Bijlage 1: Integraal Handhavingsbeleid 2024-2028 gemeente Doesburg
Tekst van het document
adviseert betreffende de juridische aspecten tijdens het afhandelen van een melding Brandveilig gebruik en draagt daarbij zorg voor complete, eenduidige en inhoudelijke juiste adviezen;
10. Wanneer GEM dit noodzakelijk acht, informeert RB op 4 momenten tijdens het proces:
9
de start van de uitvoering van de afgegeven vergunning i.v.m. reserveren capaciteit toezicht; schouw voor start; einde evenement; handhaving
Kwaliteitseisen: RB Kwaliteitseisen RB: Advisering & toezicht omgevingsvergunning 1. Draagt zorg voor complete, eenduidige en inhoudelijk juiste adviezen, daaronder wordt mede begrepen de interne afstemming (bijvoorbeeld Externe Veiligheid / BRZO). 2. Brengt digitaal een brandveiligheidsadvies uit aan GEM, met vermelding van dossiernummer van de omgevingsvergunning. Bij het constateren van strijdigheid wordt bij de beoordeling brandveiligheid het betreffende artikel van het Bouwbesluit 2012 aangegeven. De adviezen van RB worden ondertekend door het afdelingshoofd Risicobeheersing; 3. Adviseert binnen maximaal 10 werkdagen zo mogelijk eerder met een minimum van 5 dagen; deze adviestermijn kan in bepaalde gevallen na goedkeuring van GEM worden verlengd; 4. Opstellen advies en voorwaarden voor het verstrekken van de omgevingsvergunning. (gebaseerd op de, redactionele, voorwaarden- en vergunningenopzet van GEM) zodat de noodzakelijke voorzieningen getroffen kunnen worden zodanig dat deze integraal in de omgevingsvergunning overgenomen kunnen worden; 5. Heeft geen overleg/ besprekingsmoment met aanvrager, tenzij dit door GEM is afgestemd en terugkoppeling naar GEM plaatsvindt. 6. Zorgt voor de uitvoering van de noodzakelijke controles en inspecties voor de omgevingsvergunningen op aanvraag van GEM; 7. Adviseert over de vastgestelde afwijkingen ten opzichte van de vergunning.
Eventueel onderbouwd met een toezichtsrapport; 8. Draagt zorg voor overdracht van alle relevante informatie in het kader van de omgevingsvergunning (voor het aspect brandveilig gebruik), zodat GEM beschikt over een compleet dossier. Kwaliteitseisen RB: Meldingen Brandveilig gebruik 1. Draagt zorg voor complete, eenduidige en inhoudelijke juiste adviezen; 2. Baseert adviezen op wettelijk vastgelegde toetsingskaders; 3. Bij het constateren van strijdigheid wordt bij de beoordeling brandveiligheid het betreffende artikel van het Bouwbesluit 2012 aangegeven. Bij wijzigingen ten opzichte van de eerder geaccepteerde melding is een nieuwe melding nodig; 4. Stelt binnen 20 werkdagen voor bestaande bouw en 10 werkdagen voor nieuwbouw, na volledige ontvankelijkheid, het conceptadvies en de algemene en specifieke voorwaarden en voorschriften voor het al dan niet aannemen of afwijzen van een melding o.b.v. bouwbesluit 2012 (voor het aspect brandveilig gebruik) (gebaseerd op de, redactionele, voorwaarden- en vergunningenopzet van GEM) zodanig op dat deze integraal (voor het aspect brandveilig gebruik) overgenomen kunnen worden; 5. Doet geen toezeggingen en/of stelt geen voorwaarden aan een ontwikkelaar, aanvrager of installateur en heeft geen overleg. Bespreekmomenten met de aanvrager, tenzij dit met GEM is afgestemd en terugkoppeling naar GEM plaatsvindt.
Kwaliteitseisen RB: Klachten met betrekking tot brandveilig gebruik van gebouwen 1. Neemt klacht met betrekking tot brandveilig gebruik van gebouwen uitgezet door GEM in ontvangst 2. Volgt een klacht (m.u.v. spoed) binnen vier weken op door: Binnen 5 dagen contact op te nemen met de klager of betrokken derde partij;
10
zo nodig ter plekke een inspectie uit te voeren; een rapport hiervan op te maken die door GEM mogelijk voor verdere handhaving gebruikt wordt. 3. Stelt bij de inspecties de geconstateerde tekortkomingen op het gebied van de brandveiligheid vast. Daarbij verwijzend naar GEM voor de noodzakelijke afstemming en vergunningprocedures; 4. Stelt een rapport in de vorm van een brief aan klager en/of derde betrokken partij op bestaande uit een gebrekenlijst. Verzendt brief naar GEM. Kwaliteitseisen RB: Ruimte en veiligheid 1. Draagt zorg voor complete, inhoudelijk eenduidige adviezen, daaronder wordt mede begrepen de interne afstemming. 2. De multidisciplinair afgestemde adviezen (tussen GHOR, GGD, Brandweer) van RB worden ondertekend door één van de directeuren VGGM als ook de adviezen die betrekking hebben op omgevingsveiligheid (externe veiligheid); 3. De overige adviezen van RB worden ondertekend door het afdelingshoofd Risicobeheersing; 4. Adviseert binnen een redelijke termijn van vier weken, tenzij er sprake is van wettelijke termijnen dan worden die gehanteerd. 5. Geeft advies op het gebied van veiligheid en gezondheid in bij het tot stand komen van een ruimtelijk project in een gemeente.
Deze inbreng heeft een tweeledig doel: Het zorgvuldig en vlot laten doorlopen van het planproces en de benodigde (wettelijke) procedures; Het afwegen (in het besluitvormingsproces), borgen en realiseren van maatregelen op het gebied van ramp- en incidentbestrijding en de (zelf)redzaamheid van (toekomstige) gebruikers op het geschikte abstractie/detail niveau. Kwaliteitseisen RB: Evenementen en vergunningen/ meldingen op grond van de BBV 1. draagt zorg voor complete, eenduidige en inhoudelijke juiste adviezen; 2. brengt door middel van e-mail advies uit aan de medewerker van Gemeente, met vermelding van dossiernummer van de evenementenvergunning; 3. gebruikt voor standaard vergunningen zoveel mogelijk standaard adviezen. Zo ontstaat uiteindelijk een situatie waarin bijstand van VGGM beperkt wordt tot gevallen waarin dat toegevoegde waarde heeft. In geval van twijfel zal in andere eenvoudiger gevallen de expertise van VGGM ingeroepen worden; 4. adviseert , m.u.v. C-evenementen, binnen 10 werkdagen na ontvangst van de adviesaanvraag door VGGM; deze adviestermijn kan in bepaalde gevallen na goedkeuring van GEM worden verlengd; 5. geeft advies om voorwaarden te verbinden aan evenementenvergunningen zodanig dat deze onverkort zijn over te nemen; 6. geeft bij constateren van strijdigheid met de regelgeving het betreffende artikel van de betreffende regelgeving aan; 7.
draagt zorg voor digitale overdracht van alle relevante informatie in het kader van de aanvraag evenementenvergunning, zodat GEM/Gemeente beschikt over een compleet dossier;
11
Protocol 1. Omgevingsvergunning Advies omgevingsvergunning
Regulier Stap
TAAK vanaf datum indiening
GEM
RB
Indien noodzakelijk: behandelt een verzoek door of namens de aanvrager over het houden van een vooroverleg als voorloper van de aanvraag om een omgevingsvergunning reguliere procedure gezamenlijk met RB, voor zover externe brandveiligheidsaspecten aan de orde zijn.
X
X
Indien van toepassing: maakt een verslag van het vooroverleg zodat juridische consequenties toetsbaar zijn te maken als dat achteraf nodig blijkt en zendt deze, als RB aanwezig was bij bespreking, aan RB.
X
Indien van toepassing: bij ontvankelijkheidstoets door RB, bij uitzondering zie kwaliteitseisen, GEM zendt aanvraag naar RB.
X
1.
