Verordening Wmo Dinkelland 2021.pdf
Tekst van het document
Tweede lid Ook kan het college de kosten die een woningstichting of coöperatie heeft (deels) vergoeden als een aangepaste woning wordt vrijgehouden voor een cliënt met beperkingen. De omvang en duur zijn neergelegd in het Financieel besluit. Derde lid aanhef en onder a Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Derde lid aanhef en onder b De kosten van tijdelijke huisvesting worden gebaseerd op de systematiek van de Wet op de huurtoeslag. Dat wil zeggen berekend op basis van de huurtoeslag.
Versie 2, 9 mei 2021
37
Derde lid aanhef en onder c In de toelichting bij het eerste lid aanhef en onder d is al aangegeven dat het college de kwaliteit beoordeelt. De hoogte van de financiële tegemoetkoming om de geïndiceerde (eenvoudige) maatwerkvoorziening aan te schaffen, zal daar dan op gebaseerd zijn. Denk ook eventueel aan de kosten van het aanbrengen daarvan. Vierde en vijfde lid Hierin is bepaald wanneer het college tot uitbetaling overgaat. Een niet tijdig ingediende declaratie kan leiden tot het niet meer hoeven uitbetalen daarvan (CRVB:2013:924). Zesde lid In principe wordt pas na de verhuizing van de cliënt naar een, volgens het college, geschikte woning de financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten en/of inrichtingskosten betaalbaar gesteld. Het kan ook voorkomen dat de cliënt kosten heeft die hij niet kan voorschieten. Door het overleggen van een huurcontract kan cliënt aantonen dat hij zal gaan verhuizen naar de geschikte woning en op basis daarvan kan het college tot (gedeeltelijke) uitbetaling overgaan. Zevende lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Achtste lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 4.12 Criteria opvang en beschermd wonen Voor opvang wordt aangesloten bij de wettelijke definitie.
Een indicatie voor beschermd wonen is slechts aan de orde als de cliënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving (inclusief noodzakelijk verblijf) gelet op diens complexe problematiek. Daarvoor kan aanleiding bestaan wanneer de cliënt er (nog) niet in slaagt zelfstandig te wonen zonder (in de directe nabijheid van) 24 uur per dag toezicht of tenminste een overwegend deel van een etmaal en daarbij is aangewezen op ondersteuning. HOOFDSTUK 5. PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 5.1 Algemeen Eerste lid Het spreekt voor zich dat het college gehouden is aan de wettelijke bepalingen en voorschriften in de verordening. Uit de systematiek van de wet volgt dat de cliënt zijn hulpvraag eerst moet melden bij het college alvorens een aanvraag in te dienen. Tweede lid Uit de wet volgt dat het verstrekken van maatwerkvoorzieningen gericht is op de in Nederland noodzakelijke ondersteuning (territorialiteit). Ook volgt uit de wet dat maatwerkvoorzieningen, al dan niet in de vorm van een pgb, worden verstrekt aan de cliënt die feitelijk in de gemeente Dinkelland woonachtig is. Dat spreekt voor zich. De plicht om de cliënt te ondersteunen, op welke manier dan ook, geldt niet voor het kunnen verrichten van activiteiten in het buitenland of buiten de gemeente. Voor het vervoer geldt dat de cliënt zich lokaal moet kunnen verplaatsen.
Lokaal is niet begrensd tot alleen de gemeentegrenzen van Dinkelland (zie art. 4.10, derde lid, van de verordening). Het kan echter voorkomen dat een cliënt met een indicatie voor bijvoorbeeld begeleiding in de vorm van een pgb op vakantie gaat. Het college stelt voor dergelijke gevallen Nadere regels over de besteding van een verstrekt pgb als de cliënt buiten de gemeente Dinkelland verblijft of in het geval de cliënt in het buitenland verblijft.
