onder de leeftijd van 18 jaar mag geen alcohol worden verstrekt. Dit dient nabij de plaats waar de zwak-alcoholhoudende dranken worden verstrekt op duidelijk leesbare en zichtbare wijze aan het publiek kenbaar worden gemaakt. Aan personen die kennelijk onder invloed verkeren of die door hun gedrag aanstoot geven, mag geen drank worden verstrekt. Het is niet toegestaan drank met een alcoholpercentage boven de 15% (met uitzondering van wijn) in voorraad te houden op een voor het publiek toegankelijke plaats. Op het terrein moet voor het publiek steeds alcoholvrije drank verkrijgbaar zijn. Een afschrift van de verleende ontheffing, inclusief de gestelde voorwaarden/beperkingen, moet in de inrichting/op het evenemententerrein tijdens de verkoop of verstrekking van alcoholhoudende dranken aanwezig zijn.

4. GENEESKUNDIGE HULPVERLENING

-

-

Bij evenementen met bezoekers tussen de 100 en 1000 gelijktijdige bezoekers, zijn altijd 2 EHBO’ers aanwezig. Bij voorkeur is er altijd een AED apparaat en een gecertificeerde AED hulpverlener aanwezig 5 Eerste hulpverleners dienen in het bezit te zijn van geldig eerstehulpdiploma, inclusief aantekening AED indien van toepassing. Zij dienen dit te kunnen aantonen tijdens het evenement. Eerstehulpverleners dienen duidelijk herkenbaar te zijn op het evenemententerrein Over het gehele evenemententerrein dient de EHBO aangeduid te staan met herkenbare symbologie

4 Onder hulpverleningsdiensten wordt verstaan; Politie, Brandweer en GHOR 5

Er mag ook gebruik worden gemaakt van een AED op een publieke plaats (zoals bij gemeentehuis, sportcentra, etc.) 47

5. VRIJHOUDEN VAN TERREINGEDEELTEN EN BEREIKBAARHEID

-

Brandkranen moeten worden vrijgehouden.

-

Alle objecten op het terrein dienen onbelemmerd bereikt te kunnen worden. Er dient een doorgang van 3.50 meter breed en 4.20 meter hoog te worden vrijgehouden in verband met de doorgang voor hulpverleningsvoertuigen. Buitenbochtstralen dienen ten minste 10 m te zijn en binnenbochtstralen ten minste 5,5 m. Dit in verband met de draaicurves van de hulpverleningsvoertuigen. Bij een afsluiting van het terrein dient de (brandweer)ingang te zijn aangegeven en het toegangshek snel te openen zijn. Bij wegafsluitingen dient iemand aanwezig te zijn, om de hulpdiensten doorgang te kunnen verlenen.

-

6. KLEINE BLUSMIDDELEN

-

Bij koken, bakken en/of braden dient een brandblusapparaat met ten minste 6 kg blusmiddel aanwezig te zijn. In een besloten ruimte moeten voldoende kleine blusmiddelen aanwezig zijn. Uitgangspunt hierbij is per 200 m² oppervlakte één handbrandblusser met een inhoud van 6 kg blusmiddel.

-

Een klein blusmiddel moet:

-

▪ voor iedereen duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn ▪ voor direct gebruik gereed zijn ▪ van een geldig Rijkskeurmerk met rangnummer zijn voorzien ▪ verzegeld zijn ▪ ten minste eenmaal per twee jaar te worden gecontroleerd en onderhouden. ▪ van een label of sticker met de laatste controledatum zijn voorzien. ▪ onmiddellijk gevuld of vervangen worden na gebruik. Dit geldt ook indien het toestel niet geheel leeg is. 7. UITGANGEN EN VLUCHTROUTES

-

De (nood)uitgangen en/of vluchtroutes van aangrenzende gebouwen mogen niet worden geblokkeerd. Indien er op het terrein een tent wordt geplaatst zijn richtlijnen voor tenten van toepassing (zie richtlijnen tenten). De uitgangen van de tenten dienen onmiddellijk te openen zijn zonder gebruik te maken van losse voorwerpen. Kabels dienen beschermd te zijn tegen struikelen of beschadigen.

8. ELEKTRISCHE INSTALLATIES

-

Elektrische installaties leveren geen gevaar voor het ontstaan van brand op.

