CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

zienswijze Stichting Tegenwind.pdf

Gemeenteraad 19 december 2023, gemeente DinkellandBij agendapunt: 9: Voorstel inzake vaststellen windbeleid gemeente Dinkelland17.980 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Stichting Tegenwind Noordoost-Twente Voor het behoud van een leefbaar Nationaal landschap

Bentheimerstraat 105 7587 NG De Lutte Tel. 06-53785718 IBAN: NL32 RBRB 8837 3178 32 KvK-nummer 88667375

Zienswijze milieunormen aan de hand van 11 vragen door Stichting Tegenwind Noordoost-Twente (STNOT)

Als indiener van deze zienswijze: ●

Verwachten wij een reactie op alle onderdelen van deze zienswijze met de vragen, stellingnames en onderbouwing.

●

Verzoeken wij bij deze de zienswijze toe te voegen aan het juiste document, mocht de zienswijze niet bij het juiste, door het Ministerie van I&W gepubliceerde document gegeven zijn.

●

Behouden wij het recht voor om aanvullende informatie aan te leveren en/of aanpassingen te doen in reeds aangeleverde documenten. Verzoeken wij om de volgende partijen te betrekken bij de ingediende zienswijzen en hun beoordeling en adviezen openbaar te maken:

●

o Commissie MER – Commissie voor de Milieu Effect Rapportage o ILT – Inspectie Leefomgeving en Transport o STAB - Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening

Inleiding Het bestuderen van het <Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving>, hierna Ontwerpbesluit genoemd, en de bijbehorende documenten, waaronder <planMER windturbinebepalingen leefomgeving>, hierna planMER genoemd, brengt een enorm teleurstellend gevoel bij ons naar boven. We verwachten dat dit bij doorgang gaat leiden tot tal van ongewenste milieueffecten. Het doel zou moeten zijn dat dit ontwerpbesluit een maximale bescherming gaat bieden voor de gezondheid en veiligheid van mens, dier en flora. Met deze benadering wordt dit doel naar onze overtuiging niet behaald. Wij citeren hier uit de toelichting: De windturbinebepalingen die in het onderhavige besluit zijn opgenomen, zijn gesteld met het oog op de bescherming van de fysieke leefomgeving, waaronder de gezondheid en het woon- en leefklimaat van omwonenden. Het onderhavige besluit heeft niet tot doel om energieopwekking door middel van windturbines te stimuleren teneinde het aandeel duurzame energie in de energieopwekking te vergroten. Daarop is het windenergiebeleid gericht. Maar wat lezen wij iets verder en dit niet alleen op één plek maar bij herhaling? In het kader van de totstandkoming van het onderhavige besluit zijn de verschillende belangen die in het geding zijn, mede op basis van de informatie die de plan-mer heeft opgeleverd, opnieuw tegen elkaar afgewogen.

Daarbij is uitgangspunt geweest dat omwonenden recht hebben op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, maar niet dat omwonenden van windturbines daar helemaal geen last van mogen hebben. In dat geval zou er voor windturbines in een vol land als Nederland nauwelijks nog plaatsingsruimte overblijven, terwijl het belang van een duurzame energievoorziening ook een zwaarwegend belang is.

Wij concluderen dat het ontwerpbesluit ingegeven is door het van groot belang geachte en oorspronkelijk al gewenste plaatsingspotentieel van de windturbines. De bescherming van de leefomgeving is daar ondergeschikt aan gemaakt. Het is dus wel degelijk een energiebeleidsstuk. Voordat wij in onze zienswijze nadrukkelijk ingaan op de lijst en behandeling van onze ernstige vragen, bedenkingen en bezwaren merken wij hier ook op dat zowel in de vele voorafgaande jaren als in het ontwerpbesluit: Het voorzorgsbeginsel van de overheid met voeten getreden wordt! Deze is nota bene ter bescherming van de gezondheid in de grondwet opgenomen, zie artikel 10 en 11 van de grondwet. Het beginsel gaat dus over de vraag hoe te handelen bij wetenschappelijke onzekerheid! Uitgebreider geformuleerd: Ten aanzien van milieu en gezondheid geldt in Nederland het voorzorgsbeginsel. Dit houdt in dat de overheid beschermende maatregelen kan nemen tegen mogelijk schadelijke milieueffecten van een situatie, ook als die effecten nog niet onomstotelijk zijn bewezen. Er zijn immers al zo lang heel veel negatieve effecten gebleken rondom het gebruik van de Industriële Wind Turbines (IWT’s), inmiddels dus al vele jarenlang, dat de overheid ontelbare malen op basis van dit beginsel actie had moeten ondernemen om deze verder te voorkomen.

Daarnaast is tevens het Europese Voorzorgsbeginsel, ingevolge de Europese Richtlijn 2001/42/EU van toepassing, waarbij milieueffecten (bijvoorbeeld van windturbines) uitsluitend als veilig worden beschouwd, indien dit uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken. Bij het ontbreken van wetenschappelijk onderzoek, worden de effecten als onveilig beschouwd. Van het Ontwerpbesluit mag worden verwacht, dat zij serieus aandacht geeft aan kaders waarin de zorg voor de gezondheid, de veiligheid, alsmede de handhaving of verbetering van het huidige beschermingsniveau van de leefomgeving voorop staan. Dit is niet het geval, terwijl het normenkader van de SMB-richtlijn, dat is de richtlijn op basis van de hiervoor genoemde Europese Richtlijn, dit al sinds 2001 gebiedt. 2

Wij beginnen met onze 11 ernstige vragen en behandelen deze daarna in het vervolg. Achter de vraag in de vragenlijst staat tussen haakjes het paginanummer waar we onze toelichting behandelen. Tevens zijn we van mening dat er wel een aantal aspecten, die behandeld worden in de volgende vragen, in het ontwerpbesluit aan de orde komen, maar dat dit tot onvoldoende aanpassing van het beoordelingskader heeft geleid.

3

1. (5) Hoe kan via dit ontwerpbesluit de gezondheid van omwonenden in een ruime omtrek van de windturbines gewaarborgd worden? 2. (8) Hoe kan het dat niet in voldoende mate aandacht gegeven wordt aan de huidige bevindingen van heel veel omwonenden, nationaal en internationaal, die gezondheidsklachten hebben gekregen door de turbines? 3. (9) Hoe kan het dat er voorbijgegaan wordt aan gebleken factoren op basis van beleving van mensen ten aanzien van aantasting landschap, visuele hinder met lichtschittering en slagschaduw, (on)veiligheid en waardedaling van huizen in de omgeving van de turbines? 4. (11) Waarom wordt voorbijgegaan aan de, inmiddels in het geheel verdwenen, voorwaarde voor het verkrijgen van draagvlak voor de uitrol van windturbines? 5. (12) Hoe kan op de voorgestelde wijze, zonder aandacht voor afscheiding van stoffen door de windturbine en de directe gevolgen van het draaien van de wieken, het milieu met alle flora en fauna beschermd worden? 6. (17) Hoe kan het zijn dat schaalvergroting zonder onderzoek voor de impact op de omgeving steeds doorgaat terwijl er in dit voorstel twee referentie turbines gekozen zijn met groottes die nu nog niet eens functioneel zijn in ons land? En hoe kan het dat de grootste van circa 280 m nog helemaal in de ontwikkelingsfase zit? 7.

(18) Hoe kan het dat in het voorstel afstandsnormen voorgesteld worden, die nog helemaal geen goede bescherming bieden voor omwonenden? En hoe kan het dat er een voorkeur voor de laagste norm voorgesteld wordt die aantoonbaar het slechtste is van West Europa? 8. (22) Hoe kan het dat er opnieuw, net als bij de buitenwerking gestelde normen, alleen maar geluidsnormen voorgesteld worden op basis van een risico-inschatting via een beperkt model in dB’s en op basis van een jaargemiddelde? 9. (24) Hoe kan het dat Laagfrequentgeluid (LFG) niet als apart beoordelingsaspect en dus niet als norm opgenomen wordt, terwijl er niet alleen veel praktische aanwijzingen zijn dat dit noodzakelijk is, maar ook zoveel inzichten op natuurkundig gebied? En hoe kan het dat LFG niet gemeten wordt in dB(C)? 10.(26) Hoe kan het dat infrageluid kennelijk niet begrepen wordt door de opstellers, ondanks alle onderzoeken die er gedaan zijn en ondanks natuurwetten die algemeen bekend zijn? Waarom wordt infrageluid niet eens (barometrisch!) gemeten en geanalyseerd? 11.(27) Hoe kan het dat er voorbijgegaan wordt aan de vervuiling door de mens van het milieu door het winnen van de grondstoffen, door het transport en door de bouw met de noodzakelijke machines, door gebruik, onderhoud en uiteindelijk afbraak en recycling van de turbines; alsmede door het aanleggen van infrastructuur zoals wegen en kabels voor

aansluiting op het netwerk?

