CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Wmo Dinkelland 2021.pdf

Commissie Sociaal Domein & Bestuur 8 juni 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake vaststellen Verordeningen maatschappelijke ondersteuning en jeugd Dinkelland 202122.951 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn met de uitkering die de cliënt van het college ontvangt voor zijn levensonderhoud op grond van de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of gewezen zelfstandigen. 3. Het college kan de terugvordering als bedoeld in het eerste lid invorderen bij dwangbevel overeenkomstig artikel 2.4.1, tweede lid, van de wet. Artikel 9.4 Terugvordering overig 1. Het college kan de kosten van de maatwerkvoorziening of het pgb terugvorderen als het besluit is herzien of ingetrokken op grond van artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder d of e, van de wet.

Versie 2, 9 mei 2021

19

2. Het college kan de tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 7 van de verordening terugvorderen als de persoon onjuiste inlichtingen of gegevens heeft verstrekt en het verstrekken van juiste inlichtingen of gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. 3. Het college kan de kosten van de maatwerkvoorziening, een financiële tegemoetkoming, het pgb of de tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 7 van de verordening terugvorderen in geval van een onverschuldigde betaling. 4. De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn of met de uitkering die de cliënt van het college ontvangt voor zijn levensonderhoud op grond van de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of gewezen zelfstandigen. 5. Het college kan de terugvordering als bedoeld in het eerste lid invorderen bij dwangbevel overeenkomstig artikel 2.4.1, tweede lid, van de wet.

HOOFDSTUK 10. OVERIGE BEPALINGEN § 1. Jaarlijkse blijk waardering mantelzorgers Artikel 10.1 De wijze van waardering Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten die hun hoofdverblijf hebben in de gemeente Dinkelland. § 2. Klachtafhandeling en medezeggenschap Artikel 10.2 Regeling voor klachtenafhandeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen en kunnen dit na vaststelling aan het college sturen. 2. Behoudens andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleg met de aanbieders. 3. Het college verricht jaarlijks een cliëntervaringsonderzoek. Artikel 10.3 Regeling voor medezeggenschap 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van (alle) maatwerkvoorzieningen. 2. Behoudens andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders. § 3. Kwaliteit Artikel 10.4 Kwaliteitseisen voorzieningen 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen als bedoeld in artikel 3.1 van de wet, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 2.

In geval van diensten gelden verder in ieder geval de volgende uitgangspunten: a. de ondersteuning die geïndiceerd is, wordt in samenspraak met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger of mantelzorger besproken; b. de ondersteuning is veilig: de relatie tussen de cliënt en beroepskracht is vertrouwd en stabiel waarbij de privacy in acht wordt genomen; c. de ondersteuning garandeert continuïteit, samenhang en resultaten: de beroepskracht is deskundig en gericht op het behalen van resultaten en werkt waar nodig samen met andere ondersteuners en onderhoudt contacten met de sociale omgeving van de cliënt; d. het leefklimaat past bij de leeftijd en ondersteuningsbehoefte van de cliënt.

Versie 2, 9 mei 2021

20

3. In geval van hulpmiddelen geldt dat het geïndiceerde hulpmiddel: a. veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt; b. wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt waaronder diens privacy. 4. Behoudens andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde maatwerkvoorzieningen. Artikel 10.5 Prijs kwaliteitsverhouding 1. Het college stelt voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet, vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. De vaste prijs of de reële prijs voor een dienst is ten minste gebaseerd op de volgende kostprijselementen: a. de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid aanhef en onderdeel c, van de wet; b.

de mate waarin de aanbieder rekening houdt met de continuïteit in de ondersteuning, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken ondersteuners; c. redelijke overheadkosten; d. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. reis- en opleidingskosten; f. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en g. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 3. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten als bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 4. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 5. Het college houdt bij het verlenen van de opdracht voor te leveren overige voorzieningen door een derde (niet zijnde diensten) rekening met: a. de marktprijs van de voorziening; b.

de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier/aanbieder worden gevraagd, zoals: 1° noodzakelijke individuele aanpassingen (aanmeten, levering en plaatsing van de voorziening); 2° instructie over het gebruik; 3° WA verzekering van vervoersvoorzieningen; 4° onderhoud van de voorziening. Artikel 10.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudende ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudende ambtenaar als bedoeld in artikel 6.1 van de wet. 3. De toezichthoudende ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Versie 2, 9 mei 2021

21

§ 4. Betrekken van ingezetenen Artikel 10.7 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan Nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.

HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN Artikel 11.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van hetgeen in deze verordening is bepaald, voor zover toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 11.2 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2021 onder gelijktijdige intrekking van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2020. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2021. 3. Het college heeft de bevoegdheid een besluit op grond van aan deze verordening voorafgaande verordeningen in te trekken met toepassing van deze verordening. Het college kan daarvoor een ander besluit in de plaats stellen. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 22 juni 2021. De raadsgriffier,

De voorzitter,

R. Huitema

J.G.J. Joosten

Versie 2, 9 mei 2021

22

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2021 Algemene toelichting De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) draagt gemeenten onder meer op te zorgen voor maatschappelijke ondersteuning, de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Onder maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet) wordt verstaan: 1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang. Eigen verantwoordelijkheid De wetgever stimuleert burgers regie te nemen over hun leven en zelf verantwoordelijk te zijn voor hun eigen ontplooiing. Dat wil zeggen hoe zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. Van burgers wordt verwacht dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan. De Wmo 2015 brengt de rechten en plichten van de burgers meer met elkaar in evenwicht.

De Wmo 2015 biedt in dat kader meer mogelijkheden dan de Wmo (oud) om burgers op een goede manier maatschappelijk te ondersteunen zonder dat dit altijd hoeft te leiden tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Inwoners van de gemeente Dinkelland die zelf, dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, kunnen een beroep doen op de door gemeente Dinkelland georganiseerde ondersteuning. Als de cliënt dat wenst, kan de noodzakelijke ondersteuning ook in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt. Samen met de professional van de gemeente Dinkelland bespreekt de cliënt de mogelijkheden om voor een pgb in aanmerking te komen. Maatwerk Bij de beoordeling of het bieden van ondersteuning nodig is, gaat het om maatwerk, rekening houdend met de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Hierover gaan de professionals van de gemeente Dinkelland met de cliënt en eventueel zijn mantelzorger in gesprek. De eventuele behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger bij de uitvoering van taken maakt daar ook onderdeel van uit. Daarbij staan de eigen mogelijkheden (eigen kracht) van de cliënt en het te bereiken resultaat centraal en wordt zoveel mogelijk een integrale benadering nagestreefd.