-

Alle voorzieningen t.b.v. de elektra dienen tenminste te voldoen aan normblad NEN 1010

-

(Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties). Het gebruik van andere verlichting dan elektrische verlichting binnen een besloten ruimte is niet toegestaan. Verlengsnoeren dienen geheel afgerold te worden. Een (nood-) stroomaggregaat is op minimaal 5 meter buiten de tent/bouwwerk opgesteld.

9. GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN BIJ HET BEREIDEN VAN VOEDSEL GASINSTALLATIES

• •

Tussen gasfles en verbruikstoestel moet de verbinding bestaan uit een metalen leiding of uit een goedgekeurde GIVEG-slang van maximaal 1 meter lengte. Slangen van een gasfles naar een toestel: o verkeren in goede staat van onderhoud o zijn niet uitgedroogd 48

vertonen geen andere beschadigingen zijn niet ouder dan de productspecificatie aangeeft met een maximum van 10 jaar. Een gasfles moet zijn voorzien van een erkend geldig keurmerk. De gasdrukregelaar van een gasfles moet een goedgekeurd type zijn en niet ouder dan 5 jaar. Gasflessen en afsluiters mogen uitsluitend door deskundig personeel worden gerepareerd of veranderd. Gasflessen en gastanks mogen slechts tot 80% worden gevuld. Een lege gasfles moet altijd met gesloten afsluiter worden bewaard. Afsluiters moeten tegen omvallen zijn beschermd. Indien de bescherming bestaat uit een afneembare kop, moet deze bij niet aangesloten flessen zijn afgeschroefd. De ruimte waarin de gasfles(sen) staan: o moet op de buitenlucht zijn geventileerd door tenminste twee ventilatieopeningen nabij, of in de vloer o moet gasdicht zijn gescheiden van de gebruiksruimte o is alleen van buitenaf bereikbaar Gasflessen of de gasflessenopslag mogen in een omtrek van 3 meter niet worden geplaatst nabij rioolputten. o o

• • • • • • •

•

BAKKRAMEN

• • • • •

Een frituurtoestel is thermisch beveiligd zodat de temperatuur niet boven 200°C kan oplopen. Binnen handbereik van het baktoestel is voor iedere bak een passend deksel of een blusdeken aanwezig waarmee de bakken ingeval van brand worden afgedekt. Het blad onder de bak- en braadtoestellen moet tenminste tot 10 centimeter buiten de toestellen onbrandbaar zijn. De wanden, in de buurt van de bak- en braadtoestellen moeten tot 30 centimeter buiten de toestellen onbrandbaar zijn. Voor de opstelling van bakkramen ten opzichte van de omliggende gebouwen geldt het volgende: o Kook- en bakactiviteiten zijn voor geheel blinde gevels toegestaan. o Kook- en bakactiviteiten zijn voor gevels met ramen slechts toegestaan bij een minimale afstand van 2 meter uit de gevel o Een bakkraam in de omgeving van brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan.

10. ROKEN EN OPEN VUUR

-

Kaarsen, toortsen en dergelijke moeten op stabiele, niet gemakkelijk brandbare, standaards zijn vastgezet. Het is niet toegestaan te roken of open vuur te hebben: • in een ruimte die is bestemd voor de opslag van een brandgevaarlijke stof; • bij handelingen die het uitstromen van een brandgevaarlijke stof kan veroorzaken; •

bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandgevaarlijke stof.

11. AFVAL

-

Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde en goed af te sluiten containers. Asbakken moeten regelmatig worden geleegd in afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. Asverzamelaars mogen alleen in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn voorzien, worden geleegd. De asbakken en/of papierbakken moeten van onbrandbaar materiaal zijn.

49

12. TOILETVOORZIENINGEN6

Zorg voor voldoende toiletten met toiletpapier. Bepaal het aantal benodigde toiletten aan de hand van factoren als aantal bezoekers, samenstelling publiek, gemiddelde verblijfstijd, soort evenement, type toiletten, verwachte piekdrukte, consumptieve gedrag. U mag 75 % van de herentoiletten vervangen door urinoirs of plaszuilen. Eén plaskruis of plaszuil geldt als 4 urinoirs. Ook kunnen plasgoten worden gebruikt. 50 cm plasgoot geldt als één urinoir. -

-

Zorg voor één of meerdere gehandicapten toiletten inclusief faciliteiten. Plaats direct naast de toiletten een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en wekwerphanddoekjes. Plaats een afvalbak in of direct naast de toiletruimten. Zorg voor voldoende verlichting in de toiletruimten. Voer het afvalwater van toiletten, douches, wasbakken en andere huishoudelijke activiteiten af via bestaande riolering of vang dit op in speciaal daarvoor bestemde opslagtanks (die door een gespecialiseerd bedrijf leeggemaakt moeten worden). Het is verboden om zonder vergunning afvalwater te lozen. Maak de toiletten en wastafels schoon volgens een schoonmaakplan.