In het kader van vraag 5 is ook een toevoeging gedaan na de behandeling van vraag 11, zie vanaf pagina 29.

4

Bij vraag 1: Hoe kan via dit ontwerpbesluit de gezondheid van omwonenden in een ruime omtrek van de windturbines gewaarborgd worden? Verreweg de meeste van de vele klachten rondom de toepassing en het huidige gebruik van de IWT’s komen er omdat er geen duidelijke regels waren en nu voorgesteld zijn, waarop milieunormen gehandhaafd kunnen worden. Dit ontwerpbesluit is bij uitstek de gelegenheid om een beoordelingskader vast te stellen, dat maximale bescherming biedt aan omwonenden en bewoners in een ruime omtrek van IWT's. Helaas moeten we vaststellen dat deze bescherming ontoereikend is, omdat het niet voldoet aan drie essentiële criteria, namelijk volledigheid, zorgvuldigheid en betrouwbaarheid. Volledigheid: Herhaaldelijk zien we dat zeer belangrijke milieuaspecten, waarvan inmiddels duidelijk is dat deze bij elke windturbine aan de orde zijn en grote nadelige effecten hebben, niet worden opgenomen in het beoordelingskader. Zo kunnen we noemen infrasoon geluid/ trillingen, het hoog giftige Bisfenol A, dat in micro- en nanodeeltjes in het milieu terecht komt, SF6 gas dat vrijkomt en de CO2 met een factor van 24.000 verhoogt en hydraulische olielekkage en vetten welke de directe omgeving verontreinigen. Verwijzing in het beoordelingskader naar producenten-verantwoordelijkheid getuigt van het ontlopen van eigen verantwoordelijkheid, wat uiteraard onacceptabel is.

Daarnaast zien we ook dat de effecten op zoogdieren niet eens gemeten en bekeken worden en dat er onvoldoende nauwkeurig naar de effecten op vogels, vleermuizen en insecten gekeken wordt. Zorgvuldigheid: Het ontwerpbesluit, evenals alle eerdere lokale en regionale NRD MER documenten, noemen onderzoeken, op basis waarvan beweringen worden gedaan, als zouden de uitkomsten en conclusies van die onderzoeken ook gelden voor de toekomstige IWT's. Deze onderzoeken, met name die van het RIVM, zijn veelal niet recent en gelden voor windturbines van maximaal 150 meter en lager. Ze zijn daarom volstrekt ongeldig of ontoereikend. Appels worden met peren vergeleken. Wij vinden het onacceptabel dat op overheidsniveau een dergelijke benadering wordt gelegitimeerd. Het schuurt tegen onbehoorlijk bestuur aan. Er wordt inmiddels een tweetal onderzoeken verricht naar de gezondheidseffecten van windturbines, wordt aangegeven. De uitkomsten hiervan zijn echter pas na de vaststelling van de planMER uitkomsten bekend.

We willen dat deze uitkomsten alsnog worden betrokken bij het ontwerpbesluit en dat tot dan de besluitvorming over plaatsing van windturbines wordt opgeschort! Betrouwbaarheid: Nog afgezien van het gegegeven dat er bij ons een sterke indruk bestaat, dat verdienmodellen bovengeschikt zijn aan het doel van de energietransitie, dus indirect ook gezondheid, zoals door TNO al is gesuggereerd in haar onderzoek1, over de gang van zaken bij de klimaattafels, kan over het ontwerpbesluit het volgende worden opgemerkt: De voorgestelde afstandsnorm van IWT's tot de bebouwing is 2 keer de tiphoogte. Bij economische en andere zwaarwegende maatschappelijke belangen kan deze afstand zelfs worden verkleind. Aangezien het begrip 'zwaarwegende maatschappelijke belangen' niet is gedefinieerd en voor veel uitleg vatbaar is, kan en zal ons inziens dit bij belangrijke beslissingen altijd aangevoerd worden om van de norm af te kunnen wijken. Voor het vaststellen van de afstandsnorm is gebruikgemaakt van de referentieturbines. Deze turbines zijn nog niet operationeel op land en met name die met een tiphoogte van 280 meter is ook technisch niet volledig uitgetest. Niettemin zouden straks de in het ontwerpbesluit aangegeven normen moeten gaan gelden. Geconstateerd kan dus worden dat deze theoretische normen niet empirisch en dus ook niet op wetenschappelijke basis zijn bepaald.

Daarom zijn ook de afstandsnormen niet betrouwbaar om als waarborg te gelden voor de gezondheid van omwonenden. Bij vraag 7 komen we hierop uitgebreid terug.

1

kenmerk TNO 2021 P12357, d.d. 23-12-2021

5

Wij constateren dat de voorgestelde afstandsnorm van 2 keer de tiphoogte meer wordt ingegeven door belangen van instanties en partijen dan door de noodzaak te streven naar bescherming van de gezondheid en veiligheid! Vervolgens willen we in dit verband de uitspraken van het RIVM nader onder de loep nemen. In het ontwerpbesluit wordt flink gebruikgemaakt van de begrippen hinder, (ernstige) hinder en ernstige hinder (zonder haakjes om ernstig) zonder dat de verschillen tussen die begrippen duidelijk gemaakt worden. Dat gebeurt vooral omdat er maar geen direct verband gelegd mag worden tussen hinder en slaapverstoring. Het RIVM zegt: “De hinder die mensen ondervinden van windturbines kan indirect andere gezondheidsklachten veroorzaken”. Dit suggereert dat er alleen indirect gezondheidsklachten veroorzaakt worden. Dit klopt niet op basis van wetenschappelijke onderzoeken! Beter zou de volgende formulering zijn: De hinder die mensen ondervinden van windturbines kan langs directe én indirecte weg gezondheidsschade veroorzaken. En over slaapverstoring de volgende RIVM uitspraak: “Onderzoeken naar slaapverstoring door windturbines zijn niet eenduidig, ze laten verschillende resultaten zien”. Deze uitspraak is tot nu toe alsmaar gekoesterd door de verdedigers van de oude normen.

De uitspraak zou als volgt moeten zijn2: Onderzoeken naar slaapverstoring door windturbines zijn niet eenduidig, dikwijls van mindere kwaliteit of niet onafhankelijk. Wel worden bij beoordeling van ál het beschikbare onderzoek lineaire relaties gevonden tussen de sterkte van windturbinegeluid en het optreden van slaapstoornissen, alsook voor de afstand tot windturbines en slaapstoornissen. En verder nog over gezondheidseffecten: “Voor andere gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten en effecten op de mentale gezondheid is onvoldoende bewijs gevonden dat die samenhangen met het geluid of wonen in de buurt van windturbines." Hierover moeten we het

volgende opmerken: Omdat windturbines hoge geluidsniveaus in de omgeving verspreiden die aanleiding kunnen geven tot ernstige hinder én omdat wetenschappelijk is aangetoond dat ernstige hinder gerelateerd is aan hart- en vaatziekten en gevolgen heeft voor de mentale en metabole gezondheid kan worden afgeleid dat ook windturbinegeluid kan leiden tot gezondheidseffecten. En ook de volgende publiek gemaakte uitspraak is gewoonweg niet waar: “Het aandeel laagfrequent geluid en infrageluid van windturbinegeluid is vergelijkbaar met dat van andere alledaagse bronnen, zoals verkeer." Hoe kan deze uitspraak gedaan worden als het meest vergaande van

infrageluid niet eens gemeten wordt en het laagfrequente geluid niet op de juiste manier? (zie bij de vragen 9 en 10). Het zou van veel meer inzicht getuigen om over dit onderwerp op te merken: Het aandeel laagfrequent geluid en infrageluid van grote turbines is relatief hoger dan van kleinere turbines. RIVM waar zijn jouw natuurkundigen? Natuurwetenschap vertegenwoordigt toch de basis van alle wetenschap? Natuurkundigen zouden deze uitspraak makkelijk hebben kunnen ontzenuwen op basis van het algemeen erkende amplitudemodulatieverschijnsel. Wij bekritiseren de houding die bijvoorbeeld op pagina 17 van de toelichting wordt weergegeven dat (ernstige) hinder wel toelaatbaar is als het klimaatdoel er maar mee gediend is. Dit ondanks dat het RIVM zegt dat hinder een schadelijk gezondheidseffect is en getwijfeld mag worden over de wijze waarop er aan de doelstellingen gewerkt wordt. Wij roepen daarom op om alle milieunormen kwaliteit te geven, door de drie genoemde criteria oprecht te hanteren! De omwonenden en bewoners verdienen het en 2

https://www.windwiki.nl/wp-content/uploads/2023/11/Reactie-Windwiki-op-Factsheet-RIVM-28-11-2023.pdf