Dat wil zeggen dat de ondersteuning zo nodig wordt afgestemd op het cliëntsysteem waar de cliënt onderdeel van uit maakt. Andere wetten zoals de Participatiewet en de Jeugdwet kunnen daar ook een rol bij spelen. Van dat gesprek ontvangt de cliënt een verslag. De gemeente Dinkelland voert de regie op het te behalen resultaat zoals dat in het besluit is vastgesteld. Opdracht gemeenteraad Artikel 2.1.3 van de wet geeft de gemeenteraad de opdracht om een verordening vast te stellen met de regels die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wet, van het beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. Deze verordening is dan ook een essentieel document voor de concrete uitwerking van het beleid van de gemeente Dinkelland. Voor de inwoners van Dinkelland biedt deze verordening duidelijkheid over wat zij van de gemeente mogen verwachten maar ook wat bij de beoordeling van de aanspraak (redelijkerwijs) van hen wordt verwacht. Voor de professionals van de gemeente Dinkelland biedt de verordening de benodigde kaders en criteria om op een resultaatgerichte manier tot maatwerk te komen in samenspraak met de inwoner die zich meldt met een hulpvraag. HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN EN REIKWIJDTE

Versie 2, 9 mei 2021

23

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder a: abonnementstarief Vanaf 1 januari 2020 is het abonnementstarief voor eigen bijdragen in de Wmo 2015 van kracht. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder b: budgethouder Het pgb wordt toegekend aan de cliënt: de budgethouder. Die is uiteindelijk verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van de taken verbonden aan het pgb en de aan het pgb verbonden verplichtingen (overeenkomsten aangaan, declareren en verantwoorden). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder c: budgetperiode De budgetperiode is afhankelijk van de geïndiceerde maatwerkvoorziening waar de hoogte van het pgb op is gebaseerd. Het college stelt de budgetperiode vast in het besluit op de aanvraag. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder d: budgetplan Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder e: collectieve maatwerkvoorziening Deze maatwerkvoorziening wordt individueel verstrekt maar kan wel door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Voorbeelden zijn: maatwerkvoorziening collectief vervoer, financiële tegemoetkoming in de vorm van individueel (rolstoel)taxivervoer en groepsondersteuning (dagbesteding). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder f: Financieel besluit Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder g: financiële tegemoetkoming De Centrale Raad van Beroep heeft het begrip financiële maatwerkvoorziening geïntroduceerd (bijv. CRVB:2018:396). De definitie van maatwerkvoorziening in de wet (art. 1.1.1 Wmo) is naar het oordeel van de CRvB zo ruim dat hieronder ook een financiële tegemoetkoming kan vallen. Het gaat in de praktijk vaak om een tegemoetkoming in de kosten aan de cliënt als het college geen volledige maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Bij deze tegemoetkomingen hoeft het college niet in alle gevallen een oordeel te geven over de kwaliteit. Er geldt in ieder geval geen trekkingsrecht zoals bij pgb’s. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder h: groepsondersteuning Het betreft begeleiding in de vorm van dagbesteding met een omschreven doel (zie artikel 4.4 van de verordening). Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder i: huishoudelijke ondersteuning Met de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (o.a. CRVB:2016:1402) is duidelijk geworden dat huishoudelijke ondersteuning, net als huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo (oud), binnen het bereik van de Wmo 2015 valt. De wet geeft echter geen definitie van huishoudelijke ondersteuning.

Deze definitie sluit daarom zoveel mogelijk aan bij de wettelijke definitie zoals die tot 1 januari 2015 luidde in de Wmo (oud). Ook kan huishoudelijke ondersteuning worden toegekend om de huishoudelijke taken aan te leren. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder j: hulpvraag Onder de hulpvraag wordt feitelijk de melding als bedoeld in de wet verstaan. Na de melding van de hulpvraag voert het college een onderzoek uit (zie artikel 2.4 van de verordening).

Versie 2, 9 mei 2021

24

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder k: hoofdverblijf Het gaat om de woning waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben. De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente Dinkelland te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met diens (te verwachten) beperkingen. Dat valt onder zijn eigen verantwoordelijkheid, zie artikel 4.7, eerste lid, van de verordening. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder l: instandhoudingskosten Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder m: leefeenheid De begripsbepaling vloeit rechtstreeks voort uit de wettelijke bepaling over gebruikelijke hulp. Het gaat om de genoemde personen die gemeenschappelijk een woning bewonen en met elkaar een huishouden voeren. Het college kan na het onderzoek tot het oordeel komen dat van hen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder n: nadere regels Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder o: normale gebruik van de woning De begripsbepaling is met name van belang bij het verstrekken van woningaanpassingen, hulpmiddelen (woonvoorzieningen) of huishoudelijke ondersteuning.

Deze maatwerkvoorzieningen worden slechts verstrekt als ze gericht zijn op het normale gebruik van de woning. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder p: pgb Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder q: professionele organisatie De definitie is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. In de verordening worden gedifferentieerde tarieven gebruikt. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder r: spoedeisende situatie Het is in beginsel aan de cliënt om te stellen en te onderbouwen dat sprake is van een spoedeisende situatie. Het college beoordeelt of er in het individuele geval tijdelijk een maatwerkvoorziening in natura moet worden verstrekt, dit in afwachting van de resultaten van het onderzoek. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder s: verslag Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder t: vervoersvoorziening Spreekt voor zich. Voorbeelden zijn een scootmobiel of een driewielfiets. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder u: voorliggende voorziening Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van degene die een melding doet of een aanvraag indient een beroep te doen op andere wettelijke regelingen voor zover daar aanspraak op bestaat, die aanspraak bijdraagt aan het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie en dit