Verzoekt RB om een brandveiligheidsadvies omgevingsvergunning regulier, eventueel via de OLO.
X
2.
Digitaal advies volgens vastgesteld VGGM format.
3.
Verzenden bericht van behandeling / verzoek om aanvulling Doorsturen aanvullingen naar RB.
4.
Opnemen situatie ter plaatse, bij aanvragen brandveilig gebruik in bestaande gebouwen, Inhoudelijke beoordeling aanvraag, schriftelijke rapportage aan GEM.
PM
Optioneel behandelen bezwaar en beroep (OD of Gemeente).
X
5.
Start traject Toezicht.
X
12
X
X X X
Uitgebreid Stap
TAAK vanaf datum indiening
GEM
RB
Indien noodzakelijk: behandelt een verzoek door of namens de aanvrager over het houden van een vooroverleg als voorloper van de aanvraag om een omgevingsvergunning uitgebreide procedure voor het aspect milieu gezamenlijk met RB, voor zover externe brandveiligheidsaspecten aan de orde zijn.
X
X
Indien van toepassing: maakt een verslag van het vooroverleg zodat juridische consequenties toetsbaar zijn te maken als dat achteraf nodig blijkt en zendt deze, als RB aanwezig was bij bespreking, aan RB.
X
1
Neemt aanvraag omgevingsvergunning uitgebreid in ontvangst en toetst de ontvankelijkheid. Bij uitzondering zie kwaliteitseisen
X
2
Verzoekt RB om een brandveiligheidsadvies omgevingsvergunning uitgebreid.
X
3
Digitaal advies volgens vastgesteld VGGM format.
4
Verzenden bericht van behandeling / verzoek om aanvulling Doorsturen aanvullingen naar RB.
5
Opnemen situatie ter plaatse, inhoudelijke beoordeling aanvraag, schriftelijke rapportage aan aanvrager en GEM.
6
Optioneel: Gelijktijdig met ter visie leggen ontwerp omgevingsvergunning controle op te treffen voorzieningen in het kader van Brandveilig gebruik.
X
7
Optioneel: Behandelen zienswijzen in het kader van brandveilig gebruik.
X
8
Indien noodzakelijk definitief advies Brandveilig gebruik en/of advies ontwerp omgevingsvergunning Brandveilig gebruik.
X
9
Opstellen definitieve omgevingsvergunning verlenen / weigeren conform advies RB.
X
PM
Optioneel behandelen beroep.
X
10
Start traject Toezicht.
X
13
X
X X X
X
X
Toezicht omgevingsvergunning
Stap
TAAK vanaf datum indiening Inplannen controle op basis van Handhavingsprogramma / werkplan ‘Toezicht brandveiligheid’ en/of lokaal handhavingsoverleg op afgegeven vergunningen en geaccepteerde meldingen, rapportage aan coördinator handhaving. Werkplan toezicht brandveiligheid regulier is opgenomen in bijlage 1.
GEM
RB
X
X
1.
Inplannen controle.
X
2.
Bij integrale handhaving: voorbereiding van en bepalen betrokkenen bij controle brandveilig gebruik (bij meerdere activiteiten in omgevingsvergunning, dossieronderzoek, etc.).
X
3.
Uitvoeren (her)controle.
X
4.
Uitwerken controlerapport en adviseren aan GEM.
X
5.
Geen afwijking(en) / overtreding(en): Brief controle geen overtredingen of Brief her controle geen overtredingen, of Brief strijdig met vergunning legalisering mogelijk, nieuwe omgevingsvergunning of melding brandveilig gebruik.
6.
Wel afwijking(en)/overtreding(en): Brief naar GEM met hersteltermijn en informeren vergunninghouder.
X
7.
Na aflopen hersteltermijn weer beginnen bij stap 3, bij herhaling
X
X
overtreding nog een keer stap 3. Daarna bij hernieuwde herhaling overtreding naar stap 8. 8.
Brief vooraankondiging dwangsom / bestuursdwang en eventueel Brief bekendmaken vooraankondiging belanghebbenden.
X
Bij herhalen overtreding na her controle start protocol Toepassen sanctiestrategie van de gemeente/OD.
X X
Her controle op aanvraag.
14
Protocol 2. Melding Brandveilig gebruik Advies brandveilig gebruik Stap
TAAK vanaf datum indiening
GEM
RB
Verstrekken algemene informatie over meldingen Brandveilig gebruik en de procedure.
X
X
1.
Toets ontvankelijkheid melding Brandveilig gebruik op andere benodigde vergunningen en toestemmingen op grond van het Bouwbesluit 2012. Binnen 1 week na ontvangst. Uitzetten melding voor advies volledigheid voor brandveilig gebruik aan RB conform het Bouwbesluit 2012.
X
X
2.
Zo nodig verzenden verzoek om aanvulling Doorsturen aanvullingen naar RB.
X
3.
Opnemen situatie ter plaatse, inhoudelijke beoordeling melding.
X
4.
RB stelt een brandveiligheidsadvies op voor melding Brandveilig gebruik. Voor nieuwbouw 10 werkdagen, voor bestaande bouw 20 werkdagen.
X
5.
Opstellen specifieke voorwaarden digitaal voor GEM volgens door GEM vastgesteld format.
X
6.
Acceptatie / afwijzing melding brandveilig gebruik inclusief algemene en specifieke voorschriften en voorwaarden.
7.
Start traject Toezicht brandveilig gebruik.
X X
Toezicht brandveilig gebruik Stap
TAAK vanaf datum indiening Inplannen controle op basis van Handhavingsprogramma / werkplan ‘Toezicht brandveiligheid’ en/of lokaal handhavingsoverleg op afgegeven vergunningen en geaccepteerde meldingen, rapportage aan coördinator handhaving. Werkplan toezicht brandveiligheid regulier is opgenomen in bijlage I.
GEM
RB
X
X
1.
Inplannen controle.
X
2.
Bij integrale handhaving: voorbereiding van en bepalen betrokkenen bij controle brandveilig gebruik.
X
3.
Uitvoeren (her) controle.
X
4.
Uitwerken controlerapport en adviseren aan GEM.
X
5.
Geen afwijking(en) / overtreding(en) Brief controle geen overtredingen of Brief her controle geen overtredingen, of Brief strijdig met vergunning legalisering mogelijk, nieuwe omgevingsvergunning of melding brandveilig gebruik.
15
X
6.
Wel afwijking(en)/overtreding(en): Brief naar vergunninghouder met hersteltermijn.
7.
Na aflopen hersteltermijn weer beginnen bij stap 3, overtreding
X X
nog een keer stap 3. Daarna bij hernieuwde herhaling overtreding naar stap 8. 8.
Brief vooraankondiging dwangsom / bestuursdwang en eventueel Brief bekendmaken vooraankondiging belanghebbenden.
X
9.
Bij herhalen overtreding na her controle start protocol Toepassen sanctiestrategie. Her controle op aanvraag.
X
16
X
Protocol 3. Klachten en TOOM m.b.t. brandveilig gebruik van gebouwen
Stap
TAAK vanaf datum indiening
GEM
Registreert klacht en informeert betrokken partijen.
RB
X
1.
Indien noodzakelijk: Voert inspectie ter plekke uit.
X
2.
Zendt het concept inspectierapport naar de GEM voor beoordeling of er nog andere vergunningen en toestemmingen bij de klacht betrokken moeten worden.
X
3.
Zendt het definitieve inspectierapport aan.
X
4.
Indien: GEM op punten van mening verschilt ten aanzien van het advies van RB, vindt voorafgaand aan het verzenden van de brief aan de betrokken partij overleg plaats met RB.
5.
Start traject Toezicht & handhaving.
X
X
X
17
Protocol 4. Advisering Ruimte en veiligheid
Stap
TAAK vanaf datum indiening
GEM
RB
Voeren regulier overleg om ruimtelijke en infrastructurele plannen op hoofdlijnen door te spreken.