6

hebben er zelfs recht op. Met andere woorden, voeg de genoemde aspecten toe aan het beoordelingskader, hanteer relevante en geldige onderzoeken en bij het ontbreken daarvan voer deze alsnog uit. Hanteer de afstandsnormen en andere regels die gezondheid, veiligheid en behoud van milieu werkelijk waarborgen. Wij stellen in dit kader ook al de vraag: Waarom is de voorgestelde norm voor het milieuaspect 'geluid' nog steeds gebaseerd op jaargemiddelden en is handhaving mede daardoor niet mogelijk? Wij komen hier bij vraag 8 nog op terug. Handhaving is meestal nodig op basis van klachten. En dan ontstaat er vrijwel altijd wantrouwen op basis van de oncontroleerbaarheid. En dan wordt er vergeleken met ander lawaai, zoals dat van verkeer, luchtvaart enz. alsof geluid van IWT’s van dezelfde orde is. Nee, het grote verschil is dat windturbines dag en nacht doordraaien als er wind is. En vergelijken met verkeerslawaai gaat ook mank, omdat vrijwel iedere inwoner van Nederland wegen in de buurt heeft en alleen omwonenden een windturbine. Dat is gelukkig nog maar een klein percentage, maar helaas in absolute zin al een hele grote groep. Klachten worden veel te makkelijk gebagatelliseerd doordat ze alleen nog maar door omwonenden worden geuit.

De huidige discussies (ten onrechte gekwalificeerd als NIMBY) duiden erop dat veel mensen wel weten dat het foute boel is wanneer je dicht in de buurt van een turbine komt te wonen, maar dat het meestal te moeilijk is om de vinger op de zere plek te leggen. Alleen in besluitvormingsprocessen richting overheden over de plaatsing kan de gewone burger zich laten horen. We verwijzen voor handhaving vooral naar de Rapportage HUF-beoordeling “wijziging milieuregels windturbines”3 uit 2009. Nota bene achtergehouden door de toenmalige minister en pas vrijgegeven in 2022. Hierin staat: ”Belangrijk knelpunt is dat bij de gekozen normstelling toezicht op de naleving van de norm en handhaving niet goed mogelijk is. De regeling draagt daarnaast onvoldoende bij aan het beoogde doel, namelijk het beschermen van omwonenden tegen geluidsoverlast. De regeling biedt geen generiek beschermingsniveau tegen slaapverstoring door piekbelasting en tegen cumulatie van geluid. Juist deze aspecten dragen bij aan de hinderbeleving door omwonenden. Een regeling die voorziet in een goed beschermingsniveau kan bijdragen aan het draagvlak voor nieuwe windturbines en daarmee aan de taakstelling van het kabinet ten aanzien van duurzame energievoorziening. Belangrijkste oorzaak voor de knelpunten ligt in de keuze voor een Lden normstelling waarbij uit wordt gegaan van een jaargemiddelde.

Deze systematiek wijkt af van de systematiek voor inrichtingen in de Wet milieubeheer. Met de introductie van de Lden norm voor winturbines naast de systematiek in de Wet milieubeheer ontstaat er een hybride situatie die tot onduidelijkheid en uitvoeringsproblemen kan leiden. De VI adviseert om de regeling niet in de huidige vorm in procedure te brengen.”

Bovendien wordt anders dan gesteld in het Ontwerpbesluit, maakt de WHO juist bezwaar tegen het gebruik van de Lden als norm voor windturbinegeluid! de Lden norm is alleen geschikt voor stationair geluid. En in het zelfde jaar 2009 brengt ook het RIVM een advies uit: “Concluderend stellen wij dat een richtwaarde van omstreeks 40 dB (ondergrens) consistent is met de normstelling voor andere bronnen van omgevingsgeluid. Dit resulteert in een vergelijkbare hinderbescherming als bij bijvoorbeeld weg- of railverkeersgeluid.”

In het ontwerpbesluit wordt dan ook nog eens met een statistische gevoeligheidsanalyse een berekening volgens een model opgevoerd die bijna niemand zal begrijpen. De grote vraag is natuurlijk ook of dat model wel voldoet in relatie tot alle omstandigheden. Het gebruik van de

3

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/woo-besluiten/2022/09/15/woo-besluit-over-huf-beoordeling-windturbines-2009

7

Vercammen-curve bijvoorbeeld als geldig instrument wordt niet onderbouwd. Op geluid en trillingen met hun effecten komen we verder bij vraag 8 - 11 nog terug Wij kunnen hier stellen dat het ontwerpbesluit ernstig tekortschiet in het beschermen van omwonenden in een ruime omtrek van de windturbines! Handhaving is niet mogelijk! Wij constateren bovendien dat het in de toelichting ontbreekt aan de noodzakelijke visie om aan te geven dat het halen van de gestelde doelen boven de gezondheid van (een deel van) mens en milieu gaat. Het opnemen van referentieturbines van een kaliber, dat groter is dan ooit onderzocht is, geeft aan dat bescherming van omwonenden van secundair belang is, terwijl het primair zou moeten zijn! Wij leggen nu direct hierna de koppeling met de volgende vraag. Bij vraag 2: Hoe kan het dat niet in voldoende mate aandacht gegeven wordt aan de huidige bevindingen van heel veel omwonenden, nationaal en internationaal, die gezondheidsklachten hebben gekregen door de turbines? Dus ook hier geldt nog zo’n principiële vraag.

Waarom wordt niet aan de voorkant, dus voorafgaand aan plaatsing, onderzoek gedaan? Ernstige zorg is toch allang gebleken? Immers in relatie tot het voorzorgsbeginsel en de vereisten vanuit de SMB-richtlijn moet het zo zijn dat via wetenschappelijk onderzoek aangetoond dient te worden dat er geen verslechtering van de leefomstandigheden, en in het bijzonder van de gezondheid, mag optreden! De bewijslast ligt bij de voorstanders van de realisatie van de windturbines. Dit geldt als er geen wetenschappelijke consensus bestaat over de toekomstige schade! Waarom worden er dan op zoveel momenten zogeheten 0-metingen, niet gedaan. Bekend is toch dat er veel belangrijke invloedsfactoren op de leefomgeving zijn? En waarom heeft het RIVM al die jaren geen praktijkonderzoek of veldonderzoek gedaan naar de geluidseffecten van de turbines? Dit is door onderzoeksleider Elise van Kempen ruim 2 jaar geleden gemeld in de Hofbar op 31 maart 2021. Wat het RIVM eerder heeft nagelaten als gevolg van de houding van de overheid is het onderzoek wat TNO vorig jaar wel heeft uitgevoerd 4 bij 4 windparken. Het betrof windparken met turbines tussen 150 m en 195 m tiphoogte. Veel kleiner dus dan de referentieturbines. Het ging dus over de beleving van windenergie op land.