13. EXTREEM WEER OF DREIGING

In geval van extreem weer of de dreiging daarvan neemt de vergunningverlener (gemeente) contact op met de organisator over de te nemen maatregelen/afgelasting van evenement.

6 De Vereniging van EvenementenMakers (VVEM) zal, in samenspraak met evenementenorganisatoren en de sanitair leveranciers, een

leidraad gaan opstellen voor de verschillende soorten evenementen (en bezoekersaantallen) met het minimum aantal voorzieningen, op basis van hun ervaringen (best practises). Op het moment van publicatie van deze richtlijn, was deze leidraad nog niet beschikbaar. 50

Adviesrichtlijn Straatfeest en/of Barbecue 1. ALGEMENE VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

-

Alle aanwijzingen en opdrachten gegeven door of namens het bevoegd gezag in het belang van de openbare orde en (brand)veiligheid, moeten direct worden opgevolgd. Op het evenemententerrein dient een contactpersoon van de organisatie aanwezig te zijn. Een afschrift van de verleende vergunning moet in de inrichting/op de evenementenlocatie aanwezig zijn en op verzoek getoond worden. De hulpverleningsdiensten7 houden zich het recht voor om in aanloop naar het evenementen in het belang van de openbare orde en (brand)veiligheid nadere aanvullende voorwaarden te stellen.

2. OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID

-

-

-

Indien zich tijdens het evenement feiten of omstandigheden voordoen op grond waarvan de politie, in belang van de openbare orde en veiligheid, het voortduren van het evenement niet verantwoord acht, moeten de activiteiten onmiddellijk worden gestaakt. Bij inzet van beveiliging: a. Dienen de beveiligers in dienst te zijn van een beveiligingsbedrijf dat erkend is zoals bedoeld in de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus. b. Het personeel dient in het bezit te zijn van een toestemming van de Korpschef van de Politie. c. De werkzaamheden dienen uiterlijk drie dagen voor aanvang van het evenement te worden aangemeld bij de afdeling Bijzondere Wetten. Indien gebruik wordt gemaakt van verkeersregelaars dienen deze in bezit te zijn van een geldige ‘aanstellingspas verkeersregelaar’.

3. ONTHEFFING ARTIKEL 35 DRANK EN HORECAWET

-

-

Zodra door de gemeente een ontheffing ex artikel 35 van de Drank- en Horecawet voor het verstrekken van zwak-alcoholische dranken is verleend, dan gelden de volgende voorwaarden: Aan personen onder de leeftijd van 18 jaar mag geen alcohol worden verstrekt. Dit dient nabij de plaats waar de zwak-alcoholhoudende dranken worden verstrekt op duidelijk leesbare en zichtbare wijze aan het publiek kenbaar worden gemaakt. Aan personen die kennelijk onder invloed verkeren of die door hun gedrag aanstoot geven, mag geen drank worden verstrekt. Het is niet toegestaan drank met een alcoholpercentage boven de 15% (met uitzondering van wijn) in voorraad te houden op een voor het publiek toegankelijke plaats. Op het terrein moet voor het publiek steeds alcoholvrije drank verkrijgbaar zijn. Een afschrift van de verleende ontheffing, inclusief de gestelde voorwaarden/beperkingen, moet in de inrichting/op het evenemententerrein tijdens de verkoop of verstrekking van alcoholhoudende dranken aanwezig zijn.

4. GENEESKUNDIGE HULPVERLENING

-

-

-

Bij evenementen met bezoekers tussen de 100 en 1000 gelijktijdige bezoekers, zijn altijd 2 EHBO’ers aanwezig. Bij voorkeur is er altijd een AED apparaat en een gecertificeerde AED hulpverlener aanwezig 8 Eerste hulpverleners dienen in het bezit te zijn van geldig eerstehulpdiploma, inclusief aantekening AED indien van toepassing. Zij dienen dit te kunnen aantonen tijdens het evenement. Eerstehulpverleners dienen duidelijk herkenbaar te zijn op het evenemententerrein Over het gehele evenemententerrein dient de EHBO aangeduid te staan met herkenbare symbologie

7 Onder hulpverleningsdiensten wordt verstaan; Politie, Brandweer en GHOR 8

Er mag ook gebruik worden gemaakt van een AED op een publieke plaats (zoals bij gemeentehuis, sportcentra, etc.) 51

5. VRIJHOUDEN VAN TERREINGEDEELTEN EN BEREIKBAARHEID

-

De (nood)uitgangen en/of vluchtroutes van aangrenzende gebouwen mogen niet worden geblokkeerd. Indien er op het terrein een tent wordt geplaatst zijn richtlijnen voor tenten van toepassing (zie richtlijnen tenten).