Versie 2, 9 mei 2021

25

redelijkerwijs kan worden gevergd. Zie ook toelichting bij artikel 3.3, tweede lid aanhef en onder c, van de verordening. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder v: wet Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder w: WML Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder x: woning De wet kent geen definitie van een woning. Kamerhuur valt, gelet op de begripsomschrijving, niet onder het begrip woning. Een woning voldoet (minimaal) aan het niveau van sociale woningbouw, hetgeen betekent dat de woning moet zijn voorzien van een woonkamer, een keuken, inpandige sanitaire ruimten (badkamer en toilet) en voldoende slaapkamers voor alle gezinsleden. Woningen waarin de cliënt woonachtig is en de cliënt beschikt over een door de gemeente afgegeven persoonlijke gedoogd verklaring, worden gelijkgesteld met permanente bewoning. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder y: woonvoorziening De wet kent geen definitie van een woonvoorziening. Voor de leesbaarheid wordt dit begrip in de verordening gebruikt. In deze verordening kan het een woningaanpassing of hulpmiddel zijn voor de ondersteuning gericht op het wonen. Soms wordt in de verordening de wettelijke definitie woningaanpassing gebruikt als dat begrip ook daadwerkelijk is bedoeld.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder z: ZZP-er De definitie is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. In de verordening worden gedifferentieerde tarieven gebruikt. Artikel 1.1 tweede lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening Eerste en tweede lid Het bieden van maatschappelijke ondersteuning heeft betrekking op ingezetenen van de gemeente Dinkelland. Het tweede lid bepaalt wie als ingezetene worden aangemerkt. Derde lid Onder maatschappelijke ondersteuning valt ook het bieden van beschermd wonen en opvang. Hoewel in de Wmo 2015, in tegenstelling tot de Wmo (oud), geen centrumgemeenten zijn aangewezen zijn het wel deze gemeenten die de hiervoor genoemde maatwerkvoorzieningen bieden. Daarvoor ontvangen zij vooralsnog ook de middelen van het Rijk. Voor de gemeente Dinkelland treedt de gemeente Enschede op als ‘centrumgemeente’ voor beschermd wonen en opvang. Middels een mandaatbesluit heeft de gemeente Enschede de bevoegdheid om de meldingen en bijbehorende aanvragen om beschermd wonen en opvang namens de gemeente Dinkelland af te handelen. Het college zorgt voor een zorgvuldige overdracht in het geval een cliënt zich meldt bij de gemeente Dinkelland. HOOFDSTUK 2. PROCEDUREGELS § 1. Melding en onderzoek

Versie 2, 9 mei 2021

26

Artikel 2.1 Melding van de hulpvraag Eerste en tweede lid Een ieder kan zich bij het college melden. In de meeste gevallen zal dat door de cliënt zelf al dan niet samen met zijn mantelzorger of een andere persoon uit zijn sociaal netwerk gebeuren. Ook kan sprake zijn van een vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 1.1.1, tweede lid, van de wet. De melding van de hulpvraag moet op de eerste plaats gekwalificeerd kunnen worden als een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Een verzoek om informatie en/of advies wordt niet als hulpvraag aangemerkt. Dit is van belang omdat alleen een melding van een hulpvraag leidt tot een onderzoek. Zoals bij wet is voorgeschreven registreert en bevestigt het college de ontvangst van de melding aan de cliënt. Na de melding start het college het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet (zie verder art. 2.4 van de verordening). Derde lid De hoofdregel is dat het college na de melding van de hulpvraag eerst een gesprek voert met de cliënt. Een uitzondering geldt voor spoedeisende situaties (zie begripsbepaling van de verordening). Het college verstrekt in voorkomende gevallen (zo spoedig als mogelijk én nodig blijkt) een tijdelijke maatwerkvoorziening, dit in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. Dit zal zich in de praktijk echter niet snel voordoen.

Artikel 2.2 Cliëntondersteuning en indienen persoonlijk plan Artikel 2.2.4 van de wet draagt het college op in ieder te geval te zorgen voor cliëntondersteuning. Het gaat in alle gevallen om onafhankelijke ondersteuning voor de cliënt waarbij zijn belang het uitgangspunt moet zijn. Cliëntondersteuning is domeinoverstijgend en hoeft niet alleen betrekking te hebben op de Wmo 2015. Dit maakt integrale dienstverlening aan cliënten en/of burgers nog beter mogelijk. Na de melding van de hulpvraag informeert het college de cliënt en diens eventuele mantelzorger over deze mogelijkheid. Het college kan deze cliëntondersteuning aanbieden, maar cliënten moeten zich ook kunnen laten bijstaan door andere (externe) ondersteuners. Denk aan een bestaande cliënten- of belangenorganisatie. Van belang is verder nog dat het college moet zorgen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt handelen. Voordat het onderzoek wordt gedaan, wijst het college de cliënt en diens eventuele mantelzorger ook op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen (art. 2.3.2, tweede lid, van de wet). Het spreekt voor zich dat het college dat plan betrekt bij het onderzoek na de melding van de hulpvraag.

Artikel 2.3 Identificatie Bij wet is geregeld dat de cliënt gehouden is zich desgevraagd te legitimeren (art. 2.3.4, tweede lid, van de wet). Voor de mantelzorger en de vertegenwoordiger van de cliënt is dat niet het geval. Uit het oogpunt van zorgvuldigheid regelt dit artikel dat ook zij zich op verzoek van het college moeten kunnen legitimeren. Artikel 2.4 Het onderzoek Eerste lid Het is van groot belang dat het onderzoek in goede samenspraak met de cliënt plaatsvindt. Alleen dan kan goed in kaart worden gebracht wat iemands problemen zijn, wat zijn leefomstandigheden en zijn sociale omgeving (gezin en sociaal netwerk) zijn en wat mogelijke oplossingen zijn. Bij het gesprek kunnen ook andere personen dan de cliënt aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan: de vertegenwoordiger, de mantelzorger of andere personen uit diens sociale netwerk. Het kan zijn dat meerdere gesprekken nodig zijn, dat is afhankelijk van het individuele geval. In het gesprek wordt in samenspraak met de cliënt bekeken welk resultaat hij wil bereiken wat betreft zijn zelfredzaamheid of participatie en welke oplossingen passend zouden kunnen zijn. Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van personen uit het sociale netwerk van een cliënt een meerwaarde hebben.