Hieruit bleek onder andere dat 77% van de omwonenden die binnen 1000 m wonen van het cluster van windturbines overlast of andere nadelige effecten ervaart (122 van de 158). En tussen 1000 m en 2000 m is dat nog 40% (172 van 432). Dit is dus heel veel meer dan de lang geleden (in 2008) geaccepteerde grenshoeveelheid van 9%. Daarnaast is zowel de ernst van de overlast uitgevraagd als de onaanvaardbaarheid. Ook hier vallen de zeer hoge scores op. Het gaat om veel meer dan gewoon hinder en er was een zeer grote mate van onaanvaardbaarheid. De aantallen gaan de grens van 9 % ver te boven! Overlast vanwege geluid scoort zeer hoog, maar ook vanwege gezondheid en vanwege natuur en milieu. Dit moet dus wel degelijk als een belangrijke indicatie gelden. Overheid waarom niet eerder onderzocht? En waarom niet meer onderzocht? Geen wonder dat er vrijwel geen draagvlak meer is! Daarbij komt nog dat meer gegevens voorlopig zullen uitblijven, want het RIVM heeft recent gezegd veel meer tijd nodig te hebben voor een uitgebreid praktijkonderzoek, dat ze nu wel mogen gaan doen. 4

Beleving windenergie op land - Energy.nl

8

En waarom laten overheidsvertegenwoordigers op dit terrein toe dat de initiatiefnemers van windturbineprojecten zo makkelijk onwaarheden verkondigen? Sterker nog, veel bestuurders nemen dat over. We noemen drie belangrijke door ons bekritiseerde uitspraken: De IWT’s worden steeds stiller. De impact van grotere turbines is niet groter dan die van kleinere. Het RIVM zegt dat het met de geluidseffecten wel meevalt. Nee, in lijn met de WHO definitie van gezondheid beschouwt het RIVM hinder en slaapverstoring zelf ook als schadelijk gezondheidseffect! En impact gaat nog veel verder dan alleen geluid. Wat gebeurt er bij de ontwikkeling allemaal? Kappen van bomen, sloop van obstakels, aanleg van wegen, aanleg van grote netwerkverbindingen. En bij gebruik? Chemische belasting van omgeving (bisfenol A, invloeden van fijnstof op mens, dier, grondoppervlak met flora, invloed van vervuiling met olie (vooral bij slecht onderhoud) en doden van vogels, vleermuizen; verjagen van dieren door geluid en trillingen. En zeker belasting vanwege brand en mast- en wiekbreuk.

Waarom zijn er zo weinig data van de al lang bekende genoemde effecten? En waarom ontbreken data over het functioneel falen? Waarom moeten ondoorzichtige modellen en berekeningen dit compenseren? En waarom worden zoveel milieurisico’s afgedekt via enkel en alleen quickscans? Wij merken op dat het RES-proces in de vele regio’s veel ondoorzichtigheid veroorzaakt en bestuurders dwingt tot uitspraken die ongefundeerd zijn, zonder dat de uitgangspunten heroverwogen worden. Dit ondanks gebleken feiten als onverwacht hoge kosten, kapitaalvlucht en netcongestie. En tot nu toe wordt nooit aangegeven dat de tweejaarlijks beloofde herijking van de RES, dus vanaf 2019, nodig is. Ook hier wreekt zich de geforceerde aanpak bij het tot stand brengen van het klimaatakkoord, zoals wij hiervoor ook al hebben aangegeven5 Wij constateren dat er jarenlange politieke sturing van de overheid is om, geholpen door ingehuurde adviesbureaus met opdrachten binnen de wenselijke kaders van de overheid, schijnbaar onafhankelijk uitspraken te kunnen doen. Deze uitspraken moeten dan steeds weer het misleidende gevoel geven dat alles zorgvuldig, overwogen en betrouwbaar gebeurt. Rond het gebruik en de schaalvergroting van de IWT’s wordt op grove wijze voorbijgegaan aan het doel van de wetgeving. Hier dus de wetgeving die er is ter bescherming van het milieu.

En ook de wetgeving waartoe dit ontwerpbesluit op de hier aangegeven basis zou moeten leiden.

Bij vraag 3: Hoe kan het dat er voorbijgegaan wordt aan gebleken factoren op basis van beleving van mensen ten aanzien van aantasting landschap, visuele hinder met lichtschittering en slagschaduw, (on)veiligheid en waardedaling van huizen in de omgeving van de turbines? NB Waardedaling zelf is geen milieuaspect, zoals een uitspraak van de RvS luidde, maar moet in deze context zeker genoemd worden vanwege het belevingsaspect. Hoe kan het dat waar het hier steeds gaat om een besluit leefomgeving, er niets gezegd wordt over beleving? Zijn psychologische factoren (of mentale factoren) dan niet belangrijk? Zijn we niet allemaal op zijn tijd op zoek naar natuur en een vriendelijker landschap dan het industriële? Wordt de waarde van het vakgebied psychologie en het altijd voorkomende aspect van mentale factoren bij beleving dan helemaal ontkend? En zijn die megaturbines van 200 m 5

TNO 2021 P12357

9

tiphoogte of nog hoger, niet bedreigend voor velen? En wordt die visuele hinder, die een algemeen geaccepteerd belangrijk verschijnsel is, niet versterkt door bijvoorbeeld slagschaduw en lichtschittering? En natuurlijk ook door het lawaai, door de dode vogels en vleermuizen die rondom de turbine te vinden zijn. En daarnaast natuurlijk ook door de ondoorzichtigheid van de besluitvorming en het onvermogen van veel bestuurders om de link te leggen met het nut van de turbines? En wordt dat niet erger naarmate er meer turbines zijn en de besluitvorming op zo’n ondoorzichtige wijze gebeurt als dat nu het geval is? Is de oude normering niet voor niets buiten werking gesteld? Het heeft allemaal invloed op de beleving van mensen. En is die veiligheid eigenlijk wel goed geborgd? Wij constateren een groeiend bewustzijn bij veel mensen over wat er gaande is rondom de IWT’s en de besluitvorming. En die leiden bijvoorbeeld tot verhitte discussies in veel gemeenteraden. En buiten dat leiden ze tot aanzienlijke waardedaling van de huizen in de omgeving. Is het al niet absoluut dan is het wel relatief, aangezien andere woningen veel meer in waarde zijn toegenomen. Regelmatig komen er ongelukken voor met IWT's. Wieken en masten breken6, er ontstaan branden hoog in de toren, te hoog om te kunnen blussen. Ook komt het voor dat brokstukken ijsafzetting van de wieken losraken en schade veroorzaken.

Hoe vaak ongelukken met windturbines per jaar voorkomen is wel bijgehouden via bijvoorbeeld de informatie van het Caithness Windfarm Information Forum (CWIF) 7 maar zelden gedeeld. Het CWIF is al een tijd geleden om onduidelijke redenen gestopt. In Duitsland is het in de periode 2015-2019 geteld en men kwam uit op 62 ernstige ongelukken. Dat is gemiddeld toch 15 per jaar. Een oorzaak schijnt te zijn dat men gebruikte onderdelen, ook wieken, plaatst in nieuwe turbines. Ook duidelijk is dat financiële belangen het verantwoord duurzaam gebruik van materialen nadelig beïnvloeden. Mede doordat alle grote fabrikanten van turbines momenteel verlies lijden staan noodzakelijke veiligheidsmaatregelen en het wenselijke onderhoud van de turbine ook onder druk8. Hoe hoger het aantal turbines, hoe hoger het risico-percentage. Verder zijn lichtschittering en slagschaduw verschijnselen die van verre waarneembaar zijn. Bij slagschaduw ervaren natuurlijk de mensen die zich in het afwisselende licht-donker gebied bevinden de hevige onrust, maar ook de mensen in de buurt nemen die onrust waar. Er is een veel groter gebied dat beïnvloed wordt dan het gebied waarvoor nu maatregelen voorgesteld worden. Beleving met negatieve gevolgen voor de gezondheid wordt wel onderkend in het ontwerpbesluit, maar wordt niet meegenomen in het beoordelingskader omdat die relatie niet kan worden aangetoond.