X
X
1
Indien noodzakelijk: behandelt een verzoek door of namens de aanvrager over het houden van een vooroverleg als voorloper op een principeverzoek om een bestemmingsplan te wijziging/ te herzien dan wel een ander ruimtelijk besluit/ visie, niet zijnde een aanvraag om omgevingsvergunning, gezamenlijk met RB voor zover omgevingsveiligheidsaspecten aan de orde zijn.
X
2
Indien van toepassing: maakt indien nodig een verslag van het vooroverleg zodat juridische consequenties toetsbaar zijn te maken als dat achteraf nodig blijkt en zendt deze, als RB aanwezig was bij bespreking, aan RB.
X
3
Verzoek om een advies omgevingsveiligheid.
X
4
Indien nodig: Zoekt afstemming met multi-partners om tot multidisciplinair advies te komen.
X
5
Adviseert binnen een redelijk termijn van vier weken, tenzij er sprake is van wettelijk termijnen dan worden die gehanteerd
6
Beantwoordt de wijze van verwerken
X X
Protocol 5. Evenementen Procedure Stap
TAAK
GEM
1.
Aanvraag om een evenementenvergunning komt binnen: bijlage IV
X
2.
In ontvangst nemen aanvraag, uitvoeren ontvankelijkheidstoets APV en zo nodig aanvrager om aanvullende gegevens verzoeken.
X
3.
Indien noodzakelijk: een verzoek door of namens de aanvrager aangaande het houden van een zgn. inhoudelijke voorbespreking (als voorloper van de aanvang om een evenementenvergunning) wordt gezamenlijk met VGGM behandeld, voor zover brandveiligheidsaspecten aan de orde zijn. In gezamenlijkheid wordt tevens de noodzaak voor een (multidisciplinaire) risicoanalyse bepaald.
X
4.
Indien noodzakelijk: maakt een verslag van de inhoudelijke voorbespreking.
X
5.
Verzoekt via e-mail aan VGGM om een brandveiligheidsadvies evenementenvergunning. Of indien van toepassing: organiseert een evenementencoördinatie overleg waarbinnen de multidisciplinaire voorbereiding van het evenement plaatsvindt, inclusief risicoanalyse. • BBV vergunning
X
18
RB
X
•
APV vergunning X
6.
Geeft een brandveiligheidsadvies af aan GEM.
7.
Indien noodzakelijk: voert een schouw uit ten behoeve van de advisering na overleg met en/of zo nodig in het bijzijn van een consulent vergunningen GEM.
8.
Indien noodzakelijk: maakt kenbaar aan GEM dat een evenementenvergunning gepaard dient te gaan met de tijdelijke omgevingsvergunning en handelt dit, in samenwerking met GEM af op basis van het protocol omgevingsvergunning.
9.
Indien: GEM op punten van mening verschilt ten aanzien van het brandveiligheidsadvies van VGGM vindt voorafgaand aan het verwerken van de beoordeling in de evenementenvergunning gezamenlijk overleg plaats.
X
X
10.
Indien: ambtelijk géén overeenstemming kan worden bereikt over een uitgebracht advies zal, ter waarborging van de wettelijke verantwoordelijkheden van de VGGM, dit (in ultimo) aan de betreffende portefeuillehouders ter besluitvorming worden voorgelegd en schriftelijk worden vastgelegd.
X
X
11.
Geeft een evenementenvergunning af en publiceert deze.
X
1.Stuurt 1 VGGM een kopie van een afgegeven vergunning.
X
2.Toezicht 1 overeenkomstig Regionaal Kader Evenementenbeleid en bijlage IV van dit protocollenboek
X
19
X
X
X
X
Bijlage I. Protocollen omgevingsvergunning
Advisering Gevolgklassering Aanvragen omgevingsvergunningen waarbij brandweeradvies noodzakelijk is. Voor de beoordeling of een brandweeradvies noodzakelijk is / meerwaarde heeft, is een koppeling gemaakt met de gevolgklassen van de Eurocodes vanuit de NEN-EN 1990.
Gevolgklassen
Beschrijving
Voorbeelden
Advies RB
CC1
Geringe gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens, of kleine of verwaarloosbare economische gevolgen, sociale gevolgen of gevolgen voor de omgeving
Gebouwen voor de landbouw waar mensen normaal niet verblijven (bijv. opslagschuren, tuinbouwkassen)
Nee, bij standaard
Standaard eengezinswoningen Industriegebouwen t/m 2 bouwlagen, in combinatie met kantoorgebouw.
aanvragen Ja, bij aanvragen met gelijkwaardige veiligheid en bij bouwwerken met waarin > 50 personen verblijven. Industriegebouwen t/m 2 bouwlagen, in combinatie met kantoorgebouw.
CC2
CC3
Middelmatige gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens, aanzienlijke economische gevolgen, sociale gevolgen of gevolgen voor de omgeving
Woon- en kantoorgebouwen,
Grote gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens, of zeer grote economische gevolgen, sociale gevolgen of gevolgen voor de omgeving.
Stadions, publieke gebouwen Hoogbouw (H> 70 meter), Tijdelijk ander gebruik van gebouwen (slapen in school- sportgebouwen)
Ja
Industriegebouwen van 3 bouwlagen of meer.
20
Ja
Memo anti-kraak De praktijkrichtlijn concentreert zich op het gewenste brandveiligheidsniveau en geeft een (regionale) richtlijn bij de toetsing van gebouwen niet zijnde woongebouwen die tijdelijk worden gebruikt voor bewoning in het kader van anti-kraak. De strijdigheden m.b.t. de bestemmingsplannen zijn buiten deze richtlijn gelaten omdat elke gemeente zelf een keuze moet maken of anti-kraak op de gewenste locatie mogelijk is. Acceptabel niveau van brandveiligheid In deze praktijkrichtlijn zijn voorwaarden uitgewerkt waarmee een voor de Veiligheidsregio acceptabel niveau van brandveiligheid wordt bereikt. Het is vanuit brandveiligheidsoogpunt raadzaam om mee te werken aan tijdelijk gebruik van het bouwwerk door middel van bewoning. Georganiseerde “kraak” gaat een mogelijke onveilig gebruik van het bouwwerk tegen. Alle voorwaarden uit deze praktijkrichtlijn zijn afgeleid uit het Bouwbesluit 2012.De praktijkrichtlijn is bedoeld om zowel eigenaren, ontwikkelaars alsmede toetsers en controlerende medewerkers, een uniform kader te bieden. De uiteindelijke afweging of de getroffen voorzieningen de door de wetgever beoogde brandveiligheid bieden, wordt door het plaatselijke bevoegd gezag gemaakt (burgemeester en wethouders).
Voorwaarden niet tot bewoning bestemde gebouwen Om tot een veilige manier van werken en bewonen te kunnen overgaan, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Deze voorwaarden sluiten aan bij de bestaande regelgeving. Voor het merendeel zijn deze voorwaarde gebaseerd op het niveau bestaande bouw uit het Bouwbesluit 2012. Dit is bij de betreffende artikelen aangegeven. De overige voorwaarden zijn specifiek beleid ten aanzien van ’niet tot bewoning bestemde gebouwen’ die zijn ingegeven door de specifieke omstandigheden van deze unieke gebruiksfunctie. Dit heeft als consequentie dat deze specifieke voorwaarden gemotiveerd ten aanzien van het individuele geval moet worden opgenomen. Dit laatste is mede van belang in relatie tot de handhaving van deze voorwaarden. Voorwaarden Aantal anti-kraak wooneenheden Het aantal toe te laten (tijdelijke) wooneenheden mag niet meer dan 4 bedragen. De situering van de wooneenheden is zodanig dat er rekening gehouden is met strategische plaatsen binnen het bouwwerk. Toelichting: Strategische plaatsen zijn bijv. de hoeken van een bouwwerk of nabij een trappenhuis. Doel van de bewoning is om te voorkomen dat het bouwwerk daadwerkelijk gekraakt zal worden en dat geen vandalisme (brandstichting) zal plaatsvinden. Gebruik hoogste vloer Het gebruik dient zich (in principe) te beperken tot de begane grond en de 1e verdieping.