Denk ook aan de oplossingen die zij geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bieden waarmee de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt worden opgelost of verminderd. In geval van mantelzorg wordt de mantelzorger

Versie 2, 9 mei 2021

27

altijd uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang te weten of de mantelzorger ondersteuning nodig heeft in verband met het bieden van mantelzorg. Dat is een wettelijke opdracht van het college. Niet kan worden uitgesloten dat het onderzoek telefonisch kan worden gedaan als het college voldoende bekend is met de situatie van de cliënt. Bijvoorbeeld als recent een persoonlijk gesprek bij de cliënt thuis heeft plaatsgevonden. Overigens schrijft de wet niet voor hoe het onderzoek moet worden gedaan. Tweede lid Het is van belang dat de cliënt weet hoe de procedure na de melding van de hulpvraag zal verlopen. Verder is het beschikken over bepaalde persoonsgegevens noodzakelijk om tot een goede uitvoering van het onderzoek te komen. Daarbij is het van belang dat de cliënt tijdens het onderzoek op de hoogte wordt gesteld van het verwerken of het uitwisselen van persoonsgegevens én dat het college aan de cliënt daarvoor zonodig toestemming vraagt. Het kan ook zijn dat het college de cliënt daarover alleen hoeft te informeren. Derde en vierde lid De wet bepaalt welke onderwerpen tijdens het onderzoek aan bod moeten komen (art. 2.3.2, vierde lid, van de wet). Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger onderdeel uitmaken van het onderzoek.

Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, als een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college in voorkomende gevallen wel nader moeten motiveren bij de uiteindelijke beslissing op aanvraag. Vijfde lid Er zijn situaties denkbaar dat de ondersteuningsbehoefte bekend is bij het college en dat een gesprek daar niets aan toevoegt. Toch mag het college alleen met toestemming van de cliënt afzien van het gesprek. Dat geldt dan ook voor het niet hoeven opstellen van het verslag. Artikel 2.5 Het verslag Eerste lid Overeenkomstig artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet wordt voor de cliënt een verslag van het onderzoek opgesteld. Daarin staan de in samenspraak met de cliënt, en als aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale netwerk, tot stand gekomen oplossingen die zijn geïnventariseerd. Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger hier onderdeel van uitmaken. Dit verslag vormt de belangrijkste basis voor de beslissing op de eventueel in te dienen aanvraag. Tweede lid De wet bepaalt niet tot wanneer de cliënt zijn aanvraag kan indienen.

Strikt genomen betekent dit dat bijvoorbeeld twaalf maanden nadat het college het verslag aan de cliënt heeft verstrekt, de aanvraag nog kan worden gedaan terwijl de feiten en omstandigheden gewijzigd zouden kunnen zijn. De wetgever meent daarom dat het onder de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad valt om te bepalen tot wanneer het verslag geldig is (TK 33 841, nr. 34, p. 219). § 2. De aanvraag Artikel 2.6 De aanvraag Eerste en tweede lid In artikel 2.5, tweede lid, van de verordening is neergelegd hoe lang het verslag geldig is en wanneer er dus sprake is van een (nieuwe) melding van de hulpvraag. Zijn er volgens het college echter geen gewijzigde feiten of omstandigheden, dan neemt het college het ‘eerste’ verslag van het onderzoek als uitgangspunt.

Versie 2, 9 mei 2021

28

Derde en vierde lid Om administratieve lasten te voorkomen kan het verslag van het onderzoek ook als aanvraag worden aangemerkt als de cliënt dat op voorgeschreven wijze aangeeft. Wordt de aanvraag ook daadwerkelijk ingediend, dan kan de cliënt eventuele opmerkingen over het verslag toevoegen. Het college weegt die opmerkingen mee bij de beslissing op de aanvraag. Vijfde en zesde lid Artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet bepaalt dat het college binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag moet beslissen. Het kan echter voorkomen dat het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding van dat besluit een deskundigenadvies nodig heeft (zie art. 2.7 van de verordening). Het behoeft geen toelichting dat het college doorgaans niet over een dergelijk advies zal kunnen beschikken binnen de wettelijke beslistermijn. Het college heeft daarom de bevoegdheid de beslistermijn van de aanvraag op te schorten onder toepassing van artikel 4:14 van de Awb en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de cliënt het besluit tegemoet kan zien. Mocht het college binnen de genoemde termijn toch nog geen besluit kunnen nemen, dan mag de beslistermijn alleen worden verlengd met toestemming van de cliënt.

Uit de wet vloeit (ook) voort om de beslistermijn op te schorten als de cliënt niet de benodigde gegevens of bescheiden heeft aangeleverd of onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek, voor zover dat van belang is voor het beoordelen van de aanspraak. In die gevallen is artikel 4:15, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb van toepassing. § 3. Advisering Artikel 2.7 Advisering bij melding of aanvraag Eerste en tweede lid Voor de uitvoering van de wet vraagt het college (medisch) advies als het zelf niet ter zake deskundig is. Deze expertise wordt ingekocht bij een externe organisatie ter zake deskundig. In het geval van een woningaanpassing kan het college ook om advies vragen om bijvoorbeeld vast te laten stellen wat de goedkoopst passende bijdrage is. Het kan namelijk zijn dat een woningaanpassing inpandig kan worden opgelost in plaats van met een aanbouw. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Uit artikel 2.3.8, derde lid, van de wet vloeit voort dat de cliënt zijn medewerking verleent aan het onderzoek door bijvoorbeeld gehoor te geven aan een oproep van de medisch adviseur of het -via een machtiging- toestemming verlenen om informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college de noodzaak van een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen (bijv. CRVB:2019:224).

Daarbij geldt wel dat het college de noodzaak niet op andere wijze kan vaststellen dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging (bijv. CRVB:2012:BY0448). Via de cliënt geldt de hier bedoelde medewerkingsplicht ook voor de huisgenoten. Denk in dit verband aan de beoordeling of wel/geen gebruikelijke hulp kan worden geboden. Het college kan ook advies vragen als dat nodig is om duidelijkheid te krijgen over de (dreigende) overbelasting van de mantelzorger. De mantelzorger kan immers ondersteuning nodig hebben bij de uitvoering (het volhouden) van de mantelzorgtaken. Deze ondersteuning is niet gericht op het verstrekken van een maatwerkvoorziening aan de mantelzorger (RBNHO:2017:1022). Omdat mantelzorg niet verplicht is, kan het zijn dat de mantelzorger geen medewerking wil verlenen aan het onderzoek. Dat staat de mantelzorger vrij. Derde lid Het college kan ook een aanbieder om advies vragen. HOOFDSTUK 3. BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK Artikel 3.1 Algemeen Eerste en tweede lid