Dat wil niet zeggen dat die relatie werkelijk niet bestaat. Juist in deze situatie geldt de verplichting uit het Voorzorgsbeginsel om er wetenschappelijk onderzoek naar te doen om veiligheid te waarborgen. Wij roepen nadrukkelijk op, om het aspect beleving, zoals hiervoor omschreven, toe te voegen aan het beoordelingskader. Wij constateren dat fundamentele waarden van mensen met voeten getreden worden, ten onrechte wordt er niet gelet op <beleving> in het ontwerpbesluit windturbines <leefomgeving>. Vele belangrijke signalen zijn miskend of op kortzichtige wijze onderschat. We noemen psychologische factoren, slagschaduw in

6

https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/5357198/grote-ravage-zeewolde-windmolen-vernield https://www.caithness.org/windfarms/ 8 https://projects.oregonlive.com/wind-farms/ 7

10

de wijde omgeving, lichtschittering, lawaai, ongelukken en gebleken vogelsterfte in de nabijheid allemaal levensbedreigend. Wij roepen nadrukkelijk op, om het aspect beleving, zoals hiervoor omschreven, toe te voegen aan het beoordelingskader. Bij vraag 4: Waarom wordt voorbijgegaan aan de, inmiddels in het geheel verdwenen, voorwaarde voor het verkrijgen van draagvlak voor de uitrol van windturbines? Draagvlak heeft alles te maken met nut, noodzaak en acceptatie. Na het klimaatakkoord van Nederland in 2019 zijn 30 regio’s opgezadeld met een opgave voor grootschalige elektriciteitsopwekking op basis van zogenaamde “bewezen technieken” met zon en wind. Dit werd een "bestuurders-feestje", een besluitvormingsproces waarbij provinciale en gemeentelijke bestuurders gingen uitmaken hoe en hoeveel opwek mogelijk zou zijn en op welke wijze. Dit zonder de democratisch vereiste onderbouwing en inbreng van burgers! Echt goede onderbouwing is nooit gegeven. Bij de afspraken aan de klimaattafels, wat er aan voorafging, waren het de diverse bedrijfssectoren die tot de afspraken kwamen (zie het TNO rapport)9 in overleg met een beperkt aantal maatschappelijke organisaties en daarna is het gedropt in de 30 (RES)regio’s. De landelijke overheid had de houding van “niet mee bemoeien” en in de regio’s was onvoldoende kennis om de besluiten en de strategie te verdedigen.

Veel naar voren gebrachte feiten bleken niet zo feitelijk te zijn. En dat wordt ook bevestigd rondom de toepassing en geforceerde uitrol van de veel te snel opgeschaalde (grootte van) de turbines. De bestuurders zagen dit met lede ogen gebeuren en stapten, zo ongemerkt mogelijk, over op gewenste acceptatie van het programma en daarna zelfs enkel op financiële participatie. En ook dat is in de huidige situatie beslist geen vanzelfsprekendheid. Hieraan moet worden toegevoegd dat velen in de afgelopen jaren in de mogelijke vergunningverlening van windparken op goede gronden hebben gevochten tegen de besluitvorming, maar uiteindelijk bij de Raad van State op basis van de oude normen in het ongelijk zijn gesteld. Dezelfde Raad van State heeft uiteindelijk geconstateerd dat de oude normen uit het activiteitenbesluit op een andere wijze, middels een planMER, tot stand hadden moeten komen. Er is wel het verplichte en wettelijk vastgelegde maatschappelijk draagvlak (in de Nationale Omgevings Visie - NOVI), maar daar wordt voortdurend aan voorbijgegaan. Tenslotte verwijzen wij in dit kader naar de vele NIMBY acties van tegenwoordig in relatie tot de bewustwording rondom het plaatsen van windturbines en ook weer naar de resultaten uit het TNO-rapport dat wij bij vraag 2 al aan de orde hebben laten komen.

Wij constateren dat het transitieproces op een verkeerde manier is aangepakt en ingestoken. En dat er bovendien in het proces tot nu toe fundamentele fouten zijn gemaakt waardoor het begrijpelijk is dat draagvlak bij de burger is verdwenen.

9

TNO 2021 P12357

11

Bij vraag 5: Hoe kan op de voorgestelde wijze, zonder aandacht voor afscheiding van stoffen door de turbine en de directe gevolgen van het draaien van de wieken, het milieu met alle flora en fauna beschermd worden? Over afscheiding van stoffen Leading Edge Erosion ofwel aantasting van met name de voorkant van de wieken is een groot probleem. IWT composiet rotor turbinebladen worden onder andere blootgesteld aan wrijving, UV straling, regen, hagel, sneeuw en ijsvorming, blikseminslag, brand enzovoort. Ook ontstaat er bijvoorbeeld aan de uiteinden van de tip een grote temperatuurverhoging, waardoor het materiaal kwetsbaar wordt. Alle genoemde natuurlijke invloeden zorgen ervoor dat het composiet materiaal degradeert (fatigue) en het lange-duur gedrag negatief wordt beïnvloed. Wrijving zorgt voor slijtage van materiaal aan de oppervlakte. Dit slaat als fijnstof neer in de omgeving. Deze chemische fijnstof, ook wel micro-plastics genoemd, bestaat uit pure zeer fijne epoxyhars deeltjes, die bij inslag door hagel etc. ook deels vermengt met glasvezeldeeltjes (het E- of C-glas) en ook carbonvezels! IWT's veroorzaken door aantasting van de wieken met name Bisfenol A vervuiling. Deze Bisfenol A behoort tot de categorie “Zeer Zorgwekkende Stoffen". De mate waarin is momenteel in onderzoek bij het RIVM en de Vrije Universiteit Amsterdam.

De gevolgen en gevaren van Bisfenol A worden uitgebreid vermeld op de website van het RIVM . Recent zijn er aanwijzingen gevonden dat BPA bij nog lagere blootstelling een schadelijk effect kan hebben op het immuunsysteem van ongeboren en jonge kinderen. Daardoor hebben kinderen mogelijk meer kans om voedselintoleranties te ontwikkelen en kunnen ze gevoeliger worden voor infectieziekten. Het RIVM pleit voor aanscherping van de richtlijnen. Bisfenol A verdwijnt niet meer uit het milieu, hierin heeft de overheid een zware verantwoordelijkheid. Er zijn ook veel meer studies beschikbaar over de erosie van windturbinebladen en de daarmee samenhangende verspreiding van Bisfenol A. Het is een hormoonverstorende en kankerverwekkende stof. De eerste onderzoeken en berekeningen wijzen erop dat per turbine jaarlijks meerdere kilo’s van rotorblad stof in de omgeving terechtkomen. De recente quickscan aangaande de emissies van gevaarlijke stoffen voor wind op zee uitgevoerd door het RIVM10 laat dit zien. Daaruit kwam naar voren dat er reden is tot zorg. Er is geen reden om aan te nemen dat bij wind op land de situatie anders is. Er bestaat momenteel dus duidelijk een leemte in de kennis.

Maar om op te merken op pagina 44 van het planMER dat over de erosie van de bladen nog weinig bekend is, bijvoorbeeld over de samenstelling van de bladen en welke stoffen zouden kunnen vrijkomen is natuurlijk een uiterst dubieuze uitspraak. Dit hoort niet thuis in een dergelijke verantwoording. We lezen in het RIVM rapport: “Na uitharding wordt verwacht dat de halfvaste epoxyhars op bisfenol-A-basis in alle toepassingen in hoge mate zal reageren. Vanwege de zeer lage concentraties van vrije (niet-gereageerde) epoxyharsen op basis van bisfenol-A in toepassingen voor eindgebruik, is de ontwikkeling van blootstellingsscenario's voor downstreamgebruik (levensduur, afvalverwerking) niet vereist en ook niet uitgevoerd”.

Notitie: De uithardingstijd voor deze producten varieert en is afhankelijk van een verharder component die in de formulering wordt gebruikt. Dat is dus per product en producent verschillend! Post curing, het naharden, is afhankelijk van het uithardingsproces, waarbij temperatuur en tijd belangrijke factoren zijn. Naharden van het product, een chemische reactie vindt nog plaats ten tijde dat het product operationeel is en kan enkele jaren duren dat er nog chemische stoffen vrijkomen, afhankelijk van onder andere UV inwerking en verwerkte grondstoffen. 10

https://www.rivm.nl/publicaties/eerste-inzicht-in-emissies-van-chemische-stoffen-bij-wind-op-land-resultaten-quickscan

12

Lot van het milieu Halfvaste epoxyharsen op basis van bisfenol-A zijn vatbaar voor indirecte inwerking van licht, wat resulteert in vergeling van uitgeharde producten. Halfvaste epoxyharsen op basis van bisfenol-A zijn onoplosbaar vanwege de fysische toestand. Van halfvaste epoxyharsen op basis van bisfenol-A is niet de verwachting dat ze bioaccumulerend zijn volgens producent Huntsman. We kennen biomagnificatie, dat wil zeggen het ophopen van (giftige) stoffen in organismen door voedselopname en bioconcentratie, dat wil zeggen het uitsluitend ophopen van een chemische stof in een organisme, door directe opname uit het omringende water, zoals bij dieren via de huid (percutaan) of de mond (oraal), bij planten via de wortels, bij korstmossen via het volledige oppervlak. Doorgaans wordt dan met bioaccumulatie het geheel van biomagnificatie en bioconcentratie bedoeld. Er zijn momenteel geen milieu toxicologische (vergiftigende) gegevens beschikbaar voor halfvaste epoxyharsen op basis van bisfenol-A. Er wordt echter verwacht dat eventuele nadelige effecten na een accidentele blootstelling veroorzaakt zullen worden door de resterende concentraties van op bisfenol-A gebaseerde vloeibare, niet volledig uitgeharde, epoxy harsen op basis van zogeheten aliphatic, anhydride en aromatic amine harder systemen.