Versie 2, 9 mei 2021
38
Artikel 5.2 Regels persoonsgebonden budget algemeen Eerste en tweede lid Het eerste lid zorgt ervoor dat situaties waarin geen recht bestaat op een maatwerkvoorziening niet met een pgb doorkruist kunnen worden. Met het tweede lid wordt voorkomen dat een pgb wordt besteed aan de huisgenoot die niet in staat is gebleken gebruikelijke hulp te bieden. Immers, er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt als van een huisgenoot verwacht kan worden gebruikelijke hulp te bieden (CRVB:2019:2616). Derde lid Spreekt voor zich. De wetgever heeft zich hier nadrukkelijk over uitgelaten (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 38). Vierde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Vijfde lid In art. 9.1, eerste lid onderdeel d van de verordening is bepaald dat het college een aanspraak op een maatwerkvoorziening kan beëindigen in geval van overlijden van de cliënt. In de zorgovereenkomsten hanteert de Svb het overlijden van een budgethouder ook als ontbindende voorwaarde; dit houdt in dat de overeenkomst direct eindigt in geval van overlijden. De Svb wijst cliënten erop met de gemeente contact op te nemen om te overleggen of een eenmalige uitkering tot de mogelijkheden behoort.
Het college hanteert in geval van overlijden van de cliënt geen eenmalige uitkering aan de derde die de ondersteuning biedt (dit betreft alle zorgovereenkomsten, dus die met een professionele organisatie, een ZZP-er, iemand uit het sociale netwerk of een partner of familielid). Zesde lid De budgethouder zal het aan hem toegekende pgb moeten aanwenden binnen de termijn genoemd in dit lid. Zie artikel 5.4, tweede lid, van de verordening voor de termijn die voor woningaanpassingen wordt gehanteerd. Artikel 5.3 Verplichtingen persoonsgebonden budget diensten Eerste lid Om te zorgen dat het college goed kan beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van artikel 2.3.6, tweede lid, van de wet en/of het bepaalde in deze verordening geldt de verplichting om een Budgetplan op te stellen. Een ingevuld Budgetplan kan een hulpmiddel zijn bij de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarden. De kwaliteit van de ondersteuning is daarbij van groot belang. De beoogde budgethouder kan daarvoor de derde aan wie hij het pgb wil gaan besteden, een formulier laten invullen waaruit de kwaliteit blijkt; dat is onderdeel van het Budgetplan. Het college stelt de cliënt daartoe in de gelegenheid door een format beschikbaar te stellen. Tweede lid Spreekt voor, behoeft geen toelichting. Het gaat om een wettelijke bepaling (art. 2a van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015).
Artikel 5.4 Verplichtingen persoonsgebonden budget overig Eerste lid In dit lid zijn verplichtingen neergelegd met het oog op de correcte besteding van het pgb. Met het realiseren van woningaanpassingen kunnen namelijk grote bedragen zijn gemoeid. De cliënt zal het college bijvoorbeeld
Versie 2, 9 mei 2021
39
desgevraagd toegang moeten verlenen tot de woning waar de woningaanpassing wordt gerealiseerd (bijv. CRVB:2013:1782). Tweede lid Dit lid regelt de termijn waarbinnen het pgb voor de realisatie van een woningaanpassing moet zijn besteed. De cliënt zal desgevraagd tevens een schriftelijke verklaring moeten overleggen dat aan het programma van eisen is voldaan. Derde lid Dit lid regelt een aantal verplichtingen die gelden voor de budgethouder. Om te zorgen dat het met het pgb aan te schaffen hulpmiddel gedurende de budgetperiode kan worden gebruikt zal de cliënt instandhoudingskosten moeten besteden voor onderhoud. Daarnaast kan het afsluiten van een WA-verzekering bij vervoersvoorzieningen vereist zijn. Het college is bevoegd om de aanschaf te beoordelen of te controleren. De budgethouder moet daar desgevraagd zijn medewerking aan verlenen. Artikel 5.5 Hoogte persoonsgebonden budget diensten niet zijnde beschermd wonen of opvang Eerste tot en met vierde lid In de verordening moet worden bepaald hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld (art. 2.1.3, tweede lid onder b, van de wet). De tarieven mogen worden afgeleid van de tarieven die het college verschuldigd is aan de gecontracteerde aanbieders. Naast een afgeleide van de tarieven wordt gebruik gemaakt van de bedragen in de Regeling langdurige zorg.