Versie 2, 9 mei 2021

29

In dit artikel zijn voor de kenbaarheid de algemene criteria van artikel 2.3.5, derde lid, van de wet opgenomen voor de beoordeling van de aanspraak door het college. Het verstrekken van een maatwerkvoorziening is in het kader van de wet nadrukkelijk de hekkensluiter. Dit neemt overigens niet weg dat het de cliënt altijd vrij staat om een aanvraag in te dienen nadat het onderzoek is afgerond. Het tweede lid van dit artikel is (mede) gebaseerd op de tweede volzin van artikel 2.3.5, derde lid, van de wet en bepaalt dat het college maatwerk moet bieden. Eerste lid aanhef en onder b Per 1 januari 2020 is het bepaalde onder b opgenomen in de wet. De strekking daarvan is dat er geen compensatieplicht geldt voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 147-148). Deze wettelijke bepaling is gecodificeerd op basis van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Dat wil zeggen dat het college niet gehouden is een maatwerkvoorziening te verstrekken als de cliënt zijn beperkingen kan oplossen dan wel verminderen met een algemeen gebruikelijke voorziening. De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat er vier criteria gelden op grond waarvan sprake kan zijn van een algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535).

Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt als deze: 1. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, 2. daadwerkelijk beschikbaar is, 3. een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, en 4. financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Derde en vierde lid De strekking van het derde lid is gelijk aan de strekking van het eerste lid met dien verstande dat dit lid betrekking heeft op de personenkring van beschermd wonen en opvang. Het vierde lid van dit artikel is (mede) gebaseerd op de tweede volzin van artikel 2.3.5, vierde lid, van de wet en bepaalt dat maatwerk geboden moet worden. Artikel 3.2 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget Eerste lid Heeft het college een indicatie voor een maatwerkvoorziening vastgesteld, al dan niet in de vorm van een pgb, dan kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt deze met terugwerkende kracht te verstrekken. Dit lid regelt dat het college zo’n verzoek weigert als de maatwerkvoorziening al voor de melding van de hulpvraag is gerealiseerd.

Dit geldt ook als de maatwerkvoorziening is gerealiseerd ná de melding van de hulpvraag, maar voordat het college heeft beslist op de aanvraag, tenzij zij de cliënt schriftelijk toestemming heeft verleend. Verder wordt opgemerkt dat het college in ieder geval niet gehouden is een maatwerkvoorziening, dan wel pgb te verstrekken in het geval de maatwerkvoorziening al is gerealiseerd (CRVB:2017:433). Tweede lid Het tweede lid is in overeenstemming met de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB:2018:818, CRVB:2016:2052, CRVB:2015:4918). De strekking hiervan is dat het college (bij ongewijzigde omstandigheden) niet verplicht is om binnen de budgetperiode (looptijd) opnieuw een pgb te verstrekken als het pgb volledig door de cliënt is besteed. De cliënt maakt de keuze voor een pgb en aanvaardt tevens de daaraan verbonden risico's en kosten. Daaronder valt bijvoorbeeld het verloren gaan van het vervoermiddel. Derde lid Het kan voorkomen dat de cliënt ná het verstrijken van de budgetperiode opnieuw bij het college een melding doet van een hulpvraag. Tijdens het onderzoek kan blijken dat de beschikbare maatwerkvoorziening die de cliënt,

Versie 2, 9 mei 2021

30

al dan niet met pgb, heeft aangeschaft nog voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. Is dat het geval, dan kan het college besluiten om instandhoudingskosten toe te kennen in plaats van een nieuwe maatwerkvoorziening. Vierde lid Dit lid verplicht de cliënt een opstalverzekering af te sluiten zodat de mogelijke schade middels deze verzekering is gedekt. Deze verplichting geldt ook als aan de cliënt een pgb wordt verstrekt voor de realisatie van een woningaanpassing. Vijfde lid Van de cliënt die een maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, meeneemt op vakantie naar het buitenland, wordt verwacht dat hij een adequate verzekering afsluit tegen verlies, diefstal of schade. Voor zover een derde verantwoordelijk kan worden geacht voor schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten stellen. Dat valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Cliënten die gebruik maken van hulpmiddelen die in natura zijn verstrekt, kunnen op verzoek bij de leverancier een groene kaart opvragen waarmee ze WAverzekerd zijn. Artikel 3.3 Criteria maatwerkvoorzieningen algemeen Eerste lid aanhef en onder a Hierin is bepaald dat de maatwerkvoorziening de cliënt in aanvaardbare mate in staat moet stellen tot zelfredzaamheid of participatie.

In welke mate iemand zelfredzaam moet kunnen zijn of moet kunnen participeren, is niet in de wet bepaald omdat het mede afhankelijk is van de individuele situatie van de cliënt. Het gaat om maatwerk. De wet schrijft dan ook voor dat de maatwerkwerkvoorziening daar een passende bijdrage aan moet leveren. Wat passend is, is strikt genomen een open norm die in beperkte mate in de verordening is ingekaderd. Dat geeft ruimte voor professioneel handelen. De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning zal in een redelijke verhouding moeten staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). In het artikel is daarom toegevoegd dat het in het algemeen om een aanvaardbaar niveau moet gaan. Een voorbeeld is wat onder deelname aan het maatschappelijk verkeer wordt verstaan (art. 4.10 van de verordening). Als uitgangspunt geldt dat de cliënt zich 1500-2000 kilometer (op jaarbasis) lokaal moet kunnen verplaatsen. Dit geldt vanzelfsprekend alleen als de cliënt zijn participatieprobleem niet ‘zelf of met hulp van anderen’ kan oplossen.

Eerste lid aanhef en onder b Het college is slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende bijdrage te bieden. Deze voorwaarde komt overeen met de ‘goedkoopst compenserende voorziening’ zoals in de Wmo (oud) werd gehanteerd. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat deze hiermee passender worden gemaakt, komen in principe niet voor verstrekking in aanmerking. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde maatwerkvoorziening als passende bijdrage kan worden gekwalificeerd. Zijn er meerdere maatwerkvoorzieningen die als passende bijdrage kunnen gelden, dan wordt de goedkoopste verstrekt. Eerste lid aanhef en onder c Een maatwerkvoorziening wordt op aanvraag individueel verstrekt, het is een ‘individuele voorziening’. Het spreekt daarom voor zich dat deze ook in overwegende mate op de cliënt gericht is. Het is echter niet uitgesloten dat tijdelijke ondersteuning aan huisgenoten en/of het sociale netwerk van de cliënt ook tot de mogelijkheden