Dit geldt zowel voor het gebruik als bewoning als het gebruik als atelier. Toelichting: De bouwwerken waarin tijdelijke bewoning plaatsvindt, hadden veelal een andere functie. Hierdoor zijn de voorschriften niet afgestemd op het gebruik als woonfunctie en/of kunstenaarsinitiatief. Vluchten Vanuit iedere verblijfsruimte dient te allen tijde naar het aansluitend terrein te kunnen worden gevlucht. De maximale loopafstand mag niet meer dan 45 meter bedragen. Indien dit niet mogelijk is, mag de betreffende ruimte niet in gebruik worden gegeven. De niet vrijgegeven gedeelten moeten zodanig 21
zijn gemarkeerd, afgesloten of geblokkeerd dat er zekerheid bestaat dat die gedeelten niet in gebruik zijn. Vanuit een ruimte welke is bestemd voor bewoning behoort de route, welke leidt naar de toegang van het gebouw te worden voorzien van niet-ioniserende rookmelders welke zijn aangesloten op een voorziening van elektriciteit. (Conform het gestelde in Bouwbesluit artikel 6.21) Toelichting: Voor een snelle alarmering van m.n. de slapende personen dienen in de woonfunctie en de gemeenschappelijke/gezamenlijke vluchtroute huisrookmelders te worden aangebracht. De huisrookmelders dienen te voldoen aan NEN 2555. Deuren in de gemeenschappelijke/gezamenlijke vluchtroutes (deuren die aanwezig zijn vanuit de voorliggende gebruiksfunctie) dienen zonder gebruikmaking van losse voorwerpen, zoals sleutels, van binnenuit te kunnen worden geopend. De vluchtroutes behoren te zijn vrijgemaakt en vrij te blijven van opslag van materiaal c.q. obstakels. Dit geldt ook voor het deel gelegen buiten het bouwwerk aansluitend op het aansluitend terrein. (Conform het gestelde in Bouwbesluit artikel 7.16) Bij aanwezigheid van trappenhuizen, vanuit de voorliggende gebruiksfunctie, waarvan de brandrookwerende scheidingsconstructie voldoet, behoort dit op het gewenste brandveiligheidsniveau te blijven.
Brandmeldinstallatie Als er een bestaande, werkende, brandmeldinstallatie aanwezig is behoort deze gehandhaafd te blijven. In die gevallen waar dit niet mogelijk is behoren in overleg met de brandweer en gemeente gelijkwaardige voorzieningen te worden getroffen. Toelichting: In bepaalde bouwwerken zal een brandmeldinstallatie aanwezig zijn. Het is niet altijd realistisch, bijv. in relatie tot kosten, te eisen dat deze installatie (met doormelding) intact dient te blijven. In bouwwerken waar deze installatie niet aanwezig is zal een dergelijke installatie ook niet worden geëist. Wel is een en ander afhankelijk van de kwaliteit van de overige brandveiligheidsvoorzieningen. De noodzaak daartoe kan in overleg met de brandweer worden bepaald. Zelfsluitendheid Zelfsluitende deuren met een brand- c.q. rookwerende functie, vanuit de voorliggende gebruiksfunctie, behoren gehandhaafd te blijven. (Conform het gestelde in het Bouwbesluit artikel 6.26). Blusmiddelen In het bouwwerk aanwezig zijnde blusmiddelen, vanuit de voorliggende gebruiksfunctie, behoren conform artikel 1.16 en 6.31 van het Bouwbesluit te worden onderhouden. Is vanuit de voorliggende gebruiksfunctie geen blusmiddel vereist. Is het noodzakelijk om één blusmiddel, met een minimale inhoud van 6 kg, in het bouwwerk aan te brengen. (Conform het gestelde in het Bouwbesluit artikel 1.16 en 6.31).
Toelichting: In het bouwwerk behoren minimale voorzieningen aanwezig te zijn om een beginnende brand te kunnen blussen. Indien het bouwwerk niet is voorzien van brandslanghaspels behoren de begane grond en de eerste verdieping te zijn voorzien van draagbare blustoestellen van minimaal 6 kg. 22
geschikt voor ABC- branden. Hierbij dient voor de dekking van het blustoestel een maximale loopafstand van 30 meter te worden gehanteerd. Gebruik gasflessen e.d. Het gebruik of opslaan van drukvaten, zoals gasflessen, is in beperkte mate toegestaan. (Conform het gestelde in het Bouwbesluit artikel 7.6). Toelichting: Hoewel lid 1 van bovenvermeld artikel bepaalde stoffen in beperkte mate toestaat, is in dit geval niet toegestaan omdat de totale brandveiligheid van het bouwwerk niet als optimaal moet worden beschouwd. Restrisico’s brandgevaar en ontwikkeling van brand Onverminderd het bij of krachtens dit besluit bepaalde is het verboden in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor: a. brandgevaar wordt veroorzaakt, of b. bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt. (Conform het gestelde in het Bouwbesluit artikel 7.10).
Restrisico veilig vluchten bij brand Onverminderd het bij of krachtens dit besluit bepaalde is het verboden in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen te veroorzaken waardoor: a. melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd; b. het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd, of c. het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd. (Conform het gestelde in het Bouwbesluit artikel 7.16). Wanneer uitvoering wordt gegeven aan de in deze praktijkrichtlijn gestelde voorwaarden wordt geacht voldoende aandacht te hebben besteed aan het tijdelijk toestaan van bewoning in bouwwerken niet zijnde woningen en of woongebouwen.
Geadviseerde veiligheidsvoorwaarden vreugdevuren Om er zorg voor te dragen dat het ontsteken van een vreugdevuur niet leidt tot schade aan mensen, gebouwen of natuur is het raadzaam hier voorwaarden voor op te stellen. In dit hoofdstuk worden (brand)veiligheidsvoorwaarden aangegeven die vanuit Brandweer Gelderland Midden geadviseerd worden. In hoofdstuk 6 van deze handreiking wordt nadere toelichting gegeven op de achtergrond bij enkele van de voorschriften.
Veiligheidsvoorwaarden bij normale omstandigheden Vreugdevuren tot 1000 m3 De onderstaande veiligheidsvoorwaarden zijn uitsluitend van toepassing op vreugdevuren tot 1000 m3 bij een droogte-index: klein gevaar, gevaar, verhoogd gevaar.
23
3
Bij 1000 m moet gedacht worden aan vreugdevuren met ongeveer de volgende afmetingen: 15 x 15 x 4,5 meter, 12 x 12 x 7 meter of 11 x 11 x 8 meter. Brandweer Gelderland-Midden adviseert om minimaal de volgende veiligheidsvoorwaarden in acht te nemen: a) Een vreugdevuur wordt niet ontstoken indien de windkracht 6 Beaufort of meer is. b) Vreugdevuren liggen bij voorkeur niet binnen de bebouwde kom. c) d) e) f) g)
h)
i) j) k)
Vreugdevuren zijn stabiel en aaneengesloten opgebouwd. Tussen rietgedekte bouwwerken en het vreugdevuur wordt een afstand van minimaal 200 meter aangehouden. Tussen overige bebouwing en vreugdevuren wordt een afstand van minimaal 50 meter aangehouden. Tussen bos, heide, veen en andere natuurgebieden wordt een afstand van minimaal 100 meter aangehouden. De afstand tussen een rijksweg (A-weg), provinciale weg (N-weg), waterweg en spoorweg bedraagt minimaal 50 meter. Voor overige openbare wegen geldt dat passerend verkeer geen hinder mag ondervinden van het vreugdevuur. Om die reden wordt geadviseerd minimaal 20 meter afstand te houden. De afstand tussen een hoogspanningstracé en een vreugdevuur bedraagt minimaal 40 meter. Indien de afstand minder dan 500 meter bedraagt, dient melding gedaan te worden bij de netbeheerder. De afstand tussen ondergrondse buisleidingen of kabeltracés bedraagt minimaal 25 meter te bedragen. Het vreugdevuur is tot op 50 meter via een verhard pad bereikbaar voor een blusvoertuig van de brandweer. Het ontsteken mag niet plaatsvinden / de ontbranding wordt beëindigd wanneer onvoorziene situaties optreden die een gevaar vormen voor de omgeving. Te denken valt aan: plotseling draaiende wind, waardoor verkeer wordt gehinderd, een weeralarm van het KNMI, etc.