Ook het hanteren van de gedifferentieerde tarieven moet in de verordening geregeld worden (CRVB:2017:1803). Er wordt verder gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de hoogte van het pgb, dat bijvoorbeeld wordt besteed aan personen uit het sociaal netwerk van de cliënt, lager vast te stellen. Die bevoegdheid is neergelegd in artikel 2.3.6, vierde lid, van de wet. Vijfde lid De verordening bepaalt dat het bedrag als bedoeld in artikel 5.22, eerste lid, van de Rlz alleen op 1 januari van elk kalenderjaar kan wijzigen. Zesde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 5.6 Hoogte persoonsgebonden budget overig Eerste en tweede lid In de verordening moet worden bepaald hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld (art. 2.1.3, tweede lid onder b, van de wet). Voor hulpmiddelen is bepaald dat het pgb niet meer bedraagt dan het college verschuldigd is aan de aanbieder (kostprijs). Ingeval het college een maandelijks tarief is verschuldigd, kan het college de hoogte van het pgb afwijkend vaststellen. Dat wil zeggen één bedrag gebaseerd op de economische levensduur (afschrijvingstermijn) van de geïndiceerde maatwerkvoorziening. Derde lid Het kan voorkomen dat de aangewezen maatwerkvoorziening niet door het college is ingekocht. In die gevallen wordt de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van een offerte.
Het kan gaan om een offerte die het college zelf opvraagt of een offerte die door de cliënt aan het college wordt verstrekt. Vierde lid
Versie 2, 9 mei 2021
40
Het realiseren van een woningaanpassing kan door het college niet standaard worden ingekocht. Daarom wordt de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van een programma van eisen, richtprijzen voor woningaanpassingen en/of een of meerdere offertes en eventuele bijkomende noodzakelijke kosten. Het programma van eisen wordt opgesteld door het college, met als vertrekpunt de goedkoopst adequate bouwkundige of woontechnische woonvoorziening. Op basis van dat programma van eisen worden door de gemeente of de cliënt bij verschillende aannemers één of meerdere offertes opgevraagd. Daarnaast kan door het college gebruik worden gemaakt van een programma voor de berekening van de kosten van de woningaanpassing (momenteel wordt gebruik gemaakt van het programma Casadata). Dit programma biedt ook de mogelijkheid om de offertes van de aannemers te toetsen. Omdat het niet is uitgesloten dat er meerkosten verbonden kunnen zijn aan het realiseren van een woningaanpassing, kan het college daar Nadere regels over stellen. Vijfde lid In het besluit stelt het college de budgetperiode vast. Binnen de budgetperiode wordt een nieuwe aanvraag (bij ongewijzigde omstandigheden) in principe afgewezen. Het spreekt voor zich dat de budgetperiode kan verschillen, afhankelijk van het hulpmiddel. Daarover stelt het college Nadere regels. Zesde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.
Artikel 5.7 Hoogte persoonsgebonden budget opvang en beschermd wonen Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. HOOFDSTUK 6. BIJDRAGE IN DE KOSTEN, KOSTPRIJS, RITBIJDRAGE EN RESERVERINGSTOESLAG Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget Eerste lid Dit lid bepaalt dat de cliënt voor maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s een bijdrage in de kosten verschuldigd. Er wordt in de verordening geen uitzondering (meer) gemaakt op basis van de hoogte van het inkomen van de cliënt en zijn eventuele echtgenoot (minimabeleid). De wet bepaalt echter wel dat de bijdrage in de kosten is gemaximeerd (het abonnementstarief). Ook kan de bijdrage voor hulpmiddelen en woningaanpassingen niet meer zijn dan de kostprijs (zie art. 6.3 van de verordening). Verder regelt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (AMvB) dat de bijdrage in de kosten per 1 januari 2020 niet meer afhankelijk wordt gesteld van het inkomen en/of vermogen van de cliënt en zijn eventuele echtgenoot. Tweede lid In dit lid is bepaald dat de zogeheten minima tot 1 januari 2022 geen bijdrage in de kosten zijn verschuldigd. Het gaat bij deze minima om een actueel inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm. Die normen zijn afhankelijk van de leefvorm en de leeftijd van de cliënt en zijn eventuele echtgenoot of de persoon waarmee hij een gezamenlijke huishouding voert. Hierbij is overigens de kostendelersnorm van art.