Versie 2, 9 mei 2021

31

behoort, mits de ondersteuning in overwegende mate op de cliënt is gericht. Denk bijvoorbeeld aan het aanleren van het uitvoeren van huishoudelijke taken door de huisgenoot. Tweede lid aanhef en onder a Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op een al eerder verstrekte maatwerkvoorziening op grond van deze of hieraan voorafgaande verordeningen en de normale economische afschrijvingstermijn daarvan is nog niet verstreken, dan wordt de aanvraag in beginsel afgewezen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. In deze gevallen kan een gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming in de veroorzaakte kosten plaatsvinden. Tweede lid aanhef en onder b Met het oog op het verstrekken van maatwerkvoorzieningen mag het college ook rekening houden met redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of van anderen uit diens sociale netwerk. Dit met het oog op een passende oplossing voor de beperkingen in zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Op voorhand kan niet worden gesteld wanneer daarvan sprake is, dat is afhankelijk van de individuele situatie. Te denken valt aan het anders organiseren van taken in het huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van de keuken nodig is.

Ook kan worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht of het huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening hoeft te worden verstrekt (vergelijk CRVB:2016:429, CRVB:2013:CA0183). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Tweede lid aanhef en onder c De cliënt kan mogelijk aanspraak maken op een ‘voorziening’ op grond van een andere wet. In dat geval kan het college de cliënt verwijzen naar die ‘andere’ wet (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 150). Niet valt in te zien waarom het college gehouden is een maatwerkvoorziening te verstrekken als een andere wettelijke regeling kan voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. In dat kader speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een belangrijke rol. Denk aan gebruikmaking van fysiotherapie, ergotherapie of een gehoorapparaat (vergelijk CRVB:2011:BT7241 en CRVB:2013:CA1427). Onder de eigen verantwoordelijkheid valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een specifieke bestemming (CRVB:2012:BV9433). Ook kan een privaatrechtelijke regeling hieronder vallen, zoals een contractuele overeenkomst met eisen waaraan de woning moet voldoen. Op grond daarvan moet de cliënt de ‘verantwoordelijke’ aanspreken (CRVB:2011:BQ4115).

Artikel 3.4 Beginsel van primaat Eerste lid De hoofdregel volgens de verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals de maatwerkvoorziening collectief vervoer of groepsondersteuning. Het beginsel van primaten is een verbijzondering van het beginsel van de ‘goedkoopst passende bijdrage’. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast, wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het primaat van een collectief vervoerssysteem was al bekend (en geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep) onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Wmo (oud) en kan onder de Wmo 2015 worden voortgezet (CRVB:2018:1487). Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat een collectieve verstrekking als een (goedkoopst) passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het gaat daarbij om het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven.

Versie 2, 9 mei 2021

32

Tweede lid De hoofdregel volgens de verordening is dat het zogeheten primaat van verhuizen geldt (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149 en zie CRVB:2018:702, CRVB:2018:2602). Daarbij kan het voorkomen dat de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing én traplift, wat hogere kosten voor het college mee zal brengen. Het college zal bij de toepassing van het primaat de belangen van de cliënt zorgvuldig moeten afwegen. Daarnaast zal er binnen een voor de cliënt medisch aanvaardbare termijn een passende of goedkoper aanpasbare woning beschikbaar moeten zijn. Kan het college het primaat toepassen, dan kan er mogelijk aanspraak bestaan op een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten (o.a. CRVB:2018:2602 en zie art. 4.1, eerste lid onder j, van de verordening). Het primaat van verhuizen en de tegemoetkoming voor eventuele verhuis- en inrichtingskosten zijn niet bedoeld voor personen die inwonend zijn bij de (mede)huurder of (mede)eigenaar van de woning. Denk bijvoorbeeld aan kinderen die op zichzelf gaan wonen. Voor hen geldt dat de verhuizing naar een geschikte woning geen kosten met zich meebrengt die in aanmerking komen voor (gedeeltelijke) vergoeding. Het gaat dan om een algemeen gebruikelijke verhuizing.

Derde lid Het beginsel van de goedkoopst passende bijdrage geldt ook in het geval de cliënt wil verhuizen naar een andere woning terwijl dit niet als goedkoopst adequate oplossing wordt aangemerkt. Dan komt de cliënt niet in aanmerking financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten. HOOFDSTUK 4. MAATWERKVOORZIENINGEN Artikel 4.1 Algemeen Voor de leesbaarheid en kenbaarheid voor de inwoners van de gemeente Dinkelland zijn in dit artikel maatwerkvoorzieningen opgenomen die het college kan verstrekken. Daarmee is nadrukkelijk geen limitatief overzicht beoogd, dit gelet op het maatwerkprincipe. De Wmo 2015 bestaat namelijk uit een voorzieningenstelsel waarbij op het college de verplichting rust om met dat stelsel een resultaat te bereiken waarbij de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid, participatie of het zich op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving. Een maatwerkoplossing kan heel divers van aard zijn. Er bestaat dus niet één oplossing; er kunnen meerdere wegen naar Rome leiden. Het is aan het college, waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de aanvrager, om te besluiten hoe zij de aanvrager ondersteunt (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149).

Het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan ook betrekking hebben op het treffen van individueel gerichte maatregelen met het oog op bijvoorbeeld de integrale dienstverlening binnen het sociaal domein. Artikel 4.2 Criteria huishoudelijke ondersteuning Eerste lid Dit lid bepaalt de resultaten waar de huishoudelijke ondersteuning op is gericht. Onder omstandigheden kan daar ook ondersteuning bij de organisatie van de huishouding onder vallen. Het gaat niet om begeleiding maar ondersteuning met een vorm van aansturing. Uit de genoemde resultaten volgt ook dat de huishoudelijke taken geen betrekking hebben op tuinonderhoud of het lappen van de ramen aan de buitenkant van de woning (CRVB:2017:885, CRVB:2017:1302). Tweede lid Het kan voorkomen dat de huisgenoot van de cliënt leerbaar is voor de taken die onder de gebruikelijk hulp vallen. In dat geval kan een kortdurende indicatie worden verstrekt. Derde lid