Vreugdevuren groter dan 1000 m3 3
Vreugdevuren die een inhoud hebben die groter is dan 1000 m hebben een grotere vuurlast en geven meer stralingswarmte dan waar rekening mee gehouden is. Door de grotere vuurlast en hogere warmtestraling vormen dergelijke grote vreugdevuren een extra risico. Om die reden wordt geadviseerd alleen een ontheffing te verlenen nadat door de brandweer een advies is gegeven. In dat advies kunnen specifieke voorwaarden gesteld worden. Maatwerk is dus vereist. Advies bij extreme droogte Bij code oranje en code rood adviseert Brandweer Gelderland Midden om geen ontheffing te verlenen. Dit is ook van toepassing bij een windkracht van 6 Beaufort en meer. De brandweer acht de risico’s te groot zodat, zelfs onder voorwaarden, de veiligheid niet kan worden gewaarborgd.
24
Standaard voorwaarden slapen in niet-slaapgebouwen 1. Kleine blusmiddelen 1.1 Op plaatsen waar gekookt, gebakken en/of gebraden wordt dient een brandblusapparaat aanwezig te zijn met een inhoud van ten minste 6 kg poeder (of gelijkwaardig). 1.2 In een ruimte moeten voldoende kleine blusmiddelen aanwezig zijn. Uitgangspunt hierbij is per 200 m² oppervlakte één handbrandblusser met een inhoud van ten minste van 6 kg blusmiddel. 1.3 Een klein blusmiddel moet voor iedereen duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn, voor direct gebruik gereed zijn en in goede staat van onderhoud verkeren. 1.4 Een klein blusmiddel moet zijn verzegeld en voorzien van een geldig Rijkskeurmerk met rangnummer en moet ten minste eenmaal per twee jaar op een adequate wijze worden gecontroleerd en onderhouden. Een draagbaar blustoestel moet zijn voorzien van een label of sticker waarop de laatste controledatum is aangegeven. 1.5 Na gebruik van een blustoestel moet dit onmiddellijk gevuld c.q. vervangen worden. Dit geldt ook indien het blustoestel niet geheel leeg is. 2. Uitgangen en vluchtroutes 2.1 De (nood)uitgangen en vluchtroutes van gebouw/bouwsel of tent mogen niet worden geblokkeerd. 2.2 Bij aanwezigheid van publiek zijn uitgangen van tenten onmiddellijk te openen zonder gebruik van losse voorwerpen.
2.3 Kabels welke op de grond liggen dienen beschermd te zijn en wel zodanig dat niet over de kabels gestruikeld kan worden, dan wel op enige wijze niet beschadigd kunnen worden. 3. Elektrische Installaties 3.1 Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van brand. 3.2 Alle voorzieningen t.b.v. de elektra dienen tenminste te voldoen aan het gestelde in het normblad NEN 1010 (Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties). 3.3 Het gebruik van andere verlichting dan elektrische verlichting binnen een ruimte is verboden. 3.4 Bij gebruik van verlengsnoeren dienen deze geheel afgerold te zijn. 3.5 De opstelling van een (nood-)stroomaggregaat dient op minimale afstand van 5 meter buiten de bouwsels/tenten te geschieden. 4. Bekleding, stoffering en versiering 4.1 Aankleding en versieringen in een besloten ruimte voor het verblijven of het vluchten van personen mag geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar wordt geacht niet aanwezig te zijn indien; 4.2 de aankleding een navlamduur heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden, zie product informatie op de verpakking; 4.3 de aankleding onbrandbaar is, 4.4 Stoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere warm wordende apparatuur.
4.5 Plafondversiering moet zó zijn aangebracht, dat zij buiten bereik van het publiek hangt. Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering blijft een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter. 4.6 De versiering vormt in geval van brand geen druppels, zie product informatie op de verpakking. 4.7 Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn niet toegestaan in een gebouw/bouwsel of tent. 5. Afval 5.1 Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde en goed af te sluiten containers. 5.2 Asbakken moeten regelmatig worden geleegd in afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. 5.3 De inhoud van deze asverzamelaars mag slechts in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn voorzien, worden gedeponeerd. 25
5.4 De aanwezige asbakken en/of papierbakken moeten van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd, tenzij voor die ruimte(s) een rookverbod geldt. 6. Aantal personen 6.1 De inrichting van een ruimte is zodanig dat: a. voor elke persoon zonder zitplaats ten minste 0,25m² vloeroppervlakte beschikbaar is; b. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,3m² vloeroppervlakte beschikbaar is, indien geen inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang; c. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,5m² vloeroppervlakte beschikbaar is, indien inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang. Bij de berekening van de per persoon beschikbare vloeroppervlakte wordt uitgegaan van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte na aftrek van de oppervlakte van de inventaris 6.2 Per strekkende meter (nood)uitgang kunnen 135 personen per minute de tent ontvluchten bij vrije uitstroom van de tent. 6.3 Indien er geen vrije en uitstroom is kunnen 90 personen per m (nood)uitgangsbreedte de tent kunnen ontvluchten. 6.4 Bij een (nood)uitgang uit een tent met aan weerzijden schoren mag worden vrije uitstroom aangenomen. De breedte van de(nood)uitgang is de smalste breedte van de vluchtweg tussen de uitgang en de plaats van de grondverankering.
Er is geen sprake van vrije uitstroom bij een scharnierdeur die niet meer dan 90 graden kan worden geopend en bij een vluchtroute door een verkeerstent. 6.5 Indien een (nood)uitgang deur tegen de vluchtrichting in draait dan mogen voor de berekening van het maximaal 37 personen op die deur ontvluchten. 7. Overnachtingen 7.1 De ruimten waarin wordt overnacht, moeten (tijdelijk) worden voorzien van rookmelders (9 volt). De plaats en het aantal rookmelders per ruimte moet door de brandweer worden bepaald. 7.2 In elke ruimte waarin wordt overnacht moet ten minste een persoon van 18 jaar of ouder aanwezig zijn die bij de groep overnacht. Deze persoon heeft tot taak om bij een ontruiming de aanwezigen naar buiten te begeleiden en daar de compleetheid van de groep te checken. 7.3 Tijdens de overnachting moeten per bouwlaag permanent en ten minste twee wakende personen aanwezig zijn die controle rondes lopen. Deze personen moeten beschikken over een geldig certificaat Bedrijfshulpverlener en mogen niet onder invloed van alcohol of drugs verkeren. 7.4 Een rookverbod moet worden nageleefd. 7.5 Bij het bepalen van het aantal slaapplaatsen moet voldaan worden aan de onderstaande situatie
2m
luchtbed
0,55 m 0,8 m
0,6 m
26
7.6 Tijdens overnachtingen moet bij de entree van het gebouw/bouwsel of tent een logboek aanwezig zijn. 7.7 Ten minste acht weken voorafgaand aan de overnachting moet bij de afdeling preventie van de gemeente een plattegrondtekening van het gebouw/bouwsel of tent worden ingediend met· daarop aangegeven: - de (nood)uitgangen; - de blusmiddelen; - de hand(brand)melders; - de rookmelders; - de nood- en transparantverlichting; - de draairichting van vluchtdeuren; - de sluitinrichting van vluchtdeuren; - de indeling van vakken van de slaapplaatsen; - de vrije ruimten ten behoeve van ontvluchting. 7.8 Een ontruimingsplan gebaseerd op het tijdelijke gebruik dient aanwezig te zijn en, ter beoordeling van de brandweer namens het bevoegde gezag, zo nodig getest te worden met een ontruimingsoefening. 7.9 Het maximale aantal overnachtingen in dagen per jaar dient te worden aangegeven of te zijn vastgelegd in de gebruiksmelding of gebruiksvergunning voor het afwijkende gebruik. 7.10 Het maximaal aantal toegestane personen dat overnacht dient te worden aangegeven of te zijn vastgelegd in de gebruiksmelding of gebruiksvergunning voor het afwijkende gebruik.