-

Brandkranen moeten worden vrijgehouden.

-

Alle objecten op het terrein dienen onbelemmerd bereikt te kunnen worden. Er dient een doorgang van 3.50 meter breed en 4.20 meter hoog te worden vrijgehouden in verband met de doorgang voor hulpverleningsvoertuigen. Buitenbochtstralen dienen ten minste 10 m te zijn en binnenbochtstralen ten minste 5,5 m. Dit in verband met de draaicurves van de hulpverleningsvoertuigen. Bij een afsluiting van het terrein dient de (brandweer)ingang te zijn aangegeven en het toegangshek snel te openen zijn. Bij wegafsluitingen dient iemand aanwezig te zijn, om de hulpdiensten doorgang te kunnen verlenen.

-

6. KLEINE BLUSMIDDELEN

-

-

Bij koken, bakken en/of braden dient een brandblusapparaat met ten minste 6 kg blusmiddel aanwezig te zijn. In een besloten ruimte moeten voldoende kleine blusmiddelen aanwezig zijn. Uitgangspunt hierbij is per 200 m² oppervlakte één handbrandblusser met een inhoud van 6 kg blusmiddel. Een klein blusmiddel moet: • voor iedereen duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn • voor direct gebruik gereed zijn • van een geldig Rijkskeurmerk met rangnummer zijn voorzien • verzegeld zijn • ten minste eenmaal per twee jaar te worden gecontroleerd en onderhouden. • van een label of sticker met de laatste controledatum zijn voorzien. • onmiddellijk gevuld of vervangen worden na gebruik. Dit geldt ook indien het toestel niet geheel leeg is.

7. ELEKTRISCHE INSTALLATIES

-

Elektrische installaties leveren geen gevaar voor het ontstaan van brand op.

-

Alle voorzieningen t.b.v. de elektra dienen tenminste te voldoen aan normblad NEN 1010

-

(Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties). Het gebruik van andere verlichting dan elektrische verlichting binnen een besloten ruimte is niet toegestaan. Verlengsnoeren dienen geheel afgerold te worden. Een (nood-) stroomaggregaat is op minimaal 5 meter buiten de tent/bouwwerk opgesteld.

8. GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN BIJ HET BEREIDEN VAN VOEDSEL GASINSTALLATIES

-

-

Tussen gasfles en verbruikstoestel moet de verbinding bestaan uit een metalen leiding of uit een goedgekeurde GIVEG-slang van maximaal 1 meter lengte. Slangen van een gasfles naar een toestel: o verkeren in goede staat van onderhoud o zijn niet uitgedroogd o vertonen geen andere beschadigingen o zijn niet ouder dan de productspecificatie aangeeft met een maximum van 10 jaar. Een gasfles moet zijn voorzien van een erkend geldig keurmerk.

52

-

-

De gasdrukregelaar van een gasfles moet een goedgekeurd type zijn en niet ouder dan 5 jaar. Gasflessen en afsluiters mogen uitsluitend door deskundig personeel worden gerepareerd of veranderd. Gasflessen en gastanks mogen slechts tot 80% worden gevuld. Een lege gasfles moet altijd met gesloten afsluiter worden bewaard. Afsluiters moeten tegen omvallen zijn beschermd. Indien de bescherming bestaat uit een afneembare kop, moet deze bij niet aangesloten flessen zijn afgeschroefd. De ruimte waarin de gasfles(sen) staan: o moet op de buitenlucht zijn geventileerd door tenminste twee ventilatieopeningen nabij, of in de vloer o moet gasdicht zijn gescheiden van de gebruiksruimte o is alleen van buitenaf bereikbaar Gasflessen of de gasflessenopslag mogen in een omtrek van 3 meter niet worden geplaatst nabij rioolputten. BAKKRAMEN