Versie 2, 9 mei 2021

33

Dit lid bepaalt dat voor het schoonhouden van de woning het uitgangspunt geldt dat de taken alleen betrekking hebben op ruimten die voor de cliënt noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning. Ruimten die niet in gebruik (hoeven te) zijn, vallen hier dus buiten. Vierde lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 4.3 Criteria begeleiding Onder begeleiding worden activiteiten verstaan die gericht zijn op het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). In het eerste lid is concreet bepaald op welke resultaten de maatwerkvoorziening begeleiding gericht kan zijn. Het spreekt voor zich dat de aard, omvang en zwaarte van de begeleiding afhankelijk is van de mate van de beperkingen die de cliënt ondervindt in de zelfredzaamheid of participatie. Het tweede lid bepaalt dat de ondersteuningsbehoefte wordt gerelateerd aan de mate van beperkingen waar iemand mee te maken heeft en van welke zaken dit kan afhangen.. Dit zodat het bereiken van het resultaat (eerste lid) mogelijk wordt gemaakt. Het college stelt tijdens het onderzoek - in samenspraak met de cliënt - vast of de cliënt is aangewezen op begeleiding. Artikel 4.4 Criteria groepsondersteuning en vervoer Groepsondersteuning is een vorm van begeleiding die in groepsverband wordt geboden.

In het eerste lid is concreet bepaald op welke resultaten de maatwerkvoorziening groepsondersteuning gericht kan zijn. Het spreekt voor zich dat de aard, omvang en zwaarte van de groepsondersteuning afhankelijk is van de mate van de beperkingen die de cliënt ondervindt in de zelfredzaamheid of participatie. Het tweede lid omschrijft van welke zaken dit kan afhangen. Ingevolge lid 3 kan de cliënt tevens in aanmerking komen voor het noodzakelijke vervoer van huis naar de locatie waar de groepsondersteuning wordt geboden, en weer terug. Het vierde lid bepaalt wanneer het vervoer in ieder geval noodzakelijk wordt geacht. Artikel 4.5 Criteria kortdurend verblijf Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger ontlast moet of wil worden, geldt een specifiek criterium om in aanmerking te komen voor deze maatwerkvoorziening. De cliënt moet door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg aangewezen zijn op ondersteuning die gepaard gaat met permanent toezicht dan wel 24-uurs ondersteuning in de nabijheid. Is de cliënt daar niet op aangewezen, dan zou bijvoorbeeld groepsondersteuning al dan niet gecombineerd met begeleiding (individueel) en ambulante zorg als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw) uitkomst kunnen bieden. De mantelzorger kan ook ‘geneeskundige zorg’ bieden, die niet ambulant (wijkverpleegkundige) kan worden geboden.

In dat geval ligt het voor de hand dat er aanspraak bestaat op Eerstelijnsverblijf op grond van de Zvw. Er geldt in die situatie geen ondersteuningsplicht voor het college. Artikel 4.6 Criteria wonen algemeen Eerste lid Dit lid beschrijft de reikwijdte van het verstrekken van woonvoorzieningen. De cliënt moet in staat worden gesteld tot het uitvoeren van elementaire woonfuncties gericht op het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Dat is feitelijk een uitwerking van het begrip zelfredzaamheid. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen in de verordening van: een woning en het normale gebruik van de woning. Tweede lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Versie 2, 9 mei 2021

34

Derde lid Onder omstandigheden kan het verstrekken van woonvoorzieningen ook betrekking hebben op de berging, de toegang tot tuin of balkon van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur. Het gaat om de beoordeling wat voor de cliënt onder het normale gebruik van de woning valt. Vierde lid Het begrip gemeenschappelijke ruimte geeft het verschil aan tussen de woonruimte van een cliënt en de delen van het (woon)gebouw waar de cliënt woont, die ook door anderen worden of kunnen worden gebruikt. In dit lid zijn limitatief een aantal voorzieningen bepaald. Het gaat om woonvoorzieningen die de cliënt nodig heeft om zijn woning te kunnen bereiken en/of betreden. Vijfde lid Het kan voorkomen dat de cliënt woonachtig is in een woon- en leefvorm (zorgcomplex) welke alleen toegankelijk is voor verzekerden met een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Aanvragen voor maatwerkvoorzieningen die verband houden met de beperkingen van de doelgroep, worden in dit geval geweigerd. Denk bijvoorbeeld aan tilliften, rolstoelen, e.d. (vergelijk CRVB:2008:BD0268). Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Denk in dit kader ook aan outillagemiddelen als het zorgcomplex als Wlz-instelling kan worden aangemerkt (CRVB:2013:CA0312).

Artikel 4.7 Criteria wonen specifiek Eerste lid aanhef en onder a Het kan voorkomen dat de cliënt is verhuisd terwijl daar gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning geen aanleiding voor was. Is dat het geval én bestond er geen belangrijke reden om toch te verhuizen, dan weigert het college de genoemde maatwerkvoorzieningen. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt en de partner maken in welke woning men gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom naar de woning wordt verhuisd waar mogelijk (meer) aanpassingen moeten worden verstrekt. Eerste lid aanhef en onder b Is de cliënt niet verhuisd naar de voor hem beschikbare meest geschikte woning, dan wordt de maatwerkvoorziening in beginsel volgens de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep afgewezen (CRVB:2019:2951, CRVB:2018:702, CRVB:2014:3084, CRVB:2013:1809). Het college wordt in voorkomende gevallen namelijk op voorhand de mogelijkheid ontnomen om nog te kunnen bepalen of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, maar ook wat de goedkoopst passende bijdrage had kunnen zijn.

Onder deze bepaling zijn ook begrepen de aankoop (of het huren) van een woning of een kavel dan wel andere onomkeerbare handelingen zonder dat -voorafgaande daaraan- contact is opgenomen met het college. Door dat na te laten, bijvoorbeeld bij het college te informeren over de mogelijkheden, brengt de cliënt zich in een lastige bewijspositie. De aantoonplicht dat er geen (andere) geschiktere beschikbare woningen waren, ligt in eerste instantie bij de cliënt. Zonder dit bewijskan het college de aanvraag afwijzen (zie CRVB:2019:2951 en vergelijk CRVB:2011:BQ2868 en CRVB:2012:BY5215). Er is alleen sprake van een uitzondering als de cliënt vooraf (schriftelijk) toestemming aan het college heeft gevraagd en die toestemming om te verhuizen naar de betreffende inadequate woning schriftelijk heeft gekregen. Eerste lid aanhef en onder c Woningen die niet bestemd en/of geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen, kunnen niet dienen als hoofdverblijf als bedoeld in de begripsbepaling van de verordening. Daarom worden aan woningen die niet