Bij overnachtingen in tenten geldt dat: Kleine tenten bijeen zijn gebracht in compartimenten van maximaal 500 m 2 en dat de compartimenten gescheiden zijn door een afstand van 5 meter tot elkaar; Voor grote tenten (> 50 personen) gelden de voorschriften onder 8.1, voor zover bij tenten van toepassing. 8. Noodverlichting 8.1 Alle uitgangen, nooduitgangen en vluchtroutes van het gebouw/bouwsel of tent moeten worden gemarkeerd door vluchtrouteaanduidingen (pictogrammen) volgens NEN 6088. 8.2 De vluchtrouteaanduidingen moeten zodanig zijn aangebracht dat deze te allen tijde zichtbaar zijn. 8.3 Indien in het gebouw/bouwsel of tent overdag onvoldoende daglicht aanwezig is, of het gebouw/bouwsel of tent na zonsondergang wordt gebruikt: moeten de vluchtrouteaanduidingen zijn uitgevoerd als elektrisch verlichte en op een noodstroombron aangesloten transparanten, die bij aanwezigheid van personen permanent verlicht zijn; moet in het gebouw/bouwsel of tent noodverlichting zijn aangebracht. 8.4 De nood- en transparantverlichtingsinstallatie moet voldoen aan NEN-EN 1838. De lichtopbrengst moet gedurende 60 minuten ten minste 1 lux op vloerniveau te bedragen.
27
Toezicht Controle brandveilig gebruik ‘regulier’ Datum: ___ - ___ - ____
Vergunning- meldingsnummer: ___________________________
Naam controleur(s): __________________________ Contactpersoon gebruiker: _______________________________
Naam object: _____________________________________________________________________________________ Adres: __________________________________________________________________________________________ Toelaatbaar aantal personen: ___________________________ Specifieke gebruikseisen: ________________________ Eigenaar / gebruiker gewijzigd? Indien ja, gegevens noteren niet
akk. Vluchtwegen / uitgangen 1. Zijn ingangen, nood(uit)gangen □ en vluchtwegen tot aan de openbare weg vrij van obstakels (en draaien gordijnen met de vluchtrichting mee)? BB artikel 2.154 lid 1 / artikel 2.9.1 2. Zijn vluchtdeuren niet op slot en over de vereiste breedte te openen? Artikel 2.3.5 lid 1
□
3. Zijn vluchtdeuren > 100 pers. voorzien van paniekbalk? Artikel 2.3.5 lid 2
□
akk. n.v.t. □
□
Blusmiddelen 10. Zijn blusmiddelen conform tekening aanwezig? □
□
□
□
5. Deuren en draairichting aanwezig conform tekening?
□
□
□
6. Zijn brand- en rookvrije vluchtroutes vrij van opslag. Artikel 2.9.1
□
□
□
7. Buitenzijde nooduitgang voorzien □ van opschrift ‘nooddeur vrijhouden’ of ‘nooduitgang’ Artikel 2.3.5 lid 6
□
□
□
□
niet akk. n.v.t.
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
4. Automatisch werkende deur / □ voorziening toe/uitgangscontrole hindert vluchten niet Artikel 2.3.5. lid 4
Brand- en rookcompartimentering 8. Zijn brand- of rookwerende, zelfsluitende deuren volledig gesloten of voorzien van kleefmagneten met detectie? Artikel 2.1.5 / 2.3.3
9. Is brand- en rookcompartimentering conform tekening en geen openingen aanwezig?
akk.
□
□
11. Zijn blusmiddelen bereikbaar, gekeurd, gebruiksgereed, zichtbaar of gemarkeerd met pictogram? Artikel 2.4.2 / artikel 2.4.3
Vluchtroute aanduiding / nood- en transparantverl. 12. Is vluchtrouteaanduiding □ □ Aanwezig conform tekening Artikel 2.3.7 lid 1 □
□
14. Vluchtrouteaanduiding voldoet □ □ aan zichtbaarheidseisen (indien ruimte voorzien van noodverlichting) Artikel 2.3.7 lid 4
□
15. Zijn de op tekening aangegeven □ ruimte voorzien van noodverlichting?
□
□
16. Zijn ruimten > 50 personen □ voorzien van oriëntatieverlichting? Artikel 2.3.10
□
□
□
□
13. Vluchtrouteaanduiding op duidelijk waarneembare plaats? Artikel 2.3.7 lid 2
Bekleding, stoffering en versiering 17. Er mag geen brandgevaarlijke versiering en of stoffering aanwezig te zijn. Afstand versiering tot vloer > 2,5 m. Artikel 2.1.3 lid 1, 2, 3 en 5
□
□
□
niet akk. akk. n.v.t. 18. Worden spots en warmtebronnen □ vrijgehouden van stoffering? Artikel 2.1.3 lid 5
□
□
□
19. Glas tegen plafond veiligheidsglas of kruiswapening 0,016 m. Artikel 2.3.11
20. Is textiel, folie, papier in □ horizontale toepassing onderspannen met metaaldraad maximaal h.o.h. 0,35 m of in 2 richtingen h.o.h. 0,7 m. Artikel 2.3.11
□
percelen? Artikel 2.1.9 akk
niet akk. n.v.t.
□
□
□
□
Overig 28. Geen brandbare opslag in Stookruimten aanwezig? Artikel 2.1.1 lid 2
□
□
□
29. Openingen t.b.v. toevoer / afvoer □ verbrandingslucht van verbrandingstoestel niet afgesloten. Artikel 2.1.1 lid 3 30. Verbod roken /open vuur duidelijk □ zichtbaar aangegeven Artikel 2.1.2
□
□
□
Brandveiligheid stands, kramen, schappen, podia, en andere inrichtingselementen 21. Inrichtingselementen brandveilig □ □ □ - onbrandbaar - dikte >3,5 mm klasse 4 - dikte <3,5 mm verlijmd op klasse 4 Artikel 2.1.4 lid 1 en 2
31. Zijn deuren overdruktrappenhuis □ voorzien van sticker ‘hard duwen’? Artikel 2.3.5 lid 5 32. Geen direct brandgevaar aanwezig door installaties? Artikel 2.1.1 lid 1
□
□
□
22. Gangpaden van in publieke ruimte □ opgestelde stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen 1,1 m? Artikel 2.3.2 lid 1
□
33. Bevat de sleutelbuis of -kluis de juiste sleutels?
□
□
□
34. Blusmiddel duidelijk zichtbaar of pictogram Artikel 2.4.3
□
□
□
□
□
35. Is er belemmering of hinder voor: melding, alarmering en bestrijding vluchtmogelijkheden redding bij brand brandgevaar wordt veroorzaakt Artikel 2.9.1
□
□
□
36. Wordt er voldaan aan de specifieke gebruikseisen?
□
□
□
□
□
□
□
□
□
23. Uitgang in publiek toegankelijke ruimte voldoende vrij? Artikel 2.3.2 lid 2 Opstelling van inventaris 24. Opstelling inventaris conform opstelplan? Artikel 2.3.1
□
□
□
□
□
□
25. Zijn de stoelen gekoppeld? □ (> 4 stoelen, 4 rijen, en > 100 pers) Artikel 2.3.1 lid 2
□
□
Brandgevaarlijke stoffen 26. Geen niet toegestane (hoeveelheden) brandgevaarlijke stoffen aanwezig? Artikel 2.1.8
□
□
□
□
27. Opslag bedrijfsmatig brandbare □ niet-milieugevaarlijke stoffen veilig ten opzichte van aangrenzende
□
□
Repressie 37. Verbindingsweg naar toegang en opstelplaats hoog en breed genoeg Artikel 2.6.1 lid 1 en 2 38. Hekwerken op route naar toegang snel en gemakkelijk te openen? Artikel 2.6.1 lid 3 29
niet akk. akk. n.v.t. □
□
40. Is de bereikbaarheidskaart juist?
□
□
□
-
41. Zijn bluswaterwinplaatsen vrij zichtbaar, bereikbaar en gebruiksklaar? Artikel 2.7.2 lid 1
□
□
□
-
-
□
□ -
Opmerkingen (indien niet akkoord) ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ............................................................................................... ...............................................................................................