-

-

Een frituurtoestel is thermisch beveiligd zodat de temperatuur niet boven 200°C kan oplopen. Binnen handbereik van het baktoestel is voor iedere bak een passend deksel of een blusdeken aanwezig waarmee de bakken ingeval van brand worden afgedekt. Het blad onder de bak- en braadtoestellen moet tenminste tot 10 centimeter buiten de toestellen onbrandbaar zijn. De wanden, in de buurt van de bak- en braadtoestellen moeten tot 30 centimeter buiten de toestellen onbrandbaar zijn. Voor de opstelling van bakkramen ten opzichte van de omliggende gebouwen geldt het volgende: o Kook- en bakactiviteiten zijn voor geheel blinde gevels toegestaan. o Kook- en bakactiviteiten zijn voor gevels met ramen slechts toegestaan bij een minimale afstand van 2 meter uit de gevel Een bakkraam in de omgeving van brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan.

9. HEATERS/TERRASVERWARMERS

-

Het gebruik (of de opstelling) van heaters/terrasverwarmers mogen geen gevaar opleveren. Heaters/terrasverwarmers dienen volgens de voorschriften van de fabrikant te worden opgesteld, bevestigd en gebruikt. De vloer rondom de heaters/terrasverwarmer moet tot ten minste 2 meter worden vrijgehouden. Op vloeibare brandstof gestookte heaters/terrasverwarmer zijn op minimaal 5 meter buiten de tent/bouwwerk opgesteld.

10. VUURKORF (OF VUURTON)

- Bij branden in een vuurkorf: • Is er toezicht van een meerderjarig persoon. • Levert de opstelling van de vuurkorf geen gevaar voor de omgeving op • Is onder de vuurkorf een niet brandbare onderlaag aanwezig. Deze onderlaag is minimaal 2x de oppervlakte van de vuurkorf • Moet een vuurkorf zo zijn opgesteld/uitgevoerd dat deze niet eenvoudig kan omvallen of kan worden omgestoten • Bedraagt de maximale hoeveelheid brandstof (alleen schoon hout) niet meer dan ¼ m3 • wordt de vuurkorf niet verlaten voordat het vuur gedoofd is; • staan in de buurt van de vuurkorf voldoende blusmiddelen voor onmiddellijk gebruik gereed. Denk hierbij aan een poeder- of schuimblusser met een inhoud van tenminste 6 kilogram/liter of een emmer gevuld met water of zand. 11. BARBECUE

-

Bij barbecueën: 53

• • • • • •

Is er toezicht van een meerderjarig persoon. Staat de barbecue op een open plaats die boven en rondom tenminste 2 meter vrij is Moet een barbecue zo zijn opgesteld/uitgevoerd dat deze niet eenvoudig kan omvallen of kan worden omgestoten Wordt de brandstof (alleen briketten of houtskool) alléén ontstoken met aanmaakblokjes, aanmaakvloeistof en/of aanmaakgel; Wordt de barbecue niet verlaten voordat het vuur gedoofd is; staan in de buurt van de barbecue voldoende blusmiddelen voor onmiddellijk gebruik gereed. Denk hierbij aan een poeder- of schuimblusser met een inhoud van tenminste 6 kilogram/liter of een emmer gevuld met water of zand

12. EXTREME DROOGTE

-

Bij extreme droogte mag niet worden gebrand (vuurkorf, vuurton, barbecue) met vaste brandstof (hout, houtskool, briketten e.d.) in brandgevaarlijke natuurgebieden. Actuele informatie: www.natuurbrandgevaar.nl.

13. AFVAL

-

Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde en goed af te sluiten containers. Asbakken moeten regelmatig worden geleegd in afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. Asverzamelaars mogen alleen in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn voorzien, worden geleegd. De asbakken en/of papierbakken moeten van onbrandbaar materiaal zijn.

14. TOILETVOORZIENINGEN9

Zorg voor voldoende toiletten met toiletpapier. Bepaal het aantal benodigde toiletten aan de hand van factoren als aantal bezoekers, samenstelling publiek, gemiddelde verblijfstijd, soort evenement, type toiletten, verwachte piekdrukte, consumptieve gedrag. U mag 75 % van de herentoiletten vervangen door urinoirs of plaszuilen. Eén plaskruis of plaszuil geldt als 4 urinoirs. Ook kunnen plasgoten worden gebruikt. 50 cm plasgoot geldt als één urinoir. -

-

Zorg voor één of meerdere gehandicapten toiletten inclusief faciliteiten. Plaats direct naast de toiletten een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en wekwerphanddoekjes. Plaats een afvalbak in of direct naast de toiletruimten. Zorg voor voldoende verlichting in de toiletruimten. Voer het afvalwater van toiletten, douches, wasbakken en andere huishoudelijke activiteiten af via bestaande riolering of vang dit op in speciaal daarvoor bestemde opslagtanks (die door een gespecialiseerd bedrijf leeggemaakt moeten worden). Het is verboden om zonder vergunning afvalwater te lozen. Maak de toiletten en wastafels schoon volgens een schoonmaakplan.