Sinds juni jongstleden is bekend dat al de vijf grote windturbinefabrikanten uit West-Europa verlies leiden. Koploper daarin is Siemens Gamesa. Bekend is dat zij een noodreparatie hadden moeten uitvoeren op 140 van de 175 turbines op het 630 MW tellende London Array windpark uit 2018 als gevolg van eerder dan verwachte leading edge erosion (3 jaar). Dit kwam een maand nadat Siemens Gamesa gedwongen was om 87 van de 111 turbines van een windpark van 400 MW in Anholt, Denemarken te repareren11 Gaan we nog dieper in op het verschijnsel dan moeten we het ook hebben over bioaccumulatie in een levend organisme. Dit treedt op wanneer de snelheid waarmee een chemische stof wordt opgenomen groter is dan de snelheid waarmee de stof uit het organisme verdwijnt. Een dergelijke chemische stof kan in het lichaam worden geneutraliseerd door metabolisatie tot (een of meerdere) andere, lichaamseigen stoffen (metabolieten), of uit het lichaam worden verwijderd door uitscheiding via de nieren. Bij planten kunnen deze stoffen worden opgeslagen in de cellen. Door afsterven van de organen, bijvoorbeeld de bladeren waar deze opslag plaatsvindt, raakt de plant deze stoffen weer kwijt.

Gevarenaanduidingen: H315 Veroorzaakt huidirritatie H319 Veroorzaakt ernstige oogirritatie H317 Kan een allergische huidreactie veroorzaken H411 Giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen Vrijwaring door RIVM en producenten: De informatie en aanbevelingen in de Huntsman publicatie zijn: “naar ons beste weten, informatie en overtuiging, correct op de datum van publicatie”. Citaat: “NIETS HIERIN MOET WORDEN GECONSTRUEERD ALS EEN GARANTIE, UITDRUKKELIJK OF ANDERSZINS”. De industrie houdt dus allerlei mogelijkheden open, dus geen garanties of aansprakelijkheid. In de Europese regelgeving omtrent gevaarlijke stoffen (REACH, definitief aangenomen door de Europese ministerraad op 18 december 2006, en van kracht vanaf 1 juni 2007, worden zorgwekkende persistente, synthetische organische stoffen ingedeeld als "PBT-stoffen of zPzBstoffen". Deze stoffen kunnen aan een vergunningensysteem worden onderworpen, dat wil 11

https://www.windwiki.nl/wp-content/uploads/2021/10/Vervuiling-door-erosie-van-rotorbladen-van-windturbines.pdf

13

zeggen dat ze niet mogen gebruikt worden tenzij er uitdrukkelijk een vergunning voor verleend is. ●

PBT-stoffen zijn persistente, bioaccumulerende én toxische stoffen;

●

zPzB-stoffen zijn zeer persistente en sterk bioaccumulerende stoffen (ongeacht hun toxiciteit).

Daarnaast vindt er ook uitloging (fenolen) plaats van coatings die worden toegepast onder andere op de monopile bij MP coatings. We verwijzen ook naar de RIVM quickscan presentatie “Inzicht in impact stoffen wind op zee”12 Microplastics en nanoplastics Het volgende is te lezen op de GGD Leefomgeving site mbt microplastics: “Er is geen samenvatting, omdat dit een beschermd bericht is”. Dit bevordert dus ook al niet de transparantie. De Gezondheidsraad geeft aan dat er nog te weinig bekend is over de gezondheidsrisico’s van microplastics om ons er echt zorgen over te gaan maken. Wel vindt de Gezondheidsraad dat we uit voorzorg: ●

betere meetmethoden moeten ontwikkelen om microplastics aan te tonen;

●

meer onderzoek moeten doen naar de gezondheidseffecten van microplastics;

●

moeten proberen om te voorkomen dat microplastics in het milieu terechtkomen.

Kans op ziekte door de reactie van je lichaam op de deeltjes: Als je lichaam de plastic deeltjes beschouwt als ‘vreemd’, dan gaat je lichaam ze opruimen. Er ontstaan dan een soort ontstekingen. Die ontstekingen zouden mogelijk weer kunnen leiden tot ziekten, zoals kanker, hart- en vaatziekten, longziekten en de ziekte van Parkinson. Maar we weten niet (volgens de GGD) of dat ook echt zo is, daar is meer onderzoek voor nodig. Giftige stoffen in of op microplastic deeltjes: Soms voegt een fabriek extra stoffen toe aan microplastic deeltjes. Bijvoorbeeld om ze soepel, brandwerend of gekleurd te maken. Het is niet bekend wat voor effect deze stoffen kunnen hebben op je gezondheid. Extra pigmentstoffen worden bijvoorbeeld ook toegevoegd bij de oppervlakte behandeling van composiet rotorbladen om bijvoorbeeld lichtschittering tegen te gaan. Het bevreemdt ons zeer dat er geen enkele verwijzing wordt gemaakt naar de brandveiligheid en de gevolgen die bij brand ontstaan mbt de omgeving! Het zijn geen incidenten, zoals de windindustrie ons wil doen geloven, de branden als gevolg van bijv. blikseminslag, of doordat kogellagers oververhit raken, elektrische kortsluiting of overslag plaatsvindt leidt tot deze intense en catastrofale branden, die men momenteel niet kan blussen.

De alom gebruikte term van de brandweer is: gecontroleerd uit laten branden! Gevaren en blootstelling die kunnen ontstaan tijdens windturbine branden mbt externe veiligheid en door chemische neerslag van gevaarlijke stoffen en daaruit voortvloeiende consequenties kunnen zijn, te vinden in de bijlage: Gevarenaanduidingen voor milieugevaren, begeleidende tekst codes H300+.en H400+, etc.. Het voorzorgsprincipe is een moreel en politiek principe dat stelt dat als een ingreep of een beleidsmaatregel ernstige of onomkeerbare schade kan veroorzaken aan de samenleving of het milieu, de bewijslast ligt bij de voorstanders van de ingreep of de maatregel als er geen 12

https://www.rivm.nl/sites/default/files/2022-06/Chemische_stoffen_bij_windturbines_op_zee_TG.pdf

14

wetenschappelijke consensus bestaat over de toekomstige schade. Het voorzorgsprincipe is vooral van toepassing in de gezondheidszorg en het milieu; het gaat daar in beide gevallen over complexe systemen waar ingrepen resulteren in onvoorspelbare milieueffecten zoals veiligheid voor mens en dier, flora en fauna. In het milieubeleid wordt het principe vaak als volgt uitgelegd: als er een ingreep plaatsvindt of plaats gaat vinden waarvoor sterke aanwijzingen bestaan dat deze ernstige effecten hebben op het milieu, moeten maatregelen volgen ook al is er nog sprake van wetenschappelijke onzekerheid. Het voorzorgsprincipe is een van de uitgangspunten van Europese milieuwetgeving, net als principe “de vervuiler betaald” en bijvoorbeeld het subsidiariteitsbeginsel. Een andere vorm van chemische neerslag ontstaat als gevolg van brand in de gondel en die van de composiet rotorbladen. De turbine is ook voorzien van hydraulische olie, let wel dit is giftig (toxisch) met een volume tussen 800 en 2.000 liter. De huidige generatie IWT’s kampen regelmatig met hevige hydraulische olielekkages en dit slaat neer (sproeit en lekt) op de nabije omgeving van een IWT met alle gevolgen van dien. Die lekkages worden erger naarmate er meer slijtage optreedt. En dat gebeurt onvermijdelijk bij het toenemen van de draaiuren.