............................................................................................... ...............................................................................................
niet akk. akk. n.v.t. Logboek / certificaten Artikel 2.10.1 Zijn de logboeken bijgehouden? - Brandmeldinstallatie Artikel 2.2.1 lid 8 - Ontruimingsinstallatie Artikel 2.3.6 lid 4 - Noodverlichtinginstallatie Artikel 2.3.7 lid 5 / 2.3.8 lid 2 - (Droge) blusleiding
□
□
□ -
□
□
niet akk. akk. n.v.t.
39. Indien BMI met doormelding brandweeringang aanwezig en toegankelijk Artikel 2.6.2 lid 1 en 2
42. Is secundaire bluswatervoorziening zichtbaar, bereikbaar en gebruiksklaar?
Artikel 2.7.1 lid 1 en 4 Pomp (droge) blusleiding Artikel 2.7.1 lid 2, 3 en 4
□ □
□ □
□ □
□
□
□
□
□
□
□
□
□
-
RWA installatie Artikel 2.3.9 Sprinklerinstallatie □ Artikel 2.5.1 Gasblusinstallatie □ Artikel 2.5.1 Brandweerlift □ Artikel 2.6.3 Brandslanghaspel(s) □ Artikel 2.4.1 lid 2, Pompinstallatie bsh □ Artikel 2.4.1 lid 3 en 4 Bluswatervoorziening op eigen □ terrein Artikel 2.7.2 lid 2 Doorvoeringen in brand- en rookscheidingen □ Artikel 2.1.5 / 2.3.4 Draagbare blusmiddelen □ Artikel 2.4.2 lid 3 Terugloopruimte roltrap gereinigd □ per kwartaal Ontruimingsplan (conform NTA) □ Artikel 2.3.6 lid 5 Ontruimingsplan beoefend(verslag) □ Afvoer van rook doeltreffend □ gereinigd artikel 2.1.1 lid 5
Zijn de Installaties voorzien van geldig certificaat? - Brandmeldinstallatie met □ doormelding Artikel 2.2.1 lid 9 - Automatische brandblusinstallatie □ - Rookbeheersingsysteem □ Artikel 2.3.9 - Behandelde constructieonderdelen □ Artikel 2.1.7
30
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□
□ □
□ □
□
□
□ □
□ □
□
□
Opmerkingen (indien niet akkoord) ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................
............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ ............................................................................................................................................................................................ Bovenstaande gebreken dienen voor d.d. ___ - ___ - 20___ te zijn verholpen.
Na het verstrijken van de termijn zal er een controle plaatsvinden.
Naam contactpersoon: _________________________________ Paraaf controleur: op locatie
31
Bijlage II. Melding Brandveilig gebruik Bouwbesluit 2012 Algemeen Uit het eindverslag uit 2005 van de dereguleringscommissie van het Overlegplatform Bouwregelgeving (OPB) («Gelet op het feit dat al sinds enige tijd de samenhang tussen brandcompartimenten, sub-brandcompartimenten en typen vluchtroutes zelfs voor experts moeilijk te doorgronden is, mede doordat er sprake is van twee verschillende methodieken bij gebruiksfuncties waarin wordt geslapen, wordt aanbevolen dit geheel fundamenteel te bezien Dit citaat maakt duidelijk dat de opzet van de bouwtechnische brandveiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit 2003 voor verbetering vatbaar was. In het Bouwbesluit 2003 was het uitgangspunt de aanwezigheid van twee vluchtroutes waarbij soms met een enkele route kon worden volstaan. In dit besluit is het uitgangspunt dat één vluchtroute met een gegarandeerd veiligheidsniveau volstaat. Dit leidt tot voorschriften die, met behoud van het veiligheidsniveau, eenvoudiger toepasbaar zijn. Een sub-brandcompartiment moet in principe altijd één vluchtroute hebben die buiten het subbrandcompartiment ten minste 20, 30 of soms zelfs 60 minuten bruikbaar is voor veilig vluchten. Wanneer een vluchtroute onbruikbaar wordt, is dat niet wanneer dat gebeurt op een moment dat iedereen al gevlucht is, of wanneer er nog een andere nog bruikbare vluchtroute is.
Nadere informatie over deze systematiek en de wijze waarop het beoogde brandveiligheidsniveau in de verschillende voorschriften is verwerkt, biedt de rapportage «Achtergronden bij de voorschriften voor ontvluchting», december 2009 (PRC-W0450.01.18). Onder het Bouwbesluit 2003 werd een appartement beschouwd als een sub-brandcompartiment en een gewone woning een brandcompartiment. Voor een dergelijk onderscheid is geen reden. Voortaan is iedere woning ongeacht het type een eigen brandcompartiment. Doel en uitgangspunten Het doel van de brandveiligheidsvoorschriften is ongewijzigd gebleven: het voorkomen van slachtoffers (gewonden en doden) en het voorkomen dat een brand zich uitbreidt naar een ander perceel. Het behouden van het bouwwerk en het voorkomen van schade aan het milieu, monumenten of maatschappelijke voorzieningen of belangen zijn geen doelstellingen van dit besluit. Ook de algemene uitgangspunten zijn vergeleken met van het Bouwbesluit 2003 ongewijzigd: -
binnen 15 minuten na het ontstaan van een brand moet die brand zijn ontdekt en moeten de door die brand bedreigde personen en de brandweer zijn gealarmeerd; binnen 15 minuten na die alarmering moeten de door de brand bedreigde personen zonder hulp van de brandweer kunnen vluchten; de brandweer is aanwezig en operationeel binnen 15 minuten na het melden van de brand, en de brandweer moet de brand binnen 60 minuten na het ontstaan onder controle hebben, hetgeen inhoudt dat voorkomen wordt dat de brand verder uitbreidt. Op dat moment moeten de laatste door de brand bedreigde personen met behulp van de brandweer zijn gered.
Nieuwe opzet sub brandcompartimentering Het begrip «sub-brandcompartiment» heeft vergeleken met het Bouwbesluit 2003 een bredere betekenis gekregen. (Het oude rookcompartiment heet nu sub-brandcompartiment en het oude subbrandcompartiment heet nu een beschermd sub-brandcompartiment. Deze nieuwe terminologie doet recht aan het aan de betreffende compartimentering verbonden beschermingsniveau bij brand.) Bij een brand zijn de personen die zich in een sub-brandcompartiment bevinden gedurende enige tijd beschermd tegen brand en rook wanneer de brand elders in het brandcompartiment ontstaat. Ook 32
heeft de indeling in sub-brandcompartimenten tot doel om veilig en zonder hinder uit het brandcompartiment te kunnen vluchten naar een veilige plaats. In het algemeen geldt dat een subbrandcompartiment het maximale uitbreidingsgebied van brand én rook is en bij brand voldoende lang in stand blijft om het gebouw zelfstandig of met hulp van derden te kunnen ontvluchten door andere ruimten dan de ruimte waarin de brand is ontstaan. Daarom worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de scheiding tussen een sub-brandcompartiment en de omliggende (besloten) ruimten. Om te waarborgen dat personen op tijd uit de ruimte kunnen komen, wordt ook een eis gesteld aan de maximale loopafstand binnen een sub-brandcompartiment. Deze voorschriften komen grotendeels overeen met die voor rookcompartimenten in het Bouwbesluit 2003. Een sub-brandcompartiment moet een extra beschermende functie kunnen bieden bij woningen en logiesgebouwen (slapende personen) en in het bijzonder bij ruimten waarin zich personen bevinden die niet zelfredzaam zijn (crèches), ziek in bed liggen (gezondheidszorg) of opgesloten zijn (cellen). De daarin aanwezige personen zijn niet alert, kunnen niet zelfstandig vluchten of zelf de deur openen, waardoor er extra tijd nodig is voor het verlaten van de betreffende ruimten.