22a van de Participatiewet niet van toepassing. Derde, vierde en vijfde lid Spreken voor zich, behoeven geen nadere toelichting. Het is aan het college om te bepalen wat onder tijdelijk als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan. In artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet is het maximale bedrag (abonnementstarief) vastgelegd. De cliënt betaalt dus nooit meer dat dit bedrag. Zesde lid
Versie 2, 9 mei 2021
41
Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Zevende lid In dit lid is bepaald voor welke maatwerkvoorzieningen geen bijdrage in de kosten geldt. Achtste lid De wet schrijft voor dat de verordening moet bepalen wie deze bijdrage vaststelt en int (art. 2.1.4b, tweede lid, van de wet). Artikel 6.2 Algemene voorziening Dit artikel bepaalt de hoogte van de bijdrage in de kosten voor de algemene voorziening. Artikel 6.3 Ritbijdrage en reserveringstoeslag Dit artikel bepaalt dat de cliënt een ritbijdrage en eventueel een reserveringstoeslag verschuldigd is. De hoogte van de ritbijdrage is gebaseerd op reguliere OV-tarief die een ieder verschuldigd is ongeacht het hebben van beperkingen. De bedragen liggen vast in het Financieel besluit. Artikel 6.4 Kostprijs Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Opgemerkt wordt nog dat de kostprijs van belang is voor de bijdrage in de kosten van hulpmiddelen en woningaanpassingen en voor algemene voorzieningen. Opgemerkt wordt dat er niet snel sprake zal zijn van hulpmiddelen en woningaanpassingen die qua kosten lager zijn dan het abonnementstarief. HOOFDSTUK 7. TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN SPORTVOORZIENINGEN Artikel 7.1 Aanspraak sportvoorziening Eens per drie jaar kan het college een tegemoetkoming in de kosten verstrekken voor de aanschaf van een sportvoorziening.
Het betreft een inkomensondersteunende maatregel die los moet worden gezien van het aangewezen zijn op een maatwerkvoorziening. De tegemoetkoming meerkosten kan rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald en er geldt geen bijdrage in de kosten. Het college beoordeelt of er meerkosten verbonden zijn aan de aanschaf én of de tegemoetkoming bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie. Het spreekt voor zich dat als een vergoeding kan worden verkregen op grond van een andere regeling, er geen aanspraak bestaat op deze tegemoetkoming. Artikel 7.2 Hoogte en uitbetaling Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. HOOFDSTUK 8. BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK Artikel 8.1 Algemeen Eerste en tweede lid Artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet bepaalt dat de verordening regels moet bevatten ter voorkoming van het onterecht ontvangen van maatwerkvoorzieningen of pgb’s, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In dit hoofdstuk zijn de regels over het toezicht op de uitvoering en de kwaliteit geïntegreerd. Dat wil zeggen ze hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als ook de doelmatigheid. Derde lid Dit lid bepaalt de inhoudelijke bevoegdheid van het college over de inhoud van de controles en de personen die gecontroleerd kunnen worden.
Versie 2, 9 mei 2021
42
Vierde en vijfde lid Uit artikel 2.3.9 van de wet volgt al dat het college bevoegd is om besluiten te heroverwegen. Daarvoor is geen specifieke aanleiding nodig. Mede in het kader van dit hoofdstuk kan het college bijvoorbeeld in een klacht of een signaal over de kwaliteit van ondersteuning aanleiding zien om een onderzoek op te starten. Er kan in die gevallen namelijk ook sprake zijn van tekortschietende rechtmatigheid. Het kan ook gaan om de vraag of de ondersteuning, al dan niet in de vorm van een pgb, nog wel passend is (doelmatigheid). Maar ook of de verstrekking nog voldoet aan de voorwaarden (rechtmatigheid). Zowel het college als de toezichthoudende ambtenaar kunnen zo’n onderzoek uitvoeren. Artikel 8.2 Informatieplicht en fraudepreventie Op het college rust de voorlichtingsplicht om de cliënt te informeren over welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor een pgb (art. 2.3.2, zesde lid, van de wet). Deze plicht bestaat er ook uit dat de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze én over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Dit wordt gedaan tijdens het onderzoek. Artikel 8.3 Medewerkingsplicht Dit artikel regelt de medewerkingsplicht.