Verder is de behuizing (kap) van de gondel gemaakt van een composiet materiaal en die zal door brand verwoest worden en neerslaan op de omgeving. SF6 gas valt in de categorie zeer sterke broeikasgassen. Het is 22.800 maal sterker broeikasgas dan CO2. Geschat verlies (2,6% p/j, volgens IPCC), per windturbine ca. 7 kg. Voor de kleinere turbine, switchgear, relatief laag voltage, ~6 kg SF6 – Alternatief is mogelijk. Substation groter voltage, groter volume, ~100 kg SF6 – Alternatief moeilijker. Er moet in ieder geval vastgelegd worden dat er voor controle doeleinden een monitoring (banking systeem) plaatsvindt mbt deze nieuwe generatie industriële windturbines! Voor nieuwe generatie IWT’s: voorkom gebruik SF6 – voor industriële windturbines veel ontwikkelingsalternatieven SF6, dus verplichten milieuvriendelijke alternatieve gassen in te zetten. Men moet zich als overheid afvragen hoe men met alle onzekerheden en kennishiaten in staat is een gedegen en onderbouwd rapport samen te stellen, of heeft het weer betrekking op alleen literatuuronderzoek zoals zo vaak is gebeurd door het RIVM en GGD? De quickscan geeft al aan in te zetten voor vervolgonderzoek multi-use scenario’s: - Mogelijk scenario inschatting emissies - Gebied: wateroppervlakte “onder” het windpark - Emissie: coatings en rotorbladen – “badkuip model”?

“Meten is weten” en zeker bij de nieuwe generatie industriële windturbines met een heel ander technisch design, is het moeilijk een nauwkeurige analyse te geven hoe groot de emissie verschillen zijn. Het is absurd te stellen dat de vrijkomende SF6 gas emissies verrekend zouden kunnen worden met de te verwachten CO2 reductie. Uit het RIVM rapport: Kennishiaten “Uit de verkenning blijkt verder dat er voor sommige maatregelen onvoldoende informatie is om een goede inschatting van de gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s te kunnen doen. Bij die onderwerpen

15

is sprake van kennishiaten en is aanvullend onderzoek nodig om de effecten beter in kaart te brengen, niet alleen voor de huidige situatie maar ook door toepassen van mitigerende maatregelen. De energietransitie bevindt zich in de ontwikkelfase en juist dan moet rekening worden gehouden met gezondheids- en veiligheidsaspecten. Dit RIVM rapport biedt hiervoor enkele handvatten. Het is echter ook zinnig om gedurende het gehele proces van de energietransitie momenten in te bouwen om na te gaan hoe gezondheidseffecten en veiligheidsrisico’s zich ontwikkelen en welke mogelijkheden er op dat moment zijn om eventuele effecten en risico’s te voorkomen of te reduceren”.

“Bezint eer ge begint” is zeker van toepassing mbt de Next Generation industriële windturbines (IWT’s) op land en in de nabijheid van kwetsbare en NNN en N2000 gebieden en leefomgeving! De samenvattende conclusie is: Er komt aantoonbaar fijnstof vrij met de direct daaraan gelieerde micro-plastics en het mogelijk uitlogen van fenolen. De chemische belasting is aanzienlijk. Deze dienen wel meegenomen te worden in de beoordelingstabel voor de MER als een bekend en onderscheidend effect op het milieu en de leefomgeving! In hoofdstuk 6.2.2 van het ontwerpbesluit wordt gesteld dat de erosie van bladen een verantwoordelijkheid is van de producenten. Het op deze manier afschuiven van de eigen MER verantwoordelijkheid is onacceptabel. Vanuit het Europese voorzorgsbeginsel is juist in dit soort situaties wetenschappelijk onderzoek voorgeschreven om veiligheid aan te tonen. Daarom rust een plicht de effecten van deze stoffen, zoals Bisfenol A, wetenschappelijk te onderzoeken en toe te voegen aan het beoordelingskader. Alleen dan kan voldoende bescherming geboden worden aan mens, milieu, flora en fauna. Hier dient het Europese voorzorgsbeginsel leidend te zijn, maar ook om emissies te voorkomen bij het onderhouden van de composiet turbinebladen.

Er wordt gerefereerd aan het document Life Cycle Assessment of electricity production from an onshore Windplant13: “An extensive test and verification programme ensured reliability before full-scale production and first deliveries. Several improvements were made in LCA of the V112 turbine in 2014 compared to the assessment of the Mark 0 turbine in 2011 (PE, 2011), which are also included in this assessment and summarised again below. Two further improvements are also made for this 2015 study”.

Wij wijzen in dit kader ook op optredende calamiteiten als brokstukken ijs die weggeslingerd kunnen worden bij vriezend weer. Dit gaat gemakkelijk over honderden meters. Het kwam vorig jaar in Drente voor. Wij wijzen op het mogelijk breken en rondslingeren van (delen van) wieken en het breken van de mast. Wij wijzen op enerzijds de snel toenemende groottes van de IWT’s zonder dat deze goed uitgetest zijn. Daar zijn dus nog geen faalgegevens van. En anderzijds op de calamiteiten die juist kunnen gaan optreden bij relatief oude turbines. Vermoeiing van materialen en resultaten van onvoldoende onderhoud zijn nog lang niet goed bekend. Ook hier speelt de snelle schaalvergroting een rol die onmogelijk goed in te schatten valt. Uit de gestelde normen in dit verband concluderen wij dat er in onvoldoende mate rekening gehouden wordt met deze soort van calamiteiten en dat er onvoldoende veilige afstanden gehanteerd worden.

13

V112-3.3 MW Wind Plant. Garrett, P. R., Klaus. (2015)

16

Over de natuur De natuur moeten we koesteren. Te vaak wordt die geslachtofferd voor woningbouw, bedrijventerreinen, infrastructuur, enz. Ook bij zoeklocaties voor windturbines valt het op dat deze vaak in en/of op korte afstand van natuurgebieden gekozen worden. Windturbines zijn een grote oorzaak van insecten- en vogelsterfte. De insectenpopulatie, die al bedreigend laag is, is van essentieel belang voor de biodiversiteit en ons ecosysteem. Het leven is ervan afhankelijk. Vele vogels, waaronder bedreigde en beschermde soorten, zoals de Rode Wouw, worden door de enorme wieken gedood. En ook vleermuizen worden gedood door de wieken of worden doof of krijgen longbeschadigingen door de luchtdrukschommelingen, vanwege het passeren van de wieken langs de mast. Door het verlies van de sonar sterven vleermuizen. Wij citeren de uitspraak op pagina 60 van de planMER (hfst 4): De afgelopen decennia is er veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen windturbines en vleermuizen. Daaruit komt naar voren dat windturbines potentieel veel slachtoffers kunnen maken. Extra risico voor vogels ontstaat in trekvogel- en broedgebieden. SOVON heeft onderzoek gedaan naar (hoog)risicogebieden voor windturbines, vanwege treken broedvogels. Zo is in onze streek langs een groot deel van de oostgrens (Twente en de Achterhoek) een strook hoogrisicogebied gelegen[2].

Wij horen de betrokken overheden en de initiatiefnemers voor de geplande projecten er in het geheel niet over. In de directe omgeving verdwijnen dieren. Uit onderzoek in Noorwegen bleken rendieren uit de omgeving van windturbines te verdwijnen. Kennelijk wordt de natuurlijke balans verstoord. Omgevingsvreemde geluiden of andere trillingen roepen bij dieren vluchtgedrag op. De vraag is in welke mate de afname van de soorten uiteindelijk het verdwijnen van de soort in dit gebied betekent? Het voorzorgsbeginsel zou moeten betekenen dat er garanties voor bedreigde soorten worden gegeven. Bij het vinden van gedode vogels e.d. is het de vraag wie daarvoor verantwoordelijk gesteld kan worden? De flora- en faunawet is hier duidelijk in en kent de nodige jurisprudentie. Wij verwijzen hier ook naar de bijlage het onderdeel aan het einde van deze zienswijze.