Die extra bescherming wordt gewaarborgd door een hogere weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) en een beperking van de omvang van het compartiment. Met het laatste wordt indirect ook het aantal personen beperkt dat tegelijk aan de bedreiging door rook en hitte wordt blootgesteld voordat zij, eventueel met hulp van bedrijfshulpverleners of de brandweer, het compartiment kunnen verlaten. Deze voorschriften komen grotendeels overeen met die voor sub-brandcompartimenten in het Bouwbesluit 2003. Rookdoorgang van een sub-brandcompartiment en een vluchtroute Bij het veilig kunnen vluchten door een ruimte speelt de hoeveelheid rook in die ruimte een belangrijke rol. De huidige bepalingsmethode voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag voorziet bij koude rook (afgekoelde rook) niet in een voldoende beperking van de rookdoorlatendheid van een brandwerende scheidingsconstructie van een sub-brandcompartiment (en van een beschermd subbrandcompartiment). Bij ministeriële regeling kunnen daarom voorschriften worden gesteld aan de beperking van de rookdoorgang van een brandwerende scheidingsconstructie van een subbrandcompartiment. Nieuwe systematiek ontvluchten De oude voorschriften voor ontvluchten waren over meerdere afdelingen van het Bouwbesluit 2003 verspreid. Voortaan staan de voorschriften in één afdeling 2.12 Vluchtroutes.
Ook is er zo meer uniformiteit in de eisen voor de maximale loopafstanden ontstaan, zonder het veiligheidsniveau te beïnvloeden. Uitgangspunt van de eisen is een vluchtroute die op de plaats begint waar het vluchten begint (op elk punt van een voor personen bestemde vloer) en eindigt op een veilige plaats. Die enkele vluchtroute moet over de gehele lengte veilig zijn en is daarom vanaf de uitgang van het sub-brandcompartiment waarin de vluchtroute begint binnen het brandcompartiment een beschermde vluchtroute en buiten dat brandcompartiment (voor zover deze niet in een brandcompartiment ligt, zie artikel 2.82, vierde lid) een extra beschermde vluchtroute of een veiligheidsvluchtroute. Dit is niet nodig indien er twee onafhankelijke vluchtroutes zijn, waarbij als uitgangspunt geldt dat indien de ene vluchtroute is versperd, de andere nog beschikbaar moet zijn. In dit besluit worden in een oplopende mate van bescherming de volgende soorten vluchtroutes onderscheiden: vluchtroute; beschermde vluchtroute; extra beschermde vluchtroute en veiligheidsvluchtroute. Vluchten binnen een sub-brandcompartiment Personen die zich bevinden in het sub-brandcompartiment waarin een brand woedt, moeten dit compartiment tijdig kunnen verlaten. Om deze reden wordt voor dit eerste deel van de vluchtroute een 33
eis aan de maximale loopafstand in een sub-brandcompartiment gesteld en in sommige situaties ook aan het aantal uitgangen van het sub-brandcompartiment. Beschermde vluchtroute Buiten een sub-brandcompartiment (maar binnen het betreffende brandcompartiment) moet het vluchten naar een veilige plaats door een enkele vluchtroute kunnen worden voorgezet, tenzij het aansluitende terrein direct na het verlaten van het sub-brandcompartiment al is bereikt. Deze vluchtroute moet om veilig te kunnen vluchten gedurende langere tijd (ten minste 20 of 30 minuten) beschermd zijn tegen en in een sub-brandcompartiment ontstane brand. Een beschermde vluchtroute moet daarom aan de volgende voorwaarden voldoen: -
-
de beschermde vluchtroute voert binnen het brandcompartiment alleen door een verkeersruimte en niet door een (ander) sub-brandcompartiment; de route biedt voldoende bescherming tegen het binnendringen van hitte en rook vanuit het sub-brandcompartiment waarin de brand woedt (brand- en rookwerendheid van wanden, vloeren en plafonds); in een ruimte waardoor een beschermde vluchtroute voert mag geen groot risico zijn op het uitbreken en ontwikkelen van brand. de beschermde vluchtroute heeft, indien deze in een besloten ruimte ligt, een gelimiteerde lengte voor het geval er onverhoopt toch rook in die ruimte mocht doordringen, en op een beschermde vluchtroute mag, indien er geen andere onafhankelijke vluchtroute is, slechts een beperkt aantal personen zijn aangewezen.
Wanneer er een tweede vluchtroute is die brandwerend is gescheiden van de eerste vluchtroute behoeft de tweede vluchtroute niet een beschermde vluchtroute te zijn en niet aan de bovengenoemde voorwaarden te voldoen. Als één van de routes door brand of rook is geblokkeerd, biedt de tweede vluchtroute namelijk een alternatief. Zie ook de toelichting op de begripsbepaling in artikel 1.1. Extra beschermde vluchtroute Wanneer op een beschermde vluchtroute veel mensen zijn aangewezen, moet de vluchtroute extra worden beschermd. Dit geldt ook voor een vluchtroute uit een brandcompartiment waarin mensen slapen of anderszins aan bed gebonden zijn. Er is dan namelijk extra tijd, en dus extra bescherming om die tijd te kunnen waarborgen, nodig om veilig te kunnen vluchten. Belangrijke verschillen tussen een beschermde en een extra beschermde vluchtroute zijn: - de extra beschermde vluchtroute mag, in tegenstelling tot een beschermde vluchtroute, niet in een brandcompartiment liggen.
Dit geeft een kleinere kans op brand in de ruimte en biedt een grotere bescherming tegen de doorslag en overslag van brand uit een andere ruimte; - in een ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute is het risico op het ontwikkelen van brand verder beperkt; - op een enkele extra beschermde vluchtroute mogen meer personen zijn aangewezen dan op een beschermde vluchtroute, en - bij een kinderopvang, een gezondheidszorgfunctie met bedgebied, een logiesfunctie en een onderwijsfunctie mag de loopafstand in een extra beschermde vluchtroute minder groot zijn dan bij een beschermde vluchtroute. Zie ook de toelichting op de begripsbepaling in artikel 1.1. Veiligheidsvluchtroute Wanneer meer dan 150 personen gebruik maken van een extra beschermde vluchtroute of indien er om andere redenen een hoger veiligheidsniveau nodig is en er geen onafhankelijke tweede vluchtroute beschikbaar is, moet de vluchtroute een veiligheidsvluchtroute zijn. Een veiligheidsvluchtroute is een extra beschermde vluchtroute die voorafgegaan wordt door een rooksluis. Bij een veiligheidsvluchtroute worden geen beperkingen gesteld aan de loopafstanden of 34
aan het aantal personen dat van die vluchtroute gebruik maakt. In tegenstelling tot de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 die beperkt waren tot een veiligheidstrappenhuis, kan de veiligheidsvluchtroute zowel horizontaal als verticaal worden toegepast. Zie ook de toelichting op de begripsbepaling in artikel 1.1. Vluchten uit een woonfunctie Op grond van het Bouwbesluit 2003 moest een in een woongebouw gelegen woning in een afzonderlijk sub- brandcompartiment en een niet in een woongebouw gelegen woning in een afzonderlijk brandcompartiment liggen. Voortaan moet elke woning, al dan niet gelegen in een woongebouw, in een afzonderlijk brandcompartiment liggen. De maximale loopafstand vanuit de woning naar een uitgang is in overeenstemming gebracht met de maximale loopafstand in een subbrandcompartiment van een utiliteitsgebouw. Voortaan gaat het om een gecorrigeerde loopafstand van ten hoogste 30 m vanuit een punt in een verblijfsgebied naar een uitgang van de woning. In een woongebouw is de mate van bescherming in een buiten een woning gelegen vluchtroute niet afhankelijk gesteld van het aantal personen dat op die vluchtroute is aangewezen en is de loopafstand over een extra beschermde vluchtroute in een gemeenschappelijke verkeersruimte ook niet gelimiteerd.