Dat wil zeggen dat als het college of de toezichthoudende ambtenaar aan de genoemde personen vraagt om verantwoording af te leggen over de geboden ondersteuning, zij verplicht zijn dat te doen. De gevolgen van het niet of onvoldoende meewerken kan voor het college aanleiding zijn om het recht op pgb in te trekken of om de cliënt onder te brengen bij een andere aanbieder ingeval van een maatwerkvoorziening in natura. Artikel 8.4 Kwaliteitseisen Dit artikel regelt dat de kwaliteitseisen voor maatwerkvoorzieningen in natura ook gelden als aan de cliënt een pgb wordt toegekend. Dat is alleen anders als een pgb op grond van die eisen onbereikbaar wordt (TK 2013/14, 33 841, nr. 113). Denk aan rapportageverplichtingen die alleen voor gecontracteerde partijen gelden. Er geldt wel de eis dat onverkort wordt voldaan aan wettelijke voorwaarden en bepalingen zoals die zijn gesteld in de verordening voor pgb’s. De opleidingseisen die gelden voor gecontracteerde aanbieders zijn niet van toepassing op personen uit het sociaal netwerk van de cliënt. Artikel 8.5 Weigeringsgronden Eerste lid Er geldt de algemene verplichting bij diensten om een Budgetplan op te stellen (zie art. 5.3 van de verordening). Ook kan het noodzakelijk zijn dat het Budgetplan met het college (nader) wordt besproken. Ook dit is niet vrijblijvend.
Tweede lid In dit lid zijn situaties opgenomen die betrekking hebben op de persoon in situaties genoemd in dit artikel. Het college is bevoegd om het pgb te weigeren. Ook deze bepalingen hebben als doel misbruik of oneigenlijk gebruik in het algemeen te voorkomen. Derde lid Het kan voorkomen dat een cliënt een overeenkomst wenst aan te gaan waarin ook huurbepalingen zijn opgenomen. Gelet op de kwetsbaarheid van cliënten is dat niet toegestaan. Immers moet de cliënt de derde van wie hij de ondersteuning ontvangt daarop kunnen aanspreken, zonder te moeten vrezen voor verlies van zijn huisvesting. Ook moet het de cliënt vrij blijven staan te wisselen van derde aan wie hij zijn pgb wenst te besteden.
Versie 2, 9 mei 2021
43
Dit ook gelet op een mogelijke wijziging van de indicatie bij een verlengingsverzoek of een heroverweging van het pgb-besluit door het college. De derde aan wie het pgb zal worden besteed heeft dubbele (financiële) belangen die als potentieel oneigenlijk gebruik van de wet moeten worden aangemerkt. Het belang van de (kwetsbare) cliënt dient altijd voorop te staan. Het is een cliënt natuurlijk wel toegestaan om bij de derde woonruimte te huren, als dit in een zelfstandige huurovereenkomst geregeld wordt. Op die manier leidt het wegvallen of wijzigen van de ondersteuning, niet automatisch tot het wegvallen van huisvesting. De cliënt is dan huurder en hij geniet dan huurbescherming. Artikel 8.6 Opschorting betaling persoonsgebonden budget aan Svb Een opschorting van betaling aan de Svb is een instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Als het recht op pgb is vastgesteld, zal het college de overeenkomst van de Svb moeten goedkeuren. De Svb beoordeelt de overeenkomst ook, voornamelijk op de toepasselijke arbeidsrechtelijke bepalingen. Het kan voorkomen dat het college de overeenkomst niet goedkeurt en om die reden het pgb vooralsnog niet aan de Svb overmaakt. Ook kan een andere reden aanleiding zijn om (nog) niet over te gaan tot uitbetaling aan de Svb.
Gedurende de opschorting doet het college en/of de toezichthoudende ambtenaar onderzoek naar het gegronde vermoeden. Opschorting van de betaling kan met zich meebrengen dat het college moet zorgen voor een tijdelijke maatwerkvoorziening in natura. Dat zal zeker aan de orde zijn als het gegronde vermoeden betrekking heeft op de derde aan wie het pgb zal worden besteed. Immers in zo’n geval blijft de cliënt bij de opschorting van de betaling verstoken van de noodzakelijk bevonden ondersteuning. Met de maximale termijn van dertien weken in dit artikel en artikel 8.7 is overigens aangesloten bij de termijn zoals genoemd in artikel 4:56 van de Awb. Artikel 8.7 Verzoek aan Sociale Verzekeringsbank opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget Zoals gezegd is een opschorting van betaling een instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Artikel 2b, vierde lid aanhef en onder f, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 geeft de Svb de bevoegdheid tot opschorting van betaling als het college bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, daarom verzoekt. Gedurende de opschorting doet het college en/of de toezichthoudende ambtenaar onderzoek naar het gegronde vermoeden. Opschorting van betaling kan met zich meebrengen dat het college moet zorgen voor een tijdelijke maatwerkvoorziening in natura.