Bij vraag 6: Hoe kan het dat schaalvergroting zonder onderzoek voor de impact op de omgeving alsmaar doorgaat terwijl er in dit voorstel twee referentie turbines gekozen zijn met groottes die nu nog niet eens functioneel zijn in ons land? En hoe kan het dat de grootste daarvan nog niet eens technisch ontwikkeld is? Over schaalvergroting de volgende impressie14 en de volgende voorbeelden van windturbines in Nederland15 In het jaar 2000 100 m tiphoogte 1,65 MW vermogen 2008 140 m 2 MW 2017 200 m 3 MW 2021 210 m 4 MW En nu zijn er zelfs turbines in aanbouw van 6 MW en 7,5 MW met ongeveer 240 m tiphoogte. De referentie turbines in het ontwerpbesluit zijn 235 m en 280 m. Die van 235 m is dus vrijwel gelijk aan de grootste turbines die nu in aanbouw zijn en die van 280 m zijn dus turbines met een hoogte die op dit moment nog helemaal niet gehaald wordt. 14

https://www.destentor.nl/economie/nieuwe-windmolens-in-flevoland-verpulveren-hoogterecord~a6ec6fd6/?cb=5f9f65ec ae3e0e8bdcf9f8e1d0accf36&auth_rd=1#:~:text=Windturbines%20worden%20net%20wolkenkrabbers.,met%20bijna%2 0vijftig%20meter%20verpulverd. 15 https://nl.wikipedia.org/wiki/Windturbines_in_Nederland

17

Wij constateren dat bij schaalvergroting van technische producten dit altijd via prototypes en onderzoek gedaan moet worden. In de eerste plaats naar technisch falen, want anders komt er geen product en in de tweede plaats naar veiligheid en gezondheid van de mensen in de directe omgeving. Een fabrikant bedenkt normaal wel honderd keer wat hij moet doen voordat hij een goed product op de markt brengt. Hij verspeelt immers veel geld en inspanning als het product onder de maat blijkt te zijn. De overheid heeft in de wetgeving als het goed is alle noodzakelijke eisen voor zo’n proces opgenomen. Windturbines zijn ook zo’n product. Wat schetst onze verbazing? Deze worden niet onder de genoemde voorwaarden ontwikkeld en gebouwd. Momenteel is er wel een prototype-turbine, de GE Haliade X met een tiphoogte van 248 m in de testfase. Er is in 2020 wel aangegeven dat er 5 jaar van testen zal gaan plaatsvinden. De plek waar deze staat is vrij van omwonenden en van een relatief grote diversiteit aan natuur. Er zijn mogelijk in aanbouw zijnde turbines van eenzelfde orde van grootte, van diverse fabrikanten die mogelijk al wel elders gebouwd zijn, maar dan niet onder onze Europese en Nederlandse certificering. En dus zeker niet gedaan na zorgvuldig onderzoek naar de milieueffecten in de leefomgeving.

Wij constateren dat de overheden voorbijgaan aan de basale voorwaarden om dergelijke megaturbines te plaatsen en in gebruik te nemen. Een veeg teken, in het kader van de ontwikkeling van de turbines, is dat nu de 5 grootste turbine fabrikanten van Europa alle aanzienlijke verliezen lijden. De CEO van Siemens Gamesa zegt dat zij de laatste 2 jaar te veel problemen onder het tapijt hebben geveegd. En een belangrijke medewerker zegt voor TV dat het probleem is dat wanneer zij zich als bedrijf net ingesteld hebben op het bouwen van een bepaald model, zij alweer moeten aanpassen, want er is weer een nieuwer nog weer groter model. Wij maken bezwaar dat milieunormen worden vastgesteld op grond van deze referentieturbines, aangezien deze nog niet voldoende zijn uitgetest en nog niet operationeel zijn. Dergelijke milieunormen zijn puur theoretisch en om hiermee veiligheid en gezondheid voor mens, dier en flora te waarborgen, is niet wetenschappelijk, onjuist en onverantwoordelijk. Dus onze conclusie is dat de schaalvergroting veel te snel gaat! Van “bewezen technieken” is in het geheel geen sprake en van vereist zorgvuldig onderzoek ook in het geheel niet! En dat al vele jaren lang. Zelfs een behoorlijk vragenlijstonderzoek bij omwonenden van bestaande turbines wordt niet gedaan.

Bij vraag 7: Hoe kan het dat in het voorstel afstandsnormen voorgesteld worden, die nog helemaal geen goede bescherming bieden voor omwonenden? En hoe kan het dat er een voorkeur voor de laagste norm voorgesteld wordt die aantoonbaar het slechtste is van West Europa? Een afstandsnorm heeft het voordeel dat zij duidelijk is en goed handhaafbaar is. Daardoor zegt het al veel bij het plannen van de windturbines, maar daar staan ook wel nadelen tegenover als dit gezien wordt als de enige maat of als de norm geen waarde heeft tov de andere normen. In dat geval biedt het dus in werkelijkheid geen bescherming! En dat geldt ook op basis van de regel dat in ‘speciale, uitzonderlijke omstandigheden’ een uitzondering gemaakt mag worden op de afstandsnorm. Dan is het dus altijd mogelijk om op grond van de energietransitie doelen de norm ook weer aan de kant te schuiven. 18

Afstandsnormen zijn van belang om mensen en dieren te beschermen tegen gezondheidsschade. Er is, zoals het RIVM aangeeft, een duidelijke relatie tussen het geluidniveau van windturbines en hinder. Dit is in lijn met wat de WHO (World Health Organization) zegt. Bovendien moet daarbij hinder ook gezien worden als een schadelijk gezondheidseffect. De norm voor Gezondheid in het ontwerpbesluit wordt weergegeven in het percentage 'ernstige gehinderden' bij een bepaalde geluidsterkte (dB). Waar de grens ligt tussen hinder en ernstige hinder is niet duidelijk. Wel lijkt daarmee gerechtvaardigd te worden dat hinder, ofwel gewone hinder, niet zo belangrijk is, maar in de analyse alleen een (eigen) zwaardere categorie gehanteerd wordt. In het ontwerpbesluit wordt gesteld dat ernstige hinder op langere termijn kan leiden tot ernstige gezondheidseffecten. Tegen een dergelijke stellingname is veel in te brengen. Immers, het is dan geruime tijd achteraf, waarbij de relatie met effecten van windturbines als aantoonbaar bewijs door de tijd sterk belemmerd wordt. Het is het paard achter de wagen spannen. Een preventieve norm zou veruit de voorkeur hebben. We zijn van mening dat het ontwerp zich daarop dient te richten.

Let wel, wij kunnen ook stellen dat uit het wetenschappelijk onderzoek van alles wat nu beschikbaar is, lineaire relaties gevonden worden tussen de sterkte van windturbinegeluid en het optreden van slaapstoornissen, alsook voor de afstand tot IWT’s en slaapstoornissen.16 Juist bij hinder is er een grote afhankelijkheid, dus onzekerheid, over het vastgestelde percentage in relatie tot het geluidsniveau. Als mensen de klachten niet melden blijft het buiten de registratie. Men gaat in het ontwerpbesluit kennelijk uit van statistische data, feitelijk theoretisch en niet gebaseerd op empirisch onderzoek. Daarom is deze norm buitengewoon onzuiver en beslist onwetenschappelijk. Vraag 7.1: Is de overheid bereid om een zuivere en bruikbare preventieve norm vast te stellen voor gezondheid? Het effect van de geluid varianten op gezondheid is bepaald op basis van dosis-effectrelaties Michaud et al. (2016)17 en TNO (2008)18. Deze dosis-effect relaties geven voor het specifieke karakter van windturbinegeluid het verband tussen de geluidbelasting vanwege windturbines, uitgedrukt in Lden, en de ervaren (ernstige) hinder. Bij beide dosis-effectrelaties (Michaud en TNO) geluidbelasting boven 40 dB Lden wijken de resultaten af. Ook op dit aspect van de gekozen norm kan het label onzuiver worden geplaatst.

Men is uitgegaan van gedateerde onderzoeken met totaal andere windturbines dan de 'new generation' turbines, die bovendien verschillende uitkomsten hebben m.b.t. de effectbeoordeling. Zie de tabellen in hoofdstuk 12 plan MER. De bandbreedte die is vermeld, mag gerust als zeer ruim worden omschreven (vooral tabel 12.3). De dosis-effectrelaties kunnen niet als voldoende representatief en wetenschappelijk onderbouwde data worden beschouwd. Weliswaar wordt beweerd dat dit geen rol heeft gespeeld, omdat de effect-score is gebaseerd op relatieve verschillen, maar de onderzoeken gelden niet omdat opnieuw appels met peren worden vergeleken. Kortom, zowel de totstandkoming van het percentage ernstig gehinderden, als de resultaten van het geluidseffect hierop, zijn geen juiste en daardoor onbruikbare basis voor de norm. De geluidsnorm waarbij sprake is van het ontstaan van ernstige hinder is in het ontwerp vastgesteld op 47dB L-den en wordt als representatief beschouwd. Op grond van vorenstaande uiteenzetting is dit geen wetenschappelijk onderbouwde en onjuiste geluidssterkte en kan daarom niet als representatief worden beschouwd. Hieruit volgt al dat alle conclusies, die deze aspecten als basis gebruiken, eveneens onjuist en daarmee ongeldig zijn. Inclusief de gehanteerde afstandsnormen. 16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/732/documents/20724