Versie 2, 9 mei 2021

35

geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen geen woningaanpassingen en/of trapliften verstrekt (vergelijk bijvoorbeeld CRVB:2011:BR4180). Eerste lid aanhef en onder d Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen. Hieraan ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag. Denk bijvoorbeeld aan de constructie van een houten vloer in de woning (vergelijk CRVB:2003:AM5445). Eerste lid aanhef en onder e Aan deze afwijzingsgrond(en) ligt ook het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt ten grondslag. Net als ieder ander is de cliënt, die (mede)eigenaar is van de door hem bewoonde woning, verantwoordelijk om zaken als achterstallig onderhoud aan diens woning zelf op te lossen. Iedereen zal onderhoud moeten plegen aan zijn (eigen) woning, hoe kostbaar dat soms ook kan zijn. Daaronder worden ook de eisen verstaan die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld. Voor zover het een eigen woning betreft spreekt dat voor zich. Ingeval van een huurwoning ligt het op de weg van de cliënt de verhuurder hierop aan te spreken (CRVB:2013:2509). Het college mag daarbij een hoge mate van inspanningsverplichting verwachten van de cliënt. Tweede lid Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 4.8 Criteria verplaatsen in en om de woning Dit artikel bepaalt de reikwijdte van het verstrekken van maatwerkvoorzieningen voor het zich verplaatsen in en om de woning. Denk in dat verband aan bijvoorbeeld een rolstoel, een traplift of plafondlift. Artikel 4.9 Criteria bezoekbaar maken van de woning In afwijking van de hoofdregel dat alleen woonvoorzieningen waaronder een woningaanpassing worden verstrekt in de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben, kan het college een woning bezoekbaar laten maken. Dat geldt vanzelfsprekend niet als er al een woning voor de cliënt bezoekbaar is gemaakt of gaat worden omdat daar (al dan niet in een andere gemeente) een aanvraag voor is gedaan. Alleen personen die hun hoofdverblijf hebben in een instelling met een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg komen hiervoor in aanmerking. Het kan gaan om partners of kinderen die met deze mogelijkheid in staat worden gesteld om op bezoek te gaan bij partner of ouders. Er geldt geen vereiste dat de instelling gelegen moet zijn in de gemeente Dinkelland. Verder bepaalt dit artikel wat onder bezoekbaar maken wordt verstaan en dat het college daarvoor een maximale vergoeding vaststelt.

Artikel 4.10 Criteria deelname maatschappelijk verkeer Het college kan een (financiële) maatwerkvoorziening verstrekken aan de cliënt die op de eerste plaats geen gebruik kan maken van het reguliere openbaar vervoer. Het kan gaan om een maatwerkvoorziening voor ‘de korte afstand’ en voor de wat ‘langere afstand’ voor het zich lokaal verplaatsen. Het verschil hiertussen is doorgaans gelegen in de vraag of het om gerichte of ongerichte bestemmingen gaat. Artikel 3.4, eerste lid, van de verordening bepaalt dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt. Met het zich lokaal kunnen verplaatsen wordt de cliënt in staat gesteld tot participatie (CRVB:2018:1972, CRVB:2018:1961). Onder lokaal in het kader van dit artikel wordt 15-25 kilometer rondom de woning verstaan (vergelijk CRVB:2009:BH4270 en CRVB:2010:BL4037), waardoor de cliënt aansluiting heeft op het boven-lokale Valys vervoer. Het uitgangspunt qua omvang is bepaald op 1500-2000 kilometer per jaar. Dit betekent echter niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het college is immers gehouden maatwerk te leveren en is daarom bevoegd in individuele gevallen af te wijken. Het zou bijvoorbeeld (ook) het

Versie 2, 9 mei 2021

36

geval kunnen zijn dat er meer dan één vervoersvoorziening wordt verstrekt en met deze maatwerkvoorzieningen tezamen 1500-2000 kilometer op jaarbasis kunnen reizen bereikt kan worden. Vervoer in verband met werk en/of scholing valt buiten de reikwijdte van de wet. Wanneer iemand vrijwilligerswerk voor maatschappelijke organisaties verricht, ligt het in de eerste plaats op de weg van die organisaties om de vrijwilligers in staat te stellen dat werk te doen, althans om op zijn minst een redelijke bijdrage in hun eventuele (reis)kosten te leveren (CRVB:2018:1961, CRVB:2004:AO4037). Artikel 4.11 Criteria financiële tegemoetkoming Eerste lid aanhef De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat onder een maatwerkvoorziening ook een financiële tegemoetkoming kan worden verstaan (o.a. CRVB:2018:396). Eerste lid aanhef en onder a, b en c Het gaat om tegemoetkomingen in de kosten van het gebruik van een eigen auto, individueel (roltoel)taxivervoer en verhuiskosten en/of inrichtingskosten die het gevolg zijn van de toepassing van het primaat van verhuizen. Bij het gebruik van een eigen auto houdt het college rekening met de volledige of gedeeltelijke samenvallende vervoersbehoefte van de cliënt en zijn eventuele partner. Ook kan de cliënt afhankelijk zijn van een derde die hem met een auto vervoert.

Eerste lid aanhef en onder d Een financiële tegemoetkoming kan ook worden verstrekt bij de maatwerkvoorzieningen zoals genoemd in dit onderdeel. Anders dan bij de tegemoetkomingen bedoeld in de onderdelen a, b en c geldt hier dat het college wel de kwaliteit van de aan te schaffen maatwerkvoorziening beoordeelt (zie begripsbepaling financiële tegemoetkoming in art. 1.1 van de verordening). Dat heeft vooral te maken met de veiligheid van bijvoorbeeld beugels en douchezitjes (aanschaf en het aanbrengen daarvan). Eerste lid aanhef en onder e Omdat de wet uitgaat van maatwerk kan niet worden uitgesloten dat ook andere kosten dan genoemd onder a, b, c of d in aanmerking kunnen komen voor een financiële tegemoetkoming. Het zal in de praktijk gaan om situaties waarin het college geen volledige maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Vergelijk respectievelijk het verstrekken van een bruikleenauto of de brandstof voor het gebruik van de eigen auto. Het kan bijvoorbeeld ook zijn dat de cliënt stroomkosten heeft die enkel en alleen het gevolg zijn van het gebruik van een maatwerkvoorziening (CRVB:2017:2777). Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/480/documents/15546