Dat zal zeker aan de orde zijn als het gegronde vermoeden betrekking heeft op de derde aan wie het pgb zal worden besteed. Immers in zo’n geval blijft de cliënt bij de opschorting van de betaling verstoken van de noodzakelijk bevonden ondersteuning. In geval van mandaat, kan het college zelf overgaan tot het opschorten van de betaling. Artikel 8.8 Opschorting inzet maatwerkvoorziening Naar analogie van de artikelen 8.6 en 8.7 van de verordening kan het college ook de inzet van een maatwerkvoorziening tijdelijk opschorten als het gegronde vermoeden bestaat dat de cliënt: de inlichtingenplicht niet nakomt, niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden of de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt. Gedurende de opschorting doet het college en/of de toezichthoudende ambtenaar onderzoek naar het gegronde vermoeden. HOOFDSTUK 9. BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING Artikel 9.1 Beëindiging Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. In dit artikel is bepaald wanneer het college kan overgaan tot beëindiging van de maatwerkvoorziening dan wel pgb.
Versie 2, 9 mei 2021
44
Artikel 9.2 Herzien of intrekken van besluiten Eerste en tweede lid Voor de cliënt geldt op grond van artikel 2.3.8 van de wet de plicht tot het desgevraagd of onverwijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de voortzetting van het recht op een maatwerkvoorziening dan wel een pgb. Deze verplichting geldt (in geval van een pgb) ook jegens de Sociale verzekeringsbank (SVB). Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Een herziening/intrekking van een besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of wordt ingetrokken in het geval er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Het college kan een besluit herzien of intrekken als onjuiste inlichtingen zijn verstrekt en de verstrekking van juiste inlichtingen tot een ander besluit zou hebben geleid of bij het niet voldoen aan andere voorwaarden genoemd in artikel 2.3.10, eerste lid, van de wet. Ook kan het voorkomen dat de cliënt de verplichtingen uit een privaatrechtelijke overeenkomst met de aanbieder, niet of onvoldoende nakomt. Denk bijvoorbeeld aan het onzorgvuldig gebruik van een scootmobiel. De verordening biedt daarom een publiekrechtelijke grondslag om het betreffende toekenningsbesluit in te trekken.
Dat betekent nadrukkelijk niet dat op het college in zo’n geval geen ondersteuningsplicht meer rust, maar dat mogelijk - de feiten en omstandigheden in aanmerking genomen - kan worden volstaan met het verstrekken van een gebruikerspas voor de maatwerkvoorziening collectief vervoer. Derde lid Verder kan het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens aanleiding zijn om het besluit van de tegemoetkoming meerkosten te herzien of in te trekken. Artikel 9.3 Terugvordering geldswaarde Eerste lid In dit lid is de wettelijke bevoegdheid van het college uitgewerkt tot het terugvorderen van ten onrechte genoten maatwerkvoorzieningen, financiële tegemoetkomingen dan wel pgb’s in geval de inlichtingenplicht door de cliënt opzettelijk is geschonden en/of de derde daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend (RBOVE:2018:2310 en 2309). Gelet op het reparatoire karakter van de terugvordering ligt het op de weg van het college de opzet aannemelijk te maken. Tweede lid Dit lid regelt de bevoegdheid van het college om te verrekenen. Derde lid De wet bepaalt dat het college tot invordering over kan gaan middels een dwangbevel (art. 2.4.2, tweede lid, van de wet).
Artikel 9.4 Terugvordering overig Eerste lid De wet staat er niet aan in de weg om over te gaan tot terugvordering als het besluit is herzien of ingetrokken onder toepassing van artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder d of e, van de wet. Zie ook de toelichting bij artikel 9.2 van de verordening. Tweede lid De wet staat er niet aan in de weg om bij een schending van de inlichtingenplicht (zonder opzetvereiste) over te gaan tot terugvordering van de ten onrechte verstrekte tegemoetkoming meerkosten. Dit lid biedt het college de bevoegdheid daartoe. Wel is vereist dat het college eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit neemt.
Versie 2, 9 mei 2021
45
Derde lid In de wet is in artikel 2.4.1 slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien van cliënten (of in dat artikel bedoelde derden). Namelijk als de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Niet valt in te zien dat in het geval van een onverschuldigde betaling het college niet bevoegd is om dat bedrag terug te vorderen. Voor die gevallen is de bevoegdheid daartoe neergelegd in dit lid. Uit CRVB:2006:AX5819 kan namelijk worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de cliënt kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura verstaan. Daarmee wordt aangesloten bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde. Uit de jurisprudentie die onder de Wmo (oud) tot stand is gekomen blijkt dat een terugvorderingsbepaling in de verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan (CRVB:2013:990). Of sprake is van onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v.