15. EXTREEM WEER OF DREIGING

In geval van extreem weer of de dreiging daarvan neemt de vergunningverlener (gemeente) contact op met de organisator over de te nemen maatregelen/afgelasting van evenement.

9 De Vereniging van EvenementenMakers (VVEM) zal, in samenspraak met evenementenorganisatoren en de sanitair leveranciers, een

leidraad gaan opstellen voor de verschillende soorten evenementen (en bezoekersaantallen) met het minimum aantal voorzieningen, op basis van hun ervaringen (best practises). Op het moment van publicatie van deze richtlijn, was deze leidraad nog niet beschikbaar. 54

Adviesrichtlijn Tenten (waarin <50 personen aanwezig zijn) NB. Deze richtlijnen zult in combinatie met één van de andere richtlijnen gebruiken, omdat deze richtlijnen alleen voor tenten geldt en niet voor het totale evenement. 1. VRIJHOUDEN VAN TERREINGEDEELTEN EN BEREIKBAARHEID

-

Brandkranen moeten worden vrijgehouden. Alle objecten op het terrein dienen onbelemmerd bereikt te kunnen worden. Er dient een doorgang van 3.50 meter breed en 4.20 meter hoog te worden vrijgehouden in verband met de doorgang voor hulpverleningsvoertuigen. Buitenbochtstralen dienen ten minste 10 m te zijn en binnenbochtstralen ten minste 5,5 m. Dit in verband met de draaicurves van de hulpverleningsvoertuigen. Bij een afsluiting van het terrein dient de (brandweer)ingang te zijn aangegeven en het toegangshek snel te openen zijn. Bij wegafsluitingen dient iemand aanwezig te zijn, om de hulpdiensten doorgang te kunnen verlenen.

2.

UITGANGEN EN VLUCHTROUTES

De (nood)uitgangen en vluchtroutes van aangrenzende gebouwen mogen niet worden geblokkeerd. De uitgangen van de tenten dienen onmiddellijk te openen zijn zonder gebruik te maken van losse voorwerpen. Kabels dienen beschermd te zijn tegen struikelen of beschadigen.

3.

TENTZEIL

De materialen die gebruikt worden voor daken en verticale afscheidingen van tenten moeten voor wat betreft de brandklasse ten minste voldoen aan een van de volgende klassen: Klasse 2 van NEN 6065 Klasse B van NEN-EN- 13501-1 Klasse B1 van DIN 4102 Klasse M2 volgens NF P 92-503 t/m NF P 92-505 en NF P 92-507

-

4.

BEKLEDING, STOFFERING EN VERSIERING

Aankleding en versieringen in een besloten ruimte mogen geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is minimaal indien: • de aankleding een navlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden; • de aankleding onbrandbaar is, of • de aankleding een ondergeschikte bijdrage aan het brandgevaar levert. De versiering mag in geval van brand geen druppels vormen. Bij twijfel of het materiaal brandvertragend is kan de volgende eenvoudige brandproef duidelijkheid geven: • Neem een monster (5 x 25 cm) van het materiaal • Ga naar buiten en houdt een uiteinde van het monster gedurende minimaal 5 seconden in een vlam, zoals bijvoorbeeld van een aansteker of lucifer • Haal de aansteker of lucifer weg, wanneer het monster vlam heeft gevat of nadat 5 seconden zijn verstreken. Het materiaal voldoet als aan alle van de volgende voorwaarden is voldaan: Tijdens de verhitting zijn geen druppels vrijgekomen (al of niet brandend of druipend); Tijdens de verhitting zijn geen roetvlokken vrijgekomen; Het materiaal vlamt niet meer dan 15 seconden na en gloeit maximaal 60 seconden na, nadat de aansteker of lucifer is weggenomen. Stoffering en versiering dienen te worden vrijgehouden van spots en andere apparatuur die warmte afgeeft. Plafondversiering dient buiten bereik van het publiek te hangen.

Dat wil zeggen tussen de vloer en de versiering is een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter. -

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Doesburg&id=f107550c-9ab6-45a9-81c6-709f7a812cbb