BW) zal in de praktijk geen problemen opleveren. Vierde en vijfde lid Hierin is de bevoegdheid tot invordering geregeld middels verrekening of een dwangbevel. HOOFDSTUK 10. OVERIGE BEPALINGEN § 1. Jaarlijkse blijk waardering mantelzorgers Artikel 10.1 De wijze van waardering De wet schrijft voor dat mantelzorgers een jaarlijkse blijk van waardering ontvangen. Het college zorgt daar voor. § 2. Klachtafhandeling en medezeggenschap Artikel 10.2 Regeling voor klachtenafhandeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De aanbieder is voor de in de verordening genoemde maatwerkvoorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (art. 3.2, eerste lid aanhef en onder a, van de wet). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Het college ziet toe op naleving van de klachtenregeling door aanbieders.
Uit het cliëntervaringsonderzoek kan onder meer blijken of cliënten tevreden zijn over aanbieders. Artikel 10.3 Regeling voor medezeggenschap De aanbieder is voor voorzieningen verplicht een regeling voor medezeggenschap van cliënten vast te stellen over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn. Het gaat om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder (art. 3.2, eerste lid aanhef en onder b, van de wet). Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels aan gemeenten overgelaten. Het college ziet er op toe dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. § 3. Kwaliteit Artikel 10.4 Kwaliteitseisen voorzieningen
Versie 2, 9 mei 2021
46
De Wmo 2015 maakt met artikel 3.1 van de wet de door gemeenten gecontracteerde aanbieders direct verantwoordelijk voor het leveren van voorzieningen (ondersteuning) van goede kwaliteit. Ook zijn een aantal uitgangspunten bepaald die in ieder geval gelden voor diensten en hulpmiddelen. Het college zal er op toe moeten zien dat de eisen door aanbieders worden nageleefd. Artikel 10.5 Prijs kwaliteitsverhouding Eerste tot en met vierde lid In deze leden wordt invulling gegeven aan de opdracht aan de gemeenteraad om bij de uitvoering van deze wet door derden, regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van diezelfde voorziening. Aanleiding hiervoor is het gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (landelijk). Op grond hiervan worden bij AMvB nadere regels gesteld aan de daarvoor al bestaande verplichting van het hanteren van een reële prijs. De bepaling van de reële prijs voor een voorziening wordt geregeld door de kostprijselementen waar het college een reële prijs op moet baseren, vast te leggen. Dit is een verduidelijking van de verplichting die op het college rust op grond van artikel 2.6.6 van de wet. Ook wordt de plaats van een door het college vastgestelde reële prijs in de aanbestedingsprocedure geregeld.
Deze nadere regels (AMvB) hebben tot doel dat een reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur en de gecontracteerde aanbieders. Vijfde lid In dit lid wordt bepaald hoe de prijs van voorzieningen kan worden vastgesteld die niet als diensten worden aangemerkt. Artikel 10.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het vorenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudende ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. § 4.
Betrekken van ingezetenen Artikel 10.7 Betrekken van ingezetenen bij het beleid In dit kader wordt verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Verder wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Het college kan Nadere regels stellen over dit artikel. HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN Artikel 11.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van de verordening. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de cliënt. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering. Bij de beoordeling van de
Versie 2, 9 mei 2021
47
aanvraag zou het college zelf aanleiding kunnen zien om de hardheidsclausule toe te passen. In het algemeen geldt echter dat de cliënt gemotiveerd moet aangeven dat zijn situatie bijzonder is en zal hij dat desgevraagd ook nader moeten onderbouwen. Artikel 11.2 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel regelt de inwerkingtreding, waarbij geen overgangsrecht is opgenomen. Dat betekent dat deze verordening onmiddellijke werking heeft. Voor aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop het college op een datum na inwerkingtreding beslist, geldt deze verordening. Dat geldt ook voor de beslissing op bezwaar. Het college heeft middels dit artikel de bevoegdheid om terug te komen van besluiten die zijn genomen op basis van de voorgaande verordeningen. Wil het college terugkomen van besluiten die zijn genomen op grond van de Wmo (oud), dan is artikel 8.9 van de wet van toepassing.
Versie 2, 9 mei 2021
48